Bijstandsbudget 2017 Almere
|
|
|
- Hans Christiaens
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Bijstandsbudget 2017 Almere Onderzoek naar de effecten van het verdeelmodel en maatregelen om de bijstandsdichtheid te verminderen Martin Heekelaar Wouter Verbeek Johannes ten Hoor 24 maart
2 Bijstandsbudget 2017 Almere Onderzoek naar de effecten van het verdeelmodel en maatregelen om de bijstandsdichtheid te verminderen Inhoud Pagina 1. Inleiding en omschrijving van het objectief verdeelmodel Doel van de budgettering Financieringssystematiek Nieuw verdeelmodel Aanpassingen verdeelmodel Volumecomponent en prijscomponent Leeswijzer 4 2. Uitkomsten van de verdeling voor de gemeente Almere Meerjarige uitkomsten Almere Gemeentelijk aandeel Onderbouwing budgetdaling Uitkomst van de objectieve verdeling voor Almere Conclusie 8 3. Volumecomponent Oordeel onafhankelijke experts Herverdeling tussen gemeenten Relatie tussen het werkelijke volume en het berekende volume Regressieresultaten Samenstelling van het berekende volume Conclusie Prijscomponent Rechtvaardige uitkomst? Herverdeling van grotere naar kleinere gemeenten Relatie tussen werkelijke prijs en prijscomponent in het verdeelmodel Regressieresultaten Rekentool Conclusie
3 5. Beoordeling verdeelmodel Knoppen Inleiding Uitkomsten benchmark Almere Wat kan Almere om de prestaties te verbeteren? 30 Bijlage: benchmark vorderingen
4 1. Inleiding en omschrijving van het objectief verdeelmodel Voor het betalen van de bijstandsuitkeringen ontvangen gemeenten jaarlijks een budget van de rijksoverheid, het zogenaamde bijstandsbudget. Elk jaar worden eind september de voorlopige bijstandsbudgetten voor het komende begrotingsjaar bekend gemaakt. In september van het lopende begrotingsjaar wordt het budget voor dat jaar definitief vastgesteld. 30 September jongstleden zijn de (voorlopige) bijstandsbudgetten voor 2017 bekend gemaakt. In 2017 is voor Almere ten opzichte van 2016 sprake van een forse vermindering van het budget met 7,4 mln 1. Deze vermindering kwam onverwacht en leidde tot de vraag waar deze door werd veroorzaakt. De informatie die door het ministerie van SZW werd verstrekt gaf daarop onvoldoende antwoord. Als gevolg hiervan is het budget in 2017 lager dan de verwachte uitgaven. Dat stelt de gemeente Almere voor de vraag hoe hiermee om te gaan. Dat was aanleiding voor de gemeente Almere om de werking van het verdeelmodel nader te onderzoeken en na te gaan wat de oorzaak is van de vermindering van het budget en tegelijkertijd welke maatregelen kunnen worden genomen om het verwachte tekort in 2017 omlaag te brengen. De gemeente Almere verstrekte Berenschot de volgende opdracht: Onderzoek de financiële effecten van het nieuwe verdeelmodel voor de bijstand voor de gemeente Almere. Ga daarbij het volgende na: 1. Geef een oordeel over de hoogte van het gemeentelijk aandeel in het landelijk bijstandsbudget. 2. Ga na hoe en in welke mate de toegepaste verdeelkenmerken van invloed zijn op het bijstandsbudget voor Almere en of er voor Almere belangrijke factoren in het model ontbreken. 3. Welke knoppen heeft de gemeente om het saldo op het bijstandsbudget (budget minus uitgaven) te beïnvloeden? Hierna geven we eerst een algemene beschrijving van de budgetteringssystematiek. We beginnen met het doel van de budgettering. Vervolgens gaan we in op de financieringssystematiek. Daarna beschrijven we de vernieuwingen die in de afgelopen jaren zijn doorgevoerd in de verdeling. Tot slot maken we een verdiepingsslag waarin we de verdeling uitsplitsen in een volumecomponent en een prijscomponent. 1 Op 18 april 2017 zijn de nader voorlopige budgetten bekend gemaakt. Het macrobudget gaat omhoog, waardoor het budget voor de gemeente Almere in 2017 stijgt van 7,927 mln naar 7,964 mln. Deze aanpassing is niet in deze rapportage verwerkt. Het verandert de conclusies in deze rapportage niet
5 1.1 Doel van de budgettering Gemeenten zijn belast met het toekennen van algemene bijstand en van diverse andere uitkeringen op grond van de Participatiewet. Gemeenten ontvangen voor het betalen van deze uitkeringen een budget waarvan de hoogte niet door de gemeente zelf kan worden beïnvloed. De bijstand is sinds 2004 gebudgetteerd. Voorheen konden gemeenten de betaalde bijstandsuitkeringen grotendeels declareren bij het Rijk. Doel van de budgettering is dat gemeenten geprikkeld worden om hun uitgaven zo laag mogelijk te houden. Gemeenten die door goed beleid weinig mensen in de bijstand hebben en lage bijstandslasten hebben, zouden geld moeten overhouden. Gemeenten die minder presteren, realiseren lagere besparingen of hebben zelfs tekorten op hun bijstandsbudget. 1.2 Financieringssystematiek Voor een effectieve prikkelwerking is het van belang dat gemeenten niet in staat zijn om het budget zelf te beïnvloeden. Het budget mag ook niet meegolven met veranderingen in de bijstandsuitgaven als gevolg van beleid en/of uitvoering. Want dan zouden goede prestaties niet worden beloond en slechte prestaties niet worden afgestraft. Tegelijkertijd moet het budget voldoende hoog zijn om de onvermijdelijke (niet door beleid en/of uitvoering te reduceren) bijstandsuitgaven te financieren. Daarvoor is de volgende financieringssystematiek ontwikkeld: Eerst wordt het macrobudget bepaald. Uitgangspunt is dat het macrobudget toereikend is voor de geraamde bijstandsuitgaven van alle gemeenten (Participatiewet artikel 69 lid 2). Het budget wordt jaarlijks bepaald op basis van de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB). Vervolgens wordt het budget verdeeld over de gemeenten. Met het oog op de prikkelwerking vindt de verdeling zoveel mogelijk plaats op basis van objectieve (= niet door de gemeenten te beïnvloeden) factoren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de sociaal-economische omstandigheden, opleidingsniveau van de bevolking en het aantal minderheden. Omdat het voor kleinere gemeenten niet lukt om op basis van objectieve factoren een passend verdeelmodel te schatten, wordt het budget, voor gemeenten met minder dan inwoners geheel en met minder dan inwoners gedeeltelijk, vastgesteld op basis van het historisch aandeel in de uitgaven. Vangnet: gemeenten met een groot tekort op hun budget, kunnen onder voorwaarden (gedeeltelijke) compensatie krijgen. Voorwaarde is bijvoorbeeld dat door de gemeente tekortreducerende maatregelen zijn genomen en dat deze zijn besproken met de gemeenteraad. Het tekort is gemaximeerd op 8,75% van het beschikbare budget. Er moet rekening mee worden gehouden dat het percentage vanaf 2018 wordt verhoogd. 1.3 Nieuw verdeelmodel In 2015 werd een nieuw verdeelmodel geïntroduceerd. In de periode werd op basis van gemeentespecifieke factoren per gemeente het aandeel in het bijstandsbudget bepaald. Vanaf
6 2015 wordt per huishouden de kans op bijstand bepaald. Op basis daarvan wordt per gemeente het aantal huishoudens met bijstand voorspeld en vervolgens het bijstandsbudget per gemeente. Er bestonden echter bezwaren tegen de modellen 2015 en 2016 In model 2017 is grotendeels aan deze bezwaren tegemoet gekomen. Het belangrijkste bezwaar was dat in de vorige modellen gebruik gemaakt werd van steekproefgegevens op basis van de Enquête beroepsbevolking (EBB). Steekproefgegevens hebben geen betrekking op de volledige populatie, maar zijn wel (zoveel mogelijk) representatief voor de volledige populatie. In model 2017 wordt gebruik gemaakt van integrale data. Bij integrale data wordt gebruik gemaakt van de gegevens die in allerlei (administratieve) registers beschikbaar zijn voor alle inwoners in Nederland. Het gebruik van integrale data leidt tot betrouwbaardere uitkomsten dan het gebruik van steekproefgegevens. Daarnaast wordt in model 2017 onder andere een meer verfijnde set indicatoren gehanteerd, waarbij het aantal leeftijdscategorieën en het aantal landen van herkomst is uitgebreid. 1.4 Aanpassingen verdeelmodel 2017 De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurt-niveau. Hiermee wordt de kans op bijstand voor een huishouden ingeschat. Het verdeelmodel 2017 is verbeterd ten opzichte van vorig jaar. Het in 2015 geïntroduceerde verdeelmodel maakt gebruik van data uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Het gebruik van enquêtedata brengt echter belangrijke nadelen met zich mee. Deze nadelen hebben mede op aandringen van gemeenten, ertoe geleid dat wordt overgestapt op integrale gegevensbestanden van het CBS (harde gegevens die voor alle huishoudens beschikbaar zijn in de bestanden van CBS). Daarnaast is opnieuw bekeken welke factoren deel dienen uit te maken van het verdeelmodel. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de theoretische onderbouwing van de toegepaste indicatoren, waarbij gekeken is of er een logische en inhoudelijke relatie bestaat tussen de toegepaste variabelen en de hoogte van het aantal bijstandsgerechtigden. In het model wordt onder meer gekeken naar leeftijd, gezinssituatie en afkomst. Alleenstaande moeders met een kind tot vijf jaar hebben bijvoorbeeld een grotere kans op bijstand dan veel anderen. Ook wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van banen in de regio en zaken als opleidingsniveau, arbeidsverleden en gebruik GGZ-zorg en medicijngebruik. 1.5 Volumecomponent en prijscomponent Het hiervoor genoemde niet-lineaire logitmodel is feitelijk een model voor het berekenen van de verwachte bijstandsvolumes. Voor het bepalen van de budgetten moet naast het volume ook een prijscomponent worden toegepast. Het verdeelmodel voor het volume, dat door SEO is ontwikkeld, berekent per huishouden de bijstandskans. Op basis daarvan kunnen per gemeente de verwachte aantallen
