Jongerenpeiling 2013 Gemeente Leiden
Colofon Opdrachtgever: Gemeente Leiden Uitvoering: GGD Hollands Midden Auteurs: Lonneke Vink Hanneke Tielen Bestellen: boa@leiden.nl infodocu@ggdhm.nl Juli 2014 2
Inhoudsopgave SAMENVATTING... 5 1. INLEIDING EN ONDERZOEKSOPZET... 7 2. RESPONS... 9 3. LICHAMELIJKE GEZONDHEID... 13 3.1 Ervaren gezondheid... 13 3.2 Lichamelijke aandoeningen en allergie... 13 3.2.1 Langdurige lichamelijke aandoening... 13 3.2.2 Allergie... 14 3.3.2 Belemmerd door aandoening en/of allergie... 15 3.3 Gehoorschade... 15 3.4 Geografische verschillen... 15 3.5 Trends in lichamelijke gezondheid... 16 4. PSYCHOSOCIALE GEZONDHEID... 19 4.1 Risico op psychosociale problemen... 19 4.2 Aan suïcide gedacht... 19 4.3 Pesten... 20 4.3.1 Pesten en gepest worden... 20 4.3.2 Manieren en plaatsen van pesten op school... 20 4.3.3 Cyberpesten... 21 4.3.4 Manieren van cyberpesten... 22 4.4 Problemen door het gebruik van sociale media... 22 4.5 Mishandeld door een volwassene... 23 4.6 Geografische verschillen... 24 4.7 Trends in psychosociale gezondheid... 24 5. BEWEGEN... 27 5.1 Bewegen... 27 5.1.1 Nederlandse Norm Gezond Bewegen... 27 5.1.2 Sport... 27 5.2 Beeldschermgebruik... 28 5.3 Geografische verschillen... 29 5.4 Trends in bewegen... 29 6. GEWICHT EN VOEDING... 31 6.1 Gewicht... 31 6.1.1 Lichaamsgewicht... 31 6.1.2 Eigen oordeel gewicht... 32 6.1.3 Proberen af te vallen... 32 6.2 Voeding... 33 6.2.1 Eetgewoonten... 33 3
6.3 Mondhygiëne... 34 6.4 Geografische verschillen... 34 6.5 Trends in gewicht en voeding... 35 7. GENOTMIDDELENGEBRUIK... 37 7.1 Alcohol... 37 7.1.1 Alcohol drinken en binge drinken... 37 7.1.2 Dronken of aangeschoten zijn... 38 7.1.3 Gemiddeld aantal glazen per week... 38 7.1.4 Mening ouders over alcoholgebruik... 38 7.1.4 Plekken waar jongeren alcohol drinken... 39 7.2 Roken... 40 7.2.1 Sigaretten roken... 40 7.2.2 Mening ouders over roken van sigaretten... 40 7.2.3 Roken van de waterpijp... 41 7.3 Drugsgebruik... 42 7.3.1 Cannabisgebruik... 42 7.3.2 Harddrugsgebruik... 43 7.4 Combinatiegebruik alcohol en drugs... 43 7.5 Geografische verschillen... 43 7.6 Trends in genotmiddelengebruik... 43 8. SEKSUALITEIT... 47 8.1 Geslachtsgemeenschap en condoomgebruik... 47 8.1.1 Mening over onveilig vrijen... 48 8.2 Ongewenste seksuele ervaring met een jongere... 49 8.3 Negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit... 49 8.4 Verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht... 49 8.5 Geografische verschillen... 50 8.6 Trends in seksualiteit... 50 9. SCHOOLVERZUIM... 53 9.1 Spijbelen... 53 9.2 Ziekteverzuim... 54 9.3 Geografische verschillen... 54 9.4 Trends in schoolverzuim... 54 BIJLAGEN... 57 4
SAMENVATTING In 2013 heeft de GGD Hollands Midden een gezondheidsenquête uitgevoerd onder leerlingen van het vmbo, havo en vwo. Dit onderzoek wordt eens per vijf jaar uitgevoerd. Het doel is om op systematische wijze ontwikkelingen in gezondheid en gedrag van jongeren in kaart te brengen. De GGD adviseert de gemeenten ten aanzien van lokaal preventief jeugdbeleid. De leerlingen hebben een digitale vragenlijst ingevuld over lichamelijke en psychische gezondheid, (cyber)pesten, bewegen en voeding, genotmiddelengebruik, seksualiteit en schoolverzuim. Uit de gemeente Leiden hebben 2.536 leerlingen de vragenlijst ingevuld. Dit is 31% van alle vmbo-, havo- en vwo-leerlingen. Bijna negen van de tien leerlingen beoordelen de eigen gezondheid als (heel) goed. Desondanks voelt ruim een derde zich belemmerd door een langdurige aandoening en/of een allergie. Meestal gaat het om astma/bronchitis, migraine of eczeem. De meest voorkomende allergie is hooikoorts. In 2013 rapporteren minder leerlingen klachten met langdurige aandoeningen dan in 2008. Veertig procent van de jongeren in Leiden loopt risico op gehoorschade door uitgaan met harde muziek en/of door het gebruik van een koptelefoon. Meisjes rapporteren vaker psychosociale problemen dan jongens (17% versus 10%). Deze percentages komen overeen met die in 2008. Het pesten op school is ten opzichte van 2008 afgenomen terwijl 15% van de respondenten slachtoffer is van cyberpesten. Wellicht is het pesten op school voor een deel verschoven naar het pesten via de sociale media. Meer dan de helft van de jongeren rapporteert problemen door het gebruik van sociale media, zoals slaap- en concentratieproblemen en te weinig tijd voor huiswerk. Ongeveer 4% van de respondenten rapporteert wel eens mishandeld te zijn door een volwassene. Hoewel ruim driekwart van de leerlingen minstens één keer per week sport en twee derde lid is van een sportvereniging, voldoet slechts 16% aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen. Deze cijfers zijn gelijk aan die in 2008. In Leiden zijn in verhouding minder leerlingen lid van een sportvereniging dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. Ruim de helft van de jongeren zit in de vrije tijd langer dan twee uur per dag voor tv en/of computer. Ongeveer een van de tien leerlingen heeft overgewicht. Dit percentage is vergeleken met de metingen in 2003 en 2008 gelijk gebleven. Vijftien procent van de jongeren ontbijt niet elke dag, de helft eet niet dagelijks groente en twee derde eet niet dagelijks fruit. De jongeren in de gemeente Leiden scoren gunstiger op eetgewoonte dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. De groente- en fruitconsumptie is ten opzichte van 2008 afgenomen. Het tandenpoetsen en tandartsbezoek zijn in vijf jaar tijd verbeterd. Van de 11-13 jarigen rapporteert 6% alcohol te drinken. Driekwart van de 16-18 jarigen drinkt en de helft drinkt vijf of meer glazen alcohol per gelegenheid. Het percentage jongeren dat drinkt was in 2008 al afgenomen ten opzichte van 2003. In 2013 is het percentage verder gedaald. Van de 11-13 jarigen rookt 3% en van de 16-18 jarigen een kwart. Het percentage jongeren dat sigaretten rookt is ten opzichte van 2008 afgenomen. De groep die waterpijp rookt is even groot als de groep sigarettenrokers. Van de 16-18 jarigen gebruikt 25% cannabis en 6% harddrugs. Het percentage leerlingen dat wel eens met iemand naar bed is geweest neemt toe met de leeftijd van 2% onder de 11-13 jarigen naar 33% bij de 16-18 jarigen. Dit laatste percentage is lager dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. De ervaring met geslachtsgemeenschap is gedaald ten opzichte van 2008. In 2013 rapporteert een derde deel van de ervaren 16-18 jarigen geen condoom te hebben gebruikt bij de laatste keer seks, evenveel als in 2008. Een van de vijf leerlingen rapporteert een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit. Tien procent van de leerlingen heeft in de afgelopen vier weken gespijbeld, jongens vaker dan meisjes. Een derde van de leerlingen heeft verzuimd wegens ziekte. Het percentage leerlingen dat gespijbeld heeft of verzuimd heeft wegens ziekte is ten opzichte van 2008 afgenomen. 5
6
1. INLEIDING EN ONDERZOEKSOPZET Gemeenten hebben de regiefunctie voor lokaal preventief jeugdbeleid, volksgezondheidsbeleid en per 1 januari 2015 voor de gehele jeugdzorg. Inzicht in het gedrag van jongeren, hun leefsituatie, hun gezondheid en hun omgeving is nodig om samenhangend gemeentelijk beleid te ontwikkelen en te kunnen inspringen op veranderingen. De GGD adviseert en ondersteunt de gemeenten met de ontwikkeling en uitvoering van lokaal gezondheidsbeleid, waaronder preventieve jeugdgezondheidszorg. Dit betekent onder andere dat zij probeert gezond gedrag bij jongeren te bevorderen. Ten behoeve van preventie en voorlichting is het van belang te weten met welke risico s jongeren in aanraking komen en voor welke groepen jongeren dit in het bijzonder opgaat. Ook het opkomen of afnemen van trends is hierbij van belang. Met de Jongerenpeiling worden op systematische wijze ontwikkelingen in aspecten van gezondheid, de leefsituatie en het gedrag van middelbare scholieren in Zuid-Holland Noord in kaart gebracht. De resultaten laten zien in welke mate problemen bij jongeren voorkomen en wie tot de risicogroepen behoren. In 2013 is voor de vierde keer in deze regio een jongerenpeiling gehouden. De voorgaande keren is de peiling uitgevoerd in 1998, 2003 en 2008. In 2008 en 2013 zijn op verzoek van de gemeente Leiden vragen toegevoegd ten behoeve van het project Veilig opgroeien in de wijk. De antwoorden op deze vragen zijn door het bureau DSP en de Hogeschool Leiden geanalyseerd en vormen geen onderdeel van dit rapport. In de bijlage is een overzicht van de resultaten opgenomen. Onderzoeksopzet Zeventien schoollocaties voor vmbo, havo en vwo in Zuid-Holland Noord zijn door de GGD Hollands Midden benaderd met het verzoek om deel te nemen aan de Monitor Jeugdgezondheid. Twaalf lokaties hebben deelgenomen. Zij vertegenwoordigen met ruim 28.000 leerlingen ongeveer 90% van de middelbare scholieren in Zuid-Holland Noord. Daarnaast hebben 1.443 jongeren die buiten de regio Zuid-Holland Noord naar school gaan, een brief van de GGD ontvangen met het verzoek om mee te doen. De leerlingen kregen ieder een inlogkaart met een unieke code waarmee zij konden inloggen op een digitale vragenlijst. Met de unieke code kon de leerling de vragenlijst slechts één keer invullen en konden anderen de antwoorden niet bekijken. De code was niet gekoppeld aan persoonsgegevens van de leerling. Zo was de privacy gewaarborgd. Een aantal scholen heeft de leerlingen de vragenlijst tijdens een lesuur laten invullen, andere hebben de inlogkaarten met de leerlingen mee naar huis gegeven. De vragenlijsten zijn in september-oktober 2014 ingevuld. Leidse leerlingen Uit het databestand van Zuid-Holland Noord is op basis van de numerieke postcode een selectie gemaakt van de respondenten die in Leiden wonen. Jongeren die buiten Leiden naar school gaan zijn dus inbegrepen. De Leidse jongeren zijn ingedeeld in districten. Vanwege kleine aantallen respondenten is een aantal districten samengevoegd. Binnenstad Noord en Zuid vormen samen het district Binnenstad en het Stationsdistrict en Boerhaavedistrict zijn samengevoegd tot Stations- /Boerhaavedistrict. Omdat van de postcode alleen de cijfers zijn nagevraagd en niet de letters, was het niet mogelijk om jongeren uit de Slaaghwijk te identificeren. Zij zijn ingedeeld in de Merenwijk. De overige districten zijn Leiden Noord, Roodenburgdistrict, Bos- en Gasthuisdistrict, Stevenshofdistrict en Morsdistrict. 7
Thema s De vragenlijst is opgebouwd uit een aantal gezondheid- en leefstijlthema s. Hieronder de thema s met bijbehorende onderwerpen. Thema Lichamelijke gezondheid Psychosociale gezondheid Bewegen Gewicht en voeding Genotmiddelengebruik Seksualiteit Schoolverzuim Onderwerp Oordeel eigen gezondheid Langdurige aandoeningen, inclusief allergieën Gehoorschade Risico op emotionele en/of gedragsproblemen Suïcidegedachten Pesten op school Cyberpesten Slachtoffer van mishandeling Nederlandse Norm Gezond Bewegen Sporten Beeldschermgebruik Mate van onder- en overgewicht volgens de BMI Oordeel eigen gewicht en diëten Ontbijten Groente- en fruitconsumptie Mondhygiëne Alcoholconsumptie Roken van sigaretten en waterpijp Cannabis- en harddrugsgebruik Combinatiegebruik alcohol en drugs Mening ouders over genotmiddelengebruik Ervaring met seks Condoomgebruik Houding ten opzichte van homoseksualiteit Ongewenste seksuele ervaringen Spijbelen Ziekteverzuim Analyse Per thema worden de uitkomsten tussen leeftijdsgroepen, jongens en meisjes, etnische groepen, schooltypen, twee- en eenoudergezinnen, werkende en werkloze ouders en lager en hoger opgeleide ouders, getoetst met het statistische programma SPSS. De uitkomsten worden per thema gepresenteerd in kerntabellen. Verschillen die worden gemeten tussen bijvoorbeeld jongens en meisjes kunnen op toeval berusten. Als de kans op het gemeten verschil kleiner is dan 5%, dan berust het verschil waarschijnlijk niet op toeval en noemen we het verschil significant. Alleen statistisch significante verschillen worden als zodanig beschreven. De uitkomsten van Leiden worden vergeleken met die van Zuid-Holland Noord. De uitkomsten per district worden onderling vergeleken. Tenslotte worden trends in de tijd geanalyseerd op gemeenteniveau. Uitkomsten van 2013 worden voor zover mogelijk vergeleken met die van eerdere peiljaren. Niet alle significante verschillen zijn relevant voor gemeentelijk beleid. Andersom sluiten niet-significante verschillen niet uit dat er sprake is van relevante gezondheidsproblemen. Dit kan het geval zijn wanneer een bepaalde leefstijl in alle groepen of in de hele regio veel voorkomt of wanneer de leefstijl op zich ongezond is, bijvoorbeeld roken. Leeswijzer In Hoofdstuk 2 wordt de respons beschreven naar achtergrondkenmerken per district. In de hoofdstukken 3 tot en met 9 staan per thema de resultaten. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een kerntabel. 8
2. RESPONS In totaal hebben 2.536 jongeren uit de gemeente Leiden de enquête ingevuld. Dit betekent dat 31% van de totale populatie van 8.239 vmbo-, havo- en vwo-leerlingen in Leiden is bereikt. Omdat de verdeling van de respons over jongens, meisjes, soort onderwijs en klassen niet altijd overeenkomt met de verdeling in de bevolking, zijn de resultaten niet zonder meer representatief. Om hiervoor te corrigeren zijn, voordat uitkomsten zijn berekend en getoetst, de aantallen respondenten gewogen naar geslacht, soort onderwijs en klas. De cijfers die in dit rapport worden weergegeven zijn representatief voor de vmbo-, havo- en vwo-leerlingen in de 1 e tot en met de 6 e klas die in Leiden wonen. Weegfactoren In tabel 1 staan de ongewogen en gewogen percentages respondenten naar geslacht, soort onderwijs en klas naast de werkelijke percentages in de populatie van Leiden (peildatum 1 januari 2013). De respons is in de jongere leeftijdsklassen en onder meisjes groter dan in de oudere leeftijdsklassen en onder jongens. Tabel 1 Verdeling geslacht, soort onderwijs en klas onder de respondenten van de Jongerenpeiling (ongewogen/gewogen)en onder de populatie middelbare scholieren in Leiden Weegfactoren geslacht Soort onderwijs Klas 1 Categorieën per weegfactor jongen meisje brugklas* vmbo havo vwo 2 3 4 5 6 * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Ongewogen % respondenten 46% 54% 21% 28% 22% 28% 22% 26% 21% 21% 6% 3% Gewogen % respondenten 52% 48% 20% 26% 19% 35% Populatie Leiden middelbare scholieren In tabel 2 staan de achtergrondkenmerken van de respondenten voor Zuid-Holland Noord, voor Leiden en per district. 21% 21% 20% 22% 11% 6% 52% 48% 21% 26% 18% 35% 21% 18% 17% 19% 9% 6% Leeftijd en geslacht De geslachtsverdeling van de Leidse jongeren komt vrijwel overeen met die van Zuid-Holland Noord. In Leiden zijn in verhouding iets meer 16- tot 18-jarigen. Er zijn relatief weinig verschillen te zien tussen de districten wat betreft de leeftijdsgroepen. In Leiden Noord woont een relatief hoger percentage 11-13 jarigen en een relatief lager percentage 14-18 jarigen. Een relatief lager percentage 11-13 jarigen woont in Bos- en Gasthuisdistrict en Stevenshofdistrict. In Bos- en Gasthuisdistrict wonen relatief meer 16-18 jarigen. 9
