Inhoud Voorwoord 5 Inleiding 6 1 Machines voor zaaien, poten en planten 9 1.1 Soorten zaaimachines 9 1.2 Aanbouwen, afstellen en afdraaien van zaaimachines 13 1.3 Zaaien 14 1.4 Onderhoud 14 1.5 Nieuwe ontwikkelingen en technieken 15 1.6 Soorten plantmachines 15 1.7 Aanbouwen, afdraaien en afstellen van plantmachines 18 1.8 Het poten of planten 19 1.9 Onderhoud 20 1.10 Nieuwe ontwikkelingen en technieken 20 1.11 Afsluiting 21 2 Kunstmeststrooiers 22 2.1 Soorten kunstmeststrooiers 22 2.2 Aanbouwen, afdraaien en afstellen 27 2.3 Het strooien 33 2.4 Onderhouden 37 2.5 Nieuwe ontwikkelingen/technieken 38 2.6 Afsluiting 40 3 Onkruidbestrijdingsapparatuur 41 3.1 Methoden om onkruid te bestrijden 41 3.2 Soorten wiedmachines 43 3.3 Aanbouwen en afstellen 48 3.4 Het wieden 49 3.5 Onderhouden 50 3.6 Nieuwe ontwikkelingen en technieken 51 3.7 Afsluiting 52 Trefwoordenlijst 53 INHOUD 7
8 ONDERHOUDEN VAN WERKTUIGEN
1 Machines voor zaaien, poten en planten Oriëntatie Bij het zaaien of planten moet je zaden, knollen, bollen of jonge plantjes regelmatig verdeeld en op de juiste diepte in de grond leggen. Als teler heb je te maken met zaden van verschillende grootte. Daarnaast is het voor het ene gewas belangrijker dat de planten op gelijke afstand van elkaar staan en niet dicht bij elkaar dan voor het andere. Daarom kom je in de praktijk verschillende zaaisystemen tegen. Hetzelfde geldt voor poten en planten. Daarom zijn er ook verschillende poot- en plantsystemen. Elk systeem kent zijn eigen machines die zijn aangepast aan de eisen die de plant stelt. Behalve aan plantenteeltkundige eisen moeten de machines ook aan technische eisen voldoen zoals werkbreedte, mogelijkheid tot aanbouw enzovoort. Bovendien moet je met zo n machine ook op de openbare weg uit de voeten kunnen. Er bestaan vele soorten machines voor het planten, poten en zaaien. Van ieder systeem gaan we één vertegenwoordiger bekijken. We bekijken hoe je met de machines werkt en hoe je ze moet onderhouden. Afhankelijk van de streek of speciale eisen zul jij misschien een iets andere machine in de praktijk tegenkomen. Maar dat is geen bezwaar. 1.1 Soorten zaaimachines Voor een goede ontwikkeling van het gewas moet de machine het zaad, de bol of de jonge plant op de juiste diepte ten opzichte van het maaiveld neerleggen of neerzetten. Daarna moet hij voldoende (losse) grond op het zaad of de knol brengen. Bij het planten moet hij de grond tegen de plant aandrukken, zodat die stevig met de wortels in de grond staat. Hoe nauwkeuriger een machine moet werken, hoe lager de capaciteit is. Ook de werkbreedte van de machine heeft met de capaciteit te maken. Maar de werkbreedte laten we hier buiten beschouwing, omdat je doorgaans iedere gewenste werkbreedte kunt kopen. In deze paragraaf komen de volgende machines aan de orde: nokkenradsysteem; nokkenradsysteem met luchtondersteuning; precisiezaaimachines; breedwerpig zaaien met kunstmeststrooiers. Je krijgt informatie over de hoofdzaken, omdat elk merk zijn eigen speciale voorzieningen heeft om het werk onder bepaalde omstandigheden beter te kunnen uitvoeren. MACHINES VOOR ZAAIEN, POTEN EN PLANTEN 9
Nokkenradsysteem zaadhuisje zaaipijp Het zaad zit in de voorraadbak. Onder deze bak draait een as met nokkenraderen, voor elk zaaihuisje één rad. Als de toevoerschuif voldoende ver openstaat, loopt het zaad in het zaadhuisje. Het draaiende nokkenrad werkt het zaad over de bodemklep heen in de zaaipijp. Door een hendel aan de zijkant van de zaadbak kun je de afstand van de bodemkleppen en de nokkenraderen centraal aanpassen aan de grootte (en een beetje aan de hoeveelheid) van het zaad. De veer aan de bodemklep zorgt ervoor dat het zaad niet beschadigt als het tussen het nokkenrad en de bodemklep klem komt te zitten. Met de stelbout kun je ieder zaadhuisje op dezelfde hoeveelheid afstellen. Fig. 1.1 Het nokkenradsysteem De hoeveelheid zaad die gezaaid moet worden, kun je instellen door de draaisnelheid van de zaaias ten opzichte van de rijsnelheid te regelen. Bij de meeste machines wordt de zaaias aangedreven door de loopwielen via een soort versnellingsbak. Er zijn meestal meer dan honderd schakelmogelijkheden. Je kunt de afgifte van een juiste