VENTILATIEOPENINGEN 1 1 2 2 3 3 E90911 1. Ventilatieopeningen voor het gezicht 2. Ventilatieopening voor de bestuurdersschoot 3. Bedieningselementen van ventilatieopeningen, middenconsole achterin Opmerking: voor de beste ventilatie met minimaal lawaai moet u bij het instellen van de luchtverdelingsregeling de ventilatieopeningen helemaal openzetten. 122
Aangezogen lucht Het ventilatiesysteem ontvangt een luchtstroom vanuit de inlaatgrille, die zich voor de voorruit bevindt. Zorg dat de luchtinlaatgrille nooit met bijvoorbeeld bladeren, sneeuw of ijs verstopt is. Deeltjesluchtfilter Het deeltjesluchtfilter voorkomt dat er stuifmeel, industriële uitstoot, wegenstof en andere deeltjes via de ventilatieopeningen het voertuig binnendringen. Gecombineerd filter Voertuigen uitgerust met een automatische temperatuurregeling hebben een gecombineerd koolstof- en deeltjesluchtfilter, dat de geuren vermindert die door het verwarmingssysteem het voertuig kunnen binnendringen. 123
AUTOMATIC CLIMATE CONTROL 11 3 1 2 3 11 4 10 9 8 E91251 1. Automatische functie 2. Aanjagerknop 3. Draaiknoppen voor temperatuur 4. Toetsen voor luchtverdeling 5. Toets voor luchtrecirculatie 6. Off (uit). Druk op deze toets om het systeem uit te schakelen. 7. Economische functie 8. Verwarmde achterruit 9. Verwarmde voorruit 10. Ontdooifunctie 11. Voorstoelverwarmingen Opmerking: elke schakelaar licht op wanneer hij wordt bediend. Bedieningselementen Het airconditioningsysteem is voorzien van een automatische temperatuur- en luchtverdelingsregeling en is zodanig geprogrammeerd, dat het binnen in het voertuig het comfort op optimale niveau s handhaaft onder praktisch alle klimaatomstandigheden, met uitzondering van de meeste zware. 5 6 7 Automatische functie De automatische functie is voor de meeste omstandigheden geschikt. Druk op AUTO om de functie in te schakelen. Verdraai de knoppen voor de temperatuur (3) om de gewenste temperatuur te kiezen. In de automatische functie stelt het systeem de airconditioning, luchtverdeling, aanjagersnelheden en luchtrecirculatie automatisch in om een comfortabele omgeving te handhaven, ongeacht de heersende omstandigheden. U kunt de luchtverdelingstoetsen en de aanjagerknop onafhankelijk van elkaar gebruiken om de automatische instellingen tijdelijk op te heffen. Als u dit doet, zal het bijbehorende controlelampje in de AUTO-knop uit gaan. Het ronde lampje vertegenwoordigt de aanjager en het rechthoekige lampje de luchtverdeling. Druk nogmaals op AUTO om naar de automatische functie terug te keren. Opmerking: wanneer u de luchtverdelingstoetsen en de aanjagerknop onafhankelijk van elkaar gebruikt, zal het systeem misschien niet de temperatuur kunnen handhaven. 124
Aanjagerbediening Verdraai de aanjagerknop (2) om de luchtstroming door de ventilatieopeningen aan te passen. Temperatuurregeling Draai voor een maximale werking van de airconditioning de knoppen voor de temperatuur (3) helemaal linksom. Deze functie schakelt de airconditioning en de luchtrecirculatie in. Het stelt de aanjagersnelheid tevens op de maximumwaarde in en selecteert de ventilatieopeningen voor het gezicht. Opmerking: het systeem kan geen temperatuurverschil tussen links en rechts van meer dan 4 C (7 F) bewerkstelligen. Opmerking: bij een voertuig met een automatische transmissie kunt u in stilstaand verkeer de transmissiehendel het beste in P of N zetten, om de airconditioning zo doeltreffend mogelijk te maken. Luchtverdelingsregeling Druk de betreffende toets in om de gewenste verdeling in te stellen: Ventilatieopeningen voor voor- en E83498 zijruit E80979 Ventilatieopeningen voor het gezicht Ventilatieopeningen voor de beenruimte U kunt meerdere instellingen selecteren om de gewenste verdeling te verkrijgen. Luchtrecirculatie handmatig Druk deze toets eenmaal in om de luchtrecirculatie in te schakelen. Door de toets een tweede keer in te drukken schakelt u de luchtrecirculatie weer uit. De luchtrecirculatie voorkomt dat er lucht van buiten naar binnen stroomt en recirculeert de lucht binnen in het voertuig. Hiermee wordt het binnendringen van verkeersdampen voorkomen. De luchtrecirculatie beïnvloedt tevens de ontvochtigings- en koelprestaties van het airconditioningsysteem aanzienlijk. Opmerking: de ruiten kunnen beslaan als de lucht lange tijd wordt gerecirculeerd. Luchtrecirculatie met vervuilingssensor Druk deze toets eenmaal in om de luchtrecirculatie in te schakelen. Door de toets een tweede keer in te drukken, schakelt u de automatische luchtrecirculatie in. Als u de toets voor de derde keer indrukt, schakelt u het systeem uit. In de automatische functie regelt het systeem de luchtrecirculatie automatisch, zodat het airconditioningsysteem tot optimale prestaties komt. De luchtrecirculatie voorkomt dat er lucht van buiten het voertuig naar binnen stroomt en recirculeert in plaats daarvan de lucht binnen in het voertuig. Dit is erg nuttig om het binnendringen van verkeersdampen te voorkomen. De luchtrecirculatie beïnvloedt tevens de ontvochtigings- en koelprestaties van het airconditioningsysteem aanzienlijk. Opmerking: de ruiten kunnen beslaan als de lucht lange tijd wordt gerecirculeerd. 125
Uit Druk deze toets in om het systeem uit te schakelen; het controlelampje in de toets zal nu gaan branden. Druk de toets nogmaals in om het systeem in de vorige bedrijfsfunctie in te schakelen. Economische functie Druk de toets in om de economische functie te kiezen. De airconditioning wordt nu uitgeschakeld. Dit verlaagt de belasting van de motor, en vermindert daarom het brandstofverbruik. Ontdooifunctie Als de voorruit beslaat of met ijs is E80986 bedekt, drukt u deze toets in, waarna het systeem onmiddellijk al zijn vermogen zal aanwenden om de voorruit zo snel mogelijk doorzichtig te maken. Het systeem doet dit door: de aanjagersnelheid op het benodigde niveau in te stellen; de luchtstroom alleen naar de voorruit te verdelen; de luchtrecirculatie uit te schakelen (onder bepaalde omstandigheden); zowel de voor- als achterruitverwarming in te schakelen (of hun op tijd ingestelde bedrijfscyclus zal opnieuw beginnen, mochten zij reeds zijn ingeschakeld). U kunt de ontdooifunctie uitschakelen door de toets een tweede keer in te drukken (of op AUTO of een andere luchtverdelingstoets te drukken). De voor- en achterruitverwarming blijven ingeschakeld totdat hun inschakelduur verstreken is. Algemene opmerkingen Als u wilt dat het automatische temperatuurregelingssysteem efficiënt functioneert, moeten alle ruiten en het dakraam worden gesloten. Alle luchtinlaten moeten vrij zijn van ijs, sneeuw, bladeren en ander vuil. Onder zeer vochtige omstandigheden kan er lichte condensatie op de voorruit optreden, wanneer u de airconditioning inschakelt. Dit is heel normaal en zal na een paar seconden verdwijnen. Als de motor uitgeschakeld is, zal de airconditioningcompressor niet werken. Het overtollige water dat door het ontvochtigingsproces ontstaat, wordt onder het voertuig afgevoerd. Hierdoor kan er een kleine plas water ontstaan wanneer het voertuig stilstaat. VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS De voorruitverwarming functioneert gedurende de ingestelde tijd en schakelt daarna automatisch uit. Verwarmde voorruit Verwarmde achterruit Opmerking: de voorruit- en achterruitverwarming functioneert alleen als de motor draait. VOORZICHTIG Vermijd schade aan de verwarmingselementen en plak geen stickers op de achterruit. U mag ook niet over de binnenkant van de achterruit schrapen of schuurmiddelen gebruiken om de binnenkant van de achterruit schoon te maken. 126
Buitenspiegels De buitenspiegels verwijderen automatisch ijs en condens. De spiegelverwarming wordt geregeld in overeenstemming met de buitentemperatuur en de wisserstand. HULPVERWARMING WAARSCHUWINGEN Als de op brandstof werkende hulpverwarming onlangs is gebruikt, mag u de uitlaat daarvan niet aanraken wanneer er werkzaamheden onder de motorkap worden uitgevoerd. Wanneer u tankt schakelt u het contact uit, zodat de op brandstof werkende hulpverwarming wordt uitgeschakeld. Wanneer de motor bij koud weer wordt gestart, wordt de hulpverwarming automatisch geactiveerd om de motor sneller op te warmen. Als dit gebeurt, ziet u soms uitlaatgassen van onder de motorkap opstijgen. ELEKTRISCH BEDIEND ZONNEDAK WAARSCHUWINGEN Wanneer u het zonnedak sluit, moet u zeer voorzichtig zijn en ervoor zorgen dat er geen lichaamsdelen van inzittenden bekneld raken. Alhoewel er een mechanisme tegen bekneld raken is aangebracht, kan er ernstig letsel optreden. Met het oog op hun veiligheid dient u, wanneer u kinderen zonder toezicht in het voertuig achterlaat, altijd de sleutels uit het contact te verwijderen. VOORZICHTIG Verwijder voor zover dit mogelijk is sneeuw, ijs, vuil, bladeren, enz. van het zonnedakmechanisme voordat u het zonnedak sluit. Als u dit nalaat, kunt u het zonnedakmechanisme beschadigen. E81042 U kunt het zonnedak bedienen terwijl de contactschakelaar in stand I of II staat en tevens 40 seconden nadat u de contactschakelaar in stand 0 hebt gezet, mits u geen voorportier geopend hebt. Het zonnedak openkantelen: druk terwijl het zonnedak dicht is even op de voorkant van de schakelaar. Het dak zal helemaal openkantelen. U kunt het zonnedak vanuit de opengekantelde stand sluiten door de achterkant van de schakelaar ingedrukt te houden. Het zonnedak openen: druk terwijl het zonnedak dicht is even op de achterkant van de schakelaar. Het zonnedak sluiten: druk op de voorkant van de schakelaar. Opmerking: u kunt de beweging van het zonnedak stoppen door de schakelaar nogmaals in te drukken. Opmerking: staat de contactschakelaar niet in stand II, dan zult u de schakelaar ingedrukt moeten houden om het zonnedak te bedienen. 127
Mechanisme tegen bekneld raken WAARSCHUWING Het mechanisme tegen bekneld raken werkt niet wanneer u het zonnedak vanuit de gekantelde stand dichtdoet. Mocht een lichaamsdeel bekneld raken, dan kan het zonnedak ernstig letsel veroorzaken. Controleer altijd eerst of er geen obstakels in de weg zitten, voordat u het zonnedak dichtdoet. Als het zonnedak tijdens het sluiten weerstand ondervindt, zal het systeem de werking onderbreken en gaat het dak een stukje open, om te voorkomen dat er in het zonnedak kwetsbare lichaamsdelen of andere obstakels bekneld raken. Wanneer de beweging door ijs of vuil belemmerd wordt, kunt u het mechanisme tegen bekneld raken tijdelijk opheffen door de voorkant van de schakelaar ingedrukt te houden, terwijl het zonnedak aan het sluiten is. Kalibratie van het zonnedak Als de accu wordt ontkoppeld terwijl het zonnedak open is, moet u het zonnedak misschien opnieuw kalibreren. U kunt dit als volgt doen: 1. Koppel de accu weer vast en zet de contactschakelaar in stand II. 2. Houd de voorkant van de schakelaar 20 seconden ingedrukt. Het zonnedak zal nu gaan bewegen. Blijf de schakelaar ingedrukt houden, totdat het zonnedak een volledige cyclus van openen en sluiten doorlopen heeft. Zodra het zonnedak niet meer beweegt, laat u de schakelaar los. U kunt het zonnedak dan weer normaal gebruiken. Opmerking: de kalibratie werkt niet wanneer de accuspanning te laag is. 128