Producthandleiding Ridder PolyDrive RPD 265702NL - 2017.04 - V03 Lorentzstraat 36-38 3846 AX Harderwijk Postbus 360 3840 AJ Harderwijk Nederland T +31 (0)341 416 854 F +31 (0)341 416 611 I www.ridder.com E info@ridder.com
INHOUDSOPGAVE 1. RICHTLIJNEN, NORMEN EN VOORWAARDEN 1.1 Toegepaste richtlijnen en normen 3 1.2 Gekwalificeerd personeel 3 1.3 Waarschuwing betreffende ontraden gebruik 3 1.4 Garantiebepalingen 3 2. SYMBOLEN, WAARSCHUWINGEN EN VEILIGHEIDSINSTRUCTIES 2.1 Verklaring waarschuwingen (ISO 3864-2) 3 2.2 Symbolen en afkortingen 4 3. PRODUCTDETAILS 3.1 Beschrijving 5 3.2 Toepassing 5 3.3 Afmetingen 6 3.3 Technische specificaties 6 3.5 Identificatie 7 4. MONTAGEINSTRUCTIES 4.1 Speciaal gereedschap en apparatuur 7 4.2 Montageposities 7 4.3 Montage 8 5. AANSLUITINSTRUCTIES 5.1 Elektrisch materiaal 9 5.2 Beveiliging - Voorwaarden en uitgangspunten 9 5.3 Aansluitschema: 3-fase motor 10 5.4 Aansluitschema: 1-fase 3-draads motor 11 5.5 Aansluitschema: 1-fase 5-draads motor 12 6. GEBRUIKSINSTRUCTIES 6.1 Gebruik - Voorwaarden en uitgangspunten 13 6.2 Draairichtingen RPD motorreductor 13 6.3 Bediening 14 6.4 Beveiligingsfuncties en stopfuncties 14 7. INBEDRIJFSTELLINGSINSTRUCTIES 7.1 Inbedrijfstelling - Voorwaarden en uitgangspunten 14 7.2 RLS Eindschakelsysteem 15 7.3 Controle: Aansluitingen en werking 18 7.4 Afstelling RLS eindschakelsysteem 21 7.5 Ontgrendel de Fail Safe stand 23 8. ONDERHOUDSINSTRUCTIES 8.1 Onderhoud 25 9. SERVICE 9.1 Storingen en oplossingen 25 9.2 Technische ondersteuning 26 10. MILIEU 10.1 Afvalverwerking 26 10.2 Buitenbedrijfstelling en demontage 26 2
1.1 Toegepaste richtlijnen en normen 1. RICHTLIJNEN, NORMEN EN VOORWAARDEN De Ridder PolyDrive RPD is in overeenstemming met de bepalingen van de volgende Europese richtlijnen: Machinerichtlijn 2006/42/EG Laagspanningsrichtlijn 2006/95/EG EMC-richtlijn 2004/108/EG De volgende geharmoniseerde normen (of delen van deze normen) zijn van toepassing: NEN-EN-ISO 12100:2010 NEN-EN-IEC 60204-1 NEN 82079-1 (62079: 2001) NEN5509 ISO 3864-2 Dit product mag pas in bedrijf worden genomen als is vastgesteld dat de installatie, waarin deze wordt ingebouwd, voldoet aan de bepalingen van de daarvoor geldende normen en richtlijnen. 1.2 Gekwalificeerd personeel Deze producthandleiding bevat belangrijke informatie voor installateurs over de installatie en inbedrijfstelling van een PolyDrive RPD. Lees eerst deze producthandleiding en instructies voordat de werkzaamheden beginnen. Gekwalificeerde, en vakbekwame, mechanische en/of elektrische installateurs moeten alle werkzaamheden verantwoord en veilig uitvoeren. 1.3 Waarschuwing betreffende ontraden gebruik De volgende voorwaarden gelden bij toepassing van de RPD. De constructie van de RPD mag niet worden aangepast of gewijzigd. De RPD mag niet worden gebruikt voor het heffen en verplaatsen van personen. Het maximale koppel van de RPD mag niet worden overschreden. De maximale inschakelduur van de RPD mag niet worden overschreden. Zie 3.2 voor een beschrijving van het beoogd gebruik van de RPD. 1.4 Garantiebepalingen U vindt de garantieperiode en -voorwaarden in de Algemene voorwaarden via de website www. ridder.com, of in de Ridder catalogus. 2. SYMBOLEN, WAARSCHUWINGEN EN VEILIGHEIDSINSTRUCTIES 2.1 Verklaring waarschuwingen (ISO 3864-2) Deze producthandleiding bevat tips, opmerkingen en waarschuwingen, onderverdeeld in verschillende gradaties. Hieronder volgt een overzicht en beschrijving van de betekenis hiervan. Suggestie om een handeling doelmatiger te kunnen uitvoeren. Schade of problemen kunnen ontstaan, indien een handeling onjuist wordt uitgevoerd. Gering letsel, indien het gevaar niet wordt vermeden. 3
