Pensioenwet Boek Analyse en commentaar verschenen

Vergelijkbare documenten
Nieuwsbrief maart 2007, Jaargang 2 - vol. 3

Pensioenwet Risicodekking nabestaandenpensioen

De PPI ook voor zelfstandigen?

Pensioenwet Toeslagen

Pensioenwet De Pensioenwet is op 1 januari 2007 (gedeeltelijk) in werking getreden: Wet van 7 december 2006, Stb. 2006, 705.

informatie op verzoek; informatie over toeslagen, waaronder de voorwaardelijkheidsverklaring. Het is een bont geheel van regels. Belangrijk is dat:

Verplichte deelneming directeur in pensioenfonds PGGM

Directie Directe Belastingen. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG. 16 november 2007 DB M

Voorstel van wet houdende invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet)

DNB en AFM zijn op grond van de Europese pensioenrichtlijn (2003/31/EG) verplicht om te dit overzicht te publiceren.

1. Pensioenwet - Inwerkingtreding 2008

l.l. Hei beroep in cassatie richl zicht tegen de uitspraak van hei Gerechtshof Amsterdam van I -juli 2(Wa(veFzondefl-op-l-julr20J0)7

ONTSLAG EN PENSIOEN. Vereniging voor Arbeidsrecht 30 mei 2013 Prof. dr. E. Lutjens

Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht

AANVULLENDE PENSIOENREGELING

Toezicht op pensioenadvies

verplichte aansluiting bij bpf Hibin

Tweede Kamer der Staten-Generaal

PENSIOEN Rechtspraak Hoge Raad Prof. Erik Lutjens

PENSIOEN. Alex Ter Horst Ruud Derksen. 2 april Advocaten pensioenrecht

PENSIOEN IN HET ARBEIDSRECHT. Wim Thijssen. Pensioenadvocaten.nl en VU Expertisecentrum Pensioenrecht

Cover Informatie over... Flitscongres over de Algemene Pensioen Instelling. API: overbodig, onmisbaar

Notitie inzake: NETTO PENSIOEN IN DE TWEEDE PIJLER EXPERTISECENTRUM PENSIOENRECHT

Artikel Pensioenwet Artikel lid Artikel PSW Regelgeving op basis van PSW of Wtv 1993 Hoofdstuk 1 1. definities 1 2. nadere bepalingen definities

Datum 2 mei 2013 Betreft Kamervragen van het lid Omtzigt (CDA) over medezeggenschap bij PPI

Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling

HOUDBAARHEID PENSIOEN

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Voor de Drankindustrie Uitvoeringsovereenkomst Aanvullende pensioenregeling

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Pensioenwet - Tijdsevenredigheid

Wegwijzer GE Pensioen. Inzicht in uw pensioensituatie

Hoge Raad der Nederlanden

Handleiding. Modelvragenlijsten. Internationale Inkomende Waardeoverdracht. Een gezamenlijk initiatief van: Pensioenfederatie Verbond van Verzekeraars

Aanvullend pensioenreglement "Excedent middelloon "

DEEL III. Het bestuursprocesrecht

Wet Witteveen 2015 voor IBondernemers

Algemeen pensioenfonds in vogelvlucht

Stichting Pensioenfonds Ballast Nedam. Deelnemersvergadering 25 april Theo Bruijninckx

Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht

- 1 - De Nederlandsche Bank NV (DNB) legt een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 en 1:81 van de Wft, op aan:

Wetsvoorstel Algemeen Pensioenfonds

Date de réception : 01/12/2011

Communicatieplan Stichting Brocacef Pensioenfonds

Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER. BESCHIKKING van 20 december 2011 in de zaak met zaaknummer

Bewaar deze startbrief zorgvuldig. Pensioen heeft nu misschien niet uw hoogste aandacht, binnenkort kan dat anders zijn.

