KONINKLIJKE BELGISCHE RUITERSPORT FEDERATIE Wedstrijdreglement Voltige Versie 2012. INHOUDSOPGAVE pagina HOOFDSTUK 1 - ALGEMEEN 3 Artikel 700 Begrippen 3 Artikel 701 Algemene bepalingen t.a.v. het voltigeren 3 Artikel 702 Bijzondere bepalingen t.a.v. het voltigeren 4 Artikel 703 Muziek 5 HOOFDSTUK 2 - WEDSTRIJDMOGELIJKHEDEN 5 Artikel 704 Verschillende wedstrijdvormen 5 Artikel 705 Klasse-indeling 5 Artikel 706 Terugplaatsingsregelingen 8 HOOFDSTUK 3 VOLTIGEURS EN LONGEUR 8 Artikel 707 Deelname aan wedstrijden 8 Artikel 708 Uitrusting voltigeurs en longeur 9 HOOFDSTUK 4 - VOLTIGEPAARD 9 Artikel 709 Eisen voltigepaard 9 Artikel 710 Uitrusting en optoming voltigepaard 10 Artikel 711 Inzet voltigepaard 10 HOOFDSTUK 5 - DE WEDSTRIJDOEFENINGEN EN DE BEOORDELING 11 Artikel 712 De betekenis van de cijfers 11 Artikel 713 Standaardafkortingen bij verplichte oefeningen 11 Artikel 714 Minpunten bij de verplichte oefeningen 13 Artikel 715 Resultatenkaart 13 HOOFDSTUK 6 DE VRIJE OEFENING (KUR) EN BEOORDELING VAN DE TEAMS 14 Artikel 716 Algemene opmerkingen 14 Disciplinereglement Voltige (versie 2013) 1-40
Artikel 717 De inhoud van een kür 14 Artikel 718 Oefeningen die niet worden beoordeeld 17 Artikel 719 Algemene indruk en het paardcijfer 17 Artikel 720 Küroverzicht 18 HOOFDSTUK 7 HET SOLOVOLTIGEREN 19 Artikel 721 De kür 19 Artikel 722 De moeilijkheid 19 Artikel 723 De samenstelling 19 Artikel 724 De uitvoering 20 Artikel 725 Aanvullende bepaling 20 HOOFDSTUK 8 HET DUOVOLTIGEREN 20 HOOFDSTUK 9 - VRIJE OEFENINGEN EN HUN MOEILIJKHEIDSGRAAD 21 Artikel 726 Algemene opmerkingen 21 HOOFDSTUK 10 - HET ORGANISEREN VAN EEN VOLTIGEWEDSTRIJD 21 Artikel 727 Aanvraag en voorbereiding van wedstrijden 21 Artikel 728 Klasse-indeling deelnemers 21 Artikel 729 Inschrijfgeld/prijzen/prijsuitreiking 22 HOOFDSTUK 11 - JUREREN 22 Artikel 730 Algemene bepalingen 22 HOOFDSTUK 12 - DEELNAME VLP/LEWB-VOLTIGEURS AAN KBRSF- VOLTIGEWEDSTRIJDEN 22 BIJLAGEN 23 Bijlage I Beoordeling Algemene indruk Bijlage II Beoordelingsstaten Bijlage III Structuurgroepen vrije oefeningen Bijlage IV Bewegingsbeschrijving verplichte oefeningen Bijlage V Beschrijving van de oefeningen 2-40
Inleiding Om de sport zo goed en eerlijk mogelijk te laten verlopen zijn spelregels opgesteld. De KBRSF kent hierbij de volgende reglementen: het Algemeen Wedstrijdreglement en de Wedstrijdreglementen Dressuur, Springen, Eventing, Mennen, Endurance, Voltige en Aangespannen Sport. Om te controleren op het gebruik van ongeoorloofde middelen en verboden stof(fen) en/of verboden methoden gelden respectievelijk de bepalingen van het reglement Ongeoorloofde Middelen voor het Paard en het Humaan Dopingreglement. De KBRSF-wedstrijdreglementen zijn zoveel mogelijk in lijn gebracht met de regels van de internationale paardensportorganisatie, de Fédération Equestre Internationale (FEI). In enkele gevallen was het niet mogelijk de regelgeving van de FEI te volgen omdat het voorzieningenniveau van KBRSFwedstrijden afwijkt van de voor de FEI-wedstrijden vereiste voorzieningen. Dit Wedstrijdreglement moet altijd in samenhang worden gelezen en toegepast met het Algemeen Wedstrijdreglement. Wanneer bepalingen in dit reglement afwijken van bepalingen in het Algemeen Wedstrijdreglement gaan de bepalingen in dit reglement voor op de bepalingen van het Algemeen Wedstrijdreglement. Wanneer de reglementaire bepalingen geen uitkomst bieden, moet worden gehandeld in de geest van de sport, waarbij fairplay en het welzijn van mens en dier altijd voorop moeten staan! Het KBRSF Bestuur kan in bepaalde gevallen afwijken van de bepalingen in een reglement. 3-40
HOOFDSTUK 1 - ALGEMEEN Dit Wedstrijdreglement Voltige dient te worden gelezen in samenhang met het Algemeen Wedstrijdreglement van de KBRSF. Artikel 700 - Begrippen Voor de toepassing van dit reglement wordt, voor zover niet anders blijkt, verstaan onder: a. Voltigevereniging: Bij de VLP/LEWB aangesloten vereniging of club die het voltigeren als wedstrijdsport beoefent. b. Team: een zestal of viertal (bij de klasse A, B, C en juniorenteams een 7-tal), met name te noemen voltigeurs, zo nodig aangevuld met één reserve, die tezamen als team onder leiding van een voltigeleid(st)er het voltigeren in wedstrijdverband beoefenen. Is er bij een voltigevereniging meer dan één team ingedeeld, dan worden deze teams met een cijfer aangeduid, uitgaande van het hoogst geklasseerde team als nummer 1, enz. Als er naast een viertal meer teams zijn in één vereniging, is het viertal altijd het laagst geklasseerde team. c. Voltigeur: degene die het voltigeren beoefent. d. Voltigeleid(st)er: degene die bij wedstrijden optreedt als hoofd van een team en/of het paard longeert en deel uitmaakt van het team en tevens lid is van een aangesloten vereniging. De voltigeleid(st)er is verantwoordelijk voor het team en voor het voltigepaard/de voltigepaarden. e. Verplichte oefeningen: een reeks voorgeschreven oefeningen die door de voltigeur al naar gelang de klasse in stap of in galop worden getoond. f. Vrije oefeningen/kür: een aantal niet voorgeschreven oefeningen of combinaties daarvan, waarbij de keuze en de opbouw van de oefeningen aan het eigen idee van de trainer en voltigeur wordt overgelaten. g. Solovoltige: een voltigewedstrijdvorm waarbij de deelnemers individueel voltigeren. h. Duovoltige: een voltigewedstrijdvorm waarbij steeds twee voltigeurs tezamen voltigeren. i. VLP/LEWB-vertegenwoordiger: degene die door de VLP/LEWB als vertegenwoordiger naar wedstrijden wordt afgevaardigd. Artikel 701 - Algemene bepalingen t.a.v. het voltigeren 1. Het paard galoppeert in de linkergalop op een volte met een minimum doorsnede van 15 meter. 2. Tijdens het binnenkomen, zo direct mogelijk opstellen voor de hoofdjury, het opstellen en de groet worden aan de groep overgelaten. Bij het groeten moeten alle voltigeurs contact houden met de grond, het mag niet te ingewikkeld zijn en dient in een zo'n kort mogelijke tijd te gebeuren. Daarna het paard op de volte zetten en laten draven zodat de jury kan oordelen of het paard fit to compete is. Na het belsignaal van de jury moet binnen 30 seconden worden begonnen met de verplichte oefeningen of de kür. Na beëindiging van de verplichte oefening door teams, volgen na een pauze van minimaal 30 minuten, de vrije oefeningen (kür) in galop. Indien de kür in stap uitgevoerd wordt is deze aansluitend. De solisten (afhankelijk van het vraagprogramma) dienen de vrije oefeningen aansluitend te tonen of minimaal een pauze van 30 minuten tussen verplichte en vrije oefeningen te hebben. 3. In geval van afzonderlijke juryleden wordt altijd de jury bij A gegroet. 4. De wedstrijdtijd gaat lopen op het moment dat de eerste voltigeur het paard en/of de optoming aanraakt. 5. Inzet reservevoltigeur a. Voor de teams Basispaardrijden, klasse E en klasse D geldt dat de reservevoltigeur mag worden ingezet als een voltigeur door een blessure niet verder kan voltigeren. Dit gebeurt na de oefening waarin de voltigeur zijn blessure heeft opgelopen. Na de proef mag de hoofdjury een verklaring vragen. Wordt er in dit geval geen reserve ingezet, dan worden alle oefeningen die niet meer worden uitgevoerd door de geblesseerde voltigeur beoordeeld met het cijfer 0. De reserve mag alleen worden ingezet als deze aangemeld is als reserve op de beoordelingsstaat. 4-40
b. Voor de teams klasse A, B, C en junioren geldt dat in het tweede deel van de wedstrijd (kür) de reserve (7 e voltigeur) mag worden ingezet in plaats van één van de andere voltigeurs. Alle 7 voltigeurs starten de verplichte oefeningen. 6. Ten aanzien van de indeling bij het team voltigeren gelden de volgende bepalingen: a. Per vereniging mag per klasse niet meer dan één team van 4 voltigeurs worden ingeschreven. b. Bij nationale wedstrijden wordt per klasse gevoltigeerd. Wanneer in de klassen A en B minder dan vier teams zijn aangemeld mogen deze klassen worden samengevoegd. Er wordt geen handicap toegepast. c. In het basispaardrijden wordt het team met het hoogste eindcijfer als eerste geplaatst, ongeacht of het een 4- of 6-tal is. Galop en stap zijn twee afzonderlijke klassen. 7. Bij kampioenschapswedstrijden mogen teams c.q. solovoltigeurs in één rubriek worden samengebracht. Er wordt zonder handicap gevoltigeerd. 8. De solovoltigeur mag met zijn kür starten als de jury A daarvoor de bel luidt. Start de solovoltigeur voor de bel geluid is, dan wordt de kür niet beoordeeld. Indien er meer voltigeurs tegelijk in de wedstrijdring komen, mag de volgende voltigeur pas naar het midden lopen als de vorige voltigeur het paard verlaten heeft. Artikel 702 - Bijzondere bepalingen t.a.v. het voltigeren 1. Uitvallers moeten minimaal 1 uur voor het begin van de rubriek bij het secretariaat worden gemeld. 2. Bij bijzondere gebeurtenissen of onverwachte problemen heeft jury A de beslissende stem. Jury A kan deze beslissing al dan niet in overleg met jury B en jury C nemen. Bij onverwachte gebeurtenissen of problemen voor of tijdens de proef, als de tijd is stil gezet, mogen jury B en jury C naar jury A komen om deze hun oordeel of voorstel tot oplossing voor te leggen. 3. Bij bijzondere gebeurtenissen of onvoorziene omstandigheden, b.v. een val of het losgaan van de singel, kan door tussenkomst van jury A de proef worden beëindigd of worden onderbroken. Als de proef wordt onderbroken dan wordt de tijd stil gezet. Op teken van jury A wordt de proef weer voortgezet en de tijd weer aangezet. 4. Bij materiaalpech (b.v. breken), losgaan of pijn veroorzakend aan het paard, mag het materiaal worden vervangen, indien dit binnen 2 minuten kan gebeuren. 5. Indien het paard hinder heeft van de verplichte of vrije oefeningen of verzet toont, mag de jury deze combinatie diskwalificeren. 6. Bij een val van een solo- of duovoltigeur tijdens de kür wordt de tijd stop gezet. De tijd start weer als de solo- of duovoltigeur het paard en/of de optoming binnen 1 minuut weer aanraakt, tenzij jury A door middel van de bel anders beslist. Dan moet de solo- of duovoltigeur verder gaan als jury A de bel voor de tweede keer luidt. Bij de derde val van een solo- of duovoltigeur volgt uitsluiting. 7. In geval van ex aequo is de groep met het hoogste cijfer voor de verplichte oefeningen de winnende groep. Indien het cijfer voor de verplichte oefeningen ook gelijk is, dan is winnaar de groep met het hoogste cijfer voor de algemene indruk. 8. In geval van ex aequo bij solovoltigeurs of duovoltigeurs is degene met het hoogste cijfer voor de verplichte oefeningen de winnaar. Indien het cijfer voor de verplichte oefeningen ook gelijk is, dan is winnaar degene met het hoogste cijfer voor de uitvoering van de kür. Artikel 703 - Muziek Tijdens voltigewedstrijden mag muziek (zowel vocaal als instrumentaal) ten gehore worden gebracht. Dit geldt voor teamvoltigeren, solovoltigeren en duovoltigeren. Deze is van toepassing op: muziek tijdens het binnenkomen van de wedstrijdring, muziek tijdens de verplichte oefeningen, muziek tijdens de kür en de muziek tijdens het verlaten van de wedstrijdring. HOOFDSTUK 2 - WEDSTRIJDMOGELIJKHEDEN 5-40