Aanzienlijk letsel, mogelijke dood tot gevolg, indien het gevaar niet wordt vermeden! 2.2 Symbolen en afkortingen Deze paragraaf vertelt over gebruikte symbolen en afkortingen in deze handleiding. De volgende tabel geeft de beschrijvingen. Symbool Beschrijving Symbool Beschrijving A1, B1 Bedrijfsschakelaar RLS P71, P72 Contacten automaatsturing (ACS) A2, B2 Beveiligingsschakelaar RLS PE Randaarde A, B Eindschakelaar PTC PTC thermistor ACS Dir A, B Automatische besturing Draairichting A, B PTO Thermische Overbelastingsschakelaar EM, M Elektromotor Q41 MPCB F1 Zekering Q41/1 Hulpcontact Q41 K11 Hulprelais (beveiligingsschakelaars) RLS Ridder Limit Switch (eindschakelaar) K11/1 Hulpcontact K11 RPD Ridder PolyDrive (motorreductor) K11/2 Hulpcontact K11 RPG Ridder PolyGearbox (reductor) K21, K22 Omkeerrelais voor draairichting (3-fase) S11 Handschakelaar (overbrugging beveiligingscircuit) L1, L2, L3 Spanningsbron S111 Handschakelaar (MC) MC Handbediening T1, T2 Aansluiting PTC MPCB Motorbeveiligingsschakelaar U1 Veiligheidstransformator (EN 61558) N Nulleider U1, U2, V1, P21/1 Hulpcontact K21 W1, W2 Motor aansluiting P22/1 Hulpcontact K22 4
3.1 Beschrijving 3. PRODUCTDETAILS De RPD aandrijvingen hebben een gesloten behuizing en een afgedicht eindschakelsysteem. De aandrijvingen zijn toepasbaar bij omgevingstemperaturen van 0-60 C. Een expansieruimte met membraan houdt de druk van de olie in de aandrijving laag, ook bij hoge temperaturen. Een ontluchtingsplug is dan ook niet nodig. De reductor houdt daardoor de olie in optimale conditie, is regen- en windbestendig en is in alle posities te monteren. Alle RPD aandrijvingen zijn uitgevoerd met een dubbelzijdig uitgaande as en een zelfremmende wormwieloverbrenging. Deze 2-traps overbrenging garandeert een gesperde positie van de aandrijfas bij stilstand van de aandrijving. De RPD is leverbaar in 115, 208-480, 230, 400 en 600 VAC uitvoeringen met een koppel van 150, 300 of 450 Nm (zie 3.5). Een RPD heeft de mogelijkheid tot handaandrijving door middel van een zeskant in de as van de elektromotor. De RPD aandrijvingen zijn uitgerust met een lineair eindschakelsysteem met bedrijfsschakelaars, beveiligingsschakelaars en een Fail Safe mechanisme. Het Fail Safe mechanisme vergrendeld de eindschakelaar. Het maximale schakelbereik (minimum-maximum) van het eindschakelsysteem is 1-38 omwentelingen van de aandrijfas bij 3 omw/min. of 3-63 omwentelingen bij 5 omw/min. Uitvoeringen met 150 Nm en 3 omw/min. (150-3, 1-fase 3-draads) zijn thermisch beveiligd door een PTO schakelaar. RPD aandrijvingen zijn uitgevoerd met een lichtgewicht aluminium behuizing en worden geleverd met spieën en bevestigingsmaterialen. 3.2 Toepassing RIDDER POLYDRIVE RPD: Een RPG met een geassembleerde Ridder elektromotor. De RPD aandrijvingen worden toegepast in foliekassen voor het aandrijven van ventilatiesystemen en rolschermsystemen. Andere toepassingen vereisen toestemming van. 1 Doorlopende ventilatie 2 Trek-duw scherming Zijgevelventilatie met loopwagen Zijgevelventilatie met schuifcardanas 5