7 bijstandsgerechtigden verbijzonderd naar de verschillende huishoudtypes worden berekend (volumecomponent). Als per gemeente de verwachte aantallen huishoudens met bijstand zijn berekend, wordt per huishoudtype nagegaan wat de bijbehorende bruto bijstandsbedragen zijn (prijscomponent). Deze bruto bijstandsbedragen zijn afgeleid van de netto bijstandsbedragen zoals deze in juni voorafgaand aan het uitvoeringsjaar per ministeriële regeling bekend zijn gemaakt. De bruto bijstandsbedragen zijn afhankelijk van het type huishouden en het aantal huishoudleden (de kostendelersnorm). Zodra de volumecomponent en de prijscomponent zijn bepaald worden de corresponderende huishoudtypes met de bijbehorende bijstandsbedragen met elkaar vermenigvuldigd. De daaruit resulterende bedragen worden per gemeente bij elkaar opgeteld. Dat vormt de zogenoemde objectieve grondslag. Het aandeel van het bedrag van een individuele gemeente in het totaalbedrag van alle gemeenten vormt het aandeel in het objectief te verdelen deel van het macrobudget. Voorbeeld Ter illustratie van de berekening van het bijstandsbudget per gemeente, het volgende gestileerde voorbeeld. We hebben een land met twee gemeenten: gemeente A en gemeente B. Het objectief verdeelmodel berekent voor gemeente A 50 alleenstaanden en 20 paren in de bijstand (in totaal 90 bijstandsgerechtigden). Voor gemeente B zijn deze aantallen respectievelijk 40 en 80 (120 bijstandsgerechtigden). De landelijk vastgestelde bijstandsnormen bedragen 700 geldeenheden per alleenstaande en 1000 geldeenheden voor een (echt)paar. Vermenigvuldiging van deze bijstandsnormen met de bijbehorende aantallen en sommatie per gemeente, leidt tot het objectieve basisbedrag per gemeente. Het aandeel van deze bedragen in het totaal (55/163 en 108/163) leidt tot de objectieve aandelen in het macrobudet: 34% respectievelijk 66%. Uitgaand van een beschikbaar macrobudget van geldeenheden, leidt dit tot een objectief berekend budget van voor gemeente A en voor gemeente B. 1.6 Leeswijzer Alleenstaand Paar Objectieve basis Objectief aandeel Budget Bijstandsnorm Gemeente A % Gemeente B % Macro % Hierna gaan we eerst in op de consequenties van de nieuwe verdeling voor de gemeente Almere. Daarna volgt een verdieping, waarbij we de consequenties uitsplitsen in een volumecomponent en een prijs component. Vervolgens geven wij ons oordeel over de werking van het verdeelmodel voor de gemeente Almere. Tot slot volgt het hoofdstuk met de knoppen waaraan de gemeente Almere kan draaien om de bijstandsafhankelijkheid en in het bijzonder de bijstandsuitgaven omlaag te brengen
8 2. Uitkomsten van de verdeling voor de gemeente Almere In dit hoofdstuk onderzoeken we de budgetten van de gemeenten Almere. We gaan na hoe de budgetten en de budgetaandelen (in het landelijk totaal) zich over de afgelopen jaren hebben ontwikkeld en hoe die zich verhouden ten opzichte van de uitgaven en de uitgavenaandelen. We gaan na welke factoren in 2017 hebben geleid tot de vermindering van het bijstandsbudget. Tot slot onderzoeken we de effecten van het toegepaste objectief verdeelmodel en splitsen die uit in de prijscomponent en de volumecomponent. 2.1 Meerjarige uitkomsten Almere In de volgende grafiek zetten we de netto bijstandsuitgaven (= de totale bijstandsuitgaven gesaldeerd met terugontvangsten) voor Almere af tegen de bijstandsbudgetten sinds de invoering van de budgettering (2004) 2. We zien een wisselend beeld van overschotten en tekorten. De tekorten in 2010 en 2011 waren vooral het gevolg van een tekortschietend macrobudget. In de periode is sprake van een positief saldo. Het positieve saldo van +3,0 mln in 2016 slaat om in een verwacht negatief saldo van -7,0 mln in Uit de grafiek blijkt dat dat komt door een stijging van de (verwachte) uitgaven met 2,7 mln en een daling van het bijstandsbudget 7,4 mln. 22 Eventuele (gedeeltelijke) compensaties als gevolg van allerlei vangnetten houden we hier buiten beschouwing
9 2.2 Gemeentelijk aandeel Om na te gaan hoe het verdeelmodel over de jaren heen heeft uitgepakt voor de gemeente Almere en hoe het budgetaandeel in 2017 eruit ziet in historisch perspectief, kijken we naar het gemeentelijk aandeel in het macrobudget, het aandeel in de landelijke uitgaven en het aandeel in het volume. Het voordeel hiervan is dat de gevolgen van de verdeling in beeld worden gebracht, geschoond voor de invloed van het macrobudget. We kijken aldusalleen nog naar de verdeling. Hieruit leiden we af dat het aandeel van de gemeente Almere in het totale bijstandsbudget in 2017 fors omlaag is gegaan en dat het, zoals hiervoor al bleek doordat het budget als gevolg van de verdeling met 10,1 mln omlaag ging, onder het niveau komt van het aandeel in de totale bijstandsuitgaven in Tegelijkertijd zien we ook dat het budgetaandeel zich niet op een historisch laag niveau bevindt en ook ten opzichte van het historisch uitgavenaandeel bevindt het budgetaandeel zich niet op een extreem laag niveau. Tot en met 2010 lagen de bijstandsuitgaven op een relatief lager niveau dan het budgetaandeel vanaf Met name in 2010 en 2011 zien we dat de bijstandsuitgaven relatief sterk zijn gestegen. Daarna gaan de uitgaven geleidelijk omlaag. Het bijstandsaandeel lag in de periode op een relatief hoog niveau. 2.1 Onderbouwing budgetdaling 2017 We zagen eerder dat het budget in 2017 fors omlaag ging. We gaan na welke factoren hebben geleid tot deze daling en in het bijzonder wat het aandeel daarin was van het nieuwe verdeelmodel. In de volgende tabel splitsen wij de vermindering van het budget op in de gevolgen van de nieuwe verdeling, de verandering in het macrobudget en de invloed van het overgangsregime Het overgangsregime geldt voor de periode In 2015 en 2016 worden de gemeentelijke budgetten voor 50% op basis van het model vastgesteld en voor 50% op basis van de uitgaven in het verleden. In
10 Budget 2016 (mln ) 86,7 Verdeling -10,1 Macrobudget +1,8 Overgangsregime +0,9 Budget 2017 (mln ) 79,3 Hieruit blijkt dat het nieuwe verdeelmodel 2017 voor Almere leidt tot een vermindering van het budget met 10,1 mln. Deze daling wordt gedempt door een verhoging van het macrobudget. Dat leidt in 2017 tot 1,8 mln extra. Daarnaast is sprake van demping door het overgangsregime, waarbij het budget in 2017 voor 25% nog wordt verdeeld op basis van de historische uitgaven Uitkomst van de objectieve verdeling voor Almere Een veel gebruikte maatstaf voor de beoordeling van de verdelende werking van het objectief verdeelmodel is het herverdeeleffect 6. We zijn nagegaan wat het herverdeeleffect is van het objectief verdeelmodel voor de gemeente Almere (dus zonder het overgangsregime), Het herverdeeleffect is gelijk aan 4,4% negatief ( 3,7 mln negatief). Zoals hiervoor is aangegeven, heeft het de door het ministerie gehanteerde prijssystematiek, waarbij de bijstandsnormen worden toegepast, effect op de hoogte van het herverdeeleffect. We kunnen dit prijseffect ook wegnemen door niet uit te gaan van de bijstandsnormen, maar door uit te gaan van de historische (= werkelijke) prijs van Almere. Als we de budgetten opnieuw berekenen, waarbij niet wordt uitgegaan van de bijstansnormen, maar van de historissche prijs, dan is het herverdeeleffect gelijk aan 0,6% negatief ( 0,5 mln negatief). Met andere woorden, toepassing van de bijstandsnormen in plaats van de historische prijs leidt voor Almere in 2017 tot een verwacht nadeel van 3,8% (4,4% minus 0,6% = 3,2 mln negatief). wordt 75% van het gemeentelijk budget op basis van het model berekend, en voor 25% op basis van de uitgaven in het verleden. Vanaf 2018 wordt het budget geheel op basis van het model berekend. 4 Bronnen: Specificatie voorlopige budgetten 2017 voor grote gemeenten, ministerie van SZW, oktober 2016; Budgetoverzicht vanaf 2004, september 2016; bewerking Berenschot 5 Het overgangsregime wordt toegepast sinds de invoering van het nieuwe verdeelmodel in 2015 en loopt af in Het herverdeeleffect is een algemeen geaccepteerde indicator voor de beoordeling van de verdelende werking van het verdeelmodel. Het geeft en indicatie van het te verwachten overschot of tekort van de betreffende gemeente. Het herverdeeleffect is het verschil tussen het objectief berekende aandeel voor jaar t en het historisch aandeel in jaar t-1 gedeeld door het historisch aandeel in jaar t. Voor budgetjaar 2017 gaat het om het verschil tussen het objectief bepaalde aandeel voor 2017 en het historisch aandeel in 2015 gedeeld door het historisch aandeel in
11 2.3 Conclusie De bijstandsuitgaven en het bijstandsbudget in de gemeente Almere zijn erg beweeglijk. Almere had in de afgelopen jaren zowel grote tekorten als grote overschotten op het bijstandsbudget. Het bijstandsbudget is in 2017 fors omlaag gegaan. Als we dit in historisch perspectief plaatsen, is het aandeel in het macrobudget in 2017 niet opvallend laag. Probleem lijkt nu dat de bijstandsuitgaven vanaf 2016 omhoog lijken te gaan, terwijl het bijstandsbudget in 2016 en in 2017 omlaag ging. In 2016 was nog sprake van een besparing van 3 mln op het bijstandsbudget. Voor 2017 wordt een tekort verwacht van 7 mln. Het objectief verdeelmodel pakt voor Almere negatief uit. Het herverdeeleffect in 2017 is gelijk aan - 3,74%. Het negatieve herverdeeleffect wordt vooral bepaald door de prijscomponent. Het herverdeeleffect als gevolg van de prijs is -3,2%. Het herverdeeleffect van het volume is gelijk aan - 0,6%