Artikel 704 Verschillende wedstrijdvormen a. Het Teamvoltigeren Hierbij wordt door een team van 4, 6 of 7 voltigeurs eerst de voorgeschreven verplichte oefeningen getoond, na een pauze van minimaal 30 minuten gevolgd door de vrije oefeningen. Op de linkerhand in de linkergalop m.u.v. de vrije oefeningen in de klasse E die in stap worden uitgevoerd. b. Het Solovoltigeren. Hierbij worden in een solistisch optreden van een voltigeur de verplichte oefeningen, gevolgd door de vrije oefeningen, getoond. Op de linkerhand in de linkergalop. c. Het Duovoltigeren. Één voltigeur voltigeert het 1 e blok van het team klasse A verplichte oefeningen, de 2 e voltigeur het 2 e blok klasse A verplichte oefeningen. Dit wordt gevolgd door een kür in galop met z n tweeën. Verplichte oefeningen en kür in galop op de linkerhand. d. Het basispaardrijden. Hierbij wordt door een solo, duo of team met 4 of 6 deelnemers een aantal voorgeschreven oefeningen getoond op de linkerhand in stap of galop. Gevolgd door een reeks vrije oefeningen op de linkerhand in stap. Artikel 705 Klasse-indeling Teams Klasse A tot/met D; er mag in de verplichte oefeningen gestart worden met 6 of 7 voltigeurs.. In de kur mag alleen gestart worden als voltigeur ook de verplichte oefeningen heeft gedaan. Bij het starten met 7 voltigeurs in de verplichte oefeningen wordt de tijdslimiet 7 minuten. Voor het deelnemen aan een wedstrijd gelden de volgende klasse-indelingen: 6-40
klasse Verplichte oefeningen: Kür Tijdslimiet Aantal in te Winstpunten* Verliespunt* leveren beoordelings staten Team A/B Opsprong, vrije zit, vlag, molen, schaar, staan, flanken Volgens FEI-reglement Plicht:1 min per gemeld teamlid Kür: 4 min. Min. 2 Klasse A: 7 Klasse B: 6 Klasse A: 5,999 Klasse B: 4,999 Team C Opsprong, Kür met max. 6 Plicht: 1 min per Min. 2 Klasse C: 5,5 Klasse C: 4,499 vrije zit, statische oefeningen gemeld teamlid. vlag, molen, scharen, staan, flanken met 3 voltigeurs. Kür: 4 min. Team D Opsprong, Kür met 2 voltigeurs en Plicht: 1 min per Min. 2 5 3,999 vrije zit, max. 6 gemeld teamlid vlag, D oefeningen met 2 Kür: 4 min. staan, voorwaarts opzwaaien, halve molen, achterwaarts opzwaaien binnenwaartse afsprong voltigeurs. Team E 4- of 6- tal vrije zit, e-molen, E-vlag, Knielen, Opzwaaien, Afsprong naar buiten Kür in stap. Kur met 2 voltiguers, max. 6 D-oefeningen met 2 voltigeurs Plicht: - 6-tal: 6 min. - 7-tal: 7 min - 4-tal: 4 min. Kür: - 6-tal: 4 min. - 4-tal: 3 min. Min. 1 5 n.v.t. Basispa ardrijden 4- of 6- tal Basiszit met handen in de zij, e-molen, opzwaaien tot bankmodel, vanuit bank knielen met armen naar voren en vanuit basiszit de afsprong naar binnen Kür in stap max. 2 voltigeurs op het paard. Alleen oefeningen van moeilijkheid 2 of 3. Plicht: 6-tal: 6 min. 4-tal: 4 min. Kür: 6-tal: 3 min. 4-tal: 2 min. 1 n.v.t. n.v.t. 7-40
klasse Team Junioren Verplichte oefeningen: blok 1 Opsprong, vrije zit, halve molen, vlag, staan, voorwaarts opzwaaien, halve molen, achterwaarts opzwaaien binnenwaartse afsprong Kür Tijdslimiet Aantal in te leveren beoordelings staten Winstpunten * Verliesp unt* Kür met oefeningen met 1, 2 of 3 voltigeurs. En Plicht 1 min per gemeld teamlid. Min. 2 5 n.v.t. max. 6 statische Kür: 4 min. oefeningen van 3 voltigeurs. Solo A/B/C Alle oefeningen in één blok: opsprong, vrije zit, vlag, molen, schaar, staan, flank. Zie FEI-reglement Plicht: onbeperkt Kür: 1 min. Min. 2 Klasse A: 7,0 Klasse B: 6,5 Klasse C: 6,0 Klasse A: 5,999 Klasse B: 4,999 Klasse C: nvt Junioren solo A/B Opsprong, vrije zit, vlag, molen, schaar, staan, flank Zie FEI-reglement Plicht: onbeperkt Kür: 1 min. Min. 2 A : 6,5 B : 6,0 A : 4,999 B : n.v.t. E-solo vrije zit, E-Molen, E-vlag eindigend in bank,knielen vanuit bank,opzwaaien, afsprong naar buiten. Kür in stap Plicht: onbeperkt Kür: 1 min. Min. 2 n.v.t n.v.t. Children Solo In galop. Opsprong, vrije zit, vlag, molen, schaar, staan, flank Kür in galop Alleen de oef. met moeilijkhed E en M tellen mee. Plich : onbeperkt Kür : 1 min Min. 2 n.v.t n.v.t. Duo 1 e voltigeur: opsprong, vrije zit, vlag, molen en afsprong naar binnen Kür met 2 voltigeurs Max.13 zwaarste oefeningen tellen Plicht: onbeperkt Kür: 2 min. Min. 2 n.v.t n.v.t 2 e voltigeur: schaar, staan, flank 8-40
* winst- en verliespunten De klasse A is de hoogst mogelijke klasse. Bij 4 winstpunten mag men naar een hogere klasse promoveren en bij 8 winstpunten moet men naar de volgende klasse promoveren. Als een volle punt meer wordt behaald dan de winstpuntengrens dan worden 2 winstpunten toegekend. Indien een 4-tal in de klasse E minimaal 4 (of maximaal 8) winstpunten heeft behaald, dan moet in deze klasse nog minimaal 1 winstpunt worden behaald als 6-tal om te promoveren naar de klasse D. Bij het behalen van 5 verliespunten degradeert men naar de naastgelegen lagere klasse. Een Juniorenteam is met 0 tot 4 winstpunten startgerechtigd in de klasse E, met 4 tot 8 winstpunten in de klasse D en met 8 of meer punten startgerechtigd in de klasse C. Basispaardrijden is alleen toegestaan voor voltigeurs en teams, die nog niet in een andere klasse zijn gestart. Een junioren solo mag zodra hij of zij de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, of eerder vanaf 14 als de junioren solo ervoor kiest in de senioren solo A/B/C klasse te starten, zonder deelname aan de klasse C overgaan naar de klasse B wanneer er viermaal een 6.0 is behaald, of overgaan naar de klasse A wanneer viermaal een 6,5 is behaald. Artikel 706 - Terugplaatsingsregelingen Terugplaatsing vindt plaats of kan plaatsvinden wanneer: a. Gedurende 12 maanden niet is deelgenomen aan voltigewedstrijden. Er dient schriftelijk een verzoek tot terugplaatsing naar de naast lager gelegen klasse te worden ingediend. Terugplaatsing zal echter nooit plaatsvinden lager dan de klasse D voor teams of B voor solo s. Het team c.q. de solovoltigeur promoveert onmiddellijk weer naar de oorspronkelijke klasse als de norm van de klasse is behaald. b. In de klassen A, B of C met een nieuw c.q. een ander paard moet worden uitgekomen. Na het indienen van een schriftelijk verzoek kan dat team c.q. een solovoltigeur één klasse lager dan de eigenlijke klasse worden ingedeeld. In dat geval promoveert het team c.q. een solovoltigeur onmiddellijk weer naar de oorspronkelijke klasse als de norm van de klasse is behaald. c. Uitkomend in de klassen A of B, 3 of meer voltigeurs moeten worden vervangen. Na het indienen van een schriftelijk verzoek zal het team één klasse lager worden ingedeeld. Het team c.q. de solovoltigeur promoveert onmiddellijk weer naar de oorspronkelijke klasse als de norm van de klasse is behaald. Een verzoek tot terugplaatsing dient gericht te worden aan de VLP/LEWB. HOOFDSTUK 3 VOLTIGEURS EN LONGEUR Artikel 707 - Deelname aan wedstrijden 1. Een voltigeteam of voltigeur kan onder de volgende voorwaarden aan een wedstrijd deelnemen: a. De voltigeur is lid van de VLP/LEWB. Bij teamwedstrijden dienen alle voltigeurs lid te zijn van dezelfde lidvereniging. b. De longeur, zowel bij teams, solisten als duo's, dient ook lid te zijn van een VLP/LEWB- (voltige)vereniging. Startmogelijkheden voor voltigeurs afhankelijk van de leeftijd: Leeftijd in jaren >=6 6 tot en 11 tot en 12 tot en met 12 met 13 met 18 Startmogelijkheden Team Duo >= ouder of gelijk aan De leeftijd gaat per kalenderjaar. Basisteam Children solo 11 tot en met 15 Junioren solo E-solo 6 tot en met 18 Junioren team >= 16 Solo A,B en C 9-40
