MODULE 3. PRESENTATIE VAN DE OMGEVING

Vergelijkbare documenten
LEIDRAAD SWA- VEILIGHEIDSRAPPORT

LEIDRAAD VOOR HET OPSTELLEN VAN EEN VEILIGHEIDSRAPPORT

LEIDRAAD VOOR HET OPSTELLEN VAN EEN VEILIGHEIDSRAPPORT

LEIDRAAD KENNISGEVING

LEIDRAAD KENNISGEVING

LEIDRAAD VOOR HET OPSTELLEN VAN EEN VEILIGHEIDSRAPPORT

MODULE 5. RISICOANALYSE

MODULE 22. POPULATIEMATRIX

PROCEDURE SWAVR_P01 OPMAAK EN INDIENEN VAN EEN SWA-VR

MODULE 4. BESCHRIJVING VAN DE INRICHTING

Overzicht bepalingen inhoud Veiligheidsrapport in het Brzo 2015, Seveso III en de Rrzo Maart 2016

1. BESCHRIJF DE RISICO'S OP ZWARE ONGEVALLEN OF RAMPEN, MET INBEGRIP VAN DE BRANDVEILIGHEID, TEN GEVOLGE VAN DEZE AANVRAAG.

MODULE 4. BESCHRIJVING VAN DE INRICHTING

MODULE 24. MILIEURISICOANALYSE

HANDLEIDING EXTERNE VEILIGHEID IN MER

Ruimtelijke Veiligheidsrapportage

AMINAL-richtlijn betreffende milieurisicoanalyse in veiligheidsrapporten

LEIDRAAD AANDACHTSGEBIEDEN

RICHTLIJN GEODATA RICHTLIJN OVER HET AANLEVEREN VAN GEOGRAFISCHE INFORMATIE IN HET KADER VAN DE VEILIGHEIDSRAPPORTAGE. Versie 4.

Resultaat opvraging perceel gelegen in Wetteren afdeling WETTEREN 2 AFD, sectie E met perceelnummer 0397/00P000 [42302E0397/00P000]

PROCEDURE SWAVR_P01 OPMAAK EN INDIENEN VAN EEN SWA-VR

ONDERZOEK EXTERNE VEILIGHEID WINDTURBINE DE HOEF 14 TE LEUNEN. De heer G. van de Ligt. Definitief december 2015

RICHTLIJN GEODATA. Richtlijn over het aanleveren van geografische informatie in het kader van de veiligheidsrapportage Versie 5.

Ruimtelijk VeiligheidsRapport

PROCEDURE OVR_P02. versie Beschrijving wijziging Datum. 1.0 Initiële (interne) werkversie 01/03/ Aangepaste versie 27/10/2008

EFFECT VAN WINDTURBINES OP SNELWEG A15 NABIJ WINDPARK PARK 15.

Windpark Vianen externe veiligheid

LEIDRAAD AANDACHTSGEBIEDEN

Provincieraadsbesluit

Inleiding Het Windpark Tata Steel beoogt 2 tot 8 nieuwe turbines te plaatsen op het terrein van Tata Steel in IJmuiden.

Inleiding. Juridisch kader. Memo. memonummer datum 30 augustus 2017 Ton van Dortmont Els Joosten

Provincieraadsbesluit

Hoogspanningslijn Aftakking Lokeren 150kV

Project-m.e.r.-screening

VLAREM EN VEILIGHEID. Studiedag AMV 10 oktober Wim Francq Adviseur Buitendienst Oost-Vlaanderen

Trefkansberekeningen buisleiding en snelwegen bij Windpark Autena Frans de Jong

RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN HECHTEL-EKSEL KAARTENBUNDEL

Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST

HANDBOEK RISICOBEREKENINGEN GEPLANDE WIJZIGINGEN

SAVE-W. Relevant en veiligheid windenergie. Kennistafel veiligheid windenergie. Jeroen Eskens

Beschouwing veiligheid rondom turbine locatie 5. Parkeerplaats, TNT-opslag bunker, Hoogspanningsinfrastructuur

Kwantitatieve risicoanalyse hogedrukaardgasleiding Bestemmingsplan Kern Nieuwveen & Zevenhoven & Noordeinde

