SCHADEFONDS PROJECT X HAREN

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "SCHADEFONDS PROJECT X HAREN"

Transcriptie

1 NEDERLANDS JURISTENBLAD SCHADEFONDS PROJECT X HAREN Nieuwe regels pandbelening Patiëntgegevens en privacy P JAARGANG APRIL

2 TWEE TEAMVOORZITTERS HANDEL GERECHTSHOF DEN HAAG DE AFDELING CIVIEL RECHT FUNCTIEOMSCHRIJVING DE REACTIE Gerechtshof Den Haag

3 Inhoud Vooraf Mr. C.E. Drion Good Faith Focus Mr. drs. J.E. van de Bunt Een schadefonds voor project X Focus Mr. C. olde Heuvel Strafrechtelijke handhaving van pandbeleningen In the light of these points, I respectfully suggest that the traditional ENGLISH HOSTILITY towards a DOCTRINE OF GOOD FAITH in the NEDERLANDS JURISTENBLAD SCHADEFONDS PROJECT X HAREN Nieuwe regels pandbelening Patiëntgegevens en privacy P JAARGANG APRIL Opinie Mr. drs. C.J.H. van Beek Een halfleeg glas De risico s van het bewaren van een kopie van het patiënten dossier voor de privacy performance of contracts (...) is MISPLACED Pagina Rubrieken Rechtspraak Boeken Tijdschriften Wetgeving Nieuws Universitair nieuws Personalia Agenda 1103 Het SCHADEFONDS voor PROJECT X HAREN lijkt op het eerste gezicht te voorzien in een BEHOEFTE maar bij NADERE INSPECTIE levert het te veel NIEUWE PROBLEMEN op Pagina 1034 Als een DWANGSOM niet werkt is er GEEN ander instrument beschikbaar welk het IMMORELE gedrag van PANDHUIZEN sanctioneert Pagina 1036 Bij de AANPAK van de PROBLEMATIEK zal steeds voor ogen moeten staan dat OVERHEIDSHANDELEN in de rechtsstaat ook RECHTS- VORMEND moet zijn. De laatste jaren doet zich steeds VAKER het fenomeen voor dat de politieke WILSVORMING SNELLER gaat dan het wetgevingsproces Pagina 1094 Uit de UITSPRAKEN zou kunnen worden afgeleid dat een hulpverlener ALTIJD een KOPIE van het MEDISCH DOSSIER mag bewaren nadat het origineel is overgedragen, al was het maar VOOR HET GEVAL een (tucht)rechtelijke PROCEDURE mocht gaan spelen Pagina 1042 Hoewel verschillende lidstaten met de ONAFHANKELIJK- HEIDSPERCEPTIE van hun gerechtelijk apparaat wereldwijd in de TOP TIEN staan beschouwen de eindgebruikers de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel eerder als LAAG Pagina 1098 Bij stapeling van INCASSO- MAATREGELEN kan het gebeuren dat het BELANG van de schuldenaar te zeer in het GEDRANG komt Pagina 1100 Omslag: Na de rellen in Haren ANP Eric Brinkhorst

4 NEDERLANDS JURISTENBLAD Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven Erevoorzitter J.M. Polak Redacteuren Tom Barkhuysen (vz.), Ybo Buruma, Coen Drion, Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins, Taru Spronken, Peter J. Wattel Medewerkers Chr.A. Alberdingk Thijm, technologie en recht, Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht), Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen - beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht, Eric Daalder, bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens, Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechtspleging, Richard H. Happé, belastingrecht, Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechts sociologie, Martijn W. Hesselink, rechtsvergelijking en Europees privaatrecht, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht, C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Theo de Roos, straf(proces)recht, Stefan Sagel, arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht, Thomas Spijkerboer, migratierecht, Elies Steyger, Europees recht, T.F.E. Tjong Tjin Tai, verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht, Dirk J.G. Visser, intellectuele eigendom, Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling, mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht, Willem J. Witteveen, staatsrecht Auteursaanwijzingen Zie Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB. Logo Artikelen met dit logo zijn door externe peer reviewers beoordeeld. Citeerwijze NJB 2013/[publicatienr.], [afl.], [pag.] Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84, Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag, tel. (0172) , [email protected] Internet en Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman Adjunct-secretaris Berber Goris Secretariaat Nel Andrea-Lemmers Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, Uitgever Simon van der Linde Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer. Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zie Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer Afdeling Klantcontacten, tel. (0570) Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: 300 (incl. btw.). NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 320 (excl. btw), extra gebruiker 80 (excl. btw). Combinatieabonnement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker 320 (excl. btw). Prijs ieder volgende gebruiker 80 (excl. btw). Bij dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u toegang tot NJB Online. Zie voor details: (bij abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers 30. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over eenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te informeren over relevante producten en diensten. Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen. Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél Capital Media Services Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen Tel , [email protected] ISSN NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m 16m Auteurswet j. Besluit van 29 december 2008, Stb. 2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofd dorp (Postbus 3051, 2130 KB). VU Law Academy Betrokken op úw competentie Leergangen najaar 2013 wordt u dé specialist in uw praktijk? Leergang Aanbestedingsrecht voor inkopers (september 2013) Leergang Aanbestedingsrecht voor juristen (september 2013) Leergang Fusie en overname (oktober 2013) Leergang Pensioenrecht (september 2013) Leergang Samenwerkingsverbanden tussen decentrale overheden Leergang Sport, Sportorganisatie & Recht (september 2013) Leergang Regelgevingsleer voor decentrale overheden (november 2013) Voor het gehele programma en inschrijving zie: (september 2013)

5 Vooraf 793 Good Faith 16 In veel rechtsstelsels speelt de goede trouw een rol van betekenis, en dan in de belevenis van rechtsgeleerden en rechtssubjecten meestal een goede. Good faith als goede fee, die de rechtvaardige uitkomst in het individuele geval tevoorschijn tovert. Maar er zijn ook critici, die wijzen op de (in hun ogen) soms te grote inbreuk die de goede trouw maakt op een ander fundamenteel beginsel, dat van de rechtszekerheid. In Engeland overheersen de critici, al eeuwenlang. Daar ziet men een afwijkende koers als een uitvloeisel van het paternalisme dat in andere stelsels zou gelden, tegenover het individualisme dat ten uitgangspunt ligt aan de common law. Het debat wordt zo sterk getoonzet dat bij buitenstaanders, bijvoorbeeld juristen op het continent van Europa, niet zelden het beeld bestaat dat de Engelse benadering voor alle rechtsstelsels uit de common law-traditie zou gelden. Dat beeld is niet juist. Zo bepaalde reeds in 1918 de New York Court of Appeals 1 : Every contract implies good faith and fair dealing between the parties to it. Ook de Uniform Commercial Code (in Section 1-203) en de Restatement on Contracts (in Section 205) gaan uit van deze regel. En in Australië geldt hetzelfde, een ontwikkeling die werd ingezet door de New South Wales Court of Appeal in Renard Constructions (ME) Pty v Minister for Public Works (1992) 44 NSWLR 349. Priestly JA verwoordde het onder 95 van zijn speech als volgt: people generally, including judges and other lawyers, from all strands of the community, have grown used to the courts applying standards of fairness to contract which are wholly consistent with the existence in all contracts of a duty upon the parties of good faith and fair dealing in its performance. In my view this is in these days the expected standard, and anything less is contrary to prevailing community expectations.. Het is deze tekst die de invloedrijke contractsjurist Michael P. Furmston in bracht tot de volgende gedachte: It is not inconceivable that on appropriate facts and with skillful argument, English law may make tentative steps in the same direction. In een opmerkelijke uitspraak van 1 februari 2013 heeft Justice Leggatt deze voorspelling doen uitkomen. 3 De zaak betreft een zakelijk geschil over de uitvoering van een distributieovereenkomst tussen een Engelse principaal (ITC) en een Singaporese distributeur (Yam Seng). In dit drama zijn de hoofdrollen voor Mr Presswell (bestuurder van ITC) en Mr Tuli (bestuurder van Yam Seng). Als lezer weet je al vrij snel welke kant deze zaak opgaat, want reeds in paragraaf 8 valt te lezen: I approach the evidence on the basis that, as in almost every case where there is a contemporaneous documentary record, the documents provide the best evidence of what happened. Human memory is notoriously unreliable, and the strong interests and emotions to which disputes resolved through litigation give rise are powerful distorting factors, however honest and wellintentioned the witness. Indeed, the more patently honest and convincing the witness, the greater can often be the risk in placing reliance on their territory. That was not a risk presented by the evidence of Mr Presswell.. Het probleem in deze zaak was echter dat moeilijk geconcludeerd kon worden tot een harde schending van schriftelijke afspraken. Deze hobbel wordt door de High Court genomen onder het kopje An Implied Duty of Good Faith?, in paragraaf 119 e.v. Na eerst kort stil te staan bij de heersende leer en alle bezwaren die worden opgeworpen tegen het accepteren van een bredere rol voor good faith, komt de eerste aap de mouw uit, of, zo men wil, de vloek de kerk in: this jurisdiction would appear to be swimming against the tide. Justice Leggatt het is opmerkelijk in deze tijden van Euro-scepticism begint dan met te wijzen op EU-regels die in Engeland reeds wettelijke basis hebben gevonden, zoals de Unfair Terms in Consumer Contracts Regulation 1999, waarin een breder concept van goede trouw is te vinden. Via de reeds hierboven genoemde bronnen uit de VS en Australië, komt hij dan uit bij soortgelijke benaderingen in Schots recht en ontwikkelingen in Canada en Nieuw-Zeeland die in dezelfde richting wijzen. Zijn tussenconclusie is dan in paragraaf 131 dat Engels recht nog niet zover is om (buiten specifieke rechtsgebieden als arbeidsrecht en maatschapsrecht) een algemene regel van goede trouw te aanvaarden, ook niet als default rule. Nevertheless, there seems to me no difficulty, ( ) in implying such a duty in any ordinary commercial contract based on the presumed intention of the parties. In dat kader beschrijft hij dan twee specifieke implied duties, namelijk de expectation of honesty en de fidelity to the parties bargain. Tot slot voert Justice Leggatt een zestal redenen aan om dit ook expliciet te betitelen als een duty of good faith and fair dealing (maar de ruimte ontbreekt om die te bespreken). Zijn eindconclusie liegt er niet om en kan dan ook niet onvermeld blijven. In the light of these points, I respectfully suggest that the traditional English hostility towards a doctrine of good faith in the performance of contracts, to the extent that it still persists, is misplaced. De toekomst zal leren of deze uitspraak moet worden gezien als het spreekwoordelijke schaap of als de even spreekwoordelijke zwaluw. Een gedurfde steen in de vijver is de beslissing in elk geval. Coen E. Drion 1. Wigand v Bachmann-Bechtel Brewing Co, 222 NY 272 at Cheshire, Fifoot & Furmston, Law of Contract (15th edition), p High Court of London (Queen s Bench Division), 1 February 2013, Yam Seng Pte Limited v International Trade Corporation Limited, [2013] EWHC 111 (QB). Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

6 794 Focus Een schadefonds voor project X Janet van de Bunt 1 Het schadefonds voor project X Haren lijkt op het eerste gezicht te voorzien in een behoefte en weet de obstakels uit het aansprakelijkheidsrecht behendig te ontwijken. Maar bij nadere inspectie levert het te veel nieuwe problemen op. Gevolg is dat het onzeker is of gedupeerden een tegemoetkoming zullen krijgen uit het fonds. Mocht er een tegemoetkoming uit het fonds komen, dan is deze op onrechtvaardige wijze verdeeld. Bovendien heeft het fonds een kleine reikwijdte, zodat de gedupeerde met meer dan alleen zaakschade, of de bedrijven met zaakschade naar andere procedures moeten uitwijken. 1. Waar is dat feestje? Na een verjaardagsuitnodiging op Facebook stroomden op 21 september 2012 in de gemeente Haren honderden jonge bezoekers toe in de verwachting een project X feest mee te maken. Het feest is ontaard in rellen en de bezoekers hebben een ware puinhoop achtergelaten. Een supermarkt is geplunderd, lantaarnpalen en verkeersborden zijn beschadigd, tuinen vernield en hulpverleners bekogeld met projectielen. Enkele dagen na de rellen heeft de Minister van Veiligheid en Justitie toegezegd dat de schade verhaald zal worden op de bezoekers. 2 Het OM heeft vervolgens telkens aan de rechter gevraagd een bijzondere voorwaarde aan de relschoppers op te leggen, in de vorm van storting van een verplicht bedrag in een nog op te richten schadefonds. Het gaat om een bedrag van 500 voor volwassenen en 250 voor minderjarigen. 3 Inmiddels zijn 45 daders onherroepelijk veroordeeld tot betaling van in totaal Eind februari 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een regeling publiek gemaakt om dit schadefonds te verwezenlijken: 4 de Regeling tegemoetkoming schade openlijke geweldpleging. 5 De regeling is met terugwerkende kracht in werking getreden en geldt tot 1 januari Het schadefonds moet ook voor toekomstige gevallen een oplossing bieden, bijvoorbeeld bij voetbalrellen buiten het stadion, Oud en Nieuw-rellen en inhuldigingen. In deze bijdrage zal ik onderzoeken in hoeverre het schadefonds gedupeerden van openlijk geweld werkelijk baat. Daartoe zal ik de obstakels voor verhaal op de daders in het aansprakelijkheidsrecht schetsen (par. 2), bekijken of het schadefonds voor project X die obstakels laat verdwijnen (par. 3), onderzoeken welke andere problemen zich aandienen (par. 4), om tenslotte een antwoord te geven op de vraag in hoeverre het fonds gedupeerden verhaal biedt voor hun schade (par. 5). 2. Causaliteit in het aansprakelijkheidsrecht problematisch Een gedupeerde van project X Haren zal grote moeite krijgen de schade te verhalen in het aansprakelijkheidsrecht. De gedupeerde kan gebruik maken van verschillende grondslagen: de algemene onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en voor zover het gaat om daders van veertien of vijftien jaar de kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders (art. 6:169 BW). 6 Complicerende factor bij die laatste grondslag is dat de ouders zich kunnen bevrijden van aansprakelijkheid als zij kunnen aantonen dat hen geen verwijt treft dat zij het gedrag niet hebben tegengehouden; met kinderen van die leeftijd, die in Nederland een grote mate van zelfstandigheid genieten, zullen ouders zich eenvoudig kunnen disculperen. 7 Juist vanwege de kans op het toebrengen van schade is het groepsgedrag onrechtmatig Waarschijnlijk zal het vereiste van causaal verband van de onrechtmatige daad een probleem vormen. Ook al is vastgesteld dat de dader openlijk geweld heeft gepleegd en schade heeft toegebracht, dan hoeft daarmee nog niet vast te staan dat die dader juist die specifieke schade (zoals de vernielingen in de tuin van een bepaalde gedupeerde) heeft veroorzaakt. Om dit probleem te omzeilen lijkt de gedupeerde als grondslag voor zijn vordering de groepsaansprakelijkheid te kunnen gebruiken (art. 6:166 BW): 8 als een van de leden 1030 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

7 van een groep de schade toebracht, en de kans op het zo toebrengen van schade de leden van de groep had moeten weerhouden van handelen in groepsverband, is elk lid hoofdelijk aansprakelijk, als het gedrag hem kan worden toegerekend. Zelfs als een dader niet direct aan een specifiek schadegeval kan worden gekoppeld, kan hij aansprakelijk worden gehouden op grond van de bepaling. 9 Juist vanwege de kans op het toebrengen van schade is het groepsgedrag onrechtmatig. 10 De toepassing van art. 6:166 BW vergt dat de aangesproken persoon met anderen optrekt met een zekere eenheid van tijd en plaats. 11 Bij grootschalige rellen is dat geen sine cure, omdat er sprake zal zijn van verschillende groepen op verschillende momenten. In Haren plunderden jonge bezoekers de supermarkt en tegelijkertijd, maar ook eerder en later, renden zij door de tuinen van het dorp. Wie was waar en wanneer? Het is dan ook verre van zeker dat art. 6:166 soelaas biedt. Zo blijft het causaal verband waarschijnlijk aan een vergoeding in het aansprakelijkheidsrecht in de weg staan. In enkele Harense strafzaken hebben gewonde politieagenten die de dader hadden herkend, zich gevoegd met een eis tot schadevergoeding. 12 Maar in de meeste zaken bleek het niet mogelijk de schade te herleiden tot een individuele dader, en is de schade afgewezen. Het schadefonds lijkt dus te voorzien in de behoefte van gedupeerden om hun schade vergoed te krijgen. 3. Schadefonds lost problemen op De vraag rijst of dit schadefonds inderdaad tegemoet komt aan de hindernissen die in het aansprakelijkheidsrecht rijzen bij rellen als het project X feest. 13 Het schadefonds heeft maar een beperkte reikwijdte: het biedt alleen een tegemoetkoming aan natuurlijke personen, zzp ers en eenmansbedrijfjes en richt zich uitsluitend op hun zaakschade. 14 Deze gedupeerden kunnen een bedrag voor kosten tot herstel van de schade aan hun eigendommen opvoeren of voor de kosten ter vervanging van hun eigendom als herstel van schade onmogelijk is. 15 Een aanvraag is eenvoudig in te dienen bij het schadefonds geweldsmisdrijven, dat een speciaal team heeft opgericht. 16 Een gedupeerde had deze deadline zomaar kunnen missen Het schadefonds stelt aan een tegemoetkoming niet al te hoge eisen. Voorwaarden zijn dat de gedupeerde voldoende aannemelijk maakt dat hij schade heeft geleden bij het incident, en dat deze schade niet vergoed wordt door de dader of niet volledig door de eigen verzekering van de gedupeerde gedekt wordt. 17 De gedupeerde dient daartoe aangifte te hebben gedaan van de schade en het proces-verbaal bij de aanvraag te voegen. 18 Om aan te tonen dat de verzekering de schade niet dekt, moeten de correspondentie met de verzekeraar en kopieën van de verzekeringspolissen worden overgelegd. 19 Ook de hoogte van de schade moet voldoende aannemelijk zijn, en door de gedupeerde zoveel mogelijk worden onderbouwd met schriftelijke stukken als offertes voor herstel van de schade. Andere vergoedingen of tegemoetkomingen voor dezelfde schade moet de gedupeerde van zijn schade aftrekken. 20 Zo wordt voorkomen dat de gedupeerde twee maal een vergoeding krijgt voor dezelfde schade. Auteur regeling is geschreven voor gebeurtenissen waarbij in groepsverband openlijk geweld is gepleegd, in de zin van art. 141 WvSr, en waarbij goederen zijn vernield. 6. Overigens is een wetsvoorstel aanhangig om van deze kwalitatieve aansprakelijkheid een risico-aansprakelijkheid te maken voor minderjarigen, zie: Kamerstukken Navraag bij het OM Noord-Nederland leert dat de gemiddelde leeftijd van de daders jaar was. 7. Zie bijvoorbeeld E.F.D. Engelhard, G.E. van Maanen, Aansprakelijkheid voor schade: contractueel en buitencontractueel (Mon. NBW A15), Kluwer 2008, p Zie recent over groepsaansprakelijkheid: N. Peters en M. Goorts, Artikel 6:166 BW: onbekend maakt onbemind?, AV&S, 2012, nr. 21; Voorts: R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband volgens NBW (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1990; Asser-Hartkamp & Sieburgh 6-IV, 2011, nr Het groepsoptreden moet wel een gevaar in het leven hebben geroepen voor schade zoals die is geleden. Aan die eis lijkt voldaan. In de parlementaire geschiedenis wordt het voorbeeld genoemd van een rel waarbij iemand onverwacht een schietwapen bij zich heeft en gebruikt, of een samenscholing die uitloopt op zaaksbeschadiging: Parl. Gesch. Boek 6, p moetkoming schade openlijk geweld, Stcrt. 2013, nr. 5426, p Deze categorie gedupeerden wordt als de meest kwetsbare beschouwd die de schade minder goed zelf kan dragen: zie art. 1 aanhef en onder d van de regeling, alsmede de toelichting op dit artikel. 15. Zie art. 1 aanhef en onder g van de regeling. Dit is in overeenstemming met de wijze van vergoeding in het aansprakelijkheidsrecht voor zaakschade: J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer: Kluwer 2012, p Mr. drs. J.E. van de Bunt is als gastonderzoeker verbonden aan de afdeling burgerlijk recht van de Universiteit Leiden en bereidt een proefschrift voor over schadefondsen. Met veel dank aan prof. mr. A.G. Castermans en mr. P.W. den Hollander voor commentaar op een eerdere versie van dit artikel. 10. Dit volgt uit lid 2 van art. 6:166 BW, tenzij de billijkheid een andere verdeling eist. Zie hierover ook Boonekamp 1990, p In de onderlinge verhouding komt dit ook tot uitdrukking, want dan dragen de deelnemers aan de groep voor gelijke delen in de schadevergoeding bij, los van de vraag in hoeverre hun gedrag tot de schade heeft bijgedragen. 11. Zie ook Boonekamp 1990, p , het gaat dan om de feitelijke vraag of sprake is van één geheel van gedragingen in groepsverband. 12. Dit blijkt uit: O. Adang e.a., Er is geen feest. De overheidsreactie op project X Haren. Deelrapport, 2013, p Te raadplegen via: documenten-en-publicaties/rapporten/2013/03/08/er-is-geen-feest-de-overheidsreactie-op-project-x-haren.html. 13. Zie de toelichting bij de Regeling tege- Noten 2. Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 4 (Vragen van het lid Marcouch aan Minister van Veiligheid en Justitie over de uit de hand gelopen situatie in de gemeente Haren rond Project X ). 3. Vergelijk art. 14c lid 2 aanhef en sub 4 WvSr. 4. Nieuwsbericht Teeven publiceert Regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld, 6 maart 2013 te raadplegen via: De verwachting is dat er nog enkele tientallen veroordelingen zullen volgen in de zaken die in eerste aanleg of in hoger beroep moeten worden beslist. 5. Zie Regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld, Stcrt. 2013, nr De 16. Het team schade openlijk geweld, zo blijkt uit art. 2 en de toelichting op dat artikel. Verder blijven de fondsen strikt gescheiden. 17. Vergelijk art. 6 aanhef onder d, art. 7 aanhef en onder a van de regeling. 18. Aangifte doen is niet gebonden aan een bepaalde termijn, en kan tegenwoordig zelfs per internet worden gedaan. 19. Art. 7 aanhef en onder b van de regeling; toelichting op art. 4 van de regeling. 20. Opnieuw art. 1 aanhef en onder g van de regeling. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

8 Focus Als aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de aanvraag gehonoreerd. Dat gaat gemakkelijker dan in het aansprakelijkheidsrecht, waar het causaal verband vereist is tussen onrechtmatige daad van een bepaalde dader en schade. Het causaliteitsvereiste uit het aansprakelijkheidsrecht wordt geëcarteerd. Een koppeling aan de rellen in Haren volstaat, dat wil zeggen dat het voldoende is aangifte te doen en te stellen dat schade is geleden bij de rellen. Maar enkele nieuwe problemen doemen op. Het gaat om de termijnen en de vulling van het fonds, de verdeling van gelden, en de keuze tussen verschillende procedures voor de gedupeerde. 4. Nieuwe problemen in zicht 4.1. Slechte timing Aan de termijnen van de procedure kleeft een viertal problemen. Ten eerste is onduidelijk voor welke datum een gedupeerde een aanvraag moet indienen. De gedupeerde moet een aanvraag binnen zes maanden na de eerste oplegging van een bijzondere voorwaarde in verband met een incident indienen. 21 Maar in de regeling is niet voor NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