3.3 Afmetingen 105 A-A 143 219 98 148 M16x1,5 48 39 62 59 40 28 A A 187 30 M10x25 (4x) 35 472 212 75,5 151 126,5 71,5 75 75,5 92,5 M20x1,5 22 Opmerking: De afmetingen en illustraties zijn bij benadering. 3.3 Technische specificaties Mechanisch Koppel Toerental Overbrengingsverhouding Rotatiebereik tussen eindstanden Aandrijving Afmeting (b x h x d) Gewicht Elektrisch Voedingsspanning Vermogen Inschakelduur Kabelwartel (RPG) Kabelwartel (EM) Omgeving Beschermingsklasse Omgevingstemperatuur 150, 300 of 450 Nm 3 of 5 omw/min. i = 1:443 (3 omw/min.), i = 1:286 (5 omw/min.) 3 omw/min.: 1-38 omw (minimum-maximum) 5 omw/min.: 3-63 omw (minimum-maximum) Zelfremmend 472 mm x 262,5 mm x 241 mm (bij benadering) 14,4-18,8 kg 115, 230 V AC (1-fase) of 208-480, 400, 600 V AC (3-fase) 0,18 kw, 0,25 kw of 0,37 kw Geschikt voor discontinu bedrijf, bedrijfsklasse s3 35%, maximaal 25 minuten M16x1,5 mm, Ø5,0-10,0 mm, aandraaimoment 2,5 Nm M20x1,5 mm, Ø 6,0-12,0 mm, aandraaimoment 5 Nm IP55 0-60 C (32-140 F) 6
3.5 Identificatie Deze producthandleiding is uitsluitend van toepassing op: Ridder PolyDrive-RPD motorreductoren Serienummers vanaf 200.900.000 Artikelnummers vanaf 506000. VOORBEELD Ê Identificatie is mogelijk vanaf de sticker op de aangegeven plaats. Zie de volgende uitleg over hoe de informatie te lezen. Voor meer informatie over artikelnummers en uitvoeringen zie de Ridder catalogus of de website www.ridder.com. 3C: CCC keurmerk Alternatieven: U (UL), C (CSA), CU (CSA/UL) 5/8-16: Kettingwielen 5/8 x 3/8, 16 tands 38: Eindschakelaarbereik motorreductor Alternatieven: 63 115: Netspanning 115 V Alternatieven: 208-480, 230, 380, 400 of 600 18: Motorvermogen in daw Alternatieven: 25 of 37 3: Toerental aandrijfas bij 50 Hz in omw/min Alternatieven: 5 150: Aandrijfmoment RPD motorreductor in Nm Alternatieven: 300 of 450 RPD: Algemene aanduiding Ridder PolyDrive-RPD motorreductoren 4. MONTAGEINSTRUCTIES 4.1 Speciaal gereedschap en apparatuur Voor het monteren van een RPD is geen speciaal gereedschap en apparatuur nodig. 4.2 Montageposities RPD motorreductoren kunnen in alle gewenste posities gemonteerd worden. 7
4.3 Montage Maak gebruik van bouten M10x25 (3x) met de ringen voor het bevestigen van een RPD aan een montageplaat of loopwagen. Gebruik hierbij een aandraaimoment van 45 Nm. Toepasselijke montageplaten zijn in verschillende afmetingen leverbaar. Zie de Ridder catalogus of de website www.ridder.com voor meer informatie. Zorg bij montage van een montageplaat voor een stabiele en toegankelijke bevestiging aan de (gebouw)constructie. M10 (3x) (295159) 45 Nm M10 x 25 (3x) (291390) RLS Optie: Haakse montageplaat 1 Optie: Rechte montageplaat of loopwagen Zorg voor een stabiele bevestiging zodat de door de RPD geleverde krachten en aandrijfmomenten voldoende worden opgevangen door de (gebouw)constructie, de montageplaat of het loopwagen systeem. 2 Zorg bij montage dat het deksel van de RLS alsmede de motoraansluitingen goed toegankelijk blijven zodat het aansluiten en afstellen geen problemen oplevert. 8
5.1 Elektrisch materiaal 5. AANSLUITINSTRUCTIES Voor de kabels in de algemene aansluitschema s 5.3, 5.4 en 5.5 is een geleiderdoorsnede van 1,5 mm² van toepassing. Voor de toegepaste componenten, elektrisch materiaal en kabellengtes kan de noodzakelijke geleiderdoorsnede afwijken. Zie altijd de gegevens en bijbehorende handleidingen. Motorstroomaansluiting via de RLS is niet toegestaan! Het eindschakelsysteem is geschikt voor de volgende stromen: < 1 A bij 24 V AC of < 100 ma bij 230 V. De elektromotor (EM) heeft een kabelwartel M20x1,5 mm om de motoraansluitingen en PTC kabels (indien van toepassing) door te voeren. Voor het doorvoeren van de RLS kabels heeft de reductor een kabelwartel van M16x1,5 mm. Om aan IP classificatie(s) te voldoen, zie de specificaties (Ø/Nm) in 3.4! Gebruik alleen afgestemde componenten en elektrisch materiaal. Zie de gegevens van de componenten en het elektrisch materiaal. De RLS is niet geschikt voor motorstroomaansluiting via de eindschakelunit. 