Aanvullend reglement Pensioenopbouw boven Salarisgrens (hoog)

Uitfasering pensioen in eigen beheer

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

BESLUIT. 4. Artikel 56 Mededingingswet (hierna: Mw) luidde tot 1 juli 2009, voor zover van belang, als volgt:

ECLI:NL:RBROT:2009:BH4446

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Addendum 2 bij het Pensioenreglement pensioenregeling A, van Stichting Pensioenfonds Sanoma Nederland, contractnummer

Transcriptie:

Nieuwsbrief april 2007, Jaargang 2 - vol. 4 Pensioenwet Boek Analyse en commentaar verschenen Op 28 maart jl werd tijdens de pensioenactualiteitenlezing aan de Vrije Universiteit Amsterdam het eerste exemplaar van het boek Pensioenwet analyse en commentaar (red. E. Lutjens) aangeboden aan de directeur van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfonds, Peter Borgdorff. Het boek geeft in 21 hoofdstukken een complete, thematisch opgezette bespreking van de Pensioenwet. De 21 hoofdstukken zijn door 17 verschillende auteurs uit wetenschap en pensioenpraktijk geschreven. Colofon Het Expertisecentrum Pensioenrecht doet onderzoek naar en adviseert de pensioenwereld, overheden en het bedrijfsleven over juridische en fiscale aspecten van pensioenen en verzorgt daarover publicaties en organiseert studiemiddagen en leergangen. Adresgegevens: Expertisecentrum Pensioenrecht Vrije Universiteit Amsterdam Fac. der Rechtsgeleerdheid Prof. dr. Erik Lutjens De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam tel 020 5986268 mobiel 06 52 418408 fax 020 5986280 e-mail e.lutjens@rechten.vu.nl Peter Borgdorff neemt het eerste exemplaar van het boek Pensioenwet analyse en commentaar in ontvangst van E. Lutjens De onderwerpen van de hoofdstukken zijn met tussen haken de auteursnaam: 1. Pensioenwet introductie (Lutjens) 2. Pensioenbegrip en pensioenkarakter (Witte) 3. Pensioenovereenkomst (Lutjens) 4. De uitvoeringsovereenkomst (Kappelle) 5. De directeur-grootaandeelhouder (Schijlen) 6. Internationale werkingssfeer (Van Marwijk Kooij) 7. Informatie en voorlichting (Kuiper) 8. Premie en premiebetaling (Langemeijer) 1

9. Wijziging van de pensioenregeling (Lutjens) 10. Gelijke behandeling (Heemskerk) 11. Keuzerechten en mogelijkheden (Breuker) 12. Einde deelneming (Alsma) 13. Indexering (Van Riemsdijk) 14. Afkoop (Van Heest) 15. Waardeovedracht (Van Heest) 16. Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht (Blom) 17. Taakafbakening, vrijwillige aansluiting, vrijwillige voorziening, vrijwillige voortzetting, verbod op nevenactiviteiten (Bitter) 18. Pensioen in beleggingen (Neijenhuis) 19. Financieel toetsingskader inzake pensioenfondsen (Van Gaalen) 20. Toezicht (Lutjens) 21. Procesrecht (Looten) Lutjens presenteert het boek tijdens de lezing in de VU. Omvang van het boek: 853 pag; Uitgever: Kluwer, Deventer; ISBN: 978-90-13044-63-8. Uitvoeringsmodel pensioenfondsen brief minister Donner Bij brief van 30 maart 2007 heeft minister Donner de Tweede Kamer geïnformeerd over het uitvoeringsmodel pensioenfondsen. De gevraagde adviezen (zie Nieuwsbrief februari 2007) zijn inmiddels uitgebracht. Naar aanleiding daarvan neemt minister Donner afstand van de verplichte uitbesteding, kwalificeert hij de API nog steeds als een interessant model en merkt hij op geen reden te zien in de adviezen om de artikel 5 en 7 Wet Bpf 2000 te heroverwegen. De kern van de brief luidt als volgt: Op grond van beide adviezen ligt het niet voor de hand dat in het nieuwe uitvoeringsmodel sprake zal zijn van een verplichte uitbesteding van vermogensbeheer en administratie. Een dergelijke verplichting is in een eerder stadium overwogen teneinde het mogelijk te maken de domeinafbakening af te schaffen. Uit de adviezen komt evenwel duidelijk naar voren dat de verplichte uitbesteding een instrument is dat naar zijn aard niet in de plaats kan komen van de domeinafbakening. Bovendien zal van verplichte uitbesteding naar verwachting geen noemenswaardig effect uitgaan op de marktwerking op de onderhavige terreinen, hetgeen wel werd beoogd. Verder zij opgemerkt dat er vanuit de adviezen geen noodzaak ontstaat om de huidige praktijk van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds te wijzigen. In het licht van de ontwikkelingen in het buitenland acht ik het zinvol om de uitgangspositie van Nederland op de Europese markt voor pensioenen te verstevigen. De adviezen ondersteunen de gedachte dat dit kan worden gerealiseerd 2