9 zien in openbaarmaking van de eerste oplegging tot storting in het fonds. Op de website van het fonds staat sinds 21 maart dat voor 15 april 2013 een aanvraag moet worden ingediend. 22 De daaraan ten grondslag liggende uitspraak is niet gepubliceerd. De eerste gepubliceerde uitspraak is van 22 november 2012, en zou een latere termijn voor indiening doen vermoeden. 23 Een gedupeerde had deze deadline zomaar kunnen missen. Ten tweede is, gerekend vanaf een incident, een periode van anderhalf à twee jaar nodig voordat het fonds een definitieve uitkering doet. Eerst wordt een beslissing op de aanvraag genomen en pas later wordt het beschikbare bedrag vastgesteld en verdeeld. Op de aanvraag, die zes maanden na de eerste oplegging moet worden gedaan, wordt beslist binnen drie tot zes maanden na de ontvangst van de aanvraag, afhankelijk van het aantal aanvragen. 24 Met de beoordeling van de aanvragen uit Haren kan dus vanaf het incident gerekend zomaar meer dan een jaar gemoeid zijn. Vervolgens moet het beschikbare geld nog vastgesteld en verdeeld worden, en dat in twee rondes. 25 De vaststelling en verdeling van het beschikbare bedrag in het fonds gebeurt drie maanden na de behandeling van de laatst ontvangen aanvraag. 26 Daarmee is de kous niet af; eventuele extra stortingen van daders, nadat het beschikbare bedrag is vastgesteld, worden behandeld als surplus. Na zes maanden is het tijd voor de laatste fase in de procedure: het surplusbedrag wordt vastgesteld en verdeeld onder degenen met resterende schade. In Haren zal dit op 15 april 2014 of 15 juli 2014 gebeuren, afhankelijk van het aantal aanvragen dat is ingediend. 27 De uitkering volgt binnen een maand. Met de totale afwikkeling na een incident is dus anderhalf à twee jaar benodigd, terwijl de voorwaarden voor een tegemoetkoming eenvoudig zijn en de schade ongecompliceerd van aard is. Dat is lang voor een dergelijke voorziening. De vergelijking met het Schadefonds geweldsmisdrijven dringt zich op. Gemiddeld keert dit fonds binnen vijf maanden uit voor letselschade. 28 Ten derde moeten de strafzaken geconcentreerd, kort na een incident, behandeld worden om het fonds tijdig te vullen. Daarvoor zal afstemming vereist zijn tussen Openbaar Ministerie en rechtbank. De daders krijgen een vrij lange termijn voor voldoening van de storting. Uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat een termijn van ruim zeven maanden wordt gegeven. 29 Ook de laatste stortingen moeten in het (surplusbedrag van het) schadefonds terechtkomen teneinde de gedupeerden te bereiken. Deze problemen zouden zomaar aan een vlotte afwikkeling in de weg kunnen staan Ten vierde is de voorgenomen termijn van afwikkeling hoogst onzeker door het bezwaar en beroep dat tegen de beslissing op de aanvraag openstaat. 30 Het Schadefonds openlijk geweld is een zelfstandig bestuursorgaan dat besluiten neemt in de zin van art. 1:3 Awb, en daartegen staat bezwaar en beroep open. Totdat in dat bestuursrechtelijke traject een eindbeslissing is gevallen, kan een definitieve verdeling van het beschikbare bedrag niet goed plaatsvinden. Een afgewezen aanspraak zou alsnog toegewezen kunnen worden, en dat maakt verschil bij de verdeling. Dit leidt op zijn minst tot onzekerheid of de beoogde afwikkelingstermijnen wel behaald kunnen worden. De regeling houdt hier geen rekening mee. Kortom, bij de inrichting van het schadefonds lijkt niet goed nagedacht over deze vier aspecten van de termijnen. Deze problemen zouden zomaar aan een vlotte afwikkeling in de weg kunnen staan Eerlijk delen Ook de verdeelsleutel van het fonds zorgt voor hoofdbreken. In het aansprakelijkheidsrecht is het uitgangspunt van vergoeding bij verdeling van een ontoereikende pot geld de geleden schade, waarbij alle schuldeisers gelijk zijn en een verdeling naar rato van de geleden schade wordt gemaakt. 31 Gedupeerden krijgen elk eenzelfde percentage van de schade vergoed, de breuk van de door de individuele gedupeerde geleden schade en de totale geclaimde schade. De verdeling van het schadefonds lijkt daarentegen geïnspireerd op het sociale zekerheidsrecht, waar het uitgangspunt gelijke bedragen voor iedereen is. 32 Art. 9 lid 1 van de regeling bepaalt: Indien het team schade openlijk geweld een aanvraag heeft toegewezen, zal het de hoogte van het toe te kennen bedrag aan de betreffende gedupeerde bepalen door het beschikbare bedrag te delen door het totaal aantal toegewezen aanvragen. En lid 2: De hoogte van het toe te kennen bedrag zal in elk geval de hoogte van het schadebedrag van de gedupeerde niet 21. Het had voor de hand gelegen aan te knopen bij een onherroepelijke veroordeling, want pas daarna is er uitzicht op een storting in het fonds. Voordat een uitspraak in kracht van gewijsde gaat, dient een termijn van veertien dagen te zijn verstreken, vergelijk art. 408 WvSv voor hoger beroep en art. 432 WvSv voor cassatie. Vergelijk ook de Algemene termijnenwet. 22. Zie de website: over-schadefonds/actueel/176-schadefonds-voor-gedupeerden-haren-komt-tege- moet. vindt plaats binnen zes maanden op basis van de verwachting dat er meer dan 50 aanvragen binnenkomen + drie maanden voor de vaststelling en verdeling = 15 januari Vergelijk art. 11 van de regeling. 15 januari zes maanden = 15 juli Zie de website van het schadefonds geweldsmisdrijven: alles-over-de-uitkering/over-de-uitkering-aaanvraagprocedure/aanvraagprocedure. 29. Vergelijk Gerechtshof Leeuwarden 22 november 2012, LJN BY Het gaat om Gerechtshof Leeuwarden 22 november 2012, LJN BY Zie art. 2 Regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld jo. art. 8 Wet schadefonds geweldsmisdrijven. 31. Dit is het beginsel van paritas creditorum, neergelegd in art. 3:277 BW. 24. Wanneer er meer dan vijftig aanvragen binnenkomen wordt deze termijn verlengd tot zes maanden, vergelijk art. 5 van de regeling. In Haren komt deze termijn afhankelijk van het aantal aanvragen uit op 15 juli 2013 of 15 oktober Art. 10 van de regeling. 26. Zie art. 8 en 9 van de regeling. Uitgaand van 15 april 2013: de behandeling 32. Natuurlijk zijn hier uitzonderingen op te vinden, zoals loondervingsuitkeringen, maar de bijstandsuitkering, de kinderbijslag en de AOW bijvoorbeeld zijn van gelijke hoogte, en kennen daarnaast enige differentiatie op basis van behoefte. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

10 Focus overschrijden. Elke gedupeerde krijgt dus in beginsel hetzelfde bedrag uit het fonds ongeacht de werkelijke geleden schade, tenzij dit leidt tot overschrijding van de geleden schade van een gedupeerde. 33 Bij elke overschrijding van geleden schade wordt het bedrag weer herverdeeld. In deze complexe berekeningswijze worden de kleine schadegevallen bevoordeeld, nu hiervan procentueel meer vergoed zal worden. De nabetalingen die tot zes maanden later binnenkomen, komen terecht in de surplus-pot. Dan volgt eenzelfde verdeling in gelijke bedragen als voor het oorspronkelijke bedrag. 34 Naar het waarom van deze keuzes is het gissen. Het voordeel van de eenvoud van de toekenning van een vast bedrag wordt mogelijk tenietgedaan door de invloed van de werkelijke schade. Het nadeel is erin gelegen dat de kleinere schadegevallen worden bevoordeeld: daar is eerder sprake van volledige schadevergoeding Onzekere vulling De vulling van het fonds is onzeker. Deze is maar liefst afhankelijk van drie factoren: de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan (opportuniteitsbeginsel); de beslissing van de rechter om de bijzondere voorwaarde toe te kennen van een bepaalde omvang; de beslissing van de dader om storting te verkiezen boven een boete. In de wet zijn de volgende randvoorwaarden neergelegd, die de rechter daarbij tot uitgangspunt zal moeten nemen. 35 Het bedrag dat moet worden gestort bij wijze van bijzondere voorwaarde mag niet hoger zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd. 36 Voor het delict waar het fonds voor is opgericht, openlijke geweldpleging in vereniging, geldt een maximale boete van Voor Haren zijn de rechters ruimschoots onder die maximale boete gebleven: voor meerderjarige daders is een storting van 500 en voor minderjarige daders van 250 als bijzondere voorwaarde opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte moet de rechter rekening houden met de draagkracht van de dader, zo volgt uit de wet. 38 Uit het tot nu toe enige gepubliceerde arrest blijkt daar niet van. Wellicht hebben de raadsheren daartoe geen aanleiding gezien omdat het over bescheiden bedragen ging. De storting in het fonds is niet afdwingbaar De storting in het fonds is niet afdwingbaar. Uit de zaak van het Hof Leeuwarden blijkt dat de dader een geldboete van 600 moet betalen, als de bijzondere voorwaarde niet wordt nageleefd. 39 Die voorwaarde houdt in dat uiterlijk op 1 juli wordt gestort ten behoeve van het schadefonds. Als de dader besluit niet te betalen aan het schadefonds, zal het Centraal Justitieel Incasso Bureau die geldboete van 600 gaan innen. 40 Maar die geldboete komt niet ten goede aan de gedupeerden. 41 Of de som van die inmiddels is opgelegd voor project X Haren ook daadwerkelijk terechtkomt in het fonds is dan ook volkomen ongewis. Een andere keuze voor de vulling van het fonds was mogelijk geweest, denk aan een voorschotfonds gefinancierd door het rijk op basis van de te verwachten stortingen. Het schadefonds voor project X Haren zal, als alle daders betalen, maximaal in kas krijgen. In verhouding tot de kosten van het voorschotfonds voor gedupeerden van gewelds- en zedenmisdrijven in het kader van de Wet versterking positie slachtoffer is dit een te verwaarlozen bedrag. 42 Daarvoor is 1,2 tot 5 miljoen per jaar uitgetrokken Kiezen tussen procedures Wordt het met de komst van het schadefonds gemakkelijker voor de gedupeerde? Het wordt lastig kiezen welke procedure te beginnen en wanneer deze moet worden ingestoken. Het schadefonds kent veel onzekerheden en vergoedt alleen zaakschade. Als een gedupeerde zijn kansen op het krijgen van een vergoeding wil spreiden of ook letselschade of vermogensschade heeft, zal hij naast het fonds ook andere wegen moeten bewandelen. Dat is een extra belasting voor de gedupeerde, en bovendien is de verhouding tussen de (mogelijke) aanspraken niet duidelijk. Stel, hij kiest ervoor een civiele vordering in te stellen. Voor een individuele gedupeerde zal de aanspraak uit het schadefonds een vermindering van de schade kunnen bewerkstelligen. Dit betekent dat de rechter voordeelstoerekening zou kunnen toepassen. 43 Maar vooralsnog is met name de hoogte van de aanspraak zo onzeker, zo zagen we, vanwege de vulling van het fonds en het aantal gedupeerden dat daar een beroep op zal doen, dat het niet waarschijnlijk is dat de rechter die aanspraak verdisconteert bij het bepalen van de schade die moet worden betaald. Het schadefonds voorziet voor de situatie van een dubbele aanspraak in een verplichting tot terugbetaling van (een gedeelte) van de tegemoetkoming aan het fonds voor het geval een dubbele aanspraak bestaat. 44 Daarnaast kan een gedupeerde het permanente schadefonds voor geweldsmisdrijven aanschrijven. Daar kan hij een beroep op doen bij ernstig letsel als gevolg van een geweldsmisdrijf; de geweldplegingen tijdens project X in Haren zullen hier ook onder vallen. 45 De vergoedingen bedragen ten hoogste voor materiële schade en voor immateriële schade. Van samenloop tussen vergoedingen zal niet snel sprake zijn, omdat het fonds alleen materiële schade vergoedt als direct gevolg van het letsel. 46 Voor de zekerheid zou de gedupeerde uit Haren met zaakschade en letselschade dus drie procedures moeten beginnen: een aanvraag indienen bij de twee schadefondsen en een civiele vordering instellen. 5. Schadefonds maakt verwachtingen niet waar Het schadefonds voor project X Haren lijkt op het eerste gezicht te voorzien in een behoefte en weet de obstakels uit het aansprakelijkheidsrecht behendig te ont NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

11 wijken. Maar bij nadere inspectie levert het te veel nieuwe problemen op. Gevolg is dat het onzeker is of gedupeerden een tegemoetkoming zullen krijgen uit het fonds. Mocht er een tegemoetkoming uit het fonds komen, dan is deze op onrechtvaardige wijze verdeeld. Voor de verdeling in gelijke bedragen voor de gedupeerden uit het fonds is geen reden te vinden. Een verdeling van het fonds, ervan uitgaand dat er onvoldoende geld is om de gedupeerden te voldoen, kan even goed pro rata plaatsvinden. De minister heeft verwachtingen gewekt met de oprichting van het schadefonds, maar die worden niet waargemaakt. De gedupeerde kan niet rekenen op een tegemoetkoming van enige omvang. Bovendien heeft het fonds een kleine reikwijdte, zodat de gedupeerde met meer dan alleen zaakschade, of de bedrijven met zaakschade naar andere procedures moeten uitwijken. Het indienen van een aanvraag bij het fonds lijkt slechts een extra belasting van de gedupeerde. Zal de gedupeerde de moeite nemen een aanvraag in te dienen? Het zal me daarom benieuwen of de regeling die tot 1 januari 2015 in werking is, na de evaluatie in deze vorm zal worden gecontinueerd. Om van het fonds een succes te maken zou de verdeling tenminste moeten worden gewijzigd in een verdeling pro rata van de schade, moet wettelijk worden vastgelegd dat het CJIB de bevoegdheid heeft stortingen te innen in de zin van art. 14c lid 2 WvSr, en zouden de termijnen van uitbetaling flink moeten worden bekort door de minister het schadefonds te laten voorfinancieren. Het risico, dat het rijk er een paar duizend euro bij inschiet, moet de minister dan maar voor lief nemen. 33. Art. 9 lid 1 en 2 van de regeling. 36. De oprichting van een speciaal fonds tenuitvoerlegging geldboeten. Voor het een strafrechtelijke boete, of meer als een 34. Art. 11 en 12 van de regeling, met dien voor de gedupeerden van Project X Haren geval de geldboete ook niet wordt betaald, civielrechtelijke schadevergoeding. verstande dat bedragen minder dan 25 past in de geest van het tweede deel van de is vervangende hechtenis opgelegd. 44. Art. 14 van de regeling. Dit geld kan niet worden uitgekeerd. bepaling, maar is niet voorzien in de wets- 41. Het schadefonds wordt dus gevuld door eventueel ten goede komen aan gedupeer- 35. De wet bepaalt dat de rechter de dader geschiedenis. Daar wordt wel opgemerkt de oplegging van een maatregel als bijzon- den van een volgend incident, vergelijk art. als bijzondere voorwaarde kan opleggen dat er een relatie zal zijn tussen het delict en dere voorwaarde bij een voorwaardelijk 13 lid 2 van de regeling. een bedrag te storten in het schadefonds de instelling die het geld krijgt van de strafdeel, te weten de storting in het scha- 45. Zie de Wet schadefonds geweldsmisdrij- geweldsmisdrijven of ten gunste van een dader. Zie Kamerstukken II 1989/1990, defonds. ven. instelling die zich ten doel stelt de belangen , nr. 3, p. 21 (MvT). 42. Zie Uitvoeringsbesluit voorschot scha- 46. Eventueel valt te denken aan bescha- van slachtoffers van strafbare feiten te 37. Een geldboete van de vierde categorie devergoedingsmaatregel, Stb. 2010, 311 en digde kleding. Art. 8 van de Wet schade- behartigen. Zie art. 14c lid 2 aanhef en zo blijkt uit art. 141 jo. art. 23 WvSr. de bijbehorende toelichting, p. 8. fonds geweldsmisdrijven bepaalt dat met onder sub 4 WvSr. Dit artikel is laatstelijk 38. Vergelijk art. 14c lid 4 jo. art. 24 WvSr. 43. Vergelijk art. 6:100 BW. In het theoreti- overige vergoedingen rekening wordt gewijzigd bij Wet van 17 november 2011, 39. Gerechtshof Leeuwarden 22 november sche geval dat alle schade op de daders gehouden. Als deze onredelijk lang op zich Stb. 2011, 545, i.w.tr. 1 april 2012, maar 2012, LJN BY3915. later alsnog zou kunnen worden verhaald, laten wachten, kan het schadefonds heeft voor deze voorwaarde geen wijzigin- 40. Het CJIB heeft niet de bevoegdheid de en de onderlinge schadeplichtigheid van de geweldsmisdrijven een voorschot geven op gen met zich gebracht. Zie bijvoorbeeld: aan het schadefonds te betalen geldsom te daders zou moeten worden bepaald, is ook die vergoedingen. Noyon/Langemeijer & Remmelink, Art 14c innen, zie voor deze bevoegdheid inzake interessant de vraag of de storting in het WvSr, aant. 6 (J. Fokkens). geldboeten: art. 572 lid 2 WvSv jo. Besluit schadefonds moet worden beschouwd als NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

12 795 Focus Strafrechtelijke handhaving van pandbelening Kritische opmerkingen naar aanleiding van de geplande wetswijziging Clara olde Heuvel 1 Al jaren worden de hoge rentes en moeilijk naleefbare voorwaarden die pandhuizen hanteren bekritiseerd. Pandbeleners betalen hun lening bij een pandhuis vaak drievoudig terug. Verschillende pogingen tot het wijzigen van de regelgeving hebben geen effect gesorteerd. Het nieuwe wetsvoorstel over pandbelening is zeer te verwelkomen. Maar ook met deze regelgeving liggen schendingen op de loer. Rechtspraak uit de negentiende eeuw laat zien dat pandhuizen zeer creatief waren in het bedenken van een constructie die de bestaande regelgeving omzeilde. Waarom is voor de handhaving van de regelgeving voor pandbeleningen toch weer gekozen voor het privaat- en bestuursrecht en niet voor het strafrecht? 1. Inleiding Binnen korte tijd zal de Pandhuiswet die ruim honderd jaar bestaansrecht heeft gehad op de schop gaan. Aangezien de wet van 1910 sterk verouderd is, praktisch gezien geen betekenis meer heeft en klanten van pandhuizen niet naar behoren beschermd worden is een nieuw wetsvoorstel gecreëerd. 2 De nieuwe regelgeving betreffende pandbeleningen zal in Boek 7 Titel 2D van het Burgerlijk Wetboek (BW), tussen de velerlei andere consumentenrechtelijke regels, worden opgenomen. 3 Consumentenrechtelijke bescherming zal voorop komen te staan en de voorwaarden waaraan een pandbeleningsovereenkomst dient te voldoen, zullen worden verscherpt. De nieuwe regelgeving zal van toepassing zijn op iedere beleensom. Tevens zullen alle verschillende juridische vormen van pandbelening onder de wet vallen, opdat de regelgeving niet ontweken kan worden. Ook krijgen pandhuizen een informatieverplichting jegens consumenten en dient de pandbeleningsovereenkomst duidelijk en begrijpelijk te zijn geformuleerd, ingevolge art. 6:231 BW. Verder heeft de regering in de planning dat de beleentermijn wordt verhoogd naar minstens twee maanden. Er komt een maximaal renteplafond per kalendermaand (art. 7:137 jo. 7:131 BW), welke stapsgewijs binnen twee jaar van 9% naar 4,5% wordt gebracht en er mogen geen additionele taxatie- of administratiekosten meer worden berekend door het pandhuis. De handhaving van de regelgeving uit Boek 7 Titel 2D zal via bestuursrechtelijke en/of privaatrechtelijke weg plaatsvinden. Het kabinet heeft niet gekozen voor het strafrecht en dat is mijns inziens een grote vergissing. In het geval dat een dwangsom niet werkt is er geen ander instrument beschikbaar welk het immorele gedrag van pandhuizen sanctioneert. In dit artikel zal ik beargumenteren waarom voor het strafrecht gekozen had moeten worden. Het uitlenen van geld met hoge rente wordt al eeuwenlang bekritiseerd en veel mensen zijn zich er niet van bewust dat minder bedeelde huishoudens naar een pandhuis gaan, omdat zij geen toegang hebben tot krediet bij een bank. De kredietwaardigheid van deze huishoudens wordt namelijk getoetst door de financiële Het kabinet heeft niet gekozen voor het strafrecht en dat is mijns inziens een grote vergissing 1036 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

