ECLI:NL:GHDHA:2017:826
|
|
|
- Vera Dekker
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ECLI:NL:GHDHA:2017:826 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie BK-16/00407 Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:9030, Bekrachtiging/bevestiging Belastingrecht Hoger beroep Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de onder 4.4 bedoelde aanslag leges terecht is opgelegd. (Omgevingsvergunning). Vindplaatsen Rechtspraak.nl FutD Uitspraak GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-16/00407 Uitspraak d.d. 21 maart 2017 in het geding tussen: [X] te [Z], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de Heffingsambtenaar, op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2016, nummer SGR 16/704, betreffende na te vermelden aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg
2 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 3 juli 2015 een aanslag leges opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van een op 29 januari 2015 ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2015 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag van 3 juli 2015 vernietigd, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van 46 gelast. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Heffingsambtenaar is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 februari 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Verordening 3.1. De raad van de gemeente [Y] heeft in zijn openbare vergadering van 4 november 2014 de Verordening op de heffing en invordering van leges 2015 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt Voor zover thans van belang luidt de tekst van de Verordening als volgt: Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam leges worden rechten geheven voor: a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; ( ) een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven
3 1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overige in dit artikel bepaalde. ( ) 3.3. Voor zover thans van belang luidt de tekst van de Tarieventabel als volgt: ( ) 2.3 Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om ( ) een omgevingsvergunning: De som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra [toetsen, Hof] die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd Bouwactiviteiten Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief 1,47% van de bouwkosten met een minimum van 310,00. Vaststaande feiten In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: Belanghebbende heeft met haar woonark een ligplaats op het adres [A] te [Z]. Een toezichthouder van de gemeente [Y] heeft op 8 oktober 2012 geconstateerd dat op dit adres bouwactiviteiten plaatsvonden. Belanghebbende heeft op 22 november 2012 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel geheel vervangen van een woonark ingediend, waarbij belanghebbende tevens ontheffing voor de hoogte van de woonark heeft aangevraagd. Op 3 januari 2013 heeft belanghebbende, in aanvulling op de aanvraag, een aangepaste bouwtekening ingediend waarin een hoogte van de woonark van 3,8 meter is vermeld Bij brief van 16 januari 2013 heeft het college van Burgemeester en Wethouders bericht dat vervanging van de woonark vergunningsvrij was voor wat betreft de activiteit bouwen, maar dat wel in strijd met het bestemmingsplan werd gehandeld in verband met de hoogte van de woonark Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college van Burgemeester en Wethouders belanghebbende wegens strijdigheid met het bestemmingsplan, gelast binnen zes weken na verzending van het besluit de met het bestemmingsplan strijdige woonark te verlagen tot een daarin specifiek genoemde hoogte of deze te verwijderen op straffe van een dwangsom van ineens Met dagtekening 21 januari 2013 is aan belanghebbende een aanslag leges ten bedrage van 146 opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van de onder bedoelde aanvraag, met
4 daarop de omschrijving Omgevingsvergunningsvrij, grondslag: vast bedrag Op 10 december 2014 heeft tussen belanghebbende, haar gemachtigde en een drietal vertegenwoordigers van de gemeente [Y], waaronder een wethouder, overleg plaatsgevonden. In het verslag van dit overleg, dat op 18 december 2014 aan de gemachtigde van belanghebbende is gezonden, is onder meer het volgende opgenomen: ( ) Conclusie naar aanleiding van het verloop van de zaak en het gesprek Het initiatief om tot een oplossing te komen is de verantwoordelijkheid van mevrouw [X]. De gemeente heeft meerdere malen aangegeven dat uit ambtelijke toetsing naar voren is gekomen dat medewerking verleend kan worden aan een maximale hoogte van 3,45 meter. Ten aanzien van het verruimen van de breedte is aangegeven dat hierin geen haalbare mogelijkheid wordt gezien. Gelet op het vorenstaande verzoeken wij mevrouw [X] dan ook om uiterlijk 2 februari 2015 een definitieve en volledige aanvraag om een omgevingsvergunning bij ons in te dienen, voor de realisatie van de woonark binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. ( ). Indien wij niet/niet tijdig een uitgewerkte optie ontvangen, dan zullen wij ons beraden over nadere bestuursrechtelijke maatregelen. ( ) 4.3. Naar aanleiding van voornoemd overleg heeft belanghebbende op 3 februari 2015 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel geheel vervangen van dezelfde woonark voor een hoogte van 3,45 meter ingediend Met dagtekening 3 juli 2015 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag leges ten bedrage van 3.672,98 opgelegd ter zake van het in behandeling nemen van de onder 4.3. bedoelde aanvraag. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 5.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de onder 4.4 bedoelde aanslag leges terecht is opgelegd, zoals de Heffingsambtenaar stelt en belanghebbende betwist Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 6.1. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de onder 4.4 bedoelde aanslag Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het hoger beroep.