12 3. Volumecomponent Hiervoor gaven we aan dat in de verdeling van het bijstandsbudget sprake is van een volumecomponent en een prijscomponent. Het onderzoek naar het verdeelmodel dat in opdracht van SZW is uitgevoerd, is vooral gericht op de volumecomponent. We zagen dat de volumecomponent in de verdeling voor Almere in 2017 leidt tot een relatief beperkt negatief herverdeeleffect van 0,6%. In dit hoofdstuk onderzoeken we de werking van het verdeelmodel voor het volume. Eerst gaan we in op de beoordeling van het verdeelmodel door de onafhankelijke experts. Vervolgens onderzoeken we de plausibiliteit van de uitkomsten van het verdeelmodel. Dat doen we opeenvolgend door te kijken naar het aantal voordeel- en het aantal nadeelgemeenten, door te kijken naar de relatie tussen de werkelijke bijstandsdichtheden en de objectief berekende bijstandsdichtheden en tot slot door te kijken naar de correlatie tussen herverdeeleffecten en objectieve factoren. 3.1 Oordeel onafhankelijke experts 7 Het verdeelmodel is beoordeeld door onafhankelijke experts. De beoordeling is vooral gericht op het logit-model dat de bijstandsvolumes berekent. De reacties van de experts op de gemaakte aanpassingen aan het verdeelmodel waren positief. Het werken met integrale data wordt als een belangrijke verbetering gezien, en ook het uitvoerige onderzoek naar een theoretische onderbouwing van de indicatoren wordt positief gewaardeerd. Aandachtspunt in het nieuwe verdeelmodel zijn de centrumfunctie en de stapelings- en interactie-effecten, waarvoor nog geen oplossing is gevonden. Opgemerkt wordt dat de bijstandskans in gemeenten met 50 tot 100 duizend inwoners wordt overschat, terwijl bij de vier grote steden het aantal bijstandsgerechtigden onderschat wordt. De experts zijn voorts van mening dat het model de komende jaren waarschijnlijk niet meer ingrijpend zal worden herzien. De Rfv liet in haar oordeel weten: Er bestaat op voorhand bij de Raad geen discussie meer over mogelijke ontbrekende kenmerken. De enige mogelijke doorontwikkeling zit daarom dan ook niet in aanvullende variabelen, maar in verfijningen en operationaliseringen van de factoren die het model nu al verdisconteert. 3.2 Herverdeling tussen gemeenten Bij de beoordeling van de plausibiliteit van de uitkomsten van het verdeelmodel kijken we naar het aantal overschotgemeenten en het aantal tekortgemeenten. De assumptie bij het maken van het verdeelmodel is dat een gemeente met een positief herverdeeleffect beleid en uitvoering relatief goed op orde heeft en dat een gemeente met een negatief herverdeeleffect beleid en uitvoering 7 Raad voor de financiële verhoudingen, prof. dr. M.A. Allers (Rijksuniversiteit Groningen), prof. dr. B. van der Klaauw (Vrije Universiteit)
13 relatief minder goed op orde heeft. Wij menen dat een uitkomst met een gelijke verdeling, waarbij er ongeveer evenveel tekort- als overschotgemeenten zijn het meest plausibel is. Uit tabel 5.3 van het onderzoeksrapport van SEO blijkt dat als naar het verschil wordt gekeken van het objectief berekende aantal bijstandsgerechtigden en het historisch aantal bijstandsgerechtigden, sprake is van 156 gemeenten met een negatief herverdeeleffect en 161 gemeenten met een positief herverdeeleffect. Met andere woorden het aantal gemeenten met een negatief herverdeeleffect is van dezelfde orde van grootte het aantal gemeenten met een positief herverdeeleffect. Met andere woorden, het verdeelmodel voor het volume leidt voor wat betreft het aantal overschot- en tekortgemeenten tot een plausibele uitkomst. Echter, als we kijken naar de uitkomsten van het verdeelmodel voor individuele gemeenten zien we in sommige gevallen irreëel hoge uitkomsten. We zien bijvoorbeeld dat het herverdeeleffect varieert tussen 40,9% negatief tot 47,4% positief. Ons inziens is dat niet plausibel. 3.3 Relatie tussen het werkelijke volume en het berekende volume We hebben onderzocht hoe het werkelijke volume in gemeenten zich verhoudt ten opzichte van het berekende volume op basis van het objectief verdeelmodel. Onze hypothese is dat het werkelijke volume en het berekende volume gemiddeld genomen aan elkaar gelijk zijn. Verschillen zouden volgens de door het ministerie van SZW gehanteerde assumptie moeten worden verklaard door verschillen in het beleid en de uitvoering van gemeenten. We kijken hoe de feitelijke bijstandsdichtheid (aantal bijstandsgerechtigden gedeeld door het aantal huishoudens) in 2015 zich verhoudt ten opzichte van de objectief berekende bijstandsdichtheid. Hier blijkt duidelijk dat sprake van correlatie. Verschillen tussen de werkelijke bijstandsdichtheid en de berekende bijstandsdichtheid zijn volgens de theorie toe te rekenen aan beleid en of uitvoering. Dit is wat we verwachtten. We concluderen dat de berekende bijstandsdichtheden in vergelijking met de feitelijke bijstandsdichtheden in 2015 leiden tot een plausibele uitkomst
14 3.4 Regressieresultaten In de plausibiliteitsanalyse in de rapportage van SEO zijn regressiemodellen geschat waarin de afwijking tussen het voorspeld en werkelijk aantal huishoudens is gerelateerd aan een bepaald gemeentekenmerk. Deze regressiemodellen zijn geschat voor het verschil tussen het objectief berekende en het werkelijke (historische) aantal bijstandsgerechtigden (zie par van het SEOrapport). Op deze manier kan worden geanalyseerd of alle objectieve criteria in voldoende mate in het model zijn meegenomen. Immers, als sprake is van correlatie tussen een objectieve factor en de herverdeeleffecten kan dat erop wijzen dat gemeenten, zonder dat ze daar invloed op hebben, worden bevoordeeld of juist benadeeld door een te hoog dan wel te laag budgetaandeel. Correlatie wijst namelijk op een mogelijk verband: de objectieve factor leidt tot hogere/lagere bijstandsuitgaven, zonder dat daarmee rekening wordt gehouden in het verdeelmodel, waardoor het saldo onbedoeld negatief/positief wordt beïnvloed. Stel dat gemeenten met een lage economische groei vaak negatieve herverdeeleffecten hebben en vice versa. Dan zou dat onrechtvaardig zijn, omdat gemeenten in het algemeen geen invloed hebben op de economische groei. Een dergelijke uitkomst zou reden zijn om te twijfelen aan de rechtvaardigheid van het model. De onderstaande tabel is gekopieerd uit het SEO-rapport
15 Het blijkt dat sprake is van significante correlatie tussen herverdeeleffecten en sommige objectieve factoren. Dat is ongewenst. Maar, het wordt in het onderzoeksrapport onderkend en doorverwezen naar de verdere doorontwikkeling van het model in Wat ons echter verbaast is dat deze exercitie niet is herhaald bij de actualisatie van het model in september Bij de actualisatie zijn actuelere data gebruikt dan bij de ontwikkeling van het model (juli 2016) en er is een aantal andere variabelen toegevoegd. Het nagaan van correlatie
16 tussen de herverdeeleffecten en objectieve factoren geeft inzicht in de stabiliteit van het model en of het model niet verslechtert ten opzichte van de oorspronkelijke modelschatting. Wij hebben de onderliggende cijfers bij SEO opgevraagd om een vergelijkbare regressieanalyse uit te kunnen voeren op de herverdeeleffecten van het daadwerkelijk toegepaste. SEO kon die echter niet aan ons overhandigen. Het nut van het uitvoeren van een nieuwe regressieanalyse blijkt onzes inziens uit de correlatie die wij aantroffen bij een door ons zelf uitgevoerde regressieanalyse. Hieruit bleek dat sprake was van correlatie tussen de herverdeeleffecten en de leeftijdsverdeling, omgevingsadressendichtheid, het aantal mannelijke eenouderhuishoudens, het aantal studenten, het aantal niet-westerse allochtonen, de hoogte van de HCI midden/hoog en het WW-percentage in Samenstelling van het berekende volume Het verdeelmodel berekent voor de verschillende huishoudtypes de bijstandskans. In het hoofdstuk hierna laten we zien dat er aanwijzingen zijn dat in de verdeling rekening wordt gehouden met de verkeerde prijs. Hierna laten we ook zien dat dat komt doordat er in de gehanteerde prijs geen rekening wordt gehouden met objectieve factoren. Echter, de prijs wordt bepaald op basis van de berekende samenstelling van de verschillende huishoudtypes in een gemeente. Er moet rekening mee gehouden worden dat het objectief verdeelmodel een verkeerde samenstelling van de huishoudtypes berekent. De afwijkingen die we tussen de realisaties zien in de rekentool en bij CBS-Statline (zie eveneens volgende hoofdstuk) houden hiermee mogelijk ook verband. 3.6 Conclusie Het objectief verdeelmodel berekend voor Almere een volume dat in beperkte mate afwijkt van het werkelijke volume (herverdeeleffect -0,6%). De onafhankelijke experts beoordelen het verdeelmodel als positief. Wij onderkennen dat het objectief verdeelmodel een hoog doorontwikkeld model betreft. Echter, onze analyse laat zien dat op onderdelen kan worden getwijfeld aan de plausibiliteit. Zo berekent het model voor een aantal gemeenten irreëel hoge herverdeeleffecten. Daarnaast is voor verschillende variabelen sprake van correlatie met de herverdeeleffecten. Dat wijst erop dat nog niet alle objectieve variabelen in het verdeelmodel zijn verwerkt. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat in de verdeling wordt uitgegaan van de verkeerde prijs. Mogelijk is dat het gevolg van een verkeerde berekening van de samenstelling van de huishoudtypes per gemeente. Al met al wijst een en ander op onzekerheid over de rechtvaardigheid van de verdeling
17 4. Prijscomponent In het vorige hoofdstuk onderzochten wij de volumecomponent van de verdeling. In dit hoofdstuk gaan we in op de prijscomponent. We lieten zien dat de door het ministerie toegepaste prijssystematiek leidt tot een negatief herverdeeleffect van -3,8%. We gaan na hoe dit negatieve herverdeeleffect kan worden onderbouwd. We verkennen eerst of de gekozen prijssystematiek in de verdeling leidt tot een rechtvaardige uitkomst. Vervolgens onderzoeken we de plausibiliteit door te kijken naar de herverdeling tussen gemeenten, de correlatie tussen de werkelijke prijs en de toegepaste prijs en regressie tussen objectieve factoren en de herverdeeleffecten. Tot gaan we in op de rekentool en de relatie met de herverdeeleffecten als gevolg van de prijs. We sluiten af met een conclusie. 4.1 Rechtvaardige uitkomst? Eén van de beoordelingscriteria die het ministerie toepast bij de bouw van het verdeelmodel is rechtvaardigheid. We spreken van een rechtvaardige verdeling als de uitkomsten van het verdeelmodel in overeenstemming zijn met de gemeentelijke prestaties. Met andere woorden, gemeenten met relatief goed beleid en een goede uitvoering hebben een overschot en gemeenten met relatief slecht beleid en een slechte uitvoering hebben een tekort op het inkomensdeel. De vraag is echter of de gehanteerde prijssystematiek leidt tot een rechtvaardige uitkomst. De werkelijk betaalde prijzen (of gemiddelde uitkeringen) verschillen van gemeente tot gemeente. De prijzen zijn afhankelijk van zaken zoals de samenstelling van het bestand (paren ontvangen een hogere bijstandsnorm dan alleenstaanden), van de hoogte van verrekeningen (als mensen ook andere inkomsten hebben, zoals een uitkering of salaris), het aantal en de hoogte van opgelegde sancties, handhaving en terugvordering en verhaal. Deels is de hoogte van de betaalde gemiddelde prijs afhankelijk van beleid en uitvoering (sancties, stimuleren deeltijdarbeid, verlagen uitkering i.v.m. lage woonlasten, terugvordering en verhaal en indirect via beleidsmaatregelen die invloed hebben op de samenstelling van het bestand) en deels is deze afhankelijk van objectieve factoren (bijvoorbeeld kansen op partiële arbeid voor de doelgroep, aantal uitkeringen op grond van werknemersverzekeringen onder sociaal minimum). Met de nu gekozen prijssystematiek in het verdeelmodel wordt er impliciet van uit gegaan dat afwijkingen van de toegepaste prijscomponent alleen worden veroorzaakt door uitvoering en beleid. Dat betekent dat gemeenten de hoogte van de prijs zelf kunnen beïnvloeden door bijvoorbeeld het opleggen van maatregelen of het stimuleren van deeltijdwerk vanuit de bijstand (salaris wordt dan verrekend met de bijstandsuitkering). Er wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat prijzen worden beïnvloed door objectieve factoren. Zo is de kans dat mensen vanuit de bijstand gemakkelijker in deeltijd aan de slag gaan in regio s met een gunstig economisch klimaat groter dan in regio s met een minder gunstig economisch klimaat. In regio s met veel mensen met een uitkering op grond van de