13 instelling die geregistreerd staat bij het Bureau Krediet Registratie 4 (BKR). In het navolgende ga ik in op: verpanding en de misstanden bij pandjeshuizen (par. 2), de toekomstige handhavingsinstrumenten (par. 3) en het strafrecht en pandhuizen in historisch en huidig perspectief bezien (par. 4). Aan het eind volgt een conclusie. 2. De pandbelening en haar praktische problemen Verpanding van goederen houdt in dat een pandbelener met zijn/haar roerende zaak (bijvoorbeeld sieraad of keukenapparatuur) naar een pandhuis gaat. Het pandhuis schat de waarde in van het goed en leent een bepaald bedrag (beleensom) uit aan de consument. Binnen een afgesproken termijn kan de pandbelener zijn zaak weer ophalen en wordt de zaak teruggeven als terugbetaling van de beleensom (inclusief rente) geschiedt. Indien de consument de zaak niet komt ophalen staat het, het pandhuis vrij het goed openbaar te verkopen. De gesignaleerde praktische problemen bij pandbeleningen zijn talrijk (zie onderzoek Research en Beleid en IOO 5 ) en de extremen worden hieronder beschreven. Het rentevraagstuk is een steeds terugkerend thema. Dat het rentevraagstuk steeds terugkeert is niet vreemd als men ziet dat terugkoopwinkels maandelijks gemiddeld tussen de 5% en 20% van de beleensom aan rente in rekening brengen. 6 Geregeld worden aanvullende administratie- of opslagkosten nog eens bovenop de rente in rekening gebracht. 7 In de Pandhuiswet 1910 is geen enkel maximum aan de hoogte van de pandbeleningsvergoeding gesteld, waardoor pandbeleners in dit opzicht überhaupt geen bescherming genieten. 8 En de vraag is of het nieuwe renteplafond niet nog steeds hoog is. Het wetsvoorstel regelt dat de maandelijkse rente bij algemene maatregel van bestuur zal worden geregeld. Na in werking treden zal een maximale pandbeleningsvergoeding van 9% op maandbasis worden gehanteerd. Het tweede jaar zal de rente 4,5% op maandbasis zijn. 9 Een ander heikel punt is de beleentermijn en de mogelijkheid tot verlenging van deze. 10 Het merendeel van de pandhuizen kent een beleentermijn van één maand, maar een aantal pandhuizen kent een termijn van 28 dagen! 11 Deze beleentermijn kan veelal slechts eenmaal verlengd worden. Dit leidt doorgaans tot de verkoop van de beleende goederen, omdat met het bij elkaar sprokkelen van het geleende bedrag en het ophalen van de zaak toch meer tijd gepaard gaat. 12 Bovendien biedt de Pandhuiswet van 1910 praktisch gezien geen bescherming, omdat klanten die goederen boven de 11,34 belenen zich niet op de wet kunnen beroepen. Gelet op bovengenoemde knelpunten en mede gezien het feit dat aan het consumentenkrediet wél regels worden gesteld (art Wet op het consumentenkrediet) 13 en dat art. 4:35 van de Wet op het financieel toezicht ook bescherming biedt aan consumenten, 14 is voor nieuwe regelgeving gekozen. 15 Op welke manier de nieuwe regelgeving gehandhaafd zal worden, komt in de volgende paragraaf aan de orde. 3. Handhaving De nieuwe regeling van pandbelening zal een plaats krijgen tussen de bijzondere overeenkomsten in Boek 7 van het BW. 16 Regels van (Europees) consumentenrecht en algemeen verbintenissenrecht geven privaatrechtelijke grenzen aan deze overeenkomsten, vaak maar niet altijd van dwingendrechtelijke aard. Bovendien zal de regeling bestuursrechtelijk worden gehandhaafd en zal de consumentenautoriteit toezichthouder zijn. Titel 2D gaat deel uitmaken van onderdeel B van de bijlage van de Wet handhaving consumentenbescherming. 17 De handhaving is als volgt gedacht. Indien een voorschrift uit onderdeel B van de bijlage wordt overtreden als de eigenaar van het pandhuis zich bijvoorbeeld niet aan de minimale beleentermijn van twee maanden houdt, maar het geld eerder terugvordert (7:135 BW 18 ) zal door de Afdeling Toezicht van de consumentenautoriteit eerst onderzoek worden gedaan naar de feiten, vervolgens een rapport worden opgemaakt en uiteindelijk een sanctie worden voorgesteld door de juridische dienst. 19 De consumentenautoriteit beschikt over drie bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten. Zij kan een last onder dwangsom opleggen, een bestuurlijke boete opleggen (art. 2.9 Whc) of haar beschikking openbaar maken (art Whc). De bestuurlijke boete is de onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, en kan op grond van de Whc ten hoogste zijn. 20 De last onder dwangsom is een herstelsanctie welke de te nemen herstelmaatregelen omschrijft en tevens de Auteur een regeling van de overeenkomst van pandbelening gesloten door consumenten; Titel 7.2A omvat de Consumentenkredietovereenkomsten. 4. Dit bureau informeert financiële instellingen over welke kredieten de mensen de afgelopen vijf jaar hebben of hebben gehad 5. L.S. de Ruig, C.M. van Ommeren en A. Vennekens, Pandhuizen in Nederland, Onderzoek naar markt en maximale vergoeding voor belening, Eindrapport, een onderzoek in opdracht van Ministerie van Financiën, Projectnummer: B3558/E0091, Zoetermeer, 2 juni 2009 (hierna: Onderzoek Research en Beleid). 3, p Mr. C. olde Heuvel studeerde Nederlands Recht aan de Universiteit Utrecht en is thans werkzaam als jurist bij Anker & Anker Strafrechtadvocaten. Dit artikel is gebaseerd op haar onderzoek voor een programma van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onder begeleiding van prof. dr. J.P.B. Jonker, dr. O.C. Gelderblom en dr. mr. J.M. Milo. 6. Onderzoek Research en Beleid, p. 31; Volkskrant 13 oktober 2012, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p. 9 en 10 jo. art. 2.7 Wet Handhaving Consumentenbescherming (Whc). 18. Art. 135 wordt toegevoegd aan Boek 7 en valt onder Titel 2D. 19. Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Art Whc jo. art. 23 Wetboek van Strafrecht, jo. 5:40 Awb. 7. Onderzoek Research en Beleid, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Onderzoek Research en Beleid, p. 39 en Onderzoek Research en Beleid, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. Noten 2. Kamerstukken II 2011/12, , nr Na Titel 2A van Boek 7 BW ingevoegd bij de Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 246 wordt een nieuwe titel 2D opgenomen met NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

14 Focus Waiting for the pawn-shop to open - a New York street scene. CORBIS betaling van een geldsom omvat ingeval de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 21 Het gevolg van het van toepassing verklaren van de Awb op de Whc is dat de rechtsbescherming uit de Awb van toepassing is. Aldus dient de consumentenautoriteit de overtreder te wijzen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de bestuurlijke sanctie. Over de gronden van het bezwaar oordeelt de consumentenautoriteit in eerste instantie. Desgewenst kan de overtreder in beroep bij de bestuursrechter en in hoger beroep bij de Raad van State. Afgezien van het publiekrecht hebben de individuele partijen in geval van een geschil de mogelijkheid zich tot de civiele rechter te wenden. 22 De nieuwe regelgeving aangaande pandbeleningen verklaart dat de Wet op het Financieel Toezicht (Wft) niet van toepassing is op pandbeleningen, omdat er geen sprake zou zijn van een krediet in de zin van art. 1:1 van de Wft, nu een pandbelening niet leidt tot een restschuld en het pandhuis de eventuele verliezen draagt. 23 Er wordt met geen woord gerept over het strafrecht. In de volgende paragraaf zal duidelijk worden dat het een misslag is de Wft niet van toepassing te verklaren en uitsluitend voor het bestuurs- en privaatrecht te opteren. 4. De pandhuizen en het strafrecht in historisch en huidig perspectief bezien Ofschoon het ultimum-remedium beginsel vergt dat het strafrecht als laatste redmiddel dient te worden gebruikt en de wetgever eerst andere wegen dient te bewandelen (denk aan het bestuurs- of het privaatrecht) is het bij de pandbelening van belang dat publiekrechtelijk wordt gehandhaafd. Uit de gevoerde discussie in het WPNR over toezicht blijkt dat er recentelijk veel te doen is betreffende privaatrechtelijk of publiekrechtelijk handhaven, waar bij publiekrechtelijk handhaven weer een keuze gemaakt kan worden tussen het bestuursrecht of het strafrecht. 24 Het informeel reguleren van toezicht is moeilijk, omdat er veelal meerdere partijen bij een overtreding betrokken zijn en de eventuele begane overtredingen altijd wel geformaliseerd zijn in een wet of regeling. 25 Op het moment dat grote belangen op het spel staan is snel sprake van formalisering en publiekrechtelijke handhaving NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

15 Centraal toezicht zorgt ervoor dat regels uniform worden uitgelegd en onduidelijkheden worden voorkomen. In het verleden heeft men getracht via een andere constructie van pandbelening de wetgeving omtrent het verbod op het houden van pandhuizen te omzeilen. 4.1 De geschiedenis van pandhuizen in vogelvlucht Pandhuizen kennen een lange geschiedenis. In de veertiende eeuw werd door een graaf octrooi verleend om in eene bepaalde stad tafel of lombard te houden, oftewel om geld uit te lenen aan de meer behoeftigen van de samenleving. 27 In 1578 werd door de Staten van Holland en Zeeland aan het verlenen van octrooien een einde gemaakt om op te kunnen treden tegen destijds al bestaande woekerpraktijken. Banken van Leening werden ten behoeve van de armen opgericht en stonden onder stedelijk toezicht. Echter, het bestaan van de Banken van Leening zorgde ook voor pandhuizen, die doorgaans misbruik maakten van de sociaal zwakkeren. De invoering van de Wet Pluviôse 28 in 1800 beoogde een eind te maken aan de vrijheid een pandhuis op te richten. 29 Woekerrentes dienden bestreden te worden en armen mochten niet langer de dupe zijn van de malafide praktijken van pandjesbazen Woekerrentes dienden bestreden te worden en armen mochten niet langer de dupe zijn van de malafide praktijken van pandjesbazen. Het probleem van uitbuiting usury van de armere klasse kon worden opgelost door een verbod op pandhuizen c.q. verpanding van goederen te creëren en het houden van een pandjeshuis zonder vergunning te criminaliseren. Art. 1 van de Wet Pluviôse bepaalde dan ook: Aucune maison de prêt sur nantissement, ne pourra être établie qu au profit des pauvres et avec l autorisation du Gouvernement. 30 Daarnaast werd het houden van een pandhuis krachtens art. 411 van de Code Pénal strafbaar en werden de Banken van Leening wederom onder rechtstreeks toezicht van het centraal bestuur geplaatst. 31 Toestemming voor het oprichten van een Bank van Leening werd uitsluitend verleend als de instellingen zouden werken ten gunste van de armen (au profit des pauvres). 32 Voor particulieren werd het derhalve onmogelijk gemaakt een Bank van Leening (lees: pandhuis) te bedrijven. 33 Het bestaan van deze twee wetten zorgde voor onduidelijkheid over de verbods- en strafbepalingen en ondanks het feit dat pandhuizen een halt toegeroepen werd bleven minder bedeelden hun toevlucht zoeken bij de pandjeshuizen. Veroordelingen volgden desalniettemin en rechters uitten afkeuring tegen de ongeoorloofde hoge interest die werd geëist en stelden dat sprake was van woeker. 34 De straffen bij de veroordelingen varieerden van één maand tot drie maanden gevangenisstraf gecombineerd met een geldboete. De regelgeving weerhield de houders van pandhuizen er niet van hun praktijken voort te zetten. Zij ontwikkelden zelfs een nieuw principe om de Code Pénal en Wet Pluviôse te kunnen omzeilen. In een zaak die in 1857 bij de Hoge Raad diende ging het er om dat de houder van een pandhuis die vervolgd werd voor het niet hebben van een vergunning betoogde dat geen sprake zou zijn van het belenen van goederen, maar dat het een overeenkomst van koop en wederinkoop betrof. Met dat argument werd echter korte metten gemaakt en de HR stelde dat gekeken dient te worden naar de feitelijke situatie en niet naar de benaming die partijen aan de overeenkomst geven. 35 Enkele auteurs prefereerden echter, net als de pandhuishouders, de simulatievorm: Wanneer iemand eene handeling wil verrigten, die op zich zelve geoorloofd is, dan kan hij haar gieten in welken vorm hij verkiest. 36 Art. 411 was volgens Van Citters juridisch gezien niet van toepassing op de huizen van verkoop met recht op wederinkoop. 37 Vanaf 1857 wordt tevergeefs door pandhuizen steeds weer het zojuist genoemde argument genoemd Art. 5:9 onder a Awb. 28. Franse Wet 16 Pluviôse van december 1839, 61-3; Rb. Leeuwarden 27 januari 1844, WvhR 1844, 488-3; Zie ook Berigten s Gravenhage, den 7 october, WvhR 1848, en Rb. s-gravenhage 20 september 1848, WvhR 1848, 949-4; Berigten s Gravenhage, den 14 April, WvhR 1841, HR 14 mei 1856, WvhR 1857, Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p A. Hammerstein, Wat is toezicht waard?, WPNR 2012, 6937; H.J. Van den Noort, Toezicht en handhaving door het BFT, WPNR 2012, Franse Wet 16 Pluviôse van M.S. Pols, Commentaar op J.A. Levy De in den handel gebruikelijke beleenings- en prolongatie-contracten, s-gravenhage: Gebr. Belinfante 1860, Themis 1860, p Een Bank van Leening kan alleen worden opgericht ten gunste van de armen en enkel met toestemming van de regering. 31. Citters 1886, p Citters 1886, p Article 3: Les contrevenans seront poursuivis devant les tribunaux de police correctionnelle, et condamnés, au profit des pauvres, à une amende payable par corps, qui ne pourra être au-dessous de 500 francs, ni au-dessus de 3000 francs. Vertaald: diegene die handelt in strijd met de Wet Pluviôse zal worden vervolgd en veroordeeld tot een boete niet lager dan 500 francs en niet hoger dan 3000 francs. 34. Weekblad van het Regt (WvhR), Citters 1886, p De Rb. Deventer kwam tot de conclusie dat het beding van koop met wederinkoop als voorwendsel was gebruikt en dat er in werkelijkheid sprake was van belening op pand met hoge rente, Rb. Deventer 24 juli 1869, WvhR 1869, /4; Men diende te kijken naar de aard der handelingen, Rb. Arnhem 11 november 1884, WvhR 1884, (bevestigd door Gerechtshof Arnhem op 27 december 1884); Citters 1886, p ( ) voor de toepassing van art. 411 Strafregt, de aanwezigheid van een leenhuis op pand of zekerheid, zonder wettige vergunning, onder anderen behoort beoordeeld te worden naar de menigvuldigheid der gesloten beleeningen, het bedrag der op goederen gegeven gelden en de meerdere of mindere tijdsruimte, waarin de handelingen hebben plaats gehad, het al dan niet bestaan eener wettige vergunning en dergelijke omstandigheden meer, 25. A. Hammerstein, Wat is toezicht waard?, WPNR 2012, 6937; H.J. Van den Noort, Toezicht en handhaving door het BFT, WPNR 2012, A. Hammerstein, Wat is toezicht waard?, WPNR 2012, 6937, p L.J. Rietema, Taeffels van Leeninge in Overijssel ( ), Overijsselse Historische Bijdragen, 1978, p NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

16 Focus Het creëren van de nieuwe constructie en het daadwerkelijk oprichten van huizen van verkoop met recht op wederinkoop leidden tot de vraag of armen beschermd moesten worden tegen misbruik (verpanding en hoge rentes) of dat zij de vrijheid dienden te hebben overeenkomsten te sluiten als koop en verkoop met beding van wederinkoop ook al waren dit constructies die gericht waren op het ontwijken van de regelgeving betreffende verpanding. Er werd ruim baan gemaakt voor pandjesbazen om woekerwinsten te bedingen over de ruggen van armen. 39 Niettemin verkoos de onvermogende een pandhuis boven een Bank van Leening, omdat het uitgekeerde bedrag dat per pand werd verstrekt bij een pandhuis hoger lag dan bij een Bank van Leening en omdat pandhuizen beter bereikbaar waren dan Banken van Leening. 40 De hoogte van de rente moeide de clientèle van pandhuizen niet. 41 In 1886 kwam het echter tot een omslagpunt, aangezien het Gerechtshof Amsterdam het vervolgde pandhuis vrijspreekt, hoewel er sprake was van verpanding. Niet is bewezen dat de in deze geslotene overeenkomsten van koop en verkoop met recht van wederinkoop bedekte beleeningen zouden zijn, en dus, niet het bewijs geleverd zijnde van hetgeen den beklaagde is ten laste gelegd. 42 Het Hof stelt onder meer dat de overeenkomsten duidelijk de bepalingen in het BW omtrent koop en wederinkoop raken en dat de rentebetalingen hier niets aan afdoen. 43 Men mag niet afwijken van de bewoordingen van een overeenkomst, zeker niet als dit in een strafzaak ten nadele van de beklaagde zou zijn. Het hof laat dienovereenkomstig de huizen van verkoop met recht tot wederinkoop buiten de werkingssfeer van het strafrecht, door ze als sui generis (enig in hun soort) te behandelen. Het Hof brengt niet alleen een privaatrechtelijk en strafrechtelijk principe bijeen om tot een vrijspraak van beklaagde te komen, maar wijkt tevens sterk af van de lijn van de Hoge Raad. Veel rechtsgeleerden 44 vonden het een kwalijke zaak dat ten nadele van de behoeftigen instellingen bestonden die niet aan de regeling van art. 411 C.P. waren onderworpen. 45 Vanwege het verderfelijk karakter van de pandjeshuizen werd de uitspraak dan ook volgens Citters met weinig ingenomenheid begroet. Ook via de Wet van 28 oktober 1946 tot opheffing particuliere bank van leening is tevergeefs getracht te voorkomen dat pandhuizen toetraden tot de markt; er zijn steeds meer pandhuizen opgericht. Dat herhaaldelijk en tevergeefs verschillende pogingen zijn gedaan de pandhuizen te verbieden 46 laat zien dat het een hardnekkig probleem is dat een strafrechtelijke aanpak vergt. Dat herhaaldelijk en tevergeefs verschillende pogingen zijn gedaan de pandhuizen te verbieden laat zien dat het een hardnekkig probleem is 4.2 Redenen voor strafbaarstelling De laatste jaren is de in het publieke belang gevoelde noodzaak ontstaan het toezicht op financiële ondernemingen te versterken door bepaald gedrag in publiekrechtelijke gedragsregels te normeren en deze regels te handhaven door middel van onder andere boetes. 47 In een tijd van financiële crises (bankencrisis, eurocrisis) waar het consumentenvertrouwen terugloopt en men de integriteit van financiële instellingen hoog in het vaandel heeft staan, is het gewenst dat de overheid een actieve taak op zich neemt en ferm optreedt tegen normschendingen op financieel vlak. 48 Er is bij pandbelening niet gekozen voor de Wet op het financieel toezicht, omdat volgens de regering geen sprake zou zijn van een krediet in de zin van art. 1:1 van de Wft, nu een pandbelening niet leidt tot een restschuld en het pandhuis eventuele verliezen draagt. 49 Ondanks het feit dat de consumentenautoriteit via de nieuwe regelgeving de mogelijkheid heeft een hoge boete op te leggen, ben ik van mening dat voor het strafrecht gekozen had moeten worden of op zijn minst ervoor gekozen had kunnen worden om het strafrecht naast het bestuursrecht te laten bestaan. Strafrechtelijke handhaving is gewenst, omdat het uitermate geschikt is voor het terechtwijzen van mensen die normen die wij als gemeenschap belangrijk achten overtreden. 50 Uit de geschiedenis blijkt dat pandjeshuizen er een onethische handelswijze op na hielden en houden. Het vragen van hoge rentes woeker is malafide, nog nagelaten het op een onjuiste wijze taxeren van goederen. Afkeurenswaardige gedragingen kunnen via het strafrecht bestreden worden en bepaalde vormen van onrecht behoren nu eenmaal typisch aan het strafrecht toe, omdat ze naar hun aard als misdadig kunnen worden aangemerkt. Een inbreuk op de eis van waarachtigheid en naastenliefde vinden, volgens Kelk, 51 in het strafrecht erkenning door een strafwaardigheidsoordeel. Het opzettelijk benadelen van pandbeleners acht ik afkeurenswaardig. Daarnaast legt het strafrecht meer gewicht in de schaal. Dat een boete kan worden opgelegd via de bestuursrechtelijke weg is an sich niet verkeerd, maar een dreigende hechtenis wegens het vervolgens niet betalen van die boete heeft een veel grotere impact. Via het strafrecht kan flink worden uitgepakt. Het feit dat de strafrechter de exclusieve bevoegdheid heeft een gevangenisstraf op te leggen laat dit reeds zien. Voorts hebben andere instrumenten in het verleden geen effect gesorteerd en leert wetgeving ons dat er altijd wel uitwassen zijn. Pandjesbazen zullen wel weer iets verzinnen om de regelgeving te ondermijnen. Het is bevreemdend afnemers van financiële producten voldoende wettelijke bescherming te bieden via de Wft, en de Wet op de economische delicten, om te voorkomen dat deze benadeeld worden en klanten van pandhuizen die bescherming te ontzeggen. Het belenen van goederen voor geld ligt dicht tegen het bedrijfsmatig aanbieden van geld 52 aan en er is zodoende een link zichtbaar. De regeling van de pandbeleningen zou goed bij de Wft passen. Hoewel bestuursrechtelijke sanctionering bij schending van de Wft voorop staat, is het bij bepaalde overtredingen wenselijk deze aan te merken als economisch delict in de zin van de WED. 53 De officier van Justitie heeft dan de mogelijkheid om een strafrechtelijke consequentie te verbinden aan een inbreuk ofwel via een strafbeschikking 54 ofwel via het voor NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

17 De regeling van de pandbeleningen zou goed bij de Wft passen brengen van de zaak bij de strafrechter. Uit onderzoek naar de effectiviteit van het strafrecht versus het bestuursrecht bij milieudelicten blijkt dat van het strafrecht meer uitstraling en zodoende een meer preventieve werking uit gaat, indien zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gehandhaafd kan worden. 55 De kabinetsnota biedt inzicht in de keuze tussen het bestuursrecht en het strafrecht. Een besloten context (afgebakende doelgroep, gespecialiseerd bestuursorgaan) duidt op bestuursrechtelijke aanpak en algemene rechtsbetrekkingen op een strafrechtelijke. 57 Indien een overtreding echter een zodanig forse inbreuk maakt op de belangen van burgers en bedrijven en morele afkeuring met strafrecht niet achterwege kan blijven moet toch het strafrecht toegepast worden. 58 Uit de lezing van H. Moraal 59 in 2009 volgt dat aan de hand van de kabinetsnota niet meteen duidelijk is voor welk sanctiestelsel gekozen moet worden bij overtredingen uit de Wft. 60 Een aantal punten bieden wel een aanknopingspunt om voor het strafrecht te gaan en dat zijn punten als: de samenloop met andere ernstige strafbare feiten, de omvang van de schade, recidive, het georganiseerde verband van de overtreding en de bijzonder kwetsbare positie van het slachtoffer. De toepasselijkheid van het strafrecht zorgt ervoor dat aan het slachtoffer door de sanctionering van de dader rechtstreeks schadevergoeding toegewezen kan worden. Dit levert geen extra kosten voor het slachtoffer op. 61 In het privaatrecht dient eerst een civielrechtelijke procedure te worden gestart. De mislukking van de voorgaande wet laat zien dat dit een probleem is wat publiekrechtelijk dient te worden aangepakt. Het is de taak van de overheid een sterk signaal af te geven bij normoverschrijdingen op financieel vlak. Te meer, omdat de mensen die naar een pandhuis gaan een kwetsbare positie innemen. Voor hen is het belenen van goederen veelal een last remedy. 5. Conclusie Al jaren worden de hoge rentes en moeilijk naleefbare voorwaarden die pandhuizen hanteren bekritiseerd. Pandbeleners betalen hun lening bij een pandhuis vaak drievoudig terug. Verschillende pogingen tot het wijzigen van de regelgeving hebben geen effect gesorteerd. De nieuwe regelgeving betreffende de pandbelening is zeer te verwelkomen. Het verhogen van de beleentermijn naar minstens twee maanden en het instellen van een maximaal renteplafond is heuglijk nieuws. Men heeft er echter geen rekening mee gehouden dat ook met de nieuwe regelgeving schendingen op de loer liggen. Rechtspraak uit de negentiende eeuw laat zien dat pandhuizen zeer creatief waren in het bedenken van een constructie die de bestaande regelgeving omzeilde. Waarom toch weer gekozen is voor het privaatrecht en bestuursrecht blijft onduidelijk. De regelgeving betreffende de pandbeleningen zou, wat mij betreft, weer naar het strafrecht overgeheveld moeten worden, niet in de zin dat pandjeshuizen strafbaar gesteld dienen te worden, maar dat het overschrijden van de regelgeving uit Boek 7 Titel 2D BW strafbaar is. Een eerste argument is dat de overheid de minder draagkrachtige burger dient te beschermen. Daarnaast zijn de bepalingen uit de Wft, die klanten voor financieringsinstellingen behoeden, ook strafrechtelijk en bestuursrechtelijk te handhaven. Het belenen van goederen voor geld heeft veel gemeenschappelijk met het verlenen van een krediet. Verder dient streng te worden opgetreden tegen de instellingen die hun regels te buiten gaan. Een dreigende hechtenis van 100 dagen werkt mijns inziens effectiever dan een bestuurlijke boete. Op zijn minst had het strafrecht ingezet kunnen worden als aanvullende escape in het geval het bestuursrecht geen effect sorteert. Het is onbegrijpelijk dat tegenwoordig alles gereguleerd is behalve het profiteren van de meest kwetsbaren uit de samenleving. 39. Citters 1886, p. 36, zie ook Levy 1860; De wetgeving op de Banken van Leening werd illusoir gemaakt. 40. Rb. Arnhem 11 november 1884, WvhR 1884, , par Rb. Arnhem 11 november 1884, WvhR 1884, , par Hof Amsterdam 24 mei 1886, WvhR 1886, Hof Amsterdam 24 mei 1886, WvhR 1886, ; Niet mag worden afgeweken van de bewoordingen van een overeenkomst, zeker niet als dit in een strafzaak ten nadele van de beklaagde uitpakt; Het Hof Arnhem had verzuimd te onderzoeken of er een wettelijke vergunning voor lag, HR 5 april 1886, WvhR 1886, Kamerstukken II 2011/12, , nr. 3, p C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2005, p , p J.T.C. Leliveld, Kiezen voor een sanctiestelsel bij overtreding van de Wft, Tijdschrift voor Financieel Recht nr. 5/6 mei / juni 2009, p. 220; Kamerstukken II 2008/09, VI, nr Citters 1886, p. 36; Maassen 1994, p. 249, Levy 1860: Memorie van Antwoord, ingezonden bij brief van 6 mei 1910 door minister Heemskerk: HR 24 juni 1907, WvhR 1907, , A-G Noyon. 51. C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2010, p Art. 1:20 lid l sub d Wft. 57. J.T.C. Leliveld, Kiezen voor een sanctiestelsel bij overtreding van de Wft, Tijdschrift voor Financieel Recht nr. 5/6 mei / juni 2009, p Leliveld 2009, p Procureur-generaal bij het OM Art. 36f Wetboek van Strafrecht. 45. Citters 1886, p Kamerstukken II 2003/04, , nr., p. 18 en 52; art. 1 en 2 jo. art. 6 WED. 54. Via een strafbeschikking staat de weg weer open naar de strafrechter. 55. N. Struiksma, J. de Ridder en H.B. Winter, De effectiviteit van bestuurlijke en strafrechtelijke milieuhandhaving, 253 Onderzoek en Beleid WODC, Meppel: BJu 46. Wet van 28 oktober 1946 tot opheffing particuliere bank van leening. 47. A.G. Castermans, Dwaling tussen privaat- en publiekrecht, WPNR 2012, 6940, p. 11 en Kamerstukken II 2003/04, , nr. 3, p. 3. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