door de introductie van een algemene pensioeninstelling (API) [..]. Een ander element dat nadrukkelijk aandacht zal moeten krijgen in de nadere uitwerking betreft de artikelen 5 tot en met 7 in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Beide adviezen wijzen op de marktordenende rol die de bedoelde artikelen spelen. Die rol verdient bij de nadere uitwerking van een nieuw uitvoeringsmodel naar mijn mening bijzondere aandacht. Daarbij zij opgemerkt dat er vanuit de adviezen geen noodzaak bestaat om de bedoelde artikelen te wijzigen. Het is mijn voornemen om u uiterlijk 1 juni te informeren over het kabinetsstandpunt inzake de nadere uitwerking van de contouren van het uitvoeringsmodel. Kamerstukken II 2006/2007, 30 413, nr. 78. Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 5 april 2007 (PGGM/DNB) Boeteoplegging wegens overtreding van artikel 5, 6 en 7 Wet Bpf 2000. DNB heeft aan PGGM een boete opgelegd wegens overtreding van de artikelen 5, 6 en 7 Wet Bpf 2000. De overtreding bestond volgens DNB uit de wijze waarop PGGM-dochterverzekeraar Careon en PGGM zelf hebben gecommuniceerd over de door Careon uitgevoerde levensloopregeling. De rechtbank laat de boeteoplegging betreffende overtreding van de artikel 5 en 7 Wet Bpf 2000 in stand en overweegt daartoe: Artikel 5 van de Wet Bpf 2000 legt - onder meer, en voor zover hier van belang - aan eiseres de verplichting op ervoor zorg te dragen dat een ander niet haar naam of beeldmerk gebruikt in het economische verkeer. De rechtbank stelt bij haar beoordeling of sprake is geweest van overtreding van deze gebodsnorm voorop dat het hier bedoelde gebruik in het economische verkeer niet ziet op ieder gebruik buiten een strikt besloten kring, maar dat het blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling - waaruit als ratio van de bepaling het tegengaan van verstoring van gelijke concurrentieverhoudingen naar voren komt - moet gaan om een wervend gebruik van de naam of het logo van het bedrijfstakpensioenfonds. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Careon inderdaad op wervende wijze gebruik gemaakt van de naam van eiseres door op haar website teksten op te nemen als Careon is een dochteronderneming van PGGM. PGGM is het pensioenfonds voor de sector zorg en welzijn. Careon richt zich daarom op werknemers in deze sector. Careon bestaat uit Careon Levensloop en Careon Verzekeringen door in haar brochure te vermelden e inleg ziet u terug op uw loonstrookje. Uw werkgever maakt dit bedrag over naar PGGM-dochter Careon Levensloop, de uitvoerder van de levensloopregeling en door deelnemers aan het fonds van PGGM brieven te sturen waarin is vermeld erder stoppen met werken onder eedak, door de combinatie, Careon en PGGM en uw belang staat voorop: net als bij PGGM werkt Careon voor Zorg en Welzijn. Eiseres is haar zorgplicht om dit gebruik van haar naam - voor zover dat in haar vermogen ligt - tegen te gaan, niet nagekomen. Niet in geschil is immers dat eiseres Careon toestemming heeft gegeven voor het doen van bovengenoemde uitingen. Zij heeft daar zelfs in een aantal opzichten actief aan meegewerkt. Gelet hierop heeft eiseres het voorschrift van artikel 5 van de Wet Bpf 2000 overtreden. Daarbij geldt dat de stelling van eiseres dat geen associatiegevaar valt te duchten, onbesproken kan blijven nu eiseres niet wordt verweten dat Careon een naam of beeldmerk heeft gebruikt dat lijkt op dat van eiseres, maar dat zij heeft toegestaan dat Careon rechtstreeks haar naam heeft gebruikt. 3

