Pensioenleeftijd niet vaak 65
|
|
|
- Sylvia Aalderink
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Pensioenleeftijd niet vaak 65 Jan-Willem Bruggink In de periode stopten jaarlijks ongeveer 6 duizend mensen met werken om met pensioen te gaan. In bijna zeven van de tien gevallen waren dit mannen. De meest voorkomende leeftijd waarop mensen met pensioen gaan, was 6 jaar. Dit gold zowel voor mannen als voor vrouwen. Van personen die na hun 6 ste pensioneerden, lag het pensioeninkomen gemiddeld bijna 1 procent hoger dan van degenen die eerder stopten met werken. Ook de hoogte van het inkomen van een eventuele partner speelde een rol bij het eerder of later met pensioen gaan. 1. Inleiding Jaarlijks verlaten vele mensen de arbeidsmarkt. Dat gebeurt op verschillende manieren. Als iemand met pensioen gaat, gaat hij of zij over van een werkende situatie naar een situatie waarbij pensioen de belangrijkste bron van inkomen is. Deze overgang en de leeftijd waarop deze plaatsvindt, is onderwerp van dit artikel. Goede informatie over de leeftijd waarop mensen met pensioen gaan, is van belang voor de omgang met de vergrijzing. Vergrijzing betekent dat het aandeel ouderen in de Nederlandse bevolking toeneemt. Dit proces heeft vele gevolgen, waaronder het oplopen van de kosten voor de sociale zekerheid en de gezondheidzorg. Deze lasten komen op de schouders van de relatief kleiner wordende groep werkenden. De leeftijd waarop mensen met pensioen gaan, bepaalt mede de verhouding tussen de werkenden en de niet-werkenden. Langer doorwerken kan helpen bij het betaalbaar houden van voorzieningen. Met het oog hierop zijn beleidsmaatregelen getroffen die vervroegd met pensioen gaan minder aantrekkelijk moeten maken, zoals het afschaffen van de belastingaftrekbaarheid van de premies voor VUT en prepensioen (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 24). In dit artikel gaat het om de groep die in de jaren de arbeidsmarkt verliet om met pensioen te gaan. In deze periode deden zich (nog) geen grote verschuivingen qua pensioenleeftijd voor. Of dat in de jaren daarna wel het geval is, zal uit vervolgonderzoek moeten blijken. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de in deze studie gehanteerde methode en definities. 2. Wat is met pensioen gaan? Het begrip met pensioen gaan betekent niet voor iedereen hetzelfde. Vaak wordt de leeftijd van 65 jaar aan dit begrip gerelateerd, omdat dit de leeftijd is waarop mensen recht krijgen op een uitkering in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met alleen een leeftijdsgrens is echter niet te bepalen uit welke situatie deze mensen met een AOW-uitkering komen: werk, uitkering, prepensioen of nooit gewerkt. Ook is de leeftijd van 65 jaar vaak niet de leeftijd waarop mensen definitief stoppen met werken. Om consistente informatie over dit onderwerp te kunnen leveren, heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het kader van het speerpunt vergrijzing 1) toegewerkt naar een definitie van met pensioen gaan (Te Riele, 27). Met pensioen gaan is definitief stoppen met werken om aansluitend als belangrijkste bron van inkomen een inkomen uit een zelfopgebouwde pensioenvoorziening te ontvangen. Stoppen met werken Hierbij is stoppen met werken geoperationaliseerd als het teruggaan naar minder dan 12 uur per week betaald werk. Deze urengrens sluit aan bij de door het CBS gehanteerde grens voor de werkzame beroepsbevolking (Bierings, Imbens en Van Bochove, 1991). Als iemand minimaal 12 uur per week werkt is er sprake van een substantiële baan. Of het stoppen met werken een definitieve gebeurtenis is, is lastig te bepalen. Iemand die met pensioen is, kan besluiten de arbeidsmarkt opnieuw te betreden, waarbij inkomen uit arbeid weer de belangrijkste inkomensbron kan gaan vormen. Vervolgens zou hij of zij een tweede keer met pensioen kunnen gaan. Voor dit artikel geldt dat iedereen die overgaat van een substantiële baan naar een situatie van niet of weinig werken waarbij pensioen de belangrijkste bron van inkomen wordt, wordt beschouwd als iemand die met pensioen gaat. Iemand die naast een substantiële baan ook inkomen heeft uit pensioen is volgens deze afbakening niet met pensioen gegaan. Inkomen uit pensioen Met inkomen wordt het persoonlijke inkomen bedoeld. Dat is het bruto-inkomen uit arbeid of winst en ontvangen uitkeringen uit inkomensverzekeringen waarop de betaalde premies werknemersverzekeringen in mindering zijn gebracht. Inkomen uit pensioen kan bestaan uit uitkeringen uit zowel de eerste, de tweede als de derde pijler. Hierbij staat de eerste pijler voor AOW, de tweede voor werkgerelateerde pensioenen en de derde voor individuele regelingen zoals lijfrentes. Het inkomen uit de Algemene nabestaandenwet (Anw) wordt niet meegenomen als pensioeninkomen. Dit is immers geen individueel opgebouwd pensioen. Ook inkomen uit vermogen wordt niet meegerekend, omdat vrijwel niet is aan te tonen of dit bedoeld is als pensioenvoorziening. Bovendien is dit inkomen lastig aan de verschillende personen binnen een huishouden toe te wijzen. 54 Centraal Bureau voor de Statistiek
