natuurkunde havo 2016-II

Vergelijkbare documenten
Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

natuurkunde havo 2016-II

Correctievoorschrift HAVO 2016

natuurkunde havo 2016-I

Examen HAVO. natuurkunde. tijdvak 1 donderdag 12 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

natuurkunde havo 2016-I

natuur- en scheikunde 1 CSE KB

TENTAMEN NATUURKUNDE

natuur- en scheikunde 1 CSE GL en TL COMPEX

Oefenopgaven havo 5 et-4: Warmte en Magnetisme Doorgestreepte vraagnummers (Bijvoorbeeld opgave 2 vraag 7) zijn niet van toepassing.

Eindexamen natuurkunde pilot havo II

Eindexamen natuurkunde / scheikunde 1 compex vmbo gl/tl I

Samenvatting NaSk Hoofdstuk 4

Eindexamen natuurkunde pilot havo II

Warmte. Hoofdstuk 2. Vaak zetten we Chemische energie om in Warmte

natuurkunde havo 2018-II

Vraag Antwoord Scores

natuur- en scheikunde 1 CSE GL en TL COMPEX

Benodigdheden bekerglas, dompelaar (aan te sluiten op lichtnet), thermometer, stopwatch

TENTAMEN NATUURKUNDE

toelatingsexamen-geneeskunde.be

Eindexamen vmbo gl/tl nask1 compex I

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2005-II

natuurkunde Compex natuurkunde 1,2 Compex

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l

Examen HAVO. natuurkunde (pilot) tijdvak 2 woensdag 22 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Eindexamen natuurkunde havo I

Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 22 juni uur

J De centrale draait (met de gegevens) gedurende één jaar. Het gemiddelde vermogen van de centrale kan dan berekend worden:

natuurkunde 1,2 Compex

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2005-II

Examen HAVO. natuurkunde 1

Samenvatting Natuurkunde hoofdstuk 4

4VMBO H2 warmte samenvatting.notebook September 02, Warmte. Hoofdstuk 2. samenvatting. Vaak zetten we Chemische energie om in Warmte

Leerstof: Hoofdstukken 1, 2, 4, 9 en 10. Hulpmiddelen: Niet grafische rekenmachine, binas 6 de druk. Let op dat je alle vragen beantwoordt.

NATUURKUNDE 8 29/04/2011 KLAS 5 INHAALPROEFWERK HOOFDSTUK

Eindexamen natuurkunde compex havo I

Voortgangstoets NAT 4 HAVO week 11 SUCCES!!!

Samenvatting Natuurkunde Verwarmen en isoleren (Newton)

Examen HAVO. Natuurkunde 1 (nieuwe stijl)

Examen HAVO natuurkunde. tijdvak 2 woensdag 22 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2006-I

Bergtrein. Figuur 2 staat ook op de uitwerkbijlage. a. Bepaal de afstand die de trein op t = 20 s heeft afgelegd.

Eindexamen natuurkunde 1-2 havo 2008-II

Om snel medische hulp te kunnen bieden, staan in vier plaatsen in Nederland speciale helikopters. Zie onderstaand kaartje.

TENTAMEN NATUURKUNDE

Eindexamen natuurkunde / scheikunde 1 compex vmbo gl/tl I

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 1 woensdag 30 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 1 dinsdag 19 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

In autotijdschriften staan vaak testrapporten van nieuwe auto s. In de figuur op de bijlage is zo n overzicht afgedrukt.

Naam: examennummer:.

Hulpmiddelen: Niet grafische rekenmachine, binas 6 de druk. Let op dat je alle vragen beantwoordt.

natuurkunde havo 2019-II

Examen HAVO. natuurkunde (pilot) tijdvak 1 vrijdag 28 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

TENTAMEN NATUURKUNDE

1) Neem een blokje en meet met een krachtmeter hoeveel kracht er nodig is om een blokje op te tillen.

Eindexamen natuurkunde pilot havo I

Eindexamen havo natuurkunde pilot I

Zelf een simpele ionisatiekamer bouwen

ALGEMEEN 1. De luchtdruk op aarde is ongeveer gelijk aan. A 1mbar. B 1 N/m 2. C 13,6 cm kwikdruk. D 100 kpa.