18 796 Opinie Een halfleeg glas De risico s van het bewaren van een kopie van het patiëntendossier voor de privacy Christiaan van Beek 1 Als de vertrouwelijkheid van medische gegevens op het spel staat kan dat veel ophef veroorzaken. Zie de perikelen rondom het elektronisch patiëntendossier. Ondertussen deden de Hoge Raad en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg een aantal uitspraken die die vertrouwelijkheid evenzeer onder druk zetten, zonder noemenswaardig aandacht te trekken. Recent is veel aandacht uitgegaan naar de invoering van de zorginfrastructuur (voorheen het elektronisch patiëntendossier). Met name de negatieve gevolgen en risico s voor de persoonlijke levenssfeer van de patiënt zijn in de media breed uitgemeten. NRC Handelsblad ontraadde in een commentaar zelfs zijn lezers deelname. 2 Los van de juridische merites van een dergelijk advies is de vertrouwelijkheid van medische gegevens klaarblijkelijk een belangrijk thema. Toch zijn er dit jaar een tweetal uitspraken gedaan door respectievelijk de Hoge Raad en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) die evenzeer betrekking hebben op dit onderwerp maar nauwelijks voor ophef hebben gezorgd. 3 Naar mijn mening ten onrechte. Deze uitspraken hebben betrekking op de uitleg van de dossier- en bewaarplicht. Op grond van art. 7:454 BW (WGBO) 4 is een arts verplicht om een dossier te voeren met betrekking tot de behandeling van de patiënt. De bewaarplicht heeft als uitgangspunt dat de arts medische gegevens voor een periode van vijftien jaar bewaart. De Het uitgangspunt is dus bewaren of overdragen dossier- en bewaarplicht zijn belangrijk in het kader van de continuïteit en kwaliteit van zorg. Dit geldt met name voor de zorg van huisartsen. Om deze reden schrijven de richtlijnen van de beroepsgroep voor dat bij wijziging van huisarts het patiëntendossier, en in het verlengde hiervan de bewaarplicht, wordt overgedragen aan de opvolger. Ook bij andere hulpverleners kan het verstandig zijn om het dossier over te dragen. Het uitgangspunt is dus bewaren of overdragen. Bij wijze van uitzondering is het een arts toegestaan om na overdracht een kopie van het dossier te bewaren ingeval er een (tucht)rechtelijke procedure speelt of dreigt. Kristalhelder zou je denken. De Hoge Raad en het CTG lijken dit nu in een ander perspectief te plaatsen. De uitspraak van de Hoge Raad heeft betrekking op een arts die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een kliniek om cosmetisch chirurgische handelingen uit te voeren. De arts en de kliniek gaan uit elkaar waarbij de arts kopieën van de dossiers vordert van de patiënten die hij behandeld heeft. De aard van de samenwerkingsovereenkomst brengt met zich mee dat zowel de kliniek als de arts als hulpverlener kunnen worden aangemerkt in de zin van art. 7:446 BW. Op beiden rust dus de bewaarplicht. Om de patiënt inzage en afschrift van het dossier te kunnen verlenen heeft iedere hulpverlener volgens de Hoge Raad daarom (in beginsel) recht op in ieder geval een kopie van het patiëntendossier van de patiënten die door hem zijn behandeld. De zaak van het Centraal Tuchtcollege betreft een huisarts die ernstig door een patiënt is bedreigd, en om deze reden, zonder hiervan mededeling aan de patiënt te doen, een kopie van het dossier heeft achtergehouden. Het CTG stelt in dit verband dat geen rechtsregel het de hulpverlener verbiedt een kopie van het dossier te behouden, en dat de wetsgeschiedenis hiervoor ook geen aanknopingspunt biedt. Uit de bovenstaande uitspraken zou kunnen worden afgeleid dat een hulpverlener altijd een kopie van het medisch dossier mag bewaren nadat het origineel is overgedragen, al was het maar voor het geval een (tucht)rechtelijke procedure mocht gaan spelen. Naar mijn mening staat een dergelijk algemeen geformuleerd recht op gespannen voet met de bescherming van de privacy van de patiënt. De uitspraak van de Hoge Raad is goed te begrijpen voor de specifieke situatie als er meerdere hulpverleners zijn waarmee de patiënt een behandelrelatie heeft. Een algemeen recht op een kopie van het dossier ligt echter minder voor de hand. Ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege roept in dit opzicht de nodige vragen op NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

19 ANP Xtra Lex van Lieshout Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geldt in beginsel een verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens waaronder medische gegevens. Een uitzondering geldt waar het de behandeling van de patiënt betreft, en het beheer van de praktijk. Dit wordt nader ingevuld door specifieke wetgeving waar art. 7:454 BW onderdeel van uitmaakt. Hiernaast zijn ook algemene bepalingen uit de Wbp van belang. De verwerking moet onder meer overeenkomen met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld, de verwerking mag niet bovenmatig (disproportioneel) zijn, en de betrokkene moet hierover geïnformeerd worden. Het is dan maar zeer de vraag of art. 7:454 BW voldoende basis biedt voor het bewaren van een kopie. Er is geen sprake van een expliciete wettelijke grondslag. Als een (tucht)rechtelijke procedure niet aan de orde is ontvalt bovendien het doel voor de verwerking. Dit impliceert dat de arts voor het bewaren van een kopie van het dossier goed beschouwd toestemming nodig heeft van de patiënt, en deze in ieder geval nadrukkelijk moet informeren over het bewaren van een kopie. Het dubbel bewaren kan tenslotte als bovenmatig en disproportioneel worden gekwalificeerd. Voor het effectueren van het inzagerecht en het recht op afschrift is dit immers niet noodzakelijk. Bove ndien ontstaat zo een weinig overzichtelijke situatie voor de patiënt. Met name als deze gebruik wil maken van het recht om medische gegevens te laten vernietigen. Dat zou voor dezelfde gegevens zowel bij de huidige en de oude huisarts moeten gebeuren. Bezien vanuit het perspectief van de privacy is het glas dus eerder halfleeg dan halfvol. Ik zou er daarom voor willen pleiten dat de arts alleen een kopie van een medisch dossier bewaart als er sprake is een specifieke situatie zoals dat nu het geval is. Hierbij is het overigens niet van belang of een dossier in papieren vorm bestaat of gedigitaliseerd is. De Wbp en de WGBO zijn Uit de uitspraken zou kunnen worden afgeleid dat een hulpverlener altijd een kopie van het medisch dossier mag bewaren nadat het origineel is overgedragen immers onverkort van toepassing. De discussie rondom de zorginfrastructuur laat wel zien dat er andere risico s op dit punt bestaan zoals de toegankelijkheid en opslag (cloudcomputing) van medische gegevens die evenzeer pleiten tegen het onnodig aanhouden van duplicaten, en het ook mogelijk moeten maken om digitale gegevens definitief te verwijderen. Met name dat laatste blijkt in de praktijk nog wel eens lastig te zijn. Niet voor niets is in het voorstel voor de nieuwe Europese Privacyrichtlijn een recht opgenomen om vergeten te worden. Het zou daarom goed zijn als de Hoge Raad en het CTG zich bij de uitleg van het gezondheidsrecht meer bewust tonen van dergelijke ontwikkelingen, en van het privacyrecht in het algemeen. Auteur 1. Mr. drs. C.J.H. van Beek is zelfstandig adviseur gezondheids- en privacyrecht en is recent onder meer werkzaam geweest voor de KNMG. Noten 2. NRC Handelsblad d.d. 3 december Het betreft de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 25 mei 2012 (LJN BV8508). En de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege d.d. 18 september 2012 (YG2344). 4. Art. 7:446 BW t/m art. 7:468 BW hebben betrekking op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

20 Rechtspraak Aanbevolen citeerwijze: NJB 2013/ (nummer uitspraak) Hof van Justitie EU 1044 Hoge Raad (civiele kamer) 1045 Hoge Raad (strafkamer) 1055 Afd. Bestuursrechtspraak RvS 1061 Centrale Raad van Beroep 1062 College Beroep Bedrijfsleven 1067 Hof van Justitie van de Europese Unie Deze rubriek wordt verzorgd door M.K. Bulterman, van de Directie Juridische Zaken, Afdeling Europees Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De volledige uitspraken van het HvJ EU zijn beschikbaar via Arrest van 21 maart 2013, nr. C-254/11 (Vierde kamer: J.C. Bonichot (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vierde Kamer, C. Toader, M. Berger, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters) Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid Klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten Verordening (EG) nr. 1931/2006 Verordening (EG) nr. 562/2006 Maximumduur van verblijf Berekeningsregels Shomodi A. Feiten Onder de Schengenuitvoeringsovereenkomst, kunnen vreemdelingen die niet onderworpen zijn aan een visumplicht zich vrij verplaatsen binnen de Schengenruimte voor een periode van maximaal drie maanden gedurende zes maanden na de datum van eerste binnenkomst. Een specifieke verordening (Verordening nr. 1931/2006) geldt voor vreemdelingen die woonachtig zijn in een gebied dat grenst aan een lidstaat van de EU. Grensarbeiders kunnen een vergunning krijgen voor klein grensverkeer dat hen in staat stelt om de naburige lidstaat binnen te komen en er te blijven gedurende een ononderbroken periode, waarvan de duur wordt bepaald door de twee buurlanden, maar mag niet langer zijn dan drie maanden. Houders van een dergelijke vergunning zijn niet bevoegd om verder te gaan dan het grensgebied van de bezochte lidstaat. Hongarije en Oekraïne hebben een overeenkomst gesloten tot regeling van het klein grensverkeer aan hun gemeenschappelijke grens. Onder deze overeenkomst geldt een maximale verblijfsduur van 3 maanden. De heer Shomodi is een Oekraïense onderdaan en houder van een vergunning in het kader van het klein grensverkeer. Op 2 februari 2010 heeft hij zich bij de grenspost te Záhony gemeld. De Hongaarse politie heeft toen vastgesteld dat hij tussen 3 september 2009 en 2 februari dagen op het Hongaarse grondgebied had verbleven, waarbij hij zich daar bijna dagelijks voor enkele uren had opgehouden. Aangezien de heer Shomodi dus in een periode van zes maanden meer dan drie maanden in de Schengenruimte had verbleven, heeft de Hongaarse politie hem de toegang tot het Hongaarse grondgebied geweigerd op grond van het Hongaarse nationale recht, uitgelegd in het licht van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en verordening nr. 562/2006. De heer Shomodi heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Hongaarse rechters. B. Prejudiciële vragen De Hongaarse rechter legt de vraag voor wat de exacte draagwijdte is van de beperking tot drie maanden van elk ononderbroken verblijf waarop de houder van een vergunning voor klein grensverkeer op basis van de verordening nr. 1931/2006 recht heeft, gelet op de beperking van het verblijf tot drie maanden op een totaal van zes maanden voor onderdanen van derde landen die door de Schengenuitvoeringsovereenkomst en verordening nr. 562/2006 van de visumplicht zijn vrijgesteld. De verwijzende rechter wenst ook te vernemen welke frequentie van onderbrekingen in het verblijf van een houder van een vergunning voor klein grensverkeer in de zin van artikel 5 van verordening 1931/2006 aanvaardbaar is. C. Uitspraak van het Hof Het Hof overweegt dat de algemene regel van het Schengen acquis, dat voor van de visumplicht vrijgestelde onderdanen van derde landen het verblijf van korte duur beperkt tot in totaal drie maanden per periode van zes maanden, niet van toepassing is op klein grensverkeer. In dit verband wijst het Hof allereerst op de bewoordingen van artikel 5 van verordening 1931/2006. De beperking van drie maanden zoals neergelegd in de klein grensverkeer verordening verwijst enkel naar ononderbroken verblijf, terwijl de beperking van het Schengen acquis niet naar zulke verblijven verwijst. Ook verordening 1931/2006 pleit volgens het Hof voor een autonome uitleg. De vaststelling van verordening 1931/2006 wijst op de wil van de Uniewetgever om regels voor het klein grensverkeer vast te stellen die afwijken van het Schengen acquis. Deze regels beogen de bewoners van de betrokken grensgebieden, teneinde rekening te houden met de lokale, huidige en historische omstandigheden, in staat te stellen gemakkelijk, dat wil zeggen zonder overdreven administratieve hinderpalen, frequent maar eveneens regelmatig de landbuitengrenzen van de Unie te overschrijden om economische, sociale, culturele of familieredenen. Daarnaast vindt het Hof de geuite bezorgdheid van sommige regeringen over de vermeende negatieve gevolgen van een autonome uitlegging van de Verordening niet overtuigend, nu het vergemakkelijken van de grensovergang bedoeld is voor bonafide grensbewoners die gegronde en voldoende gemotiveerde redenen hebben om een landbuitengrens te overschrijden. Hier komt bij dat de lidstaten bevoegd blijven om sancties op te leggen aan de grensbewoners die hun vergunning voor klein grensverkeer misbruiken of bedrieglijk gebruiken. Aldus oordeelt het Hof dat de houder van een vergunning voor klein grensverkeer zich vrij in de grenszone moet kunnen verplaatsen wanneer zijn verblijf aldaar niet wordt onderbroken, en na elke onderbreking van zijn verblijf aanspraak moet kunnen maken op een nieuw verblijfsrecht voor drie maanden. In antwoord op de tweede vraag wijst het Hof erop dat het verblijf van de houder van een in het kader van het klein grensverkeer verstrekte vergunning voor klein grensverkeer als onderbroken moet worden beschouwd vanaf het ogenblik dat de betrokkene de grens overschrijdt om overeenkomstig de hem verstrekte vergunning naar zijn lidstaat van verblijf terug te keren, zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met het aantal grensoverschrijdingen per dag. D. Slotsom Verordening 1931/2006 moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een vergunning voor klein grensverkeer zich binnen de grenzen die zijn vastgelegd in deze verordening en in de bilaterale overeenkomst tussen het derde land waarvan hij onderdaan is en de aangrenzende lidstaat is gesloten, vrij in de grenszone moet kunnen verplaatsen wanneer zijn verblijf aldaar niet wordt onderbroken, en na elke onderbreking van zijn verblijf aanspraak moet kunnen maken op een nieuw verblijfsrecht voor drie maanden. Een onderbreking van het verblijf doet zich voor wanneer de grens tussen de naburige lidstaat en het derde land wordt overschreden, ongeacht de frequentie van deze overschrijding en zelfs indien zij meerdere keren per dag plaatsvindt NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

21 Rechtspraak Hoge Raad (civiele kamer) Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C. Lewin, raadsheer in het gerechtshof Amsterdam. De uitspraken zijn integraal in te zien op maart 2013, nr. 12/00122 (Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion en M.V. Polak; A-G mr. E.B. Rank-Berenschot) LJN BY7841 Wisselbepaling. Bij dagvaarding is cassatie ingesteld tegen een beschikking. De HR past de wisselbepaling toe. (Rv art. 69, 426a) De vrouw, adv. mr. M.L. Kleyn, vs. de man, niet verschenen Procesverloop Bij verzoekschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken en een aantal nevenvoorzieningen te treffen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan bij beschikking. De vrouw is in hoger beroep gegaan bij verzoekschrift. Het hof heeft uitspraak gedaan bij beschikking. De vrouw is in cassatie gegaan bij dagvaarding. Hoge Raad De vrouw had het cassatieberoep bij verzoekschrift dienen in te stellen. Volgt het bevel dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, met bepaling dat de griffier afschriften van de cassatiedagvaarding en van het arrest van de Hoge Raad toezendt aan de man en hem in de gelegenheid stelt een verweerschrift in te dienen, een en ander overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G bespreekt de wisselbepaling van art. 69 Rv onder maart 2013, nr. 12/00401 (Mrs. F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, G. Snijders en M.V. Polak; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent) LJN BY7843 Toegang tot de rechter. Grievenstelsel. Het hof verklaart een appellant bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk in het hoger beroep. In cassatie voert de partij aan dat zij de peremptoirstelling van de wederpartij niet had ontvangen en dat het elektronisch roljournaal niet toegankelijk was. HR: De gestelde samenloop van omstandigheden van de juistheid waarvan voorshands moet worden uitgegaan is tegen de achtergrond van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de civiele rechter van dien aard, dat niet voor risico van de partij dient te komen dat zij nog niet van grieven had gediend. (EVRM art. 6) X c.s., adv. mr. M.W. Eshuis, vs. Varde, niet verschenen Procesverloop Op vordering van Varde heeft de kantonrechter X c.s. veroordeeld tot betaling van een geldbedrag. X c.s. zijn in hoger beroep gegaan. De zaak is bij het hof op de rol ingeschreven, en heeft op 28 juni, 9 augustus en 6 september 2011 op de rol gestaan voor het nemen van de memorie van grieven. Op de rolzitting van 20 september 2011 is akte verleend dat X c.s. niet tijdig van grieven hebben gediend. Bij arrest van 4 oktober 2011 heeft het hof X c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep bij gebreke van grieven. Hoge Raad X c.s. voeren aan dat zij de peremptoirstelling door Varde in de brief van mr. Ouwens van 12 augustus 2011 niet hebben ontvangen en dat het elektronisch roljournaal in de desbetreffende periode niet toegankelijk was. Uitgaande van de door het middel geschetste gang van zaken die voldoende aannemelijk is, gelet op de overgelegde stukken en de ambtshalve door de A-G ingewonnen inlichtingen hebben X c.s. niet eerder dan in cassatie de gelegenheid gehad om aan te voeren dat zij als gevolg van de in het middel genoemde samenloop van omstandigheden niet op de hoogte waren van de peremptoirstelling en het laatste uitstel voor de memorie van grieven op 6 september 2011 tegen de rolzitting van 20 september 2011, zodat in cassatie voorshands van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Tegen deze achtergrond is het middel gegrond. De door X c.s. gestelde samenloop van omstandigheden van de juistheid waarvan in cassatie voorshands moet worden uitgegaan is tegen de achtergrond van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de civiele rechter van dien aard, dat niet voor hun risico dient te komen dat zij op 20 september 2011 nog niet van grieven hadden gediend. De stellingen van X c.s. moeten derhalve op juistheid worden onderzocht, hetgeen betekent dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G verwijst in voetnoot 20 naar HR 13 april 2012, LJN BV5549, NJ 2012/246 (Palu di Mangel/Korpodeko), in welke zaak eveneens een cassatieberoep noodzakelijk was om een einduitspraak van het hof van tafel te krijgen maart 2013, nr. 12/01002 (Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion en M.V. Polak; A-G mr. P. Vlas) LJN BY4352 Internationaal privaatrecht. Huwelijkse voorwaarden. Rechtskeuze. Haags Huwelijksvermogensverdrag HR: Het hof heeft nagelaten te onderzoeken of in dit geval uit de keuze van partijen voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek ondubbelzinnig een aanwijzing van het toepasselijke recht voortvloeit. (Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 art. 10, 11) De man, adv. mr. E.H. van Staden ten Brink, vs. de vrouw, adv. mr. J. van Duijvendijk- Brand Feiten en procesverloop Partijen zijn op 3 januari 1998 in Italië getrouwd. In de huwelijksakte staat dat partijen hebben verklaard te hebben gekozen voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 Codice Civile. Partijen wonen sinds april 1998 in Nederland. In dit geding heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslist dat op grond van een geldige rechtskeuze het regime van scheiding van goederen van het Italiaanse recht geldt. Het hof heeft alsnog geoordeeld dat een gemeenschap van goederen krachtens het Nederlandse recht bestaat en verdeeld moet worden. Hoge Raad Het hof heeft weliswaar onderkend dat art. 11 van het Haagse Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt dat de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden, maar heeft vervolgens uitsluitend geoordeeld dat niet gesproken kan worden van een ondubbelzinnige aanwijzing van het toepasselijke recht door partijen. Aldus heeft het NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