2 Artikelen 3. Aantal mensen dat met pensioen gaat, neemt toe Niet iedereen die stopt met werken gaat met pensioen. De belangrijkste bron van inkomen in het jaar na het stoppen hoeft immers geen pensioen te zijn. In de jaren stopten in totaal ruim 1,7 miljoen mensen met werken. Daarvan maakte bijna 1 miljoen mensen een jaar later weer deel uit van de werkzame beroepsbevolking. Dit betreft voor het overgrote deel mensen jonger dan 5 jaar. Zij zijn van baan gewisseld, al dan niet met een tussenperiode zonder baan. Van de mensen die niet opnieuw aan het werk zijn gegaan, hadden 177 duizend pensioen als belangrijkste bron van inkomen. Het aantal mensen dat met pensioen ging, laat een stijgende lijn zien in de onderzochte periode. In 21 ging het om bijna 55 duizend mensen. Via bijna 61 duizend in 22 liep dit op naar meer dan 62 duizend in 23. Op basis van de Nederlandse bevolkingsopbouw is te verwachten dat het aantal mensen dat met pensioen gaat in de jaren daarna verder zal oplopen. De reden hiervan is het ouder worden van de grote generatie die in de twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog is geboren. Ook een stijgende arbeidsparticipatie zal er op termijn toe leiden dat meer mensen met pensioen gaan. 4. Vooral autochtone mannen Van alle mensen die met pensioen gingen in de periode was 69 procent man en 31 procent vrouw. Dit verschil heeft alles te maken met de hogere arbeidsparticipatiegraad van mannen. In de leeftijdscategorie van 5 tot en met 64 jaar lag de arbeidsparticipatie van mannen rond de 65 procent. Bij vrouwen was dit ongeveer 33 procent. Er zijn dus veel meer mannen die met pensioen kunnen gaan. Voor zowel mannen als vrouwen was 6 jaar de meest voorkomende leeftijd om met pensioen te gaan. Binnen één huishouden gingen maar zelden twee mensen in hetzelfde jaar met pensioen. Van degenen die met pensioen gingen, had 3 procent een opleiding op hbo-niveau of hoger, terwijl 31 procent laag opgeleid was, waarbij de hoogst afgeronde opleiding op vmbo-niveau of lager lag. De overige 39 procent had een middelbaar opleidingsniveau. Er gingen relatief weinig allochtonen met pensioen. In totaal was dat 13 procent van de totale groep. Vooral niet-westerse allochtonen vormden met minder dan 3 procent een kleine groep. In Nederland zijn er relatief weinig niet-westerse allochtonen van hogere leeftijd. Westerse allochtonen zijn gelijkmatiger over alle leeftijdscategorieën verdeeld. De grootste aantallen pensioengangers zitten in de leeftijden 55 tot en met 65 jaar. In de drie onderzochte jaren piekte het met pensioen gaan op de leeftijd van 6 jaar. Op die leeftijd gingen jaarlijks gemiddeld ruim 12 duizend mensen met pensioen. Ook de mediane leeftijd voor met pensioen gaan was 6 jaar. Een kleinere piek is te zien bij 64 en 65 jaar. De concentratie rond bepaalde leeftijden is deels te verklaren door collectieve uittredings- en vervroegde pensioenregelingen voor specifieke leeftijdsgroepen. 1. Aantal mensen dat met pensioen is gegaan naar leeftijd, 21/23 x Het cumulatieve percentage pensioengangers laat een sterke stijging zien tussen 58 en 61 jaar. Van iedereen die met pensioen ging, was ongeveer een kwart 58 jaar of jonger. Rond de 7 procent was 61 jaar of jonger. Daarnaast blijkt enerzijds een klein deel van de 5-jarigen al met pensioen te zijn, terwijl anderzijds een beperkt aantal 7-jarigen nog niet met pensioen is gegaan. Dit laat zien dat ook op lagere en hogere leeftijd kleine aantallen mensen met pensioen gaan. In 23 was het aandeel dat op lagere leeftijd met pensioen ging wat lager dan in 21 en 22. Als het overheidsbeleid gericht op doorwerken richting 65 effectief is, zal in de jaren na 23 deze verschuiving naar hogere leeftijden sterker zichtbaar moeten worden. 2. Met pensioen gaan naar leeftijd, cumulatief De meeste mensen rond hun 6 ste met pensioen Sociaaleconomische trends, 3e kwartaal 27 55