Achtergrondkenmerken De samenstelling van de Leidse respondenten wijkt op een aantal kenmerken af van die van Zuid- Holland Noord. In Leiden wonen relatief veel niet-westerse allochtone jongeren (23% versus 11%), wonen meer jongeren in een eenoudergezin (11% versus 8%), zijn relatief meer jongeren van wie geen van de ouders werkt (3% versus 2%) en zijn de ouders relatief hoog opgeleid (ruim 60% versus ongeveer 50%). De verdeling van de Leidse respondenten over de schooltypen vmbo, havo en vwo komt overeen met de verdeling in Zuid-Holland Noord. Het aantal respondenten per district loopt uiteen van 478 in het Roodenburgerdistrict tot 96 in het Stations-/Boerhaavedistrict. De achtergrondkenmerken zijn onevenredig verdeeld over de districten. Hieronder volgt een opsomming per district. In de Binnenstad wonen gemiddeld minder jongeren die op het vmbo zitten en meer jongeren op het vwo, minder jongeren in een tweeoudergezin en meer jongeren met gemiddeld hoger opgeleide ouders. In Leiden-Noord wonen meer niet-westers allochtone jongeren, meer jongeren die op het vmbo zitten en minder op het vwo, meer jongeren in eenoudergezinnen, meer jongeren van wie geen van beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld lager zijn opgeleid. In het Bos- en Gasthuisdistrict wonen meer niet-westerse allochtone jongeren, meer jongeren die op het vmbo zitten en minder op het vwo, meer jongeren in een eenoudergezin en meer jongeren van wie de ouders gemiddeld lager zijn opgeleid. In het Roodenburgerdistrict wonen meer autochtone jongeren, minder jongeren op het vmbo en meer op het vwo, meer jongeren van wie beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld hoger zijn opgeleid. In het Morsdistrict wonen meer niet-westers allochtone jongeren, meer jongeren die op het vmbo zitten en minder op het vwo, meer jongeren van wie geen van beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld lager zijn opgeleid. In het Stations- /Boerhaavedistrict wonen meer autochtone jongeren, minder jongeren die op het vmbo zitten en meer op het vwo, meer jongeren van wie beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld hoger zijn opgeleid. In de Merenwijk wonen minder jongeren die op de havo zitten en meer op het vwo, minder jongeren van wie beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld hoger zijn opgeleid. De Merenwijk bestaat voor een deel uit vooral hoogbouw en een deel met meer laagbouw. In de hoogbouw is ongeveer de helft van de jongeren niet-westers allochtoon, in de laagbouw ongeveer 10%. Samen komt het percentage niet-westerse allochtone respondenten in de Merenwijk uit op het Leidse gemiddelde. In Stevenshofsdistrict wonen meer autochtone jongeren, meer jongeren die op het vmbo of de havo zitten, minder jongeren in een eenoudergezin, meer jongeren van wie beide ouders werken en van wie de ouders gemiddeld lager zijn opgeleid. 10
Tabel 2 Respondenten 2013, ongewogen aantallen, gewogen percentages Aantal respondenten Zuid-Holland Noord Leiden Binnenstad Leiden-Noord Leidse Districten Stations-/ Boerhaavedistrict Morsdistrict Bos- en Gasthuisdistrict Roodenburgerdistrict Merenwijk Stevenshofdistrict Aantal respondenten 14.812 2.536 203 305 478 409 223 96 411 411 % % % % % % % % % % leeftijdsklasse 11-13 995 36 35 37 49 36 30 31 40 35 30 14-15 1.062 40 39 41 33 41 38 43 35 38 41 16-18 478 24 26 22 18 23 32 26 25 27 29 geslacht jongen 1.175 51 52 52 53 52 52 54 54 53 48 meisje 1.361 49 48 48 47 48 48 46 46 47 52 etniciteit autochtoon 1.738 82 69 66 54 79 58 64 83 66 83 westers 190 7 8 9 8 10 8 5 10 8 6 niet-westers 608 11 23 24 38 11 35 31 8 25 11 vorm onderwijs brugklas* 532 20 20 20 28 22 18 21 22 22 13 vmbo 713 29 26 18 37 15 31 34 9 24 33 havo 563 22 19 20 15 19 22 19 13 15 23 vwo 714 29 35 42 20 44 29 25 56 39 31 gezinssamenstelling tweeoudergezin 1.908 79 76 69 66 78 73 75 83 78 83 eenoudergezin 281 8 11 14 17 10 15 12 3 8 6 nieuw-/co-oudergezin 322 12 12 16 16 12 10 11 12 13 11 arbeidssituatie ouders geen werkt 82 2 3 2 7 2 4 6 <1 4 2 één werkt 481 18 20 2 23 16 22 26 13 25 12 beide werken 1.822 80 77 76 70 82 73 68 86 71 86 opleiding vader laag 225 20 14 7 22 8 17 23 4 9 25 middel 330 27 21 17 23 18 31 24 4 19 24 hoog 935 52 65 76 56 75 52 53 92 71 51 opleiding moeder laag 264 19 15 10 25 11 20 19 2 10 20 middel 379 34 24 18 29 16 33 30 8 18 33 hoog 951 47 61 72 46 73 47 51 90 72 47 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; districten: significant afwijkend van overige districten * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: in Leiden is 35% van de respondenten 11-13 jaar 11
12
3. LICHAMELIJKE GEZONDHEID Bijna negen van de tien leerlingen beoordeelt de eigen gezondheid als (heel) goed. Desondanks voelt ruim een derde zich belemmerd door een langdurige aandoening en/of een allergie. Meestal gaat het om astma/bronchitis, migraine of eczeem. De meest voorkomende allergie is hooikoorts. In 2013 rapporteren minder leerlingen klachten met langdurige aandoeningen dan in 2008. Veertig procent van de jongeren in Leiden loopt risico op gehoorschade door uitgaan met harde muziek en/of door het gebruik van een koptelefoon. 3.1 Ervaren gezondheid De meerderheid (86%) van de jongeren beoordeelt zijn of haar gezondheid als goed tot heel goed, 13% als gaat wel en 1% van de jongeren als niet zo best of slecht. Het percentage jongeren dat de eigen gezondheid niet zo best of slecht beoordeelt neemt toe met de leeftijd van <1% bij 11-13 jarigen tot 2% bij 16-18 jarigen (tabel 3). Meisjes beoordelen hun gezondheid vaker negatief dan jongens (figuur 1). Allochtone jongeren beoordelen hun gezondheid vaker als negatief dan autochtone jongeren (zie kerntabel). Jongeren van het vmbo (klas 1 t/m 4) beoordelen vaker hun gezondheid als niet zo best of slecht dan jongeren op de havo of het vwo (2% versus <1%). Tabel 3 Ervaren gezondheid naar leeftijd Ervaren gezondheid 11-13 jaar 14-15 jaar 16-18 jaar Totaal Leiden heel goed of goed gaat wel niet zo best of slecht 88% 11% <1% 86% 13% 2% 84% 14% 2% 86% 13% 1% 3.2 Lichamelijke aandoeningen en allergie 3.2.1 Langdurige lichamelijke aandoening Aan de jongeren is gevraagd om voor tien langdurige lichamelijke aandoeningen aan te geven of ze hier in de afgelopen twaalf maanden last van hebben gehad. Er is gevraagd naar astma/bronchitis, chronische vermoeidheid, suikerziekte, eczeem, buikklachten (langer dan drie maanden), migraine/regelmatige ernstige hoofdpijn, aangeboren hartaandoening, ADHD, anorexia of boulimia en kanker. Deze lichamelijke aandoeningen kunnen al dan niet door een arts zijn vastgesteld. Van de jongeren in Leiden geeft 39% aan één of meer langdurige lichamelijke aandoening te hebben (zie kerncijfertabel). Meisjes rapporteren vaker een lichamelijke aandoening dan jongens (figuur 1). De meest gerapporteerde langdurige lichamelijke aandoeningen zijn astma of bronchitis, migraine of regelmatige ernstige hoofdpijn en eczeem. Ongeveer een derde van de respondenten meldt één van deze drie aandoeningen (tabel 4). Bij twee derde (67%) van de jongeren met een aandoening is ten minste één langdurige lichamelijke aandoening vastgesteld door een arts. 13
50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren langdurige aandoening meisje langdurige aandoening jongen gezondheid niet zo best/slecht meisje gezondheid niet zo best/slecht jongen Figuur 1 Percentage jongeren dat de eigen gezondheid als niet zo best tot slecht beoordeelt of dat één of meer langdurige lichamelijke aandoeningen heeft naar leeftijd en geslacht Tabel 4 Type aandoening zoals gerapporteerd door de jongeren die aangeven dat ze een langdurige lichamelijke aandoening hebben Langdurige lichamelijke laandoening Niet vastgesteld Wel vastgesteld Totaal Leiden door een arts door een arts Astma of bronchitis 6% 27% 33% Migraine of regelmatige ernstige hoofdpijn 21% 9% 30% Eczeem 12% 18% 29% Chronische vermoeidheid 14% 4% 18% ADHD 5% 12% 17% Buikklachten langer dan 3 maanden 7% 5% 11% Aangeboren hartafwijking 1% 2% 3% Diabetes (suikerziekte) <1% 1% 2% Anorexia of boulimia nervosa 1% <1% 2% Kanker <1% <1% 1% 3.2.2 Allergie Een allergie is een vorm van overgevoeligheid van het lichaam, waarbij het immuunsysteem op stoffen (allergenen) reageert die in principe onschadelijk zijn en geen ziekte veroorzaken. Van de jongeren in Leiden heeft 36% naar eigen zeggen een allergie. Jongens en meisjes hebben ongeveer even vaak een allergie (zie kerntabel). Niet-westerse allochtone jongeren geven vaker aan een allergie te hebben dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. De meest voorkomende allergieën zijn pollen of stuifmeel (hooikoorts), huisstof of huismijt en huisdieren (tabel 5). Van de jongeren met een allergie heeft 64% ten minste één allergie die is vastgesteld door een arts. 14
Tabel 5 Type allergie zoals gerapporteerd door de jongeren die aangeven dat ze een allergie hebben Allergie Niet vastgesteld Wel vastgesteld Totaal Leiden door een arts door een arts Pollen of stuifmeel (hooikoorts) Huisstof/huismijt 24% 12% 36% 34% 60% 45% Huisdieren 12% 21% 33% Voedsel 13% 14% 27% Medicijnen 3% 9% 12% 3.3.2 Belemmerd door aandoening en/of allergie Lichamelijke aandoeningen en allergieën kunnen een belemmering vormen in het uitvoeren van de dagelijkse bezigheden. Zo kan het zijn dat bepaalde situaties worden vermeden of anders worden aangepakt. In totaal geeft dertig procent van de jongeren aan belemmerd te worden door een langdurige lichamelijke aandoening en/of een allergie (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat zich belemmerd voelt door een lichamelijke aandoening of allergie loopt op met de leeftijd van 26% van de 11- tot 13-jarigen naar 34% bij de 16- tot 18-jarigen. Meisjes geven vaker aan belemmerd te worden door een lichamelijke aandoening en/of allergie dan jongens. Ook geven niet-westerse allochtone jongeren vaker aan zich belemmerd te voelen door een aandoening en/of allergie dan autochtone jongeren. Van de jongeren met een lichamelijke aandoening geeft 66% aan zich belemmerd te voelen, dit is inclusief 16% die aangeeft zich in sterke mate belemmerd te voelen. Als de aandoening een allergie betreft, rapporteert 50% van de jongeren zich hierdoor belemmerd te voelen, dit is inclusief 8% die zich sterk belemmerd voelt. 3.3 Gehoorschade Jongeren lopen een risico op gehoorschade als gevolg van harde muziek in discotheken, op festivals en concerten en door het gebruik van geluidsspelers die via de koptelefoon beluisterd worden. Aan de jongeren is gevraagd hoe hard zij het geluid van hun koptelefoon zetten en of zij na het uitgaan of het bezoek van muziekevenementen wel eens (tijdelijk) last hebben van het gehoor (bijvoorbeeld oorsuizingen of minder goed kunnen horen). Veertig procent van de jongeren in Leiden loopt risico op gehoorschade door uitgaan met harde muziek en/of door het gebruik van een koptelefoon (zie kerntabel). Van de jongeren loopt 30% risico op gehoorschade door alleen het gebruik van een koptelefoon, 5% alleen door uitgaan met harde muziek en 6% door zowel uitgaan met harde muziek als door het gebruik van een koptelefoon. Het risico op gehoorschade loopt op met de leeftijd van 28% bij de 11-13 jarigen tot 49% bij de 16-18 jarigen. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) lopen vaker risico op gehoorschade dan jongeren op de havo of het vwo (45% versus 34%). 3.4 Geografische verschillen Het percentage jongeren dat de eigen gezondheid als niet zo best of slecht beoordeelt, één of meer langdurige aandoeningen heeft en zich belemmerd voelt door een aandoening of allergie in Leiden is vergelijkbaar met het gemiddelde in Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). In Leiden heeft een iets hoger percentage van de jongeren een allergie dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord (36% versus 34%). Eveneens is in Leiden het percentage jongeren dat risico loopt op gehoorschade door uitgaan en/of het gebruik van een koptelefoon iets hoger dan in Zuid-Holland Noord (40% versus 38%). 15
3.5 Trends in lichamelijke gezondheid Het percentage jongeren dat de eigen gezondheid als niet zo best of slecht beoordeelt is afgenomen van 3% in 2008 naar 1% in 2013 (tabel 6). Ook het percentage jongeren met één of meer langdurige aandoeningen en het percentage jongeren dat zich belemmerd voelt door een aandoening en/of allergie is afgenomen. Het percentage jongeren met een allergie en het percentage jongeren met risico op gehoorschade is ongeveer gelijk gebleven. De vragen omtrent lichamelijke gezondheid kunnen niet met peiljaar 2003 worden vergeleken omdat deze onderwerpen toen op een andere manier zijn nagevraagd. Tabel 6 Lichamelijke gezondheid in 2008 en 2013 van jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2008 2013 Oordeel eigen gezondheid niet zo best tot slecht 3% 1% Eén of meer langdurige lichamelijke aandoeningen 44% 38% Allergie 36% 36% Belemmerd door een aandoening en/of allergie 36% 29% Risico op gehoorschade door uitgaan en/of gebruik koptelefoon 37% 40% Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar 16
Tabel 7 Kerntabel lichamelijke gezondheid 2013 Aantal respondenten is 2.536 oordeel eigen gezondheid 'niet zo best' of 'slecht' één of meer langdurige aandoeningen allergie belemmerd door aandoening en/of allergie risico op gehoorschade door uitgaan en/of koptelefoon % % % % % Zuid-Holland Noord 1 37 34 29 38 Leiden 1 39 36 30 40 stadsdeel Midden -- 36 35 29 41 Noord 2 36 36 28 38 Zuid 1 42 37 33 41 West 1 39 36 27 42 districten Binnenstad -- 36 35 29 41 Leiden Noord 1 37 35 27 44 Roodenburg <1 39 34 29 36 Bos- en Gasthuisdistrict 2 44 40 38 46 Morsdistrict <1 39 38 32 40 Stations-/Boerhaavedistrict 3 25 30 16 26 Merenwijk 2 38 38 32 36 Stevenshof 2 38 34 24 43 leeftijdsklasse 11-13 <1 37 35 26 28 14-15 2 39 36 30 45 16-18 2 40 39 34 49 geslacht jongen <1 35 37 25 41 meisje 2 42 35 34 39 etniciteit Nederlands <1 38 35 28 39 westers 1 39 34 31 43 niet-westers 3 40 42 33 42 vorm onderwijs brugklas* <1 35 34 25 26 vmbo 2 42 39 29 51 havo 2 40 35 33 50 vwo 1 38 35 30 35 gezinssamenstelling tweeoudergezin 1 37 36 28 39 eenoudergezin 2 47 40 38 46 nieuw/co-oudergezin <1 41 34 31 44 arbeidssituatie ouders geen ouder werkt - - - - - één ouder werkt 2 39 36 30 42 beide ouders werken 1 38 36 28 39 opleiding vader laag 2 39 34 30 52 middel 2 43 41 34 44 hoog 1 38 36 30 35 opleiding moeder laag 2 43 42 32 48 middel 1 42 38 30 44 hoog 2 38 37 32 35 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen oordeelt <1% van de respondenten de eigen gezondheid als niet zo best tot slecht 17
18