22 Rechtspraak hof nagelaten te onderzoeken of in dit geval een aanwijzing van het toepasselijke recht op de voet van art. 11 ondubbelzinnig voortvloeit uit de hiervoor genoemde keuze van partijen voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtskeuze op de voet van art. 11 van het Verdrag dienen de door het hof in rov. 13 en 14 genoemde feiten en omstandigheden buiten beschouwing te worden gelaten. Zij hebben immers betrekking op de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming met betrekking tot hun rechtskeuze bestaat, en art. 10 van het Verdrag bepaalt dat de voorwaarden voor de wilsovereenstemming van de echtgenoten inzake het recht dat zij als toepasselijk aanwijzen, door dat recht worden bepaald. Voormelde feiten en omstandigheden kunnen dus slechts in aanmerking worden genomen bij de beoordeling naar Italiaans recht van de materiële geldigheid van de (op de voet van art. 11 van het Verdrag tot stand gekomen) rechtskeuze van partijen. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G bespreekt onder 2.2 de toepasselijkheid van het Haagse Huwelijksvermogensverdrag Onder meent hij dat zo niet uitdrukkelijk, dan in ieder geval ondubbelzinnig uit de huwelijksakte volgt dat partijen Italiaans recht voor ogen hebben gehad. Onder noemt hij het onderscheid tussen de formele geldigheidsvereisten en de materiële geldigheidsvereisten van een rechtskeuze maart 2013, nr. 12/01003 (Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth; A-G mr. D.W.F. Verkade) LJN BY8661 Auteursrecht. Slaafse nabootsing. Onrechtmatige daad. Een kunstschilderes stelt vorderingen in op de grond dat inbreuk wordt gemaakt op de auteursrechtelijke bescherming van de figuren op haar werken. HR: Het volgen van dezelfde stijl brengt nog niet mee dat sprake is van nabootsing van een werk als bedoeld in art. 13 Aw. Het recht laat geen ruimte voor aanvullende bescherming van de maker van een werk op grond van art. 6:162 BW tegen zogenoemde slaafse nabootsing van een stijl of van stijlkenmerken. Niet is uitgesloten dat slaafse nabootsing van een stijl of van stijlkenmerken onder bijkomende omstandigheden onrechtmatig kan zijn, maar daartoe is niet toereikend dat die nabootsing nodeloos is en bij het publiek verwarring wekt. (Aw art. 13; BW art. 6:162) A, adv. mr. S.M. Kingma, vs. B, niet verschenen Feiten en procesverloop A en B zijn kunstschilders. In dit geding heeft B een verklaring voor recht gevorderd dat de figuren op haar werken auteursrechtelijke bescherming genieten en dat werken van A daarop inbreuk maken. Voorts heeft zij vorderingen ingesteld die ertoe strekken de gevolgen daarvan ongedaan te maken. De rechtbank heeft A veroordeeld drie bepaalde schilderijen aan B af te geven en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd voor zover het de toewijzingen betreft. De door de rechtbank afgewezen vorderingen heeft het hof alsnog grotendeels toegewezen. Hoge Raad Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt het gebruik van hetzelfde materiaal, het bewerken daarvan volgens dezelfde, een bepaald artistiek effect opleverende methode, of het volgen van dezelfde stijl, nog niet mee dat sprake is van nabootsing van een werk als bedoeld in art. 13 Aw (HR 28 juni 1946, NJ 1946/712, vgl. voorts HR 29 december 1995, LJN ZC1942, NJ 1996/546). De Auteurswet geeft geen exclusief recht aan degene die volgens een hem kenmerkende stijl werkt. Aan deze rechtspraak ligt de gedachte ten grondslag dat de auteursrechtelijke bescherming van abstracties als stijlkenmerken een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van creatie van de maker zou meebrengen, en aldus een rem op culturele ontwikkelingen zou vormen. Tegen deze achtergrond dient te worden geoordeeld dat het recht geen ruimte laat voor aanvullende bescherming van de maker van een werk op grond van art. 6:162 BW tegen zogenoemde slaafse nabootsing van een stijl of van stijlkenmerken. Een ander oordeel zou meebrengen dat langs die weg alsnog het resultaat zou worden bereikt dat de hiervoor vermelde rechtspraak beoogt te voorkomen. Het vorenstaande sluit niet uit dat slaafse nabootsing van een stijl of van stijlkenmerken onder bijkomende omstandigheden onrechtmatig kan zijn, maar daartoe is niet toereikend dat die nabootsing nodeloos is en bij het publiek verwarring wekt. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G wijst onder stijlbescherming via art. 6:162 BW af aan de hand van literatuur, rechtspraak en beschouwingen maart 2013, nr. 12/02147 (Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en C.E. Drion; A-G mr. P. Vlas) LJN BY7833 Enquêtebevoegdheid. Een middellijk aandeelhouder van een vennootschap verzoekt een enquête. HR: De bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek komt mede toe aan de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap, welk belang in zoverre op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder. Het oordeel van de ondernemingskamer dat verzoeker onder de onderhavige omstandigheden als verschaffer van risicodragend kapitaal een eigen economisch belang heeft in de vennootschap dat in zoverre kan worden gelijkgesteld met het belang van een aandeelhouder, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. (BW art. 2:346, aanhef en onder b) X1, X2 en X3, adv. mr. M.E. Bruning, vs. Y en Chinese Workers, niet verschenen Feiten en procesverloop X1, X2, X3 en Y hebben in 2000 Chinnede opgericht, een vennootschap naar Chinees recht, gevestigd te Hong Kong. Chinnede heeft in 2001 Chinese Workers opgericht, een besloten vennootschap naar Nederlands recht. Chinese Workers drijft een onderneming gericht op het detacheren van uit China afkomstig horecapersoneel in Nederland. Sinds 2001 is Y in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als volledig gevolmachtigde van Chinese Workers met de titel directeur. Sinds 2005 is de feitelijke leiding van Chinese Workers geleidelijk in handen gekomen van Y. Chinnede houdt alle aandelen in en is enig bestuurder van Chinese Workers. X1 en Y zijn de bestuurders van Chinnede. Sinds 2007 houden X1 en Y ieder 50% van de aandelen in Chinnede. X1, X2 en X3 stellen zich op het standpunt dat X1 en Y ieder slechts 25% van de aandelen voor zichzelf houden en de overige 25% houden als trustees voor respectievelijk X2 en X3 als benificial owners. In dit geding heeft Y de ondernemingska NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

23 Rechtspraak mer verzocht een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken bij Chinese Workers en voor de duur van het geding een derde te benoemen als bestuurder van Chinese Workers. X1, X2 en X3 hebben betoogd dat Y niet bevoegd is een enquêteverzoek te doen. De ondernemingskamer heeft dat verweer verworpen, gelet op de omstandigheden (a) dat Chinnede uitsluitend de aandelen van Chinese Workers beheert en verder geen enkele (ondernemings-)activiteit verricht, (b) dat er geen reden is waarom dat beheer vanuit Hong Kong zou moeten worden verricht en dat dit beheer ook feitelijk niet vanuit Hong Kong wordt verricht, (c) dat alle ondernemingsactiviteiten door of in opdracht van Chinese Workers worden verricht, (d) dat dit ook geldt voor de werving van horecapersoneel in China die geschiedt in opdracht van Chinese Workers, en (e) dat de door deze uitzendbureau s verschuldigde commissie door Y wordt gefactureerd en vervolgens rechtstreeks aan de aandeelhouders van Chinnede wordt betaald, naar verhouding van hun aandelen (rov. 3.5). Hoge Raad Bij de beoordeling van de klachten dient te worden vooropgesteld dat de bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête toekomt aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend en dat de daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW limitatief is. Volgens vaste rechtspraak brengt de strekking van het enquêterecht echter mee dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, welk belang in zoverre op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van art. 2:346, aanhef en onder b, BW, dient te worden gelijkgesteld met aandeelhouders of certificaathouders (vgl. HR 6 juni 2003, LJN AF9440, NJ 2003/486, HR 4 februari 2005, LJN AR8899, NJ 2005/127, HR 25 juni 2010, LJN BM0710, NJ 2010/370, HR 10 september 2010, LJN BM6077, NJ 2010/665, en HR 8 april 2011, LJN BP4943, NJ 2011/338). De ondernemingskamer heeft vastgesteld dat de aandeelhouders in Chinnede waaronder Y onder de door haar in rov. 3.5 genoemde omstandigheden moeten worden aangemerkt als de economisch gerechtigden in Chinese Workers. Met dat oordeel heeft zij tot uitdrukking gebracht dat Y als verschaffer van risicodragend kapitaal een eigen economisch belang heeft in Chinese Workers dat in zoverre kan worden gelijkgesteld met het belang van een aandeelhouder als bedoeld in art. 2:346, aanhef en onder b, BW. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat Y niet rechtstreeks aandelen houdt in Chinese Workers, maar dat zij door middel van aandelen in Chinnede een economisch belang heeft in Chinese Workers, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat Chinnede een vennootschap is naar het recht van Hong Kong leidt niet tot een ander oordeel, nu de ondernemingskamer heeft vastgesteld dat de ondernemingsactiviteiten plaatsvinden in Chinese Workers. Volgt verwerping. De A-G concludeert tot vernietiging en nietontvankelijkverklaring van Y in het enquêteverzoek. Hij geeft onder 2.11 regels over de vraag aan wie de enquêtebevoegdheid toekomt en oordeelt onder 2.12 dat de door de Ondernemingskamer vermelde omstandigheden niet rechtvaardigen dat bij de beantwoording van die vraag in dit geval Chinnede wordt weggedacht maart 2013, nr. 12/02451 (Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem- Spapens, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak; A-G J. Spier) LJN BZ0173 Ontvankelijkheid in cassatie. Belang bij cassatieberoep. Een verzekerde vordert primair de verzekeraar te veroordelen tot dekkingverlening, en subsidiair de tussenpersoon te veroordelen tot schadevergoeding. De rechtbank wijst de primaire vordering af en wijst op de subsidiaire vordering een deelvonnis. De verzekerde gaat in appel tegen beide wederpartijen. In het appel tegen de verzekeraar voegt de tussenpersoon zich aan de zijde van de verzekerde. Het hof wijst een arrest waarbij het onder meer de afwijzing van de primaire vordering bekrachtigt. HR: Nu de verzekerde geen cassatieberoep heeft ingesteld, heeft de tussenpersoon als gevoegde partij geen belang bij haar cassatieberoep tegen de verzekeraar in de zaak tussen de verzekerde en de verzekeraar. (BW art. 3:303) FPO (de tussenpersoon), adv. mr. T. Welschen, vs. Belterwiede (de verzekerde), adv. mr. B.T.M. van der Wiel, en Reaal (de verzekeraar), adv. mr. M.E. Franke Feiten en procesverloop Belterwiede heeft in 2006 een jachthavencomplex gekocht. Zij heeft voor het complex via FPO, haar assurantietussenpersoon, verzekeringen afgesloten bij Reaal. In 2007 heeft brand gewoed in het jachthavencomplex, waarbij onder meer schade is ontstaan aan het horecagedeelte. Reaal heeft dekking van deze schade geweigerd, omdat dit gedeelte van het complex volgens haar niet onder de afgesloten verzekeringen valt. In dit geding heeft Belterwiede primair gevorderd Reaal te veroordelen alsnog dekking te verlenen, omdat het horecagedeelte wel onder de afgesloten verzekeringen valt, en subsidiair FPO te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, omdat in het geval dat het horecagedeelte niet onder de dekking valt, FPO is tekortgeschoten in haar verplichting jegens haar om voor een passende verzekeringsovereenkomst te zorgen. De rechtbank heeft de vordering tegen Reaal afgewezen en voor recht verklaard dat FPO aansprakelijk is voor de schade die Belterwiede heeft geleden door het feit dat de schade aan het horecagedeelte niet verzekerd was. De rechtbank heeft Belterwiede en FPO in de gelegenheid gesteld zich over die schade nader uit te laten. Tegen dit vonnis heeft Belterwiede hoger beroep ingesteld, zowel tegen Reaal als tegen FPO. FPO heeft zich in het hoger beroep van Belterwiede tegen Reaal gevoegd aan de zijde van Belterwiede. In het door Belterwiede tegen haar ingestelde hoger beroep heeft FPO incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in het hoger beroep van Belterwiede tegen Reaal het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en in het hoger beroep van Belterwiede tegen FPO in het principale beroep Belterwiede niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en in het incidentele beroep het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. FPO heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof zowel in de zaak tussen Belterwiede en Reaal als in de zaak tussen haarzelf en Belterwiede. Hoge Raad Nu Belterwiede geen cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van het hof, rijst de vraag of FPO als gevoegde partij belang heeft bij haar cassatieberoep tegen Reaal in de zaak tussen Belterwiede en Reaal. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Doordat Belterwiede geen cassatieberoep heeft ingesteld, is de afwijzing van haar vordering tegen Reaal onherroepelijk. Het door FPO als gevoegde partij tegen Reaal ingestelde cassatieberoep kan daarin geen verandering brengen. FPO heeft evenmin belang erbij dat tussen haar en Reaal wordt vastge- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

24 Rechtspraak steld hoe de rechtsbetrekking tussen Belterwiede en Reaal luidt. In haar verhouding tot Belterwiede is dat belang niet gelegen. De beslissing in het arrest van het hof omtrent de rechtsbetrekking tussen Belterwiede en Reaal heeft immers geen gezag van gewijsde in de verhouding tussen FPO en Belterwiede. Anders dan aan de orde was in HR 9 april 2010, LJN BK4549, NJ 2010/388, rov. 3, doet zich hier dan ook niet het geval voor dat de gevoegde partij zelfstandig een rechtsmiddel tegen de uitspraak moet kunnen aanwenden om te voorkomen dat deze jegens haar in kracht van gewijsde gaat en beslissingen daarin jegens haar gezag van gewijsde verkrijgen. FPO is voorts niet door het hof in de kosten van Reaal veroordeeld en heeft dus ook niet uit dien hoofde belang bij haar cassatieberoep tegen Reaal. FPO is wel ontvankelijk in haar cassatieberoep in de zaak tussen haarzelf en Belterwiede. Het vonnis van de rechtbank is, nu de vordering van Belterwiede tegen FPO daarin gedeeltelijk is toegewezen in de vorm van de uitgesproken verklaring voor recht, terwijl voor het overige de beslissing daarover is aangehouden, gedeeltelijk een eindvonnis en gedeeltelijk een tussenvonnis. Omdat het incidentele hoger beroep van FPO zich mede tegen de genoemde verklaring voor recht keerde, is de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank door het hof in zoverre een eindarrest. Aangezien het cassatieberoep van FPO zich mede keert tegen die bekrachtiging, is FPO ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen Belterwiede (vgl. HR 9 september 2011, LJN BQ2306, NJ 2011/408). Beoordeling van het middel in de zaak tegen Belterwiede: art. 81 lid 1 RO. Volgt niet-ontvankelijkverklaring van FPO in haar beroep tegen Reaal en verwerping van het beroep voor zover ingesteld tegen Belterwiede. De A-G meent dat FPO wel belang heeft bij haar beroep tegen Reaal ( ) maart 2013, nr. 12/03193 (Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en G. de Groot; A-G mr. J. Spier) LJN BZ0517 Faillissementsfraude. Schade. De curator verkoopt activa van de failliet aan een VOF. De VOF doet vervolgens facturen uitgaan ter zake van vóór het faillissement en in de eerste weken na het uitspreken van het faillissement verrichte werkzaamheden. De curator vordert schadevergoeding. HR: Het oordeel van het hof dat geen sprake is van schade of dat de curator hiertoe onvoldoende heeft gesteld, is onbegrijpelijk. (BW art. 96 lid 1) W.H.J.M. Haafkes q.q., curator in het faillissement van PPW, adv. mr. J.C. Meijroos, vs. Doli c.s., niet verschenen Feiten en procesverloop In cassatie zal worden uitgegaan van de volgende feiten, ten dele veronderstellenderwijs, aangezien het hof geen feiten heeft vastgesteld en de tegen de feitenvaststelling van de rechtbank gerichte grieven niet heeft behandeld. In 2002 heeft de rechtbank het faillissement van PPW uitgesproken. De curator heeft aan PPW behorende activa verkocht aan een vennootschap onder firma waarin Doli c.s. belangen hadden (hierna: de VOF). De VOF heeft na het sluiten van de koopovereenkomst een groot aantal facturen doen uitgaan ter zake van vóór de faillissementen verrichte, maar nog niet gefactureerde werkzaamheden/leveranties, respectievelijk voor nog niet gefactureerde werkzaamheden/leveranties die in de eerste weken na het uitspreken van de faillissementen waren verricht door het op dat moment nog voor de boedel werkende personeel. In dit geding heeft de curator vergoeding gevorderd van de schade die de boedel van PPW heeft geleden door deze gang van zaken. De vordering is mede gebaseerd op het verwijt dat er na het faillissement van PPW en de doorstart van de in die vennootschap gedreven onderneming door de VOF, een aanzienlijk deel van het onderhanden werk van PPW ten onrechte door de VOF is gefactureerd en dat de VOF in dat kader ook ten onrechte betalingen heeft ontvangen. De VOF heeft daarmee volgens de curator onrechtmatig gehandeld. Doli c.s. zijn medeaansprakelijk voor de door de door de boedel geleden schade, aldus de curator. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen tot Het hof heeft de vorderingen alsnog afgewezen op de grond dat de boedel geen schade heeft geleden. Hoge Raad Middel 2 klaagt onder meer dat het hof heeft geoordeeld over de vraag of de curator schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig handelen van Doli c.s. zonder eerst een oordeel te geven over de onrechtmatigheid van het gedrag van Doli c.s. Het middel faalt in zoverre. Op zichzelf had het hof de vrijheid om de vorderingen van de curator af te wijzen op de grond dat de curator door het handelen van Doli c.s. geen schade heeft geleden en daarbij in het midden te laten of dat handelen onrechtmatig was. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen. Middel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de boedel geen schade heeft geleden. Het hof heeft daartoe overwogen, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het onderhanden werk niet aan de VOF was overgedragen, dat de desbetreffende schuldenaren niet bevrijdend aan de VOF hebben betaald en dat het de curator derhalve vrijstond de vorderingen alsnog te innen. Het middel slaagt. De enkele omstandigheid voor zover al juist dat de schuldenaren niet bevrijdend aan de VOF hebben betaald, brengt nog niet mee dat de curator door de handelwijze van Doli c.s. geen schade heeft geleden. Het feit dat die schuldenaren reeds betalingen hebben verricht, doet immers dusdanig voor de hand liggen dat de curator moeilijkheden zal ondervinden bij het alsnog innen van de vorderingen, met de kans dat die vorderingen niet meer (volledig) kunnen worden geïnd, dat een andersluidend oordeel motivering behoeft. Een zodanige motivering ontbreekt. Bovendien wijst het middel erop dat Doli c.s. voor het hof hebben gesteld dat de vorderingen van de curator zijn verjaard en dat de curator deze stelling niet heeft betwist. Gelet hierop en op de stelling van de curator dat Doli c.s. de vorderingen aan zijn zicht hebben onttrokken, is het oordeel van het hof dat geen sprake is van schade of dat de curator hiertoe onvoldoende heeft gesteld, onbegrijpelijk. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G maart 2013, nr. 12/04254 (Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en M.V. Polak; A-G mr. F.F. Langemeijer) LJN BY8665 Onteigening. Appartementsrecht. Belang. In een onteigenings-kb worden niet alleen percelen die in eigendom van een vereniging van eigenaars zijn ter onteigening aangewezen, maar ook de appartementsrechten zelf. HR: De Onteigeningswet voorziet niet in de mogelijkheid van een afzonderlijke onteigening van een appartementsrecht. Hoewel de hierop gerichte klacht doel treft, leidt dit niet tot cassatie, omdat eisers geen belang hebben bij de klacht. (Ow art. 4 lid 1, 2 en 3; art. 17, 59 lid 3; BW art. 5:106 lid 1) 1048 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

25 Rechtspraak X c.s., adv. mr. J.A.M.A. Sluysmans, vs. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu), adv. mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink Feiten en procesverloop In 2011 zijn bij Koninklijk Besluit onder meer acht perceelgedeelten aangewezen ter onteigening ten name van de Staat, ten behoeve van de aanleg van een tunnel en de aanpassing van een knooppunt ter uitvoering van het Tracébesluit A2 Passage Maastricht. In het KB is een Vereniging van Eigenaars aangewezen als eigenaar van de betrokken percelen. Deze percelen zijn gesplitst in appartementsrechten. De eigenaren van de appartementen, onder wie X c.s., zijn gezamenlijk eigenaar van de onroerende zaken betrokken bij de splitsing. Naast de genoemde gedeelten van percelen zijn in het Koninklijk Besluit ook appartementsrechten ter onteigening aangewezen. Daartoe behoren de appartementsrechten van X. De Staat heeft de appartementsrechten van X niet in minnelijk overleg kunnen verwerven. In dit geding heeft de Staat gevorderd dat de onteigening wordt uitgesproken van de in het Koninklijk Besluit genoemde perceelsgedeelten en appartementsrechten. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. Hoge Raad Onderdeel A bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de appartementsrechten voor onteigening vatbaar zijn. Buiten de door de titels V en Va van de Onteigeningswet bestreken gevallen van onteigening van kort gezegd octrooien en rechten voortvloeiende uit een octrooiaanvraag, is het stelsel van de Onteigeningswet gericht op de onteigening van onroerende zaken. Dit vindt bevestiging in art. 4 lid 2 Ow dat bepaalt dat overigens dat wil zeggen: buiten de gevallen die worden bestreken door het hierna te bespreken art. 4 lid 1 Ow door toepassing van deze wet een zaak slechts kan worden bevrijd van de met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten door onteigening van die zaak, en in art. 4 lid 3 Ow dat bepaalt dat een aandeel in een zaak of een recht niet afzonderlijk kan worden onteigend. De in art. 4 lid 2 Ow bedoelde bevrijding is nader uitgewerkt in art. 59 lid 3 Ow, inhoudende dat in geval van onteigening van een onroerende zaak door inschrijving van het vonnis de eigendom op de onteigenaar overgaat, vrij van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten. Weliswaar voorziet art. 4 lid 1 Ow in een afzonderlijke onteigening van bepaalde rechten die op een onroerende zaak rusten, maar deze mogelijkheid staat slechts open indien de zaak toebehoort aan de onteigenende partij. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze mogelijkheid bedoeld voor gevallen waarin de onteigenende partij reeds eigenaar van de onroerende zaak is, maar op deze zaak een van de in art. 4 lid 1 Ow genoemde rechten rust. Alsdan behoeft deze partij niet een onteigeningsgeding tegen zichzelf aan te spannen, maar kan het recht afzonderlijk worden onteigend. Het bepaalde in art. 4 lid 1 Ow leent zich niet voor overeenkomstige toepassing in andere gevallen dan in deze bepaling zijn voorzien. De Onteigeningswet voorziet aldus niet in de mogelijkheid van een afzonderlijke onteigening van een appartementsrecht. Voor zover de eigendom van een gebouw of een perceel op de voet van art. 5:106 lid 1 BW is gesplitst in appartementsrechten, brengt art. 59 lid 3 Ow echter wel mee dat de onteigening van het gebouw of het perceel tot gevolg heeft dat de met betrekking tot de onteigende zaak bestaande appartementsrechten vervallen. Hoewel onderdeel A derhalve doel treft, leidt dit niet tot cassatie. Het onderdeel klaagt immers niet over de onteigening van de percelen. Art. 59 lid 3 Ow bepaalt dat in geval van onteigening van een onroerende zaak door inschrijving van het vonnis de eigendom op de onteigenaar overgaat, vrij van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten. Onderdeel A bestrijdt terecht (zie hiervoor) niet dat deze titelzuiverende werking van de onteigening mede het geval bestrijkt dat de eigendom van een gebouw of een perceel op de voet van art. 5:106 lid 1 BW is gesplitst in appartementsrechten, in dier voege dat door inschrijving van het vonnis van onteigening het onteigende gebouw of perceel wordt bevrijd van de appartementsrechten die met betrekking tot dit gebouw of perceel bestaan. Hieruit vloeit voort dat de Staat door inschrijving van het vonnis van onteigening kan bewerkstelligen dat de eigendom van de percelen op hem overgaat, en dat als gevolg daarvan de percelen worden bevrijd van de daarop betrekking hebbende appartementsrechten. Gegrondbevinding van onderdeel A kan derhalve niet beletten dat de appartementsrechten met betrekking tot de percelen als gevolg van de inschrijving van het vonnis van onteigening vervallen. het vorenstaande brengt mee dat X c.s. geen belang hebben bij hun in onderdeel A vervatte klachten. Onderdeel B keert zich tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer van X c.s. dat de Staat in strijd met art. 17 Ow heeft gehandeld door niet (ook) met eiser 2, eiseres 3 en eiser 4 (de andere eisers dan X) te onderhandelen. Art. 17 Ow strekt ertoe dat de onteigenende partij tracht door het voeren van onderhandelingen zo mogelijk een rechtsgeding te vermijden (vgl. HR 8 april 1998, LJN ZD2955, NJ 1999/24). Bij de beantwoording van de vraag of het voorschrift van art. 17 Ow behoorlijk is nageleefd, moet niet alleen worden gelet op deze strekking, maar ook op het feit dat het algemeen belang een spoedige verkrijging van de eigendom door de onteigenende partij verlangt (vgl. HR 17 maart 1965, LJN AB5065, NJ 1965/278). In het onderhavige geval diende zich de situatie aan dat de eigendom van de te onteigenen percelen was gesplitst in appartementsrechten. Voorts stond vast dat de Staat het appartementsrecht van X niet in minnelijk overleg heeft kunnen verwerven. Het mislukken van de onderhandelingen met (appartementseigenaar) X bracht derhalve mee dat de Staat ten behoeve van de verwerving van deze percelen was gedwongen een onteigeningsgeding aanhangig te maken, en dat de uitkomst van eventuele onderhandelingen met andere appartementseigenaren daaraan niet zou kunnen afdoen. In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van de rechtbank juist dat voor de Staat uit art. 17 Ow niet de verplichting voortvloeide om (ook) met eiser 2, eiseres 3 en eiser 4 te onderhandelen over hun rechten met betrekking tot de te onteigenen percelen, omdat deze onderhandelingen zonder zin waren. Daarop stuiten de klachten van onderdeel B af. Volgt verwerping, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G geeft onder beschouwingen over de Onteigeningswet en de aard van het appartementsrecht. Onder 2.13 concludeert hij dat de Onteigeningswet strikt genomen niet voorziet in de separate onteigening van een appartementsrecht, maar dat het onteigenen van een appartementsrecht als consequentie van de onteigening van het betrokken perceelsgedeelte niet in strijd is met de Onteigeningswet of met de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over het appartementsrecht maart 2013, nr. 12/04819 (Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak; A-G mr. L. Timmerman) LJN BZ1411 WSNP. Bevoegdheid bewindvoerder. Nadat de rechtbank de schone lei heeft verleend als bedoeld in art. 354 Fw, maar voordat de slotuitkeringslijst is opgemaakt, treft de bewindvoerder met toestemming van de rechter-commissaris een schikking, uit hoofde waarvan de vader van de schuldenaar een NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