3 6. Vrouwen eerder, allochtonen later met pensioen Hebben mensen die relatief jong met pensioen gaan andere kenmerken dan mensen die dit op hogere leeftijd doen? Om dit te onderzoeken is iedereen die met pensioen is gegaan in de drie onderzoeksjaren samengevoegd. Vervolgens is er een tweedeling gemaakt: tot en met 59 jaar als stopleeftijd en vanaf 6 jaar als stopleeftijd. De jongere categorie bestond uit 68 duizend personen, de oudere categorie uit 11 duizend. In de categorie tot en met 59 jaar zaten relatief veel vrouwen. Tegelijkertijd was in de oudere groep vooral bij vrouwen een piekje op de leeftijd van 65 jaar te zien. 3. Met pensioen gaan naar geslacht en leeftijd, 21/ In de jongere categorie bevonden zich relatief weinig allochtonen. De oorzaak hiervan zou kunnen zijn dat maar weinig allochtonen zich konden veroorloven om voor hun zestigste te stoppen met werken, omdat zij vaak minder pensioen hebben kunnen opbouwen. Zij hadden gemiddeld minder pensioenopbouwjaren doordat zij korter in Nederland hebben gewoond en gewerkt. Bovendien hebben allochtonen, en in het bijzonder niet-westerse allochtonen, gemiddeld lagere inkomens (CBS, StatLine). 7. Hoger pensioeninkomen bij latere pensionering De hoogte van het pensioeninkomen verschilt per achtergrondkenmerk. Mannen hadden een inkomen uit pensioen dat bijna twee keer zo hoog was als dat van vrouwen. Hoogopgeleiden hadden gemiddeld ongeveer twee keer zoveel pensioen als laagopgeleiden. Autochtonen hadden hogere pensioenen dan allochtonen. Verder is ook de pensioenleeftijd van invloed op het pensioeninkomen. Mensen die op 6-jarige leeftijd of ouder met pensioen gingen, hadden pensioeninkomens die bijna 1 procent hoger lagen dan mensen die voor hun 6ste stopten met werken. Dit beeld blijkt onafhankelijk te zijn van het opleidingsniveau. 8. Vroeger met pensioen bij hoog inkomen partner Ongeveer 8 procent van de mensen die met pensioen ging, maakte deel uit van een (echt-)paar. Ook de leeftijd en de hoogte van deze partner spelen een rol bij het besluit om met pensioen te gaan. De partners van mensen die voor hun zestigste met pensioen gingen, hadden een persoonlijk inkomen dat ruim 15 procent hoger lag dan dat van de partners van late pensioengangers. Een relatief hoog inkomen van een partner schept kennelijk de mogelijkheden om vroeg met pensioen te gaan. 2 < 59 jaar Man > 6 jaar Vrouw Totaal Op het moment van met pensioen gaan, was de partner vaak op een leeftijd tussen 56 en 61 jaar. De partner was gemiddeld wat jonger dan de pensioenganger. Dit verschil is te verklaren door het grote aandeel mannen dat met pensioen ging. Mannen zijn vaak de oudsten binnen een echtpaar. 4. Met pensioen gaan naar herkomst en leeftijd, 21/ Leeftijd partner op het moment van met pensioen gaan, 21/23 x < 59 jaar Autochtoon Niet-westers allochtoon > 6 jaar Totaal Westers allochtoon Frequentie (linkeras) Cumulatief percentage (rechteras) 56 Centraal Bureau voor de Statistiek
4 Artikelen 9. Wel een baan, ook inkomen uit pensioen Naast de pensioengangers was er ook een groep mensen die nog een substantiële baan hadden, maar die toch een inkomen uit pensioen genoten. Hier kan sprake geweest zijn van een soort deeltijdpensioen 2). Het is goed mogelijk dat het deeltijdpensioen in de toekomst een meer voorkomend verschijnsel wordt door het overheidsstreven om mensen langer door te laten werken. Het creëren van meer combinatiemogelijkheden van werk en pensioen kan participatiebevorderend werken. Overigens nam het aandeel van de mensen met een uitkering als belangrijkste bron van inkomen in de jaren toe, terwijl het percentage met inkomen uit loon of onderneming afnam. Deze periode werd gekenmerkt door ongunstige economische ontwikkelingen. Verder was er een groep van 1 procent die geen eigen inkomen meer had na het stoppen met werken. Dit waren hoofdzakelijk vrouwen. Het krijgen van kinderen en het uitoefenen van zorgtaken speelden hierbij een rol. De categorie overige bestond voornamelijk uit studenten. 