18 werknemersverzekeringen onder het sociaal minimum, worden relatief veel kleinere (aanvullende) uitkeringen verstrekt. Daardoor gaat de gemiddelde uitkering in die gemeenten omlaag. Dat (economische situatie en aantal mensen met een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen onder het sociaal minimum) zijn zaken waar gemeenten niets aan kunnen doen. Maar, als de prijs hier niet van afhankelijk is, worden sommige gemeenten onterecht bevoordeeld en andere gemeenten benadeeld. Een en ander leidt er dus toe dat gemeenten die als gevolg van objectieve omstandigheden te maken hebben met relatief lage prijzen worden bevoordeeld, ten koste van gemeenten die als gevolg van objectieve factoren te maken hebben met relatief hoge prijzen ten opzichte van de voor hun berekende prijscomponent. 4.2 Herverdeling van grotere naar kleinere gemeenten Toepassing van de bijstandsnormen in de verdeling (de door het ministerie gehanteerde prijssystematiek) leidt tot een herverdeling van middelen van grote naar kleinere gemeenten. In het vorige hoofdstuk zagen we dat als alleen gebruik gemaakt wordt van het volumemodel, sprake is van 156 gemeenten met een negatief herverdeeleffect en 161 gemeenten met een positief herverdeeleffect. Als echter wordt gekeken naar de feitelijke situatie waarbij in de verdeling gebruik wordt gemaakt van de bijstandsnormen (zie tabel 5.1 in het SEO-rapport), blijkt dat het aantal gemeenten met een negatief herverdeeleffect gelijk is aan 92 en het aantal gemeenten met een positief herverdeeleffect gelijk is aan 225. Met andere woorden het aantal gemeenten met een positief herverdeeleffect is bijna 2,5 keer zo groot als het aantal gemeenten met een negatief herverdeeleffect 8. Bovendien vindt er herverdeling plaats van middelen van met name de grotere naar de minder grote gemeenten. Het is opvallend dat met name grote gemeenten zoals de G4, Groningen, Almere en Nijmegen nadeel ondervinden van de prijssystematiek. Het ligt niet voor de hand dat gemiddeld grotere gemeenten hun beleid en uitvoering slecht op orde hebben en daardoor hoge prijzen betalen en dat kleinere gemeenten hun beleid en uitvoering relatief goed op orde hebben. Dat is niet plausibel. Dat geeft extra voeding aan de gedachte dat er andere factoren in het spel zijn dan alleen beleid en uitvoering die van invloed zijn op de door de prijscomponent veranderde herverdeeleffecten. 4.3 Relatie tussen werkelijke prijs en prijscomponent in het verdeelmodel Het prijselement in het verdeelmodel voor de bijstand gaat uit van de bijstandsnormen. Bij een eerlijke prijssystematiek zouden afwijkingen van de in het verdeelmodel toegepaste prijs (genormeerde prijs) alleen worden bepaald door beleid en uitvoering. Het is in dat geval plausibel dat de werkelijke prijzen van gemeenten gecorreleerd zijn met de genormeerde prijzen. 8 Het model is voor de verdeling van 2017 evenwel geactualiseerd. Maar de actualisatie leidt tot de zelfde conclusies
19 We hebben onderzocht hoe de werkelijke prijs die gemeenten betalen zich verhoudt ten opzichte van de genormeerde prijs in het objectief verdeelmodel. Onze hypothese is dat er positieve correlatie bestaat tussen de werkelijke prijs en de genormeerde prijs in het objectief verdeelmodel. Dat betekent dat voor gemeenten waarvoor een hoge bijstandsnorm wordt berekend, gemiddeld sprake is van een hoge werkelijk prijs en vice versa. In de onderstaande grafiek laten we eerst nog een keer zien hoe de bijstandsdichtheid in 2015 zich verhoudt ten opzichte van de berekende bijstandsdichtheden. Daarnaast zetten we de prijzen in 2015 af tegen de in het verdeelmodel toegepaste prijzen. Uit de onderstaande grafiek blijkt dat er voor de prijs geen sprake is van correlatie, terwijl dat wel het geval is voor het volume. Aangezien we verwachtten dat bij een eerlijke prijs wel sprake zou zijn van correlatie, voedt dat eveneens de onzekerheid over de vraag of de gehanteerde prijssystematiek in het objectief verdeelmodel leidt tot een rechtvaardige uitkomst. Voor Almere betekent dat dat we moeten nagaan hoe de werkelijke prijs die de gemeente betaalt zich verhoudt ten opzichte van de normprijs waarmee in de verdeling rekening is gehouden. Op basis van deze uitkomst kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de rechtvaardigheid als de prijs die Almere betaalt hoger is dan de vergoeding die Almere daarvoor ontvangt via het bijstandsbudget. 4.4 Regressieresultaten Zoals wij in het vorige hoofdstuk bespraken zijn in de plausibiliteitsanalyse in de rapportage van SEO regressiemodellen geschat waarin de afwijking tussen het voorspeld en werkelijk aantal huishoudens is gerelateerd aan een bepaald gemeentekenmerk. Dit is om modeltechnische redenen interessant. Echter, voor de gemeenten is het minder interessant. Het verbaast ons daarom dat in paragraaf van het SEO-rapport alleen de herverdeeleffecten van de berekende volumes zijn geregresseerd op een set objectieve factoren. Voor gemeenten is het relevanter te weten of sprake is van correlatie tussen de herverdeeleffecten van de berekende budgetten (volumecomponent maal prijscomponent) en objectieve factoren. Wij hebben deze exercitie uitgevoerd en wij treffen opvallend vaak correlatie aan tussen de herverdeeleffecten van het berekende budget en verschillende objectieve factoren. Een aantal voorbeelden
20 Er is sprake van positief significante correlatie met het aandeel lager opgeleiden in de bevolking. Mogelijk zit deze groep vaker dan gemiddeld tijdelijk in de uitkering of heeft vaker bijstand als aanvulling op een partiële baan. Dat leidt tot gemiddeld lagere uitkeringen en daarmee tot lagere bijstandsuitgaven. Lage inkomens, negatief significante correlatie: Mogelijk wijst het aantal lage inkomens op de sociale omstandigheden in een gemeente en is onder deze groep de kans op partiële arbeid lager dan onder andere groepen. De uitkeringen liggen in de betreffende gemeenten mogelijk hoger. Dat leidt tot hogere bijstandsuitgaven. Eenouderhuishoudens, negatief significante correlatie: Dit wijst er op dat in gemeenten met veel eenouderhuishoudens sprake is van grotere negatieve herverdeeleffecten, als gevolg van een hoge gemiddelde prijs. Mogelijk gaan eenouderhuishoudens minder gemakkelijk aan de slag in een deeltijdbaan dan anderen in de bijstand, waardoor gemiddeld hogere uitkeringen worden betaald. Omvang werkloosheid, negatief significant gecorreleerd: Als de werkloosheid hoog is, is er mogelijk veel concurrentie en komen mensen vanuit de bijstand wellicht lastiger in deeltijd aan het werk dan in situaties met minder werkloosheid. Dat leidt tot hogere gemiddelde uitkeringen en daarmee tot hogere bijstandsuitgaven. Omvang max WW is significant negatief gecorreleerd: Een groot aantal max WW in een gemeente, leidt mogelijk tot een hogere instroom van ex WW-ers in de bijstand. Mogelijk ontvangt deze groep vaker een volledige uitkering dan anderen, wat ertoe leidt dat de uitgaven relatief sterk stijgen en het herverdeeleffect verslechtert. Met andere woorden, gemeenten waar factoren met een negatief (respectievelijk positief) significante correlatie meer (respectievelijk minder) dan gemiddeld aanwezig zijn, lopen het risico dat het toegekende budget ontoereikend is voor haar lasten. Dit toont aan dat er naar verwachting objectieve factoren zijn die effect hebben op de hoogte van de bijstandsuitkeringen, waarmee geen rekening wordt gehouden in de verdeling van de budgetten over de gemeenten. Een dergelijke analyse treffen wij niet aan in de onderzoeksrapporten over het objectief verdeelmodel. Deze analyse had wel uitgevoerd moeten worden. De uitkomsten die wij hier laten zien, hadden aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. Nu is het zeer wel mogelijk dat sommige gemeenten meer en andere gemeenten minder budget ontvangen dan dat zij zouden ontvangen bij een eerlijke verdeling. 4.5 Rekentool Het ministerie van SZW heeft een rekentool ontwikkeld, waarmee voor verschillende groepen huishoudens per gemeente het volume op basis van het verdeelmodel kan worden berekend. De rekentool laat tevens de werkelijke aantallen huishoudens op 31 december 2015 zien. De werkelijke aantallen huishoudens in de rekentool wijken echter af van de aantallen die we aantreffen bij CBS Statline. Dat is vreemd, omdat de cijfers die zijn gebruikt voor het verdeelmodel grotendeels ook van