Uitwerkingen van 3 klas NOVA natuurkunde hoofdstuk 6 arbeid en zo

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1977 MAVO4 NATUUR- EN SCHEIKUNDE I. Zie ommezijde. Vrijdag 19 augustus,

Achter het correctievoorschrift zijn twee aanvullingen op het correctievoorschrift opgenomen.

Examen HAVO. natuurkunde 1. tijdvak 2 woensdag 20 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen HAVO - Compex. natuurkunde 1,2 Compex

Lees dit voorblad goed! Trek op alle blaadjes kantlijnen

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2003-II

Eindexamen natuurkunde havo I

Eindexamen natuurkunde 1-2 vwo 2004-II

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2007-II

verbrandingsgassen uit. Waarom is het gebruik van elektriciteit als energiebron niet altijd goed voor het milieu?

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2019 TOETS APRIL 2019 Tijdsduur: 1h45

Voorbeeldexamen HAVO. natuurkunde. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Eindexamen natuurkunde 1-2 havo 2005-II

Een fabrikant van practicummateriaal voor natuurkunde heeft in 2009 als reclame onderstaande ansichtkaart verstuurd aan alle scholen in Nederland.

Eindexamen natuurkunde 1 havo 2005-I

natuurkunde oud programma havo 2015-I

Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3.

Deze toets bestaat uit 3 opgaven (34 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes!

Examen HAVO. natuurkunde. tijdvak 1 vrijdag 28 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Voortgangstoets NAT 5 VWO 45 min. Week 49 SUCCES!!!

natuurkunde Compex natuurkunde 1,2 Compex

Eindexamen wiskunde B havo II

schematische doorsnede van de wand van een oven Filmlaagjes zijn dunne (laminaire) laagjes lucht voor, direct tegen de wand

Inleiding kracht en energie 3hv

Fysica. Een voorwerp wordt op de hoofdas van een dunne bolle lens geplaatst op 30 cm van de lens. De brandpuntsafstand f van de lens is 10 cm.

Je geeft de antwoorden op deze vragen op papier, tenzij anders is aangegeven.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend.

Opgave 1 Millenniumbrug

Eindexamen natuurkunde 1-2 havo 2005-II

natuur- en scheikunde 1 CSE KB

Woensdag 24 mei, uur

Examen HAVO. natuurkunde 1,2. tijdvak 2 woensdag 18 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

6.2 Elektrische energie en vermogen; rendement

Transcriptie:

Sluis van Fankel Tijdens een boottochtje over de oezel van Beilstein naar Cochem passeert een schip bij Fankel een sluis. Het schip vaart de sluis in (zie figuur 1), het water in de sluis zakt (zie figuur 2), en na enige tijd kan het schip de sluis weer verlaten. In de sluis ligt het schip stil. figuur 1 figuur 2 Een passagier op het schip heeft twee (v,t)-diagrammen gemaakt: één van de heenreis en één van de terugreis. Deze diagrammen zijn op de uitwerkbijlage gegeven. Hierin is de snelheid van het schip gegeven ten opzichte van de oever. 2p 1 Bepaal, met behulp van de bovenste figuur op de uitwerkbijlage, hoeveel minuten het passeren van de sluis op de heenreis duurt. 3p 2 Bepaal, met behulp van de onderste figuur op de uitwerkbijlage, de afstand tussen Beilstein en Cochem. Geef je antwoord in twee significante cijfers. De oezel is een stromende rivier. De snelheid van het schip ten opzichte van het water is in beide richtingen even groot. 3p 3 Bepaal met behulp van de figuren op de uitwerkbijlage de stroomsnelheid van de rivier tijdens de boottocht. Bij deze sluis neemt de waterhoogte op de terugweg met 7,0 m toe. Het stijgen van het water in de sluis als functie van de tijd is in een (h,t)-diagram op de uitwerkbijlage gegeven. 3p 4 Bepaal, met behulp van de figuur op de uitwerkbijlage, de maximale stijgsnelheid van het water in de sluis. 1

