Blended Learning: Het beste van twee werelden voor maximaal succes



Vergelijkbare documenten
Advies over de definitie van werkstudenten in het hoger onderwijs naar aanleiding van de conceptnota hbo5

Een bachelor- of masterdiploma behalen

Ontwikkelingen in het hoger onderwijs

Een bachelor- of masterdiploma behalen

HET BRUSSELS GEWEST ONDERTEKENT DE EERSTE INSCHAKELINGSCONTRACTEN!

Kan de minister voor de studierichting Bachelor in de Verpleegkunde volgende vragen beantwoorden.

Master of science in de bedrijfskunde. Informatiesessie 1 oktober 2018

Voor wie is het leerkrediet (en dus deze folder)?

Het federaal normatief kader van de controle van de beschikbaarheid, uitgeoefend door de gewesten

26 maart Algemene regels

Sjabloon aanvraag voor het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- en/of masteropleiding

Studeren in het hoger onderwijs in Vlaanderen

Financiering van het Hoger Onderwijs in Vlaanderen

Status Vertrouwelijk Werkdocument Finaal document

Master of science in de Bedrijfskunde. Informatiesessie 22 april 2018

Tewerkstellingssteun in het Brussels Gewest: Vanaf 1 oktober belangrijke wijzigingen voor tienduizenden werkzoekenden!

Brussel, 18 februari _Advies_studiefinanciering_HO. Advies. Studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs

Contracttypes. Infofiche 1. WAT VOORAF GING

R A P P O R T Nr RAPPORT BETREFFENDE HET TIJDSKREDIET - JAARLIJKSE EVALUATIE

Wat is de weerslag van tijdskrediet op mijn pensioen? Welke regels gelden voor tijdskrediet? Bijvoorbeeld: Je zit in halftijds tijdskrediet vanaf je

Vlaamse aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalige onderwijs

VLAAMS PARLEMENT VOORSTEL VAN DECREET. van de heer Marc Olivier c.s. houdende invoering van een recht op opleiding voor structureel werklozen

Rapport alumni-enquête 2016 Vrije Universiteit Brussel

Opleidings- en begeleidingscheques

De hervorming van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

VLIR-ADVIES BETREFFENDE DE STUDIEGELDEN VOOR DIPLOMA- EN CREDITCONTRACTEN VOOR HET ACADEMIEJAAR

expertise binnen handbereik Ouderschapsverlof Opname Voorwaarde in hoofde van het kind Anciënniteit

Aanmoedigingspremies Tijdskrediet

??! Bij wie kun je terecht? Aan de slag. Take a break?

FAQ Frequently Asked Questions Master na master Notariaat

expertise binnen handbereik Ouderschapsverlof Opname Voorwaarde in hoofde van het kind Anciënniteit Juridische dienst

adviesnota de doelstelling m.b.t. de hogeronderwijsmobiliteit

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding)

VLAAMSE RAAD VOORSTEL VAN DECREET. - van de heer G. Moens C.S. - houdende erkenning van het Postuniversitair Centrum Limburg TOELICHTING

Studiegelden : raad van bestuur B1565/165/

Opleidings- en begeleidingscheques

Belg wil stoppen met werken op 62 jaar

communicatiemanagement

Studiefinanciering van de Vlaamse overheid?

Ouderschapsverlof Rev Juridische dienst

Master of science in de bedrijfskunde. Onthaal

Advies over studiegelden voor studenten die minder dan 27 studiepunten opnemen

A D V I E S Nr Zitting van dinsdag 24 april

Informatiebrochure. Verkorte opleiding: Professionele Bachelor in de Verpleegkunde (Brugopleiding)

afgestudeerd? wat nu?!

BASISONDERWIJS Leerlingen. HOGER ONDERWIJS Studenten. A Hoger beroepsonderwijs. B Hogescholen/universiteiten

Bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs. Studieomvangvermindering Werkstudenten Voor een diploma bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs

DOORSTUDEREN NA HET HBO

VERPLEEGKUNDE, IETS VOOR JOU? OPSTAP NAAR VERPLEEGKUNDE

Het nieuwe Vlaamse doelgroepenbeleid vanaf 1 juli 2016

Leerkrediet

Wijziging van de reglementering van het tijdskrediet

A D V I E S Nr Zitting van maandag 27 april

Werken en studeren Toegepaste Informatica

Vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan: beperking van de jobs die in aanmerking komen als vervanger

ZORGKUNDIGE, IETS VOOR JOU? OPSTAP NAAR ZORGKUNDIGE

I B O. Een werknemer op maat gemaakt. 1. IBO = training-on-the-job. IBO = 'werkplekleren' IBO = 'een werknemer op maat'

Handleiding onderwijsvisitaties VLIR-VLHORA tabellen

Specifieke leraren - opleiding economie

Studeren na het HBO. stand van zaken Informatie van het Avans Studentendecanaat

Nadere regels Re-integratieverordening 2015

AFGESTUDEERD? WAT NU?!

Advies over de decreetwijziging betreffende de Regionale Technologische Centra (RTC)

Werkloosheidsuitkeringen

Een meer gelijke verdeling van beroepsarbeid en beroepsinkomen tussen mannen en vrouwen in Vlaanderen, maar...