2. Een voltigeur mag op één wedstrijd slechts deel uitmaken van één team. Dit geldt ook voor de reserve van een team. Een solovoltigeur mag per wedstrijd, indien de organiserende vereniging dit toestaat, op maximaal 2 paarden starten. Een voltigeur mag zowel starten voor het team als solistisch. 3. Een voltigeteam/voltigeur mag slechts deelnemen aan door de VLP/LEWB goedgekeurde wedstrijden. 4. Het deelnemen aan internationale wedstrijden, welke in het buitenland worden gehouden, is toegestaan tenzij: a. Deze wedstrijd(en) gehouden worden op (een) dag(en) van een VLP/LEWB voltigekampioenschap. b. Er sprake is van beperkte inschrijving voor Belgische deelnemers. In dat geval bepaalen de nationale voltigecommissie en de bondscoach van de KBRSF welke teams of voltigeurs een uitnodiging tot deelname zullen ontvangen. 5. Buitenlandse nationale wedstrijden: Voor deelnemers die uit willen komen op nationale voltigewedstrijden in het buitenland geldt, dat dit twee weken voorafgaand aan de wedstrijd in het buitenland schriftelijk dient te worden gemeld aan de VLP/LEWB. Voor het land behalve Nederland waar de voltigeur/het team wil starten wordt een vaulting permission aangevraagd bij de KBRSF. De voltigeur/het team schrijft zelf in voor de wedstrijd. De deelnemer is verplicht de uitslag van de wedstrijd in het buitenland binnen twee weken na de wedstrijddatum op te sturen aan de KBRSF, vergezeld van een kopie van de resultatenkaart waar de uitslag op is bijgeschreven. De behaalde winst- of verliespunten worden geregistreerd. 6. Internationale wedstrijden: Voor internationale (FEI)wedstrijden verloopt de inschrijving via de KBRSF. Er is geen vaulting permission nodig. De behaalde winst- of verliespunten over de eerste ronde waarbij zowel de plicht als de kür zijn gestart worden geregistreerd. Voor solo s die in de klasse junioren solo zijn gestart maar nationaal in een andere klasse geldt dat winst- of verliespunten over de eerste ronde in de eigen klasse worden geregistreerd. Artikel 708 - Uitrusting voltigeurs en longeur a. Kleding van de voltigeurs moet veilig, goed aansluitend en geschikt voor de voltigesport zijn. b. Binnen het team moet de kleding uniformiteit uitstralen. Platte stoffen applicaties zijn toegestaan als ook prints in verschillende kleuren. Voor verdere omschrijving zie de FEI Guidelines for Judges. De longeurs dienen in gepaste kleding in de ring te verschijnen. Hieronder wordt verstaan een witte of zwarte broek met zwarte of witte bovenkleding of in de kleuren van de vereniging/team. Indien de vereniging een sponsor heeft gelden de sponsorbepalingingen zoals opgenomen in het Algemeen Wedstrijdreglement van de KBRSF. c. Voltigeurs dragen op het wedstrijdtenue een 10 tot 12 cm groot nummer (1 t/m 7) op de rechterarm, rechterbeen of op de rug. De reserve draagt het rug-, arm- of beennummer 5 of 7 (bij een 4- respectievelijk 6-tal). d. Solovoltigeurs dienen te starten in de volgorde van het programma. Bij voorkeur met startnummers verstrekt door de organiserende vereniging. e. Bij slechte weersomstandigheden kan in overleg met de Federatievertegenwoordiger en de jury worden bepaald dat tijdens de wedstrijd een trainingspak mag worden gedragen. f. Voltigeurs mogen in de wedstrijdring een mascotte van geringe omvang meevoeren. In geen geval zal levende have als mascotte in de wedstrijdring, oefenring of bij de prijsuitreiking worden toegelaten. 10-40
HOOFDSTUK 4 HET VOLTIGEPAARD Artikel 709 - Eisen voltigepaard Het voltigepaard moet: a. tenminste 6 jaar oud zijn voor de klassen Basispaardrijden en E-teams, voor de overige klassen is het paard tenminste 7 jaar oud. daarbij gezond en niet kreupel zijn geschikt zijn als voltigepaard, dit ter beoordeling van de jury voldoende geoefend en in conditie zijn om op wedstrijden op te treden, dit ter beoordeling van de jury b. Voor wedstrijddeelname met drachtige en zogende merries geldt: Basispaardrijden en Klasse E: maximaal 4 maanden drachtig, aan te tonen door middel van het dekbewijs, en niet zogend Overige klassen: niet dragend en niet zogend Artikel 710 - Uitrusting en optoming voltigepaard 1. De uitrusting van een voltigepaard bestaat uit: a. Een hoofdstel met een africhtingsneusriem, Engelse neusriem of een gecombineerde neusriem en een trens van voldoende breedte en dikte (minimaal 1 cm). b. Een voltigesingel met twee ingebouwde, voldoende veilige handgrepen met desgewenst een tussenlusje en aan één zijde of beide zijden een voetlus. De singel moet zodanig op het paard liggen dat de schoft van het paard vrij blijft en dat zich geen drukkingen kunnen voordoen. c. Het dekje mag in zijn totaliteit niet langer zijn dan 110 cm, niet breder dan 90 cm en niet dikker dan 3 cm, met uitzondering van de plaats direct onder de voltigesingel, waar iedere dikte is toegestaan. Het dekje mag niet meer dan 80 cm uitsteken vanaf de achterzijde van de voltigesingel in de richting van de achterzijde van het paard en niet meer dan 25 cm voor de voltigesingel. Het moet zijn gemaakt van stug materiaal. d. Twee bijzetteugels van voldoende lengte. In de klasse Basispaardrijden en de Klasse E mogen de bijzetteugels na de verplichte oefeningen uitgevoerd in galop bijgesteld worden voor de kür in stap. e. Een onder nagenoeg de gehele voltigesingel passende beschermstrook van voldoende dikte, zodanig aangebracht dat het paard optimale bescherming tegen drukkingen wordt gegeven. f. Een longe van minimaal 8 meter lengte, zonodig voorzien van een eindlus en bij voorkeur zonder draaibare sluitingen of verbindingen. g. Een longeerzweep. Deze heeft een minimale lengte van 7 meter. h. Voorzover nodig beenbescherming. i. Oornetje is toegestaan. j. Andere hulpteugels, anders dan bijzetteugels, zijn alleen in de loswerkring toegestaan. Het gebruik of meevoeren van andere uitrustingsstukken of hulpmiddelen van welke vorm dan ook is niet toegestaan. 2. Bevestiging van de longe De longe mag uitsluitend op één van de onderstaande wijze aan het hoofdstel worden bevestigd: voor alle klasse met uitzondering van het basispaardrijden, klasse D en E: alleen aan de binnenste trensring. Voor het basispaardrijden, klasse D en E: a. Aan de binnenste trensring; b. Aan de neusriem; c. Aan de binnenste trensring en de neusriem; d. Door de binnenste trensring heen, over het hoofd geleid, aan de buitenste trensring; 11-40
e. Door de binnenste trensring heen, eventueel met een slag om de binnenste trensring, aan de buitenste trensring. In dit geval mogen er geen metalen delen van bevestigingsconstructie tegen de huid van het paard komen. Een riemconstructie met de gesp aan de buitenzijde wordt in dit geval aanbevolen. Artikel 711 - Inzet voltigepaard Een voltigepaard mag op één dag maximaal worden ingezet voor: 1 team en twee solo s; 1 team en 1 duo; 6 solo s; 3 duo s; 2 teams waarvan minimaal 1 team een basispaardrijden of E-team is; 3 teams basispaardrijden in stap. Voorwaarde is wel dat er tussen beide starts een rustpauze van minimaal een halfuur is ingelast, uitgezonderd wanneer een paard 3 basisteams in stap in 1 rubriek loopt. Een duo telt voor de inzet van het voltigepaard als 2 solo s. Voor solovoltigeren geldt: maximaal 3 voltigeurs tegelijk in de ring, bij gesplitste wedstrijdvorm maximaal 6 voltigeurs. HOOFDSTUK 5 - DE WEDSTRIJDOEFENINGEN EN DE BEOORDELING Artikel 712 - De betekenis van de cijfers Bij de beoordeling van de afzonderlijke verplichte oefeningen, de vrije oefeningen en de algemene indruk, hebben de te geven cijfers van 1 t/m 10 de volgende betekenis: 0 = niet uitgevoerd 6 = bevredigend 1 = zeer slecht 7 = tamelijk goed 2 = slecht 8 = goed 3 = tamelijk slecht 9 = zeer goed 4 = onvoldoende 10 = uitmuntend 5 = voldoende Het geven van decimalen is toegestaan. Artikel 713 - Standaardafkortingen bij verplichte oefeningen Bij de verplichte oefeningen kunnen standaard minpunten worden gegeven voor regelmatig voorkomende fouten. Deze fouten en daarmee de minpunten worden d.m.v. een letter, in hetzelfde vakje als het cijfer voor die oefening waarbij de fout is gemaakt, aangegeven. De volgende letters kunnen bij de verplichte oefeningen worden gebruikt: T = een tactfout bij de molen G = een niet gelukte galopsprong K = foutief of niet knielen bij de vlag/staan H = herhaling van een oefening B = bodem raken met de handen na een afsprong V = vallen na de afsprong Naast de standaardafkortingen kan de jury d.m.v. onderstaande tekens andere voorkomende fouten aangeven. Deze tekens leveren geen minpunten op, maar zijn bedoeld om aan te geven dat het een opvallende fout was. Deze fouten worden wel meegenomen in de beoordeling. L = Harde landing S = Spannen Kl = Klemmen 12-40
Ge = Gewichtsverdeling R = Niet recht houden van armen en benen Mi = Niet in het midden t.o.v. de wervelkolom van het paard Ba = Te weinig balans Be = Bewegingsfout t.o.v. het paard Vl = Niet vloeiend A = Niet aangesloten aan het paard M = Niet op het juiste moment D = Fout in de draai Rw = Geen regelmaat in hoogte en wijdte Ho = Houdingsfout P = Fout m.b.t. de parallelliteit W = Onvoldoende wijdte van de benen Lo= Niet los laten na afsprong Sz = Stoelzit Artikel 714 - Minpunten bij de verplichte oefeningen Aftrek van punten of minpunten bij de verplichte oefeningen worden voor het volgende gegeven: 1 minpunt: - De verplichte oefeningen moeten 4 galopsprongen worden volgehouden. Iedere galopsprong minder geeft 1 minpunt. Met het tellen van de galopsprongen wordt begonnen als de oefening helemaal is opgebouwd. Iedere drafpas van het paard wordt als mislukte galopsprong geteld. - Voor het niet knielen bij de vlag en het staan. - Voor elke fout in de tact bij de molen. - Het aanraken van de paardenhals met de hand tijdens een oefening (vlag of staan). De voltigeur moet na het aanraken van de hals opnieuw beginnen met tellen). - Voor iedere landing bij een afsprong, anders dan op 2 voeten. - Voor elke fysieke hulp bij de opsprong in de klassen D en E. 2 minpunten: - Voor het herhalen van een verplichte oefening. Onder herhalen wordt verstaan: het voor de 2e keer zwaai halen bij het afflanken, flanken en scharen, alsmede het opnieuw vastpakken van de grepen bij de vrij zit, vlag en staan. - Voor een val na de afsprong of afflanken. Onder een val wordt verstaan: het met één of beide knieën aanraken van de grond. - Voor de in de foutieve volgorde uitgevoerde verplichte oefening, die echter direct daarop nog wordt gecorrigeerd, doordat de voltigeur de juiste verplichte oefening uitvoert zonder het paard te verlaten. - Voor een foutieve respectievelijk een niet volgens de voorschriften uitgevoerde afsprong. het cijfer 0: - Voor iedere niet of gedeeltelijk uitgevoerde verplichte oefening (in galop). - Voor het verlaten van het paard tijdens een verplichte oefening, zonder de voorgeschreven afsprong. - Voor iedere in verkeerde volgorde uitgevoerde verplichte oefening. - Voor de verkeerde draairichting in de schaar. - Voor het tweemaal vastpakken van de grepen tijdens een verplichte oefening - Voor iedere verplichte oefening uitgevoerd in draf. - Voor het tweemaal herhalen van een verplichte oefening. - Voor het inzetten van een reserve tijdens een wedstrijdonderdeel zonder geldige reden (noodzaak). - Voor elke fysieke hulp bij de opsprong in de klassen A, B en C en junioren. 13-40