21 het CBS afkomstig zijn. Dat leidt tot vragen en onzekerheid over onderliggende cijfers voor de budgetberekeningen. In de onderstaande tabel laten we de verschillende cijfers uit de rekentool en van CBS Statline voor de gemeente Almere zien. Totaal Alleenstaanden ouders bewonrs kind Alleenst Instell- Thuisw Paar overig Berekende volumes rekentool Realisaties ultimostand 2015 vlgs rekentool Realisaties ultimostand 2015 vlgs rekentool excl overige groepen Stand CBS leeftijd tot AOW Verschil Rekentool - CBS Gemiddeld verschil alle gemeenten Maximale afwijking Minimale afwijking Aantal < Aantal > Toelichting: Berekende volumes rekentool: deze rij toont de berekende omvang van de groepen huishoudens door het verdeelmodel. Uit de tabel kan worden afgelezen dat het verdeelmodel voor de gemeente Almere in totaal 6069 huishoudens in de bijstand berekent. Het bijstandsbudget is op dit aantal afgestemd. We zien ook dat het verdeelmodel uitgaat van 2204 alleenstaanden, 2017 alleenstaande ouders en 928 (al dan niet gehuwde) paren. Daarnaast worden in totaal 919 overige huishoudens, bijstandsgerechtigden in instellingen en thuiswonende kinderen berekend (die zitten wel in het totaal, maar zijn niet apart zichtbaar). Realisaties ultimostand 2015 volgens rekentool: Hier zijn de aantallen zichtbaar waar de rekentool/verdeelmodel van uit gaat ultimo De modelbouwers constateren 6005 huishoudens in de bijstand en (bijvoorbeeld) 2300 alleenstaanden in de bijstand. Stand CBS tot AOW: Deze rij laat de standen zien die we aantreffen in CBS Statline voor het aantal huishoudens onder de AOW-leeftijd. Verschil Rekentool CBS: deze rij toont de verschillen tussen de realisaties die we zien in de rekentool en de realisaties volgens Statline CBS. We zien dat de standen in beide bronnen flink van elkaar afwijken. De totaalstand is bij Statline gelijk aan 5440, terwijl die volgens de rekentool gelijk is aan Maar bij de groep alleenstaanden in de bijstand is het verschil nog groter. Verder zien we dat het gemiddelde verschil tussen de totaalstand in de rekentool en op CBS beperkt is: -1. Er is echter wel sprake van relatief grote verschillen voor de afzonderlijke huishoudens. We zien dat bij alleenstaande ouders en bij paren sprake is van forse maximale positieve (!) afwijkingen. Dat betekent dat de rekentool gemiddeld grotere waarden laat zien dan CBS
22 Bij de alleenstaanden zien we een omgekeerd beeld. Daar is vrijwel volledig sprake van negatieve afwijkingen, waarbij de CBS-stand telkens hoger is dan de waarde in de rekentool. Kortom, er is sprake van systematische verschillen, waarbij de gemiddelde afwijking van het totaal aantal bijstandsgerechtigden beperkt is en waarbij sprake is van relatief grote verschillen met de aantallen huishoudtypes tussen CBS en de rekentool. Tot slot: We hebben het verschil van de totaalstanden tussen de rekentool en CBS-statline geregresseerd met de herverdeeleffecten (op basis van de door het objectief verdeelmodel berekende budgetten). Dat, om te zien of eventuele keuzes dan wel fouten die zijn gemaakt gevolgen hebben voor de verdeling van de budgetten. Dat lijkt het geval te zijn. Er is sprake van positieve significante correlatie tussen het verschil tussen de rekentool en CBS statline en het herverdeeleffect van het bijstandsbudget. Dit betekent dat als sprake is van een groot verschil tussen de rekentool en CBS-statline, sprake is van een groter herverdeeleffect (een positiever verwacht saldo op het bijstandsbudget) en vice versa.. Dat is op basis van de beschikbare informatie niet uitlegbaar. Daarom moet worden nagegaan of gegeven de keuzes, dan wel fouten die zijn gemaakt, er nog wel sprake is van een betrouwbaar en/of rechtvaardig verdeelmodel. 4.6 Conclusie Het ministerie is voor de prijscomponent in de verdeling uitgegaan van de voor de verschillende huishoudtypes geldende bijstandsnormen. Er is geen rekening mee gehouden dat de prijs mogelijk ook beïnvloed wordt door objectieve factoren. Hiervoor hebben we laten zien dat er flinke correlatie is tussen objectieve factoren en de herverdeeleffecten van het berekende budget. Deze exercitie die zeer in het belang is van gemeenten - treffen wij niet aan in het onderzoek dat is uitgevoerd naar het verdeelmodel. Als deze exercitie wel zou zijn uitgevoerd, had dat aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. Zolang dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden is de gekozen prijssystematiek onverantwoord met het oog op de gewenste rechtvaardige verdeling. Daar komt bij dat de verschillen tussen de realisatiecijfers in de rekentool afwijken van de realisatiecijfers op CBS-Statline, die eveneens gecorreleerd zijn met de herverdeeleffecten. Dat leidt tot extra onzekerheid over de juistheid van de toegepaste prijzen. Ons inziens zou zolang de prijs niet goed gemodelleerd kan worden, gebruik gemaakt moeten worden van de historische prijs. Hoewel toepassing van de historische prijs in de verdeling de prikkelwerking enigszins vermindert, weegt dat volgens ons op tegen de grote mate van onzekerheid voor de rechtvaardigheid die gepaard gaat met thans toegepaste prijssystematiek. Voor de gemeente Almere zou toepassing van de historische prijs ertoe leiden dat het herverdeeleffect omhoog gaat van -4,4% naar -0,6% (dat komt neer op een budgetverhoging in 2017 van circa 3,2 mln)
23 5. Beoordeling verdeelmodel Voor de beoordeling van het verdeelmodel heeft het ministerie van SZW een set beoordelingscriteria opgesteld. We beoordelen het toegepaste verdeelmodel aan de hand van deze beoordelingscriteria. Prikkelwerking: De budgettering stimuleert gemeenten om de bijstandsuitgaven zo laag mogelijk te houden. De vraag is echter of dat voor alle gemeenten het geval is. Zeker de uitkomst van de verdeling van 2017 doen hieraan twijfelen. Op basis van de Actualisatie gegevens verdeelmodel Participatiewet 2017 van SEO leiden wij af dat er 231 gemeenten zijn met een positief herverdeeleffect en dat er diverse gemeenten zijn met opvallend hoge herverdeeleffecten van 28,7% oplopend tot 56,5%. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat de financiële prikkel effectiever is bij tekortgemeenten dan bij overschotgemeenten. Aan de andere kant zien we onder de tekortgemeenten een aantal extreem grote tekorten oplopend van -12,7% tot - 33,4%. Deze gemeenten komen ruim boven de bandbreedte en zullen gebruikmaken van het vangnet. In financieel opzicht zal het omlaag brengen voor deze gemeenten weinig nut hebben. Elke besparing moeten ze feitelijk afdragen door een lagere compensatie vanuit het vangnet. Met andere woorden, de uitkomsten van het verdeelmodel met veel grote overschot- en nadeelgemeenten, staan op gespannen voet met het doel om gemeenten financieel te prikkelen.. Financiële beheersbaarheid: budgetten worden pas bekend gemaakt na afloop van het indienen van de ontwerpbegroting. Dat maakt het bij grote budgetwijzigingen nauwelijks mogelijk om zorgvuldig bijstellingen te plegen. Almere werd volledig verrast door de grote vermindering van het budget van per saldo 7mln en moet op zoek naar maatregelen. Voor een deel zullen die worden gevonden. Maar, voor een deel kwam de bekendmaking van de budgetten zo laat, dat maatregelen pas in 2018 kunnen worden genomen cq effectief zullen zijn. Uitlegbaarheid: SZW moet aan gemeenten kunnen uitleggen wat de hoogte van hun budget bepaalt en hoe veranderingen in het budget kunnen worden verklaard. Intern moet dat ook kunnen worden uitgelegd aan de wethouder en gemeenteraad. Hier gaat het mis. Met het uitvoerig beschreven model kan welliswaar worden verklaard hoe het budget tot stand komt, maar hiermee kunnen de veranderingen niet worden verklaard, omdat het nieuwe model onvergelijkbaar is met het model dat in 2016 is gehanteerd. Het is op basis van het model niet uitlegbaar waarom het budget met 7 mln omlaag gaat, met name als gevolg van een verdeelmodel dat negatief uitpakt voor Almere ( 10mln). SZW geeft geen onderbouwing. Juridisch dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. Deze ontbreekt. Het is onduidelijk wat de inhoudelijke redenen zijn van de neerwaartse budgetbijstelling. Daarnaast heeft het ministerie een rekentool beschikbaar gesteld. De intentie is goed, maar, de tool levert meer vragen op dan dat deze beantwoordt. De waarden in de tool wijken af van de waarden op CBS-statline en zijn derhalve niet herkenbaar. Bovendien is sprake van correlatie
24 tussen herverdeeleffecten en de verschillen tussen de tool en CBS-statline, wat een zorgvuldige uitleg extra belangrijk maakt, zodat gemeenten zich ervan kunnen vergewissen dat geen sprake is van herverdeling van middelen op basis van arbitraire keuzes dan wel gemaakte fouten. Tot slot ten aanzien van het punt uitlegbaarheid. Op basis van de beschikking, toelichting en door het Ministerie van SZW ter beschikking gestelde stukken is onduidelijk wat de werking is van het verdeelmodel. Zo ontbreekt er een helder document waarin de berekeningswijze en de toegepaste verdeelmaatstaven zijn beschreven, zoals dat bijvoorbeeld wel beschikbaar is voor het gemeentefonds (Toelichting op de berekening van de uitkeringen uit het gemeentefonds, ministerie van BZK, 2016).De specificatie van veel variabelen en met name de samengestelde variabelen van Atlas voor Gemeenten, is niet transparant. Ook is het onduidelijk in welke mate de afzonderlijke verdeelkenmerken een bijdrage leveren aan het totale budget, omdat de verdeelkenmerken (op huishoudniveau) niet toegankelijk/verkrijgbaar zijnen in welke mate het budget verandert, als er een verandering optreedt in de verdeelkenmerken. Een en ander leidt ertoe dat het niet navolgbaar is of de gegevens correct zijn en of het verdeelmodel een juiste reflectie vormt van de realiteit. Rechtvaardigheid: We hebben hiervoor betoogd dat het verdeelmodel voor het bijstandsvolume zorgvuldig tot stand lijkt te zijn gekomen. Wij hebben echter vragen over de prijscomponent. Er wordt geen rekening gehouden met objectieve omstandigheden, terwijl deze wel van invloed lijken te zijn op de herverdeeleffecten die kunnen worden toegerekend aan de prijscomponent. Voorts is voor sommige gemeenten sprake van opvallend grote positieve herverdeeleffecten (zie opmerkingen hiervoor). Dat leidt naar verwachting tot grote besparingen. Deze moeten worden opgebracht door de andere gemeenten. Dat staat haaks op de gedachte van rechtvaardigheid. Betrouwbaarheid: Gezien de beoordeling van de onafhankelijke deskundigen, kunnen gemeenten erop vertrouwen dat sprake is van een in technisch opzicht betrouwbaar model. Het model is op een wetenschappelijk verantwoorde wijze tot stand gekomen. Over de prijscomponent bestaan echter vragen. Wij missen in de stukken een diepgaande analyse van de prijs. Dat, terwijl de gehanteerde prijssystematiek aanzienlijke invloed heeft op de herverdeeleffecten. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van objectieve factoren op de prijscomponent. Tot slot moet onder het kopje betrouwbaarheid ook de rekentool worden genoemd. De verschillen tussen de rekentool en CBS-statline en de correlatie met de herverdeeleffecten, leidt tot belangrijke vragen over de betrouwbaarheid van de gebruikte data voor het verdeelmodel. Voorspelbaarheid: Hier gaat het erom dat de gemeente zo goed mogelijk in staat gesteld wordt te anticiperen op de uitkomsten van het model. De gemeente Almere is volledig verrast door een forse vermindering van het budget. Het feit dat dit jaar een heel ander model is gebruikt dan in 2016, zorgt er ook niet voor dat gemeenten kunnen anticiperen. Het ministerie geeft er geen