Infoblad - werknemers

Verder studer e n. Zoek de zeven verschillen: bachelor en master

Advies over een vereenvoudigd studiegeldenmechanisme

Leerkrediet

Gemeenschappelijke Raadszitting van 29 januari

Tewerkstellingssteun in het Brussels Gewest: 255 miljoen euro voor de Brusselaars

Handleiding onderwijsvisitaties VLIR-VLHORA tabellen

Studeren na het HBO. stand van zaken Informatie van het Avans Studentendecanaat

Wijziging van de reglementering van het tijdskrediet

Vlaams Parlement - Vragen en Antwoorden - Nr.8 - Mei

De focus ligt in beide Gewesten op 3 doelgroepen, namelijk de jongeren, de ouderen en de personen met een arbeidsbeperking.

Vlaamse aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

Bijzondere beroepstitel:


NIEUWSBRIEF JANUARI 2010

RESULTATEN VAN DE ENQUETE NAAR MENINGEN VAN VLAAMSE STUDENTEN OVER HET STUDEREN AAN DE OPEN UNIVERSITEIT - SEPTEMBER

DOORSTUDEREN NA HET HBO

Betreft: Recht op kinderbijslag voor uw zoon/dochter XXXX - School-/academiejaar en later

VERKORTE TRAJECTEN extra ONDERWIJSVAK (SECUNDAIR ONDERWIJS)

FAQ s sociale maribel

DOORSTUDEREN NA HET HBO

Standpunt. Inclusief ondersteuningsmodel. Zie kader hieronder

FOD WASO Voorzitter van het Paritair Comité 337 Ernest Blerotstraat, BRUSSEL I. ORGANISATOR VAN DE OPLEIDING. Voorwaarden

Arbeidsmarkt personen met een arbeidshandicap

ANTWOORD. Vraag nr. 483 van 5 april 2012 van GOEDELE VERMEIREN

SCHAKELPROGRAMMA S UHASSELT

in Vlaams-Brabant en Brussel ( ) Het hoger beroepsonderwijs van het volwassenenonderwijs

«Bestaat er een verband tussen de leeftijd van de werkloze en de werkloosheidsduur?» (1 ste deel)

studiebeurs Voorwaarden voor het secundair onderwijs

BANABA INTENSIEVE ZORGEN EN SPOEDGEVALLENZORG

Hoofdstuk 2. Recht op tijdskrediet

Trefdag Arbeidsbemiddelaars 21/10/2011. Vele wegen leiden naar Verpleegkunde

Advies. Uitbouw hoger beroepsonderwijs. Brussel, 23 mei 2016

Transcriptie:

Blended Learning: Het beste van twee werelden voor maximaal succes 1. Beleidscontext De regeringsverklaring van de nieuwe Vlaamse regering stelt: elke Vlaming moet een lerende Vlaming zijn. Het document geeft aan dat iedereen de kans moet krijgen om levenslang te leren, en dat eventuele drempels die de toegang tot levenslang leren bemoeilijken, worden weggenomen. Specifiek voor het hoger onderwijs staat vermeld dat de geleverde inspanningen versterkt en voortgezet worden om de participatiegraad te verhogen en meer jongeren uit kansengroepen en sommige regio s te laten doorstromen naar het hoger onderwijs. De Vlaamse regering geeft aan werk te maken van een betere toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De Vlaamse universiteiten hebben voeling met de visie en de doelen die uit de regeringsverklaring spreken. Zeker in deze tijden van economische recessie, zijn de universiteiten zich bijzonder bewust van het belang van de band tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Alle universiteiten zetten zich dan ook in voor werkstudenten, tegelijkertijd in het kader van levenslang leren aansluitend bij de noden van een kenniseconomie, en in het kader van de verdere democratisering van het hoger onderwijs. In het kader van de verdere democratisering van het hoger onderwijs, levert het voorzien in de mogelijkheid om universitaire studies te combineren met arbeid en gezin een belangrijke bijdrage. Een volwaardige tweede kans verdienen mensen die om uiteenlopende redenen, vaak verbonden met socio-culturele of economische achterstelling, een universitaire studie hebben gemist in het klassieke opportuniteitsraam na het secundair onderwijs. Dat voorzieningen voor levenslangleren in het universitair onderwijs deze kans kunnen bieden, blijkt uit het feit dat reeds de huidige werkstudenten significant meer uit lagere socioeconomische middens komen dan de dagstudenten. De maatschappij verdient het om ook van hun optimaal ontwikkelde talenten te kunnen profiteren. Tegelijkertijd is het voor een kenniseconomie van groot belang dat alle beroepsactieven zich op universitair niveau kunnen scholen. Om de snelle technologische en maatschappelijke evoluties niet enkel te volgen, maar op een dynamische en innovatieve manier mee vorm te geven, moeten ook kenniswerkers toegang hebben tot studies op niveau gedurende hun beroepsloopbaan. Een kenniseconomie heeft ervaren hoogopgeleiden nodig die op een reflectieve en wetenschappelijk onderbouwde wijze hun kennis uitbreiden en herzien, en zo hun maatschappelijke bijdrage verrijken. Levenslangleren kan daarom niet enkel een taak zijn voor de VDAB en andere rechtstreeks op beroepen gerichte opleidingsverstekkers, maar ook voor de universiteiten. 2. Huidig aanbod Voor personen tijdens hun beroepsloopbaan staan, naast permanente vorming, in principe drie wegen open om zich op universitair niveau te scholen. Men kan kiezen voor een werkstudenttraject, de Open Universiteit of men kan ervoor kiezen zich in te schrijven in een regulier traject. Elk van deze opties hebben specifieke voor- en nadelen. Hoewel betreurd wordt dat er geen onderzoek bestaat naar waarom iemand kiest voor de Open Universiteit dan Blended learning: tweede versie beleidsnota 1

