CHECKLIST AMMONIAKKOELINSTALLATIES Begrippen Handhavingskleurspoor Grijs: Milieuvergunning Handhavingskleurspoor Rood: RO = Ruimtelijke ordening Bouw is gerelateerd aan de Bouwvergunning (BWT) Gebruik is gerelateerd aan de Gebruiksvergunning (BRW) Let op! Indien bij de kolom frequentie beide kleuren aanwezig zijn Zijn beide kleursporen van belang Is de frequentie weliswaar ingevuld in het grijze veld maar heeft deze betrekking op beide sporen Is in het rode veld aangegeven welk spoor precies bedoeld wordt (of RO, Bouw, of Gebruik) Frequentie controle jaarlijks Frequentie controle om de jaar Frequentie 6 controle om de 6 jaar (6 jaar omdat dit beter aansluit met verschillende verplichte periodieke inspecties) Binnen de richtlijn worden diverse begrippen gebruikt die zijn aangepast aan de Europese, internationale en nationale normen. Voor een goed gebruik van de checklist worden hieronder diverse definities en omschrijvingen gegeven. Drukvat Een omhulling, ontworpen en vervaardigd voor stoffen onder druk inclusief de rechtstreeks aan het vat verbonden aansluitingen. Dauwpunt De temperatuur van de buitenkant van het vat waarbij waterdamp uit de lucht condenseert. Impulsleiding Leiding die verbonden is met een meetinstrument (bijvoorbeeld een manometer). Kleurcodering De codering van ammoniakvoerende leidingen overeenkomstig DIN 240. Aangezien de leidingen over het algemeen geïsoleerd zijn, zijn stickers met de stroomrichting voldoende. Overschuifflens Huls die een losneembare verbinding beschermt tegen onbedoeld losraken. Peilglazen Een kijkglas met een oppervlakte van maximaal 3200 mm², gevat in een metalen ring om het oliepeil in carters van zuigercompressoren of de voorraadreservoirs van roterende compressoren te regelen. Pressostaat Drukregelaar. Vloeistofslag Het verschijnsel dat vloeistof in de compressieruimte komt van een compressor (vooral bij verdringertypen) door aanzuigen of condensatie. WBDBO Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.
Regeling Externe veiligheid inrichtingen (Tabel 6 REVI) Spoor+ JA NEE OPMERKING Bevat de installatie minder dan 0.000 kg ammoniak Noteer hoeveelheid ammoniak aanwezig: Is de installatie voorzien van een pompbeveiliging Toelichting: Een pompbeveiliging bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk wordt stilgelegd, zodat er geen ammoniak door de pomp meer wordt toegevoerd naar de leiding Zijn buiten GEEN ammoniak-koelleidingen geplaatst die naar de verdamper leiden en een diameter hebben van meer dan DN 0 Type indeling: Type Zijn alle ammoniakvoerende onderdelen opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten zijn opgesteld. Type 2 Als type, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) zijn buiten opgesteld. RO RO RO Type 3 Als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld. Werktemperatuur Onder werktemperatuur wordt verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Hierbij is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. A. Ligt de maximale werktemperatuur onder de -2 graden Celsius RO B. Ligt de maximale werktemperatuur tussen -2 en graden Celsius C. Ligt de maximale werktemperatuur boven - graden Celsius Voldoet de inrichting aan de afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten behorende bij de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 0-6 per jaar, onderscheidelijk richtwaarde 0-6 per jaar zoals opgenomen in het Besluit Externe veiligheid inrichtingen, 27 mei 2004 Stb 20 (Sanering voor 0-0-200) RO