1. Andere uitstroomroutes dan pensioen Van de bijna 8 duizend mensen die in stopten met werken en een jaar later geen baan van ten minste twaalf uur per week hadden, hadden er 177 duizend in het jaar daarna inkomsten uit pensioen. De ruim 6 anderen hadden een andere belangrijkste bron van inkomen of geen inkomen. De gemiddelde leeftijd binnen deze groep was op het moment van stoppen met werken nog geen 4 jaar. De groepen met inkomen uit arbeid of een uitkering zoals WW, WAO of bijstand als voornaamste inkomensbron, vormden samen 59 procent van de met werken gestopten. De binding met de arbeidsmarkt was bij beide groepen nog redelijk groot. Een deel zal wel degelijk werkzaam zijn geweest, maar minder dan 12 uur per week. Het inkomen uit deze kleine baan kan de belangrijkste bron van inkomen zijn geweest. Ook behoorden relatief veel mensen uit deze groepen tot de werkloze beroepsbevolking. Dat wil zeggen dat ze actief op zoek waren naar werk voor meer dan 12 uur per week en daarvoor ook op korte termijn beschikbaar waren. Een aantal van hen zal later in het jaar van de enquête weer een baan gevonden hebben. Ook op die manier kan inkomen uit arbeid toch de belangrijkste inkomensbron zijn geweest. Daarnaast is het mogelijk dat mensen in de loop van het jaar een eigen onderneming zijn gestart. 6. Belangrijkste bron van inkomen van mensen die in het jaar na het stoppen met werken geen deel uitmaken van de werkzame beroepsbevolking Pensioen WW, WAO, bijstand Overig Loon, onderneming Geen inkomen 11. Conclusies In de periode gingen jaarlijks ongeveer 6 duizend mensen met pensioen. Dit waren grotendeels autochtone mannen. De meest voorkomende leeftijd om met pensioen te gaan was 6 jaar. Dit gold zowel voor vrouwen als voor mannen. Vrouwen gingen relatief iets vaker met pensioen voor hun 6ste. Allochtonen gingen vaker op 6-jarige leeftijd of later met pensioen. Degenen die op hun 6ste of later met pensioen gingen, hadden gemiddeld een bijna 1 procent hoger inkomen dan degenen die eerder pensioneerden. Ook de hoogte van het inkomen van een eventuele partner was van invloed bij de beslissing om eerder of later met pensioen te gaan. Naast de gepensioneerden, zijn er ook mensen die welliswaar een baan hebben, maar tegelijkertijd ook een inkomen uit pensioen ontvangen. Het gaat hierbij waarschijnlijk om deeltijdpensioen. Dit verschijnsel vraagt om nader onderzoek. Mensen die de arbeidsmarkt verlaten, maar niet met pensioen gaan, zullen na verloop van tijd toch vaak in een situatie terecht komen waarbij hun belangrijkste bron van inkomen wordt gevormd door pensioen. Vervolgonderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de omvang en samenstelling van deze stromen. Technische toelichting In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van data uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB). De EBB wordt uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek met als doel het verstrekken van informatie over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Met de data van deze enquête kan de overgangsdatum van meer naar minder dan 12 uur betaald werk per week worden vastgesteld. Daartoe zijn de antwoorden op retrospectieve vragen over het stoppen met werken gebruikt. Op basis van de EBB zijn ook gegevens over achtergrondvariabelen als opleidingniveau te bepalen. Aan de EBB-data zijn vervolgens inkomensgegevens gekoppeld, die uit fiscale bronnen zijn afgeleid. Met deze inkomensdata is te bepalen wat de belangrijkste bron van inkomen is van degenen die gestopt zijn met werken. Sociaaleconomische trends, 3e kwartaal 27 57
5 Er is gewerkt met de gekoppelde EBB-inkomensbestanden van de jaren 22, 23 en 24. Op basis daarvan is vastgesteld of een persoon is gestopt met werken in respectievelijk de jaren 21, 22 en 23. De belangrijkste bron van inkomen is afgeleid uit het inkomen in het kalenderjaar na het stoppen met werken. Daarbij wordt gekeken naar de hoogte van de diverse inkomenscomponenten. Met de inkomensgegevens van het stopjaar zelf is niet vast te stellen wat de belangrijkste inkomensbron is na het stoppen, omdat het zeer wel mogelijk is dat bijvoorbeeld loon uit arbeid in het stopjaar de belangrijkste inkomensbron is. Dit zou het geval kunnen zijn als een persoon gedurende het grootste deel van het jaar nog heeft gewerkt. Literatuur Bierings, H., Imbens, H. en Bochove, C. van (1991) De definitie van de beroepsbevolking. Centraal Bureau voor de Statistiek, Heerlen/Voorburg. Centraal Bureau voor de Statistiek, Gemiddeld inkomen van personen. Statline publicatie, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (mr. A.J. de Geus), Stand van zaken m.b.t. de onderhandelingen tussen kabinet en sociale partners over VUT, prepensioen en levensloop. Betreft brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag, 3 mei 24. Riele te, S. (27), Een afbakening van het begrip met pensioen gaan. Centraal Bureau voor de Statistiek, Heerlen/ Voorburg. Noten in de tekst 1) Vergrijzing is momenteel een belangrijk onderwerp binnen beleid en onderzoek. Binnen het speerpunt Geïntegreerde informatievoorziening vergrijzing ontwikkelt en publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek statistieken over dit onderwerp. Het doel is om een samenhangende beschrijving te geven van de gevolgen van de toenemende vergrijzing. Het perspectief is hierbij zowel financieel-economisch als sociaaleconomisch. 