2.2 Afwijkende mictie Ten gevolge van een aandoening en/of beperking kunnen mictieproblemen ontstaan. Een functiestoornis van de nieren kan leiden tot inadequate urineproductie en daardoor tot vergiftiging van het lichaam. Een functiestoornis van blaas en/of kringspier kan leiden tot incontinentie. Ook aandoeningen en/of beperkingen buiten het urinewegstelsel, zoals immobiliteit, dwarslaesie en leverontsteking kunnen tot verstoring van het normale mictiepatroon leiden. Om te kunnen bepalen of het mictiepatroon verstoord is wordt, naast verdere anamnese, de mictie op de volgende aspecten geobserveerd: hoeveelheid frequentie kleur/helderheid geur pijn. Naast mogelijke problemen op medisch terrein kunnen mictieproblemen leiden tot problemen op het hygiënische vlak en tot psychosociale problemen. In dit laatste verband is het zelfbeeld van de cliënt van groot belang. Het komt veel voor dat de cliënt zich schaamt voor zijn mictieproblemen waardoor het voor de cliënt niet gemakkelijk is om hierover te beginnen. Het is de taak van de verpleegkundige om hier aandacht aan te besteden en attent te zijn op signalen die wijzen op schaamte. Voor een indeling van de belangrijkste mictieproblemen wordt op deze cd-rom gebruik gemaakt van de indeling zoals de North American Nursing Diagnosis Association (NANDA, 2003) deze heeft beschreven. 2.2.1 Frequentie/hoeveelheid Er zijn diverse afwijkende mictiepatronen die te maken hebben met de hoeveelheid en frequentie van plassen, zoals nycturie, polyurie, anurie, oligurie, dysurie en retentie. 2.2.1.1 Nycturie Bij nycturie wordt er s nachts meer urine geproduceerd dan overdag. De cliënt moet s nachts vaak uit bed om te urineren. Nycturie kan veroorzaakt worden door: veel drinken voor het slapen gaan een gestoorde nierfunctie, waarbij de nieren niet het vermogen hebben de urine te concentreren beschadiging in het zenuwstelsel schrompelnieren hartaandoening. Mogelijke verpleegkundige interventies bij nycturie zijn: de cliënt adviseren om een dagboek bij te houden met de frequentie en tijdstippen van urineren en de hoeveelheid urine per keer de arts op de hoogte stellen, zodat hij eventueel medicatie kan voorschrijven. Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 1
2.2.1.2 Polyurie Van polyurie is sprake wanneer de uitgescheiden hoeveelheid urine meer dan 2000 milliliter per etmaal bedraagt. De cliënt moet dikwijls naar het toilet, waar de nachtrust onder kan lijden. Polyurie kan veroorzaakt worden door: veel drinken een zoutinfusie gebruik van stoffen zoals alcohol, cafeïne en diuretica bepaalde ziekten, zoals diabetes mellitus en diabetes insipidus (tekort aan antidiuretisch hormoon) de nieraandoening nefritis, waarbij de urine niet voldoende kan worden geconcentreerd afvoer van vocht bij oedeem. Mogelijke verpleegkundige interventies bij polyurie zijn: geven van informatie over de (mogelijke) oorzaak van de polyurie de cliënt stimuleren extra te drinken om uitdroging te voorkomen de arts op de hoogte stellen. 2.2.1.3 Oligurie Er is sprake van oligurie, als er minder dan 500 milliliter urine per 24 uur wordt geproduceerd, maar meer dan 50 milliliter. Oligurie kan veroorzaakt worden door: vaak overgeven diarree sterke transpiratie bloedverlies een shock koorts hartaandoeningen nieraandoeningen. Mogelijke verpleegkundige interventies bij oligurie zijn: geven van informatie over de (mogelijke) oorzaak van de oligurie acties gericht op het verminderen van de oorzaken de cliënt stimuleren extra te drinken om uitdroging te voorkomen de arts op de hoogte stellen. 2.2.1.4 Anurie Men spreekt van anurie als er minder dan 50 milliliter urine per etmaal wordt geproduceerd en uitgescheiden. Als anurie aanhoudt, ontstaat een levensbedreigende situatie, doordat zich toxische stoffen in het lichaam gaan concentreren. Anurie kan veroorzaakt worden door: ernstige beschadiging van de nieren Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 2