wel voor een werkstudenttraject of standaardtraject, of ervan afziet verder te studeren, hebben de instellingen indicaties voor door kandidaat-studenten gepercipieerde plus- en minpunten. De sterke punten van de aanpak van Open Universiteit zitten vervat in het zeer hoogstaand studiemateriaal, de grote flexibiliteit in studeerritme en de beperkte verplaatsingsverplichtingen. De begeleiding op afroep en op afstand is ook een sterk punt. Maar de Open Universiteit biedt veel kandidaat-studenten geen oplossing wegens te duur, het niet beschikbaar zijn van de gewenste opleiding en het gebrek aan sociale context inherent aan afstandsonderwijs. Bovendien blijft een diploma van de Open Universiteit een buitenlands diploma, wat het voor sommigen minder aantrekkelijk maakt. Een deel van de aantrekkingskracht van het studeren aan een Vlaamse universiteit ligt dan ook in het feit dat alle studenten hetzelfde, bij werkgevers welbekende, diploma krijgen. In werkstudenttrajecten is er, door het grotere aandeel contactonderwijs dan bij de Open Universiteit, mogelijk een sterkere betrokkenheid van de student bij de opleiding. Live contacten met academisch personeel en medestudenten zijn verrijkend en stimulerend. Het feit dat studenten zich daarvoor op welbepaalde momenten moeten vrijmaken en verplaatsen is tegelijk ook een moeilijk punt. Een werkstudenttraject bepaalt ook een zeker studieritme om het voordeel van de sociale studiegroep te ondersteunen. Werkstudententrajecten zijn gebonden aan het normale ritme van het academiejaar. Hierdoor blijft er steeds een sterke concentratie van de studie-inspanningen op bepaalde beperkte periodes die niet steeds aangepast zijn aan het werkritme van de betrokken studenten. Werkstudentenprogramma s zijn populair, en toch volgen nogal wat werkstudenten het dagaanbod. Werkstudententrajecten bestaan immers niet in alle domeinen, omdat het organiseren ervan grote inspanningen van een universiteit vergt. Een groot voordeel van het aanbod aan reguliere trajecten is inderdaad dat het uitgebreid is, en ook dat het het bekende diploma van dat reguliere traject oplevert. Reguliere trajecten bieden ook een duidelijke sociale groep, maar het reguliere studieritme is meestal niet geschikt voor werkstudenten. Bovendien vormen de veelvuldige contactmomenten overdag voor velen een probleem. In sommige gevallen, waar actieve participatie op een contactmoment overdag steeds nodig is, vormen ze een finaal struikelblok. 3. Stimulansen voor universitair levenslangleren? 3.1. Stimulansen voor Vlaamse universiteiten om de combinatie arbeid en studie mogelijk te maken? De Vlaamse universiteiten leveren inspanningen om aan de maatschappelijke vraag naar bachelor- en masteropleidingen buiten het reguliere dagonderwijs tegemoet te komen. Het opzetten van opleidingen specifiek voor werkstudenten betekent voor de universiteiten een de facto quasi ontdubbeling van de opleidingen omdat er naast de gewone daglessen bijzondere avond- en zaterdaglessen geprogrammeerd worden. Ook het studiemateriaal voor de werkstudenten moet aan extra eisen voldoen, naast het weliswaar globaal groeiend gebruik van digitale leermiddelen en bibliotheken. Deze inspanningen wegen zo zwaar dat sommige opleidingen de inspanningen voor werkstudenten stoppen ondanks de grote maatschappelijke vraag. Nochtans is in het Financieringsdecreet een expliciete stimulans opgenomen tot het aantrekken van werkstudenten. De financiering van de Vlaamse universiteiten is geregeld Blended learning: tweede versie beleidsnota 2

