Kwartaalmonitor Indicatiemelding Eerste kwartaal 2012
Voorwoord In april 2012 heeft het CIZ de eerste kwartaalmonitor uitgebracht van de pilot indicatiemelding voor 80-plus-cliënten voor intramurale zorg. Deze kwartaalmonitor bevatte de resultaten van het eerste kwartaal van de pilot, de maanden oktober tot en met december 2011. In deze tweede kwartaalmonitor zijn de cijfers toegevoegd van het eerste kwartaal van 2012. In de kwartaalmonitor wordt het gebruik van de indicatiemelding in kaart gebracht. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag of de totale aanspraak op AWBZ-zorg is gewijzigd na de invoering van de indicatiemelding. Deze vraag wordt beantwoord aan de hand van een zorgzwaarte-index. De kwartaalmonitor geeft een cijfermatig overzicht van de indicatiemeldingen en is niet bedoeld om een inhoudelijk oordeel te geven over indicatiebesluiten die via de indicatiemelding tot stand komen.
Inhoud 1 Samenvatting... 3 2 Inleiding... 5 2.1 Achtergrond: de invoering van indicatiemelding voor ZZP s 80+... 5 2.2 Doel van de kwartaalmonitor... 5 2.3 Onderzoeksvragen... 5 2.4 Alternatieve verklaringen voor veranderingen in aanspraak... 7 2.5 Dataset en datakenmerken... 7 2.6 Leesaanwijzingen... 8 3 Begripsbepaling... 9 3.1 Cliënt, positieve besluiten, totale aanspraak... 9 3.2 Besluitniveau en cliëntniveau... 9 3.3 Kwartalen, peildata en ijkpunt... 9 3.4 Indicatiemelding en zorgaanbieder... 10 3.5 Leeftijd en leeftijdscategorieën... 10 3.6 Extramuraal en intramuraal... 10 3.7 Zorgzwaartepakketten en intramurale sectoren... 10 3.8 Zorgomvang: casemix... 11 3.9 Zorgomvang: zorgzwaarte-index... 11 4 Gebruik van indicatiemelding... 13 4.1 Het aantal intramurale indicatiebesluiten van 80-plus-cliënten... 13 4.2 Verdeling intramurale indicatiebesluiten over sectoren... 14 4.3 Aantal zorgaanbieders en gemiddelde aantal indicatiemeldingen... 15 5 Totale aanspraak op AWBZ-zorg... 17 5.1 80-plus-cliënten: CIZ-indicatie of indicatiemelding... 17 5.2 Aantal cliënten van 80 jaar en ouder verdeeld naar intramurale en extramurale indicaties18 5.3 Casemix intramurale 80-plus-cliënten... 21 5.4 Zorgzwaarte-index intramurale 80-plus-cliënten... 23 6 Nieuw verkregen ZZP-aanspraak... 25 6.1 Casemix nieuw verkregen aanspraak intramurale 80-plus-cliënten... 25 6.2 Zorgzwaarte-index nieuw verkregen aanspraak intramurale 80-plus-cliënten... 27 7 Controleanalyse: de groep 65- tot 80-jarigen... 29 7.1 Aantal cliënten van 65 tot 80 jaar en 80-plus vergeleken... 29 7.2 Cliënten verdeeld naar intramurale en extramurale indicaties... 30 7.3 Casemix: cliëntverdeling over zorgzwaartepakketten V&V... 32 7.4 Zorgzwaarte-index intramurale zorg... 33 Bijlage A. Zorgzwaarte-index berekening... 35 1
1 Samenvatting Sinds 3 oktober 2011 kunnen (intramurale) zorgaanbieders een indicatiemelding doen voor intramurale zorg voor hun cliënten van 80 jaar en ouder. Direct vanaf de invoering maken zorgaanbieders veelvuldig gebruik van deze mogelijkheid: - In het eerste kwartaal van 2012 (2012-Q1) zijn er 14.800 (tabel 4.1.1) indicatiemeldingen gedaan. Dat is 52 procent van het totaal aantal intramurale indicaties voor 80-plus-cliënten. - Het merendeel (96% in beide kwartalen) betrof indicaties voor zorgzwaartepakketten in de sector Verpleging en Verzorging (tabel 4.2.2). - In het eerste kwartaal van 2012 hebben 711 zorgaanbieders ten minste één indicatiemelding gedaan. Gemiddeld deed elk van deze zorgaanbieders 21 indicatiemeldingen (tabel 4.3). Het doel van deze monitor is het in kaart brengen van de effecten van indicatiemelding op de totale aanspraak op intramurale AWBZ-zorg. De totale aanspraak wordt gekwantificeerd aan de hand van 1) het totale aantal cliënten van 80 jaar of ouder met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg en 2) de zorgomvang die voor deze cliënten is geïndiceerd. De zorgomvang wordt gepresenteerd aan de hand van de casemix en een zorgzwaarte-index. Uit deze cijfers blijkt het volgende: Er lijkt vooralsnog geen sprake te zijn van een sterke verandering van de totale aanspraak op intramurale AWBZ-zorg: - Het totaal aantal 80-plus-cliënten met een geldige indicatie op 1 april 2012 was 256.650. Dit aantal is in de afgelopen twee jaar gestegen (tabel 5.2.1, figuur 5.2.1). - De verhouding tussen het aantal intra- en extramurale besluiten is de afgelopen twee jaar stabiel gebleven. 53 procent van de 80-plus-cliënten heeft een intramuraal besluit en 47 procent maakt aanspraak op extramurale zorg (tabel 5.2.2). - De zorgzwaarte-index voor de ZZP-aanspraak is in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012 lineair gestegen. Er is dus al sprake van een stijging vóór de invoering van de indicatiemelding (figuur 5.4.1). Er is verschil zichtbaar in de nieuw verkregen aanspraak op intramurale AWBZ-zorg: - De zorgzwaarte-index, berekend over de nieuw verkregen aanspraak, laat zien dat de aanspraak op AWBZ-zorg door cliënten met een CIZ-indicatie licht is gedaald (99 op 1 januari 2012 en 98 op 1 april 2012) ten opzichte van het ijkpunt 1 oktober 2011. De aanspraak van cliënten met een indicatiebesluit verkregen door indicatiemelding is gestegen (104 op beide peildata). De gemiddelde zorgzwaarte is voor beide peildata stabiel en gestegen naar 101 (tabel 6.2.1). - De relatieve verdeling over de V&V-zorgzwaartepakketten van cliënten met nieuw verkregen aanspraak van cliënten binnen de groep met een indicatiemeldingsbesluit is grotendeels gelijk aan die van de vorige peildatum (tabel 6.1.2, figuur 6.1.1). Nader onderzoek naar de effecten van de indicatiemelding op de aanspraak is noodzakelijk om de verschillen te kunnen duiden. Het is mogelijk dat de groep 80-plus-cliënten met een intramurale indicatie een autonome groei kent, die afwijkt van andere cliëntgroepen in de AWBZ. Daarom is een controleanalyse uitgevoerd waarin de 80-plus-groep is vergeleken met de groep 65- tot 80-jarigen (hoofdstuk 7). - De groepen 80-plus-cliënten en cliënten van 65 tot 80 jaar hebben zich in de afgelopen twee jaar niet verschillend ontwikkeld. De aantallen zijn in beide groepen stabiel gebleven. 3
Enkele kanttekeningen bij de interpretatie van de cijfers in deze monitor: - Het is belangrijk rekening te houden met de verschillende meetniveaus: besluitniveau en cliëntniveau (paragraaf 3.2). - De pilot indicatiemelding ZZP 80+ loopt nog niet lang. Eventuele effecten worden pas echt zichtbaar op langere termijn. - De mogelijkheid bestaat dat de cliënten die hun zorgaanbieder een indicatie laten melden een andere zorgvraag hebben dan de cliënten die een indicatie van het CIZ krijgen. Hierdoor zou er een mogelijk verschil kunnen ontstaan in de verdeling over zorgzwaartepakketten tussen cliënten met een indicatiemeldingsbesluit en cliënten met een CIZ-besluit. - Het is moeilijk een direct verband te leggen tussen de indicatiemelding en een veranderde totale aanspraak op AWBZ-zorg, omdat alternatieve oorzaken niet uitgesloten kunnen worden. Een voorbeeld is de PGB-maatregel die is ingegaan op 1 januari 2012 (paragraaf 2.4). 4
2 Inleiding 2.1 Achtergrond: de invoering van indicatiemelding voor ZZP s 80+ Het ministerie van VWS heeft besloten om per oktober 2011 zorgaanbieders de mogelijkheid te geven intramurale zorg voor cliënten van 80 jaar en ouder te melden. Sindsdien kunnen (intramurale) zorgaanbieders door middel van een indicatiemelding zelf bepalen op welk zorgzwaartepakket (ZZP) de cliënt, op basis van zorgbehoefte in relatie tot de AWBZ-beleidsregels, aanspraak heeft. De verwachting van VWS is dat deze indicatiemelding naast een flinke verkorting van doorlooptijden ook leidt tot een aantoonbare vermindering van ervaren administratieve lasten c.q. handelingen en kosten bij het CIZ. Tegelijkertijd is er nog onzekerheid over de effecten van indicatiemelding op de totale aanspraak op AWBZ-zorg. De indicatiemelding ZZP 80+ geldt voor het ministerie van VWS als een pilot tot 2014. Het verloop en de uitkomsten van deze pilot zullen medebepalend zijn voor keuzes over verdere vereenvoudiging van de indicatiestelling voor de AWBZ. Om de macro-effecten van de indicatiemelding goed te kunnen volgen, heeft het ministerie aan het CIZ gevraagd de ontwikkelingen na invoering van deze nieuwe vorm van indicatiestelling te monitoren en te evalueren. 2.2 Doel van de kwartaalmonitor Het doel van de kwartaalmonitor is om het ministerie van VWS, directie Langdurige Zorg, inzicht te verschaffen in de effecten van indicatiemelding 1 op de totale aanspraak op intramurale AWBZ-zorg. De directie Langdurige Zorg wil weten of de totale aanspraak op intramurale zorg groeit na de invoering van indicatiemelding. De kwartaalmonitor verschaft een globaal overzicht van de effecten van indicatiemelding. In de jaarrapportage over indicatiemelding ZZP 80+, die in april 2013 wordt opgeleverd, worden de effecten meer inhoudelijk geduid. De kwartaalmonitor is bovendien niet bedoeld om individuele zorgaanbieders te volgen of uit te lichten. 2.3 Onderzoeksvragen De twee hoofdvragen die in de kwartaalmonitor worden beantwoord, zijn: 1. Maken zorgaanbieders gebruik van indicatiemelding? 2. Is de totale aanspraak op AWBZ-zorg veranderd na de invoering van indicatiemelding op 3 oktober 2011? In de volgende twee paragrafen worden deze onderzoeksvragen verder uitgewerkt. 1. Maken zorgaanbieders gebruik van indicatiemelding? De eerste onderzoeksvraag wordt uitgewerkt in vier subvragen: 1.1 Hoeveel indicatiemeldingen zijn er gedaan sinds de invoering op 3 oktober 2011? 1.2 Hoeveel zorgaanbieders maken gebruik van indicatiemelding? 1.3 In welke zorgsectoren wordt gebruik gemaakt van indicatiemelding? 1 Deze monitor Indicatiemelding gaat over de indicatiemeldingen voor zorgzwaartepakketten voor cliënten van 80 jaar en ouder (indicatiemelding ZZP 80+). Om de leesbaarheid van de monitor te verhogen, wordt de toevoeging ZZP 80+ in de tekst achterwege gelaten. Dit kan worden gedaan, omdat er momenteel geen andere indicatiemelding mogelijk is dan voor deze doelgroep. 5
1.4 Wordt de indicatiestelling voor de doelgroep 80-plus-cliënten met intramurale zorg in toenemende mate gedaan door zorgaanbieders in plaats van door CIZ-indicatiestellers? Deze vragen worden beantwoord op besluitniveau in hoofdstuk 4. 2. Is de totale aanspraak op AWBZ-zorg veranderd na de invoering van indicatiemelding op 3 oktober 2011? Deze tweede onderzoeksvraag richt zich op mogelijke gevolgen van indicatiemelding op de totale aanspraak op AWBZ-zorg door cliënten van 80 jaar en ouder. Aanspraak op AWBZ-zorg wordt gekwantificeerd aan de hand van twee kenmerken: a. het totale aantal cliënten met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg; b. de zorgomvang die voor deze cliënten is geïndiceerd. Het meest rechtstreekse effect van indicatiemelding op de totale aanspraak is te zien aan de zorgomvang van cliënten met een indicatie voor intramurale zorg. Immers, zorgaanbieders hebben alleen de mogelijkheid dat type zorg te melden; indicatiemelding is niet bedoeld voor extramurale zorg. Daarom wordt in deze monitor de omvang van intramurale zorg in kaart gebracht. De zorgomvang van intramurale indicaties wordt uitgedrukt in de verdeling van cliënten over de verschillende zorgzwaartepakketten (de casemix). Daarnaast worden veranderingen in zorgomvang in kaart gebracht met een zorgzwaarte-index 2 (zie paragraaf 3.9). Ook wordt de verhouding tussen het aantal 80-plus-cliënten met een extramurale indicatie en het aantal 80-plus-cliënten met een intramurale indicatie in beeld gebracht. Een indirect effect van indicatiemelding zou een sterkere mate van intramuralisering (cliënten krijgen vaker dan voorheen een indicatie voor intramurale zorg) of extramuralisering (cliënten krijgen vaker een indicatie voor extramurale zorg) kunnen zijn. Als intramuralisering of extramuralisering zich voor zou doen, dan is dit terug te zien in een procentuele groei van het aantal cliënten met een intramurale indicatie, respectievelijk het aantal cliënten met een extramurale indicatie. Verandering in de aanspraak op AWBZ-zorg als gevolg van indicatiemelding kan blijken uit vergelijkingen van bovenstaande kenmerken in de periode vóór de invoering van de indicatiemelding (tot 3 oktober 2011) met de periode ná de invoering. Daarnaast maakt een vergelijking tussen de cliënten met een indicatiemeldingsbesluit en de cliënten met een CIZ-besluit duidelijk of veranderingen toe kunnen worden geschreven aan de indicatiemelding. Hierbij moet worden opgemerkt dat het moeilijk is een direct verband te leggen tussen de indicatiemelding en een veranderde totale aanspraak, omdat meerdere alternatieve oorzaken niet uitgesloten kunnen worden (zie ook paragraaf 2.4). Omdat veranderingen in de aanspraak op AWBZ-zorg waarschijnlijk pas zichtbaar worden op langere termijn, wordt de analyse gedaan vanaf 1 januari 2010 tot en met de meest recente peildatum. De indicatiemelding is ingevoerd op 3 oktober 2011, dus de eerste peildatum waarop wijzigingen zichtbaar kunnen zijn is 1 januari 2012. De subvragen die dus behandeld worden als uitwerking van de tweede onderzoeksvraag, luiden: 2.1 Verandert het aantal cliënten ouder dan 80 jaar met aanspraak op intramurale AWBZ-zorg over de periode 1-1-2010 tot en met 1-4-2012? Zo ja, op welke wijze? 2.2 Verandert de verhouding tussen het aantal cliënten met een extramurale en een intramurale indicatie over de periode 1-1-2010 tot en met 1-4-2012? Zo ja, op welke wijze? 2.3 Verandert de zorgomvang van cliënten ouder dan 80 jaar met aanspraak op intramurale AWBZ-zorg over de periode 1-1-2010 tot en met 1-4-2012? Zo ja, op welke wijze? Deze vragen worden beantwoord op cliëntniveau. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de ontwikkelingen van de totale aanspraak van 80-plus-cliënten. In hoofdstuk 6 worden de cijfers op cliëntniveau voor nieuw verkregen aanspraak getoond (alleen de cliënten die in het voorafgaande kwartaal een indicatie hebben ontvangen, worden in de berekening meegenomen). 2 De zorgzwaarte-index in deze monitor betreft alleen de zorgzwaarte van intramurale zorg (zorgzwaartepakketten), niet de extramurale zorgzwaarte. 6