afsluiting van de afvoerwegen van urine. Mogelijke verpleegkundige interventies bij anurie zijn: geven van informatie over de (mogelijke) oorzaak van de anurie de arts op de hoogte stellen het verzorgen van een nefrostomiekatheter assisteren bij nierdialyse. 2.2.1.5 Dysurie Wanneer de urinelozing pijn doet of moeizaam verloopt, is er sprake van dysurie. Dysurie kan veroorzaakt worden door: vernauwing van de urethra prostaatvergroting blaasstenen een blaascarcinoom een urineweginfectie. Mogelijke verpleegkundige interventies bij dysurie zijn: de arts op de hoogte stellen als de cliënt pijn aangeeft bij de urinelozing geven van informatie over de oorzaak van de dysurie observeren van de urine op de aspecten geur, kleur en helderheid de cliënt motiveren om ongeveer 3000 milliliter per etmaal te drinken de cliënt vragen om elke twee à drie uur goed uit te plassen het opvangen van steriele urine ten behoeve van laboratorium onderzoek de cliënt vragen en/of helpen de genitaliën te reinigen met water en weinig zeep. 2.2.1.6 Urineretentie Bij urineretentie blijft na het urineren veel (in het ergste geval alle) urine achter in de blaas. De cliënt voelt wel drang, maar kan niet of niet volledig uitplassen. Afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen vocht raakt de blaas na enige tijd gevuld. De cliënt voelt een voortdurende, sterke aandrang. Hierdoor kunnen verschijnselen optreden als overmatig transpireren, hoofdpijn en misselijkheid. Urineretentie kan veroorzaakt worden door: onvoldoende prikkeling van de zenuwen ten gevolge van anesthesie, waardoor de blaassluitspier aangespannen blijft langdurige bedrust bepaalde medicatie, zoals tranquillizers of antidepressiva obstructie, zoals een tumor, blaasstenen of een vernauwing van de urethra, waardoor de uitscheiding belemmerd wordt afname van de werking van de blaasspier (detrusor) als gevolg van een overmatige uitrekking van deze blaasspier; hierdoor ontstaat het urinedruppelen bij een volle blaas (overloopblaas) obstructie in de verblijfskatheter opeenhoping van feces waardoor druk op de urethra wordt uitgeoefend. Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 3
Mogelijke verpleegkundige interventies bij urineretentie zijn: geven van informatie over wat er aan de hand kan zijn de cliënt adviseren zoveel mogelijk te bewegen de cliënt adviseren staand of zittend te urineren de cliënt adviseren een kraan te laten lopen de cliënt adviseren een warm bad te nemen de cliënt adviseren om de vochtopname te verhogen tot 2000 milliliter per etmaal als bovenstaande maatregelen niet helpen, de arts een medicijn voor laten schrijven dat ervoor zorgt dat de blaas contraheert als bovenstaande maatregelen niet helpen, op voorschrift van de arts, de blaas katheteriseren. 2.2.2 Urine-incontinentie Urine-incontinentie is het onvrijwillige verlies van urine. Eén op de twintig Nederlanders heeft last van incontinentie. Incontinentie is een verschijnsel (symptoom) en geen ziekte. Het is dus van belang de onderliggende oorzaak te onderzoeken. Op grond van kenmerkende verschijnselen worden verschillende soorten incontinentie onderscheiden. Incontinentie brengt voor de cliënt vaak sociale en verzorgingsproblemen met zich mee. 2.2.2.1 Functionele urine-incontinentie Bij functionele incontinentie heeft de cliënt last van onwillekeurige en onvoorspelbare urinelozingen, voordat het toilet bereikt is. De cliënt voelt wel een mictiedrang, maar kan door bepaalde oorzaken het toilet niet op tijd bereiken. Terwijl bij andere incontinentievormen de oorzaak te maken heeft met het urinewegstelsel, ligt de oorzaak bij functionele incontinentie buiten dit urinewegstelsel. Functionele incontinentie kan veroorzaakt worden door: verandering van omgeving verminderd vermogen om zich te verplaatsen emotionele problemen (bijvoorbeeld angst of depressie) verminderd denkvermogen verstoorde functie van de zintuigen. De verpleegkundige interventies ten aanzien van functionele incontinentie beogen de urineincontinentie op te heffen of te verminderen. De activiteiten