door het Financieringsdecreet van 14/03/2008. Het Departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap publiceert op haar website rekenbladen met de uitwerking van de regels en de raming van de subsidies (www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/beleid/financiering). Het Financieringsdecreet legt drie voorwaarden op om in aanmerking te komen voor een financieringsbonus voor werkstudenten (artikel 2 sub 22 ). De student: 1. moet in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk; 2. is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma; 3. is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hoger Onderwijsregister. Voor het academiejaar 2008-2009 werden studietrajecten in schakel- of voorbereidingsprogramma s op grond van de derde voorwaarde nog uitgesloten. Dat zou vanaf 2009-2010 veranderen. Aantal werkstudenten die voldoen aan de normen uit het financieringsdecreet Volledig aantal Universiteit Antwerpen 266 1 (3,1 %) Katholieke Universiteit Leuven 136 (0.55%) Universiteit Hasselt 8 (0.34%) Universiteit Gent 232 (0.9%) Vrije Universiteit Brussel 306 (3.42%) 8.623 24.924 2.387 26.381 8937 studenten Overzicht van het aantal studenten in de bachelor- en masteropleidingen aan de Vlaamse universiteiten, academiejaar 2008-2009. Het in de tabel getoonde aantal werkstudenten is een onderschatting van het reële aantal werkstudenten. Een telling van alle werkstudenten die voldoen aan de tweede voorwaarde (geen masterdiploma) maar nog niet aan de derde voorwaarde (specifiek studietraject) leidt in sommige instellingen tot meer dan een verdubbeling van het aantal. Een andere indicatie dat het werkelijke aantal werkstudenten de aantallen die voldoen aan de decretale normen ruim overschrijdt, is te vinden in het feit dat bv aan de Universiteit Gent het aantal studenten die op basis van de moeilijke combinatie tussen werk en studie een bijzonder statuut gekregen hebben meer dan een derde groter is. Dit geldt ook voor de VUB, met een aantal werkstudenten 100% à 150% groter dan het aantal dat aan de criteria voldoet. Uit cijfers blijkt ook dat werkstudenten gemiddeld een van omvang kleiner studieprogramma opnemen dan hun niet-werkende collega s. De vraag mag gesteld worden waarom universiteiten het statuut van werkstudent moeten bewijzen. Dit blijkt een onnodige administratieve last omdat de overheid alle daartoe benodigde informatie bezit. 1 In dit eerste registratiejaar werd aan de Universiteit Antwerpen het statuut van werkstudent bepaald op basis van een verklaring op woord van eer inzake zijn of haar professionele situatie (tewerkgesteld of werkzoekend). De vermelde cijfers moeten daarom met enig voorbehoud bekeken worden. Blended learning: tweede versie beleidsnota 3

Voortgaande op deze preliminaire bevindingen wordt het aantal door werkstudenten opgenomen studiepunten dat op korte termijn voor een financieringsbonus in rekening kan worden gebracht, geschat op ruwweg 3% van het totaal aantal opgenomen studiepunten. Voor deze nota wordt de scope beperkt tot de financiering van wat in het Financieringsdecreet het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun) wordt genoemd. Dit deel omvat ruwweg 50% van de totale financiering (eerste geldstroom) van de universiteiten. Het andere deel betreft financiering op basis van onderzoeksindicatoren en een zogenaamde onderwijssokkel op basis van het aantal opgenomen studiepunten. Volgens de op de hoger vermelde website gepubliceerde ramingen, versie juni 2009, bedraagt de financiering per financieringspunt 53,38 euro. Een financieringspunt is, eenvoudig gesteld, een gewogen studiepunt. Het gewicht van de studiepunten wordt bepaald door twee factoren: - het puntengewicht van het studiegebied waarin de gevolgde opleiding is geklasseerd; deze factor heeft een waarde tussen 1 (humane wetenschappen) en 4,2 (tandheelkunde); - een factor 1,5 als het betrokken opleidingsonderdeel gevolgd is door een beursstudent, een student met een functiebeperking of een werkstudent. Een voor deze nota laatste essentieel onderdeel van het financieringsmechanisme is dat het vertrekt van het aantal opgenomen studiepunten (input) wanneer het beginnende studenten betreft, van het aantal verworven studiepunten (output) in het geval van studenten die al een eindje gevorderd zijn in hun opleiding (ze moeten ten minste 60 studiepunten hebben verworven, dit is het equivalent van één studiejaar) en van het aantal uitgereikte diploma s. De financiering van de instellingen hangt dus mee af van de prestaties van hun gevorderde studenten. Een gevorderd student die niet slaagt in een opleidingsonderdeel heeft de studiepunten wel opgenomen maar niet verworven. De instelling zal voor die studiepunten dan geen subsidies krijgen. Teneinde een niet al te ingewikkelde maar toch relevante vergelijking te kunnen maken met de subsidiëring van de Vlaamse Open Universiteit -studiecentra worden volgende benaderingen gemaakt: - De studiepunten worden alle gewogen met een factor 1 als puntengewicht van het studiegebied. De door de Open Universiteit aangeboden opleidingen situeren zich immers overwegend in de humane wetenschappen. Uitzondering vormen de opleidingen Informatica en Milieuwetenschappen die in het Vlaams financieringssysteem een factor 2 (bachelor) of 3 (master) als gewicht zouden krijgen. Gezien het relatief kleine percentage studenten in deze opleidingen (19,46 %) leidt die benadering tot een beperkte onderschatting van de financiering. - Tussen opgenomen en verworven studiepunten wordt geen onderscheid gemaakt. Elk studiepunt waarvoor een student zich inschrijft wordt meegeteld. Deze benadering leidt tot een overschatting van de financiering. Niet elke gevorderde student slaagt immers voor elk door hem of haar gevolgd opleidingsonderdeel. De overschatting is vermoedelijk veeleer beperkt voor de gewone, niet-werkende gevorderde studenten omdat ze doorgaans vlot slagen. Voor werkstudenten aan de universiteit kan deze benadering wel een grote vertekening inhouden. Vele werkstudenten hebben immers al een opleiding in het hoger onderwijs achter de rug, waardoor zij vrijstellingen kunnen verkrijgen of zich meteen kunnen inschrijven in een schakel-, voorbereidings- of masterprogramma. Op die Blended learning: tweede versie beleidsnota 4

werkstudenten is de financiering op basis van de verworven studiepunten van toepassing (output). Daar vele van die werkstudenten hun eerste ervaringen met universitair onderwijs opdoen, is er een groter risico op mislukken. Daartegenover staat dat de grote meerderheid van de studenten aan de Open Universiteit volgens de criteria van het Financieringsdecreet als beginnend student kan gelabeld worden (zie ook par. 1.3). Zij zouden dus gefinancierd worden op basis van de opgenomen studiepunten (input). - Ten slotte wordt geen gewichtsfactor 1,5 toegepast voor werkstudenten. Pas in het academiejaar 2008-2009 is men begonnen met een formele registratie van de werkstudenten, zodat enig gevolg in de financiering pas binnen enkele jaren zichtbaar zal worden. Het financieringsmechanisme van een begrotingsjaar t is immers gebaseerd op de gemiddelden van de academiejaren t-7/t-6 tot t-3/t-2. Een in dit verband bijkomend problematisch punt is de bepaling in artikel 22 van het Financieringsdecreet dat de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beursstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking afgetopt worden op 10% van het totaal (VOWun). Voor de begroting van 2010 genereren alleen de beursstudenten al 7,72 % van die middelen. In de praktijk dreigt daardoor binnen enkele jaren de effectieve financieringsbonus voor werkstudenten (en de andere vermelde categorieën) ver onder de 50 % te zullen liggen. Bij dit alles moet bovendien vermeld worden dat het financieringsmechanisme in essentie middelen verdeelt uit een gesloten enveloppe 2. Dat betekent dat wanneer alle instellingen voor ten minste 10% van het totaal (VOWun) aanspraak maken op een financieringsbonus, het netto-effect voor de inkomsten uitgedrukt in reële euro s, nul is. Conclusie: nauwelijks of niet De cruciale conclusie is dat de Vlaamse overheid de inspanningen van de universiteiten voor werkstudenten nu weinig of niet financieel beloont. Het financieringsdecreet voorziet een stimulans in een vorm die in de praktijk geen stimulans blijkt te zijn. De extra middelen voor werkstudenten worden samen met de extra middelen voor beursstudenten en studenten met functiebeperkingen geteld, en afgetopt op 10 percent van de enveloppe. Alle instellingen halen met beursstudenten alleen al bijna de 10 percent. De Vlaamse universiteiten moeten dus beslissen hoeveel extra inspanningen te investeren die geen extra middelen genereren. Bovendien worden ze dan verplicht tot het verrichten van administratieve controles die onnodig zijn omdat de overheid over alle informatie beschikt. Het huidige aanbod is aantrekkelijk, maar gezien het gebrek aan stimulansen weinig geneigd dynamisch te evolueren. Het zou misschien zelfs kunnen verschralen. 3.2. Stimulansen voor de Open Universiteit in Vlaanderen? De Open Universiteit bouwde een uitgebreid netwerk van Vlaamse studiecentra Open Hoger Onderwijs aan de Vlaamse universiteiten uit. Een studiecentrum wordt georganiseerd door een Vlaamse universiteit, die daarvoor financiering door de Vlaamse overheid ontvangt. De financiering van de zes Vlaamse studiecentra Open Hoger Onderwijs door de Vlaamse overheid is geregeld in het Financieringsdecreet van 14/03/2008, artikel 42 bis. De Vlaamse overheid subsidieerde de studiecentra in 2008 voor een totaal bedrag van 619.605,32 euro. Dit bedrag wordt verdeeld over de studiecentra via volgende verdeelsleutel: - 7.500 euro forfaitair (tot in 2007 was dit 12.394,68 euro) 2 Artikel 10 van het Financieringsdecreet voorziet wel in een kliksysteem waardoor de totale hoeveelheid middelen (VOW) kan toe- of afnemen naargelang het aantal opgenomen studiepunten stijgt respectievelijk daalt. Blended learning: tweede versie beleidsnota 5

- de rest naar gelang van het percentage inschrijvingen De verdeling van de subsidies over de studiecentra was voor de afgelopen jaren daardoor als volgt: - Antwerpen: 30,37 % - Brussel: 3,34 % - Diepenbeek: 17,01 % - Gent: 31,12 % - Kortrijk: 7,48 % - Leuven: 10,61 % Teruggekoppeld naar het aantal inschrijvingen betekent dit dat de Vlaamse overheid in 2008 per module een subsidie toekende van 127,86 euro of van 1.790,04 euro per jaarprogramma van 60 studiepunten (= 14 modules). Een student aan de Open Universiteit betaalt zelf minimaal 223 euro per module. Omgerekend naar 60 studiepunten is dat 3122,00 euro. 3 Dat bedrag vloeit rechtstreeks naar de Nederlandse Open Universiteit. Conclusie: nauwelijks of niet Onderstaande tabel vat het resultaat van de financiële analyse in de voorafgaande paragrafen samen. Gegeven de in paragraaf 3.1 beschreven benaderingen en bedenkingen wordt het aantal financieringspunten voor de Vlaamse universiteiten gelijkgesteld aan het aantal opgenomen studiepunten. Voor een studieprogramma van 60 studiepunten wordt de financiering aldus geraamd op 3202,80 euro. Bedragen in euro Open Universiteit Vlaamse universiteit Studiegeld dat student betaalt voor 60 studiepunten (miv studiemateriaal) 3.122,00 (64 %) 567,80 studiegeld + ongeveer 500 euro studiemateriaal (25%) Vlaamse subsidies per 60 studiepunten Totaal Vlaanderen 1.790,03 (36 %) 4.912,03 (100 %) 3.202,80 (75%) 4270,60 (100 %) Uit de vergelijkende tabel blijkt dat de Open Universiteit duur is voor de student, maar goedkoop voor de Vlaamse regering. Daar waar de doorsnee Vlaamse student 25 % van de totale financiering voor zijn rekening neemt en 75 % door de overheid wordt betaald, betaalt de OU-student 64 % van het totale bedrag en de Vlaamse overheid 36 %. Studeren aan de Open Universiteit wordt door de Vlaamse overheid dus weinig gestimuleerd. Het budget voor de Vlaamse studiecentra van de Open Universiteit is al jaren niet bijgesteld. De universiteiten krijgen voor hun inspanningen voor de Open Universiteitsstudenten een al jaren nietgeïndexeerd en te klein budget. 3 Studenten met een laag inkomen wel hebben recht op een korting op het inschrijvingsgeld. Een nettojaarinkomen van 19.000 euro geeft recht op 50 % korting, een netto-jaarinkomen van 9.000 euro geeft recht op een korting van 80 %. De minderopbrengst van de inschrijvingsgelden vanwege de korting is geheel ten laste van Nederland. Blended learning: tweede versie beleidsnota 6

3.3. Stimulansen voor beroepsactieven om een universitaire studie op te nemen? Als de overheid het levenslang leren wil bevorderen, lijkt het vanzelfsprekend dat er niet alleen faciliteiten moeten komen om het studeren als werkende te flexibiliseren. Ook het werken als studerende moet flexibeler worden. 3.3.1. Betaald educatief verlof De federale regeling rond Betaald Educatief Verlof (BEV) geeft werknemers uit de privésector een beperkt recht om opleidingen te volgen in functie van hun beroepsperspectieven en capaciteiten, met loonbehoud. Als de opleiding niet wordt gevolgd tijdens de werkuren, wordt de geïnvesteerde tijd beperkt gecompenseerd in verlofdagen. De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg vergoedt de werkgever forfaitair voor de toegekende verlofdagen. Het systeem is populair zodat de voorziene middelen steevast overbevraagd worden. Enkel erkende opleidingen komen in aanmerking voor deze regeling. Er zijn slechts een paar academische opleidingen erkend voor BEV. Een universitaire opleiding is immers niet een specifieke beroepsopleiding, zodat paritaire comités er geen erkenning voor vragen. Verder zijn de meeste universitaire opleidingen overdag geprogrammeerd en in grote trekken worden slechts avond- en weekendopleidingen automatisch erkend. Ook de specifieke lerarenopleiding en postacademische vorming komen niet in aanmerking. Studenten met een examencontract daarentegen krijgen automatisch voor alle opleidingen (ook degene die niet erkend zijn) het maximum aantal uren verlof indien ze voltijds werken. 3.3.2. Opleidingsverlof Het opleidingsverlof is bedoeld voor ambtenaren van de centrale en lokale overheden. Zij kunnen opleidingsverlof of dienstvrijstelling aanvragen. Meestal gaat het hier om een verlof van maximum 120 uur per academiejaar, wat voor een universitaire opleiding slechts een beperkte compensatie van de geïnvesteerde tijd betekent. Het opleidingsverlof kan enkel worden toegekend na positief advies van het betrokken diensthoofd. Opleidingen moeten onmiddellijk verband houden met de uitgeoefende functie. Bovendien blijft de toekenning van het verlof een gunst en geen recht. 3.3.3. Opleidingscheques Met opleidingscheques kan een opleiding of competentiemeting betaald worden. Voor opleidingscheques moet de opleiding verstrekt worden door een instelling die erkend wordt in Vlaanderen, bijdragen tot de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en niet in opdracht van de werkgever gevolgd worden. Alle universiteiten zijn erkende instellingen, en de meeste universitaire opleidingen voldoen aan de voorwaarden. 3.3.4. Tijdskrediet voor opleidingen Tijdskrediet biedt de mogelijkheid om tijdelijk de beroepsloopbaan volledig of gedeeltelijk (halftijds of voor 1/5) te onderbreken. Tijdens de periode waarin het tijdskrediet opgenomen wordt, geniet men een uitkering die maandelijks wordt betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA). Als iemand tijdskrediet opneemt om een opleiding te volgen, kan die uitkering aangevuld worden met een aanmoedigingspremie van de Vlaamse Regering. Universitaire opleidingen komen in aanmerking voor deze aanmoedigingspremie. Slechts personen die hun loopbaan minstens halftijds onderbreken, komen in aanmerking voor de aanmoedigingspremie. Deze premie kan hoogstens 2.5 jaar toegekend worden, en is laag in vergelijking met halftijds loonverlies. Tijdskrediet geldt slechts voor werknemers in de privésector en in bepaalde gevallen, de autonome gesubsidieerde overheidssector. De meeste ambtenaren komen niet in aanmerking voor het tijdskrediet. De normale maximum tijd van Blended learning: tweede versie beleidsnota 7

