1. Macro-invertebraten Wateronderzoekers 2003-2004 ULB Athénée Royal Bruxelles II 5 de technisch kwalificatiejaar milieubeheer De Belgische Biotische Index (BBI) De oorsprong van deze index is een Belgische norm van 1984. Hij maakt slechts een kleine discriminatie tussen de organismen die de aanwijzende groepen vormen en de variëteiten binnen één groep worden niet gevaloriseerd. Deze index is dus weinig precies en voor sneller stromende rivieren zoals in Wallonië verkiest men een recentere Franse norm die overal geldt (ook in de Alpen). Glossarium : De norm: is een regel die de technische voorwaarden (zie protocol) bepaalt voor het nemen van stalen. Zo kunnen we stalen onderling vergelijken. Discrimineren: isoleren en afzonderlijk behandelen in functie van de andere. Een aanwijzende groep: is een groep waarvan de aanwezigheid van een enkel individu voldoende is om een waarde op de index aan te geven.. De «Indice Biotique Global Normalisé français» (IBGN) Deze index wordt bepaald door een Franse norm uit 1992. Hij stelt meer eisen dan de BBI : zo klasseert hij bvb de Heptageniida slechts in de aanwijzende groep terwijl de IBGN ze in de aanwijzende groepen 5 tot 9 klasseert. Er zijn ook meer biodiversiteitsklassen, wat hem gevoeliger en preciezer maakt.
Protocol van de biotische index in rivieren: «Het doel van het nemen van stalen bestaat erin de grootst mogelijke representatieve diversiteit op het gebied van de fauna van het te bestuderen milieu te verzamelen (IBN, 1984). Zo probeert men de meest complete balans op te stellen van de taxa (of groepen organismen)in de waterlopen met behulp van een techniek van stalen nemen. Om dit doel te bereiken bestaat de methodologie voor het nemen van stalen erin acht verschillende microbiotopen te bepalen in het bestudeerde riviervak die zich onderscheiden door acht verschillende koppels substraat/snelheid zoals gedefinieerd in de IBGN-norm. De acht microbiotopen (habitats) moeten gevonden worden in het meetpunt voor het monsternemen. Een meetpunt heeft gen bepaalde afmeting: als de acht microbiotopen niet aanwezig zijn in een beperkt segment kunnen de ander microbiotopen ongeveer 20 tot 30m stroomaf- of -opwaarts gezocht worden voor zover er zich geen ecologische verschillen voordoen (zijrivier, riool..). Elke microbiotoop moet op significante wijze aanwezig zijn in het meetpunt. De microbiotopen worden gekozen van 1 tot 8 in functie van hun afnemende aanwezigheid in het meetpunt. Ze worden verdeeld in functie van het koppel substraat/snelheid in lotische (sterke sroming) en lentische (trage stroming) zones, minerale (grind, zand) en plantaardige substraten, tussen rivierbedding en rechter en linker oever (meanders). De lijst van de substraten staat op het terrein protocol. De stalen worden genomen met een net van het type «havenet» waarvan de maasgrootte 0,5mm is, de breedte van het kader 25cm, hoogte 20 cm, lengte van het net 50 à 60 cm, Onder de micro-biotopen worden keien en macrophyten met de hand verwijderd en in het net gespoeld. Een net van het type «Surber» (oppervlakte 1/20m2) mag alleen gebruikt worden als aan de voorwaarden van het gebruik ervan wordt voldaan. Op de fiche met «notes de terrain» wordt ook het protocol van vaststellingen bepaald en uit te voeren handelingen tijdens het monsternemen. Ze wordt aangevuld door de operator aan het meetpunt. De aanvullende gegevens gaan over de hydromorfologie van de waterloop (stroming, diepte, oevers, substraten...), zichtbare vervuiling, plantengroei, fysicochemische basismetingen (opgeloste zuurstof, ph, geleiding, temperatuur...) worden op de fiche vermeld om de gegevens te kunnen interpreteren en de evaluatie van de site naar ecologisch niveau te kunnen uitbreiden. Dit protocol van monsternemen kan echter alleen strikt toegepast worden in lotische waterlopen (aanwezigheid van stroming), die ondiep zijn, wat de strikte toepassing van de metingen volgens IBGN-normen beperkt tot dit type milieus en veel waterlopen in Laag- België uitsluit.» Referentie: Evaluation biologique de la qualité des cours d eau : Monique Everaerts-Poll et Jean Vanden Bossche, Centre Technique et Pédagogique de l enseignement de la Communauté Française, Route de Bavay, 70 B-7080 Frameries. Opmerking: in tegenstelling tot de waterlopen bestaat er voor wateroppervlakten (vijvers, poelen, meren) geen genormaliseerde index
