Standsverandering been (Osteotomie) Inleiding In samenspraak met uw orthopeed heeft u besloten een osteotomie uit te laten voeren. Bij deze operatie wordt de stand van uw bovenbeen of onderbeen veranderd. U wordt voor deze operatie 2 dagen opgenomen op de afdeling Orthopedie van het HagaZiekenhuis, locatie Sportlaan. In deze folder staat informatie over de hoge tibiakop-osteotomie (standsverandering onderbeen) en de distale femur-osteotomie (standsverandering bovenbeen). Algemene informatie over uw opname vindt u in uw behandelwijzer. Heeft u nog vragen na het lezen van deze folder, stel deze dan gerust aan uw behandelend arts of verpleegkundige. De knie Het kniegewricht is een scharniergewricht dat bestaat uit 3 botdelen; het dijbeen (femur), het scheenbeen (tibia) en de knieschijf (patella). Zie afbeelding 1. Afbeelding 1: de knie
De meest voorkomende reden om in aanmerking te komen voor een standsverandering van uw been, is pijn in het kniegewricht, al dan niet met een bewegingsbeperking. De meest voorkomende oorzaken van pijn en bewegingsbeperking zijn: Slijtage (artrose) Een afwijkende stand van het been Artrose is een aandoening waarbij het gewrichtskraakbeen in kwaliteit achteruitgaat. Op den duur kan dit kraakbeen zelfs geheel verdwijnen. Door de achteruitgang van het gewrichtskraakbeen komen de botuiteinden op elkaar te liggen. Dit zorgt voor pijn, stijfheid en bewegingsbeperking van het gewricht. Artrose kan ontstaan door een afwijkende stand van het been. Het zogenoemde x- of o-been. Hierdoor ontstaat overbelasting op de binnen- of buitenzijde van het kniegewricht. Osteotomie Osteotomie betekent letterlijk doorsnijden van het bot. Met een osteotomie wordt de stand van het bot, en daarmee ook van het been, veranderd. Dit kan zowel bij het onderbeen (tibia) als het bovenbeen (femur) worden gedaan. Het bot wordt vlak onder of boven de knie doorgenomen en van stand veranderd. Voorbeeld van een open wig osteotomie
Voorbereidingen voor uw opname Nadat u voor vooronderzoek bent geweest en een operatiedatum weet, is het handig om thuis wat zaken voor te bereiden voor uw opname, omdat u na de operatie 6 tot 12 weken met een loophulpmiddel zult lopen. Het is aan te raden een week voor uw opname de noodzakelijke hulpmiddelen te regelen. Dit kan bij een thuiszorgwinkel bij u in de buurt. Noodzakelijke hulpmiddelen: Twee elleboogkrukken (neem deze krukken mee naar het ziekenhuis) Een losse stoel, liefst met armleuningen om onder de douche te zetten Een rolstoel om makkelijker buitenshuis te komen. Zorg verder voor: Een gemakkelijke stoel met twee leuningen Een voetenbank, zodat u met het geopereerde been omhoog kunt zitten Geen losse kleedjes op de vloeren Een antislipmat in uw badkamer Eventuele hulp in de huishouding en bij boodschappen doen Eventuele maaltijdvoorziening Als u extra hulp nodig denkt te hebben, kunt u dit aangeven bij de verpleegkundige. De verpleegkundige dient na uw operatie een aanvraag in bij de transferverpleegkundige, die de eventuele nazorg voor u kan regelen. Meer informatie vindt u in de folder Transferpunt. De operatie De operateur maakt een snee aan de voorzijde van het been van ongeveer 15 cm.
De stand van het femur of van de tibia kan worden veranderd door middel van twee operatietechnieken: Via een gesloten wig: er wordt een stukje bot uit het onderbeen gehaald. Via een open wig: het bot van het onderbeen wordt een stukje ingezaagd en daarna uit elkaar gezet. Hierna wordt er extra ruimte tussen gezet waardoor het o-been een normaal tot licht x-been wordt. Deze ruimte wordt vaak gevuld met donorbot om eigen botgroei te stimuleren. De arts bespreekt met u welke manier hij bij u toepast. Het bot wordt met behulp van een plaat en schroeven vastgezet. Mestal krijgt u na de operatie een drukverband om het been. Het kan ook zijn dat u na de operatie een gipskoker of spalk krijgt. Voorbeeld tibia osteotomie De operatie duur ongeveer 60 minuten. Het doel van de operatie is de stand van het been zo te veranderen dat de druk op de plaats van de kraakbeenbeschadiging (slijtage) vermindert. Hierdoor zullen de pijnklachten en bewegingsbeperking afnemen en/of verdwijnen.
Na de operatie Als de operatie klaar is, wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Hier blijft u ongeveer 2 uur waarna u teruggaat naar de afdeling. U heeft een infuus en eventueel een blaaskatheter, een wonddrain (slangetje om bloed en wondvocht af te laten vloeien) en/of zuurstof. Verder heeft u na de operatie een drukverband en/of elastische kous om het geopereerde been. Tijdens en na de operatie worden uw bloeddruk, polsslag, ademhaling, pijn, bewustzijn en urineproductie regelmatig gecontroleerd. Na de operatie spreekt u de arts en hoort u hoe de operatie is gegaan. Ook vertelt de arts waar u de eerste tijd op moet letten en wanneer u met ontslag mag. Dit is vaak de dag na de operatie. U moet voor uw ontslag in elk geval veilig kunnen lopen en geürineerd hebben. Ook wordt eerst een röntgenfoto gemaakt. De verpleging controleert regelmatig hoe u zich voelt, geeft u de medicatie en helpt u waar nodig bij de lichamelijke verzorging. Uw infuus, eventuele blaaskatheter, wonddrain en zuurstof worden verwijderd als uw controles goed zijn. Als u een drukverband om uw been heeft, wordt deze de dag na de operatie verwijderd. U krijgt dan een tubigrip-kous (dubbel) om het geopereerde been heen. Dit geeft de eerste tijd meer steun. Fysiotherapie De fysiotherapeut komt u begeleiden bij het uit bed komen. Ook geeft de fysiotherapeut u instructies voor het lopen met krukken. Als u thuis moet traplopen, leert u hoe u dit verantwoord kunt doen. De eerste 6 weken zult u uw been niet of gedeeltelijk mogen belasten. Medicatie Neemt nooit eigen medicatie in zonder dit eerst te overleggen met de verpleegkundige. Zo nodig krijgt u van hen de medicatie die u voor de opname gebruikte.
Pijnstilling Drie tot vier keer per dag krijgt u medicijnen tegen de pijn. Neem deze in zodra ze u worden gegeven. Bij sommige pijnstillers krijgt u in de ochtend eerst een maagtablet om de maagwand te beschermen. Zie folder Anesthesiologie. Tegen de misselijkheid Vertel het de verpleegkundige als u misselijk bent. U kunt hier medicijnen tegen krijgen. Antistolling Zes uur na de operatie krijgt u een eerste injectie (Fraxiparine ) om trombose (een aandoening waarbij er bloedstolsels gevormd worden in de bloedvaten) te voorkomen. Na de operatie is het noodzakelijk dat u zichzelf gedurende 4 weken, 1 keer per dag injecteert. De verpleegkundige leert u tijdens de opname hoe u zichzelf kunt injecteren. Ontslag Voordat u met ontslag gaat, inspecteert de arts uw wond. De wond wordt afgeplakt met een waterdichte pleister zodat u kunt douchen. Deze pleister mag maximaal 5 dagen blijven zitten, maar moet eerder verwisseld worden als de wond fors lekt of als de pleister los zit. Bij uw ontslag krijgt u 2 afspraken mee: Twee weken na de operatie bij een arts-assistent. Dan worden onder meer de hechtingen verwijderd. Zes weken na de operatie bij uw orthopedisch chirurg. U krijgt een formulier mee om een half uur voor uw afspraak op de gipskamer een röntgenfoto te laten maken. Afhankelijk van de mate waarin het bot geneest, wordt besloten of u het been mag belasten en het eventuele gips eraf mag.
Complicaties Ondanks de voorzorgen blijft een kleine kans op de volgende complicaties bestaan. Nabloeding (alleen in de eerste 24 uur) Trombose Wondinfectie: dit kenmerkt zich door roodheid, pijn en soms koorts. Zenuwbeschadiging: dit kan de revalidatie vertragen en verstoren. Meestal herstelt de zenuw zich spontaan binnen een jaar. Eventuele gevolgen kunnen zijn: De botdelen groeien langzamer dan verwacht aan elkaar, waardoor de revalidatie langer duurt en soms een tweede operatie nodig is. Aandachtspunten bij en na uw ontslag Contact met het ziekenhuis Bij ernstige roodheid, (toename van) wondlekkage, zwelling, pijn of koorts (boven de 38 C), neemt u contact op met de afdeling Orthopedie. Telefoonnummers vindt u achter in uw behandelwijzer. Benen en tenen bewegen Het regelmatig bewegen van de benen vermindert de kans op trombose. Herhaal deze oefening enige malen per dag. Als u gaat lopen, zult u merken dat uw geopereerde been iets dikker wordt. Dit is normaal na de operatie en komt omdat de bloeddoorstroming door de zwelling iets trager verloopt. Het is goed om regelmatig met het geopereerde been omhoog te zitten. Ook verdwijnt het vocht sneller door de oefeningen te doen die de fysiotherapeut heeft aanbevolen. Het duurt een aantal weken tot soms maanden voordat het vocht geheel uit het been verdwenen is. Verder kan het geopereerde been blauw worden door een bloeduitstorting. Dit verdwijnt na een paar weken. Fysiotherapeut Wanneer en hoe vaak de nabehandeling door een fysiotherapeut noodzakelijk is, is voor iedereen verschillend. Dit wordt in samenspraak met uw arts en fysiotherapeut bepaald.
Nabehandeling kan in het ziekenhuis of bij uw eigen fysiotherapeut. Hiervoor krijgt u zo nodig een aanvraag en een overdracht mee. Medicatie Bij uw ontslag krijgt u een recept mee voor pijnstilling en Fraxiparine. U kunt de medicijnen zelf - laten- halen bij uw eigen apotheek. Verspreid de inname van de pijnstillers over 24 uur en neem ze in op vaste tijden. Bijvoorbeeld 3 keer per dag elke 8 uur. U kunt de pijnmedicatie zelf verlagen als de pijn afneemt. De Fraxiparine injecteert u 1 keer per dag gedurende 4 weken. Vraag bij uw apotheek om een naaldencontainer. U doet hier de gebruikte injectienaaldjes in. Lever de container na afloop in bij uw apotheek. Hervatting bezigheden Overleg tijdens de controleafspraak met uw arts wanneer u uw werk en/of sport weer kunt hervatten. Vragen Wij zijn uw partner bij uw genezingsproces. Hebt u na het lezen van deze folder nog vragen? Stel deze dan gerust. Telefoonnummers vindt u achter in de behandelwijzer. HagaZiekenhuis Locatie Sportlaan, Sportlaan 600, 2566 MJ Den Haag Locatie Leyweg, Leyweg 275, 2545 CH Den Haag www.hagaziekenhuis.nl H10.013-03