tijdskrediet bedraagt één jaar. Dat is onvoldoende om een academische opleiding te volgen. In sommige gevallen kan het tijdskrediet verlengd worden, maar dat moet gebeuren in een cao of arbeidsovereenkomst. De sociale partners zijn over het algemeen niet erg geïnteresseerd in langdurige academische opleidingen. 3.3.5. Opleiding in het kader van een KMO portefeuille (Werkgeverscheques) Recent is het systeem van de kmo-portefeuille ingesteld. Zelfstandigen en kmo's kunnen voor opleiding, kennis en advies elektronisch subsidies aanvragen en projecten betalen. Zo kunnen ze tot 50% van de opleidingskosten terugbetaald krijgen. De universiteiten komen hiervoor als opleidingsinstituut in aanmerking. Conclusie: nauwelijks of niet De Vlaamse overheid geeft wel een financiële stimulans aan studenten in de vorm van opleidingscheques die zowel voor de Open Universiteit als de Vlaamse universiteiten gebruikt kunnen worden. De federale overheid sluit enerzijds de universitaire opleidingen grotendeels uit het BEV-systeem, terwijl ze anderzijds tijdskrediet voor universitaire opleidingen in principe mogelijk maakt, maar slechts voor te beperkte termijn gezien de duur van de universitaire opleidingen. Dit geldt ook voor het opleidingsverlof en het BEV-systeem. De opgesomde maatregelen zijn losse initiatieven van diverse overheden en departementen. Men kan hier niet spreken van een geïntegreerd kader. Bovendien zijn de meeste procedures om op één of ander systeem een beroep te kunnen doen, eerder bureaucratisch en log. De universiteiten geven aan dat een geïntegreerd en flexibel stelsel een noodzaak wordt. 4. Voorstellen voor het stimuleren van universitair LevensLangLeren: nieuwe, efficiënte werkstudentenprogramma s aan de hand van Blended Learning De overheid investeert dus nauwelijks of niet in de mogelijkheden om naast het regulier dagonderwijs een universitaire bachelor- of masteropleiding te volgen. Nochtans staat in het regeerakkoord dat men levenslang leren wil uitbouwen en nieuwe doelgroepen wil aanspreken. Zoals in de inleiding aangehaald, hebben de universiteiten voeling met deze doelen. De universiteiten zijn ook bereid, mits het juiste kader, een grotere rol op te nemen. Elke universiteit zou op zich zinvolle initiatieven kunnen nemen om nieuwe trajecten voor werkstudenten te ontwikkelen, maar gezien het streven naar efficiëntie, nog extra benadrukt door de conjunctuurcrisis, wordt naar zo efficiënt mogelijke investeringen gezocht. Deze worden gezocht in efficiëntiewinst door hergebruik van materiaal, en samenwerkingen tussen de universiteiten en aanbieders van studiemateriaal. De universiteiten stellen voor om aan de hand van de slimme investering van een minimaal verhoogd budget maximale efficiëntiewinst te boeken. Naarmate universiteiten meer gebruik maken van digitaal leermateriaal vervaagt het scherpe onderscheid tussen afstandsonderwijs en contactonderwijs en komt het begrip Blended Learning in opmars. Deze vorm van leren combineert de voordelen van contactonderwijs met deze van afstandsonderwijs. Blended Learning geeft immers mogelijkheden tot live interactie met academisch personeel en medestudenten, terwijl voor een groot deel ook leerstijl en ritme van de student gerespecteerd wordt, en veel flexibiliteit geboden wordt in tijd en plaats. Bovendien suggereert onderzoek dat het combineren van verschillende leermethodes tot snellere en betere resultaten leidt. Blended Learning heeft dus duidelijke voordelen voor alle Blended learning: tweede versie beleidsnota 8