Wat wij in praktijk hebben gedaan in het laboratorium: In het Musée de Zoologie en in de Labobus hebben we de stalen uit de verschillende milieus onderzocht. Bron Beek +/- stagnerend water Water dat er schoon uitziet Jardin Massart (Oudergem) Woluwe (Sint- Lambrechts-Woluwe) Vijver van het reservaat Vogelzang (Anderlecht) Water dat menselijke Activiteit ondergaat Sint-Anna (Laken) Vogelzangbeek (Anderlecht) Hain (Braine l Alleud) Kanaal van Willebroek (haven van Brussel) o De bron in de Jardin Massart is kalkhoudend, wij hebben de kalkneerslag op de halmen kunnen vaststellen. Ze ligt naast een druk bereden weg.. o De Woluwe is een rivier waarvan onlangs een groot deelweer helemaal aangelegd werd en die lang als riool diende. Nu het water gescheiden is van dat van de riolen ziet het water er weer veel schoner uit. Ze ligt naast een druk bereden weg. o De vijver van het reservaat de Vogelzang is een kunstmatige vijver die deel moest uitmaken van een park. Dit project werd niet verder uitgewerkt en u is de site een natuurreservaat. De vijver kent geen directe vervuiling. o De Sint-Anna bron is een oude fontein van drinkbaar water maar de tegenwoordige vervuiling van de Brusselse grondlaag onder dit deel van de stad maakt ze onbruikbaar voor consumptie als drinkwater. Het water van de bron loopt in een klein stenen bassin. o De Vogelzangbeek en de Hain zijn twee beken waarvan de buurtbewoners gebruik maken om er water in te lozen. Ze zijn dus vrij sterk vervuild omdat de druk van de bevolking te groot is opdat de beken zichzelf zouden kunnen zuiveren zoals dat vroeger het geval was. o Het kanaal van Willebroek is vervuild door de afvloeiing van regenwater en door de vervuilende menselijke activiteiten rond de Haven van Brussel. Wij hebben geen BBI of IBGN toegepast op allle sites omdat die uitsluitend in ondiepe beken kunnen worden toegepast. Wij zullen ze nochtans toepassen eind april wanneer alle waterinsecten (larven) uit hun winterslaap zijn gekomen in de Woluwe, de Hain en de Vogelzangbeek. Door de stalen die we in de winter hebben genomen (december, januari en februari) konden we trainen in het nemen van stalen en ze dienden als voorbereiding voornamelijk om de dichotomische sleutels te leren begrijpen en gebruiken bij het bepalen van de ongewervelde waterdieren. Te beginnen eind van de maand april gaan wij dus elk van de milieus volledig analyseren.
Een aantal invertebraten die wij tijdens ons onderzoek ontmoet hebben: Probeer te bepalen om welke het hieronder gaat:
Ziehier de oplssingen: Lichaam: groot aantal segmenten Kop: weinig duidelijk Segmenten voorzien van haartjes Uitzicht van een regenworm Geen zuignap aan de uiteinden Oligochaeta Het gaat om de tubifex waarvan het lichaam geringd is en rood gekleurd door hemoglobine 3 paar poten Kop: 1 paar antennes Insect insect met vleugels 1 paar samengestelde ogen voorste vleugels slechts gechtiniseerd aan de basis Wantsen het gaat om de shcaatsenrijder Lichaam: klein aantal segmenten Tweevleugelig insect duidelijke en verharde kop aan de achterkant meer dan 6 segmenten kop zonder waaiervormige haartjes geen ademhalingssipho pseudopoda aan de uiteinden Chironomidae Organisme met schelp Schelp in 1 stuk Slakken (klasse) geen operculum Longslakke (Pulmonata) (subklasse) platte schelp, windingen op 1 enkel vlak Planorbidae (familie) Meer dan 3 paar poten Kop: 2 paar antennes Schaaldier geen schaal op de thorax 7 paar looppoten rug en borstzijde afgeplat Asselidae (familie) Lichaam: klein aantal segmenten Tweevleugelig insect duidelijke en verharde kop aan de achterkant meer dan 6 segmenten kop zonder waaiervormige haartjes larve met luchtademhaling ademhalingssipho Culicidae Niet-gesegmenteerd lichaam Rug- en borstzijde afgeplat Plathelminthe 3 paar poten Kop: 1 paar antennes Insect insect zonder vleugelkoker enkelvoudige ogen 3 volledig verharde segmenten Trichoptera Hydropsychidae Organisme met schelp Schelp in 1 stuk Gasteropoda (klasse) aanwezigheid van een hoornachtige plaat : het operculum Voorkieuwigen (Prosobranchia) Lichaam: groot aantal segmenten Kop: weinig duidelijk Zuignapjes aan de 2 uiteinden Bloedzuiger Meer dan 3 paar poten Kop: 2 paar antennes Schaaldier geen schaal op de thorax meer dan 5 paar poten zijdelings afgeplat lichaam Gammaridae (familie) 3 paar poten Kop: 1 paar antennes Insect insect met vleugelkoker samengestelde ogen eendagsvlieg Wij hebben ook larven gezien van Odonata.
2. De BVO5 Verbruikte zuurstof (mg/l) Tijd (dagen) St-Anna bron Kanaal van Brussel Bron Jardin Massart Hain (bijrivier van de Zenne) Het schoonste water : Het zal niet verwonderen dat het om de bronnen gaat: er zijn weinig organische stoffen aanwezig en de micro-organismen verbruiken dus weinig O 2 omdat hun aantal beperkt is door de kleine hoeveelheid te oxideren stoffen. Het meest vervuilde water : Hier gaat het natuurlijk om het kanaal en de Hain. Het verbruik van O 2 is sneller in de Hain,dit kan verklaard worden door het feit dat dit riviertje nog steeds gebruik wordt als een open riool wat niet meer het geval is met het kanaal. Het probleem met deze methode : De manier van stalen te nemen is niet gestandaardiseerd. De resultaten van de metingen zullen verschillen in functie van de genomen stalen: wanneer er neerslag of stoffen in suspensie tussen zitten bij de analyse zullen de micro-organismen meer O 2. Omgekeerd, wanneer het staal geen neerslag of stoffen in suspensie bevat, oxideren de micro-organismen ze niet en verbruiken dus minder O 2. Zelf als deze methode wettelijk verplicht is, ze is niet betrouwbaar