Een aandachtspunt bij de vergelijking van de cliënten met een indicatie door indicatiemelding en de cliënten met een CIZ-indicatie is dat dit twee verschillende cliëntpopulaties zijn. Dat wil zeggen dat rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat de cliënten die hun zorgaanbieder een indicatie laten melden een andere zorgvraag hebben dan de cliënten die een aanvraag bij het CIZ doen. Het is voorlopig niet bekend of een dergelijk onderscheid zich aftekent, maar er dient bij de interpretatie van de hier gepresenteerde cijfers wel rekening mee gehouden te worden. Controle Het is mogelijk dat de groep 80-plus-cliënten met een intramurale indicatie een autonome groei kent, die afwijkt van andere cliëntgroepen in de AWBZ. Het is daarom van belang een controleanalyse uit te voeren door de 80-plus-groep te vergelijken met een andere groep. De meest voor de hand liggende groep zijn de cliënten van 65 tot 80 jaar. Deze groep lijkt wat betreft de persoonskenmerken (leeftijd, aard van zorgvraag) het meest op de doelgroep van indicatiemelding. In deze groep zitten, net als in de groep 80-plus-cliënten, veel cliënten met een indicatie voor intramurale zorg in de sector Verpleging en Verzorging. Ook van deze groep zal de ontwikkeling van de aanspraak op AWBZ-zorg in kaart worden gebracht. Voor de controleanalyse kan dus nog één onderzoeksvraag worden geformuleerd: 2.4 Wijken de bij 2.1, 2.2, en 2.3 genoemde ontwikkelingen van de groep cliënten ouder dan 80 jaar en de groep cliënten tussen de 65 en 80 jaar van elkaar af? De resultaten van de controleanalyse worden gepresenteerd in hoofdstuk 7. 2.4 Alternatieve verklaringen voor veranderingen in aanspraak Als uit de cijfers in hoofdstuk 4, 5, 6 en 7 mocht blijken dat de aanspraak op AWBZ-zorg is gewijzigd sinds 3 oktober 2011, kan dit niet per definitie worden gezien als het effect van de invoering van indicatiemelding. Verschillende factoren zijn mogelijk (mede) verantwoordelijk voor veranderingen in de aanspraak. Allereerst kan er sprake zijn van een autonome toename van het beroep op zorg met verblijf. Door de vergrijzing in Nederland zijn er steeds meer mensen van 80 jaar en ouder die aanspraak zullen maken op AWBZ-zorg, en dus ook op zorg met verblijf. Ook kan er een effect zijn van de (voorgenomen) decentralisatie van de functie Begeleiding en Kortdurend Verblijf uit de AWBZ. Mogelijk anticiperen cliënten hierop door een indicatie voor Verblijf aan te vragen. De verwachting is echter dat dit effect pas in 2014 zichtbaar wordt. Eenzelfde beweging kan het gevolg zijn van de Pgb-maatregel die is ingegaan op 1 januari 2012. Vanaf die datum kunnen alleen cliënten met een indicatie voor Verblijf aanspraak maken op een persoonsgebonden budget. 2.5 Dataset en datakenmerken Het CIZ beschikt over een database waarin alle AWBZ-indicaties zijn opgeslagen die door het CIZ zijn afgegeven sinds de oprichting in 2005. Deze kwartaalmonitor indicatiemelding is gebaseerd op die database. Het is belangrijk om te realiseren dat het aantal cliënten met aanspraak op AWBZ-zorg niet overeen hoeft te komen met het aantal cliënten dat daadwerkelijk zorg consumeert. Het kan voorkomen dat een cliënt een indicatie heeft zonder die te verzilveren bij een zorgaanbieder. Een voorbeeld hiervan zijn cliënten met een geldig indicatiebesluit die op de wachtlijst van een zorgaanbieder staan. In de kwartaalmonitor wordt gerapporteerd over aantallen besluiten per kwartaal (hoofdstuk 4) en aantallen cliënten die op een vastgesteld moment een geldige aanspraak hebben op AWBZ-zorg 7
(hoofdstuk 5, 6 en 7). Iedere cliënt kan op een peildatum slechts één geldig besluit hebben, maar wel opvolgend in de tijd over verschillende geldige besluiten beschikken. In deze monitor wordt in hoofdstuk 4, 5 en 6 alleen gerapporteerd over de cliënten van 80 jaar en ouder (zie ook paragraaf 3.5). Hoofdstuk 7 vermeldt ook de cliënten tussen 65 en 80 jaar. Cliënten met een indicatie voor een zorgzwaartepakket VV09 afgegeven door een CIZ-indicatiesteller worden uitgesloten van deze rapportage, omdat het niet mogelijk is een ZZP VV09 te indiceren via indicatiemelding. In de tabellen worden aantallen afgerond op tientallen. Als gevolg van de afronding kan in sommige tabellen de som van de aantallen in een kolom iets afwijken van het totaal dat in die kolom staat vermeld. 2.6 Leesaanwijzingen In hoofdstuk 3 worden alle begrippen uitgelegd die een rol spelen in deze kwartaalmonitor. Hoofdstuk 4 rapporteert over aantallen indicatiebesluiten. Aan de hand van deze gegevens kunnen onderzoeksvraag 1 en de bijbehorende subvragen beantwoord worden. Voor de beantwoording van de tweede onderzoeksvraag is informatie op cliëntniveau noodzakelijk. Deze gegevens zijn wat betreft de totale aanspraak te vinden in hoofdstuk 5. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 inzichtelijk gemaakt hoe het aantal cliënten met een nieuw verkregen indicatie zich heeft ontwikkeld vanaf de invoering van de indicatiemelding. Hoofdstuk 7 bevat de resultaten behorende bij de controleanalyse (vraag 2.4). De resultaten uit de kwartaalmonitor worden kort samengevat in hoofdstuk 1. 8
3 Begripsbepaling 3.1 Cliënt, positieve besluiten, totale aanspraak, nieuw verkregen aanspraak Onder cliënt wordt verstaan: een persoon die een AWBZ-indicatiebesluit heeft dat is afgegeven door het CIZ en waarmee hij of zij aanspraak kan maken op AWBZ-zorg, en die op de peildatum in leven is 3. In de kwartaalmonitor worden alleen cliënten meegenomen met een positief indicatiebesluit afgegeven door het CIZ of gemeld door een zorgaanbieder. Een positief indicatiebesluit is de schriftelijke beslissing van het CIZ dat de cliënt aanspraak op AWBZ-zorg heeft 4. Alle geïndiceerde zorg, van alle cliënten met een positieve indicatie op een peildatum samen, wordt de totale aanspraak genoemd. Onder nieuw verkregen aanspraak wordt verstaan: het aantal cliënten met een positieve indicatie op een peildatum dat in het voorgaande kwartaal een nieuw ZZP-besluit heeft ontvangen. 3.2 Besluitniveau en cliëntniveau In deze kwartaalmonitor wordt gerapporteerd over aantallen indicatiebesluiten per kwartaal en aantallen cliënten op een peildatum. Dit zijn twee meetniveaus die niet één op één met elkaar vergeleken kunnen worden. Immers, een cliënt kan in een bepaalde periode meerdere indicatiebesluiten achtereen hebben gekregen (bijvoorbeeld als de zorgvraag sterk is toegenomen), maar op een peildatum is er slechts één geldig (alleen het laatst afgegeven besluit). Ook zijn er cliënten met een besluit met een lange geldigheidsduur. Zij hebben daarom in de afgelopen periode geen nieuw besluit gekregen. 3.3 Kwartalen, peildata en ijkpunt Informatie op besluitniveau (hoofdstuk 4) wordt gepresenteerd per kwartaal. Een kwartaal is gedefinieerd als een periode van drie maanden, beginnend op de eerste dag van de eerste maand en eindigend op de laatste dag van de derde maand. De kwartalen waarover in deze monitor wordt gerapporteerd beginnen op 1 januari (Q1), 1 april (Q2), 1 juli (Q3) en 1 oktober (Q4). Het eerste kwartaal waarin indicatiemeldingen werden gedaan was 2011-Q4. Ter referentie worden in de tabellen ook de kwartalen 2010-Q3 en 2011-Q3 getoond. In de figuren worden alle kwartalen vanaf 2010-Q1 meegenomen. Informatie op cliëntniveau (hoofdstuk 5, 6 en 7) wordt gepresenteerd per peildatum. Iedere eerste dag van een kwartaal geldt als peildatum. De peildata die in dit document worden aangehouden zijn dus 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. De indicatiemelding is ingevoerd op 3 oktober 2011. De eerste peildatum waarop er gerapporteerd kan worden over indicatiemelding is daarmee 1 januari 2012. Naast deze peildatum wordt in de tabellen ook het cliëntenbestand op de peildata 1 oktober 2010 en 1 oktober 2011 getoond. Voor de berekening van de zorgzwaarte-index wordt gebruik gemaakt van een ijkpunt. Dit is een gekozen peildatum waartegen de gegevens van overige peildata worden afgezet. 3 Het CIZ is voor iedere peildatum nagegaan welke cliënten in leven waren en welke zijn overleden in het voorafgaande kwartaal. 4 Een negatief indicatiebesluit is de schriftelijke beslissing van het CIZ dat de cliënt géén aanspraak op AWBZ-zorg heeft. 9