25 blijk van zich rekenschap te geven van de gevolgen van een dergelijk grote plotselinge budgetdaling. Er is sprake van een overgangsregime. Maar dat is van toepassing op het collectief van de gemeenten. Het had meer voor de hand gelegen om bij grote veranderingen te kiezen voor geleidelijkheid
26 6. Knoppen 6.1 Inleiding Voor het onderzoek naar de knoppen waaraan gedraaid kan worden om het saldo op het bijstandsbudget in gunstige zin bij te stellen, hebben we eerst een benchmark uitgevoerd. Vervolgens hebben we een workshop georganiseerd met medewerkers van de gemeente Almere gericht op het inventariseren van de maatregelen die genomen kunnen worden om de bijstandsuitgaven omlaag te krijgen. Mede op basis daarvan en op basis van best practices elders in het land hebben we een inventarisatie gemaakt van de mogelijke maatregelen die de gemeente kan nemen om de bijstandsuitgaven omlaag te brengen. 6.2 Uitkomsten benchmark Almere Volume De totale bijstandsafhankelijkheid heeft zich sinds de crisis minder gunstig ontwikkeld dan in de rest van Nederland. Met name in 2011 was sprake van een sterke stijging, terwijl elders in Nederland sprake was van een minder sterkere toename van het aantal bijstandsgerechtigden. Ook ten opzichte van de referentiegemeenten 9 zien we dat de bijstandsdichtheid in Almere na de crisis in 2008 sterker steeg. In 2013 en 2014 ging het bijstandsvolume minder snel omhoog. In 2015 was in Almere zelfs sprake van een daling, terwijl in de rest van Nederland de bijstandsafhankelijkheid omhoog ging. De bijstandsdichtheden zijn in de afgelopen jaren dichter bij elkaar gekomen, maar het niveau ligt hoger dan elders. Zie onderstaande grafiek. Het aantal jongeren onder de 27 jaar in Almere ontwikkelde zich eveneens relatief ongunstig. Tot 2010 ging het aantal jongeren in de bijstand sterk omhoog, evenals in de andere gemeente in de arbeidsmarktregio van Almere. Na 2010 was sprake van een correctie. In 2014 lag het niveau weer in de buurt van de referentiegemeenten, waarmee de relatieve verslechtering sinds 2008 weer was goedgemaakt. Zie onderstaande grafiek. 9 Als referentiegemeenten kiezen we tien gemeenten die de in de periode een vergelijkbare bijstandsdichtheid hadden als in Almere: Assen, Capelle aan den IJssel, Dordrecht, Emmen, Harlingen, Lelystad, Nijmegen, Schiedam, Tilburg, Vlaardingen
27 Samenvattend zien we dat Almere sneller en sterker op conjuncturele schokken lijkt te reageren dan andere gemeenten. Om dit te toetsen en uit te sluiten dat dit niet met beleid te maken heeft, keken we naar de werkloosheidsontwikkeling in Almere en naar de ontwikkeling van het aantal WW-ers. Daar zien we ten opzichte van andere gemeenten ook opvallende ontwikkelingen. We zien bij de WW een vergelijkbare ontwikkeling als bij de bijstand: de WW reageert telkens sterker op conjuncturele bewegingen dan elders in Nederland. Echter, bij de totale werkloosheid zien we dat niet terug. We zien alleen in 2013 en in 2014 dat de werkloosheid zich sterker ontwikkelt dan elders. Dat, terwijl de bijstandsafhankelijkheid in de jaren juist afnam. Conclusie is dat de uitkeringsafhankelijkheid in Almere sterker reageert op conjuncturele bewegingen dan elders. Omdat dit zich ook voordoet bij de WW, lijkt dit niet direct terug te voeren op beleid en uitvoering. Het is raadzaam om op basis van onderzoek goed zicht te krijgen op de onderliggende factoren, zodat daar in de ramingen rekening mee kan worden gehouden. We zien de sterke bewegingen ook in de instroomquote en de uitstroomquote. Hoge quotes en lage quotes wisselen elkaar af. Zie onderstaande figuur
28 We zijn nagegaan welke wat het aandeel is van verschillende groepen in de bijstand. Ten aanzien van de bijstandsafhankelijkheid zien wij voor Almere voorts (cijfers 2015 ten opzichte van het landelijk gemiddelde en de referentiegemeenten): Er wonen in Almere relatief veel eenouder gezinnen. Deze groep is in de bijstand relatief sterk vertegenwoordigd. Echter, de bijstandsafhankelijkheid van deze groep ligt op het landelijk gemiddelde, maar is lager dan in vergelijkbare gemeenten. We zien dat de bevolking van Almere relatief jong is. Echter, in de samenstelling van het bijstandsbestand zien we geen opvallende afwijkingen. We zien alleen dat de groep tussen de 30 en 40 jaar hoger is dan gemiddeld. Voor andere cohorten zien we geen sterke afwijkingen. Er wonen veel minderheden in Almere. 20% Van de bevolking behoort tot de groep minderheden. Het gemiddelde in de referentiegemeenten is gelijk aan 10%. Landelijk is dat percentage ruim 4%. Het grote aandeel minderheden in de bevolking vertaalt zich in een groot aandeel minderheden in de bijstand. Echter, het valt op dat de bijstandsafhankelijkheid binnen deze groepen lager is dan gemiddeld. In Almere wonen met name veel mensen van Surinaamse en in mindere mate van Marokkaanse afkomst. Ook specifiek voor deze groepen geldt dat hun bijstandsafhankelijkheid lager is dan elders Prijs De gemiddelde uitkering bevindt zich in Almere vrijwel altijd boven het landelijk gemiddelde. Zie onderstaande grafiek. Uitzondering waren 2010 en In deze grafiek laten we de totale bijstandsuitgaven gedeeld door het aantal bijstandsgerechtigden zien. Het verschil met het landelijk gemiddelde is vanaf 2012 jaarlijks zo n 3%. Op basis van de bijstandsnormen en de bestandsamenstelling verwachten we een verschil van circa 1,7%. Hier kunnen verschillende oorzaken voor aanwezig zijn. Zo is het denkbaar dat alleenstaande ouders, die oververtegenwoordigd zijn in de bijstand in Almere, minder vaak parttime werken dan andere groepen bijstandsgerechtigden, wat het verschil met het landelijk gemiddelde verder vergroot
29 We hebben de terugvorderingen vergeleken met andere gemeenten. We achtereenvolgens in op de standen en op de incasso. Bij de standen zien we dat de vorderingen hoger zijn dan gemiddeld. Dat komt onder andere doordat in Almere meer leningen worden verstrekt dan elders. In de afgelopen jaren is het aantal leningen toegenomen, terwijl elders in Nederland het aantal leningen (ten opzichte van het aantal bijstandsgerechtigden) omlaag ging. Daarnaast is het bedrag aan verwijtbare vorderingen van voor 2013 hoger dan elders. We zien dat Almere nog steeds meer maatregel oplegt dan elders (dat blijkt ook uit de Divosabenchmark). Het gaat hier echter om relatief lage vorderingen-bedragen. Het wijst er wel op dat Almere relatief streng handhaaft. Dat beeld wordt ondersteund door een relatief hoge fraude quote. Voorts zien we bij de standen dat verhaal op gemiddeld niveau ligt. Maar, als we er rekening mee houden dat in Almere veel alleenstaande ouders wonen, is sprake van relatief weinig verhaal. Mogelijk duidt dit erop dat verhaal minder aandacht krijgt dan in andere gemeenten. Echter, het is ook mogelijk dat door het profiel van de gemiddelde alleenstaande ouder in Almere, verhaal minder gemakkelijk te realiseren is dan in andere gemeenten. Om dit na te gaan en om na te gaan wat potentiële besparingen zijn, is nader onderzoek nodig. Incasso ligt in Almere op een relatief laag niveau. De incassoquote is 10% terwijl landelijk sprake is van een percentage van circa 20%. Dat hoeft niet direct verontrustend te zijn. In vergelijking met de referentiegroep, is het verschil enkele procentpunten. Voorts leert de ervaring leert dat gemeenten die jaarlijks veel vorderingen opvoeren, vaak ook een hogere incassoquote hebben. Met andere woorden, het lage incassopercentage kan ook te maken hebben met een laag jaarlijks bedrag aan nieuwe vorderingen. Of hier sprake van is, zou nader moeten worden onderzocht. Daarnaast heeft de lage incassoquote te maken met het hoge vorderingen bedrag. Gemiddeld geldt: hoe hoger het vorderingenbedrag, hoe lager de incassoquote (heeft te maken met een grotere kans op niet inbare vorderingen). Tot slot is het per definitie zo dat de prijs mede beïnvloed wordt door de omvang van de incasso. We hebben berekend dat als Almere evenveel zou incasseren als landelijk, de gemiddelde uitkering met circa 130 euro per jaar zou dalen. Voorts hebben we de terugontvangsten onderzocht. We zien een daling van de terugontvangstenratio (terugontvangsten als percentage van de totale uitgaven) vanaf De daling in Almere is vergelijkbaar met de landelijke daling. Echter, we zien wel dat de terugontvangsten lager zijn dan landelijk gemiddeld (structureel circa 1%-punt). Dit kan duiden op relatief weinig verstrekte uitkeringen die terugbetaald moeten worden (dat is positief). Het kan ook duiden op zaken als beperkte incasso, weinig verrekeningen en dergelijke. Mogelijk duiden de lage terugontvangsten op besparingspotentieel. Onderzocht zou moeten worden of en zo ja in welke mate