2) Mensen die volgens de EBB behoren tot de werkzame beroepsbevolking en die ook pensioeninkomen (exclusief ANW) krijgen, kunnen met deeltijdpensioen zijn. Op basis van de gebruikte databronnen is dit echter niet met zekerheid te zeggen. De EBB-bepaling van het al dan niet behoren tot de beroepsbevolking is een momentopname. De inkomensgegevens handelen over een geheel kalenderjaar. Het is derhalve goed mogelijk dat iemand volledig met pensioen is gegaan, maar toch inkomen uit arbeid/onderneming heeft ontvangen, omdat hij of zij na de enquêtedatum met pensioen is gegaan. Als gekeken wordt naar de inkomensituatie van deze mogelijke deeltijdpensioengangers in het volgende jaar, blijkt nog maar twee derde inkomen uit arbeid/onderneming te hebben gehad. Ook van deze laatste groep is niet met zekerheid te zeggen of er sprake was van deeltijdpensioen. Een deel zal niet meer tot de werkzame beroepsbevolking behoord hebben, maar nog slechts actief zijn geweest in een baan van minder dan 12 uur per week. Ook zal een deel nog een volledige baan hebben gehad met daarnaast inkomen uit een koopsompolis. Dit laatste wordt gezien als een pensioeninkomen. Een gedegen onderzoek naar deeltijdpensioen zal gebruik moeten maken van inkomenbestanden op basis waarvan maandelijks de belangrijkste bron van inkomen bepaald kan worden. Daarnaast is het van belang om inkomen uit koopsompolissen te kunnen scheiden van overige pensioeninkomens. 58 Centraal Bureau voor de Statistiek
Uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking
Uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking Clemens Siermann en Henk-Jan Dirven De uitstroom van 50-plussers uit de werkzame beroepsbevolking is de laatste jaren toegenomen. Een kwart van deze
Afhankelijk van een uitkering in Nederland
Afhankelijk van een uitkering in Nederland Harry Bierings en Wim Bos In waren 1,6 miljoen huishoudens voor hun inkomen afhankelijk van een uitkering. Dit is ruim een vijfde van alle huishoudens in Nederland.
Pensioenaanspraken in beeld
Pensioenaanspraken in beeld Deel 1: aanspraken naar geslacht en burgerlijke staat Elisabeth Eenkhoorn, Annelie Hakkenes-Tuinman en Marije vandegrift bouwen minder pensioen op via een werkgever dan mannen.
10. Veel ouderen in de bijstand
10. Veel ouderen in de bijstand Niet-westerse allochtonen ontvangen 2,5 keer zo vaak een uitkering als autochtonen. Ze hebben het vaakst een bijstandsuitkering. Verder was eind 2002 bijna de helft van
Jongeren op de arbeidsmarkt
Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun partners
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun s Karin Hagoort en Maaike Hersevoort In 24 verdienden samenwonende of gehuwde vrouwen van 25 tot 55 jaar ongeveer de helft van wat hun s verdienden. Naarmate het
Artikelen. Arbeidsparticipatie van vrouwen: een vergelijking naar opleidingsniveau, leeftijd en herkomst
Artikelen Arbeidsparticipatie van vrouwen: een vergelijking naar opleidingsniveau, leeftijd en herkomst Martijn Souren en Jannes de Vries Onder laagopgeleide vrouwen is de bruto arbeidsparticipatie aanzienlijk
Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders
Veranderingen in arbeidsparticipatie van gescheiden moeders Suzanne Peek Gescheiden moeders stoppen twee keer zo vaak met werken dan niet gescheiden moeders. Ook beginnen ze vaker met werken. Wanneer er
8. Werken en werkloos zijn
8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,
Van eenverdiener naar tweeverdiener: de nieuwe norm?
Van verdiener naar tweeverdiener: de nieuwe norm? Lian Kösters en Linda Moonen Binnen de groep echtparen of samenwonenden tot 65 jaar is de laatste jaren met name het aantal tweeverdieners toegenomen.
Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald
7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van
Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen
nen geven veel vaker leiding dan vrouwen Astrid Visschers en Saskia te Riele In 27 gaf 14 procent van de werkzame beroepsbevolking leiding aan of meer personen. Dit aandeel is de afgelopen jaren vrijwel
Levensfasen van kinderen en het arbeidspatroon van ouders
Levensfasen van kinderen en het arbeidspatroon van ouders Martine Mol De geboorte van een heeft grote invloed op het arbeidspatroon van de vrouw. Veel vrouwen gaan na de geboorte van het minder werken.