Artikel 715 - Resultatenkaart 1. Voor elk team die voor de eerste maal aan een wedstrijd deelneemt dient een resultatenkaart aangevraagd te worden. Op deze kaart worden de prestaties van het team, bij die wedstrijd aangetekend. De kaart geldt als bewijsstuk van de klasse-indeling en blijft uit dien hoofde eigendom van de VLP/LEWB. De teamleden en de longeur dienen allen in het bezit te zijn van een lidmaatschaps-nummer. De winst- en verliespunten worden geregistreerd door de VLP/LEWB. 2. Iedere solovoltigeur dient in het bezit te zijn van een resultatenkaart. Op deze kaart worden de prestaties van de solovoltigeur aangetekend. De kaart geldt tevens als bewijsstuk van de klasseindeling en blijft uit dien hoofde eigendom van de VLP/LEWB. Voor iedere start dient de solovoltigeur deze kaart, samen met de benodigde beoordelingsstaten, in te leveren bij het wedstrijdsecretariaat. De kaart dient na afloop van de wedstrijd, nadat daarop de dagresultaten zijn ingevuld en door de wedstrijdleiding zijn getekend, te worden opgehaald. 3. Bij de start van een team moeten de beoordelingsstaten en de resultatenkaart voor het begin van de wedstrijd bij het wedstrijdsecretariaat worden ingeleverd, waarbij door het deelnemende team de namen en de lidnummers van de teamleden en de longeur ingevuld moeten zijn op de beoordelingsstaat. De kaart dient na afloop van de wedstrijd, nadat daarop de dagresultaten zijn ingevuld en door de wedstrijdleiding zijn getekend, te worden opgehaald. De voltigeleider is verantwoordelijk voor een juiste inschrijving van het team. 4. Op eerste aanvraag van de organisatie moeten resultatenkaarten aan de organisatie of afgevaardigde worden getoond. Als de kaart niet is ingeleverd voor de wedstrijd of wanneer namen niet kloppen op de beoordelingsstaat, wordt het desbetreffende team c.q. de solovoltigeur uitgesloten en wordt hierover rapport uitgebracht door de Federatievertegenwoordiger. Ook als een team c.q. een solovoltigeur zich heeft aangemeld voor een verkeerde klasse, volgt uitsluiting. 5. Indien een resultatenkaart is volgeboekt zal door de VLP/LEWB - na ontvangst van de volgeboekte resultatenkaart - een nieuwe kaart worden afgegeven. 6. De controle op het correct bijhouden van een kaart is in eerste aanleg een zorg van de leid(st)er van het team. HOOFDSTUK 6 DE VRIJE OEFENING (KUR) EN BEOORDELING VAN DE TEAMS Artikel 716 - Algemene opmerkingen De vrije oefeningen bestaan uit individuele- en combinatieoefeningen (met tweeën en drieën). Vrije oefeningen kunnen naar eigen ideeën en inzichten van het team worden samengesteld. Voor de vrije oefeningen gelden de volgende bepalingen: Verplichte oefeningen worden niet als vrije oefening beoordeeld. Elementen, delen van de verplichte oefeningen die, op een andere wijze dan bij de verplichte oefeningen worden uitgevoerd, in de kür zijn opgenomen, kunnen in combinatie of als variatie worden beoordeeld. Als twee oefeningen/elementen op een artistieke wijze met elkaar worden verbonden, dan wordt deze verbinding naar moeilijkheid gewaardeerd en beoordeeld. Twee dezelfde oefeningen worden slechts één keer beoordeeld. Bij twee dezelfde oefeningen in verschillende moeilijkheidsgraad wordt alleen de oefening met de hoogste moeilijkheidsgraad beoordeeld. Een kür bestaat uit statische en dynamische oefeningen. Iedere statische oefening dient 3 galopsprongen volgehouden te worden. Bij combinatieoefeningen met 3 voltigeurs moeten twee voltigeurs contact met het paard hebben en houden. De kür wordt beoordeeld op: inhoud, bestaat uit het aantal getoonde oefeningen, gecombineerd met de moeilijkheid (max. 10 punten); bij 4-tallen wordt het cijfer met 1,5 vermenigvuldigd (tot max.het cijfer 10) samenstelling (max. 10 punten); 14-40
uitvoering (max. 10 punten). Artikel 717 - De inhoud van een kür. 1. Moeilijkheid: Er worden 3 moeilijkheidsgraden (mg) onderscheiden, t.w.: D, M en E. Moeilijkheidsgraad D is de hoogste, moeilijkheidsgraad E het laagste. De jury noteert het aantal gelukte oefeningen (3 galopsprongen) met de daaraan toegekende moeilijkheidsgraad. De moeilijkheidsgraad is onafhankelijk van de uitvoering. Oefeningen die nog nooit vertoond zijn en niet in het reglement zijn opgenomen, zullen door de jury, naar eigen inzicht, met moeilijkheidsgraad D, M of E worden aangeduid. Voor het toekennen van moeilijkheidsgraden aan nieuwe of onbekende oefeningen, wordt onderstaande leidraad bij de statische oefeningen gehanteerd: a. Aantal steunpunten: hoe meer steunpunten, des te gemakkelijker de oefening. Bij 4 steunpunten moeilijkheidsgraad E, bij 1 steunpunt moeilijkheidsgraad D. b. Plaats van de steunpunten: hoe zekerder het steunpunt, hoe eenvoudiger de oefening. De grepen als steunpunt is veel zekerder dan het kruis. c. Plaats van de oefening: bij de singel is gemakkelijker dan op het kruis of de hals van het paard. d. Richting van de voltigeur: voorwaarts is gemakkelijker dan rugwaarts. e. Hoogte van de oefening. f. Houding van de voltigeur. g. Grootte van het contactvlak. Steunen met de gehele rug is gemakkelijker dan steunen alleen met de schouders. h. Plaats van de opsprong. Opsprongen van binnen zijn eenvoudiger dan opsprongen van buiten. Bij dynamische oefeningen is de moeilijkheidsgraad alleen toe te kennen uit ervaring. Het geven van punten voor de moeilijkheid van een kür bij teams: De jury noteert het aantal gelukte oefeningen en rekent dan vervolgens het cijfer voor de inhoud uit. Waarde van vrije oefeningen: Oefening moeilijkheidsgraad 3 (E) 0,2 punt Oefening moeilijkheidsgraad 2 (M) 0,3 punt Oefening moeilijkheidsgraad 1 (D) 0,4 punt Bij teams klassen A, B en C tellen slechts de 25 zwaarste oefeningen ( dus alleen 25 x D = 10) Op- en afsprongen met fysieke hulp tellen niet mee. Voor de klassen E en D tellen alle oefeningen mee van moeilijkheidsgraad M en E en maximaal 6 oefeningen van moeilijkheidsgraad 1. Voor de klasse Basispaardrijden tellen alleen oefeningen van moeilijkheidsgraad 2 en 3. Voor een juniorenteam gelden de volgende waarden van vrije oefeningen: Oefeningen moeilijkheidsgraad 3 (E) 0,3 punt Oefeningen met moeilijkheidsgraad 2 (M) 0,4 punt Oefeningen met moeilijkheidsgraag 1 (D) 0,5 punt Op- en afsprongen met fysieke hulp tellen niet mee. Alleen de 20 zwaarste oefeningen tellen mee voor de moeilijkheid. 2. De samenstelling van een kür. De samenstelling van de kür heeft weinig te maken met de uitvoering van de kür en of de oefeningen al dan niet gelukt zijn. De samenstelling, de choreografie, de compositie, is wat de groep bedoeld heeft te laten zien. Als alle oefeningen mislukt zijn, kan toch de samenstelling van de kür perfect zijn. Mislukte oefeningen worden gerekend bij de uitvoering en de algemene indruk van de groep (onrust in de groep). De samenstelling behoort: Esthetisch mooi te zijn. Spannend en boeiend te zijn. Afwisselend te zijn, dit houdt in: Variatie in statische en dynamische oefeningen, gelijkelijk over de gehele kür verdeeld. 15-40
Variatie in rustige en snelle delen. Variatie in richting, alle kanten van het paard gebruiken. Voorwaarts, rugwaarts, dwars, binnen en buiten. Variatie in op- en afsprongen. Iedere opsprong en iedere afsprong dient anders te zijn. Gelijkmatige verdeling en vloeiende wisselingen van voltigeurs op het paard. Niet alleen maar oefeningen uit één structuurgroep bevattend, b.v. alleen maar vlaggen en handstanden. Dat de moeilijke oefeningen gelijkelijk verdeeld zijn over de kür. Niet alle moeilijke oefeningen aan het begin en daarna allerlei gemakkelijke oefeningen. Originele delen te bevatten. Aangepast te zijn aan het niveau. Het geven van punten voor de samenstelling: Maximaal kunnen er 10 punten gegeven worden voor de samenstelling van de kür. Als de samenstelling waardeloos is, b.v. allemaal dezelfde, gewone opsprongen en allemaal vlaggen, dan kan er een 0 voor de samenstelling gegeven worden. Een 0 voor de samenstelling wil niet zeggen dat de oefeningen niet zijn uitgevoerd, integendeel, ze kunnen wel perfect zijn uitgevoerd. Omgekeerd kan een totaal mislukte kür wel een perfecte samenstelling hebben. 3. De uitvoering van een kür. De uitvoering bestaat uit 6 te beoordelen elementen; Het maximaal aantal punten is 10. De uitvoering wordt beoordeeld op: 1. Zekerheid van de oefeningen, het volhouden, de stabiliteit van de oefeningen die getoond worden in de kür. 2. Ontspanning van de voltigeurs tijdens de oefeningen in de kür. 3. Harmonie met het paard, rekening houden met karakter en beweging van het paard. 4. Lichaamshouding van de voltigeurs tijdens en tussen de oefeningen. Zoals recht zitten, staan, etc.; het gelijktijdig uitdoen en terug pakken van armen en benen en het rechthouden van armen en benen. 5. Bewegingsprecisie. Het direct goed zitten, staan, etc. Niet nog even verschuiven of verstappen voor dat de oefening begint. 6. Hoogte en wijdte van de bewegingen van de kür. De uitvoering is onafhankelijk van de inhoud van de kür. Er kan best een 4 gescoord worden door de groep voor de inhoud, en een 10 voor de uitvoering van de kür. Meestal is de inhoud dan hoog (te moeilijk) en de uitvoering daarbij laag. Fouten in de uitvoering: Kleine fouten zijn: - slechte voet- en/of armhouding, - te ontspannen lichaamshouding, - het hoofd laten hangen, - te weinig oprichting. Middelgrote fouten zijn: - afwijkingen van de optimale techniek, - tegen de beweging van het paard in bewegen, - een harde landing, - herhaling van de oefening, - duidelijke houdingsfouten, - te weinig bewegingswijdte. Grote fouten zijn: - balansfouten, waarbij het paard uit balans wordt gebracht, - het in elkaar storten van een oefening, - het terug klauteren op het paard na een val. 16-40
