(Summary in Dutch)
142 In dit proefschrift is de rol van de gezinscontext bij probleemgedrag in de adolescentie onderzocht. We hebben hierbij expliciet gefocust op het samenspel met andere factoren uit de nabije omgeving (microsysteem) van jongeren: kindkenmerken en kenmerken van leeftijdgenoten. Om onze vragen over de rol van deze verschillende factoren te beantwoorden, hebben we een doel-framingbenadering gebruikt. Deze benadering gaat ervan uit dat doelen in grote mate cognitieve en motivationele processen beïnvloeden en dat problemen met de realisatie van doelen (die gerelateerd zijn aan het bevredigen van basisbehoeften) de kans verhogen op externaliserend en internaliserend probleemgedrag. Als theoretische basis voor de studies in dit proefschrift hebben wij ons met name gericht op de doelen die gerelateerd zijn aan het verkrijgen van autonomie en de behoefte om ergens bij te horen ( the need to belong ). Ouders kunnen op een positieve en negatieve wijze bijdragen aan de realisatie van deze doelen, waarbij de uitwerking sterk kan verschillen naar gelang het temperament of een ander kenmerk van het kind. Een problematisch temperament kan de realisatie van doelen in de weg staan, maar dit zou gecompenseerd kunnen worden door positief opvoedingsgedrag van ouders dat bijdraagt aan de doelrealisatie. Omgekeerd kunnen de negatieve consequenties van problematisch opvoedingsgedrag van ouders weer gecompenseerd worden door een temperament dat doelrealisatie makkelijker maakt. Deze lijn van argumentatie gaat ook op voor interacties tussen de gezinscontext en andere contexten binnen het microsysteem van het kind. Meer specifiek hebben wij ons gefocust op de interactie tussen (1) gezin en temperament, (2) opvoedingsgedrag van vader en moeder, (3) gezin en leeftijdgenoten, (4) gezin en beste vrienden en (5) gezin, leeftijdgenoten en biologische ontwikkeling van het kind. Er vindt een dynamische verandering plaats tijdens de adolescentie met betrekking tot basisbehoeften. Wanneer kinderen zich ontwikkelen tot adolescenten worden sommige behoeften sterker en ouders moeten hier hun eigen opvoedingsgedrag op aanpassen om kinderen te helpen hun doelen en behoeften te realiseren. De behoefte om ergens bij te horen en geaccepteerd te worden ( the need to belong ) is sterk aanwezig vanaf een jonge leeftijd, maar de behoefte aan autonomie en zelfstandigheid treedt vooral op de voorgrond tijdens de adolescentie. Leeftijdgenoten worden meer en meer belangrijk bij zowel het gevoel ergens bij te horen als het gevoel zelfstandig te zijn ten opzichte van de ouders. Tevens maken adolescenten een biologische groeispurt die de behoefte aan autonomie nog eens vergroot en mogelijk ook spanning en conflicten creëert met hun ouders, omdat ouders hen desondanks
Summary in Dutch nog niet beschouwen en behandelen als volwassenen. Deze dynamische context maakt de studie naar interacties tussen het gezin, het kind en leeftijdgenoten interessant, met name als het gaat om de samenhang met probleemgedrag in de adolescentie. De hierop volgende paragrafen geven een korte samenvatting van de vijf afzonderlijke studies die gerapporteerd zijn in dit proefschrift. De interactie tussen de gezinscontext en kindkenmerken In de studie die gerapporteerd is in hoofdstuk 2 is de risicoverlagende en risicoverhogende rol van gezinskenmerken onderzocht in de relatie tussen temperament en emotionele en gedragsproblemen van jonge adolescenten, rekeninghoudend met familiaire kwetsbaarheid voor psychopathologie en gedragsproblemen in de vroege kindertijd. Hiernaast is onderzocht of de gevonden effecten specifiek of conditioneel zijn voor internaliserend of externaliserend gedrag, of generiek voor psychopathologie in het algemeen. Hierbij zijn gegevens over temperament (frustratie en angstigheid) en gezinskenmerken (overbescherming, afwijzing, emotionele warmte en sociaaleconomische status) gebruikt. De hypothesen over de richting en de specificiteit van de effecten zijn ontleend aan de doel-framingbenadering. De resultaten laten zien dat het risico vanuit een bepaald temperament om psychopathologie te ontwikkelen, kan worden verlaagd of verhoogd door factoren in het gezin. De analyse van de richting van deze effecten heeft geresulteerd in een beschrijvende classificatie van domeinspecifieke, conditionele en generieke factoren die de ontwikkeling van psychopathologie stimuleren of afremmen. De interactie tussen opvoedingsgedrag van vaders en moeders In de studie beschreven in hoofdstuk 3 is gekeken naar de relatie tussen opvoedingsgedrag van vaders en moeders en probleemgedrag in de adolescentie. Ten eerste hebben we vanuit een theoretisch perspectief een mechanisme beschreven dat ten grondslag zou kunnen liggen aan eventuele verschillen in de effecten van vaders en moeders opvoedingsgedrag. Ten tweede hebben we bekeken of positief gedrag van vader kan compenseren voor negatief gedrag van moeder. Ten derde hebben we bekeken of de vanuit de theorie verwachtte verschillen tussen opvoedingsgedrag van vader en moeder gesteund konden worden door empirische data. We vonden dat het 143