4. PSYCHOSOCIALE GEZONDHEID Meisjes rapporteren vaker psychosociale problemen dan jongens (17% versus 10%). Deze percentages komen overeen met die in 2008. Het pesten op school is ten opzichte van 2008 afgenomen terwijl 15% slachtoffer is van cyberpesten. Wellicht is het pesten op school voor een deel verschoven naar het pesten via de sociale media. Meer dan de helft van de jongeren rapporteert problemen door het gebruik van sociale media, zoals slaap- en concentratieproblemen en te weinig tijd voor huiswerk. Ongeveer 4% van de respondenten rapporteert wel eens mishandeld te zijn door een volwassene. 4.1 Risico op psychosociale problemen Het vóórkomen van psychosociale problemen is bij de jongeren nagevraagd met behulp van de SDQvragenlijst 1. Deze vragenlijst is onderverdeeld in vier probleem-subschalen: emotionele problemen, gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandachttekort en problemen met leeftijdsgenoten. Een verhoogde score op één subschaal, geeft geen risico op psychosociale problemen. Daarvoor moeten twee of meer problemen spelen. Van de leerlingen van klas 1 t/m 4 heeft 14% en risico op psychosociale problemen, inclusief 5% met een groot risico op psychosociale problemen (tabel 8). Als ook de leerlingen uit klas 5 en 6 meegenomen worden heeft 13% van de jongeren in Leiden een risico op psychosociale problemen, inclusief 5% met een groot risico (zie kerntabel). Meisjes hebben een groter risico op psychosociale problemen dan jongens. Niet-westerse allochtone jongeren hebben vaker een groot risico op psychosociale problemen dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Jongeren die op het vmbo zitten (klas 1 t/m 4) hebben vaker een risico op psychosociale problemen dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 8). Tabel 8 Risico op psychosociale problemen naar opleiding ( klas 1 tot en met 4) Risico psychosociale problemen Vmbo Havo/Vwo Totaal* Risico op psychosociale problemen 17% 11% 14% Groot risico op psychosociale problemen 7% 3% 5% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 4.2 Aan suïcide gedacht Van zelfdoding of suïcide wordt gesproken wanneer het slachtoffer zelf een handeling heeft verricht met als doel zich van het leven te beroven. Aan de jongeren is gevraagd of zij het afgelopen jaar wel eens gedacht hebben aan suïcide. Van de jongeren in Leiden heeft 15% in het afgelopen jaar weleens aan suïcide gedacht, inclusief 2% dat vaak aan suïcide heeft gedacht (zie kerntabel). Er is ook aan de jongeren gevraagd of ze een suïcidepoging hebben ondernomen. Hierop antwoordt 3% van de jongeren bevestigend. Van de jongeren die in het afgelopen jaar weleens nagedacht hebben over suïcide heeft 17% een suïcidepoging ondernomen. 1 De Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) is een korte vragenlijst die wordt gebruikt om jongeren met een verhoogd risico op psychosociale problemen te signaleren. Wanneer een jongere een verhoogde score heeft op de SDQ, dan wil dit zeggen dat deze jongere een risico heeft op psychosociale problemen. 19
4.3 Pesten 4.3.1 Pesten en gepest worden op school Acht procent van de jongeren rapporteert in de afgelopen drie maanden wel eens of regelmatig medeleerlingen op school te hebben gepest en 8% werd wel eens of regelmatig op school gepest (zie kerntabel). Een kwart van de jongeren dat wordt gepest op school, pest zelf ook anderen (dit is 2% van alle jongeren). Zowel dader als slachtoffer zijn van pesten op school neemt af met de leeftijd (figuur 2). Jongens en meisjes worden ongeveer even vaak gepest maar jongens zijn vaker dader van pesten dan meisjes (zie kerntabel). 12% 10% 8% 6% pesten op school dader 4% 2% pesten op school slachtoffer 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren Figuur 2 Dader en slachtoffer van pesten in de afgelopen drie maanden op school naar leeftijd Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) zijn vaker dader en slachtoffer van pesten dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 9). Tabel 9 Pesten en gepest worden naar opleiding (klas 1 tot en met 4) Pesten Vmbo Havo/Vwo Totaal* Pest zelf op school 11% 7% 9% Wordt gepest op school 11% 7% 9% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 4.3.2 Manieren en plaatsen van pesten op school Pesten kan op verschillende manieren. Op school komt uitschelden/uitlachen het meeste voor (73%), gevolgd door leugens verteld (50%) en niet mee mogen doen (24%; figuur 3). 20
uitschelden, uitlachen leugens verteld niet mee mogen doen dingen afpakken, vernielen lichamelijk geweld via internet gepest binnen school bedreigd, gedwongen anders 0% 20% 40% 60% 80% Figuur 3 Manieren van pesten op school zoals gerapporteerd door slachtoffers In figuur 4 staan verschillende plekken op school waar wordt gepest. De meeste jongeren worden in de gangen gepest (42%), gevolgd door in het klaslokaal zonder leerkracht (35%) en in de kantine (30%). in de gangen in het klaslokaal zonder leerkracht in de kantine in het klaslokaal met leerkracht op het schoolplein onderweg van/naar school ergens anders in/rond school 0% 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 4 Pestlocaties op school zoals gerapporteerd door slachtoffers 4.3.3 Cyberpesten Een relatief nieuwe vorm van pesten is het cyberpesten, dat is pesten via de sociale media. Andere termen die hiervoor worden gebruikt zijn online pesten, digitaal pesten of mobiel pesten. Vijftien procent van de jongeren in Leiden geeft aan in het afgelopen jaar slachtoffer te zijn geweest van cyberpesten. Meisjes geven vaker aan met cyberpesten te maken te hebben gehad dan jongens (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) zijn vaker slachtoffer geweest van cyberpesten dan jongeren van de havo of het vwo (19% versus 14%). Een vijfde van de jongeren die met 21
cyberpesten te maken heeft gehad, heeft dit in het afgelopen jaar vijf keer of vaker meegemaakt (figuur 5). 6% 15% 21% 36% 1 keer 2 keer 3 keer 4 keer 5 keer of vaker 22% Figuur 5 Aantal keer te maken gehad met cyberpesten in het afgelopen jaar zoals gerapporteerd door slachtoffers 4.3.4 Manieren van cyberpesten Meer dan de helft van de jongeren die wel eens digitaal worden gepest, heeft aangegeven dat dit op een andere manier is gebeurd dan op de manieren die zijn nagevraagd in de vragenlijst (figuur 6). Het is niet bekend welke manieren hier mee worden bedoeld. Van de manieren die in de vragenlijst worden nagevraagd, komen het verspreiden van foto s, filmpjes of roddels en stalken/herhaaldelijk lastig vallen het meeste voor. verspreiden van foto's, filmpjes of roddels stalken, herhaaldelijk lastig vallen bedreigen met geweld onder jouw naam berichten plaatsen afpersen, chanteren gênante of kwetsende website of profiel gemaakt anders 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% Figuur 6 Manieren van cyberpesten (laatste keer dat dit gebeurde) zoals gerapporteerd door slachtoffers 4.4 Problemen door het gebruik van sociale media Jongeren besteden steeds meer tijd aan sociale media. Zeker door het gebruik van de smartphone zijn jongeren vrijwel continu online en in contact met leeftijdsgenoten. Uit onderzoek is gebleken dat 22
hier zowel positieve als negatieve aspecten aan zitten. Positieve aspecten zijn bijvoorbeeld dat verlegen jongeren uit hun schulp kunnen kruipen, dat er beter contact wordt onderhouden met familie of vrienden die ver weg wonen, dat vriendschapsbanden inniger worden en dat er sneller contact wordt gemaakt met anderen. Er zijn echter ook negatieve gevolgen van het veelvuldig gebruik van sociale media. Zo is een verband gevonden tussen veelvuldig gebruik van sociale media door jongeren en het hebben van gezondheidsklachten (grotere kans op angstaanvallen of een depressie, slaapproblemen en maagklachten). Ook zouden jongeren vaker spijbelen en vaker te maken hebben met concentratieproblemen naarmate ze meer gebruik maken van sociale media. Er is gevraagd naar slaapproblemen, concentratieproblemen, ruzie thuis over gebruik sociale media, minder tijd voor huiswerk, minder face-to-face contact met vrienden en zorgen maken over wat er gezien en gelezen wordt. Ruim de helft (57%) van de jongeren in Leiden heeft problemen door het gebruik van sociale media, inclusief 12% met ernstige problemen (zie kerncijfertabel). Problemen door het gebruik van sociale media loopt op met de leeftijd van 51% bij de 11-13 jarigen naar 61% bij de 16-18 jarigen. Nietwesterse allochtone jongeren hebben minder vaak problemen door het gebruik van sociale media dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Ernstige problemen door het gebruik van sociale media komen echter bij alle leeftijdsgroepen en alle etnische groepen ongeveer even vaak voor. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker (ernstige) problemen door het gebruik van sociale media dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 10). Tabel 10 Problemen gebruik sociale media naar opleiding (klas 1 tot en met 4) Problemen sociale media Vmbo Havo/Vwo Totaal* Problemen door gebruik sociale media 59% 52% 55% Ernstige problemen door gebruik sociale media 15% 9% 12% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 De meest voorkomende problemen ten gevolge van sociale media zijn slaapproblemen, minder tijd voor huiswerk en concentratieproblemen (tabel 11). Meisjes hebben vaker dan jongens last van slaapproblemen en maken zich vaker zorgen over wat ze hebben gezien en gelezen. Tabel 11 Soort problemen door gebruik sociale media naar geslacht Problemen ten gevolge van gebruik sociale media Totaal Leiden Jongens Meisjes Slaapproblemen 29% 26% 33% Minder tijd voor huiswerk 28% 27% 29% Concentratieproblemen 17% 17% 17% Ruzie thuis over gebruik sociale media 15% 15% 14% Zorgen maken over wat er gezien en gelezen wordt 12% 10% 14% Minder face-to-face contact met vrienden 11% 12% 10% Vet = significant verschil tussen jongens en meisjes 4.5 Mishandeld door een volwassene Kindermishandeling is 'elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel'. Deze definitie is opgenomen in de Wet op de jeugdzorg. Er zijn 23
verschillende vormen van kindermishandeling: lichamelijke mishandeling/verwaarlozing, psychische mishandeling/verwaarlozing en seksueel misbruik. Van de jongeren uit Leiden geeft 4% aan ooit mishandeld te zijn door een volwassene (zie kerntabel). Onderverdeeld naar type mishandeling geeft 2% aan geestelijk mishandeld te zijn, 2% lichamelijk en <1% zegt seksueel misbruik meegemaakt te hebben. De percentages lopen op met de leeftijd. Meisjes geven vaker aan mishandeld te zijn door een volwassene dan jongens. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) geven aan vaker mishandeld te zijn door een volwassene dan jongeren op de havo of het vwo (4% versus 2%). 4.6 Geografische verschillen In Leiden heeft een lager percentage van de jongeren een risico op psychosociale problemen dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Het percentage jongeren met een groot risico op psychosociale problemen is echter vergelijkbaar evenals het percentage jongeren dat vaak aan suïcide heeft gedacht. In Leiden wordt een lager percentage van de jongeren op school gepest of pest zelf op school vergeleken met Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren met problemen door het gebruik van sociale media en het percentage jongeren dat mishandeld is door een volwassene is in Leiden vergelijkbaar met het gemiddelde van Zuid-Holland Noord. 4.7 Trends in psychosociale gezondheid Er zijn geen verschillen tussen de peiljaren wat betreft het percentage jongeren dat een (groot) risico heeft op psychosociale problemen en het percentage jongeren dat vaak aan suïcide heeft gedacht (tabel 12). Het percentage jongeren dat zelf pest en gepest wordt op school is afgenomen ten opzichte van 2008. Echter, 15% van de leerlingen wordt gepest via de sociale media. Wellicht is het pesten op school verschoven naar pesten via de sociale media. De vragen omtrent psychosociale problemen, suïcidegedachten en pesten kunnen niet met peiljaar 2003 worden vergeleken omdat deze onderwerpen toen ofwel op een andere manier zijn nagevraagd of niet zijn nagevraagd. Slachtoffer zijn van cyberpesten, problemen door het gebruik van sociale media en mishandeld zijn door een volwassene kunnen niet met voorgaande peiljaren worden vergeleken omdat het nieuwe vragen zijn. Tabel 12 Risico op psychosociale problemen, suïcidegedachten en pesten en gepest worden in 2008 en 2013 bij jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2008 2013 Risico op psychosociale problemen 14% 13% Groot risico op psychosociale problemen 5% 5% Vaak aan suïcide gedacht 3% 2% Pesten op school 24% 8% Gepest worden op school 16% 8% Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar 24
Tabel 13 Kerntabel psychosociale gezondheid 2013 Psychische gezondheid Pesten en Sociale Media Slachtoffer van Mishandeling Aantal respondenten is 2.536 risico psychosociale problemen groot risico psychosociale problemen vaak aan suïcide gedacht pesten op school gepest worden op school slachtoffer van cyberpesten problemen door gebruik sociale media ernstige problemen door gebruik sociale media mishandeld door een volwassene: totaal mishandeld door een volwassene: geestelijk mishandeld door een volwassene: lichamelijk mishandeld door een volwassene: seksueel % % % % % % % % % % % % Zuid-Holland Noord 15 5 3 9 10 16 57 12 3 2 1 <1 Leiden 2013 13 5 2 8 8 15 57 12 4 2 2 <1 stadsdeel Midden 12 2 3 10 9 18 55 9 3 1 2 1 Noord 12 4 2 9 7 14 55 12 3 2 1 <1 Zuid 14 4 2 7 7 14 57 11 4 2 2 <1 West 14 6 3 8 9 18 59 15 4 2 2 <1 districten Binnenstad 12 2 3 10 9 18 55 9 3 1 2 1 Leiden Noord 14 5 2 9 6 18 54 12 4 3 1 1 Roodenburgdistrict 14 4 1 6 6 13 57 10 2 2 <1 <1 Bos- en Gasthuisdistrict 13 4 2 8 7 14 57 11 5 2 3 <1 Morsdistrict 11 7 2 8 12 18 55 12 4 2 2 2 Stations-/Boerhaavedistrict 6 2 -- 7 5 9 57 12 3 2 -- 1 Merenwijk 13 4 3 10 9 13 55 12 3 2 2 -- Stevenshofdistrict 13 6 4 7 8 18 61 17 4 3 1 <1 leeftijdsklasse 11-13 14 6 2 9 10 16 51 13 2 1 <1 14-15 13 4 3 8 7 16 59 11 3 2 2 <1 <1 16-18 13 4 3 8 6 14 61 12 6 4 3 1 geslacht jongen 10 4 2 10 7 13 56 11 2 1 1 <1 meisje 17 6 3 6 8 18 58 13 5 3 1 1 etniciteit autochtoon 14 4 2 7 8 15 58 12 3 2 1 <1 westers 13 3 1 10 7 18 61 11 5 3 2 1 niet-westers 13 7 3 9 7 16 50 13 4 2 3 <1 vorm onderwijs brugklas* 14 6 2 6 10 15 51 15 2 <1 1 <1 vmbo 16 7 4 12 9 19 60 13 5 3 2 <1 havo 15 4 2 6 6 16 60 10 5 3 2 <1 vwo 9 3 2 7 6 12 56 11 3 2 <1 <1 gezinssamenstelling tweeoudergezin 12 4 2 7 7 14 55 12 3 2 1 <1 eenoudergezin 16 6 4 12 15 19 63 13 9 6 4 2 nieuw/co-oudergezin 15 6 3 9 8 17 60 14 2 1 2 -- arbeidssituatie ouders geen ouder werkt - - - - - - - - - - - - één ouder werkt 13 5 2 9 9 16 57 14 5 4 2 <1 beide ouders werken 13 4 2 7 7 15 57 12 3 1 1 <1 opleiding vader laag 16 6 4 9 8 21 61 11 3 2 2 <1 middel 14 4 2 6 6 17 57 15 3 2 1 <1 hoog 11 3 2 7 6 11 56 10 3 2 1 <1 opleiding moeder laag 15 7 4 12 11 21 61 12 5 2 2 1 middel 15 6 3 6 8 15 59 15 3 2 <1 <1 hoog 11 2 1 7 6 12 56 10 3 2 1 <1 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarige respondenten heeft 13% een risico op psychosociale problemen 25
26