Voor de totale aanspraak op AWBZ-zorg in hoofdstuk 5 is het gebruikelijke ijkpunt 1 januari 2010. In hoofdstuk 6 wordt de laatste peildatum vóór de invoering indicatiemelding, 1 oktober 2011, gebruikt als ijkpunt. Als ijkpunt wordt 1 oktober 2011 gekozen, omdat de indicatiemelding toen nog niet van kracht was en de gemiddelde zorgzwaarte op deze datum daarmee een nulpunt is. 3.4 Indicatiemelding en zorgaanbieder Een indicatiebesluit wordt aangemerkt als een indicatiemelding als het besluit tot stand is gekomen doordat een zorgaanbieder gebruik heeft gemaakt van de digitale AanmeldFunctionaliteit (AF) en daarbij de route indicatiemelding heeft gekozen. Het gaat om besluiten voor intramurale zorg (in termen van zorgzwaartepakketten) voor mensen van 80 jaar of ouder op de dag van aanvraag. Alleen zorgzwaartepakket VV09 kan niet via indicatiemelding worden geïndiceerd. Onder zorgaanbieder wordt hier verstaan de organisatie die gekoppeld is aan de gebruikersovereenkomst met het CIZ (de AF-contractant). Iedere AF-contractant heeft een unieke AF-aanmeldcode, waarmee ingelogd wordt op de AF. Hierbij moet worden opgemerkt dat één code niet altijd gelijk staat aan één verblijfsinstelling. Sommige koepelorganisaties met meerdere verblijfsinstellingen hebben één gebruikersovereenkomst voor alle instellingen samen. Andere koepelorganisaties hebben juist voor elk van hun instellingen een eigen AF-aanmeldcode. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de interpretatie van de cijfers in hoofdstuk 4.3. 3.5 Leeftijd en leeftijdscategorieën Cliënten met een indicatie via indicatiemelding zijn altijd 80 jaar of ouder, omdat indicatiemelding alleen voor die leeftijdscategorie mogelijk is. De leeftijd en leeftijdscategorie (80 jaar of ouder en 65 tot 80 jaar) van cliënten met een CIZ-indicatie wordt bepaald op basis van de leeftijd van de cliënt op het moment van aanvraag. Dit heeft als consequentie dat cliënten die op een jongere leeftijd (onder de 80) een indicatiebesluit hebben gekregen, niet worden meegenomen in de telling van 80-plus-cliënten op een peildatum, ook al zijn zij op dat moment wel 80 jaar of ouder. 3.6 Extramuraal en intramuraal Er wordt binnen de AWBZ onderscheid gemaakt tussen extramurale en intramurale zorg. We spreken van extramurale zorg als de cliënt maximaal drie etmalen per week in een zorginstelling verblijft. Is dat meer dan drie etmalen per week, dan spreken we van intramurale zorg. Intramurale zorg wordt geïndiceerd als de zorgvraag noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een beschermende woonomgeving, therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht. Het CIZ deelt de cliëntpopulatie in op basis van de zorg die is toegekend in het indicatiebesluit. Het is echter mogelijk dat de cliënt uiteindelijk de zorg in een andere setting consumeert: een indicatie voor intramurale zorg kan als extramurale zorg worden verzilverd. 3.7 Zorgzwaartepakketten en intramurale sectoren Intramurale zorg wordt sinds 1 juli 2007 geïndiceerd in zorgzwaartepakketten (ZZP s). Een zorgzwaartepakket is een omschrijving van naar aard, inhoud en omvang bij een cliëntprofiel passende samenhangende zorg (regeling zorgaanspraken AWBZ). Er zijn zorgzwaartepakketten voor specifieke settings. Dit worden ook wel de ZZP-reeksen genoemd. De reeksen zijn: Verpleging en Verzorging (V&V); Verstandelijk Gehandicapt (VG); 10
Licht Verstandelijk Gehandicapt (LVG); Sterk Gedragsgestoord Licht Verstandelijk Gehandicapt (SGLVG); Lichamelijk Gehandicapt (LG); Zintuiglijk Gehandicapt Auditief (ZGaud) en Visueel (ZGvis); Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) ): GGZ-B (verblijf vanwege behandeling) en GGZ-C (verblijf vanwege noodzaak beschermende woonomgeving). Vóór de invoering van de zorgzwaartepakketten in 2007 werden indicaties voor intramurale zorg afgegeven in combinaties van extramurale functies, waaronder de functie Verblijf. Sommige van deze indicaties zijn nu nog geldig. In die gevallen worden deze cliënten meegenomen in de tellingen op de peildata (hoofdstukken 5, 6 en 7). Deze cliënten worden opgenomen in de categorieën Verblijf GGZ, Verblijf GZ, Verblijf V&V en Verblijf, onbekend. De sector wordt bepaald op basis van de dominante grondslag van de cliënt 5. Zowel de indicaties in zorgzwaartepakketten als in combinatie van functies worden samengevat in drie sectoren van zorg: Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ); Gehandicaptenzorg (GZ); Verpleging en Verzorging (V&V). De ZZP s VG, LVG, SGLVG, ZG en LG vallen onder de sector Gehandicaptenzorg (GZ). 3.8 Zorgomvang: casemix De intramurale aanspraak op de functie Verblijf wordt uitgedrukt in een zorgzwaartepakket. Een ZZP bevat de omvang van de functie Verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg. De zorgomvang van alle cliënten samen binnen de reeks Verpleging & Verzorging, wordt in deze monitor in kaart gebracht door middel van de casemix. Dit is de verdeling van cliënten over de V&Vreeks en nummers op een peildatum. 3.9 Zorgomvang: zorgzwaarte-index Voor het in kaart brengen van de verandering in de totale zorgomvang van intramurale 80-pluscliënten op de verschillende peildata wordt gebruik gemaakt van een zorgzwaarte-index. De zorgzwaarte-index laat per peildatum zien wat de relatieve verandering per peildatum van de gemiddelde ZZP-omvang is, afgezet tegen een ijkpunt. Het ijkpunt kent de waarde 100. Als de waarde van de index op een peildatum hoger is dan 100, is de gemiddelde zorgomvang gestegen ten opzichte van het ijkpunt. Is de waarde van de index op een peildatum lager dan 100, dan is de gemiddelde geïndiceerde zorgomvang gedaald ten opzichte van het ijkpunt. Voor de zorgzwaarte-index op een peildatum wordt gebruik gemaakt van een gewogen ZZP-tarief zoals dat door de NZa is berekend. Het gaat om een gewogen gemiddelde, omdat een optelsom van de ZZP-tarieven een vertekend beeld geeft van de zorgomvang. Voor deze methode is gekozen omdat de NZa-berekeningen kunnen worden gebruikt om verandering in ZZP-omvang te tonen. De wijze waarop de zorgzwaarte-index is berekend, staat uitgelegd in bijlage A. Door op elke peildatum uit te gaan van de tarieven uit 2011 is een vergelijking tussen de peildata mogelijk. Dit betekent dat veranderingen niet kunnen worden toegeschreven aan tariefstijgingen. De zorgzwaarte-index geeft informatie over het aantal geïndiceerde ZZP s en het gewogen ZZP-tarief. Op basis van deze index kunnen geen uitspraken worden gedaan over de ontwikkelingen in de omvang van de gedeclareerde en de gerealiseerde zorg. 5 Cliënten waarvan de dominante grondslag niet bekend is, worden ingedeeld in de categorie Verblijf, onbekend. 11
12