hoeveelheid zaaizaad dus precies instellen. De afgifte moet je iedere keer controleren voordat je een nieuwe partij gaat zaaien. De stromingseigenschappen van het zaad zijn immers iedere keer weer anders door verschil in grootte, beharing, vochtgehalte en rijsnelheid. Hoe je de controle moet uitvoeren staat altijd vermeld in het instructieboekje dat bij de machine hoort. toedek-eg Het nokkenrad laat de juiste hoeveelheid zaad in de zaaipijp vallen. Onder aan de zaaipijp zit een kouter. Deze maakt een geultje in de grond. Het zaad valt in het geultje en wordt toegedekt door een terugloopklep van het zaaikouter. Vaak zit achter de machine nog een toedek-eg gemonteerd om alle sporen te wissen en het zaad goed toe te dekken. 10 ONDERHOUDEN VAN WERKTUIGEN
Fig. 1.2 De nokkenradzaaimachine De zaaidiepte kun je instellen door de veerdruk op de zaaikouters te verhogen. De veerdruk is afhankelijk van de structuur van de grond en de rijsnelheid. De enige mogelijkheid om de juiste afstelling te krijgen is een stukje (bijvoorbeeld 10 meter) te zaaien en dan de zaaidiepte te meten. Pas dan kun je bepalen of je de veerdruk moet bijstellen. Nokkenradsysteem met luchtondersteuning luchtondersteuning Zaaimachines met een zaaias en nokkenradsysteem zijn altijd wat breder dan de werkbreedte. Voor vervoer over de weg kan dat heel lastig zijn. Ook het opbouwen op een grondbewerkingsmachine (vastetandcultivator of een rotorkopeg) geeft problemen. Daarom is een systeem met luchtondersteuning ontwikkeld. Een ventilator blaast lucht langs een centraal nokkenrad, de zaden worden in de luchtstroom meegenomen en verdeeld over de zaaipijpen. De rest van de machine, dus ook het controleren van de instelling, werkt hetzelfde als de gewone nokkenradzaaimachine. Fig. 1.3 Een pneumatische nokkenradzaaimachine Precisiezaaimachines Bij een aantal gewassen mogen de planten niet dicht bij elkaar staan in de rij. Dat geldt met name voor bieten, maïs, witlof, uien, maar ook verschillende andere gewassen. Met de gewone pijpenzaaimachine is de kans groot dat er zaden ongelijkmatig verspreid op de grond vallen. Voor gewassen als graan is dit geen SOORTEN ZAAIMACHINES 11
bezwaar. Bieten of uien brengen minder op of geven een lagere kwaliteit. Voor deze gewassen is het van belang dat de zaaiafstand gelijk is. Fig. 1.4 Een element van een precisiezaaimachine Ieder zaai-element is scharnierend opgehangen aan een framebalk. Het gewicht van het element rust op het voorloopwiel (1). Het voorloopwiel drukt het zaaibed wat aan. Dit is van belang voor de capillaire vochtvoorziening van de kiemplant. De zaaidiepte wordt ingesteld via de diepteregeling (2) op het voorloopwiel en is zonder gereedschap praktisch traploos regelbaar. Het zaai-element (3) is diep in het zaaikouter ingebracht. Hierdoor is de valhoogte van het zaad erg klein. Dit bevordert het regelmatig neervallen van het zaad. Speciaal gevormde zaadcellen (4) in de zijkant van de zaaischijf nemen het pillenzaad op. Overtollige pillen (5) worden naar de voorraadkamer teruggevoerd. De in de zaadcel aanwezige pil (6) wordt precies en zonder te verrollen in de zaaivoor afgelegd. Een elektronisch controlesysteem (7) meldt eventuele storingen in de trekkercabine. De tussendrukrol (8) drukt het zaad in de V- vormige zaaivoor. De toestrijker en de daarop volgende drukrol (9) bedekken het zaad met kruimelige grond. Deze machine wordt gebruikt voor het zaaien van regelmatige zaden als bieten (pillenzaad) en uien. Naast de zaaimachines met een zaaischijf komen ook pneumatische precisiezaaimachines voor. De zaaischijf bevat een aantal gaten waarachter vacuüm getrokken wordt door een ventilator. De grote onregelmatige zaden worden tegen het gat aangezogen en gaan zo naar de plaats van afgifte. Deze machine wordt toegepast voor maïs of bonen. Breedwerpig zaaien In een aantal gebieden kun je granen of groenbemesters ook breedwerpig zaaien. Met de kunstmeststrooier heb je een grote capaciteit (werkbreedte en rijsnelheid). Het zaad moet dan nog wel ingewerkt worden met een eg of met een cultivator. Omdat niet alle zaden dan op de goede diepte komen, moet je ongeveer 10 procent meer zaad verstrooien. 12 ONDERHOUDEN VAN WERKTUIGEN