Carola risicoberekening 'Hoofdstraat 27 De Steeg

Ruimtelijk Veiligheidsrapport

Risicoanalyse transport gevaarlijke stoffen A1 en spoor Amersfoort-Deventer t.b.v woningbouwplan Bijenvlucht te Hoevelaken

Externe veiligheid waterstofleiding gemeente Zwijndrecht

gewenste ruimtelijke structuur voor Sint-Truiden

Bedrijventerrein Oost II, wijzigingsplan Einsteinstraat

Kwantitatieve Risicoanalyse Hoogegeest Akersloot

13 Bedrijventerrein voor kantoren en kantoorachtigen en bedrijven van lokaal belang Keppekouter

QRA hogedruk aardgas buisleidingen

Actualisatie beleidsvisie externe veiligheid gemeente Neerijnen

Rapportnummer: 2012/Polyplus/01

Addendum. memonummer datum 17 februari Christian van den Hoven Eneco

Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen

PlanMER Gemeente Emmen

Hoogspanningsstation Kinrooi-Maaseik Van Eyck

Resultaat opvraging perceel gelegen in Zaventem afdeling ZAVENTEM 4 AFD/STERREBEEK/, sectie B met perceelnummer 0057/00L003 [23082B0057/00L003]

Advies externe veiligheid

Transcriptie:

MODULE 3. PRESENTATIE VAN DE OMGEVING Zowel het omgevingsveiligheidsrapport als het Samenwerkingsakkoord-veiligheidsrapport dient deze module te bevatten. De te beschrijven zone wordt bepaald door de berekende relevante effectafstand. Ingeval van een omgevingsveiligheidsrapport betekent dit dat de omgeving dient beschreven te worden in de zone bepaald door de berekende maximale 1%-letaliteitsafstand 1 (zie Module 5.2.) en eveneens rekening houdend met de invloedssfeer van eventuele externe gevarenbronnen. Ingeval van een Samenwerkingsakkoord-veiligheidsrapport betekent dit dat de omgeving in elk geval dient beschreven te worden in de zone bepaald door de berekende maximale 1%- letaliteitsafstand 1 (zie Module 5.2.), en eventueel dient uitgebreid te worden tot de risicozones 2 (met een maximum van 2 km 3 - zie Module 5.4. voor meer informatie), en eveneens rekening houdend met de invloedssfeer van eventuele externe gevarenbronnen. 3.1 ALGEMENE SITUERING EN GEOGRAFISCHE LIGGING VAN DE INRICHTING OP PLAN Vooraleer over te gaan tot een gedetailleerde beschrijving van de relevante omgeving van de inrichting wordt de ligging van de inrichting beknopt beschreven en weergegeven op het bestemmingsplan (gewestplan). Zo wordt ook de bestemming van de onmiddellijke omgeving duidelijk. In de volgende paragrafen zal deze omgeving dan verder in detail beschreven en weergegeven worden. Bij de beschrijving van de omgeving wordt in principe steeds uitgegaan van de huidige toestand of bestemming. Ingeval men echter weet heeft van mogelijke ontwikkelingen in de toekomst (vb. een ontwerp van RUP) is het aan te raden om deze toekomstige ontwikkelingen eveneens op te nemen. Ingeval de inrichting zich aan de gewest- of landsgrens bevindt, dient (voor zover de effecten zich ook daar kunnen manifesteren) ook over deze grenzen gekeken te worden. Om later een inschatting te kunnen maken van de mogelijkheid tot het genereren van grensoverschrijdende effecten wordt in het rapport in elk geval aangegeven op welke afstand de inrichting zich bevindt van de dichtstbijzijnde gewest- en/of landsgrens. 1 1%-letaliteitsafstand: afstand waarop het effect van een zwaar ongeval nog 1% van de aan dit effect blootgestelde personen doodt. 2 Risicozone zoals gedefinieerd in het Ministerieel besluit van 20 juni 2008 tot vaststelling van criteria waarmee door de exploitant rekening moet gehouden worden bij het afbakenen van het gebied dat door een zwaar ongeval zou kunnen worden getroffen. De risicozone is de zone waar effecten van het ongeval ernstige directe of indirecte, onmiddellijke of later optredende gevolgen kunnen hebben. 3 Ingeval de 1%-letaliteitsafstand meer dan 2 km bedraagt, geldt deze beperking niet. 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-1