5.2 Beveiliging - Voorwaarden en uitgangspunten De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de aansluitschema s. De installateur dient zorg te dragen dat een motorbeveiligingsschakelaar (MPCB) en overige noodzakelijke beveiligingen toegepast worden. Niet weergegeven beveiligingen worden door de installateur in de schema s opgenomen. De volgende waarschuwingen dienen altijd opgevolgd te worden. Elektrische aansluitingen mogen uitsluitend worden aangelegd door een elektrotechnisch installateur of electricien. Voor installatie en onderhoudswerkzaamheden moet de voeding spanningsloos worden geschakeld. De Motorbeveiligingsschakelaar (Q41) dient door de installateur ingesteld te worden op de waarde van de nominale stroom van de elektromotor. Controleer altijd of de toegepaste beveiligingen voldoen aan de, lokale of nationale, wetten en regelgeving van het land! 9
5.3 Aansluitschema: 3-fase motor Draairichting omkeren: Verwissel U1 en V1 op het klemmenblok (EM). Schakelrichting omkeren: Verwissel aansluitingen 1 en 3, plus 2 en 4 van de RLS. 10
5.4 Aansluitschema: 1-fase 3-draads motor Draairichting omkeren: Verwissel V1 en W1 op het klemmenblok (EM). Schakelrichting omkeren: Verwissel aansluitingen 1 en 3, plus 2 en 4 van de RLS. 11
5.5 Aansluitschema: 1-fase 5-draads motor Draairichting omkeren: Verwissel V1 en W2 op het klemmenblok (EM). Schakelrichting omkeren: Verwissel aansluitingen 1 en 3, plus 2 en 4 van de RLS. 12
6.1 Gebruik - Voorwaarden en uitgangspunten 6. GEBRUIKSINSTRUCTIES Bij het gebruik van de RPD zijn de volgende voorwaarden en uitgangspunten van toepassing. Thermische beveiliging Voeding Een motor kan automatisch starten en stoppen zonder waarschuwing! De voedingsspanning blijft hierbij echter altijd aanwezig! Om letsel te voorkomen, schakel de voedingsspanning uit bij werkzaamheden en onderhoud. Neem tijdens bedrijf de noodzakelijke beschermende voorzorgsmaatregelen! Een aandrijving kan hoge temperaturen bereiken. Neem de noodzakelijke beschermende voorzorgsmaatregelen om letsel te voorkomen! Schakel de voeding uit bij werkzaamheden of onderhoud aan de RPD motorreductor of het aangedreven systeem! Wachttijd Wachttijd bij omkeren draairichting: Bij het omkeren van de draairichting moet de wachttijd circa 2 seconden zijn. 6.2 Draairichtingen RPD motorreductor In de volgende afbeelding zijn de draairichtingen A en B weergegeven van: 1. De ingaande as (draairichting van de motor) 2. De wormoverbrenging 3. Het RLS eindschakelsysteem. De schakelmoeren bewegen in gelijke richting (A of B) 4. De uitgaande assen. Zie A en B op het huis van de reductor. 13