Voorts heeft eiseres artikel 7, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 overtreden en wel door op haar website rechtstreeks en indirect te verwijzen naar de levensloopregeling van Careon. Dat eiseres op haar portaal voor particulieren niet rechtstreeks heeft verwezen naar Careon is in dit verband niet van doorslaggevend belang. Eiseres heeft de werknemers immers in dat portaal wel verwezen naar de Pensioenplanner en hen gestimuleerd om bij de werkgever te informeren hoe zij mee kunnen doen met levensloop onder de vermelding dat Veel werkgevers hebben hierover afspraken gemaakt met PGGM.. Op het werkgeversportaal van haar site, welk gedeelte door eiseres lange tijd bewust ook voor de werknemers toegankelijk is gehouden, heeft eiseres wel rechtstreeks reclame gemaakt voor Careon. Voorts heeft eiseres in haar blad Actueel aangegeven dat Careon werkgevers aanbiedt hun werknemers kosteloos te informeren over de levensloopregeling van Careon. De informatievoorziening aan de deelnemers van PGGM en aan hun werkgevers is aldus dermate met elkaar verweven dat gezegd moet worden dat de werkgever door eiseres als tussenschakel wordt gebruikt om de aandacht van (gewezen) deelnemers van eiseres te richten op Careon. Het verweer van eiseres dat zij zich met haar informatieverstrekking niet richt tot de in artikel 7, eerste lid, bedoelde personen, houdt derhalve geen stand. Met verweerster is de rechtbank voorts van oordeel dat de litigieuze informatie geen algemene informatie is waarop artikel 7, eerste lid, van de Wet Bpf 2000 doelt. Eiseres heeft zich geenszins beperkt tot het geven van algemene informatie over de levensloopregeling, maar heeft de informatie over die regeling toegespitst op Careon. Het verweer van eiseres dat het geven van informatie noodzakelijk was uit anderen hoofde, is niet steekhoudend. Reeds gelet op de wervende wijze waarop eiseres informatie over de levensloopregeling van Careon heeft verstrekt kan zij zich niet beroepen op een conflicterende informatieplicht. Gerechtshof s-hertogenbosch 3 april 2007 Kostwinnersfranchise is niet discriminerend Net als de kantonrechter in eerste aanleg oordeelt het Gerechtshof dat de kostwinnersfranchise (franchise afgeleid van dubbele AOW gehuwden) niet discriminerend is. Ook ziet het Gerechtshof geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EG. De belangrijkste overwegingen van het Gerechtshof luiden: 4.8. Hantering van de kostwinnersfranchise in het kader van de berekening van een maximaal te bereiken pensioenresultaat van 70% van het laatstverdiende loon heeft tot gevolg dat degene die pensioen opbouwt feitelijk en rechtens niet het individuele pensioenresultaat kan bereiken van 70% van zijn laatstverdiende loon. Zoals blijkt uit het door de kantonrechter aangehaalde voorbeeld (ro. 6 en 7) komt diens pensioenresultaat (inclusief de aan hemzelf toekomende geïndividualiseerde AOWuitkering) immers uit op 44% en niet op 70 %. Dit is een gevolg van het feit dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van de partner van de gehuwde werknemer niet aan die werknemer toekomt, maar aan de partner, en dus niet behoort tot het feitelijk te behalen pensioenresultaat van de werknemer. Dat geldt zowel voor de werknemer die als alleenverdiener is aan te merken als voor de werknemer die tweeverdiener is. Nu toepassing van de kostwinnersfranchise niet tot een verschillend pensioenresultaat leidt, al naargelang de werknemer in de partnerrelatie als alleenverdiener dan wel als tweeverdiener is aan te merken, is het beginsel van gelijke beloning niet 4