In figuur 3 zijn de sluisdeuren figuur 3 in bovenaanzicht schematisch bovenaanzicht getekend. In het bovenste deel van figuur 3 staan de cilinder sluisdeuren open, in het F onderste deel zijn ze gesloten. De sluisdeuren worden bediend met hydraulische cilinders: deze hebben F stangen die in en uit kunnen schuiven. Tijdens het sluiten van de hoek α sluisdeuren heeft het water rond een sluisdeur dezelfde hoogte. De kracht van de hydraulische cilinder op een sluisdeur is tijdens het sluiten van de sluisdeuren steeds even groot. Op een bepaald tijdstip worden de sluisdeuren gesloten. 1p 5 In welk diagram is het moment Fr van de kracht van de hydraulische cilinder op een sluisdeur als functie van hoek α juist weergegeven? A (Nm) B (Nm) C 0 20º 40º 60º 80º hoek α (Nm) D 0 20º 40º 60º 80º hoek α (Nm) 0 20º 40º 60º 80º hoek α 0 20º 40º 60º 80º hoek α 2

figuur 4 Naast de sluis ligt in de rivier een stuw. Zie figuur 4. Een stuw wordt gebouwd tussen twee delen van een rivier met een hoogteverschil. Dit hoogteverschil wordt gebruikt om met behulp van een waterkrachtcentrale elektrische energie op te wekken. Het hoogteverschil in deze stuw is 7,0 m. Als er 400 m 3 water per seconde door de stuw gaat, levert de stuw zijn maximale elektrische vermogen van 16,4 W. Het snelheidsverschil van het water voor en na de stuw is te verwaarlozen. 4p 6 Bereken het rendement van deze energieomzetting. Gemiddeld stroomt er 209 m 3 water per seconde door de stuw. Het opgewekte vermogen is evenredig met de hoeveelheid water per seconde. Het rendement van de stuw is bij 209 m 3 water per seconde niet hetzelfde als bij 400 m 3 water per seconde. Een huishouden gebruikt gemiddeld 3750 kwh per jaar aan elektrische energie. 4p 7 Bereken hoeveel huishoudens er maximaal door deze stuw van elektrische energie kunnen worden voorzien. Geef het antwoord in twee significante cijfers. 3

uitwerkbijlage 1, 2 en 3 16 v (km h -1 ) t.o.v. de oever 14 heenreis 12 10 8 6 4 2 0 0 0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9 1,0 1,1 1,2 t (h) 16 v (km h -1 ) t.o.v. de oever 14 terugreis 12 10 8 6 4 2 0 0 0,1 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9 1,0 1,1 1,2 t (h) 4

uitwerkbijlage 4 10 h (m) 8 6 4 2 0 0 50 100 150 200 250 300 t (s)......... 5

Wieg arloes heeft een wieg gekocht voor haar baby. figuur 1 De wieg hangt aan een veer en kan zachtjes op en neer trillen (zie figuur 1). Op de verpakking van de 1 wieg staat: C veer 1, 3 kn m en mwieg 12,2 kg. 2p 8 Bereken hoever de veer is uitgerekt als de wieg aan de veer hangt. De wieg is met twee touwen aan het plafond bevestigd (zie figuur 1). 3p 9 Bepaal met een constructie in de figuur op de uitwerkbijlage de grootte van de spankracht in een touw. arloes legt haar baby van 3,2 kg in de wieg. Als zij de wieg een klein beetje naar beneden duwt en dan loslaat, gaat de wieg met de baby erin een trilling uitvoeren. 3p 10 Bereken de frequentie van deze trilling. arloes heeft een cardiogram figuur 2 van de hartslag van haar baby. et de hartslag wordt het aantal slagen van het hart per minuut bedoeld. Het cardiogram is gegeven in figuur 2. Het papier bewoog met 1 een snelheid van 50 mms. 3p 11 Leg uit hoe arloes de hartslag van haar baby kan bepalen met behulp van een cardiogram zoals in figuur 2. arloes heeft gelezen dat baby s gemakkelijker in slaap vallen als de frequentie van het trillen van de wieg twee keer zo klein is als de frequentie waarmee het hart van de baby klopt. De frequentie van haar wieg is nu nog te hoog. 2p 12 Noem twee aanpassingen aan de wieg die arloes zou kunnen doen om de frequentie van de wieg kleiner te maken. Licht je antwoord toe. 6