26 Rechtspraak bedrag aan de boedel dient te betalen. HR: Nadat de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan, blijft de bewindvoerder, zolang de slotuitdelingslijst niet is opgemaakt, bevoegd baten voor de boedel te innen. Hij is verplicht daarbij voortvarend te werk te gaan. (Fw art. 94, 104, 295, 327, 349a, 354, 356 lid 1 en 4) X (de schuldenaar), adv. mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, vs. mr. A. Grollé, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, niet verschenen Feiten en procesverloop Bij vonnis van 8 juli 2008 is op X de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij brief van 5 juli 2011 heeft de bewindvoerder laten weten dat X in beginsel had voldaan aan zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Niettemin meende de bewindvoerder dat de schuldsaneringsregeling nog niet kon worden beëindigd, omdat de boedel op dat moment nog aan het procederen was tegen Hotcare, welke procedure de bewindvoerder met machtiging van de rechter-commissaris had overgenomen van X en verband hield met een dreigende verzilvering van een bankgarantie die in opdracht van de vader van X aan Hotcare was afgegeven. Voorts was op dat moment nog onduidelijk of X paulianeus had gehandeld door voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling zijn woning aan zijn vader te verkopen. De rechtbank heeft bij vonnis van 6 september 2011 de schuldsaneringstermijn verlengd met één jaar. In het door X ingestelde hoger beroep heeft het hof dit vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen. Het hof zag in de procedure tegen Hotcare en de mogelijk paulianeuze handeling van X geen gegronde redenen om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Op 12 december 2011 heeft de bewindvoerder met machtiging van de rechter-commissaris de vader van X gedagvaard in verband met de gestelde paulianeuze verkoop van de woning. De bewindvoerder heeft bij brief van 8 februari 2012 de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. De rechtbank heeft bij vonnis van 13 maart 2012 geoordeeld dat onvoldoende voortvarendheid was betracht om de procedure ter zake van de paulianeuze verkoop van de woning aan te spannen en dat het mogelijk paulianeuze karakter van de verkoop daarom geen aanleiding kon vormen om X de schone lei te onthouden. In het dictum heeft de rechtbank vastgesteld dat de schuldenaar niet in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege zal zijn geëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden en dat de bewindvoerder nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaat tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. Op 20 juni 2012 heeft in de door de bewindvoerder tegen de vader van X aangespannen procedure een comparitie plaatsgevonden, waarbij een schikking is bereikt, inhoudende dat de vader van X zou overmaken op de saneringsrekening van X, dat hiervan het schikkingsbedrag betreft dat de bewindvoerder met Hotcare was overeengekomen, dat Hotcare de afgegeven bankgarantie zou retourneren, dat de procedure tussen de vader van X en de bewindvoerder zou worden geroyeerd en dat de bewindvoerder tevens royement zou verzoeken van de zaak tegen Hotcare. In het onderhavige geding heeft X de rechter-commissaris bij brief van 21 juni 2012 verzocht aan de bewindvoerder toestemming te onthouden om de hiervoor genoemde schikking aan te gaan. Bij beschikking van 4 juli 2012 heeft de rechter-commissaris aan de bewindvoerder toestemming verleend om de schikking aan te gaan. Op het door X tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingestelde beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechter-commissaris op juiste gronden aan de bewindvoerder toestemming heeft verleend om de met de vader van X getroffen schikking aan te gaan. Hoge Raad Het middel betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de taak van de bewindvoerder, na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van 13 maart 2012, uitsluitend bestond in het onverwijld opmaken van de slotuitdelingslijst, en dat de bewindvoerder niet meer de bevoegdheid had om nog rechtshandelingen te verrichten als bedoeld in art. 327 in verbinding met art. 104 Fw, zoals het treffen van een schikking in de procedure tegen de vader van X. Met het in kracht van gewijsde gaan van voormeld vonnis was de schuldsanering in materiële zin beëindigd en hadden de op X rustende verplichtingen een einde genomen. In dit verband doet het middel een beroep op HR 24 februari 2012, LJN BV0890, NJ 2012/636. Voor zover het middel een beroep doet op deze beschikking van de Hoge Raad miskent het dat in die zaak de vraag aan de orde was of goederen die de schuldenaar had verkregen na afloop van de termijn die ingevolge art. 349a Fw voor de schuldsanering geldt, tot de in art. 295 Fw bedoelde boedel behoorden, welke vraag de Hoge Raad ontkennend heeft beantwoord. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ziet de beschikking van de Hoge Raad op een andere situatie dan zich hier aandient. Volgens het in cassatie in zoverre onbestreden oordeel van de rechtbank is immers sprake van een tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling reeds bestaande vordering die nog niet was vereffend. Hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking heeft overwogen, biedt dan ook geen steun voor de rechtsopvatting waarop het middel berust. Voor zover het middel betoogt dat de bewindvoerder na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw, niet meer de bevoegdheid heeft om nog rechtshandelingen te verrichten, zoals het treffen van een schikking, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Art. 356 lid 1 Fw gebiedt de bewindvoerder, zodra de uitspraak bedoeld in artikel 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld over te gaan tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. Blijkens de wetsgeschiedenis is echter niet uitgesloten dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat de slot uitdelingslijst eerst geruime tijd later wordt opgesteld en dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling derhalve langer voortduurt dan de in het saneringsplan bepaalde termijn (Kamerstukken II , , nr. 3, p. 66). Hieruit vloeit voort dat de bewindvoerder, nadat de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan, maar de slotuitdelingslijst nog niet is opgemaakt, bevoegd blijft baten voor de boedel te innen. Wel draagt art. 356 lid 1 Fw de bewindvoerder op om na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw, zowel bij het opmaken van de slotuitdelingslijst als bij het innen van baten voor de boedel, voortvarend te werk te gaan. In het onderhavige geval heeft de rechtbank in haar vonnis van 13 maart 2012 verstaan dat de bewindvoerder, nadat haar vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaat tot het opmaken van de slotuitdelingslijst. Vervolgens heeft de bewindvoerder in de procedure die hij tegen de vader van X had aangespannen, ter comparitie van 20 juni 2012 een schikking getroffen. Door aldus te handelen heeft de bewindvoerder niet in strijd gehandeld met de op hem rustende verplichting om bij het innen van baten voor de boedel voortvarend te werk te gaan. Bij het vorenstaande verdient opmerking dat de verplichtingen die voor X voortvloeiden uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, na ommekomst van de termijn van 1050 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

27 Rechtspraak art. 349a Fw ten einde zijn gekomen. Het oordeel van de rechtbank moet dan ook aldus worden verstaan dat het nadeel dat X ondervindt van het feit dat het opmaken van de slotuitdelingslijst op zich laat wachten, minder zwaar weegt dan het belang van de schuldeisers dat de door de bewindvoerder te treffen schikking leidt tot een actief voor de te vereffenen boedel. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping, overeenkomstig de conclusie van de A-G. Onder gaat de A-G in op de vraag hoe ervoor gezorgd kan worden dat baten die hun oorzaak voor of tijdens de schuldsaneringstermijn hebben, maar binnen die termijn niet te gelde zijn gemaakt, alsnog in de boedel terechtkomen. Dergelijke baten moeten naar zijn mening worden behandeld als waren het nagekomen baten in de zin van art. 356 lid 4 jo. 194 Fw april 2013, nr. 11/04483 (Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. Snijders en G. de Groot; A-G mr. L. Timmerman) LJN BY9086 Buitengerechtelijke kosten. HR: De enkele omstandigheid dat slechts een klein gedeelte van de vordering is toegewezen, brengt niet mee dat alle gevorderde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte niet redelijk zijn geweest. (BW art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c) Multiquest, adv. mrs. B.T.M. van der Wiel en D.A. van der Kooij, vs. Fricorp c.s., adv. mr. F.E. Vermeulen Procesverloop In dit geding zijn vorderingen tot betaling ingesteld. Na eiswijziging in hoger beroep is in hoofdsom 4,2 miljoen gevorderd. Het hof heeft bijna toegewezen. Hoge Raad Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof over de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Het hof heeft deze nevenvordering afgewezen op de grond dat de desbetreffende incassowerkzaamheden waren gericht op invordering van een veel hoger bedrag dan door het hof toewijsbaar is geacht. De enkele omstandigheid dat slechts een klein gedeelte van de vordering is toegewezen, brengt echter niet mee dat alle gevorderde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van ook het toewijsbaar geachte bedrag, niet redelijk zijn geweest in de zin van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW. Indien het hof dit heeft miskend, heeft het van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Indien het hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G geeft onder 4.54 regels over de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten april 2013, nr. 11/05299 (Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak; A-G mr. L. Timmerman) LJN BY8101 Uitleg van overeenkomsten. Partijen hebben een contract ondertekend met daarin een entire agreement clause. HR: 1. Taalkundige betekenis. a. Het hof heeft zijn oordeel dat aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen grote betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professionele partijen die hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. De toepasselijkheid van dit uitgangspunt is onvoldoende gemotiveerd. b. Ook indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere betekenis aan de bepalingen moet worden gehecht. c. De rechter zal dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten. 2. Entire agreement clause. Welke betekenis aan een entire agreement clause toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden. Een entire agreement clause is op zichzelf geen uitlegbepaling en staat niet zonder meer eraan in de weg dat betekenis wordt toegekend aan verklaringen en gedragingen die aan het sluiten van de overeenkomst zijn voorafgegaan, noch ook dat afspraken tussen partijen bestaan die op andere onderwerpen betrekking hebben. (BW art. 6:217) Lundiform, adv. mrs. R.P.J.L. Tjittes en mr. E.C. Rozeboom, vs. Mexx, adv. mr. D.M. de Knijff Feiten en procesverloop Op 27 november 2007 hebben partijen een contract ondertekend betreffende de verkoop en levering van hardware door Lundiform aan Mexx ten behoeve van door Mexx te openen winkels. Het contract heeft een preambule en er zijn bijlagen aan gehecht. Artikel 9.1 luidt: This Agreement constitutes the entire agreement between the parties and supersedes any earlier written or oral arrangements and agreements made between the parties. In dit geding heeft Lundiform gevorderd dat Mexx wordt veroordeeld tot (i) nakoming van de aanvankelijk mondeling en op 27 november 2007 schriftelijk vastgelegde overeenkomst, met dien verstande dat Mexx gehouden zal zijn de orders die Lundiform op grond van deze overeenkomst in productie heeft genomen af te nemen, en Lundiform daarvoor 1,8 miljoen te betalen, en (ii) betaling van per maand vanaf augustus 2008 tot en met de maand waarin Mexx de voorraad zal hebben weggehaald die Lundiform voor Mexx heeft aangelegd. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hoge Raad In rov. 3.6 heeft het hof zijn oordeel dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst grote betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. De toepasselijkheid van dit uitgangspunt in het gegeven geval wordt in cassatie op goede gronden bestreden. Die toepasselijkheid is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door Lundiform aangevoerde stellingen, te weten: (i) dat partijen niet over de schriftelijke overeenkomst hebben onderhandeld, in het bijzonder niet over de tekst van art. 3, (ii) dat Lundiform bij de totstandkoming van de overeenkomst niet werd bijgestaan door een jurist, en (iii) dat het modelcontract was opgesteld door het legal department van Mexx. Indien deze stellingen juist zijn, vervalt daarmee de door het NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

28 Rechtspraak hof genoemde reden om bij de uitleg van de overeenkomst groot gewicht toe te kennen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. In het kader van de door haar voorgestane uitleg van art. 3 van de overeenkomst heeft Lundiform betoogd dat partijen aan art. 3.3 en 3.4 van de overeenkomst en aan Attachment II bij de overeenkomst redelijkerwijze een andere betekenis hebben moeten toekennen dan uit de enkele tekst daarvan volgt. Ter onderbouwing van haar betoog heeft Lundiform zich onder meer beroepen op: (i) de schriftelijke verklaring van de inkoopmanager van Mexx die bij het opstellen van de overeenkomst was betrokken; (ii) de handelwijze van partijen in de periode voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst; en (iii) de aannemelijkheid van de door Lundiform voorgestane uitleg van de overeenkomst. De klachten voeren terecht aan dat de overwegingen van het hof geen blijk ervan geven dat het hof dit betoog van Lundiform en de daaraan ten grondslag liggende stellingen, in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Mocht het hof hebben geoordeeld dat deze stellingen onvoldoende relevant zijn omdat in het onderhavige geval, ongeacht de juistheid van dit betoog, aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen doorslaggevende betekenis toekomt, dan geeft dat blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door stilzwijgend aan genoemde stellingen van Lundiform voorbij te gaan. De klacht tegen de beslissing van het hof om Lundiforms bewijsaanbod te passeren, slaagt eveneens. De hiervoor genoemde vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, stelt de rechter in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter evenwel dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575 Meyer/PontMeyer), en HR 29 juni 2007, LJN BA4909, NJ 2007/576 (Derksen/Homburg)). Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat Lundiform feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat Lundiform bewijs van haar stellingen heeft aangeboden. Op grond van een en ander had het hof Lundiform dan ook tot bewijs van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst moeten toelaten. Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot de entire agreement clause, die is neergelegd in art. 9.1 van de overeenkomst. Het oordeel van het hof met betrekking tot de gebondenheid van partijen aan de entire agreement clause berust mede op het uitgangspunt dat het hof in rov. 3.6 heeft geformuleerd. Nu onderdeel 1 met succes opkomt tegen dit uitgangspunt, kan het oordeel van het hof met betrekking tot de entire agreement clause reeds daarom niet in stand blijven. Opmerking verdient dat een entire agreement clause een relevante omstandigheid kan zijn bij de uitleg van een overeenkomst waarvan deze clausule deel uitmaakt (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575 (Meyer/Pont- Meyer)). Welke betekenis aan een dergelijke clausule toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden. Daarbij zij aangetekend dat een entire agreement clause op zichzelf geen uitlegbepaling is. De clausule heeft een specifieke herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer, en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis. Zij beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat evenwel niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Het hof heeft miskend dat art. 9.1 van de overeenkomst niet zonder meer eraan in de weg staat dat toezeggingen die Mexx voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaan, van belang kunnen zijn voor de uitleg van de overeenkomst. Ook onderdeel 5 slaagt, voor zover het de klacht bevat dat het oordeel van het hof met betrekking tot de reikwijdte van art. 9.1 van de overeenkomst onbegrijpelijk is. Het hof heeft miskend dat een entire agreement clause niet eraan in de weg behoeft te staan dat, naast de overeenkomst waarvan deze clausule deel uitmaakt, afspraken tussen partijen bestaan die op andere onderwerpen betrekking hebben. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G geeft een vooropstelling over de uitleg van overeenkomsten ( ) en de entire agreement clause ( ) april 2013, nr. 12/00466 (Mrs. F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, C.E. Drion en M.V. Polak; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent) LJN BY8094 Hoor en wederhoor. HR: Het hof heeft ten onrechte van partij A gevergd dat zij, nadat de zaak op de rol was geplaatst voor fourneren, uit eigen beweging een akte zou nemen of daartoe een verzoek zou doen. Ook heeft het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door partij A de gelegenheid te onthouden tot het geven van een reactie op de akte van partij B. (Rv art. 19) A, adv. mr. A.H. Vermeulen, vs. B, niet verschenen Feiten en procesverloop A en B zijn de enige erfgenamen van hun in 2001 overleden vader. Dit geding betreft de verdeling van de nalatenschap. De rechtbank heeft bij tussenvonnis de zaak verwezen naar de rol van 17 september 2008 voor het nemen door B van een akte en naar de rol van 15 oktober 2008 voor het nemen door A van een akte, en bepaald dat B vier weken nadien bij akte zou kunnen reageren. B heeft tussentijds beroep ingesteld, nadat de mogelijkheid daartoe was opengesteld. Het hof heeft bij arrest van 20 april 2010 overwogen dat het 1052 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

29 Rechtspraak de zaak aan zich zal houden en het heeft de zaak naar de rol van 1 juni 2010 verwezen. A heeft ter rolle van 1 juni 2010 een akte genomen. B heeft ter rolle van 10 augustus 2010 een akte genomen. Het hof heeft de zaak vervolgens op de rol van 24 augustus 2010 geplaatst voor fourneren. Bij arrest van 8 februari 2011 heeft het hof overwogen dat het uitblijven van een reactie op de laatste akte van B voor rekening van A komt en een deskundigenbericht gelast. Nadat het deskundigenbericht was uitgebracht, heeft A bij akte betoogd dat hij uit het rolbericht van het hof niet heeft afgeleid dat hij geen akte meer mocht nemen en hij heeft het hof verzocht terug te komen van zes in het tussenarrest van 8 februari 2011 genomen eindbeslissingen, waaronder beslissingen die zien op de onderwerpen waarover A zich nog bij akte had willen uitlaten. Het hof heeft dit verzoek afgewezen in zijn eindarrest van 11 oktober Hoge Raad Gelet op het tussen partijen gerezen geschilpunt of A nog in de gelegenheid diende te worden gesteld tot het nemen van een akte als bedoeld in het tussenvonnis van de rechtbank, mocht A ervan uitgaan dat het hof na fourneren over dat geschilpunt zou beslissen, en dat hij in ieder geval nog in de gelegenheid zou zijn te reageren op de akte van B. Het hof heeft dus ten onrechte van A gevergd dat hij, nadat de zaak op de rol was geplaatst voor fourneren, uit eigen beweging een akte zou nemen of daartoe een verzoek zou doen. Ook heeft het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door A de gelegenheid te onthouden tot het geven van een reactie op de akte van B. Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G merkt onder 2.14 op dat het hof onduidelijkheid heeft veroorzaakt in het dictum van zijn tussenarrest van 20 april april 2013, nr. 12/00486 (Mrs. C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders; A-G mr. J. Wuisman) LJN BY8096 Vermogensschade. A heeft een loods met een gebrekkig dak gekocht en vordert vergoeding van niet alleen de herstelkosten, maar ook de kosten die zij stelt te hebben gemaakt ter zake van de huur van vervangende bedrijfsruimte. HR: Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in het verlengde van zijn oordeel dat sprake was van een reële huurovereenkomst, ook heeft geoordeeld dat A huur verschuldigd is en dat haar schade daarmee genoegzaam is aangetoond. (BW art. 6:96 lid 1) Sepeba, adv. mr. K. Aantjes, vs. A, adv. mr. R.F. Thunnissen Feiten en procesverloop A heeft van Sepeba een loods gekocht. Na levering bleek het dak van de loods zodanig ernstige gebreken te vertonen dat herstel noodzakelijk was. Sepeba is aansprakelijk voor de schade als gevolg van de gebreken aan het dak. In dit geding hebben de rechtbank en het hof de kosten van herstel van het dak toegewezen. In cassatie gaat het om de vraag of Sepeba ook aansprakelijk is voor de kosten ad die A stelt te hebben gemaakt ter zake van de huur van vervangende bedrijfsruimte. De rechtbank heeft deze post afgewezen. Het hof heeft de post alsnog toegewezen. Hoge Raad Het hof heeft zijn oordeel dat sprake is geweest van een reële huurovereenkomst, gebaseerd op door A overgelegde facturen en een schriftelijke verklaring. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de overgelegde producties en hetgeen partijen in feitelijke instanties hebben aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de betwisting door Sepeba dat A daadwerkelijk huur heeft betaald, kennelijk en niet onbegrijpelijk slechts opgevat als onderdeel van de bestrijding dat sprake is geweest van een reële huurovereenkomst. In dat licht bezien is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in het verlengde van zijn oordeel dat sprake was van een reële huurovereenkomst, ook heeft geoordeeld dat A de overeengekomen huur verschuldigd is en dat haar schade daarmee genoegzaam is aangetoond. Dat oordeel moet aldus verstaan worden dat, nu op grond van de overgelegde producties was aangetoond dat sprake is geweest van een reële huurovereenkomst, op grond van diezelfde producties aangenomen moet worden dat dan ook van een reële huurschuld en dus van daadwerkelijke schade sprake is geweest. Volgt verwerping. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing. Hij meent dat het hof heeft miskend dat met het enkele verschuldigd worden van huur nog geen vermogensschade wordt geleden ( ) april 2013, 12/00667 (Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. Snijders en G. de Groot; A-G mr. M.H. Wissink) LJN BZ1780 Overgang van onderneming. Richtlijnconforme interpretatie. Zeventig werknemers zijn in dienst van Heineken Nederlands Beheer B.V., maar feitelijk als cateringmedewerkers tewerkgesteld bij zustermaatschappij Heineken Nederland B.V. Het Heinekenconcern besteedt de cateringwerkzaamheden uit aan Albron. De werknemers treden in dienst van Albron. Is sprake van overgang van een onderneming is in de zin van richtlijn 2001/23/EG? HR: 1. Richtlijnconforme interpretatie in het algemeen. Beoordelingskader: zie hoofdtekst. 2. Richtlijnconforme interpretatie van art. 7:663 BW. Wetsgeschiedenis. Bewoordingen. Terugwerkende kracht. Lagere rechtspraak. Rechtsgeleerde literatuur. De omstandigheid dat de werknemer ten tijde van de overgang van de onderneming waarvoor hij feitelijk werkzaam was, niet bij die onderneming in dienst was, maar bij haar zustermaatschappij, staat niet aan toepasselijkheid van art. 7:663 BW in de weg, zodat de rechten en verplichtingen uit de eerdere arbeidsovereenkomst zijn overgegaan op de verkrijger. (BW art. 7:663, 1639bb (oud); Richtlijn 2001/23/EG art. 2 lid 1 sub a, art. 3 lid 1) Albron, adv. mr. S.F. Sagel, vs. FNV en A, adv. mr. E.H. van Staden ten Brink Feiten en procesverloop Binnen het Heinekenconcern in Nederland is al het personeel in dienst van Heineken Nederlands Beheer B.V. (hierna: HNB). HNB detacheert het personeel bij de afzonderlijke werkmaatschappijen, die zustervennootschappen zijn van HNB. A is lid van de FNV en was van 1985 tot 1 maart 2005 in dienst van HNB in de functie van medewerker catering. Evenals ongeveer zeventig andere cateringmedewerkers voerde hij zijn werkzaamheden uit voor de werkmaatschappij Heineken Nederland B.V. Op de arbeidsovereenkomst was de ondernemingscao van HNB van toepassing. Albron is een landelijk opererende onderneming die zich onder meer bezighoudt met catering. Binnen haar branche geldt de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Contractcateringbranche. Met ingang van 1 maart 2005 zijn de cateringactiviteiten van Heineken Nederland uitbesteed NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

30 Rechtspraak aan Albron. A is met ingang van die datum in dienst getreden bij Albron. In dit geding hebben FNV en A gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de overgang van de cateringactiviteiten tussen Heineken Nederland en Albron een overgang van een onderneming is in de zin van richtlijn 2001/23/EG en dat de desbetreffende werknemers, onder wie A, per 1 maart 2005 van rechtswege in dienst zijn getreden van Albron in de zin van art. 3 lid 1 richtlijn 2001/23/EG, respectievelijk 7:663 BW. Zij hebben tevens betaling gevorderd van achterstallig loon vanaf 1 maart 2005, met rente. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. In hoger beroep heeft het hof prejudiciële vragen gesteld, die zijn beantwoord in HvJEU 21 oktober 2010, C-242/09, LJN BO3935, NJ 2010/576. Na voortgezette behandeling van de zaak heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Hoge Raad Het middel betoogt dat richtlijnconforme interpretatie van art. 7:663 BW niet mogelijk is. Bij de beoordeling van dit betoog dient het volgende tot uitgangspunt. Nadat de omzettingstermijn van een richtlijn in het nationale recht is verstreken, is de nationale rechter gehouden om het nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met de richtlijn uit te leggen (HvJEU 4 juli 2006, C-212/04, LJN AY0534, NJ 2006/593 (Adeneler)). Dat geldt ook als de richtlijn onjuist of onvolledig in de nationale wetgeving blijkt te zijn omgezet. Het is immers aan de nationale rechterlijke instanties om de rechtsbescherming die voor de justitiabelen uit het Unierecht voortvloeit, te verzekeren en de volle werking daarvan te waarborgen (HvJEU 5 oktober 2004, C-397/01 tot en met C-403/01, LJN AR5022, NJ 2005/333 (Pfeiffer), en HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, LJN BL0510, NJ 2010/256 (Kücükdeveci)). De nationale rechter dient binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke te doen om, het gehele nationale recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitlegmethoden, de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie de hiervoor aangehaalde uitspraak van het HvJEU van 4 juli 2006 (Adeneler)). Ten aanzien van bepalingen die speciaal zijn ingevoerd ter uitvoering van een richtlijn die tot doel heeft rechten te verlenen aan particulieren, moet de rechter ervan uitgaan dat de lidstaat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen. De nationale rechter moet dan ook met name de specifiek ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regelingen zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (zie de hiervoor aangehaalde uitspraak van het HvJEU van 5 oktober 2004 (Pfeiffer)). De verplichting tot richtlijnconforme uitleg wordt echter begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan niet dienen als grondslag voor een uitleg contra legem van het nationale recht (zie ook in zoverre de hiervoor aangehaalde uitspraak van het HvJEU van 4 juli 2006 (Adeneler), en meer recent HvJEU 24 januari 2012, C-282/10, LJN BV2814, NJ 2012/154 (Dominguez)). Art. 7:663 BW werkt met het begrip werkgever en niet, zoals richtlijn 77/187/EEG en richtlijn 98/50/EG, met het begrip vervreemder, en voorts met het begrip arbeidsovereenkomst en niet, zoals de richtlijnen, mede met het begrip arbeidsverhouding, dan wel arbeidsbetrekking. In het licht van de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever met het begrip werkgever hetzelfde heeft bedoeld als is bedoeld met het begrip vervreemder in de richtlijnen. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever op de grond dat hij meende dat dit overbodig was, in art. 7:663 niet naast het begrip arbeidsovereenkomst mede het in de richtlijnen gebruikte begrip arbeidsverhouding of arbeidsbetrekking heeft overgenomen. Daaraan lag niet het oordeel ten grondslag dat een noodzakelijke voorwaarde voor toepasselijkheid van art. 7:663 zou zijn dat tussen de werkgever en de in de onderneming werkzame werknemer die op deze bepaling een beroep doet, een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW is gesloten. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:663 blijkt dus niet dat de Nederlandse wetgever iets anders voor ogen heeft gestaan dan de wens de richtlijnen 77/187/EEG en 98/50/EG getrouw om te zetten in het nationale recht. Anders dan het onderdeel betoogt, kan daarom niet worden gezegd dat de wetsgeschiedenis van art. 7:663 geen andere uitleg toelaat dan dat voorwaarde voor toepasselijkheid van deze bepaling is, dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de onderneming die overgaat in de zin van die bepaling. Voor zover het onderdeel een beroep doet op de bewoordingen van art. 7:663 BW is het ongegrond. De formulering van de wet is immers niet steeds beslissend voor de uitleg daarvan, ook niet als de wet van recente datum is (HR 9 december 2011, LJN BU7412). Dit klemt temeer in het onderhavige geval, in aanmerking genomen dat de onderhavige bepaling speciaal is ingevoerd ter uitvoering van een richtlijn die tot doel heeft rechten te verlenen aan particulieren. Aan die bewoordingen komt te minder betekenis toe nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:663 volgt dat de Nederlandse wetgever bij zijn keuze voor juist die bewoordingen, beoogde de richtlijnen 77/187/EEG en 98/50/ EG getrouw om te zetten in het nationale recht, en dat hij daarbij een geval als het onderhavige niet voor ogen heeft gehad. Bij deze stand van zaken heeft het hof zich terecht niet van een richtlijnconforme uitleg van art. 7:663 BW laten weerhouden door de bewoordingen waarin dit artikel is geformuleerd, en evenmin door het rechtszekerheidsbeginsel of het verbod van uitleg van het nationale recht contra legem. Voor zover het onderdeel een beroep doet op het verbod van terugwerkende kracht, kan het niet tot cassatie leiden omdat in het onderhavige geval van terugwerkende kracht geen sprake is. Het gewicht dat bij wetsuitleg moet worden gehecht aan de rechtspraak van feitenrechters en aan de Nederlandse rechtsgeleerde literatuur, is van geval tot geval verschillend; algemene uitspraken kunnen hierover niet worden gedaan. De rechtspraak van de feitenrechters en de Nederlandse rechtsgeleerde literatuur brengt niet mee dat over de uitleg van art. 7:663 anders moet worden geoordeeld dan het hof heeft gedaan. Het hiervoor overwogene brengt mee dat het middel faalt. In een geval als het onderhavige waarin een werknemer in dienst is van een tot een concern behorende personeelsvennootschap, maar is tewerkgesteld bij een andere vennootschap binnen dat concern, en de onderneming van laatstgenoemde vennootschap in de zin van art. 7:663 BW overgaat naar een verkrijger buiten dat concern moet art. 7:663 BW worden verstaan op de wijze waarop het HvJEU richtlijn 2001/23/EG heeft uitgelegd. Dit betekent dat de omstandigheid dat A ten tijde van de overgang van de onderneming waarvoor hij feitelijk werkzaam was (Heineken Nederland B.V.), niet bij die onderneming in dienst was, maar bij haar zustermaatschappij HNB, niet aan toepasselijkheid van art. 7:663 in de weg staat, en dat die toepasselijkheid meebrengt dat de rechten en verplichtingen uit de tussen HNB en A gesloten arbeidsovereenkomst zijn overgegaan op Albron als verkrijger. Volgt verwerping, overeenkomstig de conclusie van de A-G. De A-G geeft een inleiding over richtlijnconforme interpretatie in het algemeen ( ) en richtlijnconforme interpretatie van artikel 7:663 BW aan de hand van de richtlijn 1054 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

31 Rechtspraak (2.16), de tekst en geschiedenis van de omzettingswetgeving ( ), de Nederlandse rechtspraak ( ), de literatuur ( ) en het stelsel van de wet (2.34). Vervolgens benadert hij de vraag of richtlijnconforme interpretatie in dit geval mogelijk is vanuit de tekst en systematiek van de wet ( ) en vanuit het te bereiken resultaat ( ) en gaat hij in op de totstandkomingsgeschiedenis ( ) en de rechtszekerheid ( ). Hoge Raad (strafkamer) Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar straf(proces)recht Radboud Universiteit Nijmegen maart 2013, nr. 12/00992 (Mrs. A.J.A. van Dorst, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en N. Jörg) (Na conclusie van A-G Vegter, strekkende tot verwerping; adv. mr. B.P. de Boer, Haarlem) LJN BZ4491 Causaal verband indien niet vaststaat dat gedraging een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden van het gevolg. Voor redelijke toerekening is dan ten minste vereist dat de rechter vaststelt dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Inleiding Verdachte is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf wegens kort gezegd een nachtelijke overval van een woonhuis waarbij een van de bewoners, de juwelier [slachtoffer 1], om het leven is gekomen. Wat betreft het geweld en bedreiging met geweld is onder meer bewezenverklaard dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en [slachtoffer 1] met een schroevendraaier, heeft/hebben geslagen en/of geprikt aan de gevolgen waarvan [slachtoffer 1] is overleden en tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: Ik wil de diamanten, ik wil ook je geld, je sieraden, ik wil alles. In deze zaak kon niet worden vastgesteld wat precies de doodsoorzaak is geweest. Uit het pathologisch onderzoek bleek van twee aspecten die ieder op zich en zeker in combinatie het intreden van de dood zouden kunnen verklaren. Ten eerste bleek bij onderzoek van het hart dat tijdens het doormaken van de geweldsinwerkingen reeds sprake was van acuut opgetreden hartspierweefselversterf, d.w.z. een klein hartinfarct; dit kan voor acuut overlijden zorgen, maar dit hoeft beslist niet het geval te zijn. Ten tweede bleek dat sprake was van een bloeduitstorting in de nekspieren met kneuzingen en is er bloed geconstateerd in de ruggenmergzak en onder de zachte hersenvliezen. Dit letsel is ontstaan door de inwerking van mechanisch geweld. Beschadiging van het ruggenmerg kan tot een levensbedreigende situatie en op basis van acute disregulatie van de lichaamsfuncties (spinale shock) tot het intreden van de dood leiden. Uit het feit dat verschillende letsels met opkomende wondgenezing aanwezig waren, leidt de patholoog af dat tijdens het ondergaan van de geweldsinwerking bloedcirculatie (hartslag) aanwezig was. Alleen het letsel in de nek toonde vrijwel geen reactie. Dit laatste beeld wijst erop dat kort na het oplopen van dat letsel de hartslag staakte. Het optreden van acute hartstilstand bij beschadiging van het nekruggenmerg is een bekend fenomeen waarbij ontsteking van het hartspierweefsel op basis van een verwikkeling van heftige lichamelijke stress zoals op kan treden bij beschadiging van het centrale zenuwstelsel, een rol van betekenis kan hebben gespeeld bij het lethaal verlopen van de aanwezige hartafwijking. Het hof overweegt m.b.t. het causaal verband onder meer: Aangaande de doodsoorzaak heeft de patholoog geconcludeerd dat [slachtoffer 1] op grond van een natuurlijk proces een voorbelast hart had. Ofschoon niet uit te sluiten is dat dit proces an sich reeds het intreden van de dood heeft veroorzaakt, is het daarnaast zeker dat de kans op het lethaal verlopen van dit ziekelijk proces beduidend vergroot kan zijn door acute ontsteking van de hartspier gecombineerd met een kans op acute hartstilstand door ruggenmergschade. Uit de deskundigenverklaringen van de arts-patholoog Van de Goot en de deskundige prof. dr. J.W.M. Niessen bij de rechter-commissaris op 18 november 2009 en bij de raadsheer-commissaris op 15 maart 2011 valt eveneens af te leiden dat zowel het hartinfarct als de beschadiging van het ruggenmerg op zich tot de dood zouden hebben kunnen leiden. Niet kan worden vastgesteld wat precies de doodsoorzaak is geweest. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat het letsel in de nekregio het gevolg is van het uitgeoefende fysieke geweld. Het hof overweegt dan dat de toepasselijke maatstaf die van de redelijke toerekening is en dat derhalve niet is vereist dat de dood van het slachtoffer uitsluitend het gevolg is geweest van het mishandelen en dat evenmin vereist is dat andere oorzaken volledig kunnen worden uitgesloten. Het hof concludeert dat sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders en de dood van het slachtoffer. Daarvoor is relevant dat het slachtoffer door de mishandeling beschadiging van het ruggenmerg heeft opgelopen en dat het nekletsel bij leven is opgetreden. Het hof: Deze beschadiging van het ruggenmerg kan volgens de deskundige zonder meer een neurogene shock tot gevolg hebben, die het intreden van de dood bij het slachtoffer zonder meer kan verklaren. Uit het sectierapport blijkt, zoals vermeld, dat kort na het oplopen van dit letsel de hartslag staakte. Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande waaronder het gegeven dat sprake was van een licht hartinfarct de niet uit te sluiten mogelijkheid dat het slachtoffer ook zonder de handelingen van verdachte en zijn mededaders zou zijn overleden niet aan toerekening in de weg staat. Het (eerste) cassatiemiddel richt zich tegen het causaal verband dat het Hof heeft aangenomen tussen de gewelddadige overval en het overlijden van de juwelier. Hoge Raad, onder meer: 2.4. Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door de verdachte verrichte gedraging te weten het door hem en/of zijn mededader(s) uitoefenen van geweld en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedraging in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, zoals het Hof blijkens zijn overwegingen als mogelijkheid niet heeft uitgesloten, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

32 Rechtspraak geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. HR 27 maart 2012, LJN BT6362, NJ 2012/301) Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen het bovenstaande niet miskend, zodat zijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het oordeel van het Hof dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de bewezenverklaarde gedraging van de verdachte kan worden toegerekend, is ook toereikend gemotiveerd. In de overwegingen van het Hof ligt immers niet alleen besloten dat die gedraging een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, maar ook dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Die vaststellingen zijn ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat zij heeft geleid tot het intreden van het gevolg, terwijl het lichte hartinfarct voor zover het optreden hiervan al niet het gevolg zou zijn van de bewezenverklaarde gedraging als niet meer dan een niet uit te sluiten oorzaak is beoordeeld Het middel faalt maart 2013, nr. 12/01221 (Mrs. A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.F. Groos, J. Wortel en V. van den Brink) (Na conclusie van A-G Machielse, strekkende tot vernietiging wat betreft de beslissingen over de feiten 1, 2, 3 en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing; adv. mr. M.L. Plas, Bunnik) LJN BY9006 Oogmerk art. 288 Sr. Begrijpelijke bewezenverklaring dat doodslagen zijn gepleegd met het oogmerk om straffeloosheid voor de diefstal van een simkaartje te bewerkstelligen of het bezit van dat simkaartje te verzekeren. A-G: anders. (Sr art. 288) Inleiding Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaren wegens kort gezegd steeds in vereniging plegen van onder meer: (feit 1) doodslag op [slachtoffer 1] met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene (een SIM-kaartje) te verzekeren; (feit 2) doodslag op [slachtoffer 2], welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene (een SIM-kaartje) te verzekeren; (feit 3) diefstal (van een SIM-kaartje) met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, zulks terwijl het feit de dood van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad. Het (tweede) cassatiemiddel klaagt onder meer dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde oogmerk niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring in zoverre zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Hoge Raad, onder meer: 2.4. Uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte zich (met zijn mededaders) naar de woning te [plaats] heeft begeven, dat hij geruime tijd in die woning aanwezig is geweest, dat de slachtoffers in die woning zijn gekneveld en door het hoofd geschoten, en dat in die woning brand is gesticht. Voorts volgt uit de gebezigde bewijsvoering dat de verdachte zich ter plaatse heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een SIM-kaart. Aldus heeft het Hof voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht met het oog op welk strafbaar feit in de zin van art. 288 Sr het omschreven geweld en de doodslag zijn gepleegd. Dat het Hof blijkens zijn hiervoor aangehaalde bewijsoverweging niet bewezen heeft geacht dat er bij de overval ook geld is weggenomen en dat aldus de wel bewezenverklaarde opbrengst van de gepleegde diefstal zeer gering is, staat daaraan niet in de weg Het middel faalt in zoverre. A-G Machielse, onder meer: 5.6 De feiten 1 en 2 zijn aldus omschreven dat er sprake zou zijn geweest van doodslag in verband met de gewelddadige diefstal van een simkaart, welke doodslag zou zijn gepleegd met het oogmerk om straffeloosheid voor de diefstal te bewerkstelligen of het bezit van de simkaart te verzekeren. Feit 3 houdt een diefstal met geweld van de simkaart in, de dood ten gevolg hebbende, waarbij het geweld ook ertoe strekte om de diefstal van de simkaart gemakkelijk te maken, de vlucht mogelijk te maken of het bezit van de simkaart te verzekeren. Een reconstructie, ervan uitgaande dat de doodslagen, bewezen verklaard als de feiten 1 en 2, zouden zijn begaan met het oogmerk om zich te verzekeren van straffeloosheid voor de diefstal van de simkaart of om het bezit daarvan veilig te stellen, terwijl aan de veroordeling voor feit 3 klaarblijkelijk ten grondslag ligt de gedachte dat de simkaart is weggenomen om te voorkomen dat alarm werd geslagen wegens het gebruik van geweld zoals het schoppen en slaan, het vastbinden, het dichtknijpen van de keel en het doodschieten, vereist een grote geestelijke lenigheid. Toch is dat kennelijk de constellatie die aan het hof voor ogen heeft gestaan. Eerlijk gezegd vind ik de constructie die de rechtbank heeft opgezet overtuigender. De drie verdachten zijn naar [plaats] gegaan om geld afhandig te maken. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten met roofzuchtige bedoelingen daarheen zijn gegaan. Alle voorbereidingen en de financiële nood van verdachte wijzen daarop. In de woning van de familie [...] wordt geweld gebruikt tegen vader en zoon en worden dezen gedwongen de kluis te openen. De rechtbank heeft aangenomen dat inderdaad geld is weggenomen. Het hof heeft zich daar niet achter geschaard. Maar aangenomen dat er geen geld is weggenomen, zal er in ieder geval sprake zijn van een poging tot diefstal met geweld van het vermoede geld dat zich in de kluis zou bevinden. Gelet op de wijze waarop de kluis is aangetroffen, is die gang van zaken volgens mij zeer waarschijnlijk. De twee bewoners worden doodgeschoten opdat verdachte en zijn mededaders straffeloos zouden blijven. De simkaart is vermoedelijk afgepakt toen de bewoners nog in leven waren. De brand is gesticht om opheldering van de misdrijven onmogelijk, althans zeer lastig te maken. Achteraf bezien heeft het weinig zin om de simkaart mee te nemen nadat de bewoners zijn doodgeschoten. Dat de bewoners zouden zijn doodgeschoten om de diefstal van de simkaart te bedekken lijkt mij zo vergezocht dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in de bewoordingen die het hof heeft gebruikt onbegrijpelijk is. Zoals ik hierboven schreef kan de diefstal van de simkaart wel worden bewezen, maar dat het in feit 3 beschreven geweld is toege NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