5. BEWEGEN Hoewel ruim driekwart van de leerlingen minstens één keer per week sport en twee derde lid is van een sportvereniging, voldoet slechts 16% aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen. Deze cijfers zijn gelijk aan die in 2008. In Leiden zijn in verhouding minder leerlingen lid van een sportvereniging dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. Ruim de helft van de jongeren zit in de vrije tijd langer dan twee uur per dag voor tv en/of computer. 5.1 Bewegen 5.1.1 Nederlandse Norm Gezond Bewegen In 1999 is de Nederlandse Norm Gezond Bewegen vastgesteld. Deze norm houdt in dat jongeren elke dag een uur of meer matig intensief bewegen, waarbij de activiteiten minimaal twee keer per week gericht moet zijn op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid. Om voldoende te bewegen moet je dus méér doen dan een enkele keer per week sporten. Aan de jongeren is gevraagd om aan te geven op hoeveel dagen van de week ze minimaal één uur actief zijn als ze het lopen of fietsen van en naar school, gymmen op school en sporten binnen en buiten een sportvereniging bij elkaar optelden. Zestien procent van de jongeren beweegt zeven dagen per week tenminste één uur en voldoet zodoende aan de norm Gezond Bewegen (figuur 7). Vijftien procent doet dit hooguit één dag per week. Met het ouder worden daalt het percentage jongeren dat voldoet aan de beweegnorm (zie kerntabel). Jongens voldoen naar eigen zeggen vaker aan de beweegnorm dan meisjes. leeftijd in jaren 16-18 14-15 11-13 geen enkele dag 1 dag 2 dagen 3-4 dagen 5-6 dagen 7 dagen 0% 20% 40% 60% 80% 100% Figuur 7 Aantal dagen per week minimaal één uur beweging naar leeftijd 5.1.2 Sport Aan de jongeren is gevraagd hoeveel dagen zij gewoonlijk in een week sporten in hun vrije tijd. Van de jongeren sport 79% minstens één keer per week (zowel binnen als buiten een sportvereniging) (zie kerntabel). Elf procent van de jongeren sport nooit. Ruim twee derde (69%) van de jongeren is lid van een sportvereniging of sportclub. Het percentage jongeren dat nooit sport, stijgt met de leeftijd terwijl het lidmaatschap van een sportvereniging afneemt met de leeftijd (figuur 8). Meer meisjes dan jongens geven aan nooit te sporten (14% versus 8%, zie kerntabel) en zij zijn ook minder vaak lid van een sportvereniging. 27
90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% lid van een sportvereniging jongens lid van een sportvereniging meisjes sport nooit meisjes 20% 10% 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren sport nooit jongens Figuur 8 Nooit sporten en lid zijn van een sportvereniging naar leeftijdsklasse en geslacht Er bestaan verschillen tussen de verschillende etnische groepen op het gebied van sporten. Nietwesterse allochtone jongeren sporten het minst en zijn minder vaak lid van een sportvereniging (tabel 14). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) sporten minder en zijn minder vaak lid van een sportvereniging dan jongeren op de havo of het vwo. Tabel 14 Sporten naar etniciteit en schooltype Etniciteit en schooltype sport nooit > 1x per week sporten lid sportvereniging Totaal Leiden 11% 79% 69% Autochtoon Westers Niet-westers Vmbo* Havo/vwo* 10% 9% 16% 13% 7% Vet = significant verschil met de andere categorieën * alleen de jongeren uit klas 1 tot en met klas 4 81% 80% 72% 77% 83% 74% 72% 55% 61% 79% 5.2 Beeldschermgebruik De tijd die jongeren besteden aan tv kijken of achter de computer zitten kan niet worden besteed aan andere activiteiten. Dit kan bijdragen aan het ontwikkelen van overgewicht doordat ze minder tijd besteden aan sporten en bewegen. Duidelijk vastgestelde normen voor gezond beeldschermgebruik zijn er nog niet. Een norm die op dit moment veel wordt gebruikt, is maximaal twee tot drie uur per dag voor jongeren. Hier is maximaal twee uur per dag als norm gebruikt en dan gaat het om tv kijken of computergebruik zonder dat dit voor school nodig is. Ruim de helft (56%) van de jongeren zit in de vrije tijd meer dan twee uur achter de tv/ computer. Jongeren in de leeftijdscategorie 11-13 jaar zitten korter achter de tv/ computer in de vrije tijd. Jongens zitten vaker meer dan twee uur per dag in de vrije tijd achter de tv/ computer dan meisjes (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat meer dan twee uur gebruik achter de tv/ computer zit, neemt zowel voor jongens als meisjes toe tussen 11-13 jarige en 14-15 jarige leeftijd (figuur 9). Daarna stabiliseert dit percentage weer. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) zitten vaker meer dan twee uur per dag achter de tv/ computer dan jongeren op de havo of het vwo (64% versus 48%, niet in tabel). 28
70% 60% 50% 40% 30% 20% jongens meisjes 10% 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren Figuur 9 Meer dan twee uur per dag gebruik maken van beeldscherm (tv en/of computer) naar leeftijdsklasse en geslacht 5.3 Geografische verschillen Het percentage jongeren in Leiden dat voldoet aan de beweegnorm is vergelijkbaar met het gemiddelde van Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat minimaal eens per week sport en lid is van een sportvereniging is in Leiden lager dan in Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren dat meer dan twee uur per dag in de vrije tijd achter de tv/ computer zit is ongeveer gelijk aan het gemiddelde van Zuid-Holland Noord. 5.4 Trends in bewegen Het percentage jongeren dat voldoet aan de beweegnorm is in 2013 vrijwel gelijk aan 2003 (tabel 15). Het percentage jongeren dat lid is van een sportvereniging is in vergelijking met 2008 eveneens gelijk gebleven (70% in 2008 en 69% in 2013). De vraag met betrekking tot minimaal één keer per week sporten is teveel gewijzigd om te kunnen worden vergeleken met voorgaande peiljaren. Beeldschermgebruik is in 2013 als nieuwe vraag toegevoegd. Tabel 15 Voldoet aan norm gezond bewegen en lidmaatschap sportvereniging jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2003 2008 2013 Voldoet aan norm gezond bewegen 14% - 16% Lid sportvereniging - 70% 69% Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar; - niet vergelijkbaar of geen gegevens beschikbaar voor dit peiljaar 29
Tabel 16 Kerntabel bewegen Bewegen en sport Aantal respondenten is 2.536 bewegen voldoet aan norm gezond week sport minimaal eens per sportvereniging lid van een in vrije tijd tv/computergebruik % % % % Zuid-Holland Noord 17 81 74 54 Leiden 16 79 69 56 stadsdeel Midden 16 78 70 56 Noord 18 76 66 56 Zuid 16 81 72 52 West 14 79 70 59 districten Binnenstad 16 78 70 56 Leiden Noord 16 72 58 61 Roodenburgdistrict 17 84 80 48 Bos- en Gasthuisdistrict 15 77 63 58 Morsdistrict 13 77 65 58 Stations-/Boerhaavedistrict 12 81 82 38 Merenwijk 21 79 67 58 Stevenshofdistrict 14 80 73 60 leeftijdsklasse 11-13 18 85 75 50 14-15 17 78 68 59 16-18 13 71 64 58 geslacht jongen 19 84 76 61 meisje 13 73 63 50 etniciteit autochtoon 16 81 74 55 westers 15 80 72 59 niet-westers 17 72 55 56 vorm onderwijs brugklas* 16 88 76 49 vmbo 15 73 57 66 havo 17 78 71 58 vwo 16 79 74 51 gezinssamenstelling tweeoudergezin 17 80 72 55 eenoudergezin 13 75 59 57 nieuw/ co-oudergezin 14 74 64 57 arbeidssituatie geen ouder werkt - - - - één ouder werkt 14 75 60 57 beide ouders werken 17 80 74 55 opleiding vader laag 10 80 73 61 middel 15 77 68 57 hoog 18 82 78 50 opleiding moeder laag 15 80 64 61 middel 16 77 67 60 hoog 18 83 79 48 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen voldoet 18% aan de norm gezond bewegen meer dan 2 uur per dag 30
6. GEWICHT EN VOEDING Ongeveer een van de tien leerlingen heeft overgewicht. Dit percentage is vergeleken met de metingen in 2003 en 2008 gelijk gebleven. Vijftien procent van de jongeren ontbijt niet elke dag, de helft eet niet dagelijks groente en twee derde eet niet dagelijks fruit. De jongeren in de gemeente Leiden scoren gunstiger op eetgewoonte dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. De groente- en fruitconsumptie is ten opzichte van 2008 afgenomen. Het tandenpoetsen en tandartsbezoek zijn in vijf jaar tijd iets verbeterd. 6.1 Gewicht 6.1.1 Lichaamsgewicht De Body-Mass-Index (BMI) is berekend aan de hand van zelf gerapporteerde lengte en gewicht van de jongere. De BMI geeft aan of een jongere ondergewicht, een normaal gewicht of overgewicht heeft. De meeste jongeren hebben een normaal lichaamsgewicht (78%), 8% heeft matig overgewicht en 1% heeft ernstig overgewicht (obesitas). Dertien procent heeft ondergewicht (inclusief 3% met ernstig ondergewicht). De jongeren rapporteren dus iets meer ondergewicht dan overgewicht (zie kerntabel). Overgewicht komt bij alle leeftijdsgroepen ongeveer even vaak voor. Ondergewicht komt het meest voor onder 11-13 jarigen (figuur 10). 15% 10% 5% 0% -5% -10% matig overgewicht ernstig overgewicht matig ondergewicht ernstig ondergewicht -15% -20% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren Figuur 10 Mate van over- en ondergewicht naar leeftijd Meisjes hebben ongeveer even vaak (ernstig) overgewicht als jongens. Niet-westerse allochtone jongeren hebben vaker overgewicht en minder vaak ondergewicht dan autochtone jongeren en nietwesterse allochtone jongeren (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker (ernstig) overgewicht dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 17). Jongeren op de havo of het vwo hebben iets vaker ondergewicht dan jongeren op het vmbo maar ernstig ondergewicht komt bij beide groepen ongeveer even vaak voor. Tabel 17 Gewicht en eigen oordeel gewicht naar opleiding (klas 1 tot en met 4) Vmbo Havo/Vwo Totaal* Overgewicht (inclusief ernstig overgewicht) 13% 6% 9% Ernstig overgewicht 2% <1% 1% Voelt zich te zwaar 24% 19% 21% Ondergewicht (inclusief ernstig ondergewicht) 12% 15% 14% Ernstig ondergewicht 4% 3% 3% Voelt zich te licht 9% 7% 8% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 31
6.1.2 Eigen oordeel gewicht Een vijfde van de jongeren voelt zichzelf te zwaar terwijl 9% volgens de BMI te zwaar is. Het percentage jongeren dat zich te licht voelt is daarentegen lager dan het percentage jongeren met ondergewicht (tabel 18). Jongeren in de leeftijdscategorie 11-13 jaar voelen zich vaker te zwaar dan jongeren in de andere leeftijdscategorieën terwijl ze vaker ondergewicht hebben. Meisjes voelen zich vaker te zwaar terwijl jongens zich vaker te licht voelen. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) voelen zich vaker te zwaar dan jongeren op havo/vwo (tabel 17). Het percentage jongeren op het vmbo dat zich te licht voelt is vergelijkbaar met het percentage jongeren op de havo of het vwo dat zich te licht voelt. Tabel 18 Gewicht en eigen oordeel gewicht naar geslacht en leeftijd Geslacht Overgewicht* Ernstig overgewicht Voelt zich te zwaar Ondergewicht** Ernstig ondergewicht Voelt zich te licht Totaal Leiden 9% 1% 20% 13% 3% 8% Jongen Meisje 9% 8% 1% <1% 11% 31% 11-13 jaar 9% <1% 23% 18% 5% 8% 14-15 jaar 9% 1% 19% 11% 2% 7% 16-18 jaar 8% <1% 18% 9% 2% 9% Vet = significant verschil met de andere categorieën * inclusief ernstig overgewicht ** inclusief ernstig ondergewicht 12% 14% 3% 3% 11% 5% 6.1.3 Proberen af te vallen Een derde van de jongeren (32%) heeft in de afgelopen maand serieus geprobeerd om af te vallen. Er wordt geen verschil gevonden wat betreft de verschillende leeftijdscategorieën. Meisjes hebben vaker geprobeerd af te vallen dan jongens (tabel 19). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben iets vaker geprobeerd af te vallen dan jongeren die op de havo of het vwo zitten (34% versus 30%, niet in tabel). Naarmate de BMI stijgt, stijgt het percentage jongeren dat heeft geprobeerd om af te vallen in de afgelopen maand (figuur 11). Tabel 19 Geprobeerd af te vallen naar geslacht en leeftijd Geprobeerd af te vallen Totaal Leiden 32% Jongen 18% Meisje 46% 11-13 jaar 32% 14-15 jaar 31% 16-18 jaar 32% Vet = significant verschil met de andere categorieën 32
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% geprobeerd af te vallen Figuur 11 Percentage jongeren dat in de afgelopen maand geprobeerd heeft om af te vallen naar mate van onder- of overgewicht Jongeren die geprobeerd hebben om af te vallen hebben dit voornamelijk gedaan door minder te eten (78%) en meer te sporten (41%). Manieren om af te vallen die minder voorkomen zijn het volgen van een speciaal dieet (4%) of door middel van expres overgeven (3%). 6.2 Voeding Gezonde voeding is belangrijk voor een gezonde groei en ontwikkeling van de jongeren. Voedingsgewoontes worden in de jeugd gevormd, het aanleren van een gezond voedingspatroon is daarom belangrijk. Een goede voeding begint met elke dag ontbijten. De norm voor gezond ontbijten ligt op minimaal vijf dagen per week. Wat betreft fruit raadt het Voedingscentrum aan elke dag één tot twee stuks fruit te eten. Voor groente wordt door het Voedingscentrum een portie van 200 gram per dag aanbevolen. In deze Monitor Jeugdgezondheid is alleen gevraagd naar hoeveel dagen per week de jongeren fruit en groente eten en niet naar de hoeveelheid die ze per dag eten. 6.2.1 Eetgewoonten Van de jongeren ontbijt 77% dagelijks, 15% ontbijt minder dan vijf dagen per week. Meisjes ontbijten minder vaak dan jongens (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat minder dan vijf dagen per week ontbijt is lager onder 11-13 jarigen dan onder de jongeren in de andere leeftijdscategorieën (figuur 12). Een groter percentage niet-westerse allochtone jongeren ontbijt minder dan vijf dagen per week dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren (figuur 13). Meer jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) ontbijten minder dan vijf dagen per week dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 20). Tabel 20 Ontbijten, groenteconsumptie en fruitconsumptie naar opleiding (klas 1 tot en met 4) Vmbo Havo/Vwo Totaal* < 5 dagen per week ontbijten 21% 10% 15% Eet niet dagelijks groente 68% 46% 56% Eet niet dagelijks fruit 67% 60% 63% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 Iets meer dan de helft (56%) van de jongeren eet niet dagelijks groente. Eén procent van de jongeren geeft aan bijna nooit groente te eten. Vooral onder de 16-18 jarigen eet een hoog percentage van de jongeren niet dagelijks groente (figuur 12). Jongens eten minder vaak groente dan meisjes. Niet- 33