uitwerkbijlage 9 plafond 7

Bliksem Bij onweer kunnen wolken sterk figuur 1 elektrisch geladen zijn. Als het bliksemt, vindt er een ontlading plaats tussen twee wolken of tussen een wolk en de aarde (een blikseminslag). Zie figuur 1. Als zo n ontlading ver weg plaatsvindt, hoor je de donder die er bij hoort veel later dan je de lichtflits ziet. et de volgende vuistregel kun je uitrekenen op welke afstand het onweer zich dan bevindt. Als er drie seconden verstrijken tussen het zien van de lichtflits en het horen van de donder, bevindt het onweer zich op ongeveer één kilometer afstand. 2p 13 Beantwoord de volgende vragen: Leg uit waarom je de lichtflits eerder ziet dan je de donder hoort. Toon aan dat de vuistregel klopt. Op de website van het KNI staat dat bliksem als energiebron weinig voorstelt. De energie van een gemiddelde blikseminslag is minder dan de warmte die vrijkomt bij het verbranden van 1 m 3 (Gronings) aardgas. Bij een blikseminslag loopt er gedurende 50 μs een stroom van 30 ka tussen de donderwolk en de aarde. De spanning tussen de donderwolk en de aarde is 6,0 V. 4p 14 Laat met behulp van Binas tabel 28 en een berekening zien, of de uitspraak van het KNI voor deze blikseminslag klopt. 8

Een bliksemafleider is een metalen staaf figuur 2 op het dak van een gebouw. Zie figuur 2. Vroeger was een bliksemafleider met een dikke koperdraad verbonden met een metalen raster in de grond. Vanwege koperdiefstal heeft men tegenwoordig het koperdraad vervangen door aluminiumdraad. 3p 15 Wordt in een aluminiumdraad meer of minder warmte per seconde ontwikkeld dan in een koperdraad met dezelfde afmetingen? Licht je antwoord toe. Neem aan dat de stroomsterkte in beide gevallen even groot is. Tussen 1935 en 1970 zijn er in Nederland ongeveer 500 radioactieve bliksemafleiders op daken gezet. Op de punt van deze bliksemafleiders werd een radioactieve bron aangebracht. en veronderstelde dat de bliksem dan eerder zou inslaan, omdat de lucht rond de bliksemafleider geïoniseerd werd door de ioniserende straling uit de bron. In sommige bliksemafleiders gebruikte men radium-226, in andere bliksemafleiders cobalt-60. Op de uitwerkbijlage staat hierover een tabel. 3p 16 Voer de volgende opdrachten uit: Vul de tabel op de uitwerkbijlage in. Leg met behulp van de ingevulde tabel op de uitwerkbijlage uit welke bron (radium-226 of cobalt-60) het beste gebruikt kon worden in een bliksemafleider. Na 1970 werd ook americium-241 als radioactieve bron gebruikt. 3p 17 Geef de vervalreactie van americium-241. Vanwege hun niet aantoonbaar nut zijn de radioactieve bliksemafleiders enige tientallen jaren geleden door daarin gespecialiseerde bedrijven verwijderd. Per verwijderde radioactieve bliksemafleider met Am-241 werd de effectieve totale lichaamsdosis die een monteur ontvangt, geschat op 70 μsv. 3p 18 Bereken het aantal bliksemafleiders van dit type dat een monteur (beroepshalve, ouder dan 18 jaar) per jaar mag verwijderen zonder de stralingsbeschermingsnormen te overtreden. 9

uitwerkbijlage 16 Vul deze tabel verder in. Ra-226 Co-60 soort straling halveringstijd ioniserend vermogen hoog laag 10