4 Gebruik van indicatiemelding Dit hoofdstuk rapporteert over het aantal indicatiebesluiten per kwartaal. Dit komt niet één-op-één overeen met het aantal cliënten per peildatum, waarover wordt gerapporteerd in het volgende hoofdstuk. Immers, een cliënt kan in een bepaalde periode meerdere indicatiebesluiten achtereen hebben gekregen (bijvoorbeeld als de zorgvraag sterk is toegenomen), maar op een peildatum is er slechts één geldig (alleen het laatst afgegeven besluit). Ook zijn er cliënten met een besluit met een lange geldigheidsduur. Zij hebben daarom in de afgelopen periode geen nieuw besluit gekregen. 4.1 Het aantal intramurale indicatiebesluiten van 80-plus-cliënten In de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 zijn er 14.800 indicatiemeldingen gedaan (tabel 4.1.1). Dit komt overeen met 52 procent van het totaal aantal intramurale indicatiebesluiten dat is afgegeven in deze periode (tabel 4.1.2). Het CIZ heeft in het tweede kwartaal sinds de invoering van de pilot indicatiemelding dus minder indicaties afgegeven aan de doelgroep 80-plus-cliënten dan de zorgaanbieders. Als er gekeken wordt naar de verdeling van de maandelijkse cijfers van het aantal indicatiemeldingen kunnen we concluderen dat er in 2011 Q3 elke maand een sterke stijging van het aantal indicatiemeldingen is. In 2012-Q1 stijgt het aantal indicatiemeldingen minder sterk. Tabel 4.1.1 Aantal positieve indicatiebesluiten voor intramurale AWBZ-zorg voor 80-plus-cliënten verdeeld naar CIZ-indicatiestelling en indicatiemelding per kwartaal. 2010-Q3 2011-Q3 2011-Q4 2012-Q1 Indicatiemelding - - 11.220 14.800 CIZ-indicatie 28.620 26.310 16.290 13.590 Totaal 28.620 26.310 27.510 28.390 Tabel 4.1.2 Relatief aantal positieve indicatiebesluiten voor intramurale AWBZ-zorg voor 80-plus-cliënten verdeeld naar CIZ-indicatiestelling en indicatiemelding per kwartaal. 2010-Q3 2011-Q3 2011-Q4 2012-Q1 Indicatiemelding - - 41% 52% CIZ-indicatie 100% 100% 59% 48% Totaal 100% 100% 100% 100% 13
4.2 Verdeling intramurale indicatiebesluiten over sectoren De intramurale AWBZ-zorg wordt ingedeeld in de drie sectoren Verpleging en Verzorging (V&V), Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) en Gehandicaptenzorg (GZ). Ieder zorgzwaartepakket valt onder een van deze sectoren. Uit tabel 4.2.1 valt op te maken dat in het eerste kwartaal van 2012 de meeste indicatiemeldingen zijn gedaan voor zorgzwaartepakketten in de sector V&V (14.290 indicaties). Het CIZ heeft in deze periode vooral intramurale indicaties voor 80-plus-cliënten afgegeven in de sector V&V (13.300 indicaties). Deze verhouding is nagenoeg gelijk aan het vorige kwartaal. Tabel 4.2.1 Aantal positieve indicatiebesluiten voor intramurale AWBZ-zorg voor 80-plus-cliënten verdeeld naar de zorgsector en indicatiestelling via het CIZ of indicatiemelding per kwartaal. 2010-Q3 2011-Q3 2011-Q4 2012-Q1 Indicatie melding Indicatie melding CIZindicatie CIZindicatie CIZindicatie CIZindicatie Indicatie melding V&V 26.510 25.380-15.830 10.830 13.300 14.290 GZ 1.820 730-380 290 230 420 GGZ 290 210-80 100 50 100 Totaal 28.620 26.310-16.290 11.220 13.590 14.800 Tabel 4.2.2 Relatief aantal positieve indicatiebesluiten voor intramurale AWBZ-zorg voor 80-plus-cliënten verdeeld naar de zorgsector en indicatiestelling via het CIZ of indicatiemelding per kwartaal. 2010-Q3 2011-Q3 2011-Q4 2012-Q1 Indicatie melding Indicatie melding CIZindicatie CIZindicatie CIZindicatie CIZindicatie Indicatie melding V&V 93% 96% - 97% 96% 98% 96% GZ 6% 3% - 2% 3% 1% 3% GGZ 1% 1% - 1% 1% 1% 1% Totaal 100% 100% - 100% 100% 100% 100% 14
4.3 Aantal zorgaanbieders en gemiddelde aantal indicatiemeldingen In tabel 4.3 staat het aantal zorgaanbieders 6 vermeld dat in het eerste kwartaal van 2012 heeft deelgenomen aan de pilot indicatiemeldingen. Dit waren er 711. Ten opzichte van het vorige kwartaal zijn dit 43 zorgaanbieders meer. Gemiddeld deden de zorgaanbieders 21 indicatiemeldingen. In 2012-Q1 deden de zorgaanbieders gemiddeld 21 indicatiemeldingen. Dit zijn per zorgaanbieder vier indicatiemeldingen meer dan in 2011-Q4. Tabel 4.3 Aantal zorgaanbieders dat indicatiemeldingen heeft gedaan en het gemiddelde aantal indicatiemeldingen per zorgaanbieder per kwartaal. 2011-Q4 2012-Q1 Aantal zorgaanbieders 668 711 Gemiddeld aantal indicatiemeldingen per zorgaanbieder 17 21 6 Onder zorgaanbieder wordt hier verstaan de organisatie die gekoppeld is aan de gebruikersovereenkomst met het CIZ (de AF-contractant). Zie ook paragraaf 3.4. 15
5 Totale aanspraak op AWBZ-zorg Dit hoofdstuk rapporteert over het aantal cliënten per kwartaal. Dit komt niet één-opéén overeen met het aantal indicatiebesluiten per peildatum, waarover wordt gerapporteerd in het vorige hoofdstuk. Immers, een cliënt kan in een bepaalde periode meerdere indicatiebesluiten achtereen hebben gekregen (bijvoorbeeld als de zorgvraag sterk is toegenomen), maar op een peildatum is er slechts één geldig (alleen het laatst afgegeven besluit). Ook zijn er cliënten met een besluit met een lange geldigheidsduur. Zij hebben daarom in de afgelopen periode geen nieuw besluit gekregen. 5.1 80-plus-cliënten: CIZ-indicatie of indicatiemelding Op 1 april 2012 waren er 21.390 80-plus-cliënten met een indicatiebesluit voor intramurale zorg verkregen via indicatiemelding. Dit betekent dat 16 procent van de in totaal 135.820 80-plus-cliënten met een intramurale indicatie door een zorgaanbieder zijn gemeld (tabel 5.1.1). Tabel 5.1.1 Aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor intramurale AWBZ-zorg verdeeld naar CIZ-indicatiestelling en indicatiemelding op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. Indicatie door 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 Indicatiemelding - 10 7 10.080 21.390 CIZ-indicatie 134.140 135.320 126.480 114.430 Totaal 134.140 135.320 136.560 135.820 Tabel 5.1.2 Relatief aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor intramurale AWBZ-zorg verdeeld naar CIZ-indicatiestelling en indicatiemelding op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. Indicatie door 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 Indicatiemelding - 0% 7% 16% CIZ-indicatie 100% 100% 93% 84% Totaal 100% 100% 100% 100% 7 Er waren 10 cliënten die via indicatiemelding na 3 oktober 2011 met terugwerkende kracht (per 1 oktober 2012) een indicatiebesluit voor ZZP hebben gekregen. 17
5.2 Aantal cliënten van 80 jaar en ouder verdeeld naar intramurale en extramurale indicaties Figuur 5.2.1 toont het aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg (zowel intramuraal als extramuraal) in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. Uit de figuur blijkt dat het totaal aantal cliënten ten opzichte van 1 januari 2010 met bijna 11.000 is gestegen. De toename die zichtbaar is van 1 oktober 2011 naar 1 januari 2012, is klein: op 1 januari 2012 waren er 1.070 cliënten meer. In het tweede kwartaal na invoering van de indicatiemelding is de toename vergelijkbaar, 1.180 cliënten meer op 1 april 2012 ten opzicht van 1 januari van dat jaar. Figuur 5.2.1 Aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 270.000 265.000 aantal cliënten 260.000 255.000 250.000 245.000 240.000 1-1-2010 1-4-2010 1-7-2010 1-10-2010 1-1-2011 1-4-2011 1-7-2011 1-10-2011 1-1-2012 1-4-2012 peildatum In figuur 5.2.2 is de totale groep 80-plus-cliënten opgesplitst in cliënten met een besluit voor intramurale zorg en cliënten met een besluit voor extramurale zorg. De figuur laat zien dat het aantal intramurale cliënten op 1 april 2012 licht is gedaald ten opzichte van 1 januari 2012. Het aantal extramurale cliënten op 1 april 2012 is licht gestegen ten opzichte van 1 januari 2012. Beide groepen cliënten zijn gestegen ten opzicht van 1 januari 2010. 18
Figuur 5.2.2 Aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg verdeeld over intramurale en extramurale zorg in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 140.000 135.000 aantal cliënten 130.000 125.000 120.000 intramuraal extramuraal 115.000 110.000 1-1-2010 1-4-2010 1-7-2010 1-10-2010 1-1-2011 1-4-2011 1-7-2011 1-10-2011 1-1-2012 1-4-2012 peildatum Tabellen 5.2.1 en 5.2.2 tonen van enkele peildata meer precieze gegevens. Het percentage 80-pluscliënten met een extramurale indicatie op 1 april 2012 (47%) is vrijwel gelijk als op 1 oktober 2010 (46%). Het percentage 80-plus-cliënten met een indicatie voor intramurale zorg (zowel afgegeven door het CIZ als door zorgaanbieders) is daarmee ook bijna gelijk gebleven ten opzichte van twee jaar daarvoor: van 54 procent op 1 oktober 2010 naar 53 procent op 1 april 2012. Tabel 5.2.1 Aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor extramurale en intramurale AWBZ-zorg op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 Extramuraal 115.110 118.990 118.820 120.740 Intramuraal 134.140 135.320 136.560 135.820 Totaal 249.250 254.310 255.380 256.560 Tabel 5.2.2 Relatief aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor extramurale en intramurale AWBZ-zorg op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 Extramuraal 46% 47% 47% 47% Intramuraal 54% 53% 53% 53% Totaal 100% 100% 100% 100% 19