westerse allochtone jongeren eet minder vaak groente in vergelijking met westerse allochtone jongeren (figuur 13). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) eten minder vaak groente dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 20). Van de jongeren geeft 64% aan niet dagelijks fruit te eten (zie kerncijfertabel). Het percentage dat niet dagelijks fruit eet is van alle leeftijdscategorieën het hoogst bij de 16-18 jarigen (figuur 12). Jongens eten minder vaak fruit dan meisjes. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) eten minder vaak fruit dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 20). 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren eet niet dagelijks fruit eet niet dagelijks groente ontbijt minder dan 5x per week 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% ontbijt minder dan 5x per week eet niet dagelijks groente eet niet dagelijks fruit autochtoon westers niet-westers Figuur 12 Eetgewoonten naar leeftijd Figuur 13 Eetgewoonten naar etniciteit 6.3 Mondhygiëne De basis voor een goede mondhygiëne wordt op jonge leeftijd gelegd. Voor jongeren blijft het belangrijk om dit voort te zetten naarmate ze ouder worden. Het Ivoren Kruis adviseert om twee maal per dag te poetsen. Daarnaast wordt geadviseerd tenminste één keer per jaar de tandarts te bezoeken voor controle. Het merendeel van de jongeren gaat twee keer per jaar voor controle naar de tandarts (82%), 15% gaat één keer per jaar, 2% minder dan één keer per jaar en 1% gaat nooit naar de tandarts. Driekwart (73%) van de jongeren poetst twee of meer keer per dag hun tanden, 23% één keer per dag, 4% niet elke dag en minder dan 1% nooit. Er wordt van een slechte mondhygiëne gesproken als de tanden minder dan twee keer per dag gepoetst worden en men minder dan één keer per jaar naar de tandarts gaat. Van de jongeren heeft 29% een slechte mondhygiëne (zie kerntabel). Het percentage jongeren met een slechte mondhygiëne is lager onder de 11-13 jarigen dan onder jongeren in de andere leeftijdscategorieën. Een slechte mondhygiëne komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes. Niet-westerse allochtone jongeren hebben vaker een slechte mondhygiëne dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker een slechte mondhygiëne dan jongeren op de havo of het vwo (30% versus 26%). 6.4 Geografische verschillen In Leiden heeft een hoger percentage van de jongeren overgewicht in vergelijking met het gemiddelde van Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Het percentage jongeren met ernstig overgewicht is in Leiden ongeveer even hoog als in Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren met ernstig ondergewicht is 34
in Leiden lager dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren dat minder dan vijf keer per week ontbijt is in Leiden hoger dan het regionale gemiddelde. Het percentage jongeren dat niet elke dag groente en/of fruit eet is in Leiden lager dan het gemiddelde van Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren met een slechte mondhygiëne is vergelijkbaar. 6.5 Trends in gewicht en voeding Het percentage jongeren dat zichzelf te zwaar vindt is afgenomen (tabel 21). Ook is het percentage jongeren met een slechte mondhygiëne is tussen 2008 en 2013 afgenomen. In peiljaar 2003 zijn geen vragen over mondhygiëne meegenomen. Het percentage jongeren dat over- of ondergewicht rapporteert is de afgelopen tien jaar ongeveer gelijk gebleven. In vergelijking met 2008 ontbijt een hoger percentage van de jongeren minimaal vijf dagen per week. Ook het percentage jongeren dat niet dagelijks groente en/of fruit eet is ten opzichte van 2008 gestegen. Eetgewoonten kunnen niet vergeleken worden met peiljaar 2003 omdat dit toen op een andere manier is nagevraagd. Tabel 21 Gewicht en voeding in 2003, 2008 en 2013 onder jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2003 2008 2013 Overgewicht (inclusief ernstig overgewicht) 10% 10% 9% Ernstig overgewicht 1% 1% 1% Vindt zichzelf te zwaar 34% 24% 20%* Ondergewicht (inclusief ernstig ondergewicht) 15% 12% 13% Ernstig ondergewicht 4% 3% 3% Ontbijt minder dan 5 dagen per week - 18% 14% Eet niet dagelijks groente - 44% 56% Eet niet dagelijks fruit - 61% 64% Slechte mondhygiëne - 32% 29% Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar * significant verschil met peiljaar 2003 - niet vergelijkbaar of geen gegevens beschikbaar voor dit peiljaar 35
Tabel 22 Kerntabel gewicht en voeding 2013 Gewicht Voeding Aantal respondenten is 2.536 overgewicht (inclusief ernstig overgewicht) ernstig overgewicht ernstig ondergewicht < 5 dagen per week ontbijten eet niet dagelijks groente eet niet dagelijks fruit slechte mondhygiëne % % % % % % % Zuid-Holland Noord 7 <1 4 12 65 67 27 Leiden 9 1 3 15 56 64 29 stadsdeel Midden 5 <1 2 13 38 55 31 Noord 11 2 3 17 53 64 33 Zuid 7 <1 3 14 55 63 27 West 9 1 2 13 65 69 27 districten Binnenstad 5 <1 2 13 38 55 31 Leiden Noord 16 4 2 24 66 67 38 Roodenburgdistrict 4 -- 4 11 45 58 24 Bos- en Gasthuisdistrict 12 <1 2 17 67 70 30 Morsdistrict 10 1 2 16 62 69 34 Stations-/Boerhaavedistrict - - - 13 28 46 34 Merenwijk 9 <1 4 12 51 66 29 Stevenshofdistrict 9 1 3 12 66 68 23 leeftijdsklasse 11-13 9 <1 5 12 53 59 26 14-15 9 1 2 16 56 66 30 16-18 8 <1 2 16 59 68 32 geslacht jongen 9 1 3 12 58 67 33 meisje 8 <1 3 17 53 61 25 etniciteit autochtoon 6 <1 3 11 56 65 27 westers 8 -- 3 15 45 61 25 niet-westers 16 3 1 24 60 61 37 vorm onderwijs brugklas* 8 <1 6 12 53 58 29 vmbo 14 2 2 23 69 68 29 havo 9 1 1 15 60 66 29 vwo 5 <1 2 9 45 63 28 gezinssamenstelling tweeoudergezin 9 1 3 13 55 63 29 eenoudergezin 10 1 2 21 65 67 31 nieuw/ co-oudergezin 5 <1 3 15 54 69 27 arbeidssituatie ouders geen ouder werkt - - - - - - - één ouder werkt 11 1 2 17 57 67 34 beide ouders werken 7 <1 3 12 55 63 27 opleiding vader laag 11 2 1 17 68 68 30 middel 9 <1 3 13 62 67 24 hoog 5 <1 3 10 44 58 29 opleiding moeder laag 14 2 2 18 69 68 28 middel 9 <1 2 12 63 67 28 hoog 5 <1 2 10 42 58 28 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend met de overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen heeft 9% overgewicht (inclusief ernstig overgewicht) 36
7. GENOTMIDDELENGEBRUIK Van de 11-13 jarigen rapporteert 6% alcohol te drinken. Driekwart van de 16-18 jarigen drinkt en de helft drinkt vijf of meer glazen alcohol per gelegenheid. Het percentage jongeren dat drinkt was in 2008 al afgenomen ten opzichte van 2003. In 2013 is het percentage verder gedaald. Van de 11-13 jarigen rookt 3% en van de 16-18 jarigen een kwart. Het percentage jongeren dat sigaretten rookt is ten opzichte van 2008 afgenomen. De groep die waterpijp rookt is even groot als de groep sigarettenrokers. Van de 16-18 jarigen gebruikt een kwart cannabis en 6% harddrugs. 7.1 Alcohol 7.1.1 Alcohol drinken en binge drinken Minder dan de helft van de jongeren in de gemeente Leiden (41%) heeft wel eens alcohol gedronken. Van de 11-13 jarigen heeft 13% ooit alcohol gedronken. Dit percentage loopt op tot 78% van de 16-18 jarigen (figuur 14). Een derde (32%) van de jongeren heeft recent (in de afgelopen maand) alcohol gedronken. Zes procent van de 11-13 jarigen heeft recent gedronken, bij de 16-18 jarigen is dit 71%. Er wordt geen verschil gevonden tussen jongens en meisjes. Niet-westerse allochtone jongeren drinken minder vaak alcohol dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker ooit alcohol gedronken dan jongeren op het de havo of het vwo (38% versus 28%). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben ook vaker recent gedronken dan jongeren op de havo of het vwo (27% versus 21%). Onder binge drinken wordt verstaan het drinken van vijf of meer glazen bij één gelegenheid. Een vijfde van de jongeren (22%) heeft recent aan binge drinken gedaan. Onder jongeren die recent hebben gedronken is het percentage binge drinkers 65%. Naarmate de leeftijd stijgt, drinken meer jongeren alcohol en stijgt ook het percentage binge drinkers (figuur 14). Niet-westerse allochtone jongeren hebben minder vaak aan binge drinken gedaan dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker aan recent binge drinken gedaan dan jongeren op de havo of het vwo (21% versus 13%). 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% Leiden gemiddeld 11-13 jaar 14-15 jaar 16-18 jaar 10% 0% ooit alcohol recent alcohol gedronken recent binge drinken Figuur 14 Ooit en recent alcohol drinken en recent binge drinken per leeftijdsgroep 37
7.1.2 Dronken of aangeschoten zijn Ruim een kwart (28%) van de jongeren is ooit dronken of aangeschoten geweest en 20% is recent (in de afgelopen maand) dronken of aangeschoten geweest. Het aantal jongeren dat ooit of recent aangeschoten of dronken is geweest neemt toe met de leeftijd (tabel 23). Jongens en meisjes zijn ongeveer even vaak ooit en recent aangeschoten of dronken geweest. Niet-westerse allochtone jongeren zijn minder vaak dronken of aangeschoten geweest dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) zijn vaker dronken of aangeschoten geweest dan jongeren op de havo of het vwo (24% versus 17% ooit en 15% versus 12% recent). Tabel 23 Ooit en recent aangeschoten of dronken geweest naar geslacht, leeftijd en etniciteit Ooit aangeschoten of dronken geweest Recent aangeschoten of dronken geweest Totaal Leiden 28% 20% Jongens 27% 20% Meisjes 29% 20% 11-13 jaar 4% 2% 14-15 jaar 26% 17% 16-18 jaar 65% 48% autochtoon westers niet-westers 32% 32% 14% 23% 24% 8% Vet = significant verschil met de andere categorieën 7.1.3 Gemiddeld aantal glazen per week De jongeren die recent alcohol hebben gedronken, drinken gemiddeld 6,2 glazen alcohol per week. Als jongeren ouder worden, gaan ze meer alcohol drinken: 14-15 jarige drinkers drinken gemiddeld 4,3 glazen per week, 16-18 jarige drinkers drinken gemiddeld 7,8 glazen per week. Jongens drinken gemiddeld meer glazen alcohol dan meisjes (7,7 versus 4,7 glazen per week) (zie kerntabel). Jongens in de leeftijd van 16 tot 18 jaar drinken meer glazen alcohol dan meisjes van dezelfde leeftijd (figuur 15). gemiddeld aantal glazen alocohol 10 8 6 4 2 0 14-15 jaar 16-18 jaar leeftijd in jaren jongens meisjes Figuur 15 Gemiddeld aantal glazen alcohol naar leeftijd en geslacht 7.1.4 Mening ouders over alcoholgebruik Aan de jongeren is gevraagd wat hun ouders ervan vinden als zij vaak alcohol drinken. De meerderheid geeft aan dat de ouders dit (heel) slecht vinden (80%). Het percentage ouders dat vaak alcohol drinken (heel) slecht vindt neemt af naarmate de leeftijd van de jongeren toeneemt. Van de 11-13 jarigen zegt 93% dat de ouders vaak alcoholgebruik (heel) slecht vinden, bij de 14-15 jarigen is dit 83% en bij de 16-18 jarigen is dit 53%. 38
We hebben geanalyseerd of er een relatie is tussen de mening van de ouders over alcoholgebruik en het wel of niet drinken door de jongere. Omdat deze vraag alleen is voorgelegd aan jongeren die wonen in Leiden of Katwijk en het aantal respondenten in de jongste leeftijdsklasse dat drinkt laag is, wordt de relatie tussen de mening van de ouders en het wel of niet drinken van de jongeren beschreven van Leidse en Katwijkse respondenten samen. We gaan er vanuit dat de weergegeven relatie ook geldt voor Leiden afzonderlijk. Van de jongeren die aangeven dat de ouders het (heel) slecht vinden als zij vaak drinken, heeft 21% recent gedronken. Van de jongeren die zeggen dat de ouders het een beetje of helemaal niet slecht vinden als zij vaak drinken, heeft 71% recent gedronken. Op elke leeftijd drinken minder jongeren als hun ouders drinken slecht vinden, dan als hun ouders positiever zijn over het drinken (figuur 16). Percentage jongeren dat in de afgelopen maand alcohol heeft gedronken 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren mening ouders alcohol beetje of helemaal niet slecht mening ouders alcohol (heel) slecht Figuur 16 Percentage jongeren dat de afgelopen maand gedronken heeft naar leeftijd en mening van ouders ten opzichte van vaak alcoholgebruik (Leidse en Katwijkse respondenten) 7.1.4 Plekken waar jongeren alcohol drinken Aan jongeren die alcohol drinken is gevraagd waar zij alcohol drinken. De meeste jongeren drinken thuis (bij anderen of in eigen huis; 74%), of in een horecagelegenheid (disco, café of restaurant; 53%) (figuur 17). 39
thuis horeca op straat, in een park of ergens anders buiten op een schoolfeest in een sportkantine of bij een vereniging in een keet, hok of schuur ergens anders 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% Figuur 17 Plekken waar jongeren die drinken alcohol drinken 7.2 Roken 7.2.1 Sigaretten roken Een kwart (26%) van de jongeren heeft ooit gerookt (zie kerntabel). Veertien procent van de jongeren heeft recent gerookt en 6% rookt dagelijks (figuur 18). Naarmate de leeftijd stijgt, roken meer jongeren. Van de 11-13 jarigen rookt 1% dagelijks, van de 14-15 jarigen 8% en van de 16-18 jarigen rookt 9% dagelijks. Evenveel jongens als meisjes roken. Niet-westerse allochtone jongeren hebben minder vaak ooit en/of recent gerookt dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren (tabel 24). Ook hebben westerse allochtone jongeren minder vaak dagelijks gerookt dan autochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) roken vaker dan jongeren op de havo of het vwo. Tabel 24 Roken naar etniciteit en opleiding Etniciteit en opleiding Ooit gerookt Recent gerookt Rookt dagelijks Totaal Leiden 26% 14% 6% autochtoon 29% 16% 7% westers 30% 14% 3% niet-westers 18% 8% 3% Vmbo* Havo/Vwo* 29% 18% Vet = significant verschil tussen de groepen * alleen de jongeren uit klas 1 tot en met klas 4 16% 9% 9% 3% 7.2.2 Mening ouders over roken van sigaretten Het overgrote deel van de jongeren geeft aan dat hun ouders vaak roken (heel) slecht vinden (88%), 7% van de ouders vindt dit een beetje slecht of helemaal niet slecht en 5% van de jongeren weet niet hoe hun ouders denken over vaak roken. Van de jongeren die aangeven dat de ouders het (heel) slecht vinden als zij vaak sigaretten roken, heeft 10% recent gerookt. Bij de jongeren die zeggen dat de ouders het een beetje of helemaal niet slecht vinden als zij vaak sigaretten roken, heeft 54% recent gerookt (tabel 25). Ook is het percentage dagelijkse rokers hoger onder jongeren waarvan de ouders het een beetje slecht of helemaal niet slecht vinden als zij vaak roken. 40
Tabel 25 Percentage jongeren dat dagelijks en/of recent rookt uitgesplitst naar mening van de ouders over vaak roken (heel) slecht beetje of helemaal niet slecht Recent gerookt Rookt dagelijks 10% 3% 54% 35% Vet = significant verschil tussen de groepen 7.2.3 Roken van de waterpijp Bij het roken van een waterpijp komen dezelfde schadelijke stoffen zoals teer, koolmonoxide en zware metalen vrij als bij het roken van een sigaret. De hoeveelheid koolmonoxide die vrijkomt bij een waterpijp is zelfs veel hoger dan bij een sigaret. Als de waterpijptabak nicotine bevat dan werkt de waterpijp verslavend. Ruim 30% van de middelbare scholieren heeft ooit waterpijp gerookt. Veertien procent van de jongeren heeft recent (in de afgelopen maand) waterpijp gerookt (zie kerntabel). Naarmate de leeftijd stijgt hebben meer jongeren ooit of recent waterpijp gerookt (figuur 18). Jongens hebben vaker waterpijp gerookt dan meisjes. 60% 50% 40% 30% 20% 10% Leiden gemiddeld 11-13 jaar 14-15 jaar 16-18 jaar 0% ooit gerookt recent gerookt rookt dagelijks ooit recent waterpijp waterpijp gerookt gerookt Figuur 18 Sigaretten en waterpijp roken per leeftijdsgroep Niet-westerse allochtone jongeren hebben minder vaak ooit waterpijp gerookt dan de autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Als er gekeken wordt naar waterpijp roken in de afgelopen maand dan wordt dit verschil niet gevonden (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben vaker ooit en recent waterpijp gerookt dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 26). Tabel 26 Waterpijp roken onder jongeren naar opleiding (klas 1 t/m 4) Opleiding Ooit waterpijp gerookt Recent waterpijp gerookt Totaal* 29% 13% Vmbo Havo/Vwo 36% 23% 18% 10% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 41