Artikel 718 - Oefeningen die niet worden beoordeeld Iedere statische vrije oefening, die niet 3 galopsprongen is volgehouden, wordt niet beoordeeld. Iedere vrije oefening met meer dan 3 voltigeurs. Ieder na afloop van de toegestane tijd begonnen onderdeel van een vrije oefening. Iedere vrije oefening, die niet in galop wordt uitgevoerd (m.u.v. de klasse E en basispaardrijden) Iedere vrije oefening met 3 voltigeurs, waarbij maar één voltigeur in contact blijft met het paard. Oefeningen die onnodig zwaar zijn voor het paard of blessures op kunnen leveren voor de voltigeurs. Iedere oefening die voor de 2e maal getoond wordt. Artikel 719 - Algemene indruk en het paardcijfer In de algemene indruk bij teams, wordt het volgende beoordeeld: a. Het binnen komen, de opstelling en het groeten van de groep. b. De verzorging van de groep, het paard en de longeur. c. Het gedrag van de groep. d. De muzikale begeleiding. Onderstaande tabel geeft het basispaardencijfer aan punten 0,0 tot 4 4 tot 5 5 tot 7,5 7,5 tot en met 10 Continu een 4-tact Geen zweefmoment 3-tact galop Goede 3-tact galop galop Pacing Onregelmatige galop Zweefmoment Zweefmoment Regelmatigheid Kwaliteit van Herhaaldelijk fouten Cadans Gedragenheid Zweefmoment voorwaarts Aftrekpunten paardcijfer: 1 punt aftrek: De singel losgaat tijdens de wedstrijd Het paard stil gaat staan om te mesten De cirkel kleiner is dan 15 meter Tot 1 punt aftrek: Niet goed rechtgericht paard Fouten in het longeren (meelopen, losse (slappe) longeerlijn, gedraaide longeerlijn, verkeerde hulpen etc.) Ongeschikte kleding van de longeur Ongeschikte optoming van het paard Tot 0.5 punt aftrek: Spanning op de longeerlijn Geen of weinig reactie op de hulpen van de longeur De algemene indruk wordt snel beïnvloed door de subjectieve mening van de jury. De bedoeling is zo objectief mogelijk te beoordelen. Daarom moet worden afgesproken wat objectief te beoordelen is en wat niet te beoordelen is m.b.t. de algemene indruk. In alle klassen wordt het paard twee keer beoordeeld, tijdens de verplichte oefeningen voor 100% en tijdens de kür wordt het cijfer voor algemene indruk 10% en het paardencijfer 90%. Aftrekpunten algemene indruk: 1 punt aftrek wordt gegeven indien: Een voltigeur niet is ingezet tijdens de kür De voltigeurs de verkeerde volgorde van de verplichte oefeningen tonen Meer over de beoordeling van algemene Indruk staat in bijlage 2. 17-40
Artikel 720 - Küroverzicht Cijfers voor de kür Team Moeilijkheid Samenstelling Uitvoering Algemene indruk A/B Moeilijkheid x 1 Samenstelling x 2 Uitvoering x 2,5 Algemene indruk x 3 (E) 0,2 1,5 2 (M) 0,3 1 (D) 0,4 25 zwaarste oefeningen tellen mee. C Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,3 1 (D) 0,4 25 zwaarste oefeningen tellen mee. D Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,3 1 (D) 0,4 Verder tellen alle oefeningen met mg. 2 en 3 mee. E Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,3 1 (D) 0,4 Verder tellen alle oefeningen met mg. 2 en 3 mee Basispaardrijden Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,3 Alleen oefeningen met mg. 2 of 3 tellen mee. Alle oefeningen met mg 2 of 3 tellen mee Inhoud : door het aantal voltigeurs, Junioren Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,3 punt 2 (M) 0,4 1 (D) 0,5 Alleen de 20 zwaarste oefeningen tellen mee voor de moeilijkheid. Solo Moeilijkheid x 1 3 (M) 0,4 2 (D) 0,9 1 (R) 1,3 E-solo Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,4 1 (D) 0,9 Duo Moeilijkheid x 1 3 (E) 0,2 2 (M) 0,3 Samenstelling x 2 Uitvoering x 2,5 Algemene indruk x 1,5 Samenstelling x 2 Uitvoering x 2,5 Algemene indruk x 1,5 Samenstelling x 2 Uitvoering x 2,5 Algemene indruk x 1,5 Samenstelling x 2 Uitvoering x 2,5 Algemene indruk x 1,5 Samenstelling x 2 Uitvoering x 3 Algemene indruk x 1,5 Samenstelling x 1 Uitvoering x 2 Paard x 1,0 Samenstelling x1 Uitvoering x2 Paard x 1,0 Samenstelling x 1 Uitvoering x 1 Paard x 1,0 18-40
1 (D) 0,4 Oefen Duo 3 (E) 0,2 2 (M) 0,4 1 (D) 0,5 HOOFDSTUK 7 HET SOLOVOLTIGEREN Het solovoltigeren bestaat uit: 1. de verplichte oefeningen 2. de kür (max. tijd 1 minuut) 3. de technische kür (zie art. 746 FEI-reglement) Artikel 721 - De kür De kür wordt beoordeeld op: a. de moeilijkheid b. de samenstelling c. de uitvoering d. het gaan van het paard Artikel 722 - De moeilijkheid: De moeilijkheid verschilt met het teamvoltigeren omdat oefeningen met moeilijkheidsgraad 3 bij het solovoltigeren niet meegeteld worden in het cijfer voor de moeilijkheid van de kür. De hoeveelheid oefeningen en het noteren: Net als bij het teamvoltigeren is het cijfer voor de moeilijkheid onafhankelijk van de uitvoering. Een hoge moeilijkheid van de kür zegt niets over de uitvoering daarvan. Bij de kür worden van de statische oefeningen alleen de gelukte, 3 galopsprongen volgehouden, oefeningen opgeschreven. De oefeningen worden als volgt genoteerd: moeilijkheidsgraad 1 met de letter M (middel) moeilijkheidsgraad 2 met de letter D (zwaar) moeilijkheidsgraad 3 met de letter R (risico) Inhoudwaarde küroefeningen: M = 0,4, D= 0.9, R = 1,3. Het hoogst te behalen cijfer is een 10. De kür dient minimaal uit 7 oefeningen/verbindingen te bestaan om voor een cijfer in aanmerking te komen. Oefeningen/verbindingen uit de categorie E tellen hiervoor ook mee. Voor de klassen A, B, C en Junioren tellen alleen de 10 zwaarste oefeningen. Geen punten worden geven voor: elke statische oefening die minder dan 3 galopsprongen wordt volgehouden elke oefening die wordt begonnen nadat het belsignaal, ten teken dat de toegestane tijd (60 sec.) is verstreken, heeft geklonken oefeningen die reeds zijn getoond bij de verplichte oefeningen elke oefening die niet in galop wordt getoond herhalingen Artikel 723 - De samenstelling De samenstelling van de kür heeft veel overeenkomsten met de eisen die worden gesteld aan de samenstelling van de kür bij het teamvoltigeren. De samenstelling is datgene wat de voltigeur bedoeld heeft om te laten zien, ongeacht de wijze van uitvoering. De samenstelling moet zo zijn dat: het hele paard rond wordt gevoltigeerd, d.w.z.: voorwaarts, dwars, hals, rug, binnen, buiten, rugwaarts etc. Alle richtingen en delen van het paard moeten gebruikt worden. 19-40
het een bodemsprong bevat het afwisselend is. Afwisselend wil zeggen dat er - variatie in statische/dynamische oefeningen is - rustige en snelle delen zijn - variatie in richting is - niet alleen oefeningen uit één structuurgroep worden gebruikt (b.v. allemaal vlaggen) - meer hoogtepunten in de kür zijn, de moeilijkste oefeningen gelijk over de kür verdeeld met het hoogtepunt aan het einde van de kür geen meer oefeningen bij herhaling in dezelfde positie worden gevoltigeerd, b.v. 3 maal rugwaarts, 3 maal voorwaarts etc. de afsprong binnen de tijd is en op niveau van de kür de kür originele ideeën bevat, originaliteit is datgene wat niet eerder vertoond is en wat bij het paard en voltigeur past er uitstraling is. Uitstraling is stijl en gratie. Uitstraling kan er alleen zijn als: er ontspanning is er zekerheid is de gehele kür vloeiend is. Vloeiend in de beweging betekent dat - er geen "stoppen" en pauzes in de kür voorkomen - er alleen een rustfase is als er een statische oefening getoond wordt - de verbindingen tussen de oefeningen vloeiend zijn - de kür in harmonie is met het paard Het beoordelen van de samenstelling Voor het beoordelen van de samenstelling zijn staten beschikbaar. Op de beoordelingsstaten kan worden aangegeven welke oefeningen zijn getoond en welke zijden van het paard benut zijn. Dit is echter maar een klein gedeelte van de samenstelling. Artikel 724 - De uitvoering Tijdens de kür worden niet alleen de moeilijkheidsgraden (M, D of R) genoteerd maar tevens worden er voor de uitvoering direct aftrekpunten gegeven. Voor onderstaande fouten worden de volgende aftrekpunten gegeven: 0,2-0,5 bij kleine fouten 0,6-0,9 bij middelmatige fouten 1,0 bij grove fouten Overige aftrekpunten: 2,0 bij een val uitsluiting bij een 3e val De voltigeur mag de afsprong beëindigen met een rol indien de oefening niet behoeft te worden beëindigd met stand. Artikel 725 - Aanvullende bepaling In geval van een wedstrijd over 2 ronden, mogen in de 2e ronde de verplichte oefeningen vervangen worden door een Technische Test. De oefeningen voor deze Technische Test worden jaarlijks door de FEI voorgeschreven. HOOFDSTUK 8 HET DUOVOLTIGEREN Bij het duovoltigeren wordt het eerste blok van de verplichte oefeningen van de klasse A solo s uitgevoerd door één van de voltigeurs en het tweede blok wordt uitgevoerd door de andere voltigeur. De cijfers voor de verplichte oefeningen worden bij elkaar opgeteld en gemiddeld zodat er 1 cijfer uitkomt voor de verplichte oefeningen van beide voltigeurs. De kür van het duovoltigeren wordt beoordeeld op de volgende punten: Inhoud 20-40
Samenstelling Uitvoering Paard HOOFDSTUK 9 - VRIJE OEFENINGEN EN HUN MOEILIJKHEIDSGRAAD Artikel 726 - Algemene opmerkingen 1. Oefeningen waarvan verwacht wordt dat zij op den lange duur blessures voor de voltigeurs, met name rugklachten kunnen opleveren, of die onnodig zwaar zijn voor het paard worden in de kür niet meegeteld bij de inhoud. De jury zal dit vermelden op het protocol. 2. Statische oefeningen zijn oefeningen waarbij een houding, de beweging van het paard volgend, drie of vier galopsprongen wordt volgehouden. B.v. de vrije zit, vlag. Dynamische oefeningen zijn oefeningen waarbij er geen moment van rust of stilstand is. B.v. alle op- en afsprongen, scharen en flanken. Combinatie van statische/dynamische oefeningen zijn oefeningen die als basis statisch zijn maar waarbij armen en/of benen in de tact van de galop mee bewegen. HOOFDSTUK 10 - HET ORGANISEREN VAN EEN VOLTIGEWEDSTRIJD Artikel 727 - Aanvraag en voorbereiding van wedstrijden 1. Wedstrijden dienen voor 1 november van het voorgaande jaar bij de VLP/LEWB Voltigevereniging aangemeld te worden en voor te komen op de door de VLP/LEWB Voltigevereniging in februari uit te brengen wedstrijdkalender. Op dagen dat er voltigekampioenschappen gehouden worden, mogen er geen andere voltigewedstrijden gehouden worden. 2. In het geval van een wedstrijd over twee ronden, mag in de tweede ronde de verplichte oefeningen vervangen worden door een Technische Test. De oefeningen voor deze Technische Test worden jaarlijks door de FEI voorgeschreven. Artikel 728 Klasse-indeling deelnemers Op de sluitingsdatum van de inschrijvingen geldt de klasse-indeling waarin het team/solo/duo is ingedeeld. Resultaten, behaald tussen de sluitingsdatum van de wedstrijd en de wedstrijddag zelf, worden in dat geval niet meer verwerkt, tenzij het deelnemende team daar zelf om vraagt en de wedstrijdgevende organisatie daarmee instemt. Een klasse met meer dan 12 deelnemende teams, 20 deelnemende solovoltigeurs of 12 duo's mag gesplitst worden in twee rubrieken volgens de bepalingen van het Algemeen Wedstrijdreglement. Vereisten wedstrijdring; a. Een wedstrijdring moet bij binnenwedstrijden een middenlijn van tenminste 20 meter hebben. b. Een wedstrijdring moet bij buitenwedstrijden een middenlijn van tenminste 25 meter hebben. c. De bodem moet vlak, veerkrachtig en slipvast zijn, zodat de kans op lichamelijk letsel bij paard en voltigeurs zoveel mogelijk wordt gereduceerd. d. De ring moet zodanig afgezet zijn, dat de omtrek van de ring zichtbaar is. Een zichtbare markering van het middelpunt is gewenst. e. Indien er tijdens een wedstrijd sprake is van hinderlijke spoorvorming, dit ter beoordeling van de jury, moet de ring tussentijds geëgaliseerd worden. f. Bij binnenwedstrijden moet de ring een vrije hoogte hebben van tenminste 5,0 meter om alle klassen uit te schrijven. Bij een wedstrijdring met een vrije hoogte tussen de 4,5 en 5,0 meter mogen wedstrijden voor solo, duo, basispaardrijden en klasse E- en D-teams worden uitgeschreven, g. Bij de wedstrijdring moet een voldoende van het publiek afgeschermde plaats zijn voor de jury en hun medewerkers. 21-40
h. Toeschouwers moeten een afstand van tenminste 3 meter tot de buitenzijde van de wedstrijdring bewaren. i. Een geluidsinstallatie moet zodanig opgesteld zijn, dat berichten (en de nodige muzikale ondersteuning) de voltigeurs, de jury en overig technisch kader, alsmede het publiek kunnen bereiken. j. Bij elke wedstrijd moet aan de voltigeurs een oefenring ter beschikking worden gesteld, die dezelfde afmetingen heeft als de wedstrijdring. De bodem van deze ring moet aan de wedstrijdbepalingen voldoen. k. Zonodig moet door de wedstrijdgevende organisatie een schema worden opgesteld en bekend gemaakt waaruit blijkt door wie, hoelang en in welke volgorde er gebruik gemaakt mag worden van de oefenring. Artikel 729 - Inschrijfgeld/prijzen/prijsuitreiking Ten aanzien van het toekennen en uitreiken van prijzen gelden de volgende bepalingen: 1. Twee uur na beëindiging van de desbetreffende rubriek dient de prijsuitreiking plaats te vinden. 2. Bij de prijsuitreiking is het gewenst dat de longeur mee naar voren komt. 3. Per 4 gestarte teams of solovoltigeurs dient er 1 prijs te worden uitgereikt. HOOFDSTUK 11 - JUREREN Artikel 730 - Algemene bepalingen 1. Aanvullend aan datgene wat bepaald is in het Algemeen Wedstrijdreglement, dienen juryleden minimaal 2 x per kalenderjaar te hebben gejureerd. Juryleden dienen bij een wedstrijdduur van 4-6 uur, minimaal 1 uur pauze te hebben. Bij een wedstrijdduur van meer dan 6 uur dient een extra jurylid te worden aangetrokken, zodat de juryleden kunnen rouleren. 2. nationale wedstrijden: Bij de klasse A, zijnde de hoogste klasse, is het verplicht dat de beoordeling door 2 juryleden (bij voorkeur 3) afzonderlijk wordt gedaan. Bij de klassen B, C en D moet de boordeling door minimaal 2 juryleden afzonderlijk worden gedaan. Bij de klasse E en het basispaardrijden zijnde de laagste klasse, moet de boordeling door minimaal 1 jurylid worden gedaan. Solovoltige moet altijd door minimaal 2 juryleden afzonderlijk beoordeeld worden. Juniorenteams moeten door minimaal 2 juryleden afzonderlijk beoordeeld worden. Duovoltige moet altijd door minimaal 1 jurylid beoordeeld worden. 3. Kampioenswedstrijden (selecties e.d.): deze wedstrijden dienen door drie juryleden, verspreid over de cirkel, afzonderlijk gejureerd te worden. 22-40
BIJLAGE I Beoordeling Algemene Indruk a. Het binnenkomen de opstelling en het groeten van de groep Objectief te beoordelen Subjectief Gelijkmatigheid Manier van lopen Eenheid van de groet Manier van opstellen Correcte binnenkomst De vorm van het groeten Rustig paard b. De verzorging van de groep, het paard en de longeur Objectief te beoordelen Subjectief Eenheid in kleding Kleur van de kleding Pasvorm van de kleding Vorm van de kleding (rok of pak) Schone kleding Kapsels Zonder sieraden De longeur Objectief te beoordelen De kleur van de groep Schone kleding Passende kleding Schoeisel (straat- of sportschoenen) Het paard Objectief te beoordelen Verzorging Eenheid in tuigage De manen De staart c. Het longeren Objectief te beoordelen Goede omgang met de longe en de zweep De grootte van de cirkel Invloed van de longeur Correcte galop Correcte stelling van het paard Duidelijke stemhulpen Subjectief Sportkleding of nette kleding Subjectief De manier van invlechten Of de staart gevlochten of geschoren is Subjectief Stevig paard Groot paard d. Het gedrag van de groep Objectief te beoordelen Subjectief Lol/gekheid maken De uitstraling van de voltigeurs (figuur, grootte, Kletsen mimiek, aard en manier van bewegen, Teveel voltigeurs in het midden Het vergeten van de volgorde van de oefeningen in de kür Naar het midden rennen e. De muzikale begeleiding Objectief te beoordelen Subjectief Muziek Versterking of verzwakking van de expressie Aangepast ritme tijdens de wedstrijd Opwekken van spanningsmomenten Bewerkstelligen van positieve of negatieve Onderstreping van hoogtepunten emoties 23-40
BIJLAGE II Beoordelingsstaten voor alle klassen team, solo en duo. 24-40
Beoordelingsstaat voor Basispaardrijden Voltigeurs Jury: 1) Datum: 2) Plaats: 3) Team: 4) Paard: 5) Longeur: 6) Lidnummer longeur: reserve) Lidnummer* Verplichte Oefeningen Zit E-Molen Opzwaai tot bank Knielen Opmerkingen: Tijd: 1 minuut per deelnemer 1 2 3 4 5 6 Totaal Totaal verplichte oefeningen paard / 6 voltigeurs X2 Verplichte oefeningen +paard /6= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Tijd: 30 seconden per deelnemer Opmerkingen Score Coëfficiënt Uitslag Moeilijkheidsgraad Score 4-tal x 1,5 X 1.0 : Samenstelling X 2.0 Uitvoering X 2.5 Algemene indruk 90% paard X 1.5 10% team Opmerkingen: Totaal: Totaal/7= totaal voor de kür: Verplichte oefeningen+ kür= /2 = totale score Lidnummer Jury Handtekening *het lidmaatschapsnummer altijd invullen 25-40
Beoordelingsstaat voor Voltigeteams Klassen A/B/C Voltigeurs Jury: 1) Datum: 2) Plaats: 3) Team: 4) Paard: 5) Longeur: 6) Lidnummer longeur: 7) Verplichte Oefeningen Opsprong Vrije zit Vlag Molen Schaar Staan Flank Opmerkingen: Lidnummer* Tijd: 7 minuten 1 2 3 4 5 6 7 Totaal Totaal verplichte oefeningen paard / 7 voltigeurs X2 Verplichte oefeningen +paard /9= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Tijd: 4 minuten Opmerkingen Score Coëfficiënt Uitslag Moeilijkheidsgraad X 1.0 Samenstelling X 2.0 Uitvoering X 2.5 Algemene indruk 90% paard X 1.5 10% team Opmerkingen: Totaal: Totaal/7= totaal voor de kür: Verplichte oefeningen+ kür= /2 = totale score Lidnummer Jury Handtekening * het lidmaatschapsnummer altijd invullen 26-40
Beoordelingsstaat voor Voltigeteams Klasse D Voltigeurs Jury: 1) Datum: 2) Plaats: 3) Team: 4) Paard: 5) Longeur: 6) Lidnummer longeur: 7) Lidnummer* Verplichte Oefeningen Tijd: 7 minuten 1 2 3 4 5 6 7 Totaal Opsprong Vrije zit Vlag Staan v.w. opzwaaien Halve molen a.w. opzwaaien, B.W afflanken Opmerkingen: Totaal verplichte oefeningen paard /6 of 7 voltigeurs X2 Verplichte oefeningen +paard /10= totaal verplichte oefeningen Handtekening Kür Tijd: 4 minuten Opmerkingen Score Coëfficiënt Uitslag Moeilijkheidsgraad X 1.0 Samenstelling X 2.0 Uitvoering X 2.5 Algemene indruk 90% paard X 1.5 10% team Opmerkingen: Totaal: Totaal/7= totaal voor de kür: Verplichte oefeningen+ kür= /2 = totale score *het lidmaatschapsnummer altijd invullen Handtekening Lidnummer Jury 27-40
Beoordelingsstaat voor Voltigeteams Klasse E Voltigeurs Jury: 1) Datum: 2) Plaats: 3) Team: 4) Paard: 5) Longeur: 6) Lidnummer longeur: reserve) Lidnummer* Verplichte Oefeningen Tijd: 7 minuten 1 2 3 4 5 6 7 Totaal Vrije zit E-molen E-vlag Knielen v.w. opzwaaien Afsprong b.w Opmerkingen: Totaal verplichte oefeningen paard / 6 of 7 voltigeurs X2 Verplichte oefeningen +paard /8= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Tijd: 4 minuten Opmerkingen Score Coëfficiënt Uitslag Moeilijkheidsgraad X 1.0 Samenstelling X 2.0 Uitvoering X 2.5 Algemene indruk 90% paard X 1.5 10% team Opmerkingen: Totaal: Totaal/7= totaal voor de kür: Verplichte oefeningen+ kür= /2 = totale score * het lidmaatschapsnummer altijd invullen Handtekening Lidnummer Jury 28-40