In figuur 5.2.3 is de verhouding weergegeven tussen het aantal 80-plus cliënten met een extramuraal en een intramuraal indicatiebesluit, in procenten, op peildata vanaf 1 januari 2010. De figuur laat ook duidelijk zien dat deze verhouding in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012 zeer stabiel is gebleven. Figuur 5.2.3 Procentuele verhouding tussen het aantal 80-plus-cliënten met een positieve indicatie voor extramurale en voor intramurale AWBZ-zorg in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% extramuraal intramuraal 30% 20% 10% 0% 1-1-2010 1-4-2010 1-7-2010 1-10-2010 1-1-2011 1-4-2011 1-7-2011 1-10-2011 1-1-2012 1-4-2012 peildatum 20
5.3 Casemix intramurale 80-plus-cliënten De totale aanspraak op AWBZ-zorg wordt bepaald door het totaal aantal cliënten met een positieve ZZP-indicatie en de zorgomvang die voor deze cliënten is geïndiceerd. Eerder (zie de uitwerking van onderzoeksvraag 2 en paragraaf 3.8 en 3.9) is uitgelegd dat de totale zorgomvang wordt bepaald op basis van de casemix en de zorgzwaarte-index. In deze paragraaf wordt de totale zorgomvang van alle 80-plus-cliënten met een positieve intramurale indicatie op de peildata 1 oktober 2010 en 1 oktober 2011 tot en met 1 april 2012 getoond. Zoals in paragraaf 4.2 duidelijk werd, zijn de meeste indicatiemeldingen gedaan voor pakketten in de sector V&V. Om een beeld te krijgen van de omvang van de geïndiceerde zorg, toont tabel 5.3.1 hoe de 80-plus-cliënten met een indicatie binnen de ZZP-reeks V&V verdeeld waren over de individuele pakketten. De cliënten in de andere sectoren worden niet naar ZZP uitgesplitst. Tabellen 5.3.1 en 5.3.2 tonen dat op 1 april 2012 de groep met een pakket VV05 het grootst was. Dit was ook op de andere peildata het geval. Tabel 5.3.1 Aantal 80-plus-cliënten met een indicatie voor intramurale zorg in de V&V-sector op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. Geïndiceerd ZZP 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 VV01 7.570 5.970 5.770 5.440 VV02 21.370 20.200 19.570 18.480 VV03 14.990 17.470 18.260 19.340 VV04 19.620 22.720 23.060 23.330 VV05 32.610 37.430 38.650 39.180 VV06 11.370 12.900 13.660 14.390 VV07 3.870 4.640 5.240 5.710 VV08 460 580 710 820 VV10 380 470 460 480 Totaal V&V ZZP s 112.240 122.380 125.380 127.170 Verblijf V&V 12.380 3.390 2.050 10 GZ 7.470 7.760 7.430 7.080 GGZ 2.040 1.780 1.700 1.600 Verblijf Onbekend 20 0 0 0 Totaal 134.140 135.320 136.560 135.880 *Noot 1: De categorieën GGZ en GZ omvatten zowel cliënten met een indicatie in termen van de functie Verblijf langdurig, als cliënten met een indicatie voor een zorgzwaartepakket (zie ook paragraaf 3.7). *Noot 2: Pakket VV09 (verblijf vanwege revalidatie) mag niet worden geïndiceerd door zorgaanbieders, en wordt hier daarom niet vermeld (zie ook paragraaf 2.5). 21
Tabel 5.3.2 Relatief aantal 80-plus-cliënten met een indicatie voor een ZZP in de V&V-sector op 1 oktober 2010, 1 oktober 2011, 1 januari 2012 en 1 april 2012. Geïndiceerd ZZP 01-10-2010 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 VV01 7% 5% 5% 4% VV02 19% 17% 16% 15% VV03 13% 14% 15% 15% VV04 17% 19% 18% 18% VV05 29% 31% 31% 31% VV06 10% 11% 11% 11% VV07 3% 4% 4% 4% VV08 0% 0% 1% 1% VV10 0% 0% 0% 0% Totaal V&V 100% 100% 100% 100% 22
5.4 Zorgzwaarte-index intramurale 80-plus-cliënten De tweede indicator van zorgomvang is de zorgzwaarte-index. Figuur 5.4.1 toont de zorgzwaarteindex in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. Het ijkpunt is 1 januari 2010. De waarde van de index op latere peildata weerspiegelt de stijging of daling van de gemiddelde zorgzwaarte van alle cliënten met een geldige ZZP-indicatie ten opzichte van het ijkpunt. De zorgzwaarte-index wordt alleen berekend over cliënten met een indicatie in zorgzwaartepakketten. Cliënten met een indicatie in functies met Verblijf (afgegeven vóór juli 2007) worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Op 1 april 2012 was de waarde van de index 107. Drie maanden eerder bedroeg de index 106. Uit de figuur blijkt dat de gemiddelde zorgzwaarte lineair is gestegen ten opzichte van ijkpunt 1 januari 2010. Er is dus al sprake van een stijging van de gemiddelde zorgzwaarte van 80-plus-cliënten vóór de invoering van de indicatiemelding. Figuur 5.4.1 Zorgzwaarte-index van 80-plus-cliënten met ZZP-aanspraak, berekend ten opzichte van ijkpunt 1 januari 2010. 108 107 106 105 zorgzwaarte-index _ 104 103 102 101 100 99 98 1-1-2010 4-1-2010 7-1-2010 10-1-2010 1-1-2011 4-1-2011 7-1-2011 10-1-2011 1-1-2012 4-1-2012 peildatum 23
6 Nieuw verkregen ZZP-aanspraak In hoofdstuk 5 is gerapporteerd over het totaal aantal cliënten per peildatum met een aanspraak op AWBZ-zorg. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar het aantal cliënten dat in een afgelopen kwartaal een nieuw ZZP-besluit heeft ontvangen. Deze aantallen komen dus niet overeen met de aantallen in hoofdstuk 5. Een van de vragen die in deze monitor centraal staat, is of er verschil is in aanspraak tussen de cliënten met een indicatiemeldingsbesluit en de cliënten met een CIZ-besluit. Deze vergelijking is alleen zinnig als in beide groepen gekeken wordt naar cliënten die sinds 3 oktober 2011 de dag waarop de indicatiemelding van start ging een indicatie hebben gekregen. Immers, anders zouden ook cliënten met een CIZ-indicatie meetellen die al langer geleden een indicatiebesluit hebben ontvangen en dit zou een scheve vergelijking veroorzaken. Bovendien zou de totale groep cliënten met een CIZ-indicatie tien keer zo groot zijn als de groep cliënten met een indicatiemeldingsbesluit. 6.1 Casemix nieuw verkregen aanspraak intramurale 80-plus-cliënten In tabellen 6.1.1 en 6.1.2 is weergegeven hoe de cliënten die in het kwartaal vóór de peildatum een positief ZZP-indicatiebesluit hebben gekregen, verdeeld zijn over de zorgzwaartepakketten binnen de reeks V&V. In figuur 6.1.1 is dit grafisch weergegeven. Uit de tabellen en figuur blijkt dat het CIZ en deelnemende zorgaanbieders in grote lijnen hetzelfde patroon laten zien wat betreft de geïndiceerde zorgzwaartepakketten. Beide hebben een kwart van de cliënten voorzien van een zorgzwaartepakket VV05 (CIZ 25% en zorgaanbieders 27% op 1 april 2012). De verschillen in percentages bij de andere pakketten zijn niet groot, maar zorgaanbieders hebben relatief iets meer cliënten een pakket VV01, VV06 en VV07 verschaft. Het CIZ daarentegen heeft relatief iets vaker cliënten een pakket VV02, VV03 en VV04 geïndiceerd. Tabel 6.1.1 Aantal 80-plus-cliënten met een nieuw verkregen ZZP-indicatie in een kwartaal voor een ZZP in de V&V-reeks verdeeld naar CIZ-indicaties en indicatiemelding op 1 januari 2012 en op 1 april 2012. Geïndiceerd ZZP Peildatum 01-01-2012 Peildatum 01-04-2012 CIZ-indicatie Indicatiemelding CIZ-indicatie Indicatiemelding VV01 150 400 110 380 VV02 1.490 710 1.120 870 VV03 2.480 1.830 2.250 2.530 VV04 2.340 1.590 1.880 2.020 VV05 3.060 2.650 2.340 3.330 VV06 1.470 1.590 1.180 2.110 VV07 510 730 350 1.020 VV08 80 180 60 230 VV10 180 60 180 60 Totaal V&V 11.760 9.720 9.470 12.550 *Noot 1: De categorie Verblijf langdurig V&V staat niet in de tabel, omdat dit type besluiten sinds 1 juli 2007 niet meer kan worden afgegeven. 25