7.3 Drugsgebruik 7.3.1 Cannabisgebruik Hasj en wiet zijn beiden gemaakt van de plant Cannabis Sativa. Wiet bestaat uit de gedroogde en verkruimelde vrouwelijke bloemtoppen en is groen-bruin van kleur. Hasj bestaat uit samengeperste blokjes of plakjes hars. Eén op de tien jongeren heeft wel eens cannabis gebruikt. Vijf procent van de jongeren heeft recent cannabis gebruikt (zie kerntabel). Naarmate de leeftijd stijgt, hebben meer jongeren ooit en/of recent cannabis gebruikt (figuur 19). Op 16-18 jarige leeftijd heeft een kwart van de jongeren ooit cannabis gebruikt en heeft 13% recent cannabis gebruikt. Jongens hebben vaker ooit en/of recent cannabis gebruikt dan meisjes. 30% 25% 20% 15% 10% 5% Leiden gemiddeld 11-13 jaar 14-15 jaar 16-18 jaar 0% ooit cannabis gebruikt recent cannabis gebruikt ooit recent harddrugs harddrugs gebruikt gebruikt Figuur 19 Cannabis- en harddrugsgebruik ooit en recent per leeftijdsgroep Niet-westerse allochtone jongeren hebben minder vaak ooit cannabis gebruikt dan westers allochtone en autochtone jongeren (zie kerntabel). Jongeren op de havo of het vwo (klas 1 t/m 4) hebben vaker recent cannabis gebruikt dan jongeren op het vmbo (tabel 27). Tabel 27 Cannabis gebruik onder jongeren naar opleiding (klas 1 t/m 4) Opleiding Ooit cannabis gebruikt Recent cannabis gebruikt Totaal* 10% 4% Vmbo 6% 3% Havo/vwo 7% 5% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 Negen van de tien jongeren (92%) zeggen dat de ouders het (heel) slecht vinden als zij cannabis gebruiken. Een kwart van de jongeren uit Leiden heeft ooit cannabis aangeboden gekregen. Dit aantal neemt toe van 5% op een leeftijd van 11-13 jaar naar 49% op 16- tot 18-jarige leeftijd. De meest voorkomende plekken waar cannabis is aangeboden zijn op straat (14%) en thuis of bij vrienden thuis (8%). Vijf procent van de jongeren heeft ooit cannabis aangeboden gekregen op school. 42
7.3.2 Harddrugsgebruik Twee procent van de jongeren heeft ooit wel eens harddrugs (XTC, cocaïne, paddo s, amfetaminen, heroïne, LSD of GHB ) gebruikt. Eén procent van de jongeren heeft recent harddrugs gebruikt. Jongens hebben vaker recent harddrugs gebruikt dan meisjes (zie kerntabel). Naarmate jongeren ouder worden, stijgt het percentage dat harddrugs heeft gebruikt (figuur 19). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) hebben ongeveer even vaak ooit harddrugs gebruikt als jongeren op de havo of het vwo (beide 1%). 7.4 Combinatiegebruik alcohol en drugs Van de jongeren uit Leiden die ooit gedronken hebben en ooit drugs hebben gebruikt heeft iets meer dan de helft (55%) weleens drugs gebruikt in combinatie met alcohol. Van de soorten drugs wordt de combinatie van alcohol met cannabis het meest genoemd (tabel 28). Tabel 28 Combinatiegebruik alcohol en drugs onder jongeren die zowel ooit alcohol als ooit drugs hebben gebruikt Combinatiegebruik alcohol en drugs Alcohol in combinatie met drugs Alcohol in combinatie met cannabis Alcohol in combinatie met XTC Alcohol in combinatie met cocaïne Alcohol in combinatie met een andere drug 55% 51% 5% <1% 1% 7.5 Geografische verschillen Het percentage jongeren dat ooit alcohol heeft gedronken is in Leiden lager dan in Zuid-Holland Noord (zie kerncijfertabel). Dit kan komen doordat het percentage drinkers wordt verlaagd door de relatief grote groep niet-westerse allochtone jongeren in Leiden. Het percentage jongeren dat recent heeft gedronken en recent aan binge drinken heeft gedaan is vergelijkbaar met het gemiddelde van Zuid- Holland Noord. Als alleen naar de jongeren die recent alcohol gedronken hebben wordt gekeken, is te zien dat de jongeren in Leiden gemiddeld ongeveer evenveel glazen alcohol per week drinken als dezelfde leeftijdsgroepen in Zuid-Holland Noord (tabel 29). Jongeren in Leiden hebben vaker ervaring met het ooit en recent roken van sigaretten en waterpijp dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Ook hebben ze vaker ooit en recent cannabis gebruikt. Er worden geen verschillen gevonden voor ooit en recent harddrugsgebruik. Tabel 29 Gemiddeld aantal glazen alcohol per week* in Leiden en Zuid-Holland Noord naar leeftijd Leeftijd Leiden Zuid-Holland Noord 11-13 jaar 14-15 jaar 16-18 jaar - 4,3 7,8 3,1 5,2 8,4 *alleen de jongeren die aangeven recent (in de afgelopen maand) gedronken te hebben zijn meegenomen - aantal respondenten minder dan 90 7.6 Trends in genotmiddelengebruik Het percentage jongeren dat ooit of recent alcohol heeft gedronken in 2013, is afgenomen ten opzichte van 2008 (tabel 30). Recent drinken is ook afgenomen ten opzichte van peiljaar 2003. Recent binge drinken is afgenomen ten opzichte van 2008. Ook het aantal glazen dat gemiddeld per week gedronken wordt is afgenomen ten opzichte van 2008. De vragen omtrent alcoholgebruik, met uitzondering van recent drinken, zijn dusdanig veranderd dat de percentages niet met peiljaar 2003 kunnen worden vergeleken. 43
Het percentage jongeren dat ooit heeft gerookt is tussen 2003 en 2013 gedaald. Na een lichte stijging tussen 2003 en 2008 in het percentage jongeren dat recent gerookt heeft, is dit percentage tussen 2008 en 2013 weer gedaald. Drugsgebruik is op een andere manier nagevraagd waardoor de cijfers van 2013 niet vergelijkbaar zijn met de voorgaande peiljaren. De vragen over het roken van waterpijp zijn in 2013 voor het eerst gesteld. Tabel 30 Alcoholgebruik en roken in 2003, 2008 en 2013 door jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2003 2008 2013 Ooit alcohol gedronken - 55% 40% Recent gedronken 52% 42% 32%* Recent binge drinken - 29% 22% Gemiddeld aantal glazen per week (alleen jongeren die recent gedronken hebben) - 7,3 6,1 Ooit gerookt 38% 39% 26%* Recent gerookt 16% 20% 14% Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar - niet vergelijkbaar of geen gegevens beschikbaar * significant verschil met peiljaar 2003 44
Tabel 31 Kerntabel genotmiddelengebruik 2013 Aantal respondenten is 2.536 ooit alcohol gedronken recent gedronken Alcohol Roken Drugs recent binge drinken gemiddeld aantal glazen per week ooit sigaretten gerookt recent sigaretten gerookt ooit waterpijp gerookt recent waterpijp gerookt ooit cannabis gebruikt recent cannabis gebruikt ooit harddrugs gebruikt recent harddrugs gebruikt % % % aantal % % % % % % % % Zuid-Holland Noord 43 33 22 6,6 24 12 28 12 9 4 2 <1 Leiden 41 32 22 6,2 26 14 33 14 10 5 2 1 stadsdeel Midden 33 23 15-24 9 26 12 10 4 -- -- Noord 37 30 19 5,7 25 13 30 12 10 5 2 1 Zuid 41 34 23 6,8 26 15 36 16 10 6 3 2 West 47 37 26 6,2 29 16 35 16 12 6 2 <1 districten Binnenstad 33 23 15-24 9 26 12 10 4 -- -- Leiden Noord 32 28 19-27 15 34 18 9 6 2 1 Roodenburgdistrict 40 33 21 6,0 26 14 34 15 12 7 2 <1 Bos- en Gasthuisdistrict 41 34 25 7,7 27 15 38 17 8 4 4 3 Morsdistrict 40 29 21-22 14 30 15 11 7 2 <1 Stations-/Boerhaavedistrict 35 29 16-26 14 23 7 12 8 3 2 Merenwijk 42 31 19 6,2 24 11 29 10 9 4 2 <1 Stevenshofdistrict 52 42 29 6,0 33 18 38 17 13 5 3 <1 leeftijdsklasse 11-13 13 6 4-8 3 13 7 <1 <1 <1 -- 14-15 42 31 21 4,3 30 17 37 16 10 5 2 <1 16-18 78 71 49 7,8 45 25 55 22 25 13 6 3 geslacht jongen 41 32 23 7,7 28 14 36 17 12 7 3 1 meisje 40 33 21 4,7 25 14 30 12 8 4 1 <1 etniciteit autochtoon 46 38 26 6,4 29 16 34 15 11 6 2 <1 westers 50 36 26-30 14 36 15 13 5 4 3 niet-westers 21 14 9-18 8 28 13 6 4 2 1 vorm onderwijs brugklas* 11 4 2-5 1 10 5 <1 -- -- -- vmbo 48 38 29 7,0 39 23 46 23 9 4 2 <1 havo 55 45 32 6,7 36 18 46 22 16 8 4 1 vwo 45 38 22 5,6 23 13 29 10 14 8 3 2 gezinssamenstelling tweeoudergezin 38 30 19 6,1 23 12 30 13 9 5 2 <1 eenoudergezin 47 36 28-37 19 42 20 12 8 2 1 nieuw/co-oudergezin 50 44 31 6,3 38 25 41 19 16 7 4 3 arbeidssituatie ouders geen ouder werkt - - - - - - - - - - - - één ouder werkt 34 23 16-21 11 30 13 7 4 2 1 beide ouders werken 44 36 24 6,1 28 15 34 15 12 6 2 <1 opleiding vader laag 44 37 26-32 18 41 20 11 6 3 2 middel 51 39 26 7,4 31 17 39 15 16 6 4 2 hoog 43 37 23 5,9 26 15 32 13 13 8 3 1 opleiding moeder laag 40 33 26-26 16 36 18 9 6 2 1 middel 52 42 29 7,3 34 17 41 18 16 7 5 3 hoog 44 37 23 6,1 27 15 33 13 13 8 3 1 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen heeft 13% ooit gedronken. 45
46
8. SEKSUALITEIT Het percentage leerlingen dat ooit met iemand naar bed is geweest neemt toe met de leeftijd van 2% onder de 11-13 jarigen naar 33% bij de 16-18 jarigen. Dit laatste percentage is lager dan gemiddeld in Zuid-Holland Noord. Het percentage leerlingen dat geslachtsgemeenschap heeft gehad is gedaald ten opzichte van 2008. Een derde van de ervaren 16-18 jarigen rapporteert geen condoom te hebben gebruikt bij de laatste keer seks. Dit percentage is gelijk gebleven ten opzichte van 2008. Een van de vijf leerlingen rapporteert een negatieve houding ten opzichte van seksualiteit. 8.1 Geslachtsgemeenschap en condoomgebruik Van de jongeren rapporteert 14% weleens met iemand naar bed te zijn geweest. Het percentage jongeren dat ooit met iemand naar bed is geweest neemt toe met de leeftijd van 2% van de 11-13 jarigen naar 33% bij de 16-18 jarigen (zie kerntabel). Westerse allochtone jongeren zijn iets vaker dan gemiddeld ooit met iemand naar bed geweest dan niet-westerse allochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) zijn vaker ooit met iemand naar bed geweest dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 32). Tabel 32 Ooit met iemand naar bed geweest en geen condoom gebruikt bij laatste keer seks naar opleiding, klas 1 t/m 4 Ooit met iemand naar bed geweest Geen condoom gebruikt bij laatste keer seks* Totaal** 10% 29% Vmbo Havo/Vwo 15% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo *percentage van de jongeren die ervaring hebben met geslachtsgemeenschap ** alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 6% 27% 33% Van de leerlingen in klas 1 tot en met 4 die wel eens met iemand naar bed zijn geweest, heeft bijna een derde deel (29%; tabel 32) geen condoom gebruikt bij de laatste keer seks. Als ook de leerlingen in klas 5 en 6 worden betrokken, heeft 35% geen condoom gebruikt bij de laatste keer seks (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo hebben ongeveer even vaak een condoom gebruikt bij de laatste keer seks als jongeren op de havo of het vwo (tabel 32). De belangrijkste redenen voor jongeren om geen condoom te gebruikten zijn dat ze de pil of een ander voorbehoedsmiddel hebben gebruikt (27%), elkaar vertrouwden (16%) of vaste verkering hadden (15%; figuur 20). 47
pil of andere voorbehoedsmiddel gebruikt we vertrouwden elkaar we hadden vaste verkering vrijen met condoom is niet lekker we hadden geen condooms wilde ik zelf niet niet aan gedacht ander wilde niet we hadden teveel gedronken we waren allebei maagd condooms zijn onhandig/moeilijk durfde niet te zeggen dat ik condoom wou gebruiken anders 0% 10% 20% 30% Figuur 20 Reden geen condoomgebruik bij geslachtsgemeenschap (meerdere antwoorden mogelijk) Ongeveer 60% van de jongeren die geslachtsgemeenschap hebben gehad, heeft meer dan één partner gehad (tabel 33). Tabel 33 Aantal partners waar de jongeren die geslachtsgemeenschap hebben gehad mee naar bed zijn geweest Aantal partners 1 partner 2 partners 3 partners 4 partners 5 of meer partners 43% 24% 10% 5% 18% 8.1.1 Mening over onveilig vrijen Jongeren die nog nooit geslachtsgemeenschap hebben gehad denken vaker dat ze nooit onveilig zullen vrijen dan jongeren die al wel geslachtsgemeenschap hebben gehad (tabel 34). Het blijkt dat leerlingen die nog geen ervaring hebben met geslachtsgemeenschap, vaker rapporteren dat zij nooit onveilig zouden vrijen dan ervaren leerlingen. Bij beide groepen sluit één vijfde van de jongeren niet uit dit ooit te doen. Tabel 34 Mening over onveilig vrijen naar wel of niet ooit geslachtsgemeenschap gehad Mening over onveilig vrijen Ooit geslachtsgemeenschap gehad Nog nooit geslachtsgemeenschap gehad Dat zou ik nooit doen 52% 77% Ik sluit niet uit dat ik dat doe Dat heb ik al gedaan 22% 26% 23% -- 48
8.2 Ongewenste seksuele ervaring met een jongere Van de jongeren rapporteert 4% een ongewenste seksuele ervaring met een jongere meegemaakt te hebben. Hieronder vallen alle seksuele ervaringen van zoenen, intiem betasten tot naar bed gaan toe. Meisjes en autochtone jongeren rapporteren dit vaker meegemaakt te hebben terwijl niet-westerse allochtone jongeren dit minder vaak rapporteren (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) rapporteren vaker een ongewenste seksuele ervaring met een jongere meegemaakt te hebben dan jongeren op de havo of het vwo (4% versus 3%). 8.3 Negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit De mate waarin homoseksualiteit wordt geaccepteerd heeft zijn weerslag op homo- en biseksuele jongeren. Vooral homo- en biseksuele jongens staan vaak negatief tegenover de eigen seksuele oriëntatie. Homojongeren doen tot vijf maal vaker een zelfmoordpoging dan heterojongeren. Een negatieve houding van jongeren houdt in dat ze liever geen vriendschap met iemand die homoseksueel is zouden sluiten, dat ze aan deze persoon zouden laten merken dat hij/zij van hen af moet blijven en/of dat ze liever niet naast deze persoon zouden zitten in de pauze. Van de jongeren heeft 19% een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit. Jongens en niet-westerse allochtone jongeren hebben vaker een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit (zie kerntabel). Jongeren op het vmbo hebben vaker een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit dan jongeren op de havo of het vwo (tabel 35). 8.4 Verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht Ongeveer 86% van de jongeren is wel eens verliefd geweest. Dit loopt op van 81% voor 11-13 jarigen tot 91% van de 16-18 jarigen. Er is nauwelijks verschil tussen jongens en meisjes. Van de jongeren die wel eens verliefd zijn geweest, is 2% wel eens verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht. Meer 16-18 jarigen dan 11-15 jarigen geven aan weleens verliefd te zijn geweest op iemand van hetzelfde geslacht (zie kerntabel). Meisjes rapporteren vaker ooit verliefd te zijn geweest op iemand van hetzelfde geslacht dan jongens. Jongeren op de havo of het vwo (klas 1 t/m 4) zijn ongeveer even vaak weleens verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht als jongeren op het vmbo (tabel 35). Tabel 35 Negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit en weleens verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht naar opleiding (klas 1 t/m 4) Opleiding Negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit Weleens verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht Totaal* 21% 2% Vmbo Havo/Vwo 31% 12% 1% 3% Vet = significant verschil tussen leerlingen van het vmbo en de havo/vwo * alleen jongeren uit klas 1 t/m 4 49