Beoordelingsstaat voor Junioren teams Voltigeurs Jury: 1) Datum: 2) Plaats: 3) Team: 4) Paard: 5) Longeur: 6) Lidnummer longeur: 7) Lidnummer* Verplichte Oefeningen Opsprong Vrije zit vlag Staan v.w.opzwaaien Halve molen a.w.opzwaaien Afsprong Binnen Opmerkingen: Tijd: 7 minuten 1 2 3 4 5 6 7 Totaal Totaal verplichte oefeningen paard / 7 voltigeurs X2 Verplichte oefeningen +paard /10= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Tijd: 4 minuten Opmerkingen Score Coëfficiënt Uitslag Moeilijkheidsgraad X 1.0 Samenstelling X 2.0 Uitvoering X 3.0 Algemene indruk 90% paard X 1.5 10% team Opmerkingen: Totaal: Totaal/7.5= totaal voor de kür: Verplichte oefeningen+ kür= /2 = totale score Handtekening * het lidmaatschapsnummer altijd invullen Lidnummer Jury 29-40
Beoordelingsstaat voor Solovoltige Klasse A/B/C/Junioren Jury: Voltigeur: Datum: Lidnummer*: Plaats: Paard: Voltigevereniging: Longeur: Lidnr: Verplichte oefeningen Opsprong Vrije zit Vlag Molen Schaar Staan Flank Opmerkingen Totaal verplichte oefeningen paard X2 Verplichte oefeningen +paard /9= totaal verplichte oefeningen Score Handtekening Kür Moeilijkheidsgraad Samenstelling Uitvoering Paard X 1.0 X 1.0 X 2.0 X 1.0 totaal /5= totaal Kür Opmerkingen: Verplichte oefeningen + Kür / 2 = eindcijfer Handtekening *het lidmaatschapsnummer altijd invullen Lidnummer Jury 30-40
Beoordelingsstaat voor Basispaardrijden Solo Jury: Voltigeur: Datum: Lidnummer*: Plaats: Paard: Voltigevereniging: Longeur: Lidnr: Verplichte oefeningen Zit E-molen Opzwaai tot bank Knielen Opmerkingen Totaal verplichte oefeningen paard X2 Verplichte oefeningen +paard /6= totaal verplichte oefeningen Score Handtekening Kür Moeilijkheidsgraad Samenstelling Uitvoering Paard X 1.0 X 1.0 X 2.0 X 1.0 totaal /5= totaal Kür Opmerkingen: Verplichte oefeningen + Kür / 2 = eindcijfer Handtekening *het lidmaatschapsnummer altijd invullen Lidnummer Jury 31-40
Beoordelingsstaat voor Basispaardrijden Duo Jury: Voltigeur 1*: Lidnr. Datum: Voltigeur 2*: Lidnr. Plaats: Paard: Voltigevereniging: Longeur: Lidnr: Verplichte Oefeningen Zit E-molen Opzwaai tot bank Knielen Opmerkingen: Tijd: 6 minuten Voltigeur 1 Voltigeur 2 Totaal Totaal verplichte oefeningen paard X2 /6= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Opmerkingen Score Coëfficiënt Resultaat Moeilijkheid X 1 Samenstelling X 1 Uitvoering X 1 Paard X 1 totaal /4 = opmerkingen Handtekening Lidnummer Jury Totaal verplichte oefeningen en kür *het lidmaatschapsnummer altijd invullen /2 = eindcijfer 32-40
Beoordelingsstaat voor Duovoltige Jury: Voltigeur 1*: Lidnr. Datum: Voltigeur 2*: Lidnr. Plaats: Paard: Voltigevereniging: Longeur: Lidnr: Verplichte oefeningen Opsprong Vrije zit Vlag Molen Schaar Staan Flank Opmerkingen: Tijd: 6 minuten Voltigeur 1 Voltigeur 2 Totaal Totaal verplichte oefeningen paard X2 /9= totaal verplichte oefeningen Kür Handtekening Opmerkingen Score Coëfficiënt Resultaat Moeilijkheid X 1 Samenstelling X 1 Uitvoering X 1 Paard X 1 totaal /4 = Opmerkingen Handtekening Lidnummer Jury Totaal verplichte oefeningen en kür *het lidmaatschapsnummer altijd invullen /2 = eindcijfer 33-40
BIJLAGE III Structuurgroepen vrije oefeningen statische elementen a. zitten; dit zijn elementen waarbij het zitvlak, de zitbeenknobbels van de voltigeurs(s) het zwaartepunt dragen en het contactpunt zijn met het paard. b. knielen; dit zijn elementen waarbij met een recht lichaam één of twee onderbenen op het contactvlak liggen. De hoek tussen het lichaam en de onderbenen is altijd kleiner dan 90 graden, om de galop te kunnen opvangen. c. bank; dit zijn elementen met een horizontale romphouding waarbij de onderbenen of voeten (bij hoge bank) op het contactvlak liggen (staan). Bij de lage bank is de hoek tussen boven - en onderbenen altijd kleiner dan 90 graden. Bij de hoge bank zijn de benen altijd iets gebogen om de galop op te kunnen vangen. d. vlag; dit zijn elementen waarbij één onderbeen op het contactvlak ligt, terwijl het andere been, ongeacht de richting of positie vrij gehouden kan worden. Het bovenlichaam is horizontaal of vormt ene lichte boog iets boven de horizontale lijn. De schouders en de heupen zijn hierbij op dezelfde hoogte. De hoek van het steunbeen is kleiner dan 90 graden. e. standvlag, standvlag in de lus, standspagaat; dit zijn elementen waarbij het zwaartepunt van de voltigeur(s) op één voet rust. Dit standbeen is nooit gestrekt maar altijd iets gebogen om de galop te kunnen opvangen. f. staan; dit zijn elementen waarbij het zwaartepunt van het lichaam, met losse armhouding, over beide voeten gelijk is verdeeld g. schouderstand, handstand; dit zijn elementen waarbij de schouders zich loodrecht onder de heupen bevinden. Schouder(s) of hand(en) zijn op het contactvlak. h. hangoefeningen; dit zijn elementen waarbij de schouders zich onder het ophangpunt/ contactpunt bevinden i. ligoefeningen; dit zijn elementen waarbij het lichaam recht of licht gebogen in een horizontale of een bijna horizontale positie is. Naast het lichaamszwaartepunt kan ook het gehele lichaam contactvlak zijn. j. spagaat; dit zijn elementen waarbij de benen in de lengte, hoogte of dwars t.o.v. het paard in een hoek van 180 graden worden gespreid. k. steunen, ligsteun; dit zijn elementen waarbij het massamiddelpunt boven één of beide handen is en de hand(en) het steunvlak zijn. l. vlieger; dit zijn elementen die vrij, in verschillende posities kunnen worden uitgevoerd, zonder dat de uitvoerende voltigeur zelf contact heeft met het paard of zelf steunt. De voltigeur kan zelf nauwelijks iets veranderen. Dit is alleen mogelijk in combinatie met andere voltigeurs. Dynamische elementen a. zwaaien; dit zijn elementen waarbij arm(en) en/of be(e)n(en)in het galopritme van het paard zwaaien. Deze bewegingen kunnen gebruikt worden als overgang tussen twee elementen inleiding tot een complex van elementen inleiding op combinaties(statische/dynamische oefeningen) middel om tot een artistieke vormgeving te komen Het zwaaien komt altijd voort uit heup-, schouder-, knie- of ellebooggewricht. b. wenden; zijn elementen die alleen kunnen plaatsvinden door het op-, om- of zijwaarts zwaaien van één of twee rechte benen. Bijna gelijktijdig met het zwaaien van de benen wordt er om een vast steunpunt gedraaid, meestal de handen. c. draaien; schroeven zijn rotaties om de lengteas van het lichaam. rollen zijn rotaties om de breedteas van het lichaam met een rond boven lichaam, dat over het contactvlak rolt. salto's zijn rotaties om de breedteas van het lichaam. Tijdens het draaien zijn er geen contactpunten met het paard of de andere voltigeurs. De salto ontstaat door een afzet met beide voeten en kan gehurkt, gehoekt of gestrekt worden uitgevoerd. 34-40
steunsalto's zijn salto's waarbij de handen van zowel de saltomaker als een andere voltigeur als steun of inzet worden gebruikt voor het maken van de salto. radslagen zijn draaiingen om de diepteas van het lichaam. d. kiepen; zijn technieken en elementen waarbij het lichaam eerst langzaam, met rechte benen, in de heupen wordt gebogen en daarna zo snel mogelijk weer wordt gestrekt. Kiepen gebeurt vanuit liggen, steunen of hangen. e. overslagen; zijn elementen met rotaties om de breedte- of diepteas met een recht lichaam. Deze rotaties ontstaan door krachtig één of beide benen op te zwaaien. De benen en heupen gaan loodrecht over het steunpunt, de handen, heen. Overslagen kunnen worden uitgevoerd met of zonder steun op de handen.(de zgn."losse overslagen"). f. sprongen, steunsprongen; zijn elementen waarvan het hoofdkenmerk een krachtige één- of twee benige afzet is. Hiertoe behoren ook alle opsprongen. Overige Elementen Niet in structuurgroepen in te delen oefeningen, die ook in andere takken van sport een begrip zijn en daar een vaste naam hebben, zijn: de vliegende engel; rock'n roll-rol; bielmann-standspagaat; kruiwagen; Hongaarse post. 35-40
BIJLAGE IV Bewegingsbeschrijving verplichte oefeningen 1 De opsprong Iedere verplichte of serie van verplichte oefeningen begint met de opsprong. De voltigeur loopt langs de longeerlijn in de richting van de schouders van het paard. Onderweg naar het paard begint de voltigeur mee te galopperen in het ritme van de voorbenen van het paard. Voor de grepen vast te pakken, zijn de schouders en de heupen van de voltigeur parallel aan de schouders van het paard en het bovenlichaam van de voltigeur is verticaal opgericht. Na het vastpakken van de grepen springt de voltigeur met beide voeten naar voren zo dicht als mogelijk is aan de binnenkant van het binnenvoorbeen van het paard; zo creëert de voltigeur energie voor de opsprong. Vervolgens wordt het rechterbeen zo hoog als mogelijk opgezwaaid, hierbij de heupen boven het hoofd brengend en het linkerbeen blijft gestrekt naar beneden. Als de heupen het hoogste punt bereikt hebben en hierbij de armen zijn uitgedrukt om te komen tot een maximale hoogte brengt de voltigeur het gestrekte rechterbeen naar beneden en landt vervolgens zacht, aangespannen en in het midden op het paard met het bovenlichaam verticaal. Opsprong 2 De afsprong naar binnen en naar buiten Vanuit voorwaartse zit tilt de voltigeur een gestrekt rechter- of linkerbeen in een wijde cirkel over de hals van het paard. Het bovenlichaam blijft aangespannen en zo goed als verticaal en het andere been blijft aangesloten naar beneden in contact met het paard zonder van zijn plaats te komen. De grepen worden losgelaten en weer vastgepakt als het opgetilde been voorbij komt. Als het opgetilde been in de richting van het voorbeen van het paard wijst, wordt het aangeslotenbeen opgetild en aangesloten (beide benen worden dus gesloten). De voltigeur strekt de heupen en duwt zich iets zijwaarts van het paard en laat de grepen los. De voltigeur landt op beide voeten. afsprong 3 Het afflanken voor de junioren en team klasse D Vanuit voorwaartse zit zwaait de voltigeur beide benen gestrekt en boven het paard gesloten, op tot bijna een handstandpositie, hierbij worden de armen maximaal uitgedrukt om te komen tot een maximale hoogte. De voltigeur duwt zich van de grepen weg en krijgt hierdoor maximale hoogte en een vluchtfase naar de buitenkant, waar hij landt op beide voeten met bijna gesloten benen en rent onmiddellijk door in dezelfde richting als het paard loopt. Afflanken 36-40