ADMINISTRATIEVE CONTROLE Freq Beheer, controle, onderhoud en toezicht - Bedienend personeel aantoonbaar op de hoogte van de inhoud van het installatieboek (paragraaf 7.2) - Aanwezigheid van een installatieboek in de nabijheid van de koelinstallatie (paragraaf 7.) waarin tenminste opgenomen: - Keuringsverklaring eerste keuring (paragraaf 8.): 6 - Keurverklaring type keuring (paragraaf 8.2) 6 - Keurverklaring intreekeuring (paragraaf 8.) 6 - Keurverklaring 6-jaarlijkse herkeuring (paragraaf 8.4) 6 - Eigenschappen en gevaarsaspecten ammoniak - Beschrijving koelinstallatie inclusief koeltechnisch schema en proces- en instrumentatie diagram - Schriftelijke verklaringen instalateur van o montage en oplevering o Controle aanwezigheid documenten o Controle op correcte montage o Controle op correct functioneren installatie o Controle op correct functioneren beveiliging o Controle op dichtheid - Relevante namen, adressen en telefoonnummers - Bedieningsvoorschriften voor normaal gebruik en noodgevallen - Bedrijfsspecifieke instructie voor noodsituaties - instructies bijvullen en aftappen Aanwezigheid logboek (paragraaf 7.3) met daarin opgenomen de bevindingen, datum, naam en bedrijfsnaam van de uitvoerende persoon m.b.t. de volgende onderdelen: - periodieke inspecties - controles - onderhoud - storingen - reparaties - bijgevulde hoeveelheid ammoniak - Werkvergunning, getekend door de bedrijfsleiding bij werkzaamheden aan installatie of isolatie (paragraaf 7.8) Bij een inhoud van minder dan 6000 kg is een instructie ammoniak-calamiteit verplicht (paragraaf 7.7.2.) Bij een inhoud van meer dan 6000 kg is een noodplan verplicht (paragraaf 7.7..) Gebruik Gebruik Niet
FYSIEKE CONTROLE Ontwerp van de koelinstallatie, algemene voorschriften - Drukvaten moeten zijn voorzien van een stempelplaat met de vereiste gegevens (paragraaf 3.4., stempelplaat) - Drukvaten met een volume van 000 liter of meer waarin vloeistof kan voorkomen moeten zijn voorzien van een niveaumeting of niveau-indicatie (paragraaf 3.4., niveaumeting) - De leidingen moeten op regelmatige afstanden worden ondersteund (paragraaf 3.4.2, ondersteuning) # < 2 mm; maximaal meter # 26-0 mm; maximaal 3 meter # -80 mm; maximaal 3, meter # 8-7 mm; maximaal 4 meter # 7-30 mm; maximaal 6 meter # >3 mm; maximaal 7, meter - Leidingen voorzien van kleurcoderingen voor vloeistof, lage druk en hoge druk. Zo mogelijk overeenkomstig DIN 240 (paragraaf 3.4.2, kleurcodering) - Doorvoeringen van leidingen door muur, dak of plafond via een mof en ten minste 60 minuten brandwerend afgedicht (paragraaf 3.4.2, speciale bepalingen) - Leidingen en drukvaten van niet-corrosiebestendig materiaal moeten zijn voorzien van corrosiewerende verf (paragraaf 3.4.. en 3.4.2, corrosiebescherming) - Indien isolatie aan een leiding of drukvat is toegepast wordt moet dit o onbrandbaar of brandvertragend zijn (paragraaf 3.4. en 3.4.2, isolatie) o bij niet corrosiebestendig materiaal dampremmend zijn indien het buitenoppervlak beneden het dauwpunt kan komen (paragraaf 3.4. en 3.4.2, isolatie) Bouw In orde Niet - Flexibele leidingstukken beschermd tegen mechanische beschadigingen (paragraaf 3.4.2, flexibele leidingelementen) - Slangen in principe niet toepassen. Bij toepassen slangen driemaandelijkse inspectie op beschadigingen (paragraaf 3.4.2, flexibele leidingelementen)
Vervolg - Impulsleidingen uitgevoerd in roestvast staal (paragraaf 3.4.2, impulsleidingen) - Aansluitingen en losneembare verbindingen moeten voorzien zijn van - overschuifflenzen of voorlasflenzen (paragraaf 3.4.3, flensverbindingen) - pakkingen van ammoniakbestendig materiaal die niet wegblaasbaar zijn (paragraaf 3.4.3, flensverbindingen) - Klemkoppelingen uitsluitend in vloeistofleidingen 32 mm of dampleidingen 40 mm. Alleen klemkoppelingen van roestvast staal (paragraaf 3.4.3, klemverbindingen) - Bij de compressoren een bedieningspaneel voor de essentiële meeten regelinstrumenten (paragraaf 3.4., instrumentatie) - Peilglazen slechts in die delen met procesapparatuur > C (paragraaf 3.4., niveaumeting) - Elektrische installatie moet voldoen aan NEN 00 (paragraaf 3.4.6, elektrische installatie) - Indien kans op ontploffingsgevaar dan moet de elektrische installatie eveneens voldoen aan NEN 340 (paragraaf 3.4.6, elektrische installatie) - Nabij een motor een werkschakelaar met instructies, motor voorzien van thermische beveiliging (paragraaf 