8.5 Geografische verschillen Het percentage jongeren in Leiden dat ooit met iemand naar bed geweest is, is vergelijkbaar met het gemiddelde in Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat geen condoom heeft gebruikt bij de laatste keer seks is in Leiden lager dan in Zuid-Holland Noord. Ook het percentage jongeren met een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit is in Leiden lager dan het gemiddelde in Zuid-Holland Noord. De percentages met betrekking tot weleens verliefd zijn geweest op iemand van hetzelfde geslacht en een negatieve seksuele ervaring met een jongere meegemaakt hebben zijn vergelijkbaar met de percentages in Zuid-Holland Noord. 8.6 Trends in seksualiteit Het percentage jongeren dat ooit met iemand naar bed is geweest is tussen 2003 en 2008 gestegen van 13% naar 20% om vervolgens in 2013 weer te dalen naar 13% (tabel 36). Het percentage jongeren dat geen condoom heeft gebruikt bij de laatste keer seks is tussen 2008 en 2013 ongeveer gelijk gebleven. De vragen over een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit, weleens verliefd geweest zijn op iemand van hetzelfde geslacht en een ongewenste seksuele ervaring met een jongere zijn nieuwe vragen en kunnen daarom niet met voorgaande peiljaren worden vergeleken. Tabel 36 Percentage jongeren dat ooit met iemand naar bed is geweest en percentage jongeren dat geen condoom heeft gebruikt bij laatste keer seks in 2003, 2008 en 2013 onder jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2003 2008 2013 Ooit met iemand naar bed geweest 13% 20% 13% Geen condoom bij laatste keer seks (% van jongeren die ervaring hebben met geslachtsgemeenschap) Vet = significant verschil met voorafgaande peiljaar - geen gegevens beschikbaar voor dit peiljaar - 39% 33% 50
Tabel 37 Kerntabel seksualiteit Ervaring met seks Homoseksualiteit Aantal respondenten is 2.536 ooit met iemand naar bed geweest geen condoom bij laatste keer seks (% van jongeren die ervaring hebben met geslachtsgemeenschap) ongewenste seksuele ervaring met een jongere negatieve houding t.o.v. homoseksualiteit weleens verliefd geweest op iemand van hetzelfde geslacht % % % % % Zuid-Holland Noord 12 41 3 21 2 Leiden 14 35 4 19 2 stadsdeel Midden 9-2 16 2 Noord 13 37 3 21 3 Zuid 14-4 17 2 West 15-4 19 2 districten Binnenstad 9-2 16 2 Leiden Noord 14-3 27 3 Roodenburgdistrict 9-3 11 3 Bos- en Gasthuisdistrict 19-5 25 2 Morsdistrict 12-3 21 2 Stations-/Boerhaavedistrict - - 5 7 5 Merenwijk 13-3 20 2 Stevenshofdistrict 17-5 17 2 leeftijdsklasse 11-13 2-2 21 2 14-15 12 28 5 20 1 16-18 33 39 4 15 4 geslacht jongen 14 31 2 27 1 meisje 13 39 5 10 4 etniciteit autochtoon 14 38 4 14 2 westers 20-4 14 2 niet-westers 10-2 35 2 vorm onderwijs brugklas* 2-2 24 2 vmbo 21 27 5 31 1 havo 20-4 19 1 vwo 11-3 7 4 gezinssamenstelling tweeoudergezin 12 32 3 19 2 eenoudergezin 21-4 19 3 nieuw/co-oudergezin 17-4 19 3 arbeidssituatie geen ouder werkt - - - - - één ouder werkt 9-3 24 <1 beide ouders werken 15 36 4 17 3 opleiding vader laag 19-5 22 3 middel 19-5 20 1 hoog 13-3 12 4 opleiding moeder laag 17-3 27 3 middel 21-5 22 3 hoog 13 40 3 10 3 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen is 2% ooit met iemand naar bed geweest 51
52
9. SCHOOLVERZUIM Tien procent van de leerlingen heeft in de afgelopen vier weken gespijbeld, jongens vaker dan meisjes. Dertig procent van de leerlingen heeft verzuimd wegens ziekte. Het percentage leerlingen dat gespijbeld heeft of verzuimd heeft wegens ziekte is ten opzichte van 2008 afgenomen. 9.1 Spijbelen Tien procent van de jongeren heeft in de afgelopen vier weken minimaal één lesuur gespijbeld. Drie procent van de jongeren heeft minimaal een hele dag gespijbeld (zie kerntabel). Het spijbelen neemt toe met de leeftijd (figuur 21). Jongens rapporteren vaker ten minste één lesuur gespijbeld te hebben dan meisjes. Brugklassers hebben minder vaak gespijbeld terwijl jongeren op de havo vaker hebben gespijbeld dan jongeren van de andere opleidingsniveaus. 25% 20% 15% 10% 5% 1 uur of meer hele dag 0% 11-13 14-15 16-18 leeftijd in jaren Figuur 21 Gespijbeld in de afgelopen 4 weken naar leeftijd De jongeren die in de laatste vier weken wel eens hebben gespijbeld is gevraagd naar de belangrijkste reden om te spijbelen. De redenen waarom jongeren in Hollands Midden spijbelen zijn dat ze geen zin hebben in school (39%), dat ze (veel) tussenuren hebben (28%) of dat ze problemen hebben 12%). Het hebben van een proefwerk of het niet af hebben van het huiswerk zijn minder vaak een reden om te spijbelen (figuur 22). Bijna een vijfde van de jongeren heeft hier aangegeven dat er een andere reden is, het is niet bekend welke redenen hieronder vallen. geen zin in school (veel) tussenuren problemen proefwerk huiswerk niet af anders 0% 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 22 Belangrijkste reden om te spijbelen in de afgelopen vier weken 53
9.2 Ziekteverzuim Dertig procent van de jongeren heeft de afgelopen vier weken één dag of meer van school verzuimd wegens ziekte. De 11-13 jarigen verzuimen minder wegens ziekte dan jongeren in de oudere leeftijdscategorieën (zie kerntabel). Niet-westerse allochtone jongeren verzuimen vaker wegens ziekte dan autochtone jongeren en westerse allochtone jongeren. Jongeren op het vmbo (klas 1 t/m 4) verzuimen vaker van school wegens ziekte dan jongeren op de havo of het vwo (36% versus 26%). Het grootste deel van de jongeren die in de afgelopen vier weken verzuimd hebben van school in verband met ziekte is één of twee dagen afwezig geweest (tabel 38). Vier procent van de jongeren is langer dan vijf dagen afwezig geweest. Tabel 38 Aantal dagen verzuimd van school in verband met ziekte in de afgelopen vier weken (indien ziek geweest) Aantal dagen verzuimd wegens ziekte 1-2 dagen 73% 3-5 dagen 23% Meer dan 5 dagen 4% 9.3 Geografische verschillen Het percentage jongeren in Leiden dat een hele dag gespijbeld heeft is vergelijkbaar met het gemiddelde van Zuid-Holland Noord (zie kerntabel). Het percentage jongeren dat minimaal één uur gespijbeld heeft ligt echter iets hoger in Leiden dan in Zuid-Holland Noord. Het percentage jongeren dat verzuimd heeft wegens ziekte is vergelijkbaar met het regionale gemiddelde. 9.4 Trends in schoolverzuim Het percentage jongeren dat een hele dag heeft gespijbeld in de afgelopen maand is afgenomen tussen 2008 en 2013 (tabel 39). Het percentage jongeren dat minimaal één uur gespijbeld heeft is eerst toegenomen van 16% in 2003 naar 18% in 2008 om vervolgens weer af te nemen naar 10% in 2013. Het percentage jongeren dat verzuimd heeft wegens ziekte is licht toegenomen tussen 2003 en 2008 om vervolgens in 2013 weer af te nemen. Tabel 39 Spijbelen en ziekteverzuim in de afgelopen maand in 2003, 2008 en 2013 door jongeren van 12 t/m 17 jaar op het voortgezet onderwijs 2003 2008 2013 Spijbelen hele dag - 8% 3% Spijbelen 1 uur 16% 18% 10%* Ziekteverzuim 40% 43% 30%* Vet = significant verschil met voorafgaand peiljaar *significant verschil met 2003 - geen gegevens beschikbaar voor dit peiljaar 54
Tabel 40 Kerntabel schoolverzuim Schoolverzuim Aantal respondenten is 2.536 spijbelen hele dag spijbelen 1 uur ziekteverzuim % % % Zuid-Holland Noord 3 9 30 Leiden 3 10 30 stadsdeel Midden 1 11 27 Noord 2 10 29 Zuid 3 10 31 West 3 11 32 districten Binnenstad 1 11 27 Leiden Noord 3 10 31 Roodenburgdistrict 4 8 27 Bos- en Gasthuisdistrict 3 12 36 Morsdistrict 4 9 33 Stations-/Boerhaavedistrict 1 12 20 Merenwijk 2 10 30 Stevenshofdistrict 3 12 32 leeftijdsklasse 11-13 <1 4 27 14-15 3 10 32 16-18 5 20 34 geslacht jongen 3 12 29 meisje 3 9 32 etniciteit autochtoon 2 11 29 westers 3 11 31 niet-westers 3 8 34 vorm onderwijs brugklas* <1 3 23 vmbo 4 11 39 havo 5 17 36 vwo 2 10 25 gezinssamenstelling tweeoudergezin 2 9 28 eenoudergezin 3 13 42 nieuw/co-oudergezin 5 14 35 arbeidssituatie geen ouder werkt - - - één ouder werkt 1 10 33 beide ouders werken 3 10 29 opleiding vader laag 6 16 35 middel 2 12 33 hoog 3 11 27 opleiding moeder laag 4 11 34 middel 3 11 34 hoog 3 12 27 vet: Leiden: significant afwijkend van Zuid-Holland Noord; stadsdelen: significant afwijkend van overige stadsdelen; districten: significant afwijkend van overige districten; achtergrondkenmerken: significant afwijkend van overige categorieën van dat achtergrondkenmerk - aantal respondenten minder dan 90 (geen percentage weergegeven) -- geen enkele respondent heeft dit antwoord aangekruist * brugklas niet gedetermineerd vmbo/havo/vwo Leesvoorbeeld: van de 11-13 jarigen heeft <1% een hele dag gespijbeld 55
56
BIJLAGEN Trends peiljaren 2003, 2008, 2013; leerlingen vmbo/havo/vwo; 12 t/m 17 jaar Leiden Zuid-Holland Noord Lichamelijke gezondheid 2003 2008 2013 2003 2008 2013 oordeel eigen gezondheid 'niet zo best' of 'slecht' - 3,1 1,3-3,1 1,3 één of meer langdurige lichamelijke aandoeningen - 44 38-44 37 allergie - 36 36-35 34 belemmerd door aandoening en/of allergie - 36 29-36 29 risico op gehoorschade door uitgaan en/of gebruik koptelefoon - 37 40-35 38 Psychosociale problemen risico op psychosociale problemen - 14 13-13 15 groot risico op psychosociale problemen - 4,5 4,7-4,3 5,4 vaak aan suïcide gedacht - 3,0 2,3-2,6 2,6 pesten op school - 24 8-27 9 gepest worden op school - 16 8-17 10 Bewegen voldoet aan norm gezond bewegen 14-16 14-17* lid van een sportvereniging - 70 69-74 74 Gewicht en voeding overgewicht (inclusief ernstig overgewicht) 10 10 9 9 8 7* ernstig overgewicht 1,0 1,3 1,0 1,2 1,1 0,7 vindt zichzelf te zwaar 34 24 20* 33 23 21* ondergewicht (inclusief ernstig ondergewicht) 15 12 13 12 13 16* ernstig ondergewicht 4,0 2,7 2,9 2,3 2,9 3,8* < 5 dagen per week ontbijten - 18 14-15 12 eet niet dagelijks groente - 44 56-52 65 eet niet dagelijks fruit - 61 64-65 67 slechte mondhygiëne - 32 29-31 27 Genotmiddelengebruik ooit alcohol gedronken - 55 40-57 43 recent gedronken 52 42 32* 55 45 33* recent binge drinken - 29 22-32 22 gemiddeld aantal glazen per week¹ - 7,3 6,1-8,9 6,5 ooit gerookt 38 39 26 34 36 24* recent gerookt 16 20 14 14 19 12 Seksualiteit ooit met iemand naar bed geweest 13 20 13 11 18 12 geen condoom bij laatste keer seks² - 39 33-39 40 Schoolverzuim hele dag gespijbeld - 7,7 2,6-6,7 2,6 spijbelen 1 uur 16 18 10* 18 15 8* ziekteverzuim 40 43 30* 36 40 29* Vet: significant verschil met voorgaand peiljaar - niet vergelijkbaar of geen gegevens beschikbaar * significant verschil met peiljaar 2003 ¹ alleen jongeren die recent gedronken hebben ² percentage van de jongeren die ervaring hebben met geslachtsgemeenschap 57
58
Resultaten vragenlijst Veilig opgroeien in de wijk Voor de analyse is de selectie van 12 tot en met 17 jarigen van het bestand van de GGD Hollands Midden gebruikt. Hierdoor wijken aantallen en percentages enigszins af van die in de tabellen van de GGD, waarin leerlingen tot en met 18 jaar worden beschreven. 59
Gegevens Veilig Opgroeien Leiden 2008-2013 Sinds 2004 voert de gemeente Leiden preventief jeugbeleid uit aan de hand van de methodiek van Communities that Care, in Leiden Veilig Opgroeien genoemd. Begonnen in de Stevenshof, met als doel het probleemgedrag van jongeren zo vroeg mogelijk te voorkomen. Vervolgens is de systematiek van Veilig Opgroeien ingevoerd in de Slaaghwijk, Leiden Noord en sinds 2012 in de Mors en Bos- en Gasthuisdistrict. De kern van Veilig Opgroeien bestaat daarin dat risicofactoren die het opgroeien bedreigen en beschermende factoren die het Veilig Opgroeien ondersteunen, nauwkeurig, onder de jeugd zelf, periodiek in beeld worden gebracht. Deze gegevens zijn onder een representatieve steekproef van ruim 2000 jongeren in de leeftijd 12 tot en met 17 jaar in 2005, 2008 en 2013 door de GGD verzameld. Door vervolgens te bepalen welke factoren het meest van invloed zijn in de gemeente Leiden en de districten kunnen precieze maatregelen worden genomen om de risicofactoren gedurende langere tijd te verkleinen en beschermende factoren gedurende langere tijd verder te versterken. Dit zal preventief werken en (toename van) probleemgedrag kunnen voorkomen. In deze rapportage worden de gegevens van 2008 en 2013 vergeleken. Nadere informatie over Veilig Opgroeien/Communities that Care vindt u op: www.ctc-holland.nl Wat zegt de vergelijking van de gegevens 2008 met 2013 over het gevoerde preventieve jeugdbeleid? Over de gehele linie neemt probleemgedrag onder jongeren in Leiden af: er wordt minder alcohol gedronken en er wordt minder gerookt. De negatieve invloed van vrienden om te roken/alcohol te drinken neemt ook af, deze risicofactor is in alle districten afgenomen. Wat ook opvalt is dat de hechtingsterkte binnen gezinnen volgens de jongeren in 2013 is toegenomen. Maar enkele risicofactoren in enkele districten zijn toegenomen: bijvoorbeeld conflicten in het gezin in de Stevenshof, en een houding van ouders die antisociaal gedrag toestaat in Leiden Noord. Ook wordt de middelbare school door jongeren in 2013 minder gunstig beoordeeld als het gaat om mogelijkheden voor positieve betrokkenheid. Hoe verder? Met de actuele gegevens van 2013 verkregen onder 2.466 Leidse jongeren in de leeftijd 12-17 jaar is het mogelijk om betrokken organisaties te vragen komende jaren de belangrijkste factoren aan te pakken, kansen te vergroten en risicofactoren te verminderen. Met een nieuwe meting in 2018 is dan aan te tonen onder de jeugd zelf of deze doelen zijn gerealiseerd. Een opdracht die in het licht van de decentralisaties voor Leiden van groot belang is. 60
Veilig Opgroeien in Leiden Leiden 2008 Leiden 2013 Leiden-Noord (2013) Leiden-Noord (2008) Stevenshof (2013) Stevenshof (2008) Morsdistrict (2013) Morsdistrict (2008) Bos en Gasthuisdist (2013) Bos en Gasthuisdist (2008) Probleemgedrag 2 % % % % % Geweld Wapen mee 6 4 7 6 5 5 4 4 4 7 Deel aan vechtpartij 10 10 15 11 10 10 10 22 13 12 iemand in elkaar geslagen 8 6 11 9 7 7 7 9 9 11 Iemand bedreigd voor geld 1 1 0 1 1 0 2 0 0 2 Jeugddelinquentie iets op straat vernield 11 7 12 10 7 11 9 10 6 11 iets uit winkel gestolen 6 4 5 6 5 6 5 5 4 8 iets op school gestolen 3 2 2 2 3 4 3 3 3 3 helen 2 2 2 3 2 2 3 1 3 3 door politie opgepakt 7 3 6 7 3 7 3 7 4 8 Roken, alcohol, drugs Roken, afgelopen maand 17 12 13 18 16 17 12 15 12 19 alcohol, afgelopen maand 37 26 24 29 34 42 26 33 26 34 softdrugs, afgelopen maand 7 4 4 6 4 7 7 6 2 7 xtc, afgelopen maand 0,4 0,2 0 0 0,3 0 0 0,4 0,5 1 harddrugs (anders) 0,2 0,4 0,7 0 0,3 0 0,5 0 0.5 0,4 veel roken 3 6 9 3 8 3 7 2 4 4 vaak alcohol 10 x p maand 4 2 2 3 2 4 2 4 2 4 veel alcohol aantal glazen 13 11 12 12 16 15 10 11 14 12 vaak softdrugs 2 0,5 0,4 2 0.6 0,7 2 0,7 0 2 2 Probleemgedrag zoals gerapporteerd door jongeren in de leeftijd van 12 tot en 17 jaar in Leiden en het betreffende district. De getallen zijn het percentage jongeren (woonachtig in Leiden of het betreffende district) dat aangegeven heeft dat specifieke gedrag te hebben vertoond, zoals gemeten in de vragenlijst Veilig Opgroeien (Communities that Care) afgenomen door de GGD.