Minimaal toe te voegen plannen: o Meest recente bestemmingsplan (gewestplan, APA, BPA, RUP 1 ) van de inrichting en zijn nabije omgeving (richtwaarde: perimeter van 2 km rond de inrichting, of de maximale 1%- letaliteitsafstand, indien deze groter is); o Luchtfoto (vb. via Google Earth); Met aanduiding van: o Terreingrens van de inrichting; o Perimeter rond de terreingrens van minimaal 2 km. Ingeval uit de berekeningen blijkt dat de maximale 1%-letaliteitsafstand meer dan 2 km bedraagt, wordt een grotere zone aangeduid (overeenkomend met deze maximale 1%-letaliteitsafstand); o Relevante aandachtsgebieden 2 (zie 3.2. voor meer detail); o Toegangswegen (weg, spoor, water) naar de inrichting; o Nabijgelegen oppervlaktewateren. Alle plannen zijn voorzien van schaal, noordpijl en legende, waarbij de grootte en de schaal afhankelijk zijn van de berekende maximale effectafstanden. 3.2 GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING VAN DE INRICHTING In de beschrijving van de omgeving gaat bijzondere aandacht uit naar de zogenaamde aandachtsgebieden. Dit zijn enerzijds gebieden of elementen in de omgeving van de Seveso-inrichting die de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen verhogen doordat daar veel personen of extra kwetsbare personen aanwezig zijn 3, en anderzijds gebieden of elementen in de omgeving van de Seveso-inrichting die de oorzaak kunnen zijn van het ontstaan van een zwaar ongeval op de inrichting (de zogenoemde externe gevarenbronnen). In het rapport worden voor de volledigheid alle types aandachtsgebieden besproken. Wanneer bepaalde aandachtsgebieden niet voorkomen binnen een relevante afstand in de omgeving van de inrichting, dient dit ook zo vermeld te worden in het rapport, zodat aangetoond wordt dat dit is onderzocht. Voor een verduidelijking van deze aandachtsgebieden, zoals gedefinieerd in het Besluit RVR 4, wordt verwezen naar de Leidraad aandachtsgebieden van de dienst Veiligheidsrapportering. In de volgende paragrafen wordt uitgelegd binnen welke perimeter, op welke manier en tot welk detail de omgeving dient te worden beschreven. 1 Strikt genomen dienen enkel de al vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen opgenomen te worden. Het is echter raadzaam om ook de eventuele voorziene ruimtelijke ontwikkelingen te vermelden. 2 Aandachtsgebieden zoals gedefinieerd in Besluit van de Vlaamse Regering van 26/01/2007 houdende nadere regels inzake ruimtelijke veiligheidsrapportage. 3 Met het oog op de milieurisicoanalyse dienen ook de waardevolle natuurgebieden en de oppervlaktewateren in de omgeving van de inrichting beschreven te worden. 4 Besluit van de Vlaamse Regering van 26/01/2007 houdende nadere regels inzake ruimtelijke veiligheidsrapportage. 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-2

