Ontwerp besluit UV 20160070 Aanvraag en verzoek Op 3 mei 2016 is voor het adres Aan 't Ven 6 te Nederweert ingekomen: 1. Een omgevingsvergunning aanvraag voor het veranderen van een pluimveehouderij (OBM) 2. Een verzoek voor het intrekken van de vigerende vergunningen (Intrekking). De aanvraag en het verzoek zijn geregistreerd onder nummer UV 20160070. We hebben aanvullende gegevens ontvangen op 20 juni 2016. De volgende stukken maken onderdeel uit van deze procedure: Aanvraagformulier, ingekomen op 3 mei 2016; Aanvulling aanvraagformulier, intrekkingsverzoek, ingekomen op 20 juni 2016; Melding activiteitenbesluit, ingekomen op 3 mei 2016; Machtigingsformulier, ingekomen op 3 mei 2016; Bijlage OBM & Melding Activiteitenbesluit, ingekomen op 20 juni 2016; Milieutekening nummer 4815-1 versie 1, ingekomen op 20 juni 2016. 1. OBM Het project waarvoor vergunning wordt aangevraagd is als volgt te omschrijven: Het aanpassen van de huisvestingssystemen in de stallen 1, 2 en 3. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven omgevingsaspecten: Het uitvoeren van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (OBM). Er worden in totaal 31.546 stuks pluimvee gehouden in de aangevraagde situatie. Dit houdt in dat er sprak is van een OBM MER beoordeling en een OBM luchtkwaliteit. 2. Intrekking Het intrekkingsverzoek is als volgt te omschrijven: Het geheel intrekken van de omgevingsvergunning (revisie) van 11 januari 2011 en het intrekken van de milieuactiviteit van de omgevingsvergunning (verandering) van 30 januari 2013. Gelet op bovenstaande omschrijving is een verzoek ingediend voor: Het intrekken van een omgevingsvergunning. 1
Bevoegd gezag Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de besluiten te nemen. Daarbij zijn wij er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle relevante aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals ruimte, milieu, natuur en aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd. Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag en het verzoek hebben wij deze aan de hand van de Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht) getoetst op ontvankelijkheid. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. De aanvrager is hierop in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. We hebben de aanvullende gegevens ontvangen. Wij zijn van oordeel dat de ingekomen stukken voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag en het verzoek zijn dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen. Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (uitgebreide procedure). Op de OBM is normaal gesproken de reguliere procedure en op de intrekking de uitgebreide procedure van toepassing. Gelet op de samenhang tussen beide besluiten is de uitgebreide procedure van toepassing verklaard op deze procedure. Overwegingen 1. OBM De aanvraag is beoordeeld aan de artikelen van de Wabo. Voorts is de aanvraag getoetst aan het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriële regeling omgevingsrecht. Gebleken is dat de aanvraag voldoet en daarom verlenen wij de gevraagde omgevingsvergunning. In de bijlage zijn de nadere inhoudelijke overwegingen opgenomen. 2. Intrekking Volgens artikel 2.33, lid 2b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) trekt het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in voor zover de vergunninghouder daarom heeft verzocht. Aangezien de intrekking betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een inrichting mag ingevolge artikel 2.33, lid 3 het belang van de bescherming voor het milieu zich daartegen niet verzetten. In bijlage zijn de nadere inhoudelijke overwegingen opgenomen. Ontwerp besluit 1. OBM Burgemeester en wethouders zijn voornemens, gelet op artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bovenstaande overwegingen de omgevingsvergunning (OBM) te verlenen. De omgevingsvergunning wordt verleend onder de bepaling dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende activiteit: Het uitvoeren van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (OBM). 2. Intrekking Burgemeester en wethouders zijn voornemens, gelet op artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bovenstaande overwegingen de omgevingsvergunning verleend op11 januari 2011 geheel en de omgevingsvergunning van 30 januari 2013 voor de milieuactiviteit in te trekken. 2
Zienswijzen en adviezen De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 1 juli 2016 ter inzage gelegd. Iedereen kan binnen zes weken na start van de ter inzage termijn eventueel zienswijzen tegen of adviezen over de ontwerpbeschikking indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Nederweert, postbus 2728, 6030 AA Nederweert. Nederweert, 27 juni 2016 Burgemeester en wethouders van Nederweert, Namens dezen, Afdeling Dienstverlening, T. Kierkels Bijlagen: Overwegingen 3
Inhoudsopgave 1 Overwegingen... 5 1.1 Het verrichten van een andere activiteit die behoort bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (OBM)... 5 1.2 Het intrekken van een omgevingsvergunning.... 8 4