Tabel 6.1.2 Relatief aantal 80-plus-cliënten met een nieuw verkregen ZZP indicatie in een kwartaal voor een ZZP in de V&V-reeks verdeeld naar CIZ-indicaties en indicatiemelding op 1 januari 2012 en op 1 april 2012. Geïndiceerd ZZP Peildatum 01-01-2012 Peildatum 01-04-2012 CIZ-indicatie Indicatiemelding CIZ-indicatie Indicatiemelding VV01 1% 4% 1% 3% VV02 13% 7% 12% 7% VV03 21% 19% 24% 20% VV04 20% 16% 20% 16% VV05 26% 27% 25% 27% VV06 13% 16% 12% 17% VV07 4% 7% 4% 8% VV08 1% 2% 1% 2% VV10 2% 1% 2% 0% Totaal V&V 100% 100% 100% 100% Figuur 6.1.1 Percentage 80-plus-cliënten per zorgzwaartepakket (geïndiceerd vanaf 1 januari 2012) binnen de groep met een CIZ-indicatie en de groep met een indicatie via indicatiemelding op 1 april 2012. 30% 25% 20% CIZ-indicatie indicatiemelding 15% 10% 5% 0% VV01 VV02 VV03 VV04 VV05 VV06 VV07 VV08 VV10 zorgzwaartepakket 26
6.2 Zorgzwaarte-index nieuw verkregen aanspraak intramurale 80-plus-cliënten Om de gemiddelde zorgzwaarte (van alle sectoren: V&V, GZ en GGZ) van cliënten met een CIZindicatie te vergelijken met de gemiddelde zorgzwaarte van cliënten met een indicatie via indicatiemelding, wordt de zorgzwaarte-index hier berekend per kwartaal. Dat betekent dat de waarde van de index op een peildatum wordt bepaald door de 80-plus-cliënten die in het afgelopen kwartaal een ZZP-indicatie hebben ontvangen en die op de peildatum een geldige indicatie hadden. Als ijkpunt wordt 1 oktober 2011 gekozen 8, omdat de indicatiemelding toen nog niet van kracht was en de gemiddelde zorgzwaarte op deze datum daarmee een nulpunt is. De gemiddelde zorgzwaarte van de cliënten met indicaties door zorgaanbieders (indicatiemelding) en cliënten met een CIZindicatie op de peildata wordt afgezet tegen dit ijkpunt. Omdat de gemiddelde zorgzwaarte van CIZ-indicaties met indicaties via indicatiemelding wordt vergeleken en er daarom een ander ijkpunt wordt gekozen, is de zorgzwaarte-index voor nieuw verkregen ZZP-besluiten niet vergelijkbaar met de index zoals berekend voor de totale zorgomvang in paragraaf 5.4. Tabel 6.2.1 Zorgzwaarte-index van 80-plus-cliënten met een positieve ZZP-indicatie voor AWBZ-zorg op 1 januari 2012 en 1 april 2012 ten opzichte van 1 oktober 2011. 01-10-2011 01-01-2012 01-04-2012 Indicatiemelding - 104 104 CIZ-indicatie 100 99 98 Gemiddelde zorgzwaarte 100 101 101 Uit de tabel blijkt dat de gemiddelde geïndiceerde zorgzwaarte van de cliënten met een indicatie via indicatiemelding iets boven het gemiddelde van het ijkpunt ligt. De gemiddelde zorgzwaarte van cliënten met een indicatie van het CIZ is iets lager dan het gemiddelde van het ijkpunt. Ten opzichte van 1 januari 2012 is de gemiddelde zorgzwaarte op 1 april 2012 niet toegenomen. Nader onderzoek naar de effecten van de indicatiemelding op de aanspraak is noodzakelijk om de verschillen te kunnen duiden. 8 Ook voor het ijkpunt geldt dat alleen de 80-plus-cliënten met een indicatie uit het voorgaande kwartaal meetellen in de berekening. 27
7 Controleanalyse: de groep 65- tot 80-jarigen Dit hoofdstuk rapporteert over het aantal cliënten per kwartaal. Dit komt niet één-opéén overeen met het aantal indicatiebesluiten per peildatum. Immers, een cliënt kan in een bepaalde periode meerdere indicatiebesluiten achtereen hebben gekregen (bijvoorbeeld als de zorgvraag sterk is toegenomen), maar op een peildatum is er slechts één geldig (alleen het laatst afgegeven besluit). Ook zijn er cliënten met een besluit met een lange geldigheidsduur. Zij hebben daarom in de afgelopen periode geen nieuw besluit gekregen. 7.1 Aantal cliënten van 65 tot 80 jaar en 80-plus vergeleken Figuur 7.1 toont het aantal cliënten van 65 tot 80 jaar en van 80 jaar en ouder met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg (zowel intramuraal als extramuraal) in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. Figuur 7.1 Aantal cliënten van 65 tot 80 jaar en 80+ met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 280.000 260.000 240.000 aantal cliënten 220.000 200.000 180.000 80+ totaal 65-80 totaal 160.000 140.000 1-1-2010 4-1-2010 7-1-2010 10-1-2010 1-1-2011 4-1-2011 7-1-2011 10-1-2011 1-1-2012 4-1-2012 peildatum De figuur laat zien dat het aantal 80-plus-cliënten hoger is dan het aantal cliënten van 65 tot 80 jaar. Het totaal aantal cliënten in de twee leeftijdsgroepen heeft zich redelijk gelijk ontwikkeld. 29
7.2 Cliënten verdeeld naar intramurale en extramurale indicaties Figuur 7.2.1 toont het aantal cliënten met een extramurale en intramurale indicatie per leeftijdsgroep (65 tot 80 jaar en 80 jaar en ouder). Uit de figuur blijkt dat alle groepen zich in de tijd nagenoeg gelijk hebben ontwikkeld. Figuur 7.2.1 Aantal cliënten van 65 tot 80 jaar en 80+ met een positieve indicatie voor AWBZ-zorg verdeeld naar intramurale en extramurale zorg in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 140.000 130.000 120.000 110.000 aantal cliënten 100.000 90.000 80.000 70.000 60.000 50.000 40.000 1-1-2010 4-1-2010 7-1-2010 10-1-2010 1-1-2011 4-1-2011 7-1-2011 10-1-2011 1-1-2012 4-1-2012 80+ intramuraal 80+ extramuraal 65-80 intramuraal 65-80 extramuraal peildatum 30
De procentuele verhouding van het aantal cliënten met een extramurale en intramurale indicatie binnen de twee leeftijdsgroepen, is weergeven in figuur 7.2.2. Uit de figuur blijkt dat er relatief meer cliënten zijn met een intramurale indicatie in de groep 80-plus-cliënten. De verhouding intramuraalextramuraal is omgekeerd: in de groep 80+ heeft meer dan 50 procent van de cliënten een indicatie voor intramurale zorg, terwijl in de groep 65- tot 80-jarigen meer dan 60 procent van de cliënten een indicatie voor extramurale zorg heeft. Figuur 7.2.2 Procentuele verhouding tussen het aantal cliënten met een positieve indicatie voor extramurale en voor intramurale AWBZ-zorg binnen de leeftijdsgroepen 65 tot 80 jaar en 80+ in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012. 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 65-80 extramuraal 65-80 intramuraal 80+ extramuraal 80+ intramuraal as waarden 30% 20% 10% 0% 1-1-2010 4-1-2010 7-1-2010 10-1-2010 1-1-2011 4-1-2011 7-1-2011 10-1-2011 1-1-2012 4-1-2012 peildatum 31
7.3 Casemix: cliëntverdeling over zorgzwaartepakketten V&V De zorgomvang van cliënten van 65 tot 80 jaar wordt vergeleken met de zorgomvang van 80-pluscliënten op basis van de verdeling over de zorgzwaartepakketten in de sector V&V. In figuur 7.3.1 is voor de twee leeftijdsgroepen de procentuele verdeling over de pakketten op 1 april 2012 grafisch weergegeven. Figuur 7.3.1 toont alleen cliënten die een nieuw positief indicatiebesluit hebben gekregen vanaf 1 januari 2012. Figuur 7.3.1 Percentage cliënten per zorgzwaartepakket (afgegeven sinds 1 januari 2012) binnen de leeftijdscategorieën 65 tot 80 jaar en 80+ in de V&V-reeks op peildatum 1 april 2012. 30% 25% 20% 15% 80+ 65-80 10% 5% 0% VV01 VV02 VV03 VV04 VV05 VV06 VV07 VV08 VV10 zorgzwaartepakket Uit de figuur blijkt dat de twee leeftijdsgroepen vrijwel gelijk verdeeld zijn over de zorgzwaartepakketten. Er zijn relatief iets meer 80-plus-cliënten met een indicatie voor de pakketten VV01 en VV02. De groep 65- tot 80-jarigen heeft iets vaker een indicatie voor VV07 en VV10. In beide leeftijdsgroepen is de groep cliënten met een pakket VV05 het grootst. 32