3.4.6, elektrische installatie) - Pressostaat bij compressoren met een slagvolume van 90 m³ per uur of meer (paragraaf 4.6., beveiliging tegen hoge druk) - Beveiliging tegen bevriezing als onderdelen hierdoor beschadigd kunnen worden (paragraaf 4.6.2, beveiliging tegen bevriezing) - Alle compressoren (vooral verdringertype) beveiliging tegen vloeistofslag (paragraaf 4.6.3, beveiliging vloeistofslag) - Olie-aftappunten moeten zijn voorzien van dubbele aftapafsluiters (paragraaf 4.6.4, beveiliging van olie-aftappunten) - Vulaansluiting op goed bereikbare plaats met voldoende werkruimte (paragraaf 6.2) - Vulaansluiting gesloten met blindflens of afsluitdop Freq Bouw Bouw Bouw Bouw Bouw Niet in orde
Machinekamer Freq - Niet vrij toegankelijk voor onbevoegden (paragraaf.) - Niet gebruikt voor andere doeleinden zoals bijvoorbeeld opslag (paragraaf.) - Gasbelemmerend en brandwerend uitgevoerd door middel van afdichting met kunststofschuim (paragraaf.2) Bouw - WBDBO minimaal 60 minuten, afzonderlijk brandcompartiment (paragraaf.2) Bouw - Doorvoeringen van leidingen, ventilatie, blussystemen, elektrische installatie etc. moeten een brandwerendheid van Bouw minimaal 60 minuten bezitten (paragraaf.7) - Niet grenzend aan een ruimte of gebouwdeel waarin personen kunnen overnachten of zijn beperkt in hun bewegingsvrijheid Bouw (paragraaf.2) - Minimaal één nooduitgang, van binnenuit te openen, toegang tot vluchtweg of open lucht (paragraaf.2) Bouw - Machinekamer moet voorzien zijn van natuurlijke of mechanische ventilatie (paragraaf.3): Natuurlijke ventilatie: - vrije doorlaat ventilatielucht niet belemmerd door obstakels zoals begroeiing, hekken en/of muren - aanvoeropeningen zo laag mogelijk, afvoeropeningen zo hoog mogelijk geplaatst Mechanische ventilatie - ventilator zowel door het noodstopsysteem als handmatig (binnen en buiten de machinekamer) te bedienen - ventilator en aandrijving hiervan mogen geen ontstekingsbron vormen - aanvoeropeningen zo laag mogelijk aangebracht, eventueel voorzien van zelfsluitende kleppen die bij onderdruk openen - afvoeropeningen zo hoog mogelijk aangebracht, eventueel afzuigkanalen boven plaatsen waar de grootste kans is op ammoniaklekkage - afblaasopening hoger dan enig punt waar zich in de directe omgeving personen bevinden - Nabij iedere deur een draagbaar blustoestel (paragraaf.) Gebruik - Op de deur de waarschuwing roken en open vuur verboden Gebruik Niet in orde
Extra voorschriften installaties meer dan 0 kg en ten hoogste 400 kg 4.3. ontlastkleppen - vloeistofleidingen tussen twee afsluiters voorzien van een ontlastklep - ontlastkleppen moeten afblazen naar een met minimaal één veiligheidsklep beveiligd deel van de installatie - ontlastkleppen blazen niet af naar de atmosfeer 4.3.2 veiligheidskleppen - drukvaten en gedeelten van leidingen die niet voortdurend met elkaar in verbinding staan moeten zijn voorzien van een, door Stoomwezen goedgekeurde, veerbelaste veiligheidsklep - veiligheidskleppen mogen niet op eenvoudige wijze zijn te verstellen of buiten werking te stellen zijn - de afblaasleiding van een veiligheidsklep moet uitmonden in de buitenlucht, op een zo veilig mogelijke plaats - Niet verwarren met ontlastklep Niet.3 Mechanische ventilatie - toevoer en afvoer minimaal: Q=0xM 0,66 (m³/h). Hierbij is M het aantal kg ammoniak van de grootste aanwezige installatie (Meer dan x inhoud per uur niet noodzakelijk) - ventilator zowel door het noodstopsysteem als handmatig (binnen en buiten de machinekamer) te bedienen - ventilator en aandrijving hiervan mogen geen ontstekingsbron vormen - aanvoeropeningen zo laag mogelijk aangebracht - afvoeropeningen zo hoog mogelijk aangebracht - afgevoerde lucht in verticale richting uitblazen, uitstroomsnelheid ten minste 20 m/s - afblaasopening hoger dan enig punt waar zich in de directe omgeving personen bevinden - Alle compressoren voorzien van een drukmeter voor het meten van de hoge en lage druk (paragraaf 3.4.)