6.3 Bediening Een RPD motorreductor kan bediend worden door een intelligente besturingseenheid (Ridder MotorControl RMC). Bediening is ook mogelijk in combinatie met één of twee van de volgende besturingscomponenten: Automatische besturing (ACS) Handbediening (MC). Zie de Ridder catalogus of de website www.ridder.com voor meer informatie. Zie altijd de handleidingen van de toegepaste besturingen. 6.4 Beveiligingsfuncties en stopfuncties De RPD heeft de volgende beveiligingsfuncties en stopfuncties. 1. Stoppen op een afgestelde eindstand bij het bedienen van een bedrijfsschakelaar. 2. Stoppen door een beveiligingsschakelaar indien de bedrijfsschakelaar niet onderbreekt. 3. Onderbroken houden van bedrijfsschakelaars en beveiligingsschakelaars (Fail Safe: mechanische beveiliging) wanneer het eindschakelsysteem, onbedoeld en niet opgemerkt, te ver draait. 4. Een gesperde positie van de aandrijfas, bij een gestopte aandrijving, door een zelfremmende wormwieloverbrenging. 5. De uitvoering met 150 Nm en 3 omw/min. (150-3, 1-fase 3-draads) is beveiligd tegen thermische overbelasting door een in de elektromotor geïntegreerde PTO schakelaar. 7. INBEDRIJFSTELLINGSINSTRUCTIES 7.1 Inbedrijfstelling - Voorwaarden en uitgangspunten Het is van belang de werking van het RLS eindschakelsysteem in 7.2 volledig te begrijpen. Volg daarna de procedures in 7.3, 7.4 en indien nodig 7.5. De volgende waarschuwingen dienen altijd opgevolgd te worden. De installateur dient voor vrijgave van het systeem altijd zorg te dragen voor het correct afstellen van de eindschakelaar. Overschrijd de uiterste standen van het systeem niet bij elektrische of handmatige (met de zeskant in de as van de elektromotor) bediening van de motor. Dit voorkomt schade of letsel! 14
7.2 RLS Eindschakelsysteem 1. Draadas 2. Kartelring 3. Stelring 4. Schakelmoer 5. Schakelveer 5a. Hefdeel 5b. Vergrendelstuk 6. Aanslag 7. Stiftsleutel 2 mm 8. Schakelnok 9. Vergrendelpal 10. Aansluitklemmen (0,8-1,5 mm²) 11. Behuizing (draaipunt) 12. Wormoverbrenging a. Stelschroef A1. Bedrijfsschakelaar B1. Bedrijfsschakelaar A2. Beveiligingsschakelaar B2. Beveiligingsschakelaar Bedrijfsschakelaar Bedrijfsschakelaar Beveiligingsschakelaar 7.2.1 Spanningsbereik en stroom De contacten in de schakelaars, in het eindschakelsysteem, zijn geschikt voor de volgende stromen: 24 V AC, tot 1 A 230 V, tot 100 ma. 7.2.2 Eindschakelsysteem Het eindschakelsysteem is een lineair schakelsysteem, dat ontwikkeld is voor gebruik in de RPD motorreductoren. Het eindschakelsysteem wordt, met een overbrenging, door de tussenas van de motorreductor aangedreven. Het aantal omwentelingen van de uitgaande as is tussen de eindstanden in te stellen. Het maximale schakelbereik (minimum-maximum) van het eindschakelsysteem bedraagt 1-38 (3 omw/min) of 3-63 (5 omw/min) omwentelingen van de aandrijfas. 7.2.3 Aflevering Een Ridder motorreductor wordt geleverd met eindschakelsysteem met schakelmoeren (4). De stelringen (3) zijn niet vastgezet. De aandrijving kan vrij draaien in de twee richtingen. 7.2.4 Aansluitingen Uitgangspunt voor een correcte en volledige werking van het eindschakelsysteem is het aansluitschema in 5.3, 5.4 of 5.5. Alle bedrijfsschakelaars en beveiligingsschakelaars moeten zijn aangesloten. Het eindschakelsysteem heeft een klemmenstrook met zes aansluitklemmen (0,8-1,5 mm²). 15
7.2.5 Werking In bedrijf (tussen de eindstanden) De reductor drijft de draadas (1) van het eindschakelsysteem via een wormoverbrenging (12) aan. De schakelmoeren (4) bewegen lineair langs de draadas (1). Opmerking: Het uitgangspunt is met de schakelmoeren (4) in vergrendelstand. Zie 7.2.6 voor meer informatie over het vergrendelsysteem van de schakelmoeren (4). Bedrijfsschakelaar Bereikt een schakelmoer (4) de eindstand dan raakt deze de aanslag (6). Vervolgens draait de schakelmoer (4) met de draadas (1) mee. De schakelnok (8) verplaatst het hefdeel (5a). De