opvoedingsgedrag van vader en moeder vergelijkbare effecten had op probleemgedrag van jongeren, maar wanneer deze effecten simultaan werden bekeken, vonden we dat overbeschermend gedrag en gebrek aan warmte van vader en niet van moeder geassocieerd was met probleemgedrag. Het tegenovergestelde patroon werd gevonden voor afwijzing. Opvoedingsgedragingen van vaders en moeders bleken niet voor elkaar te kunnen compenseren. Extra analyses sterkten onze assumptie dat moeders meer dan vaders reageren met positief opvoedingsgedrag op probleemgedrag bij hun kinderen. Deze bevindingen suggereren dat moeders en vaders verschillende functies hebben met betrekking tot het bevredigen van de doelen van het kind. De interactie tussen de gezinscontext en de context van leeftijdgenoten In het vierde hoofdstuk werd bekeken of effecten van afwijzing en geaccepteerd worden door ouders en leeftijdgenoten op het probleemgedrag van jongeren bleven bestaan wanneer beide contexten tegelijkertijd geanalyseerd werden. Tevens werd bekeken of geaccepteerd worden in de ene context kon bufferen voor afwijzing in de andere context. We vonden in de analyses waarbij de context van het gezin en van leeftijdgenoten tegelijkertijd werden bekeken dat (1) het beschermende effect van acceptatie door ouders en het risico-effect van afwijzing door leeftijdgenoten verdwenen, (2) het beschermende effect van acceptatie door leeftijdgenoten en het risicoeffect van afwijzing door ouders hoog bleven, en (3) acceptatie door leeftijdgenoten gedeeltelijk het negatieve effect van afwijzing door ouders kon bufferen. Deze resultaten suggereren dat de effecten van factoren uit de gezinscontext en de context van leeftijdgenoten op elkaar inwerken. De interactie tussen de gezinscontext en de context van dyadische vriendschappen In de studie in hoofdstuk 5 werd voortgebouwd op het vorige hoofdstuk, waarbij de focus werd verschoven van leeftijdgenoten in het algemeen naar de relatie met de beste vriend. We keken of de kwaliteit van de relatie met ouders en de beste vriend voor elkaar konden compenseren in het voorspellen van probleemgedrag in de adolescentie. De realisering van belangrijke doelen wordt ook beïnvloed door de kwaliteit van de relatie van het kind met ouders 144
Summary in Dutch en de beste vriend. Hierbij keken we naar zowel negatieve als positieve indicatoren van relatiekwaliteit: steun en conflict. We vonden dat de kwaliteit van de relatie met ouders en de beste vriend van even hoog belang waren in het voorspellen van regelovertredend gedrag, maar dat de relatie met ouders belangrijker leek dan die met de beste vriend in het voorspellen van depressieve gevoelens. Ten tweede vonden we dat depressieve gevoelens alleen lager waren wanneer relaties met zowel de ouders als de beste vriend van goede kwaliteit waren. Tot slot vonden we dat het negatieve effect van conflict in de ene relatiecontext kon worden gebufferd door een hoge mate van steun in de andere relatiecontext. De interactie tussen de gezinscontext, de context van leeftijdgenoten en kindkenmerken De studie in hoofdstuk 6 onderzocht het effect van overbescherming en gebrek aan supervisie/structuur (op straat rondhangen met vrienden) op antisociaal gedrag 2,5 jaar later. Hierbij werd gecontroleerd voor sekseverschillen en de kennis die ouders over hun kinderen hebben als het gaat om bijvoorbeelden vrienden en vrijetijdsinvulling. Tevens werd bekeken in hoeverre biologische ontwikkeling en het hebben van antisociale vrienden de onderzochte relaties modereren. De resultaten lieten zien dat overbescherming tot meer antisociaal gedrag leidt, al gold dit effect met name voor jongens en voor adolescenten die voorlopen in hun biologische ontwikkeling. Het negatieve effect van rondhangen op straat gold met name voor jongens en voor adolescenten met antisociale vrienden. De resultaten wijzen op een delicate balans tussen overbescherming en gebrek aan supervisie van ouders met betrekking tot de autonomie van adolescenten. Conclusie De resultaten van de vijf studies impliceren tezamen dat gedrag niet los kan worden gezien van de (nabije) context. Veel van de gevonden effecten op probleemgedrag veranderden wanneer er gekeken werd naar verschillende contexten tegelijkertijd (bijvoorbeeld gezinsfactoren en factoren uit de context van leeftijdgenoten). Alhoewel de relatie tussen opvoedingsgedrag van ouders en probleemgedrag van kinderen hoogstwaarschijnlijk twee kanten op gaat, laten deze studies zien dat ouders desondanks een directe invloed op hun kinderen kunnen uitoefenen, ook al kon deze invloed verschillen voor kinderen 145
naar gelang hun temperament, biologische ontwikkeling en kenmerken van leeftijdgenoten. We kunnen concluderen dat van de opvoedingsgedragingen die wij bekeken hebben, afwijzing door ouders het sterkst gerelateerd is aan de ontwikkeling van probleemgedrag. We vonden dat afwijzing, en dan met name door moeders, een generieke risicofactor vormt voor psychopathologie. Daarnaast was het negatieve effect van afwijzing groter voor kinderen met een problematisch temperament. Ook vonden we dat afwijzing door ouders maar slechts voor een klein gedeelte gecompenseerd kan worden door acceptatie door leeftijdgenoten. 146