1 Overwegingen Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag: 1.1 Het verrichten van een andere activiteit die behoort bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (OBM) De aangevraagde activiteiten vallen onder artikel 2.2a, onder lid 1 sub E (pluimvee) en onder lid 4 sub a ten tweede (pluimvee) van het Bor. Artikel 2.2a van het Bor is niet van toepassing op activiteiten die deel uitmaken van een gpbv-installatie. De aangevraagde activiteit maakt geen deel uit van een gpbvinstallatie. Hierdoor is artikel 2.2a van het Bor van toepassing. De aangevraagde activiteiten worden getoetst aan artikel 5.13b, lid 1 'milieu-effectrapport' en lid 6 fijn stof van het Bor. Hieronder zijn onze overwegingen weergegeven. Op grond van artikel 5.13a van het Bor mogen aan de omgevingsvergunning met beperkte milieutoets geen voorschriften worden verbonden. Nadat deze vergunning is verleend, zijn op de activiteiten de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Dieraantallen en s aangevraagde situatie De aangevraagde situatie betreffende het houden van dieren heeft betrekking op: Stal Diercategorie / huisvestingssysteem Aantal dieren Ammoniak Geur Fijn stof factor factor (OU E /s) (OU E /s) factor (gr/jr) 1 Legkippen (E2.100) 6.000 0,315 1.890 0,34 2.040 84 504 2 Legkippen (E2.100) 4.589 0,315 1.446 0,34 1.560 84 385 3 Legkippen 20.957 0,042 880 0,34 7.125 65 1.362 (E2.11.2.2) 4 Nageschakelde 20.957 0,002 42 - - -30% -408 techniek (E6.4.1) Totaal 4.258 10.729 1.844 Dieraantallen en s vergunde situatie De huidig geldende situatie (30 januari 2013) voor het houden van dieren is als volgt: Stal Diercategorie / huisvestingssysteem Aantal dieren Ammoniak Geur Fijn stof factor factor (OU E /s) (OU E /s) factor (gr/jr) 1 Legkippen (E2.11.1) 24.000 0,090 2.160 0,34 8.160 65 1.560 2 Legkippen (E2.11.1) 17.500 0,090 1.575 0,34 5.950 65 1.138 3 Legkippen (E2.11.1) 20.600 0,090 1.854 0,34 7.004 65 1.339 Nageschakelde 62.100 0,002 124 - - -30% -1.211 techniek (E6.4.1) Totaal 5.713 21.114 2.826 Overwegingen betreffende het maken van een MER (Milieu-effectrapport) Algemeen De basis van de MER is te vinden in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). De Wm maakt onderscheid tussen activiteiten waarbij het opstellen van een MER verplicht is (MER-plicht) en activiteiten waarbij wij moeten beoordelen of een MER nodig is (MER-beoordelingsplicht). Het gaat bij 5
veehouderijen volgens het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) dan om activiteiten in de vorm van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In de bijlage bij het Besluit MER ligt in de vorm van een drempelwaarde per diercategorie vast wanneer voor een initiatief de MER-plicht (onderdeel C van de bijlage) of de MER-beoordelingsplicht (onderdeel D van de bijlage) geldt. De aanvraag resulteert in een onderschrijding van de drempelwaarde van zowel onderdeel C als onderdeel D. Er geldt dus geen MER-plicht of directe MER-beoordelingsplicht. Vormvrije MER-beoordeling Voor gevallen zoals deze, waarbij geen MER-plicht of directe MER-beoordelingsplicht geldt, maakt het Besluit MER de beide drempelwaarden indicatief. Op deze wijze roept het Besluit MER een indirecte MER-beoordelingsplicht in het leven, beter bekend als de vormvrije MER-beoordeling. De vormvrije MER-beoordeling houdt in dat wij dienen te onderzoeken of op grond van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese MER-richtlijn kan worden uitgesloten dat de aangevraagde activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Als nadelige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, geldt een MER-beoordelingsplicht. De selectiecriteria uit de MER-richtlijn omvatten de volgende onderwerpen: 1. de kenmerken van het project, 2. de plaats van het project en 3. de kenmerken van de potentiële gevolgen. In het navolgende behandelen wij deze selectiecriteria. Kenmerken en plaats van het project De kenmerken en de plaats van de voorgenomen activiteiten blijken voldoende duidelijk uit de aanvraag met bijlagen. In aanvulling daarop stellen we vast dat de veehouderij is gelegen buiten de bebouwde kom van de meest dichtbijgelegen kern Nederweert in het buitengebied van de gemeente Nederweert. De omgeving heeft voornamelijk een agrarisch karakter. Wij concluderen dat de aangevraagde activiteiten passen bij de functie die het gebied vervult. Potentiële gevolgen De veehouderijsector kenmerkt zich in het bijzonder door de uitstoot van ammoniak, geur en fijn stof als potentiële gevolgen voor het milieu. Onderstaand bespreken wij naast deze specifieke gevolgen ook andere aspecten van het milieu die aan de orde kunnen zijn. Ammoniak De aanvraagde situatie voorziet in een afname (van 1.455,6 kg) van de ammoniakdepositie. De nadelige gevolgen voor het milieu nemen per saldo dus af. Geur Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting is de geurhinder die het gevolg is van alleen de aangevraagde activiteiten op omliggende geurgevoelige objecten. In het licht van de MER gaat het meer om de achtergrondbelasting. Dit is de geurhinder als gevolg van de aangevraagde activiteiten bovenop de al aanwezige geurhinder als gevolg van andere activiteiten in de omgeving; bij de achtergrondbelasting gaat het dus om de cumulatieve geurhinder. De geurbelasting als gevolg van de aangevraagde activiteiten voldoet ter plaatse van geurgevoelige objecten aan de normering die is vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij. De onderbouwing van de in de verordening opgenomen geurnormen is te vinden in de Gebiedsvisie Wgv. In de hoogte van de geurnormen is rekening gehouden met de in deze gebiedsvisie berekende cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen samen. Nu de aanvraagde activiteiten passen in de normen van de gemeentelijke verordening, stellen wij vast dat het initiatief voldoet aan de normen die gelden voor de voorgrondbelasting en dat voldoende rekening is gehouden met de achtergrondbelasting. Fijn stof Fijn stof speelt bij het toetsingkader MER een rol, maar vormt gezien artikel 2.2a lid 4a Bor een apart toetsingskader. Wij hebben de beoordeling van dit aspect daarom onder een separaat kopje opgenomen. Overige kenmerken en gevolgen 6
Met betrekking tot de aspecten geluid, bodem, afvalstoffen en -water, energie en gezondheid treft de initiatiefnemer - mede gelet op de aard en omvang van de activiteiten en het van toepassing zijn van algemeen geldende wet- en regelgeving (zoals op basis van Activiteitenbesluit) - voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken. Overwegingen betreffende beoordeling Luchtkwaliteit Voorschrift 4.1 uit bijlage 2 bij de Wm legt twee grenswaarden voor fijn stof vast: - 40 microgram per m 3 lucht als jaargemiddelde concentratie; - 50 microgram per m 3 lucht als daggemiddelde concentratie. De daggemiddelde concentratie mag volgens het voorschrift op maximaal 35 dagen worden overschreden. De grenswaarden gelden voor plaatsen waar mensen significant worden blootgesteld aan fijn stof, zoals bijvoorbeeld woonbebouwing, scholen, winkels, showrooms en loodsen. De toetsingssystematiek houdt rekening met alle bekende bronnen van fijn stof in de omgeving van de aangevraagde activiteiten. Hoofdstuk 5 Wm en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 voorzien namelijk in het gebruik van gegevens die kengetallen bevatten over de kwaliteit van de lokale omgeving ten aanzien van fijn stof. In deze kengetallen zijn alle bronnen in de nabije omgeving opgenomen. De potentiële gevolgen van de aanvraag voor de omgeving wat betreft fijn stof worden op deze manier voldoende in kaart gebracht. Volgens een bij de aanvraag gevoegde berekening met het standaardprogramma ISL3a blijven in de aangevraagde situatie zowel de concentratiewaarden als het aantal overschrijdingsdagen binnen de normen van voorschrift 4.1. Ter informatie melden wij nog dat ISL3a is bedoeld om de gevolgen van bijvoorbeeld agrarische activiteiten op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen en dat het voldoet aan de standaard rekenmethode die volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 geldt voor deze activiteiten (SRM3). Conclusie Uit de beoordeling van de selectiecriteria uit bijlage III van de Europese MER-richtlijn volgt dat nadelige gevolgen voor het milieu voldoende kunnen worden uitgesloten. Wij zien dus geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER-beoordeling en daarmee het weigeren van de aangevraagde omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Daarnaast wordt er ook voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot fijn stof. Gelet op bovenstaande overwegingen kan de omgevingsvergunning (OBM) worden verleend. 7
1.2 Het intrekken van een omgevingsvergunning. Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag: Overweging Als gevolg van de (OBM) verandering, zie paragraaf 1.1, zijn de vigerende omgevingsvergunningen niet automatisch vervallen of ingetrokken. Deze vergunningen moeten met een apart besluit ingetrokken worden. Gelijktijdig met de OBM aanvraag is hiervoor een apart intrekkingsverzoek ingekomen. Hierdoor blijft er geen lege vergunning bestaan en zorgt de OBM met activiteitenbesluit voor een actueel vigerend overzicht. Dit besluit maakt onderdeel uit van deze procedure. Ingevolge artikel 2.33 lid 3 is het verzoek getoetst aan het belang van de bescherming van het milieu. Dit belang verzet zich niet tegen de intrekking. Vergunde situatie Door ons college zijn op 11 januari 2011(revisie) en 30 januari 2013 (veranderings) omgevingsvergunningen verleend voor een pluimveebedrijf op het adres Aan t Ven 6 te Nederweert in de gemeente Nederweert. Verzoek tot intrekking Het geheel intrekken van de omgevingsvergunning (revisie) van 11 januari 2011 en het intrekken van de milieuactiviteit van de omgevingsvergunning (verandering) van 30 januari 2013. Dit houdt in dat de omgevingsvergunning, van 30 januari 2013, nog rechtsgeldig is voor de activiteit bouwen. De vergunning van 11 januari 2011 betreft enkel een milieudeel, vandaar dat deze in zijn geheel wordt ingetrokken. Situatie na intrekking Na definitieve intrekking van bovenvermelde vergunningen is er geen vergunningsplichtige milieu activiteit. De gewenste toekomstige situatie wijzigt echter. Deze aangevraagde wijziging (OBM) is omschreven in de paragraaf 1.1. 8