30 Tot slot hebben we gekeken naar het effect van parttime werk op de gemiddelde uitkering. In Almere zijn er gemiddeld minder bijstandsgerechtigden aan het werk dan elders. Mogelijk hangt dat samen met het grote aandeel alleenstaande ouders, hoewel het aantal ontheffingen van de arbeidsplicht in Almere juist weer relatief laag is (4% tegenover 12% landelijk). Landelijk werkt 11% naast de uitkering. In Almere is dat 9%. Dat is een verschil van 2%-punt. Als Almere een zelfde percentage mensen aan het werk zou hebben naast de uitkering als landelijk, dan zouden er 111 mensen meer aan de slag zijn dan nu. Uitgaand van de gemiddelde inkomsten uit arbeid vanuit de bijstand ( 6000,- per jaar) en ervan uitgaand dat het volledige bedrag wordt verrekend, zouden de bijstandsuitgaven daarmee met 666K omlaag kunnen worden gebracht. Daarnaast speelt het aantal vrijlatingen. Het aantal vrijlatingen in Almere is anderhalf keer hoger dan gemiddeld landelijk. Door het aantal vrijlatingen te verminderen, gaat de gemiddelde uitkering omlaag. Het stimuleren van parttime werk moet dus een combinatie zijn van het aantal parttime werkers, het aantal uren dat zij aan de slag gaan en het bedrag dat daadwerkelijk wordt verrekend. Per saldo is het lastig te zeggen of de prijs van Almere hoger is doordat minder mensen aan de slag zijn dan elders en doordat er meer wordt vrijgelaten. Het is echter wel een aandachtspunt en aanleiding om na te gaan of op dit punt besparingen kunnen worden gerealiseerd. Samenvattend is in de gemeente Almere sprake van een relatief hoge prijs. De belangrijkste verklaring was het hoge aantal alleenstaande ouders (dit effect is naar verwachting verdwenen na 2015 met de invoering van de kinderkorting). Daarnaast zien we andere factoren die mogelijk een opstuwende werking hebben op de prijs: incassoratio, terugontvangsten, parttime werk en vrijlatingen. Daar staat tegenover dat het aantal maatregelen dat Almere oplegt en de fraudequote relatief hoog zijn Aantal banen Een belangrijke factor voor het aantal mensen in de bijstand is de beschikbare arbeid. We hebben onderzocht hoe het aantal banen in Almere en in de regio zich heeft ontwikkeld. Uit de onderstaande grafiek blijkt dat het aantal beschikbare banen in Almere in de afgelopen jaren (sinds de crisis in 2008) sterk is afgenomen. In Nederland is het aantal banen in
31 bijna op het niveau van In Amsterdam was zelfs sprake van een (forse) stijging met 14%. Echter, in Almere is het aantal banen met ruim 10% omlaag gegaan. Nader onderzoek laat zien dat de daling vooral veroorzaakt wordt door de commerciële dienstverlening en in enige mate door de nijverheid en energie. Overheid en zorg bood enig tegenwicht, doordat hier het aantal banen toenam.. We zien dat het aantal banen in de commerciële dienstverlening vanaf 2014 weer toeneemt. We hebben de ontwikkelingen binnen de sectoren ook onderzocht voor Nederland. Hier zien we over de gehele linie beperkte veranderingen in het baanaanbod. We zien dat het herstel in 2014 en 2015 verklaard wordt door verbeteringen binnen de commerciële dienstverlening. Het beeld in Almere is vergelijkbaar met het landelijk beeld. Conclusie is dat het aantal banen zich in Almere minder gunstig heeft ontwikkeld dan in de rest van Nederland. Opvallend is dat het werkloosheidspercentage tot 2013 gelijk bleef aan het Nederlandse percentage. Echter, daarna gaat het percentage omhoog, terwijl in dat jaar ook het beschikbare aantal banen toenam. In 2015 gaat de werkloosheid fors omlaag. Dat correspondeert met de toename van het baanaanbod. Her correspondeert ook met de stabilisatie van de bijstandsdichtheid. Echter, de toename in het baanaanbod is niet beter dan wat we in de rest van Nederland zien (zie hiervoor), terwijl het aantal bijstandsgerechtigden in de afgelopen paar jaar zich gunstiger ontwikkelde dan elders
32 6.2.4 Conclusie Samenvattend zien wij dat Almere voor wat betreft het bijstandsvolume relatief sterkt reageert op conjunctuurveranderingen. Als het slechter gaat, gaat het aantal bijstandsgerechtigden relatief snel omhoog. Als het economisch beter gaat, treedt eerder herstel op. Dat stelt hoge eisen aan de flexibiliteit van de uitvoering. Ook stelt het hoge eisen aan de kwaliteit van de gemeentelijke begrotingsramingen, zodat tijdig op veranderingen kan worden geanticipeerd. Dit maakt het lastig om te beoordelen of het volume te hoog of te laag is. We zien dat het aantal banen in de gemeente Almere sinds 2008 met 10% is afgenomen. Dat geeft een zekere verklaring voor minder gunstige verloop van het bijstandsvolume dan elders. Daarnaast kan Almere het bijstandsvolume relateren aan de ontwikkeling in andere gemeenten (landelijk, referentiegemeenten oid). Als doel kan bijvoorbeeld gesteld worden: Almere doet het altijd 1%-punt beter dan de referentiegroep. Belangrijk is dat er een ambitieus doel wordt gesteld. Dat is belangrijker dan de theoretische onderbouwing van dat doel. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat conjunctuurveranderingen vertraagd doorwerken in de financiering vanuit het Rijk. De wijze van financieren kan er voor Almere toe leiden dat in het ene jaar grote tekorten en in het andere jaar grote overschotten ontstaan. Overwogen kan worden om daar in de begroting rekening mee te houden, bijvoorbeeld door besparingen in enig jaar te reserveren voor het compenseren van tekorten in andere jaren. De gemiddelde prijs in Almere is hoger dan elders. Tot 2015 had dat te maken met hogere normen voor alleenstaande ouders. Vanaf 2015 zou dat geen verschil meer mogen maken, door de invoering van de kinderkorting. Er zijn daarnaast andere bevindingen die mogelijk wijzen op een hogere prijs dan gemiddeld: De terugontvangstenratio is lager dan gemiddeld. Incassoquote lager dan gemiddeld. Verhaal is laag gegeven het hoge aandeel alleenstaande ouders. Het aantal parttimers in de bijstand is lager dan gemiddeld. Het aantal vrijlatingen is lager dan gemiddeld
33 Daar staan echter een hoog aantal maatregelen en een hoge fraudequote tegenover. Al met al zal de prijs met verschillende maatregelen omlaag kunnen worden gebracht. De precieze impact van deze maatregelen op de prijs zal nader moeten worden onderzocht. De samenstelling van het bestand wijkt met name af van andere gemeenten door het grote aantal alleenstaande ouders in de gemeente Almere. Hiermee zal in het beleid rekening moeten worden gehouden. Er is ons inziens een belangrijk aandachtspunt. De instroomquote (en in samenhang daarmee de uitstroom) is in de afgelopen paar jaar toegenomen. Mogelijk liggen daar beleids- en uitvoeringsfactoren aan ten grondslag: mensen actiever ondersteunen bij het zoeken naar werk. Dat is een keuze. Er moet rekening mee gehouden worden dat deze benadering leidt tot hogere uitvoeringskosten en dat het waarschijnlijk geen effecten heeft op het totale bijstandsvolume. 6.3 Wat kan Almere om de prestaties te verbeteren? Maatregelen haken aan op de hoogte van de bijstandsuitgaven. De omvang van het budget is moeilijk of niet te beïnvloeden. Dat is vanuit de budgetteringsgedachte ook niet de bedoeling. Hiervoor hebben we een benchmark uitgevoerd. Doel van de benchmark was om na te gaan of Almere op onderdelen sterk afwijkt van andere gemeenten en of dat aanknopingspunten biedt voor maatregelen. We hebben gezien dat dat voor wat betreft het volume lastig is om te bepalen. Bij de prijs zien we wel aanknopingspunten ter verbetering. Het volume is bewegelijk en is meer conjunctuurgevoelig dan elders. Een minder gunstige volumeontwikkeling dan elders kan deels worden verklaard door een relatief sterke daling van het baanaanbod. Belangrijk is dat er een ambitieuze, maar realistische volumedoelstelling wordt geformuleerd. Voor de prijs is mogelijk aan aantal verbeteringen mogelijk: incasso, terugontvangsten, parttime werk, vrijlatingen, omvang parttime baan. We brengen hier de mogelijke maatregelen in beeld, die mede gebaseerd zijn op de workshop die we hierover met medewerkers hebben georganiseerd. Mogelijke maatregelen Mede op basis van de workshop die we intern Almere hebben georganiseerd kwam een aantal mogelijke maatregelen naar voren Meer nadruk op het voorkomen van instroom. Iemand die niet in de bijstand komt, hoeft er ook niet meer uit cq hoef je ook geen inspanningen meer voor te verrichten om hem/haar uit te laten stromen. Specifieke maatregelen: Vier weken zoektermijn voor iedereen die een uitkering aanvraagt (ook boven de 27 jaar) toepassen. Hier is variatie in mogelijk. Mensen gaan zelfstandig aan de slag om binnen de
34 vier-weken-termijn aan de slag te komen. Of de gemeente biedt faciliteiten zoals een plek waar gezocht kan worden naar vacatures en waar consulenten aanwezig zijn als vraagbaak. Workfirst: mensen komen niet om een uitkering aan te vragen, maar om ondersteund te worden bij het zoeken van een baan. Workfirst houdt in dat eenieder een baan wordt aangeboden (al dan niet op de reguliere arbeidsmarkt) of dat mensen vanaf dag 1 verplicht aanwezig moeten zijn om activiteiten te ondernemen gericht op het vinden van werk. Gemeente gaat nog actiever aan de slag met (max) WW-ers om ervoor te zorgen dat zij tijdig op zoek gaan naar een baan en niet in de bijstand stromen. Mogelijke maatregelen variëren van een informatiebijeenkomst voor WW-ers over wat het betekent om in de bijstand te zitten tot aan intensieve trajecten die de gemeente aanbiedt om WW-ers actief te ondersteunen om aan de slag te gaan voordat ze instromen in de bijstand. Hoogwaardig handhaven: hoogwaardig handhaven zorgt ervoor dat handhaving een van de kerntaken wordt van ALLE medewerkers. Alle processen en handelingen zijn er mede op gericht om fraude op te sporen, maar ook om fraude te voorkomen. Dus: zowel preventie als repressie. Er is een afzonderlijke handhavingsplan waar e.e.a. in is uitgewerkt. PDCA en P&C-cyclus: duidelijke focus aanbrengen in een beperkt aantal ambitieuze, maar haalbare doelstellingen. Deze vertalen naar SMART-targets tot op individueel medewerkersniveau. Hierover maandelijks 10 rapporteren in een rapportage waarin de resultaten kunnen worden gevolgd en waarin eventuele maatregelen of bijstellingen worden voorgesteld. Op de verschillende niveaus bespreken: wethouder, directie, management, teams. Aandacht voor het zittend bestand. Slimme systemen inrichten die ervoor zorgen dat er voldoende zicht is op het zittend bestand. Zowel controle op doelmatigheid als rechtmatigheid. Als blijkt dat mensen potentieel weer aan de slag kunnen, worden ze teruggebracht in het reintegratieproces gericht op uitstroom. Bedrijfsproces: Werk als frontofficie. Inkomen als backoffice. De hoofdprocessen werk en inkomen staan permanent met elkaar in contact. Doorstroming van klanten wordt streng bewaakt. Stilstaand water moet worden voorkomen. Mensen blijven niet hangen in trajecten. Trajecten zijn in de tijd gemaximeerd. In de volgende figuur presenteren we een klantproces waar deze elementen allemaal in zijn aangebracht: Werk voorop. Inkomen in een backoffice-achtige rol. Maar, wel continue afstemming tussen beide stromen. 10 Kan bijvoorbeeld ook één keer in de vier maanden. Belangrijk is dat er een cyclus is met voldoende frequentie