Aerogel Aerogel is een materiaal met goede warmte-isolerende eigenschappen. Bovendien is aerogel vuurbestendig. Op de Duitse televisie werd een demonstratie gegeven met aerogel. In de show wilde men laten zien dat aerogel de warmte goed isoleert. De presentator van de televisieshow ging in een kooi staan die omgeven werd door platen aerogel. De bovenkant van de ruimte was open. De platen werden aan de buitenkant met vlammen verwarmd. Zie figuur 1. figuur 1 De gebruikte platen aerogel waren elk 1,0 cm dik, 3,0 m hoog en 1,0 m breed. Zo n plaat heeft een massa van 2,0 kg. Een plaat van gips met dezelfde afmetingen zou veel zwaarder zijn. 3p 19 Bereken de massa van een gipsplaat met dezelfde afmetingen als een plaat aerogel. Aan de buitenkant werd de temperatuur van de platen aerogel 833 C, aan de binnenkant was de temperatuur van de platen slechts 53 C. 1 1 Aerogel heeft een warmtegeleidingscoëfficiënt van 0,020W m K. 3p 20 Bereken de warmtestroom die dan door één plaat aerogel getransporteerd wordt. In een huis bestaan de buitenmuren meestal uit twee stenen muren met een ruimte ertussen: de spouw. De spouw kan lucht bevatten of kan gevuld zijn met een isolatiemateriaal. Lucht is een slechte warmtegeleider. Neem aan dat de lucht in de spouw stilstaat. 1p 21 Is er warmtetransport in een met lucht gevulde spouw? A ja, voornamelijk door straling B ja, voornamelijk door stroming C ja, voornamelijk door geleiding D nee 11

Een spouwmuur kan geïsoleerd worden door de spouw te vullen met polystyreen of met aerogel. In figuur 2 is het temperatuurverloop als functie van de dikte van de muren gegeven voor aerogel; in figuur 3 voor polystyreen. De buitenmuren en binnenmuren zijn in beide situaties identiek. figuur 2 figuur 3 buitenmuur 25 T (ºC) 20 spouw aerogel binnenmuur buitenmuur binnenmuur 25 spouw T polystyreen (ºC) 20 15 10 5 0-5 -10-15 0 50 100 150 200 250 dikte (mm) 15 10 5 0-5 -10-15 0 50 100 150 200 250 dikte (mm) Op de uitwerkbijlage staan vier uitspraken over het isoleren van deze muur met polystyreen vergeleken met het isoleren van deze muur met aerogel. 3p 22 Geef op de uitwerkbijlage met een kruisje aan of deze uitspraken waar of niet waar zijn. 12

uitwerkbijlage 22 Geef met een kruisje aan of deze uitspraken waar of niet waar zijn. uitspraak waar niet waar 1 De warmtegeleidingscoëfficiënt van polystyreen is groter dan van aerogel. 2 Het temperatuurverschil over de spouw met polystyreen is groter dan bij aerogel. 3 De warmtestroom tussen binnen en buiten is voor beide muren gelijk. 4 Polystyreen isoleert beter dan aerogel. 13

Airbus E-fan De Airbus E-fan is een klein, tweepersoons elektrisch vliegtuig. Het vliegtuig heeft twee motoren met een vermogen van 4,0 kw per motor. Elke motor heeft een eigen accu, met een spanning van 250 V. De E-fan maakte zijn eerste vlucht op 11 maart 2014 op een luchtshow in Engeland. Het vliegtuig kwam los van de grond bij een snelheid van 32 knopen. 2p 23 Reken deze snelheid om naar km h 1. 2p 24 Bereken de stroomsterkte die elke accu aan zijn motor levert. Bij een maximaal vermogen van 4,0 kw kan een motor maximaal 1 uur en 10 minuten werken. De massa van een accu is 40 kg. 1 3p 25 Bereken de energiedichtheid in Jkg van een accu. In plaats van elke motor op zijn eigen accu aan te sluiten, worden beide motoren en beide accu s in één schakeling aangesloten. Als één motor uitvalt, moet de andere wel blijven werken. Op de uitwerkbijlage staan drie schakelingen getekend. 2p 26 Geef bij elke schakeling aan of de motoren juist of onjuist zijn aangesloten. Omdat het vliegtuig slechts korte vluchten kan maken op de twee volle accu s, wil de fabrikant een hybride model op de markt brengen dat langere vluchten kan maken. In deze variant worden de accu s opgeladen door een verbrandingsmotor op benzine. Deze variant kan 2,5 uur langer in de lucht blijven dan de E-fan. Het rendement van de verbrandingsmotor is 35%. 4p 27 Bereken hoeveel liter benzine deze variant minimaal verbruikt tijdens zijn vlucht. 14

uitwerkbijlage 26 Geef bij elke schakeling aan of de motoren juist of onjuist zijn aangesloten. I I juist / onjuist juist / onjuist III juist / onjuist 15