schakelveer (5) bedient de bedrijfsschakelaar (A1 of B1). De motorreductor stopt. Beveiligingsschakelaar Indien een storing van de bedrijfsschakelaar optreedt, bedient de schakelveer (5) de beveiligingsschakelaar (A2 of B2). Dit zorgt dat de motorreductor stopt. Het voorkomt gevolgschade aan het systeem. Fail Safe Indien de RPD te ver gedraaid wordt, onbedoeld en niet opgemerkt, vergrendeld de schakelveer (5) mechanisch (Fail Safe). Vergrendelpal (9) beweegt onder het vergrendelstuk (5b). Verplaatsing van de schakelnok (8) boven het hefdeel (5a) is mogelijk. Zie 7.5 om het systeem te ontgrendelen. 16
7.2.6 Schakelmoeren - Vergrendelsysteem Lees de informatie en instructies en volg ze op! Ze zijn altijd van toepassing (in inbedrijfstellingsprocedures) op de vergrendelstand van de schakelmoeren. De schakelmoeren, op de draadas (1), hebben twee delen. Een kartelring (2) en een stelring (3). De stelring (3) moet, indien in bedrijf, vergrendeld zijn op de kartelring (2). Opmerking: In de volgende procedure is de positie van de punten Y en Z onbekend. Deze kunnen afwijken van de afbeelding. Instructies - Vergrendelstand Plaats de stiftsleutel (7) met het langste eind in de stelschroef (a). Draai de stelschroef (a) met de klok mee totdat de bovenkant gelijk ligt met de bovenkant van de stelring (3). Identificeer dit punt als Y. Draai vanaf punt Y de stelschroef (a) 180 met de klok mee naar punt Z. De stelring (3) kan op dit moment niet om de kartelring (2) draaien. 17
7.3 Controle: Aansluitingen en werking Voor de controle, van een correcte aansluiting en werking zijn de volgende voorwaarden en uitgangspunten van toepassing. Controlevolgorde: Controle is mogelijk van eindschakelaars A naar B of van B naar A. In deze handleiding wordt eerst eindschakelaar A gecontroleerd en daarna eindschakelaar B. 7.3 en 7.4 (controle en afstelling) worden bij voorkeur direct na elkaar uitgevoerd. Uitgangspunt voor een correcte en volledige werking is het aansluitschema in 5.3, 5.4 of 5.5. Alle bedrijfsschakelaars en beveiligingsschakelaars dienen te zijn aangesloten. Plaats het systeem in een positie waar het aansturen van de motor geen schade aan het systeem kan veroorzaken. u Beschrijving Doe als volgt voor A. 1 Draai de kartelring (2), op de draadas (1), in de richting van de aanslag (6). Plaats de schakelmoer (4) op een kleine afstand van de aanslag (6). Vergrendel de stelring (3) met de stelschroef (a). Zie 7.2.6! 2 Laat de motor draaien in de richting A. MOTOR STOPT - Ga naar stap 4. MOTOR STOPT NIET - Ga naar stap 3. 3 4 Doe een controle op een correct en volledig aangesloten schema ( 5.3, 5.4 of 5.5). Opmerking: Let op A1, B1, A2 en B2. CORRECT - Neem contact op met de leverancier. NIET CORRECT - Sluit schema correct en volledig aan. Ga naar stap 1. Probeer de motor te laten draaien in de (tegengestelde) richting B. MOTOR DRAAIT - Ga naar stap 4-A. MOTOR DRAAIT NIET - Ga naar stap 4-B. 18
4-A Draait de motor richting B, dan is de bedrijfsschakelaar A1 bediend. De aansluiting en werking voor richting A is correct. Ga naar stap 10. 4-B Draait de motor niet, dan is de beveiligingsschakelaar A2 bediend. A1 en B1 zijn verkeerd aangesloten (verwisseld). Ga naar stap 5. 5 Verwissel bij de aansluitklemmen van de RLS: Aansluitingen 1 en 3 Aansluitingen 2 en 4. 6 Ontgrendel de schakelmoer A. Herhaal stap 1 voor schakelmoer A. Laat de motor draaien in de richting A. 7 MOTOR STOPT - Ga naar stap 8. MOTOR STOPT NIET - Neem contact op met de leverancier. 8 Probeer de motor te laten draaien in de (tegengestelde) richting B. MOTOR DRAAIT - De aansluiting en werking voor richting A is correct. Ga naar stap 10. MOTOR DRAAIT NIET - Ga naar stap 9. 19