zullen zich vooral richten op de oorzaak van de functionele incontinentie. observeren wanneer de cliënt incontinent is en dit bijhouden in een schema de cliënt adviseren om een dagboek bij te houden met de frequentie van toiletbezoek, de frequentie van incontinentie en de vochtopname nagaan wat de oorzaak is van de incontinentie (bijvoorbeeld een urineweginfectie, polyurie, retentie, medicatie) nagaan of er sprake is van andere typen incontinentie nagaan of er omgevingsfactoren zijn die invloed kunnen hebben op de incontinentie, zoals slecht licht, gebrek aan privacy, het vaak bezet zijn van het toilet, de toilethoogte of een gebrek aan advies Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 4
belemmeringen om toilet te gebruiken verminderen: verwijderen van obstakels in de gang naar het toilet, de cliënt adviseren om kleding te dragen die gemakkelijk is uit te trekken vragen aan de cliënt om elke twee uur naar het toilet te gaan en de blaas voor het slapen gaan en na het ontwaken te legen bewaken van voldoende vochtinname door de cliënt aandacht besteden aan de psychosociale problemen van de incontinentie. 2.2.2.2 Reflex urine-incontinentie Bij reflexincontinentie heeft de cliënt last van onwillekeurig verlies van urine. De cliënt voelt niet dat de blaas gevuld is en ervaart geen aandrang. De blaas leegt zich met regelmatige tussenpozen door ongecontroleerde blaasspiercontracties. De oorzaak van reflexincontinentie is een defect aan het ruggenmerg, waardoor een neurologische stoornis optreedt. De reflexen tussen de blaas en het ruggenmerg zijn daarbij onbeschadigd, maar het samenspel met de hersenen is verstoord. Bij cliënten met een dwarslaesie, multiple sclerose en een tumor in het ruggenmerg komt reflexincontinentie vaak voor. De verpleegkundige interventies in verband met reflexincontinentie beogen de reflexincontinentie meer gecontroleerd te laten verlopen en de gevolgen van de incontinentie te verminderen. de cliënt aanleren de mictie op te wekken door middel van prikkeling van de huid, de zogenaamde kloptherapie inschakelen van een andere discipline voor een eventuele blaastraining de cliënt zelf intermitterende katheterisatie leren de cliënt instrueren om minimaal eens in de drie uur te urineren ter preventie van overvulling van de blaas de cliënt informeren over de mogelijke complicaties bij overvulling: verhoogde bloeddruk, bradycardie, transpireren, wazig zien, hoofdpijn, angst de cliënt instrueren wat te doen bij het optreden van de complicaties bij overvulling: bloeddruk controleren en katheteriseren aandacht besteden aan de psychosociale problemen van de incontinentie begeleiden van de cliënt bij de door de arts vastgestelde behandeling. 2.2.2.3 Stressincontinentie Bij stressincontinentie verliest de cliënt onwillekeurig kleine hoeveelheden urine bij plotselinge drukverhoging in de buik, bijvoorbeeld bij niezen, hoesten, lachen en bewegen. De drukverhoging in de blaas kan niet voldoende worden opgevangen door de blaassluitspier. Stressincontinentie wordt ook wel inspanningsincontinentie genoemd en komt vooral bij vrouwen voor. De oorzaak van stressincontinentie is een verminderde functie van de bekkenbodemspieren. Een zwakke bekkenbodem kan veroorzaakt worden door: overgewicht zwangerschap ouderdom buik(baarmoeder)operatie verzakking van blaas of baarmoeder. Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 5
Bij vrouwen kan een tekort aan oestrogenen (vrouwelijke hormonen) ervoor zorgen dat de sluitspieren van de blaas minder goed werken. Daardoor kan tijdens of na de overgang een bestaande lichte stressincontinentie nog iets verergeren. De verpleegkundige interventies in verband met stressincontinentie beogen het verminderen van de stressincontinentie en het verminderen van de gevolgen van de stressincontinentie de cliënt oefeningen aanleren waarmee zij de bekkenbodemspieren kan versterken de cliënt instrueren hoe zij drukverhoging in de buik kan beperken, bijvoorbeeld: langzaam gaan staan, niet hard hoesten, voorlichting geven over geschikt opvangmateriaal inschakelen van de fysiotherapeut voor een eventuele blaastraining eventueel verwijzen van de cliënt naar een incontinentieverpleegkundige aandacht besteden aan de psychosociale problemen van de incontinentie de cliënt aanmoedigen om zijn gevoelens ten aanzien van stressincontinentie te verwoorden. 2.2.2.4 Urge-incontinentie Bij urge-incontinentie verliest de cliënt onwillekeurig urine, nadat hij een plotselinge sterke drang tot urineren heeft ervaren. De cliënt kan deze drang niet onderdrukken, waardoor urineverlies optreedt. Urge-incontinentie kan veroorzaakt worden door: een verminderde blaascapaciteit als gevolg van een blaastumor, een buikoperatie, een infectie of het langdurige gebruik van een verblijfskatheter een verstoorde prikkelgewaarwording als gevolg van een neurologische aandoening een verhoogde prikkelbaarheid van de blaas, bijvoorbeeld als gevolg van een infectie, of als gevolg van alcohol of cafeïne. De verpleegkundige interventies in verband met urge-incontinentie zullen er op gericht zijn om de urine-incontinentie op te heffen of te verminderen. in samenwerking met andere disciplines mogelijke oorzaken vaststellen de cliënt adviseren om een dagboek bij te houden met de frequentie en tijdstippen van incontinentie, de vochtopname en gebeurtenissen voorafgaand aan de incontinentie de cliënt informeren over oorzaak en beïnvloedende factoren de cliënt adviseren om matig alcohol, koffie met cafeïne en cola te nuttigen de hoeveelheid tijd tussen aandrang en urinelozing observeren en registreren blaascapaciteit vergroten door middel van instructie van en begeleiding bij blaastraining (het leren ophouden van de urine) creëren van een omgeving waarin de cliënt snel een toilet kan bereiken of het zorgen voor materialen binnen handbereik van de cliënt de cliënt adviseren om voor het slapen gaan naar het toilet te gaan op de hoogte stellen van de arts, zodat deze eventueel een lichamelijk onderzoek kan verrichten; aandacht besteden aan de psychosociale problemen van de incontinentie eventueel verwijzen van de cliënt naar een incontinentieverpleegkundige. Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 6
2.2.2.5 Volledige incontinentie Bij volledige incontinentie verliest de cliënt continu en onvoorspelbaar urine. De spieren die verantwoordelijk zijn voor de urinelozing werken niet meer of worden continu geprikkeld, waardoor er continu urinelozing plaatsvindt. De blaas vult zich niet of nauwelijks en de urine loopt gewoon weg. Volledige incontinentie kan veroorzaakt worden door een neurologische stoornis, waarbij de cliënt niet of nauwelijks voelt dat de blaas gevuld is. De onwillekeurige reactie op de prikkel van een gevulde blaas wordt niet of nauwelijks doorgegeven naar de hersenen. Dit kan veroorzaakt worden door: een dwarslaesie multiple sclerose een tumor een operatie bestraling aangeboren afwijking. De verpleegkundige activiteiten in verband met volledige incontinentie zullen er op gericht zijn om de gevolgen van de urine-incontinentie zoveel mogelijk te beperken. Mogelijke activiteiten zijn: gebruik maken van disposable verbanden de huid goed inspecteren bij het gebruik van disposable verbanden en deze huid verzorgen met een crème om huidirritatie te voorkomen de cliënt stimuleren om zoveel mogelijk op het toilet te urineren of in het geval van bedverpleging de po of postoel te gebruiken gebruik maken van een condoomkatheter bij mannelijke cliënten; op voorschrift van de arts, de cliënt intermitterende zelfkatheterisatie laten toepassen, mits de cliënt hiertoe bereid en in staat is op voorschrift van de arts, een verblijfskatheter inbrengen bij de cliënt aandacht besteden aan de psychosociale problemen van incontinentie het verzorgen van een urostoma indien deze door arts is aangelegd inschakelen van een andere discipline voor een eventuele training van de blaas en/of bekkenbodemspieren. Mictie TransferPunt VaardigheidsOnderwijs 7