studenten. De invoering van Blended Learning kan ook de leeromgeving van bredere groepen naast werkstudenten verbeteren. Maar ook de ruimere samenleving en de betrokken universiteiten kunnen met Blended learning hun voordeel doen. Blended learning kan zowel het aantal studenten als het rendement van de ingeschreven werkstudenten verhogen. Uitgangspunt is dat door een verhoogde investering in Blended learning: - het voortijdig afhaken van werkstudenten zal verminderen - het aantal door werkstudenten behaalde diploma s zal toenemen - nieuwe doelgroepen worden aangesproken - een belangrijke bijdrage aan het gelijkekansenbeleid in het hoger onderwijs wordt geleverd - een groter aanbod aan maatschappelijk relevante opleidingen ontstaat De Vlaamse universiteiten en de Open Universiteit hebben het initiatief genomen om te onderzoeken of door nieuwe samenwerkingsvormen aan meer mensen meer mogelijkheden geboden kunnen worden om arbeid en studie te combineren. Dit initiatief is mede geïnspireerd door ontwikkelingen in het buitenland (bv. UK en Nederland) waar afspraken worden gemaakt om van de open universiteit en het afstandsleren belangrijke tools te maken in het anti-crisisbeleid. De partnerinstellingen kunnen een nauwe samenwerking aangaan om hun studenten een specifiek onderwijs- en diplomatraject aan te bieden. De concrete initiatieven gericht op Blended learning hoeven echter niet dezelfde te zijn in de verschillende instellingen. - Een belangrijke samenwerkingsmogelijkheid lijkt weggelegd voor schakel-, brug-, en voorbereidingsprogramma s. Ze vormen voor werkstudenten vaak de eerste stap naar het behalen van een universitair diploma. Nu blijken niet zo veel studenten Open Universiteit-modules als EVK in te brengen voor die programma s. Een instelling zou studenten kunnen doorverwijzen naar de Open Universiteit waar een combinatie van modules bestaat dat de student toelaat met de OU-credits en via een EVK-procedure aan een verdere opleiding te beginnen. - Een ander model is dat een Vlaamse universiteit materiaal van de Open Universiteit, of een andere aanbieder van studiemateriaal inkoopt, en integreert in de eigen opleiding. Universiteiten kunnen ook gezamenlijk studiemateriaal ontwikkelen of materiaal uit het dagonderwijs bewerken om het in Blended learning aan werkstudenten aan te bieden. - De Open Universiteit kan ook een echte partner zijn in een optie waar groepen Open Universiteits- en werktrajectstudenten samengenomen worden zodat efficiënter gewerkt kan worden. - In een joint-degree kan een combinatie gemaakt worden van opleidingsonderdelen uit de Open Universiteit en / of die van de Vlaamse universiteiten. 5. Samenvattend: het gesprek openen met concrete vragen Met deze nota wenst de VLIR het gesprek te openen rond de rol en mogelijkheden van de universiteiten in Levenslangleren. De universiteiten zijn uitermate geschikt om een belangrijke rol te vervullen in het Levenslangleren en zijn bereid hierin meer verantwoordelijkheden op te nemen. Daarvoor dient er een aangepast kader geschapen te worden. Blended learning: tweede versie beleidsnota 9

In de regeringsverklaring van de Vlaamse regering staat dat het nieuwe financieringsmechanisme van het hoger onderwijs geëvalueerd wordt en bijgestuurd, mocht blijken dat bepaalde opleidingen zich onvoldoende kunnen ontplooien. Hoewel deze nota niet pleit voor een fundamentele hervorming van het financieringsmechanisme, toont ze wel aan dat het aanbod aan opleidingen voor werkstudenten zich niet kan ontplooien naar gelang van de groeiende maatschappelijke nood. Er wordt voorgesteld om het budget dat het Financieringsdecreet nu voorziet voor de studiecentra Open Universiteit op te trekken tot 2 miljoen euro, en de bestemming te verruimen naar het stimuleren van Blended Learning. De extra middelen voor blended learning zouden naar de universiteiten gaan volgens nog nader te maken concrete afspraken over de verdeling van de middelen. Het groter budget moet het de universiteiten mogelijk maken een begin te maken van of krachtiger in te zetten op het ontwikkelen van Blended Learning. De middelen die de overheid nu ter beschikking stelt van de studiecentra Open Universiteit moeten wel op zijn minst gelijk blijven en blijven verdeeld worden op basis van de huidige criteria. Dankzij de bijkomende middelen kan elke universiteit, aansluitend met de eigen doelstellingen, een eigen strategie voor de uitbouw van Blended Learning bepalen, en samenwerkingsverbanden onderling of met de Open Universiteit uitwerken. De extra weging van werkstudenten kan in geval van een budget voor Blended Learning eventueel uit de basisfinancieringsenveloppe gehaald worden. Aangezien het belang van het kunnen combineren van arbeid en universitaire studie voor de ontwikkeling van een kenniseconomie, kunnen er zowel middelen vanuit het beleidsdomein Onderwijs als middelen vanuit het beleidsdomein Werk ingezet worden. Daarnaast zijn concrete voorstellen 4 : - Stimuleer het opzetten van efficiënte blended learning werkstudententrajecten door er buiten de enveloppe financiering voor te voorzien. - Creëer een geïntegreerd kader voor de stimulering van universitaire studie door beroepsactieven. - Verruim de duur van tijdskrediet, opleidingsverlof en het BEV voor universitaire opleidingen. - Erken blended learning - werkstudententrajecten van de universiteiten automatisch voor BEV en programma s met soortgelijke doelstellingen. - Verruim de definitie van werkstudent (schrap de voorwaarden specifiek traject en geen masterdiploma bezitten) en ken het statuut automatisch toe op basis van de door de overheid gekende informatie. Schrap het bewijs dat de universiteiten moeten leveren voor het statuut van werkstudent. - Geef meer ondersteuning aan de Vlaamse OU-student bv. in de vorm van een terugbetaling van een deel van het inschrijvingsgeld voor met succes afgeronde modules. Dit creëert wel een ongelijkheid met afstandsleren aan andere buitenlandse instellingen als bv. British Open University, wat misschien juridisch bezwaar oplevert. Deze maatregelen zullen er toe leiden dat zowel het aantal studerende beroepsactieven als het rendement van werkstudenten verhoogt. Daardoor zal de bijdrage aan de verdere democratisering van het universitaire onderwijs verruimen en de cruciale grondstof voor de kenniseconomie groeien. 4 Een aantal van deze voorstellen vallen buiten de gevraagde 2 miljoen financiële middelen. Blended learning: tweede versie beleidsnota 10