Veilig Opgroeien in Leiden Leiden 2008 Leiden 2013 Leiden-Noord (2013) Leiden-Noord (2008) Stevenshof (2013) Stevenshof (2008) Morsdistrict (2013) Morsdistrict (2008) Bos en Gasthuisdist (2013) Bos en Gasthuisdist (2008) Schoolverzuim gespijbeld 7 3 2 7 2 7 3 4 3 7 klas uit gestuurd afgelopen jaar 51 48 48 51 50 51 44 52 46 52 Seksualiteit-problemen sluit onveilig vrijen niet uit 27 22 23 24 31 26 24 23 20 28 onvaste partner gehad (12 mnd) 8 6 6 8 8 8 5 7 8 22 condoom gebruikt met onvaste partner 7 3 3 5 4 9 3 6 2 7 Over het algemeen is er een daling van probleemgedrag: minder jongeren roken en drinken, maar jongeren die wel roken, roken meer; ook is er een toename van harddruggebruik onder een kleine groep jongeren. Condoomgebruik neemt af. Het gunstige beeld van Leiden gemiddeld, is minder gunstig voor jongeren woonachtig in Leiden Noord, omdat zij een grotere deelname aan vechtpartijen en vernielingen rapporteren.
Veilig Opgroeien in Leiden Leiden 2008 Leiden 2013 Leiden-Noord (2013) Leiden-Noord (2008) Stevenshof (2013) Stevenshof (2008) Morsdistrict (2013) Morsdistrict (2008) Bos en Gasthuisdist (2013) Bos en Gasthuisdist (2008) Risicofactoren 3 : Grootte factor Gezin Geschiedenis van probleemgedrag in het gezin 7 6 9 9 5 4 5 7 7 10 Problemen met gezinsmanagement 30 29 26 30 31 30 33 30 27 30 Conflicten in het gezin 26 26 22 25 30 25 25 25 25 26 Positieve houding van ouders tav alcohol- en drugs gebruik 13 12 10 12 13 15 14 13 11 13 Positieve houding van ouders tav antisociaal gedrag 6 7 6 5 8 7 6 5 7 7 School Gebrek aan binding bij school 37 35 32 36 37 37 34 36 36 35 Kinderen en jongeren Vervreemding en opstandigheid 37 35 37 39 34 36 34 34 34 38 Vroeg begin van alcohol en drugsgebruik 17 16 15 15 21 18 16 16 16 17 Positieve houding ouders tav alcohol- en drugsgebruik 31 30 28 29 33 32 31 29 29 31 Positieve houding ouders tav anti sociaal gedrag 28 28 28 26 29 29 29 27 27 28 Omgang met vrienden die alcohol en drugs gebruiken 45 38 39 45 43 52 38 41 44 50 Omgang met vrienden die anti sociaal gedrag vertonen 30 28 30 33 30 34 29 31 32 35 3 De maat waarmee een risicofactor wordt gemeten is een getal tussen de 0 en 100, waarbij 0: volledig afwezig en 100 staat voor volledig aanwezig zijn van de betreffende risicofactor onder de 2466 (39%) jongeren die de vragenlijst hebben ingevuld. Hoe hoger het getal, hoe ernstiger deze risicofactor is in Leiden of het betreffende district.
Vervolg risicofactoren: Veilig Opgroeien in Leiden Leiden 2008 Leiden 2013 Leiden-Noord (2013) Leiden-Noord (2008) Stevenshof (2013) Stevenshof (2008) Morsdistrict (2013) Morsdistrict (2008) Bos en Gasthuisdist (2013) Bos en Gasthuisdist (2008) Buurt Gebrek aan binding in de wijk 31 29 29 38 32 29 33 33 30 36 Gebrek aan organisatie in de wijk 24 23 26 32 27 27 26 26 22 25 Hoge mate van doorstroming in de wijk 17 10 11 17 8 15 9 16 9 18 Verkrijgbaarheid van harddrugs en wapens in de wijk 18 16 20 27 20 20 22 20 16 21 Normen die antisociaal gedrag bevorderen 34 34 34 38 38 36 37 37 32 34 Over het algemeen dalen enkele risicofactoren licht: binding met school, vervreemding en omgang met vrienden die alcohol en drugsgebruiken of anti-sociaal gedrag vertonen en gebrek aan binding in de wijk, zijn risicofactoren die dalen. Dat is een gunstige ontwikkeling voor geheel Leiden. De verschillende wijken laten een divers beeld zien, zo nemen enkele risicofactoren toe en dalen ook enkele.
Veilig Opgroeien in Leiden Leiden 2008 Leiden 2013 Leiden-Noord (2013) Leiden-Noord (2008) Stevenshof (2013) Stevenshof (2008) Morsdistrict (2013) Morsdistrict (2008) Bos en Gasthuisdist (2013) Bos en Gasthuisdist (2008) Beschermende factoren 4 Gezin Grootte factor Hechtingssterkte gezin 67 80 83 68 80 67 77 68 82 67 Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid (kansen) 72 73 76 73 72 73 70 72 76 73 Beloning voor positieve betrokkenheid (erkenning) 73 73 76 72 70 73 69 71 74 72 School Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid (kansen) Kinderen en jongeren 59 57 55 56 56 59 54 57 56 58 Gezonde opvattingen en duidelijke normen 59 61 63 60 59 59 62 61 63 59 Religie 27 30 40 38 21 18 35 26 40 36 Buurt Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid 43 51 51 39 50 43 53 43 51 39 Beschermende factoren nemen over het algemeen toe, vooral hechtingssterkte in het gezin en de kansen in de wijk. De kansen op school (het voortgezet onderwijs) daar is een afname volgens de jongeren zichtbaar. Legenda: (opvallend) ernstiger dan in 2008 Nauwelijks tot geen verandering ten opzichte van 2008 (opvallend) gunstiger dan in 2008 4 De maat waarmee een beschermende factor wordt gemeten is een getal tussen de 0 en 100, waarbij 0: volledig afwezig en 100 staat voor volledig aanwezig zijn van de betreffende beschermende factor onder de 2466 (39%) jongeren die de vragenlijst hebben ingevuld. Hoe hoger het getal, hoe gunstiger deze beschermende factor is in Leiden of het betreffende district.
Algemeen: In 2008 vulden 2.660 jongeren in de leeftijd 12 tot en met 17 jaar de Veilig-Opgroeien-vragenlijst in; en wel als volgt verdeeld over de betrokken wijken. De respons in 2013 bedroeg 39% van alle 12 tot en met 17 jarige leerlingen op het vmbo, havo en vwo. Aantal respondenten deelname aan vragenlijst: Verdeling leeftijdsgroepen: 2008 2013 Leiden 2.660 2.466 Leiden gemiddeld in % 2008 2013 Leiden Noord 269 299 12 jarigen 14,8 15,9 Stevenshofdistrict 469 402 13 jarigen 20,2 23,2 Morsdistrict 275 216 14 jarigen 21,3 22,3 Bos- en Gasthuisdistrict 490 402 15 jarigen 18,8 20.7 Overige districten 1.503 1.319 16 jarigen 15,3 12,3 17 jarigen 9,6 5,6 Verdeling etniciteit Leiden gemiddeld in % 2008 2013 Nederlands 67,1 66,8 Surinaams 2,2 2,0 Antilliaans 1,8 1,3 Turks 3,4 2,7 Marokkaans 7,0 10,6 Anders 15,3 16,6 % respondenten uit 2-oudergezin 2008 2013 Leiden 78,3 75,2 Leiden Noord 73,0 67,9 Stevenshofdistrict 83,3 82,1 Morsdistrict 79,7 74,5 Bos- en Gasthuisdistrict 75,2 72,6 % respondenten van wie beide ouders werken 2008 2013 Leiden 74,3 71,8 Leiden Noord 59,1 62,9 Stevenshofdistrict 83,7 84,2 Morsdistrict 70,2 62,0 Bos- en Gasthuisdistrict 68,0 67,9 Over het algemeen is de respons op beide onderzoeken even groot en de samenstelling vergelijkbaar. Er is over de gehele linie een afname van het aandeel jongeren woonachtig in een twee-ouder gezin. Het aandeel jongeren waarvan beide ouders werken geeft een divers beeld in de verschillende districten.
Toelichting risico- en beschermende factoren Risicofactoren Domein gezin Geschiedenis van probleemgedrag in het gezin Als kinderen opgroeien in een gezin met een verleden van alcohol of drugsverslaving is de kans groter dat zij deze later zelf ook zullen ontwikkelen. Ditzelfde geldt voor kinderen die opgroeien in een gezin met een verleden van crimineel gedrag. Problemen met gezinsmanagement Slechte gezinsleiding betekent dat er geen duidelijk beeld bestaat van gewenst gedrag, dat ouders hun kinderen onvoldoende in de gaten houden en begeleiden en dat ouders excessieve of inconsequente straffen opleggen. Als kinderen opgroeien in een gezin dat slecht geleid wordt, lopen ze meer risico op het ontstaan van probleemgedrag. Conflicten in het gezin Voortdurende en grote conflicten tussen hoofdverzorgers onderling of tussen hoofdverzorgers en kinderen vergroten de kans op de ontwikkeling van probleemgedrag bij kinderen die opgroeien in dergelijke gezinnen. Gebleken is dat conflicten tussen familieleden van grotere invloed op het ontstaan van probleemgedrag dan de gezinsstructuur. Positieve houding van ouders ten aanzien van alcohol- en drugsgebruik Een positieve houding van ouders met betrekking tot alcohol- en drugsgebruik kan bij kinderen leiden tot een verhoogd risico op het ontstaan van aan alcohol- en drugsgerelateerde problemen. Positieve houding van ouders ten aanzien van antisociaal gedrag Ditzelfde geldt voor een positieve houding van ouders met betrekking tot antisociale gedragingen als diefstal, vernielingen en agressie. Wanneer de ouders positief tegenover deze gedragingen staan, zullen de kinderen eerder geneigd zijn deze gedragingen te vertonen. Domein school Gebrek aan binding Kinderen met een lage schoolmotivatie hebben vaak de betrokkenheid met de school verloren. Hierdoor lopen zij een verhoogd risico op het ontstaan van probleemgedragingen. Domein kinderen en jongeren Vervreemding en opstandigheid Kinderen die het gevoel hebben dat zij buiten de maatschappij vallen kunnen recalcitrant gedrag gaan vertonen. Dit kan zich onder andere uiten in het zich niet houden aan regels of in het aannemen van een actief rebellerende houding tegenover de maatschappij. Deze kinderen lopen een verhoogd risico op drugsgebruik, criminaliteit en vroegtijdige schoolverlating. Vroeg begin van alcohol- en drugsgebruik Ditzelfde geldt voor het vroegtijdig beginnen met roken, alcohol en drugs. Hoe eerder kinderen hiermee beginnen, hoe groter de kans dat hun gedrag later chronische vormen zal aannemen. Positieve houding ten aanzien van alcohol- en drugsgebruik Op de basisschool zijn jongeren vaak tegen het gebruik van sigaretten, alcohol en drugs en kunnen zij zich vaak moeilijk voorstellen waarom mensen dergelijke middelen toch gebruiken. Op de middelbare school leren zij anderen kennen die deze middelen wel gebruiken en ontstaat er een grotere tolerantie. Daardoor lopen zij ook meer risico. Positieve houding ten aanzien van antisociaal gedrag Ditzelfde geldt voor de houding die kinderen hebben ten aanzien van antisociale gedragingen.
Omgang met vrienden die alcohol en drugs gebruiken Kinderen die omgaan met leeftijdsgenoten die sigaretten roken, alcohol drinken of drugs gebruiken, lopen een verhoogd risico dit gedrag ook te vertonen. Omgang met vrienden die antisociaal gedrag vertonen Jongeren die omgaan met leeftijdsgenoten die probleemgedrag vertonen (zelfs jongeren uit evenwichtige gezinnen), lopen zelf veel meer risico deze problemen te vertonen. Domein buurt/wijk Gebrek aan binding met de wijk Buurten waar mensen weinig aansluiting hebben bij de buurt vertonen meer problemen met betrekking tot drugs, drugshandel, criminaliteit en geweld. Deze situatie doet zich niet alleen voor in arme wijken; ook beter gesitueerde buurten kampen met deze problemen. Gebrek aan organisatie in de wijk Ditzelfde geldt voor buurten waarin de organisatie gebrekkig is. Hoge mate van doorstroming in de wijk Inwoners van wijken die zich kenmerken door een hoge mate van mobiliteit blijken een groter risico op drugs of misdaadproblemen te lopen. Hoe meer mensen binnen een wijk verhuizen, des te groter het risico op zowel crimineel gedrag, als drugsproblemen binnen families. Sommige jongeren verweren zich tegen de negatieve effecten van mobiliteit door aanknopingspunten te zoeken binnen nieuwe gemeenschappen; anderen kunnen niet omgaan met de consequenties van frequente verhuizingen en hebben daardoor meer kans op problemen. Verkrijgbaarheid van harddrugs en wapens Hoe meer harddrugs er beschikbaar zijn in een wijk, des te groter het risico dat drugsgebruik zich binnen de wijk zal voordoen en dus ook dat jongeren drugs zullen gebruiken. Ook is in een groot aantal onderzoeken een verband aangetoond tussen verkrijgbaarheid van vuurwapens en geweld. Normen die antisociaal gedrag bevorderen Jongeren lopen een verhoogd risico op probleemgedragingen als de normen ten aanzien van drugsgebruik, geweld of criminaliteit ontbreken of zelfs alleen al als hier onduidelijkheid over bestaat. Beschermende factoren Domein gezin Hechtingssterkte gezin De hechtingssterkte van het gezin wordt over het algemeen gezien als een factor die de kans op probleemgedragingen vermindert; hierbij kan men denken aan samen dingen ondernemen en het praten over problemen. Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid Deze factor meet in hoeverre jongeren de kans hebben binnen het gezin om positief of sociaal wenselijk gedrag te vertonen. Beloningen voor positieve betrokkenheid Deze factor meet in hoeverre jongeren beloond worden binnen het gezin voorpositief of sociaal wenselijk gedrag. Domein school Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid Deze factor meet in hoeverre jongeren de kans hebben binnen de school om positief of sociaal wenselijk gedrag te vertonen, zoals buitenschoolse activiteiten of clubs. Domein kinderen en jongeren Gezonde opvattingen en duidelijke normen Deze factor meet of de jongere beschikt over duidelijke normen omtrent wenselijk gedrag. Religie Deze factor meet de mate van religieuze betrokkenheid van de jongere. Domein buurt/wijk Mogelijkheden voor positieve betrokkenheid Deze factor meet in hoeverre jongeren de kans hebben om binnen hun buurt positief of sociaal wenselijk gedrag te vertonen, zoals meedoen aan activiteiten of clubs in het buurthuis.