9 Doe een controle van de toestand van de bedrading. GOED - Neem contact op met de leverancier. NIET GOED - Vervang of repareer de bedrading. Herhaal stap 8. 10 Herhaal stap 1 voor schakelmoer B. Laat de motor draaien in de richting B. 11 MOTOR STOPT - Ga naar stap 12. MOTOR STOPT NIET - Neem contact op met de leverancier. 12 13 Probeer de motor te laten draaien in de (tegengestelde) richting A. MOTOR DRAAIT - De werking (en aansluiting) voor richting B is correct. Ga naar stap 14. MOTOR DRAAIT NIET - Ga naar stap 13. Doe een controle van de toestand van de bedrading. GOED - Neem contact op met de leverancier. NIET GOED - Vervang of repareer de bedrading. Herhaal stap 12 14 De controle van de aansluitingen en werking van de RLS is afgerond. 20
7.4 Afstelling RLS eindschakelsysteem De volgende voorwaarden en uitgangspunten zijn van toepassing. De controle van de draairichting van de motorreductor is voltooid in 5.3 tot en met 6.3. De controle van aansluitingen en werking van de RLS in 7.3 is voltooid. Voer de afstelprocedure ( 7.4) uit direct na de controle procedure ( 7.3). De afstelvolgorde kan van eindstand A naar B of van B naar A zijn. u Beschrijving Laat het systeem naar een eindstand (A of B) draaien. 1 Overschrijd de uiterste standen van het systeem niet bij bediening van de motor. Dit voorkomt schade of letsel! Van de bijbehorende eindschakelaar (A of B): 2 Draai de kartelring (2), op de draadas (1), in de richting van de aanslag (6). Draai de kartelring (2) met de hand vast tegen de aanslag (6). 3 Draai de stelring (3) in de tegengestelde richting van de kartelring (2). De bedrijfschakelaar (A1 of B1) wordt bediend door de schakelnok (8) en schakelveer (5). Houd de stelring (3) op deze stand en ga naar stap 4. 21
4 Vergrendel de stelring (3) met de stelschroef (a). Zie 7.2.6! Ga naar stap 5 om de tegenoverliggende eindstand (A of B) in te stellen. Ga naar stap 7 indien de twee eindstanden zijn ingesteld. Herhaal stap 1 voor de tegenoverliggende eindstand (A of B). Zorg er voor dat de kartelringen (2) elkaar niet raken. Dit voorkomt schade aan het eindschakelsysteem! >2 mm! 5 Zorg altijd voor een afstand van meer dan 2 mm tussen de kartelringen (2). Opmerking: Op het 2 mm punt is het schakelbereik maximaal. Meer dan het maximale schakelbereik instellen (afstand kleiner dan 2 mm) is niet toegestaan. Dit maakt de RPD ook niet toepasbaar voor het systeem! 6 Herhaal stap 2 tot en met 4 om de tegenoverliggende eindstand (A of B) in te stellen. 7 Doe altijd een controle op correcte werking van het eindschakelsysteem, nadat de twee eindposities zijn afgesteld! De procedure voor het afstellen van het eindschakelsysteem is voltooid. 22
7.5 Ontgrendel de Fail Safe stand Uitgangspunt: De schakelnok (8) is niet in de positie onder het hefdeel (5a). Sla stap 3 over indien de schakelnok (8) onder het hefdeel (5a) is gebleven. u 1 Beschrijving Indien een Fail Safe is opgetreden, heeft het systeem mogelijk de uiterste standen overschreden. Er is een risico op een systeem in een beschadigde of gevaarlijke staat! Doe een controle van de toestand van het systeem. Zorg dat het systeem veilig bediend kan worden. Dit voorkomt schade of letsel! 