Vervolg Extra voorschriften installaties meer dan 0 kg en ten hoogste 400 kg 4.2 Noodstopsysteem - activering door indrukken noodstopknop of door een eventueel aanwezig automatisch ammoniak detectiesysteem - noodstopknop aangebracht op of in de nabijheid van de koelinstallatie; buitenzijde toegangsdeuren machinekamer en in een controlekamer - schakelt koelsysteem uit en schakelt eventueel aanwezige noodventilatiesystemen in - bedient eventueel aanwezige op afstand bedienbare inblokvoorzieningen en stelt het alarmsysteem in werking - door noodstopsysteem bestuurde systemen mogen niet automatisch vergrendeld worden. Afgeschakelde apparatuur mag niet automatisch herstarten 4.2 Alarmeringssysteem - activering door indrukken noodstopknop of door eventueel aanwezig automatisch ammoniak detectiesysteem - geeft hoorbaar en zichtbaar signaal op plaatsen waar zich mogelijk personen ophouden Niet Voorbeeld
Extra voorschriften installaties meer dan 400 kg 4.3. ontlastkleppen - vloeistofleidingen tussen twee afsluiters voorzien van een ontlastklep - ontlastkleppen moeten afblazen naar een met minimaal één veiligheidsklep beveiligd deel van de installatie - ontlastkleppen blazen niet af naar de atmosfeer 4.3.2 veiligheidskleppen - drukvaten en gedeelten van leidingen die niet voortdurend met elkaar in verbinding staan moeten zijn voorzien van een, door Stoomwezen goedgekeurde, veerbelaste veiligheidsklep - veiligheidskleppen mogen niet op eenvoudige wijze zijn te verstellen of buiten werking te stellen zijn - de afblaasleiding van een veiligheidsklep moet uitmonden in de buitenlucht, op een zo veilig mogelijke plaats Niet verwarren met ontlastklep! - plaatsing in alle vloeistofvoerende toe- en afgaande leidingen van: # vaten en de integrale onderdelen daarvan; # warmtewisselaars en leidingdelen in verblijfsruimten; # elk deel van de installatie met een werkinhoud > 400 kg (exclusief vaten) 4..2 automatische inblokvoorzieningen - activering door indrukken noodstopknop of door een eventueel aanwezig automatisch ammoniak detectiesysteem - uitvoering fail-safe - duidelijke open-dicht aanwijzing op de afsluiter 4.2 Noodstopsysteem - activering door indrukken noodstopknop of door een eventueel aanwezig automatisch ammoniak detectiesysteem - noodstopknop aangebracht op of in de nabijheid van de koelinstallatie; buitenzijde toegangsdeuren machinekamer en in een controlekamer - schakelt koelsysteem uit en schakelt eventueel aanwezige noodventilatiesystemen in - bedient eventueel aanwezige op afstand bedienbare inblokvoorzieningen en stelt het alarmsysteem in werking Gebruik Gebruik Gebruik Gebruik Niet
Vervolg Extra voorschriften installaties meer dan 400 kg - door noodstopsysteem bestuurde systemen mogen niet automatisch vergrendeld worden. Afgeschakelde apparatuur mag niet automatisch herstarten 4.2 Alarmeringssysteem - activering door indrukken noodstopknop of door een eventueel aanwezig automatisch ammoniak detectiesysteem - geeft hoorbaar en zichtbaar signaal op plaatsen waar zich Spoor+ Gebruik Gebruik Gebruik mogelijk personen ophouden 4.4 Automatische ammoniak detectie - meetbereik 0-000 ppm Gebruik - alarmvertraging kleiner dan 60 seconden Gebruik - laag niveau 200 ppm of lager, hoog niveau 800 ppm of lager Gebruik - bij hoog niveau inschakelen noodstopsysteem, Gebruik inblokvoorzieningen en noodventilatie - halfjaarlijkse controle detectiesysteem Gebruik - minimaal twee detectoren in machinekamer Gebruik - detectie in iedere ruimte met ammoniakvoerende delen waarin zich minimaal 2 uren per dag personen bevinden Alle compressoren voorzien van een drukmeter voor het meten van de hoge en lage druk (paragraaf 3.4.) - Op of nabij een installatie met een inhoud van meer dan 6000 kg is een windzak of windvaan aangebracht (paragraaf.4.2) Gebruik Gebruik Niet