7.4 Zorgzwaarte-index intramurale zorg De tweede indicator van zorgomvang is de zorgzwaarte-index (van alle sectoren: V&V, GZ en GGZ), die hier weer wordt berekend over alle cliënten met een geldige indicatie op een peildatum. Figuur 7.4.1 toont de zorgzwaarte-index in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 april 2012 voor cliënten van 65 tot 80 jaar en van 80-plus-cliënten. Het ijkpunt is 1 januari 2010. De leeftijdsgroepen hebben ieder een eigen ijkpunt. De waarde van de index op latere peildata weerspiegelt de stijging of daling van de gemiddelde zorgzwaarte van alle cliënten met een geldige ZZP-indicatie ten opzichte van het ijkpunt. De zorgzwaarte-index wordt alleen berekend over cliënten met een indicatie in zorgzwaartepakketten. Cliënten met een indicatie in functies met Verblijf (afgegeven vóór juli 2007) worden hierbij dus buiten beschouwing gelaten. Uit de figuur blijkt dat de gemiddelde zorgzwaarte voor beide leeftijdsgroepen ten opzichte van het ijkpunt 1 januari 2010 lineair zijn gestegen. Figuur 7.4.1 Zorgzwaarte-index van cliënten van 65 tot 80 jaar en van 80-plus-cliënten, ieder berekend ten opzichte van ijkpunt 1 januari 2010. 108 107 106 105 zorgzwaarte-index 104 103 102 65-80 80+ 101 100 99 98 1-1-2010 4-1-2010 7-1-2010 10-1-2010 1-1-2011 4-1-2011 7-1-2011 10-1-2011 1-1-2012 4-1-2012 peildatum 33
Bijlage A. Zorgzwaarte-index berekening De verandering in de zorgomvang wordt in kaart gebracht door middel van een zorgzwaarte-index. De zorgzwaarte-index laat per peildatum zien wat de relatieve verandering van de gemiddelde ZZPomvang is, afgezet tegen een ijkpunt. Het ijkpunt kan variëren. Voor de index op de totale aanspraak (hoofdstuk 5) is gekozen voor peildatum 1 januari 2010. In hoofdstuk 6 is het ijkpunt de peildatum 1 oktober 2011, voor de start van de indicatiemelding. Voor het bepalen van de gemiddelde ZZP-omvang op een peildatum wordt gebruik gemaakt van het gewogen ZZP-tarief en de casemix op een peildatum. De casemix op de peildata is bekend bij het CIZ. Het gewogen ZZP-tarief is afkomstig van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en wordt als volgt berekend. Van ZZP-tarief Voor elk ZZP in een reeks heeft de NZa tarieven bepaald. Het tarief wordt bepaald uit de componenten woonzorg, dagbesteding, behandelaars en verblijf, een gemiddelde tijdsduur per week voor functies, een bedrag per dag en een vast bedrag voor de functie Verblijf. Daarnaast is het tarief ondermeer afhankelijk van de specifieke toelating van de zorgaanbieder, de toelating in- of exclusief behandeling en/of dagbesteding en vervoer. Naast het ZZP-tarief kan er nog sprake zijn van toeslagen op het tarief. Omdat het ZZP-tarief afhangt van toelating voor behandeling en/of dagbesteding gelden per ZZP verschillende tarieven (prestatiecodes). In deze kwartaalmonitor maken we gebruik van de tarieven zoals deze zijn vastgesteld in Beleidsregel CA-452, Prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten over 2011 9, uitgegeven door de NZa. In deze monitor wordt op elke peildatum uitgegaan van de tarieven uit 2011, dus ook op de peildata in 2010 en 2012. Hierdoor is een vergelijking tussen de peildata mogelijk en zijn veranderingen niet toe te schrijven aan tariefstijgingen. naar gewogen ZZP-tarief.. In de berekening van de zorgzwaarte-index wordt gebruik gemaakt van gewogen ZZP-tarieven. De NZa heeft voor ieder ZZP een gewogen ZZP-tarief berekend. Hiertoe zijn per ZZP-nummer in een reeks (bijvoorbeeld VV03) de verschillende ZZP-tarieven (de prestatiecodes) vermenigvuldigd met het aantal afgesproken dagen voor deze prestaties. Hierdoor ontstaat per ZZP een totaalbedrag. Dit totaalbedrag wordt gedeeld door het totaal aantal afgesproken dagen voor het desbetreffende ZZP. Het resultaat is het gewogen ZZP-tarief. Hieronder staan twee fictieve rekenvoorbeelden van gewogen ZZP-tarieven. ZZP Prestatiecode Dagtarief Afgesproken dagen Dagtarief x afgesproken dagen VV03 Z031 10,- 120 1.200,- VV03 Z033 12,- 18 216,- Totaal 138 1.416,- Gewogen ZZP-tarief voor VV03 = 1.416,- / 138 = 10,26 9 De reden om te kiezen voor de tarieven uit 2011 is dat op het moment van uitbrengen van deze kwartaalmonitor alle gegevens, tarieven en afgesproken dagen voor een prestatie voor 2011 compleet zijn. 35
ZZP Prestatiecode Dagtarief Afgesproken dagen Dagtarief x afgesproken dagen VG03 Z430 9,- 20 180,- VG03 Z431 13,- 18 234,- VG03 Z432 11,- 12 132,- VG03 Z433 15,- 30 450,- Totaal 80 996,- Gewogen ZZP-tarief voor VG03 = 996,- / 80 = 12,45 De tarieven voor de toeslagen zijn hierin niet meegenomen. Ook zijn de kosten van verblijfsindicaties uitgedrukt in functies (indicaties van voor 2007 weergegeven als langdurig-verblijf V&V) niet meegenomen in deze berekening omdat hier geen tarieven voor bekend zijn. naar zorgzwaarte-index De verandering in de zorgomvang wordt hier in kaart gebracht door middel van een zorgzwaarteindex. De zorgzwaarte-index laat zien wat de relatieve verandering per peildatum van de gemiddelde ZZP-omvang is, afgezet tegen een ijkpunt. Het ijkpunt kan per zorgzwaarte-index variëren. Voor de index op totale aanspraak (hoofdstuk 5) is er gekozen voor de gebruikelijke door het CIZ gehanteerde peildatum 1 januari 2010. In hoofdstuk 6 is het ijkpunt de peildatum 1 oktober 2011, voor de start van de indicatiemelding. Voor het bepalen van de gemiddelde ZZP-omvang op een peildatum wordt gebruik gemaakt van het gewogen ZZP-tarief (NZa) maal het aantal ZZP-aanspraken (afkomstig uit de CIZ-dataset) op een peildatum. Dit wordt gedeeld door het totaal aantal ZZP-aanspraken om zo tot een gemiddelde ZZPomvang per peildatum te komen. De gemiddelde ZZP-omvang van het ijkpunt wordt gelijkgesteld aan 100. Elk peildatum wordt hier mee vergeleken om zo de relatieve verandering in de zorgomvang in kaart te brengen. Hieronder staat een fictief rekenvoorbeeld van een zorgzwaarte-index op ijkpunt 1 januari 2010. IJkpunt 1 januari 2010 ZZP Aantal ZZP s Gewogen ZZP-tarief Aantal ZZP s x gewogen ZZP-tarief VV01 20 7,50 150,- VV02 10 9,- 90,- VV03 10 10,26 102,60... Totaal 40 342,60 Aantal ZZP s per ZZP-nummer x gewogen ZZP-tarief / Totaal aantal ZZP s = 342,60 / 40 = 8,57 Zorgzwaarte-index voor 1 januari 2010 is het ijkpunt en 8,57 wordt gelijk gesteld aan 100. 36
Hieronder staat een fictief rekenvoorbeeld van een zorgzwaarte-index op peildatum 1 januari 2012. Peildatum 1 januari 2012 ZZP Aantal ZZP s Gewogen ZZP-tarief Aantal ZZP s x gewogen ZZP-tarief VV01 10 7,50 75,- VV02 20 9,- 180,- VV03 15 10,26 153,90... Totaal 45 408,90 Aantal ZZP s per ZZP-nummer x gewogen ZZP-tarief / Totaal aantal ZZP s = 408,90 / 45 = 9,09 Zorgzwaarte-index voor 1 januari 2012 laat de relatieve verandering zien ten opzichte van het ijkpunt: 9,09 / 8,57 (zorgzwaarte voor ijkpunt)*100 = 106 37
Dit is een uitgave van het CIZ. Versie 2.1 juni 2012 De verantwoordelijkheid voor de inhoud van deze publicatie berust bij het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ). Het gebruik van cijfers en/of teksten uit deze publicatie als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Het CIZ aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden. Voortschrijdend inzicht en informatiewensen vanuit het Ministerie van VWS kunnen leiden tot aanpassing van de vorm en inhoud van deze publicatie. 38