2 Indien nodig, draai de schakelmoer handmatig verder (in dezelfde richting dan de Fail Safe) en maak stelschroef (a) bereikbaar voor de stiftsleutel (7). Draai de stelschroef (a) ongeveer 360 los (tegen de klok in). Zorg dat de stelring (3) vrij kan draaien. Hef het hefdeel (5a) maximaal met de stiftsleutel (7) en houd deze stand vast. Gebruik de rand van de behuizing (11) als draaipunt. Zie afbeelding 3A. Opmerking: Plaats de stiftsleutel niet te ver onder het hefdeel (5a). Draai alleen de stelring (3), met de hand, in de richting van het hefdeel (5a). De kartelring (2) moet op zijn positie (tegen de aanslag) blijven staan. Plaats de schakelnok (8) onder het hefdeel (5a) en verwijder de stiftsleutel (7). Het vergrendelstuk (5b) gaat terug naar de Fail Safe stand. Zie afbeelding 3B. 3 4 Gebruik de stiftsleutel (7) om het systeem te ontgrendelen. Druk deze tussen het vergrendelstuk (5b) en de vergrendelpal (9). De schakelveer (5) gaat terug naar de stand welke wordt gebruikt in bedrijf. 23
5 Zorg dat de eindstanden opnieuw afgesteld worden. Dit voorkomt aanzienlijk letsel of mogelijke dood. Ga naar 7.4. Volg de procedure voor het afstellen van de eindstanden! De procedure voor het ontgrendelen van de Fail Safe stand is voltooid. 24
8.1 Onderhoud 8. ONDERHOUDSINSTRUCTIES De RPD is in principe onderhoudsvrij. Het is aan te bevelen om iedere 6 maanden de volgende controles uit te voeren: Mechanische omstandigheden (slijtage, correct bevestigd). Ingestelde eindposities (zijn deze nog steeds correct voor het systeem). Inspectie en onderhoudswerkzaamheden zijn alleen toegestaan aan gekwalificeerd personeel. 9.1 Storingen en oplossingen 9. SERVICE Deze paragraaf beschrijft mogelijke problemen en hun oplossingen. Staat een probleem niet in de volgende lijst, neem dan contact op met de leverancier of de fabrikant. Storing 1 Constatering 1 Oorzaak 1 Oplossing 1 Oorzaak 2 Oplossing 2 Oorzaak 3 Oplossing 3 Oorzaak 4 Oplossing 4 Storing 2 Constatering 2 Oorzaak 1 Oplossing 1 Oorzaak 2 Oplossing 2 De RPD reageert niet op aanstuursignalen. De RPD werkt niet. Een probleem met de aansluitingen of kabels. Controleer de aansluitingen en bekabeling en herstel deze indien nodig. Beveiligingsschakelaar A2 of B2 is actief. De schakelrichting is niet correct. Verwissel bij de aansluitklemmen (10) van de RLS de aansluitingen 1 en 3 gevolgd door aansluitingen 2 en 4. Een bedrijfsschakelaar (A1 of B1) is defect. Vervang de RLS. A1 is defect indien A2 door schakelveer (5) is bediend. B1 is defect indien B2 door schakelveer (5) is bediend. Het systeem is vergrendeld in de Fail Safe stand. Zie 7.5 om het systeem te ontgrendelen. Daarna moeten de eindstanden opnieuw afgesteld worden! De RPD heeft geen aandrijving. Elektromotor (EM) draait, uitgaande as RPG draait niet. Elektromotor is defect. Controleer de elektro motor (EM) en vervang deze indien defect. Mechanisch defect. Demonteer de elektromotor (EM). Controleer de spie en vervang deze indien defect.is de spie niet defect, vervang de RPG. 25
9.2 Technische ondersteuning Neem voor technische ondersteuning contact op met uw lokale After Sales contactpersoon. U vindt uw lokale After Sales contactpersoon via de website www.ridder.com. 10.1 Afvalverwerking 10. MILIEU Producten van moeten na einde levensduur worden afgevoerd volgens de geldende landelijke en/of lokale voorschriften. 10.2 Buitenbedrijfstelling en demontage Buitenbedrijfstelling en demontage is alleen toegestaan aan gekwalificeerd personeel. 26
27
www.ridder.com