5 Oordeel van de Rechtbank 7. De Rechtbank heeft het volgende overwogen: 8. Met het beroep tegen de beslissing op [bezwaar, Hof] ten aanzien van de in 2012 door [belanghebbende] ingediende aanvraag beoogde [belanghebbende] een omgevingsvergunning te krijgen voor een woonark met een hoogte van 3,80 meter. Voordat de rechtbank op dit beroep had beslist, heeft zij bij wijze van compromis alsnog een aanvraag ingediend voor een bouwhoogte van 3,45 meter, waarop de gemeente in juni 2015 positief heeft beslist. Haar beroep is vervolgens wegens het niet meer aanwezig zijn van een belang door de rechtbank in november 2015 niet ontvankelijk verklaard, omdat de verleende vergunning ziet op dezelfde woonark op hetzelfde perceel. 9. Wat er zij van de kennelijk door [belanghebbende] ingevulde aanvraag omgevingsvergunning van 29 januari 2015, die overigens door [de Heffingsambtenaar] niet is overgelegd, deze aanvraag kan niet als losstaand van die in 2012 worden beschouwd en moet gezien het compromis materieel worden aangemerkt als een wijziging van die aanvraag. Voor legesheffing vanwege het in behandeling van deze aanvraag is dan geen aanleiding. [Belanghebbende] heeft immers al leges voldaan voor de oorspronkelijk ingediende aanvraag. De aanslag van 3 juli 2015 had niet mogen worden opgelegd. Het beroep is gegrond. Beoordeling van het hoger beroep 8.1. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar, desgevraagd, verklaard dat bij de beoordeling van de aanvraag van 22 november 2012 de bouw dan wel vervanging van de woonark abusievelijk als vergunningsvrij is aangemerkt, dat daarbij abusievelijk geen bouwactiviteiten zijn onderkend, en dat daardoor de met dagtekening 21 januari 2013 opgelegde aanslag naar een onjuiste heffingsmaatstaf en daarmee naar een te laag bedrag is opgelegd. Voorts heeft hij, desgevraagd, verklaard dat de aanvraag van 22 november 2012 en de aanvraag van 3 februari 2015 in wezen dezelfde bouwaanvragen zijn. Naar de Heffingsambtenaar ter zitting heeft gesteld, is het enige verschil tussen de aanvragen de hoogte van de woonark en het feit dat in eerste instantie door de Heffingsambtenaar niet is onderkend dat de situering van de woonark moest worden aangepast doordat het aanduidingsvlak van de woonark op het bestemmingsplan niet juist was, en dit het slaan van een damwand in het talud bij de woonark noodzakelijk maakte Gelet op de stukken van het geding en hetgeen door partijen daaraan ter zitting is toegevoegd, in het bijzonder het onder 8.1 vermelde, kan niet anders worden geoordeeld dan dat de aanvraag van 3 februari 2015 dezelfde bouwactiviteit betrof als de aanvraag van 22 november De omstandigheid dat tussen beide aanvragen verschil bestaat in de opgegeven hoogte van de woonark en het feit dat de Heffingsambtenaar bij de eerste aanvraag abusievelijk niet heeft onderkend dat sprake was van bouwactiviteiten, maakt niet dat de aanvraag van 3 februari 2015 ziet op een andere bouwactiviteit dan die van 22 november Uit de systematiek van de Tarieventabel leidt het Hof af dat een aanvraag voor afwijking van het bestemmingsplan opgaat in de aanvraag van de bouwactiviteit. Nu ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van 22 november 2012 reeds met dagtekening 21 januari 2013 leges zijn geheven, had de aanslag leges met dagtekening 3 juli 2015 niet mogen worden opgelegd. De bouwactiviteit is immers reeds in de legesheffing betrokken. Dat de Heffingsambtenaar de aanslag leges met dagtekening 21 januari 2013 abusievelijk tot een te laag bedrag heeft vastgesteld door het niet onderkennen van bouwactiviteiten, doet hier niet aan af. Voor zover de Heffingsambtenaar stelt dat het slaan van een damwand leidt tot een andere bouwactiviteit en een verplichting tot het doen van een nieuwe aanvraag kan het Hof hem daarin niet volgen. Vaststaat immers dat de
6 Heffingsambtenaar in de maatstaf van heffing van de onderhavige legesnota niet de kosten van het slaan van een damwand heeft betrokken Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is derhalve ongegrond. Proceskosten en griffierecht 9.1. In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van een verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, derhalve 2 punten à 495 x 1,5 gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Heffingsambtenaar een griffierecht geheven van 503. Beslissing Het Gerechtshof: - bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en - veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. E.J. Nederveen en D.W. van der Voort. De beslissing is op 21 maart 2017 in het openbaar uitgesproken. Van de Heffingsambtenaar wordt ter zake van het hoger beroep een griffierecht geheven van 503. aangetekend aan partijen verzonden:
7 Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - - de naam en het adres van de indiener; - - de dagtekening; - - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:GHDHA:2017:1341
ECLI:NL:GHDHA:2017:1341 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 10-05-2017 Datum publicatie 17-05-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie BK-16/00396
ECLI:NL:GHARL:2017:9611
ECLI:NL:GHARL:2017:9611 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 07-11-2017 Datum publicatie 10-11-2017 Zaaknummer 16/01141 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3790, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHARL:2017:4777
ECLI:NL:GHARL:2017:4777 Instantie Datum uitspraak 07-06-2017 Datum publicatie 16-06-2017 Zaaknummer 16/00619 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHAMS:2017:789 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 16/00218
ECLI:NL:GHAMS:2017:789 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 14-03-2017 Datum publicatie 22-03-2017 Zaaknummer 16/00218 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Hoger
2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
io~oo6zz hop uitspraak GERECHTSHOF 's-gravenhage Sector belasting Nummer BK-08/00456 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. S januari 2010 op het hoger beroep van de Inspecteur, de voorzitter
ECLI:NL:GHSHE:2015:1379
ECLI:NL:GHSHE:2015:1379 Instantie Datum uitspraak 17-04-2015 Datum publicatie 17-04-2015 Zaaknummer 14/01065 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/01077 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van drs.
pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak
Waardering stamrechtverplichting met inachtneming van rekenrente van 4%
Waardering stamrechtverplichting met inachtneming van rekenrente van 4% ECLI:NL:GHDHA:2015:1984 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 16-06-2015 Datum publicatie 15-07-2015 Zaaknummer Formele
ECLI:NL:GHARL:2017:634
ECLI:NL:GHARL:2017:634 Instantie Datum uitspraak 31-01-2017 Datum publicatie 10-02-2017 Zaaknummer 15/01571 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHDHA:2016:1495
ECLI:NL:GHDHA:2016:1495 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 26-04-2016 Datum publicatie 26-05-2016 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie BK-15/01072
ECLI:NL:RBZWB:2017:3691
ECLI:NL:RBZWB:2017:3691 Instantie Datum uitspraak 15-06-2017 Datum publicatie 20-07-2017 Rechtbank Zeeland-West-Brabant Zaaknummer AWB - 16 _ 2238 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amersfoort (hierna: de Inspecteur)
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 14/000542 uitspraakdatum: 27 januari 2015 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van
Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond.
Nu premies AOV zijn afgetrokken vormen uitkeringen belastbare periodieke uitkeringen uit inkomensvoorziening (art. 3.100, lid 1, ond. b) LJN: BX8102, Gerechtshof 's-gravenhage, BK-10/00754 en 10/00233
Gerechtshof Den Haag 13-01-2016 20-01-2016 BK-15_00463. Belastingrecht. Hoger beroep. Rechtspraak.nl FutD 2016-0219
ECLI:NL:GHDHA:2016:62 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof Den Haag 13-01-2016 20-01-2016 BK-15_00463
ECLI:NL:GHSHE:2016:2327
ECLI:NL:GHSHE:2016:2327 Instantie Datum uitspraak 10-06-2016 Datum publicatie 09-11-2016 Zaaknummer 15/00135 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch Belastingrecht
Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg
Uitspraak GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-13/00338 Uitspraak van 3 januari 2014 in het geding tussen: [X], wonende te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst/
ECLI:NL:GHAMS:2017:2886 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 16/00546
ECLI:NL:GHAMS:2017:2886 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 13-07-2017 Datum publicatie 09-08-2017 Zaaknummer 16/00546 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Hoger
ECLI:NL:GHAMS:2016:2024 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 15/00637
ECLI:NL:GHAMS:2016:2024 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 19-05-2016 Datum publicatie 01-06-2016 Zaaknummer 15/00637 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Hoger
tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen
Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak
