1 Titel : Protocol Outbreakmanagement CONCEPT Doel: Het signaleren en vaststellen van een epidemische verheffing of uitbraak en het zo snel mogelijk stoppen van verdere verspreiding. Begrippen: Calamiteit: Een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van zorg en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor de patiënt of cliënt van de instelling heeft geleid. Een uitbraak is een calamiteit wanneer de zorginstelling de uitbraak niet meer onder controle kan krijgen en de situatie onbeheersbaar wordt. Epidemische verheffing of uitbraak: Een gebeurtenis waarbij meer gevallen van een micro-organisme of ziekte voorkomt dan normaal verwacht zou worden bij een bepaalde groep mensen in een bepaalde periode. Epidemiologische link: Er is sprake van een epidemiologische link wanneer stammen in eenzelfde tijdsperiode op een zelfde afdeling wordt aangetroffen en op basis van typering (waarschijnlijk) tot dezelfde kloon behoren. Inf@ct: Een elektronische berichtenservice over infectieziekten van het LCI (Landelijke Coördinatie Infectieziekten) SO-ZI/AMR: Het signaleringsoverleg ziekenhuisinfecties/antimicrobiële resistentie (SO-ZI/AMR). De dreiging van uitbraken met (resistente) micro-organismen is voor het Centrum Infectieziekten bestrijding (CIb) en de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM) aanleiding geweest om samen met de Vereniging voor Hygiene & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG) een signaleringsoverleg in te richten voor uitbraken van infecties binnen zorginstellingen. Het SO- ZI/AMR is gestart in april 2012. Surveillance: Het monitoren of systematisch verzamelen van gegevens over infectieziekten/micro-organismen. Werkwijze: Signalering: De specialist ouderengeneeskunde geeft aan de verdenking te hebben van een uitbraak of epidemische verheffing aan de hand van resultaten van microbiologisch onderzoek, eigen surveillance, meldingen vanuit de verschillende huizen, afdelingen. De criteria zoals genoemd in tabel 1 worden hierbij toegepast. Tabel 1. Criteria voor starten outbreakmanagement
2 catagorie Infectieproblematiek Criteria / aantal gevallen waarbij outbreakmanagement start A Aspergillose (invasief) Legionellose Indien bij 1 cliënt geconstateerd en gerelateerd aan besmetting in zorginstelling B Poliomyelitis Indien bij 1 cliënt geconstateerd of verdenking Bacillaire dysenterie Botulisme Buiktyfus Cholera Difterie Gele koorts Miltvuur Hondsdolheid Omithose / Psittacose Pest Rode hond SARS Verocytotoxine producerende E.Coli Virale hemorragische koorts Vlektyfus Influenza (op basis actualiteit) C MRSA BRMO Gastro-enteritis (o.a. Noro virus) Indien bij 2 of meer cliënten in een zelfde tijdsperiode op dezelfde afdeling, een zelfde micro-organisme is geïsoleerd D Hepatitis A Kinkhoest Mazelen Meningokokkose Indien bij 2 of meer cliënten in een zelfde tijdsperiode op dezelfde afdeling geconstateerd. E Overige infectieproblematiek Op basis van bevindingen, op geleide van besluitvorming. Stappenplan: De volgende stappen worden bij een onderzoek van een epidemische verheffing of uitbraak doorlopen. Afhankelijk van de situatie kan worden afgeweken van de volgorde. 1. Vaststellen van een uitbraak De specialist ouderen geneeskunde onderzoekt in overleg met de Arts Microbioloog en Deskundige Infectiepreventie of er sprake is van een epidemische link. Dit is het geval wanneer stammen in eenzelfde tijdsperiode op eenzelfde afdeling worden aangetroffen en op basis van het antibiogram (waarschijnlijk) tot dezelfde kloon behoren. Een epidemiologische link wordt definitief wanneer er uit de typering blijkt dat de stammen identiek zijn. Om ervoor te zorgen dat de juiste cliënten in het onderzoek worden geïncludeerd stellen de specialist ouderengeneeskunde en de deskundige infectiepreventie een casusdefinitie op. (soort micro-organisme; micro-organisme met antibiogram; aard klinische verschijnselen) 2. Vaststellen van de omvang van de uitbraak De deskundige infectiepreventie/kwaliteitsmedewerker brengt met behulp van een epicurve de casus in beeld. In de epicurve wordt de casus in tijd en afdeling weergegeven.
3 Met behulp van de epicurve stellen de deskundige infectiepreventie en de specialist ouderengeneeskunde (eventueel in overleg met de Arts-Microbioloog) de risicoperiode, de risico-afdelingen en de mogelijke bron/index patiënt vast. De deskundige infectiepreventie/specialist ouderengeneeskunde/kwaliteitsmedewerker verzamelt relevante informatie van de bron, zoals kamergenoten. De deskundige infectiepreventie en de specialist ouderengeneeskunde maken een inschatting van de omvang van de uitbraak en de ernst van de situatie. De deskundige infectiepreventie en de specialist ouderengeneeskunde bespreken de noodzaak tot het formeren van een outbreakmanagementteam (OMT). Hierbij word rekening gehouden met de aard van het micro-organisme, de geschatte omvang van het onderzoek en de impact van het onderzoek zowel intern als extern. 3. Instellen outbreakmanagementteam (OMT) De deskundige infectiepreventie/specialist ouderengeneeskunde starten in overleg met de (locatie) manager / (locatie) directeur het outbreakmanagementteam (OMT). De samenstelling en de structuur van het OMT wordt besproken en vastgesteld (taakverdeling, voorzitter, notulist, vergader frequentie, verantwoordelijkheden). De samenstelling van het OMT is afhankelijk van de ernst van de situatie en de geschatte omvang van de uitbraak. Het OMT bestaat uit: de specialist ouderengeneeskunde, de deskundige infectiepreventie, de medisch manager, zorgmanager, zonodig aangevuld met een directielid, zonodig de arts-microbioloog, zonodig de PR functionaris en indien de uitbraak een gevaar is voor de publieke gezondheidszorg de GGD. Voor het eerste OMT-overleg stelt de specialist ouderengeneeskunde met de deskundige infectiepreventie op basis van de beschikbare informatie een plan van aanpak op. 4. Bepalen risicopopulatie Op basis van de verzamelde gegevens worden de betrokken cliënten ingedeeld in risicocategorieën: - kamergenoot = hoog risico - afdelingsgenoot = risico - overige afdelingen = laag risico De risico-categorieën worden door de deskundige infectiepreventie voorzien van een label Indien mogelijk wordt op basis van richtlijnen, expertise deskundige infectiepreventie, specialist ouderengeneeskunde of literatuur vastgesteld wanneer het label verwijderd mag worden (aantal kweken negatief, x aantal uur geen klachten meer). 5. Maatregelen om verdere verspreiding te voorkomen Om verspreiding te voorkomen worden infectiepreventiemaatregelen genomen. Isolatieverpleging instellen op een eenpersoonskamer of in cohort. Om een goede scheiding tussen de cohorten te krijgen kan overwogen worden om met een kleurcodering (rood-oranjegroen) te werken. Indien mogelijk de persoonlijke hygiëne van de cliënten aanscherpen (toilet hygiëne). Controleer de afdeling op strikte scheiding tussen schoon en vuil. Aanscherpen van reinigings- en desinfectieprocedures. Maatregelen afspreken ten aanzien van bezoek en rooming-in. Vaccinatie en profylaxe overwegen. Een juiste naleving van de infectiepreventiemaatregelen controleren door bijvoorbeeld zelfevaluatie (teamleider), hygiëne audits (deskundige infectiepreventie) en QuickScans door deskundige infectiepreventie en aandachtsvelder H&I. eventueel worden er auditteam geformeerd door het OMT Afnemen omgevingskweken Bij een verdere verspreiding de infectiepreventiemaatregelen verder opschalen: Sluiting van een deel van de afdeling overwegen.
4 Periodieke screening van cliënten instellen op de risico-afdelingen tot de situatie onder controle is. Overweeg bij blijvende verspreiding een externe toetsing van het infectiepreventiebeleid door een arts-microbioloog en een deskundige infectiepreventie van een expertisecentrum 6. Contactonderzoek bij een uitbraak De deskundige infectiepreventie/specialist oudergeneeskunde/kwaliteitsmedewerker start een contactonderzoek onder de cliënten en indien van toepassing (o.a. bij MRSA) onder medewerkers om de uitbraak verder in kaart te brengen. Bij een contactonderzoek onder medewerkers moet van te voren de consequenties van een positieve bevinding worden bepaald door het OMT (arbeids- of functieongeschikt, schuldgevoelens, oorzaak/gevolg etc.) Belangrijke overweging is dat dragerschap onder medewerkers over het algemeen niet leidt tot besmetting van cliënten mits de algemene voorzorgsmaatregelen goed nageleefd worden. Of cliënten die overgeplaatst zijn naar een andere zorginstelling of naar huis zijn gegaan meegenomen worden in het contactonderzoek hangt onder andere af van het microorganisme. Overweeg bij een grote uitbraak om een telefoonteam in te schakelen. De arts-microbioloog stelt het screeningsbeleid vast (aard en locatie van de screeningskweken, het aantal benodigde kweken, de frequentie van afnemen en de diagnostiek). De binnengekomen resultaten worden door de afdeling H&I gecontroleerd op compleetheid, geregistreerd in een database (Excelbestand) en verwerkt (uitslagen, brieven en ontlabelen) en doorgegeven aan de specialist ouderengeneeskunde. Indien nodig is er administratieve ondersteuning nodig. De gegevens worden door de deskundige infectiepreventie/specialist ouderengeneeskunde en de arts-microbioloog geanalyseerd en besproken in het OMT. 7. Opstellen communicatieplan Afspraken over communicatie worden vastgelegd in een communicatieplan. Informeren en voorlichten van cliënten en hun contactpersoon/familie over het microorganisme en de gevolgen door middel van folders, website (afdeling communicatie?) Informeren en voorlichten van medewerkers over de uitbraak, het micro-organisme en de gevolgen (directielid of locatiemanager, teamleider, arts-microbioloog, deskundige infectiepreventie). Denk aan het tijdig informeren van de aandachtsvelders. Informeren van huisartsen en andere gezondheidsmedewerkers die met de risico cliënten te maken kunnen krijgen (bijvoorbeeld de thuiszorg). (PR-functionaris) Informeren van in de regio liggende zorg instanties. Informeren van het publiek doormiddel van een persbericht (PR-functionaris). Melding aan SO-ZI/AMR noodzakelijk bij een (dreigende) sluiting van (een deel van) een afdeling en/of bij een uitbraak waarbij, ondanks ingestelde infectiepreventiemaatregelen, verspreiding blijft bestaan (arts-microbioloog). Melding aan IGZ, indien er sprake is van een calamiteit en/of uitbraak die door het SO-ZI/AMR wordt opgeschaald van fase 3 naar fase 4 (directielid). Melding aan GGD bij een verpleeghuis overstijgende uitbraak. Met de GGD zijn afspraken gemaakt over de taakverdeling (is wenselijk) 8. Bepalen einde van de uitbraak Het einde van de uitbraak wordt vastgesteld door het OMT: Indien er geen nieuwe/onverwachte gevallen in het verkeerde cohort worden gevonden. Indien alle contacten negatief zijn, voorwaarde is wel een goede respons. Indien de bron opgespoord en uitgeschakeld is. Overweeg periodieke surveillance door middel van een puntprevalentie onderzoek.
5 Overweeg voor het bepalen van het einde een wachtfase van 2 maanden. 9. Evaluatie en rapportage Evaluatie binnen het OMT. Evaluatie met betrokkenen. De uitkomsten van de evaluatie analyseren, op basis hiervan eventueel het infectiepreventiebeleid aanpassen. Interne rapportage aan betrokkenen en de directie. Eventueel externe rapportage (Inspectie, GGD). Eventueel wetenschappelijke publicatie. Middelen en ondersteuning Zonodig middelen voor dataverwerking, laptop en/of secretariële ondersteuning. Eventueel via directie een noodmaatregel voor extra personeel voor taken welke binnen het outbreakteam moeten worden uitgevoerd. Indien noodzakelijk door directie laten regelen dat er een ruimtelijke voorziening wordt geboden voor (zonodig) dagelijkse bijeenkomsten van het outbreak(crisis)team. Desnoods wordt hier een ruimte voor vrijgemaakt. Er dient voldoende capaciteit (financieel en organisatorisch) voorhanden te zijn voor het uitvoeren van epidemiologisch onderzoek en typering van de gevonden micro organismen. Keuze door management?? Vastleggen gegevens In een map worden de gegevens in een dossier vastgelegd (jjjj-mm+ onderwerp), waarin de verslagen en het onderzoeksrapport in komt te staan. Aandachtspunten Taakverdeling GGD en verpleeghuis Hierbij is per outbreak maatwerk nodig. Tabel 2. Taakverdeling verpleeghuis/ggd Soort outbreak/bevinding* Voorbeelden Afspraak Verpleeghuis gebonden uitbraak MRSA BRMO Coördinatie en verdere afhandeling vinden plaats in verpleeghuis Uitbraak/bevinding in verpleeghuis waarbij mogelijk ook meldingen (clusters) van buiten bij de GGD plaatsvinden Verpleeghuis overstijgende uitbraak Meerdere patiënten met diarree Legionella waarbij de bron eventueel in verpleeghuis kan liggen Meningitis Melding bij GGD, ter informatie. Coördinatie en verdere afhandeling vinden plaats in verpleeghuis, tenzij uit overleg met GGD andere afspraken worden gemaakt. Coördinatie en afhandeling vinden in principe plaats door de GGD in samenwerking met het verpleeghuis Uitbraak buiten verpleeghuis MRSA in ziekenhuis Samenwerking en coördinatie met contacturen H&I eventueel in samenwerking met GGD * Opmerking: bij meldingsplichtige ziekten wordt altijd ook op gebruikelijke wijze een (vooraan)melding gedaan
6 Bijlagen Outbreakmanagement checklist