3.2.1 Gebieden met woonfunctie Binnen de relevante effectafstand worden de volgens het gewestplan, APA, BPA of RUP vastgestelde woongebieden aangeduid op kaart en benoemd De groepen zonevreemde woningen die zich binnen de 1%letaliteitsafstand bevinden worden eveneens aangeduid op kaart. Eventueel aanwezige individuele (zonevreemde) woningen die zich binnen de IRC van 10-6 /jaar bevinden, worden eveneens aangeduid op plan, ook als deze niet voldoen aan de definitie uit het [Besluit RVR]. De gebieden met woonfunctie worden bij voorkeur opgelijst in een tabel (cfr. Tabel 3-1). Tabel 3-1: Gebieden met woonfunctie Nr. op kaart Naam Aard Ligging Afstand 1 1. Veërdegem 2. Gehucht Veër Woongebied met landelijk karakter Groep van 7 zonevreemde woningen Ten ZW Ten NO 250 m 120 m (afstand tot perceelgrens van dichtstbijzijnde woning) Indien zich binnen de relevante effectafstand geen gebieden met woonfunctie bevinden, kan het toch nuttig zijn om het dichtstbijzijnde gebied te vermelden en aan te duiden op kaart. 3.2.2 Gebieden met kwetsbare locatie De gebieden met kwetsbare locatie die zich binnen de relevante effectafstand bevinden worden in het rapport benoemd en op kaart weergegeven. De gebieden met kwetsbare locatie worden bij voorkeur opgelijst in een tabel (cfr. Tabel 3-2). Tabel 3-2: Gebieden met kwetsbare locatie Nr. op kaart Naam Aard Ligging Afstand 1. College VR Middelbare school Ten ZW 300 m 2. RVT VR Bejaardentehuis Ten ZW 400 m Indien zich binnen de relevante effectafstand geen gebieden met kwetsbare locaties bevinden, kan het toch nuttig zijn om de dichtstbijzijnde kwetsbare locatie te vermelden en aan te duiden op kaart. 3.2.3 Waardevolle of bijzonder kwetsbare natuurgebieden Voor de waardevolle of bijzonder kwetsbare natuurgebieden dient (binnen een perimeter van ongeveer 2 km) een opsomming en aanduiding op kaart te gebeuren van de volgende gebieden: Habitatrichtlijngebieden; Vogelrichtlijngebieden; RAMSAR gebieden; 1 Minimale afstand tussen de grens van het gebied en de grens van de inrichting. Eveneens geldig voor de volgende tabellen. 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-3

Natuurgebieden met wetenschappelijke waarde (vb. met aanduiding R op gewestplan). 3.2.4 Door publiek bezochte gebouwen en gebieden, inclusief recreatiegebieden De door publiek bezochte gebouwen en gebieden, incl. recreatiegebieden die gelegen zijn binnen de relevante effectafstand worden weergegeven en benoemd op kaart. De door publiek bezochte gebouwen en gebieden (incl. recreatiegebieden) worden bij voorkeur opgelijst in een tabel (cfr. Tabel 3-3). Tabel 3-3: Door publiek bezochte gebouwen en gebieden, inclusief recreatiegebieden Nr. op kaart Naam Aard Ligging Afstand 1. Sporthal VR Sportcomplex Ten ZW 320 m 2. Camping VR Gebied voor verblijfsrecreatie Ten ZZW 400 m 3.2.5 Hoofdtransportwegen voor personenvervoer Binnen de perimeter bepaald door de relevante effectafstand worden de hoofdtransportwegen voor personenvervoer (weg, spoor, lucht) weergegeven en benoemd op kaart en voorgesteld in tabelvorm (cfr. Tabel 3-4). Tabel 3-4: Hoofdtransportwegen voor personenvervoer Naam Aard Ligging Afstand Expresweg Knokke Antwerpen A11 / N49 Hoofdweg Ten Z 30 m 3.2.6 Naburige bedrijven Met het oog op het invullen van de populatiematrix wordt de aanwezige populatie bij de naburige inrichtingen (al dan niet Seveso-inrichtingen) binnen de 1% letaliteitsafstand geïnventariseerd: Voor bedrijven binnen de IRC van 10-8/jaar wordt bij voorkeur gewerkt met de realistische gegevens Voor bedrijven buiten deze contour kan men zich voor het invullen van de populatiematrix beroepen op meer generieke waarden. In voorkomend geval kan een onderscheid gemaakt worden tussen dag/nacht, week/weekend, zie [Handboek Risicoberekeningen] voor meer detail. Deze bedrijven worden aangeduid op kaart (bij voorkeur luchtfoto met weergave van de ligging van de naburige bedrijven en hun terreingrenzen). De naam, activiteit en ligging ten opzichte van de beschouwde inrichting wordt in het rapport weergegeven (cfr. Tabel 3-5). Tabel 3-5: Naburige bedrijven Nr. op kaart Naam Aard activiteit Seveso-inrichting Werknemers (dag/nacht Ligging Afstand 1 1. Bedrijf X tankpark Ja, hoge drempel 25-3 Ten ZW aangrenzend 2. Bedrijf Y textielbedrijf neen 7-0 Ten N 50 m 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-4