35 In te zetten maatregelen en trajecten niet afhankelijk van één gesprek met een consulent, maar afhankelijk van wat je op langere termijn ziet van de werkzoekende. Continue klantstroom. Geen stilstaand water. Trajecten in tijd gemaximeerd. Zittend bestand met werkperspectief wordt ingebracht in het hoofdproces. Algemeen geaccepteerde arbeid daadwerkelijk toepassen, in plaats van passende arbeid. Aandacht voor de hoogte van de gemiddelde uitkering: Blijven sanctioneren waar nodig (aantal maatregelen Almere is al relatief hoog). Voorkomen te veel betaalde uitkeringen (mutaties snel doorvoeren, beëindigen snel doorvoeren, administratieve fouten voorkomen etc). Extra stimuleren van partiële arbeid (als volledige uitstroom niet mogelijk is). Met name van belang vanwege het grote aandeel alleenstaande ouders. Daarbij letten op het aantal uren dat parttime wordt gewerkt en terughoudend omgaan met vrijlatingen. Handhaving en controle: witten van zwart- en grijswerk. Opsporen vermogen. Samenwoningsfraude etc. Actieve en moderne terugvordering en verhaal: nabellen, internetcontrole en dergelijke. Last but not least: Nieuwe doelgroepen Participatiewet (nieuw-beschut, begeleiding regulier, loonkostensubsidies e.d.). Duidelijke kwantitatieve doelstellingen en taakstellingen afspraken. Budgetten specifiek afbakenen. Afspraken maken over verhouding nuggers/niet-nuggers en over de loonwaarde van betrokkenen
36 Het gaat nu nog om groepen van beperkte omvang: enkele tientallen. Maar op de langere termijn, in de structurele situatie gaat het op basis van de ramingen van het ministerie van SZW voor Almere om 2400 personen vanuit de nieuwe doelgroep extra, bovenop het huidige bijstandsvolume. Specifieke maatregelen en aandacht voor deze groep is dus noodzakelijk
37 Bijlage: benchmark vorderingen almere Nederland 2013 jan 2013 dec 2014 dec 2015 dec 2016 sept 2013 jan 2013 dec 2014 dec 2015 dec 2016 sept gem. vord. Totaal gemiddelde vordering ( ) Verwijtbare vorderingen (vóór 2013) Vorderingen inlichtingenplicht (wetg...) Boetevorderingen (wetgeving vanaf 2013) Verhaal Geldlening Overige vorderingen aant/bijstand Tot. vorderingen/ bijstandsgerechtigde (aant) 142% 151% 151% 152% 160% 121% 119% 118% 119% 116% Verwijtbare vorderingen (vóór 2013) 55% 49% 40% 33% 31% 35% 31% 25% 21% 18% Vorderingen inlichtingenplicht (wetg...) 0% 5% 11% 14% 17% 0% 3% 8% 12% 13% Boetevorderingen (wetgeving vanaf 2013) 0% 6% 10% 10% 10% 0% 1% 3% 4% 4% Verhaal 6% 6% 6% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 4% Geldlening 40% 42% 43% 45% 48% 37% 36% 34% 34% 34% Overige vorderingen 41% 42% 42% 45% 49% 43% 43% 43% 43% 41% /bijstand Tot. vorderingen/bijstandsgerechtigde ( ) Verwijtbare vorderingen (vóór 2013) Vorderingen inlichtingenplicht (wetg...) Boetevorderingen (wetgeving vanaf 2013) Verhaal Geldlening Overige vorderingen Conclusies: Het totaal bedrag aan vorderingen is in Almere gemiddeld in Nederland. Dat komt vooral door een hoger bedrag aan verwijtbare vorderingen van voor 2013 en een hoger bedrag aan geldleningen. Het hogere bedrag aan verwijtbare vorderingen van voor 2013 wordt verklaard door een hoger aantal vorderingen dan gemiddeld. Het bedrag per vordering is in Almere zelfs iets lager dan landelijk gemiddeld. Het hogere bedrag aan geldleningen is eveneens het gevolg van een hoger aantal. Het gemiddeld bedrag per vordering is bijna gelijk aan het landelijk gemiddelde. Het valt op dat het bedrag aan vorderingen sinds 2013 in Almere omhoog is gegaan terwijl gemiddeld in Nederland sprake was van een daling. Dit wordt bijna volledig veroorzaakt door een toename van het bedrag aan geldleningen, terwijl dit bedrag in Nederland omlaag ging. De verandering van het bedrag aan geldleningen wordt veroorzaakt door een toename in het aantal. Landelijk is de afname het gevolg van een daling van het aantal geldleningen. Voorts valt op dat verhaal relatief laag is in vergelijking met de rest van Nederland. Het gaat om het gemiddeld vorderingenbedrag dat fors lager is. Echter, als we het aantal vorderingen af zouden zetten tegen het aantal alleenstaande ouders in de bijstand, blijkt dat het aantal vorderingen in Almere ook aan de lage kant is. Immers, als percentage van het totaal aantal bijstandsgerechtigden is het aantal vorderingen bijna gelijk aan het landelijke percentage. Maar, het aantal alleenstaande ouders in de bijstand in Almere is fors hoger dan elders
Welke re-integratiemiddelen krijgen gemeenten onder de Participatiewet?
Welke re-integratiemiddelen krijgen gemeenten onder de Participatiewet? Gemeenten ontvangen via het re-integratiebudget middelen voor ondersteuning en begeleiding van de doelgroep Participatiewet. Er zijn
Financiële effecten van de Participatiewet
Financiële effecten van de Participatiewet Utrecht, 5 december 2012 Martin Heekelaar E: [email protected] M: 06-23152767 1 Wet werken naar vermogen wordt Participatiewet Invoering op 1 januari
De besparing voor een gemeente als er iemand uit de bijstand stroomt
De besparing voor een gemeente als er iemand uit de bijstand stroomt Als er in een gemeente iemand uit de bijstand stroomt, hoeft de gemeente één bijstandsuitkering minder te betalen. Gemeenten gaan er
BAWI/U200801717 Lbr. 08/170
Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8020 betreft Meerjarig aanvullende Uitkering I-deel WWB uw kenmerk ons kenmerk BAWI/U200801717 Lbr. 08/170 bijlage(n) datum
5-11-2014. Inhoud. Verdeelmodel Inkomensdeel Participatiewet. 2. Project verdeelmodel inkomensdeel 2015
Inhoud Verdeelmodel Inkomensdeel Participatiewet Platform Sociaal en Financieel Domein, VNG Overijssel 1. Hoe werkt de financieringssystematiek? 2. Project verdeelmodel inkomensdeel 3. Hoe werkt het multiniveau-model?
Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De heer H.A.L. van Hoof Postbus 90801 2509 LV Den Haag
1 Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De heer H.A.L. van Hoof Postbus 90801 2509 LV Den Haag Bijlagen -- Inlichtingen bij Uw kenmerk Dossier/volgnummer 55808-054 Mr. G.A. van Nijendaal
CPB Notitie. 1 Inleiding. Datum: 15 september 2015 Betreft: Raming van het bijstandsvolume in MEV 2016
CPB Notitie Centraal Planbureau Van Stolkweg 14 Postbus 80510 2508 GM Den Haag T (070)3383 380 I www.cpb.nl Contactpersoon Krista Hoekstra Datum: 15 september 2015 Betreft: Raming van het bijstandsvolume
De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015
De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015 Utrecht, 12 februari 2013 Martin Heekelaar, tel 06-23152767 Ad Baan, tel 06-55364740 1 Gemeenten kunnen (feitelijk: moeten) een MAU aanvragen als: Voldoen
Doorontwikkeling verdeelmodel 2017!
Doorontwikkeling verdeelmodel 2017! Presentatie voor: bijeenkomst Presentatie verdeelmodel bijstandsbudgetten!!! Utrecht, 23 juni 2016! SEO: Caren Tempelman, Marloes Lammers, Tom Smits, Sandra Vriend!
Verdeling inkomensdeel WWB/Participatiewet Beoordeling van vier verdeelmodellen in opdracht van het Ministerie van SZW
Verdeling inkomensdeel WWB/Participatiewet Beoordeling van vier verdeelmodellen in opdracht van het Ministerie van SZW Martin Heekelaar Paul Schenderling Maart 2014 46820/mnh Verdeling inkomensdeel WWB/Participatiewet
070-426 7258 Aanpassing verdeelmodel inkomensdeel Wet Werk en Bijstand
Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De heer H.A.L. van Hoof Postbus 90801 2509 LV Den Haag Bijlagen Uw kenmerk Ons kenmerk -- Inlichtingen bij Dossier/volgnummer Rfv2005056492 Doorkiesnummer
Kengetallen op maat. Stimulansz
Kengetallen op maat Stimulansz 1 INLEIDING Voor u ligt de rapportage Kengetallen op maat. Kengetallen op maat is een product van Stimulansz, gemaakt voor de abonnees van Stimulansz. In de rapportage wordt
Financiële gevolgen van het beëindigen van tijdelijke contracten in de sociale werkvoorziening
Financiële gevolgen van het beëindigen van tijdelijke contracten in de sociale werkvoorziening Gemeenten worden geconfronteerd met hoge kosten voor onder andere de SW- populatie, een dalend subsidiebedrag
Verkenning verdeelmodel Inkomensdeel WWB 2014
Verkenning verdeelmodel Inkomensdeel WWB 2014 Samenvatting van het rapport Martin Heekelaar [email protected] 06-23152767 November 2012 Samenvatting van het rapport Verkenning verdeelmodel Inkomensdeel
Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009
Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de NVOG Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de
Aan de Gemeenteraad van Nijmegen. Geachte leden van de Raad,
Aan de Gemeenteraad van Nijmegen Korte Nieuwstraat 6 6511 PP Nijmegen Telefoon 14024 Telefax (024) 323 59 92 E-mail [email protected] Postbus 9105 6500 HG Nijmegen Datum 15 september 2015 Ons kenmerk
Van Martin Heekelaar [email protected] 030-2916814 Datum 30 oktober 2012 Betreft
Van Martin Heekelaar [email protected] 030-2916814 Datum 30 oktober 2012 Betreft Financiële gevolgen Regeerakkoord i.v.m. gemeentelijke regelingen W&I Op 29 oktober presenteerden de VVD en de PvdA
VOORSTEL INHOUD. Portefeuille: P. van Bergen. No. B15.000681. Dronten, 28 april 2015. maatregelen ter voorkoming voorlopig tekort BUIG
Portefeuille: P. van Bergen No. B15.000681 Dronten, 28 april 2015 maatregelen ter voorkoming voorlopig tekort BUIG Aan de gemeenteraad VOORSTEL Wij stellen u voor: 1. Kennis te nemen van de consequenties
Dashboard voor het beleid en de uitvoering van de Participatiewet Handleiding bij het gebruik
Dashboard voor het beleid en de uitvoering van de Participatiewet Handleiding bij het gebruik Martin Heekelaar Paul Schenderling Eline Korndewal November 2015 Dashboard voor het beleid en de uitvoering