4 De vrije zit De voltigeur zit voorwaarts, rechtop, aangespannen, in het midden, onmiddellijk achter de singel, met de benen gestrekt naar beneden en in contact met het paard. In een verticale rechte lijn langs de schouder, heup en hiel (basiszit). De benen zijn gestrekt naar beneden en de voorkant van de knieën, enkels en tenen in een rechte lijn naar voren wijzend. De schouders van de voltigeur zijn parallel aan de grepen. De armen worden tegelijk gestrekt en aangespannen zijwaarts van de voltigeur gebracht, met de toppen van de vingers op ooghoogte (voor de klasses Basispaardrijden worden de handen in de zij gezet met de vingers naar voren en de duim naar achteren). Voor het beëindigen van de oefening pakt de voltigeur de grepen met beide handen tegelijk weer vast. Vrije zit 5 Opzwaaien tot bank Vanuit de basiszit tilt men de benen iets naar voren op en zwaait naar achteren tot ligsteun. Daarna gaat men in 1 vloeiende beweging door tot bank. De onderbenen liggen in de bankpositie recht naar achteren aan weerszijden van de wervelkolom van het paard en het gehele onderbeen is aangesloten aan het paard. De voeten wijzen naar achteren. De handen zijn aan de grepen en de schouders bevinden zich boven de grepen. De ellebogen zijn recht naar achteren gebogen. Schouders en heupen moeten op 1 hoogte zijn en parallel aan de grond. Om de oefening te beëindigen strekt de voltigeur beide benen tegelijk en glijdt zacht weer in de basiszit. 6 De vlag Vanuit de basiszit knielt de voltigeur met beide benen tegelijk op en schuift onmiddellijk beide onderbenen diagonaal over de rug van het paard (voeten naar rechts) gelegd. De voorkant van de knieën, enkels en voeten van de voltigeur zijn in contact met de rug van het paard, hierbij is het gewicht verdeeld over het gehele onderbeen. Hoofd blijft opgetild en blik is naar voren gericht. Dan worden rechterbeen en linkerarm tegelijk (met uitzondering van de klasse E, hier dient alleen het rechterbeen te worden uitgestrekt), uitgebracht naar een gestrekte positie, waarbij de hand en de voet net boven het hoofd van de voltigeur uitkomen. Rechterhand blijft aan de greep en de schouders zijn recht boven de grepen. De schouders en heupen zijn parallel aan de grond. Om de oefening te beëindigen pakt de voltigeur met de linkerhand de greep weer vast en strekt beide benen naar beneden en glijdt zacht weer in de basiszit. In de klasse team E, team D en Juniorenteams wordt na de vlag teruggegaan naar de bank. 37-40
7 Knielen Vanuit basiszit knielt de voltigeur op beide onderbenen tegelijk. Het linkeronderbeen links en het rechteronderbeen rechts van de wervelkolom van het paard. De voorkant van de knieën, enkels en voeten van de voltigeur zijn in contact met de rug van het paard, hierbij wordt het gewicht verdeeld over het gehele onderbeen. De grepen worden losgelaten, het bovenlichaam wordt opgericht en de armen worden naar voren gestrekt tot op schouderhoogte. De blik is naar voren gericht en de heupen nagenoeg gestrekt. Om de oefening te beëindigen pakt de voltigeur met beide handen de grepen weer vast en strekt beide benen tegelijk en glijdt zacht weer in de basiszit. Bij teams klasse E dient het knielen rechtstreeks vanuit de bank te worden uitgevoerd. Knielen 8 De molen Vanuit de basiszit maakt de voltigeur een rotatie op de rug van het paard in 4 gelijke fases. Elk been is gestrekt en wordt in een wijde, hoge boog over het paard getild. Het andere been blijft in contact met het paard, op zijn plaats. Het bovenlichaam blijft aangespannen, in het midden en nagenoeg vertikaal. Hoofd en lichaam draaien mee met iedere boog van het been. De zitbeenknobbels blijven aan het paard. De molen heeft 4 fasen die ieder in 4 galopsprongen uitgevoerd worden. Fase 1 Het rechterbeen wordt over de hals gebracht, hierbij worden de grepen losgelaten en weer vastgepakt als het been voorbij komt. Fase 1 eindigt met het binnenwaarts zitten van de voltigeur waarbij hij naar het midden van de cirkel kijkt. Hoofd en schouder in dezelfde richting waarbij de beide benen gesloten en in contact met het paard zijn. Fase 2 Het linkerbeen wordt over het kruis van het paard gebracht. Fase 2 eindigt als de voltigeur rechtop achterwaarts zit. De handen worden van positie op de grepen gewisseld. Fase 3 Het rechterbeen wordt over het kruis van het paard gebracht. Fase 3 eindigt met het buitenwaarts zitten van de voltigeur, waarbij hij naar de buitenkant van de cirkel kijkt. Hoofd en schouder in dezelfde richting waarbij de beide benen gesloten en in contact met het paard zijn. De handen worden van positie op de grepen gewisseld. Fase 4 Het linkerbeen wordt over de hals van het paard gebracht, hierbij worden de grepen losgelaten en weer vastgepakt als het been voorbij komt. Fase 4 eindigt met een voltigeur die naar voren kijkt in een rechte positie (basiszit). De afsprong volgt onmiddellijk na de 4e fase zonder hapering aan de binnenkant en in hetzelfde ritme. Voor klasse D en juniorenteams hoeven alleen fase 1 en 2 te worden getoond. Voor de klasse E wordt de molen als volgt uitgevoerd; voorwaartse zit, binnenwaartse zit, voorwaartse zit, buitenwaartse zit en voorwaartse zit. 9 Voorwaarts opzwaaien Vanuit de zit worden beide benen gestrekt gezwaaid naar een bijna handstandpositie, de benen zijn hierbij gespreid op schouderbreedte, de armen worden uitgestrekt naar een maximale hoogte. De voltigeur landt zacht midden op het paard. 38-40
10 Achterwaarts opzwaaien Vanuit de achterwaartse zit zwaait de voltigeur de gestrekte benen naar boven, hierbij de gebogen heupen zo hoog als mogelijk brengend. Boven het paard zijn de benen gesloten. De armen worden uitgeduwd om een maximale hoogte te verkrijgen. De hoek tussen de armen en het lichaam is zo groot mogelijk. De voltigeur landt zacht in een achterwaartse zit midden op het paard. 11 Schaar De beweging van de schaar is een rotatie rond de verticale lichaamsas. Met een gelijktijdige, tegengestelde, gestrekte beweging van de benen. De schaar heeft 2 fasen met in beide fasen een draaien van het lichaam dat klaar is als het lichaam zacht in het midden aangespannen in een zit positie landt. Fase 1 Vanuit de zit worden beide benen gestrekt gezwaaid naar een bijna handstandpositie, de armen worden uitgestrekt naar een maximale hoogte. Zonder onderbreking in deze beweging, draaien de heupen naar links, zodat de benen elkaar passeren en kruisen bij het hoogste punt. De benen van de voltigeur beschrijven een hoge boog, beide voeten op gelijke afstand van de grond. De eerste fase is klaar als de voltigeur is geland. Fase 2 Vanuit de achterwaartse zit zwaait de voltigeur de gestrekte benen naar boven, hierbij de gebogen heupen zo hoog als mogelijk brengend. De armen worden uitgestrekt om een maximale hoogte te verkrijgen. De hoek tussen de armen en het lichaam is zo groot mogelijk. Zonder onderbreking in deze beweging, de heupen draaien naar rechts, zodat de benen elkaar kruisen en passeren op het hoogste punt. De benen van de voltigeur beschrijven een hoge boog op gelijke afstand van de grond. De 2e fase eindigt als de voltigeur zacht, in het midden van het paard, in basiszit, is geland. Schaar 12 Staan Vanuit zit knielt de voltigeur zacht met beide benen tegelijk, onmiddellijk gevolgd door het zacht doorspringen op beide voeten. Het hoofd blijft opgericht en de blik naar voren. De voeten blijven constant aan het paard en het gewicht wordt gelijk verdeeld over de gehele voet gedurende de gehele oefening. De benen zijn gesloten en de voeten wijzen naar voren. De grepen worden tegelijk losgelaten en de voltigeur komt langzaam overeind tot een staande positie met hierbij een rechte lijn van schouder, heupen en hielen. Onmiddellijk worden de armen zijwaarts gestrekt en de toppen van de vingers zijn op ooghoogte (met uitzondering van de klasse D, hier worden de armen naar voren gestrekt). In het afbouwen van de oefening, gaat de voltigeur met beide armen tegelijk terug naar de grepen, het hoofd blijft opgericht en de blik naar voren, met beide benen gestrekt glijdt de voltigeur naar de basiszit. Voor juniorenteams en teams klasse D begint de oefening vanuit de bank. Staan 39-40
13 Het flanken Flanken is een oefening met 2 fasen. Fase 1 Vanuit de basiszit worden beide benen opgezwaaid naar een bijna handstandpositie met hierbij de armen uitgedrukt om te komen tot een maximale hoogte. Zonder onderbreking in de beweging worden op het hoogste punt de heupen scherp ingehoekt, zodat de onderbenen naar beneden komen in een bijna verticale positie, hierbij blijven de heupen een moment boven de singel. De voltigeur glijdt zacht tot een binnenwaartse zit.daarna gaat de voltigeur naar voorwaartse zit door het rechterbeen gestrekt over de hals te brengen. Fase 2 Vanuit voorwaartse zit zwaait de voltigeur beide benen gestrekt en gesloten op tot een bijna handstandpositie, hierbij drukt hij de armen uit. Als de voltigeur het hoogste punt nadert, duwt hij zich van de grepen weg en krijgt hierdoor maximale hoogte en een vluchtfase naar de buitenkant, waar hij landt op beide voeten met het gezicht in de richting waarin het paard galoppeert. Afflanken: 40-40