3.2.7 Externe gevarenbronnen in de omgeving Het betreft hier gevarenbronnen die gelegen zijn buiten de beschouwde Seveso-inrichting, maar die door hun aanwezigheid een zwaar ongeval op de inrichting kunnen initiëren. In het rapport worden deze externe gevarenbronnen in eerste instantie binnen een algemene perimeter (zie verder) geïnventariseerd en op kaart aangeduid. Om te analyseren of de externe gevarenbronnen die gelegen zijn binnen deze algemene perimeter een relevante invloed kunnen hebben op de risico s van de beschouwde Seveso-inrichting wordt afhankelijk van de betrokken gevarenbron de perimeter verfijnd. 3.2.7.1 Seveso- en niet-seveso-inrichtingen in de omgeving In eerste instantie worden alle Seveso-inrichtingen binnen de 850m van de beschouwde inrichting geïnventariseerd. Naburige niet Seveso-inrichtingen die toch een relevante hoeveelheid gevaarlijke producten bezitten kunnen eveneens optreden als externe gevarenbron, daartoe worden de naburige, omliggende bedrijven geïdentificeerd. Om na te gaan of er vanuit deze inrichtingen effectief een invloed op de eigen inrichting mogelijk is dient bekeken te worden of er zich installaties van de eigen inrichting bevinden binnen de domino-effect- cirkels 1 van deze naburige inrichting. Hiervoor dient men de veiligheidsrapporten/veiligheidsstudies van deze naburige inrichtingen te raadplegen. Indien deze domino-effect-cirkels niet beschikbaar zijn kan men zich baseren op gegevens uit de literatuur of eigen berekeningen van de domino-effect-cirkels van het naburige bedrijf. 3.2.7.2 Transportwegen (weg/spoor/schip) met gevaarlijke producten in de omgeving In eerste instantie dienen de transportwegen geïnventariseerd te worden binnen de 300 m van de terreingrens van de inrichting. Hieronder vallen ook de parkings voor tankwagens, rangeerstations van spoorwagens of de aanmeerplaatsen van schepen die gelegen zijn buiten de terreingrens van de inrichting. Afhankelijk van de aard van het transport, de aard van de getransporteerde goederen en de afstand tot de meest nabije installatie met gevaarlijke stoffen van de eigen inrichting kan men deze afstanden verder verfijnen. 3.2.7.3 Pijpleidingen met gevaarlijke producten in de omgeving Het falen van pijpleidingen met gevaarlijke producten, gelegen in de nabijheid van de Seveso-inrichting 2, kan de oorzaak zijn van een zwaar ongeval op de eigen inrichting. Daartoe worden de nabijgelegen pijpleidingen geïnventariseerd. De afstand waarbinnen dit dient te gebeuren is afhankelijk van de aard van de leiding, en de aard van de getransporteerde stof. 1 Voor het bepalen van de domino-effect-cirkels wordt verwezen naar het [Handboek Risicoberekeningen] 2 Ook de leidingen die op de inrichting gelegen zijn, maar niet onder het beheer van de inrichting vallen worden hier vermeld, omdat die deel uitmaken van de domino-effectanalyse. 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-5