geschonden, zoals de kantonrechter terecht heeft geconcludeerd. 4.9. [appellante] stelt in de toelichting op grief 1 (punt 10) dat art. 119 EG Verdrag niet verbiedt om ter vaststelling van het nadelig effect voor tweeverdieners te kijken naar het totale pensioenresultaat van het huishouden waartoe betrokkene behoort, inclusief de AOW-uitkering die toekomt aan de partner van de kostwinner. 4.10. Blijkens deze stelling gaat [appellante] uit van de opvatting dat art. 119 (thans 141) EG Verdrag meebrengt dat een pensioenuitvoerder (evenals de werkgever), voor wat betreft het feitelijk te behalen pensioenresultaat waaronder begrepen de AOW-uitkering, mannelijke en vrouwelijke deelnemers (werknemers) die gehuwd zijn, niet alleen als individuele werknemers gelijk moet behandelen, maar ook gelijk moet behandelen tezamen met hun partners in een partnerrelatie in die zin dat ten aanzien van tweeverdieners met een gezamenlijk loon gelijk aan dat van een alleenverdiener gelijke beloning is gewaarborgd. Die opvatting is onjuist. Het beginsel van gelijke beloning als bedoeld in art. 119 (thans 141) EG Verdrag strekt ertoe dat gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers op individuele basis is gewaarborgd ten aanzien van het loon en alle overige voordelen die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt. Het hof is van oordeel dat zulks op grond van - de door het ABP aangehaalde - rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met voldoende zekerheid kan worden aangenomen. 4.11. Doordat bij hantering van de kostwinnersfranchise de geïndividualiseerde AOW-uitkering van de partner van de werknemer fictief aan de werknemer wordt toegerekend, ondervinden partners in een tweeverdienersrelatie beiden de gevolgen van het onder 4.8. vermelde - nadelig - effect, indien ten aanzien van hen beiden de kostwinnersfranchise wordt toegepast. Deze toerekening heeft in dat geval weliswaar tot gevolg dat beide partners, en niet slechts een partner, wordt geconfronteerd met dit nadelig effect, maar dat gevolg is niet in strijd met het in art. 119 (thans 141) EG Verdrag neergelegde beginsel van gelijke beloning, nu dat beginsel gelijke beloning van individuele werknemers beoogt te waarborgen en niet van tweeverdienershuishoudens ten opzichte van alleenverdienershuishoudens. 4.13.1. Tegen de achtergrond van voormeld geval merkt het hof nog het volgende op. Het uitgangspunt van [appellante] is dat bij haar pensioenopbouw geen rekening is gehouden met het effectieve niveau van haar (geïndividualiseerde) AOW-uitkering omdat wordt aangenomen (door hantering van de kostwinnersfranchise) dat de geïndividualiseerde AOW-uitkering van haar partner aan haar toekomt, terwijl dit feitelijk niet het geval is. Echter ook bij de werknemer die kostwinner is wordt geen rekening gehouden met het effectieve niveau van diens (geïndividualiseerde) AOW-uitkering. Immers, ook ingeval van een kostwinnersrelatie komt de AOWuitkering van de partner van de werknemer-kostwinner feitelijk en rechtens niet aan de kostwinner toe, maar aan diens partner. Het effectieve niveau van de AOW-uitkering van de werknemer wordt, bij een berekening van een 70%- eindloonpensioen inclusief de kostwinnersfranchise, in beide gevallen genegeerd en wel in gelijke mate. Het feit dat dit in een kostwinnersrelatie slechts een partner treft en in een tweeverdienersrelatie beide partners (indien ten aanzien van beiden de kostwinnersfranchise wordt toegepast) is, zoals gezegd, een effect dat niet in strijd is met art. 119 (thans 141) EG Verdrag. 5