Gebruik van kinderopvang
Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft
CBS-berichten: Veranderingen in de arbeidsparticipatie in Nederland sinds 1970
CBS-berichten: Veranderingen in de arbeidsparticipatie in Nederland sinds 1970 Lian Kösters, Paul den Boer en Bob Lodder* Inleiding In dit artikel wordt de arbeidsparticipatie in Nederland tussen 1970
Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt
s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging
12. Vaak een uitkering
12. Vaak een uitkering Eind 2001 hadden niet-westerse allochtonen naar verhouding 2,5 maal zo vaak een uitkering als autochtonen. De toename van de WW-uitkeringen in 2002 was bij niet-westerse allochtonen
Herintreders op de arbeidsmarkt
Herintreders op de arbeidsmarkt Sabine Lucassen Voor veel herintreders is het lang dat ze voor het laatst gewerkt hebben. Herintreders zijn vaak vrouwen in de leeftijd van 35 44 jaar en laag of middelbaar
Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Werkloosheid niet-westerse allochtonen nauwelijks toegenomen in 2005
Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-015 13 februari 2006 9.30 uur Werkloosheid niet-westerse allochtonen nauwelijks toegenomen in 2005 In 2005 is de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen
Met een startkwalificatie betere kansen op de arbeidsmarkt
Met een startkwalificatie betere kansen op de arbeidsmarkt Ingrid Beckers en Tanja Traag Van alle jongeren die in 24 niet meer op school zaten, had 6 procent een startkwalificatie, wat inhoudt dat ze minimaal
Meerdere keren zonder werk
Meerdere keren zonder werk Antoinette van Poeijer Ontvangers van een - of bijstandsuikering en ers worden gestimuleerd (weer) aan de slag te gaan. In veel gevallen is dat succesvol. Er zijn echter ook
CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren
CBS: Meer mensen aan het werk, vooral jongeren Het aantal mensen met een baan is de afgelopen drie maanden met gemiddeld 6 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren hadden vaker werk. De beroepsbevolking
Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013
Fact sheet nummer 9 juli 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Er zijn in Amsterdam bijna 135.000 jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar (januari 2013). Veel jongeren volgen een opleiding of
Jeugdwerkloosheid Amsterdam
Jeugdwerkloosheid Amsterdam 201-201 Factsheet maart 201 De afgelopen jaren heeft de gemeente Amsterdam fors ingezet op het terugdringen van de jeugdwerkloosheid. Nu de aanpak jeugdwerkloosheid is afgelopen
Verwachte baanvindduren werkloze 45-plussers
Sociaaleconomische trends 213 Verwachte baanvindduren werkloze 45-plussers Harry Bierings en Bart Loog juli 213, 2 CBS Centraal Bureau voor de Statistiek Sociaaleconomische trends, juli 213, 2 1 De afgelopen
Arbeidsdeelname van paren
Arbeidsdeelname van paren Johan van der Valk De combinatie van een voltijdbaan met een is het meest populair bij paren, met name bij paren boven de dertig. Ruim 4 procent van de paren combineerde in 24
Vrouwen op de arbeidsmarkt
op de arbeidsmarkt Johan van der Valk Annemarie Boelens De arbeidsdeelname van vrouwen lag in 23 op 55 procent. De arbeidsdeelname van vrouwen stijgt al jaren. Deze toename komt de laatste jaren bijna
Maandelijkse cijfers over de werkloze beroepsbevolking van het CBS en nietwerkende werkzoekenden van het UWV
16 februari 2012 Maandelijkse cijfers over de werkloze beroepsbevolking van het CBS en nietwerkende werkzoekenden van het UWV Samenvatting Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en UWV publiceren
Centraal Bureau voor de Statistiek. Maandelijkse cijfers over de werklozen en niet-werkende werkzoekenden van het CBS en UWV.
17 maart 2011 Maandelijkse cijfers over de werklozen en niet-werkende werkzoekenden van het CBS en UWV Samenvatting Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en UWV publiceren maandelijks in een gezamenlijk
Arbeidsmarktmobiliteit van ouderen
Arbeidsmarktmobiliteit van ouderen Jan-Willem Bruggink en Clemens Siermann Werkenden van 45 jaar of ouder zijn weinig mobiel op de arbeidsmarkt. Binnen deze groep neemt de mobiliteit af met het stijgen
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 729 Evaluatie Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Nr. 1 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2015 Fact sheet juni 20 De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar sterk gedaald. Van de 3.00 Amsterdamse jongeren in de leeftijd van 15
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2014
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2014 Fact sheet juni 2015 De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is voor het eerst sinds enkele jaren weer gedaald. Van de bijna 140.000 Amsterdamse jongeren
Langdurige werkloosheid in Nederland
Langdurige werkloosheid in Nederland Robert de Vries In 25 waren er 483 duizend werklozen. Hiervan waren er 23 duizend 42 procent langdurig werkloos. Langdurige werkloosheid komt vooral voor bij ouderen.
Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014
Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos
Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt
Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt 07 Arbeidsmarktmobiliteit geringer dan in voorgaande jaren Bijna miljoen mensen wisselen in 2008 van beroep of werkgever Afname werkzame door crisis
Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen
Mantelzorgers maken weinig gebruik van verlofregelingen Martijn Souren Ongeveer 7 procent van de werknemers met een verleent zelf mantelzorg. Ze maken daar slechts in beperkte mate gebruik van aanvullende
Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann
Overwerken in Nederland Ingrid Beckers en Clemens Siermann In 4 werkte 37 procent de werknemers in Nederland regelmatig over. Bijna een derde het overwerk is onbetaald. Overwerk komt het meeste voor onder
Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010
FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 20 Fact sheet april 20 De totale werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar vrijwel gelijk gebleven aan 2015. Van de 14.000 Amsterdamse jongeren
Stijgende arbeidsparticipatie en minder uittreding bij ouderen
Sociaaleconomische trends 13 Stijgende arbeidsparticipatie en minder uittreding bij ouderen Koos Arts Ferdy Otten oktober 13, 4 CBS Centraal Bureau voor de Statistiek Sociaaleconomische trends, oktober
De verdeling van arbeid en zorg tussen vaders en moeders
De verdeling van arbeid en zorg tussen vaders en moeders Marjolein Korvorst en Tanja Traag Het krijgen van kinderen dwingt ouders keuzes te maken over de combinatie van arbeid en zorg. In de meeste gezinnen
1 Inleiding. Wanneer ga jij met pensioen Versie: 4 17-07-2015 Pagina: 3 van 7
Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 AOW-gerechtigde leeftijd... 4 2.1 Algemeen... 4 2.2 Verhoging van 65 naar 67... 4 2.3 Verdere verhoging op basis van de levensverwachting... 4 3 Pensioenleeftijd... 6 3.1
Jongeren en ouderen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt
Jongeren en ouderen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt Harry Bierings en Robert de Vries Uit onderzoek blijkt dat jongeren van 15-24 jaar zonder startkwalificatie meer moeite hebben om een (vaste)
Uit huis gaan van jongeren
Arie de Graaf en Suzanne Loozen Jaarlijks verlaten bijna een kwart miljoen jongeren het ouderlijk huis. Een klein deel van hen is al vóór de achttiende verjaardag uit huis gegaan. De meeste jongeren gaan
Demografische levensloop van jongeren na het uit huis gaan
Carel Harmsen en Liesbeth Steenhof In dit artikel wordt de levensloop gevolgd van jongeren die in 1995 het ouderlijk huis hebben verlaten. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de verschillen tussen herkomstgroeperingen.
Achterblijvers in de bijstand
Achterblijvers in de Paula van der Brug, Mathilda Copinga en Maartje Rienstra Van de mensen die in 2001 in de kwamen, was 37 procent eind 2003 nog steeds afhankelijk van een suitkering. De helft van deze
Artikelen. De ongelijkheid van inkomens in Nederland. Marion van den Brakel-Hofmans. 2. Toename inkomensverschillen sinds 1977
De ongelijkheid van inkomens in Nederland Marion van den Brakel-Hofmans In 25 waren de inkomensverschillen onder de Nederlandse bevolking groter dan in 1977. Vooral in de tweede helft van de jaren tachtig
Centraal Bureau voor de Statistiek. Maandelijkse cijfers over de werklozen en niet-werkende werkzoekenden van het CBS en UWV WERKbedrijf.
9 juli 2010 Maandelijkse cijfers over de werklozen en niet-werkende werkzoekenden van het CBS en UWV WERKbedrijf Samenvatting Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en UWV publiceren maandelijks
Wisselingen tussen werkloosheid en nietberoepsbevolking
Wisselingen tussen werkloosheid en nietberoepsbevolking Ronald van Bekkum (UWV), Harry Bierings en Robert de Vries In arbeidsmarktbeleid en in statistieken van het CBS wordt een duidelijk onderscheid gemaakt
Wanneer ga jij met pensioen?
Wanneer ga jij met pensioen? Inhoudsopgave Inleiding... 3 1 AOW-gerechtigde leeftijd... 4 1.1 Algemeen... 4 1.2 Verhoging van 65 naar 67... 4 1.3 Verdere verhoging op basis van de levensverwachting...