3.2.7.4 Windturbines Het falen van een windturbine in de omgeving van of op het eigen terrein van de Seveso-inrichting kan aanleiding geven tot het falen van een installatie-onderdeel op deze inrichting. De perimeter waarbinnen de aanwezigheid van windturbines moet geïnventariseerd worden, is afhankelijk van het type windturbine. In eerste instantie worden alle windturbines binnen een afstand van 500m rond de inrichting geïnventariseerd. In voorkomend geval worden hier ook de windturbines vermeld die op eigen terrein aanwezig zijn. Afhankelijk van het type windturbine kan die afstand dan verfijnd worden. Immers, de maximale afstand waarbinnen de windturbine relevant kan zijn als externe gevarenbron voor de Seveso-inrichting is de werpafstand bij overtoeren 1. Deze is afhankelijk van de masthoogte, de rotordiameter en het aantal omwentelingen per uur, en kan bepaald worden met de webapplicatie voor windturbines (SGS, 2008-2014 versie 3.0, via https://windturbines.be.sgs.com/turbines.aspx). 3.2.7.5 Hoogspanningsleidingen Hoogspanningsleidingen op of in de nabijheid van de inrichting (perimeter 250m) kunnen aanleiding geven tot een ongeval op de inrichting en worden desgevallend hier opgelijst. Ingeval er zich installaties met gevaarlijke stoffen binnen een perimeter rond de mast (perimeter = masthoogte) of de geleiders (perimeter = strookbreedte aan weerszijde van de lijn met een breedte van de hoogte van de mast + lengte van de mastarm waaraan de aardkabel is bevestigd) van deze hoogspanningsleidingen bevinden dienen deze voor verder onderzoek worden weerhouden. 3.2.7.6 Overige Ingeval er zich nog andere externe elementen bevinden in de nabijheid van de Seveso-inrichting die aanleiding kunnen geven tot een zwaar ongeval op de inrichting worden deze hier opgelijst. Het kan bijvoorbeeld gaan over nabije start-of landingsbanen voor vliegtuigen, nabije hoge constructies, 1 Het betreft de werpafstand van een windturbineblad bij overtoeren (2 x nominaal toerental van de windturbine) 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-6

3.2.8 Oppervlaktewateren, grondwater, bodem, geologische en hydrografische kenmerken In het rapport dient de ligging op kaart te worden gegeven van omliggende oppervlaktewateren. Tevens wordt aangegeven of het stromend (incl. stroomrichting, stroomsnelheid e.d.) of stilstaand water betreft en wordt de link met de inrichting meegegeven (vb. afvalwaterlozing). In de beschrijving dient de nadruk te liggen op het feit of er vanuit de inrichting een verspreidingsroute is voor de vrijgekomen gevaarlijke stoffen naar het oppervlaktewater, grondwater en bodem. Ook kan hier al een deel van de informatie die nodig is voor de latere inschatting van mogelijke grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu worden meegegegeven (vb. ligging langs een grensoverschrijdende rivier of kanaal). Wat het grondwater en de bodem betreffen, dient aan de hand van kwetsbaarheidskaarten voor bodem en grondwater aangegeven te worden in hoeverre de inrichting zich bevindt in waterwingebieden of beschermingszones. Er dient eveneens te worden nagegegaan of de inrichting zich bevindt in overstromingsgebied. En, ingeval specifieke geologische, seismologische en hydrografische gegevens relevant zijn, dienen deze hier ook vermeld te worden. 3.3 POPULATIEMATRIX Om het groepsrisico van de Seveso-inrichting te kunnen bepalen moet de populatie binnen de maximale 1%-letaliteitsafstand geïnventariseerd worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om personen in omliggende bedrijven, kantoorgebouwen, gebieden met woonfunctie, kwetsbare locaties, door publiek bezochte gebouwen, recreatiegebieden, transportwegen. Dit gebeurt door de opmaak van een populatiematrix, en als volgt: Binnen de berekende isorisicocontour van 10-8 /jaar wordt de invulling gedaan op basis van actuele, realistische gegevens; Voor het gebied tussen isorisicocontour van 10-8 /jaar en de maximale 1%-letaliteitsafstand kan gebruik gemaakt worden van meer generieke gegevens. Voor meer informatie over de weergave en de invulling van de populatiegegevens wordt verwezen naar het [Handboek Risicoberekeningen]. 3.4 BESCHRIJVING VAN DE METEO In de risicoberekeningen wordt gebruik gemaakt van een aantal meteorologische parameters die afhankelijk zijn van de plaats waar de inrichting is gevestigd. Een aantal van deze parameters zijn algemeen. Een aantal andere (frequentieverdeling van weerklassen en ruwheidslengte) dienen heel specifiek bepaald te worden, afhankelijk van de locatie van de inrichting. Voor meer informatie wordt verwezen naar [Handboek Risicoberekeningen]. In het veiligheidsrapport worden naast de algemene ook de gebruikte specifieke parameters opgelijst 1/02/2017 Leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport pagina 3-7