Ouders op de arbeidsmarkt
Ouders op de arbeidsmarkt Ingrid Beckers en Johan van der Valk De bruto arbeidsparticipatie van alleenstaande s is sinds 1996 sterk toegenomen. Wel is de arbeidsparticipatie van paren nog steeds een stuk
Kortetermijnontwikkeling
Artikel, donderdag 22 september 2011 9:30 Arbeidsmarkt in vogelvlucht Het aantal banen van werknemers en het aantal openstaande vacatures stijgt licht. De loonontwikkeling is gematigd. De stijging van
Werktijden van de werkzame beroepsbevolking
Werktijden van de werkzame beroepsbevolking Ingrid Beckers Ruim de helft van de werkzame beroepsbevolking werkte in 22 op onregelmatige tijden. Werken in de avonduren en op zaterdag komt het meeste voor.
Meer of minder uren werken
Meer of minder uren werken Jannes de Vries Een op de zes mensen die minstens twaalf uur per week werken (de werkzame beroeps bevolking) wil meer of juist minder uur werken. Van hen heeft minder dan de
Staan werklozen ingeschreven als niet-werkende werkzoekenden? Sylvia de Vries, Sabine Lucassen, Johan van der Valk (CBS) en Anske Bouman (CWI)
Staan werklozen ingeschreven als niet-werkende werkzoekenden? Sylvia de Vries, Sabine Lucassen, Johan van der Valk (CBS) en Anske Bouman (CWI) Maandelijks publiceert het CBS gegevens over de werkloze beroepsbevolking
Factsheet Jongeren buiten beeld 2013
Factsheet Jongeren buiten beeld 2013 1. Aanleiding en afbakening Het ministerie van SZW heeft CBS gevraagd door het combineren van verschillende databestanden meer inzicht te geven in de omvang en kenmerken
Arbeidsgehandicapten in Nederland
en in Nederland Ingrid Beckers In 22 waren er in Nederland ruim anderhalf miljoen arbeidsgehandicapten. Dit komt overeen met 14,7 procent van de 15 64-jarigen. Het aandeel arbeidsgehandicapten is daarmee
CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen
CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen Het aantal mensen met werk is in de periode februari-april met gemiddeld 2 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren en 45-plussers gingen aan de slag.
Totaalbeeld arbeidsmarkt: werkloosheid in februari 6 procent
Arbeidsmarkt in vogelvlucht Gemiddeld over de afgelopen vier maanden is er een licht stijgende trend in de werkloosheid. Het aantal banen van werknemers stijgt licht en het aantal openstaande vacatures
Verzorgende beroepen psychisch en fysiek zwaar belastend
Verzorgende beroepen psychisch en fysiek zwaar belastend Lian Kösters In 27 gaf ruim een derde van de werkzame beroepsbevolking aan regelmatig te maken te hebben met een psychisch hoge werkdruk. Iets minder
Mantelzorgers op de arbeidsmarkt
ers op de arbeidsmarkt Jannes de Vries en Francis van der Mooren Een op de tien 25- tot 65-jarigen verleent zorg aan hun partner, een kind of een ouder. Vrouwen en 45- tot 55-jarigen zorgen vaker voor
Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond
Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond Inkomensverschillen tussen personen met en zonder migratieachtergrond inkomensverschil tussen 3- jarigen met en zonder migratieachtergrond (zonder/e achtergrond
Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Tempo vergrijzing loopt op
Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB10-083 17 december 2010 9.30 uur Tempo vergrijzing loopt op Komende 5 jaar half miljoen 65-plussers erbij Babyboomers leven jaren langer dan vooroorlogse
De arbeidsmarkt: crisistijd en trends
De arbeidsmarkt: crisistijd en trends 06 Werkzame beroepsbevolking krimpt tijdens crisis Arbeidsmarkt reageert vertraagd op conjunctuur Krimp vooral onder mannen en jongeren Daling flexwerkers snel voorbij
Grote dynamiek in kleinschalig ondernemerschap
Grote dynamiek in kleinschalig ondernemerschap J. Mevissen, L. Heuts en H. van Leenen SAMENVATTING Achtergrond van het onderzoek Het verschijnsel zelfstandige zonder personeel (zzp er) spreekt tot de verbeelding.
Inhoudsopgave. ABP Statistische informatie deelnemerspopulatie Verdeling werkzame Nederlandse beroepsbevolking en ABP-deelnemers 2
Inhoudsopgave Verdeling werkzame Nederlandse beroepsbevolking en ABP-deelnemers 2 Verloop van de deelnemerspopulatie 3 Index van het aantal personen 4 Leeftijdsverdeling deelnemers 5 Verloop van de deelnemers
Einde in zicht voor de VUT
Einde in zicht voor de VUT 11 0 Drs. J.L. Gebraad en mw. T.R. Pfaff Publicatiedatum CBS-website: 1 september 2011 Den Haag/Heerlen Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer ** =
Vrijwilligerswerk onder werkenden en niet-werkenden
Vrijwilligerswerk onder werkenden en niet-werkenden Koos Arts en Saskia te Riele In 29 deed ruim 22 procent van de volwassenen vrijwilligerswerk voor een organisatie of vereniging. Niet-werkenden deden