33 Rechtspraak past ten dienste van de diefstal van de simkaart staat op gespannen voet met de aan de veroordeling voor de feiten 1 en 2 ten grondslag liggende gedachte dat de simkaart juist is meegenomen om het gebruikte geweld onontdekt te doen blijven, door een telefonische verwittiging van derden onmogelijk te maken. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is niet op te maken dat de slachtoffers van het leven zijn beroofd met het oogmerk om de diefstal van een simkaart te verdoezelen. Uit de bewijsconstructie van de rechtbank zou wel af te leiden zijn dat de levensberoving en brandstichting de strekking hadden om te ontkomen aan een vervolging voor een (poging tot) diefstal van geld. Aan de door het hof gebezigde bewijsmiddelen valt evenmin het bewijs te ontlenen dat het in feit 3 omschreven geweld is gebruikt met het oogmerk om aan bestraffing voor diefstal van de simkaart te ontkomen. 5.7 Het middel slaagt maart 2013, nr. 11/02625 (Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splintervan Kan en Y. Buruma) (Na conclusie van A-G Knigge, strekkende tot vernietiging uitsluitend wat betreft straf, tot vermindering daarvan en verwerping voor overige; adv. mr. B.P. de Boer, Haarlem) LJN BZ4478 Aanvulling op 80a RO-overzichtsarrest (HR 11 september 2012, LJN BX0132). Wanneer het hof verzuimt voorlopige hechtenis af te trekken conform art. 27 lid 1 Sr, zal de Hoge Raad toepassing geven aan art. 80a RO, dient de feitenrechter die op de zaak heeft gezeten eigener beweging een herstelbeslissing te wijzen en zal ook indien dat achterwegen blijft een redelijk handelend openbaar ministerie de aftrek bij de tenuitvoerlegging dienen toe te passen. (RO art. 80a; Sr art. 27 lid 1) Hoge Raad, onder meer: 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr De stukken van het geding waarvan de Hoge Raad kennis neemt houden in dat de verdachte op 19 mei 2008 in verzekering is gesteld, dat de Officier van Justitie op 21 mei 2008 heeft gevorderd dat de verdachte in bewaring wordt gesteld en dat de Rechter- Commissaris die vordering op die datum heeft afgewezen. Het Hof, dat de verdachte heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een werkstraf, heeft evenwel verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arresten van 11 september 2012 (LJN BX0146, LJN BX0132, LJN BX0129 en LJN BX7004) behoort het verzuim toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek tot de verzuimen die voor de invoering van art. 80a RO grond vormden voor vernietiging van de bestreden uitspraak, doch nadien met toepassing van art. 80a RO of in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO niet langer tot cassatie nopen. Dat berust erop dat bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet voldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Het verzuim toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek als bedoeld in art. 27 Sr vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (LJN BJ7243, NJ 2012/248) en 12 juni 2012 (LJN BW1478, NJ 2012/490). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging. Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd. In het geval het gaat om een taakstraf als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag. Indien, zoals in het onderhavige geval, de verdachte naast de taakstraf, is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dient de tijd die door de veroordeelde is doorgebracht in de in art. 27, eerste lid, Sr bedoelde vrijheidsbenemende situaties in mindering te worden gebracht op de taakstraf Het vorenstaande brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden maart 2013, nr. 12/01391 H (Mrs. A.J.A. van Dorst, J.P. Balkema en J.W. Ilsink) LJN BZ4669 Herziening staat niet open tegen een beschikking van de Voorzitter van het Gerechtshof waarbij deze geen verlof tot hoger beroep verleent in de zin van art. 410a lid 4 Sv, omdat die beschikking niet is een uitspraak houdende een veroordeling als bedoeld in art. 457 lid 1 Sv. (Sv art. 410a en 457) Hoge Raad, onder meer: 3.1. Voor zover de aanvraag is gericht tegen de beschikking van de Voorzitter van het Gerechtshof te Arnhem van 8 januari 2008, zal deze niet tot herziening kunnen leiden, omdat die beschikking niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom gelet op art. 465, eerste lid, Sv in zoverre niet worden ontvangen maart 2013, nr. 11/03980 (Mrs. A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en J. Wortel) (Na conclusie van A-G Vellinga, strekkende tot verwerping; OM-cassatie en cassatie verdachte door mr. J. Goudswaard, s-gravenhage) LJN BY9718 Computervredebreuk art. 138a (138ab nieuw) Sr. Van het zich opzettelijk en wederrechtelijk toegang verschaffen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, kan ook sprake zijn bij onbevoegde toegangverschaffing tot een met een wachtwoord beveiligde router en de internetverbinding die met gebruik van het netwerk waarvan die router onderdeel uitmaakt tot stand kan worden gebracht. AG: anders. (Sr art. 80sexies, 138a (oud) en 138ab (nieuw)) Inleiding: OM-cassatie tegen vrijspraak computervredebreuk art. 138a Sr. Verdachte is vrijgesproken van kort gezegd het opzettelijk en wederrechtelijk in een of meer geautomatiseerde werken, te weten een computer en/of router en/of een (beveiligde) draadloze internetver- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

34 Rechtspraak binding (van de provider Planet/KPN) toebehorende aan een ander, binnendringen, waarbij hij de beveiliging heeft doorbroken, in elk geval de toegang heeft verworven door een technische ingreep, met behulp van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik maken van de code en/of het wachtwoord van die ander en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid. Het gaat in deze zaak om het volgende. Een buurvrouw van verdachte heeft een internetaansluiting waartoe zij gebruik maakte van een met een met een wachtwoord afgeschermde router. De verdachte heeft die router gekraakt door draadloos verbinding te zoeken met (het accesspoint van) die router en door met behulp van een programma dat daarop gerichte opdrachten naar de router zendt, het wachtwoord te achterhalen. Daardoor kon de verdachte via de door de buurvrouw gebruikte router, zonder dat zij daarvan wist, vanaf zijn eigen computer(s) verbinding krijgen met het internet. Het hof heeft ter motivering van de vrijspraak onder meer overwogen dat een inrichting die enkel bestemd is om gegevens over te dragen en/of op te slaan gelet op de wetsgeschiedenis buiten de wettelijke begripsomschrijving valt. En voorts: Het hof stelt vast dat een router een schakelapparaat op de knooppunten van een netwerk zoals het internet is. Een router houdt een wachtwoord of gebruikerscode opgeslagen en zorgt, in opdracht van de gebruiker van die router alleen voor de verzending van gegevens naar de juiste bestemming. Daarom vervult een router niet de cumulatieve functies zoals neergelegd in artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht. Het OM-cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging genoemde router niet is aan te merken als een geautomatiseerd werk in de zin van art. 138a lid 1(oud) Sr. Hoge Raad, onder meer: 2.5. Uit de zo-even weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat een inrichting alleen als geautomatiseerd werk in de zin van de hier besproken wettelijke bepalingen kan worden aangemerkt indien zij geschikt is om drie functies te vervullen, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens. Uit die wetsgeschiedenis volgt evenwel ook dat het begrip geautomatiseerd werk niet beperkt is tot apparaten die zelfstandig aan deze drievoudige eis voldoen. Ook netwerken bestaande uit computers en/of telecommunicatievoorzieningen heeft de wetgever onder het begrip geautomatiseerd werk willen brengen, terwijl art. 138a (oud) Sr ook toepasselijk is op delen van zulke geautomatiseerde werken Het laatste heeft het Hof miskend door bepalend te achten dat de verdachte zich geen toegang heeft verschaft tot beveiligde gegevens in de computer van [betrokkene 1]. Die omstandigheid sluit immers niet uit dat de verdachte, handelend zoals in de tenlastelegging omschreven, zich met één of meer van de in art. 138a, eerste lid, (oud) Sr omschreven middelen opzettelijk en wederrechtelijk toegang heeft verschaft tot een geautomatiseerd werk, of tot een deel van een geautomatiseerd werk, bestaande uit de aan [betrokkene 1] toebehorende computer, de door haar gebruikte met een wachtwoord beveiligde router, en de internetverbinding die met gebruik van deze apparaten tot stand kon worden gebracht Daarover klaagt het middel terecht maart 2013, nr. 11/02389 (Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin Lohman, Y. Buruma, J. Wortel en V. van den Brink) (Na conclusie van A-G Machielse, strekkende tot verwerping; OM-cassatie) LJN BY3752 Journalistieke exceptie art. 10 EVRM. Toepasselijkheid daarvan vereist allereerst dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek. Indien daarvan sprake is zal ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging van de journalist en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, dienen te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid. (EVRM art. 10; Sr art. 225) Inleiding OM-cassatie tegen ontslag van alle rechtsvervolging van een journalist van het televisieprogramma Undercover in Nederland, ten aanzien van wie het hof onder meer bewezen heeft verklaard dat hij kort gezegd tezamen en in vereniging een KLM-personeelspas, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk een KLM-pas gekopieerd en voorzien van andere persoonsgegevens en een foto van hemzelf, terwijl het origineel op naam was gesteld van [betrokkene 1] en was voorzien van een foto van [betrokkene 1], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. In deze zaak draait het om de vrijheid van nieuwsgaring en de vervolging van een journalist voor strafbare feiten begaan ter voorbereiding van een tweedelige televisiereportage over de beveiliging van Schiphol. Met gebruikmaking van een valse KLM-pas heeft verdachte op het terrein van Schiphol-Oost weten door te dringen. Volgens verdachte was het doel hiervan aan te tonen dat het mogelijk was om door middel van een valse pas zonder deugdelijk te worden gecontroleerd op het terrein van Schiphol-Oost te komen tot bij het regeringsvliegtuig. Het hof heeft ter zake van het ontslag van alle rechtsvervolging onder meer overwogen: Verdachte, die als onderzoeksjournalist regelmatig maatschappelijke problemen onder de aandacht tracht te brengen, heeft bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten geen ander oogmerk gehad dan om langs journalistieke weg een maatschappelijke misstand publiekelijk aan de orde te stellen en het plegen van de feiten hangt voldoende samen met het onderbouwen en verifiëren van die misstand. De vervolging wordt daarom aangemerkt als een beperking van het door art. 10 EVRM beschermde recht van journalisten om informatie over onderwerpen van algemeen belang te verspreiden, als zij te goeder trouw en op basis van een accurate feitelijke basis handelen en betrouwbare en precieze informatie geven overeenkomstig de journalistieke ethiek. [ ] De kwestie die verdachte aan de orde heeft gesteld is maatschappelijk van belang. Verdachte heeft immers voldoende aangetoond dat gebreken in de beveiliging op Schiphol- Oost een veiligheidsrisico vormen dat zich zou kunnen uitstrekken tot Schiphol-Centrum. In de uitzendingen heeft hij dit aan de hand van de slechte toegangscontrole en de kwetsbaarheid van het regeringsvliegtuig willen aantonen en naar aanleiding van de uitzendingen is de beveiliging op Schiphol-Oost aangescherpt. Aangaande de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd en de uitzending is samengesteld heeft hof verschillende punten van kritiek. Die wegen volgens het hof echter niet zo zwaar dat zij een beroep op de bescherming van art. 10 EVRM doorkruisen. Over het geheel bezien heeft verdachte voldoende betrouwbare en precie NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

35 Rechtspraak ze informatie gegeven met inachtneming van journalistieke normen. Er bestond voor verdachte redelijkerwijs geen andere methode om zonder daarbij anderen te betrekken het vermeende beveiligingslek op Schiphol- Oost aan de kaak te stellen. Ten opzichte van dat maatschappelijk belang blijft het vervalsen van een KLM-pas en het zich bevinden op verboden terrein binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit, ook omdat van de valse passen zeer beperkt gebruik is gemaakt. Voor het hof maakt het hierbij geen verschil dat verdachte actief strafbaar heeft gehandeld en niet slechts heeft geprofiteerd van een door een ander gepleegd feit. Beide OM-cassatiemiddelen hebben betrekking op het oordeel van het hof dat verdachte ten aanzien van (onder andere) het onder 1 bewezenverklaarde feit, valsheid in geschrift in vereniging gepleegd, moet worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat een veroordeling voor dit feit een beperking van het door art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting oplevert die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Hoge Raad, onder meer: 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte of op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de wijze waarop de verdachte zijn journalistieke werkzaamheden heeft verricht en televisie-uitzendingen heeft voorbereid diens beroep op de bescherming van art. 10, eerste lid, EVRM niet doorkruist Het oordeel van het Hof dat bij het samenstellen van de televisie-uitzendingen en het uitvoeren van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek op bepaalde punten onvoldoende zorgvuldigheid is betracht, doch die onzorgvuldigheden van onvoldoende gewicht zijn om de verdachte een beroep op de bescherming van art. 10, eerste lid, EVRM te ontzeggen, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het middel faalt. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat veroordeling voor het ter voorbereiding van de televisie-uitzendingen door de verdachte gepleegde, onder 1 bewezenverklaarde, strafbare feit een beperking van het recht op vrije meningsuiting oplevert die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 EVRM Het Hof is bij zijn oordeel dat een veroordeling wegens valsheid in geschrift in vereniging gepleegd een beperking van het recht op vrije meningsuiting oplevert die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving kennelijk van het juiste uitgangspunt uitgegaan dat dit recht zich ook uitstrekt tot de vrijheid van nieuwsgaring, en dus tot het journalistieke onderzoek dat aan de uiteindelijke openbaarmaking ten grondslag ligt. Bij de beantwoording van de vraag of door strafvervolging en veroordeling wegens een in het kader van dat onderzoek gepleegd strafbaar feit een noodzakelijke inbreuk wordt gemaakt op de journalistieke vrijheid van meningsuiting, moeten de plichten en verantwoordelijkheden van degene die met een beroep op zijn vrijheid van meningsuiting dat feit pleegde worden meegewogen. Zoals door het Hof ook onder ogen is gezien, volgt uit rechtspraak van het EHRM dat journalisten niettegenstaande de vitale rol die de pers in een democratische samenleving speelt in beginsel niet op basis van de hun door art. 10 EVRM gegeven bescherming kunnen worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. Het door art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting kan echter dwingen tot het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt. Derhalve zijn journalisten bij hun werkzaamheden ten behoeve van de nieuwsgaring, aangenomen dat overigens is voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zich op de bescherming van art. 10 EVRM kunnen beroepen, slechts onder bijzondere omstandigheden ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dient, vooropgesteld dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid Het onderhavige geval kenmerkt zich door het gegeven dat de naar aanleiding van het handelen van de verdachte gemaakte uitzending van 28 december 2008 zonder enige belemmering kon worden uitgezonden en dat de verdachte ook overigens geen belemmering heeft ondervonden de door hem als cruciaal ervaren boodschap het tekortschieten van de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost, in het bijzonder van de daar ondergebrachte vliegtuigen, waaronder het regeringsvliegtuig in de tvuitzendingen op de door hem gekozen wijze uit te dragen. Aan de orde is slechts de vraag of de vervolging en mogelijke bestraffing van het in de uitzending van 28 december 2008 getoonde handelen van de verdachte ter voorbereiding van de openbaarmaking van deze boodschap, welk handelen bestond uit, kort gezegd, het vervalsen van een KLM-toegangspas, een zodanige beperking vormen van de vrijheid van de journalistieke meningsuiting van de verdachte dat art. 10 EVRM in de weg staat aan toepassing van de strafwet, te weten aan vervolging en bestraffing ter zake van art. 225 Sr. Niet in geschil is dat, zoals ook het Hof met zoveel woorden onder ogen heeft gezien, zodanig vervalsen op zichzelf genomen een ernstig strafbaar feit is Het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval een uitzondering op het hiervoor onder 4.2 weergegeven uitgangspunt moet worden aanvaard. Aan zijn oordeel heeft het ten grondslag gelegd dat de verdachte heeft aangetoond dat hij een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen het maatschappelijk belang van het zichtbaar maken van de slechte beveiligingssituatie op Schiphol-Oost en het daartoe plegen van strafbare feiten en dat bij weging van het maatschappelijk belang van de door de verdachte als onderzoeksjournalist verzorgde uitzendingen over de veiligheidssituatie op Schiphol-Oost tegenover het belang van een strafrechtelijke vervolging van het door de verdachte gepleegde, onder 1 bewezenverklaarde, feit in het licht van art. 10 EVRM de balans doorslaat in het voordeel van de verdachte. Het Hof heeft daaraan de conclusie verbonden dat een veroordeling wegens valsheid in geschrift een beperking van het recht op vrije meningsuiting oplevert die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving Gelet op het hiervoor in 4.2 verwoorde uitgangspunt en in het licht van de hiervoor in 4.3 weergegeven maatstaf, moet in het onderhavige geval in het bijzonder worden onderzocht of de verdachte zich terecht op het standpunt stelt dat er geen alternatief bestond om, zonder het vervalsen van de KLM-pas, op andere overtuigende wijze de bedoelde gebrekkige controle en de gevolgen daarvan onder de aandacht van het publiek te brengen. In dit verband heeft het Hof het volgende vastgesteld. De verdachte beschikte over de wetenschap dat het regeringsvliegtuig op het NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

36 Rechtspraak terrein van Schiphol-Oost stond. Hem was bekend dat bij observaties tientallen malen was waargenomen dat geen controle van voertuigen plaatsvond en de controle van toegangspassen minimaal was en hij beschikte over opnames van (het interieur van) het kennelijk onbewaakte regeringsvliegtuig met neergelaten vliegtuigtrap. Hij is in de nacht van 27 op 28 november 2008 met gebruikmaking van de eigen pas van zijn tipgever, een KLM-medewerker, op illegale wijze op het terrein van Schiphol-Oost geweest. Daarmee werd aangetoond dat op het terrein niet werd gecontroleerd. De verdachte achtte daarmee nog niet voldaan aan de onderzoeksvragen die hij zich gesteld had; hij wenste aan te tonen dat het mogelijk was om door middel van een valse pas zonder deugdelijk te worden gecontroleerd op het terrein van Schiphol-Oost te komen tot bij het regeringsvliegtuig. Daartoe heeft hij de KLM-medewerker verzocht zijn pas ter beschikking te stellen om daarmee valse exemplaren te vervaardigen teneinde de gebrekkige controle en de gevolgen daarvan in de uitzending geloofwaardig te kunnen aantonen. Ten behoeve van de uitzending van 28 december 2008 heeft de verdachte de door hem vervalste pas niet gebruikt om het terrein van Schiphol-Oost te betreden, doch hij is op het terrein gekomen in de kofferbak van een auto, en in de uitzending was het dragen van die pas ook niet zichtbaar Het hiervoor bij 4.1 genoemde oordeel kan geen stand houden. Indien dat oordeel aldus begrepen moet worden dat het Hof doorslaggevend heeft geacht dat naar de eigen opvatting van de verdachte het vervalsen van de KLM-pas bij het voorbereiden van de uitzending een geschikt middel vormde om zijn journalistieke doel te bereiken, heeft het Hof niet de hiervoor onder 4.3 genoemde maatstaf toegepast, en met name miskend dat moet worden onderzocht of er voor de verdachte daadwerkelijk geen andere weg openstond om, zonder dit strafbare feit te begaan, de door hem beoogde openbaarmaking voor te bereiden. Indien het Hof die maatstaf niet heeft miskend is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het Hof uit de door hem vastgestelde omstandigheden, waaruit volgt dat de verdachte ook zonder gebruik van een vervalste pas heeft kunnen aantonen dat hij onbevoegd op het terrein van Schiphol-Oost kon komen zonder deugdelijk te worden gecontroleerd, heeft afgeleid dat voor de verdachte geen minder vergaande methode bestond om zijn doel te bereiken dan het vervalsen van de pas. Het middel slaagt. Volgt vernietiging en verwijzing maart 2013, nr. 10/03319 P (Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.F. Groos en J. Wortel) (Na conclusie van A-G Hofstee, strekkende tot vernietiging en terugwijzing; adv. mr. Th.J. Kelder, s-gravenhage) LJN BV9087 Voordeelsontneming. Verduidelijking van de aan de motivering conform art. 359 lid 3 Sv te stellen eisen bij schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 511f Sv. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport te doen berusten. (Sr art. 36e; Sv art. 359 lid 3, 511e, 511f, 511g) Inleiding: Het (vijfde) cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd. Hoge Raad, onder meer: Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt wel afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de feiten en omstandigheden waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen. De Hoge Raad ziet aanleiding de in dit verband aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking blijkens vaststelling door de rechter door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan Met zijn hiervoor onder weergegeven overweging, voor zover inhoudende dat naar aanleiding van de behandeling in eerste aanleg, de conclusiewisseling in hoger beroep en de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er uiteindelijk twee discussiepunten zijn heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de bevindingen in het in deze overwegingen genoemde strafrechtelijk financieel rapport voor het overige 1060 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

37 Rechtspraak niet gemotiveerd zijn bestreden In die overwegingen heeft het Hof uiteengezet waarom het, met verwerping van de door en namens de betrokkene ingenomen stellingen, aannemelijk acht dat een bankrekening bij de Banque Populaire in Marokko aan de betrokkene toebehoorde, verklaringen over stortingen op die rekening betrouwbaar zijn, en ook aannemelijk is dat het saldo op die rekening aan de betrokkene toekwam De hiervoor onder weergegeven bewijsmiddelen houden in, voor zover hier van belang, als uitkomst van een vermogensvergelijking over de periode van 1 januari 2002 tot en met 22 oktober 2002 dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op ,78, en houden voorts in dat er geldbedragen zijn gestort op een bankrekening bij de Banque Populaire te Marokko die op naam van de betrokkene stond Gelet op de hetgeen onder 3.3 hiervoor is vooropgesteld, kunnen deze bewijsmiddelen, bezien in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof, het oordeel dragen dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden begroot op ,78, en is aldus voldaan aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting als hiervoor in bedoeld Het middel faalt. Raad van State Deze rubriek wordt verzorgd door mr. drs. B. Veenman en mr. drs. J. de Vries van de directie Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volledige versies van deze uitspraken zijn te vinden op maart 2013, nr /3/R2 (Mrs. Hagen, Hoekstra en Van der Wiel) LJN BZ4007 De kennisgeving van het ontwerpbesluit is uitsluitend langs elektronische weg gepubliceerd. De rechtszekerheid verzet zich er in dit geval tegen dat aan de verordening terugwerkende kracht is toegekend, omdat het gevolg daarvan is dat aan belanghebbenden de mogelijkheid wordt ontnomen om op te komen tegen een ontwerpbesluit of besluit. (Awb art. 2:14 lid 2, art. 3:11 lid 1 en art. 3:12 lid 1, Verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012 art. 2) Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen de Stichting Natuur en Milieu Aalten en Stichting Behoud Leefmilieu Lintelo (hierna: de stichtingen), gevestigd te Aalten, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college), verweerder Bij besluit van 13 augustus 2012, kenmerk , heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor de uitbreiding van het veebestand en de bouw van een nieuwe pluimveestal aan de [locatie] te Aalten. ( ) 3. Het college heeft de kennisgeving van het ontwerpbesluit uitsluitend gepubliceerd op de website van de provincie Gelderland. De kennisgeving is op 16 augustus 2012 op de website geplaatst. 4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 augustus 2012 in zaak nr /1/A4) kan een kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb zijn. Ingevolge artikel 2:14, tweede lid, en artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, dient van een ontwerpbesluit echter op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kennis te worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. 5. Provinciale staten hebben op 26 september 2012 de verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012 vastgesteld. Ingevolge artikel 2 is het mogelijk de kennisgeving van meldingen, aanvragen, ontwerpbesluiten en besluiten uitsluitend langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Ingevolge artikel 4 treedt de verordening in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 oktober De verordening is op 27 september 2012 in het Provinciaal Blad geplaatst. 6. Uit het voorgaande volgt dat ten tijde van de kennisgeving van het ontwerpbesluit er feitelijk in de provincie Gelderland geen wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2:14 van de Awb gold. Vastgesteld moet echter worden dat de terugwerkende kracht van de verordening juridisch betekent dat er ten tijde van de kennisgeving van het ontwerpbesluit een wettelijk voorschrift gold als bedoeld in artikel 2:14 van de Awb. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de desbetreffende bepaling verbindend is. 7. De Afdeling overweegt dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012, verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. 8. In het voorstel tot vaststelling van de verordening is vermeld dat de provincie sinds 1 oktober 2011 kennisgevingen uitsluitend op elektronische wijze publiceert. Deze werkwijze is de reden waarom aan de verordening terugwerkende kracht is toegekend. Het belang van het bij wettelijk voorschrift bepalen dat uitsluitend langs de elektronische weg wordt kennisgegeven van ontwerpbesluiten en besluiten is er naar het oordeel van de Afdeling in gelegen dat belanghebbenden weten dat zij uitsluitend langs de elektronische weg kennis kunnen nemen van kennisgevingen van een ontwerpbesluit of een besluit, waarna zij kunnen bezien of een zienswijze wordt ingediend of een rechtsmiddel wordt ingesteld. Als ter zake geen wettelijk voorschrift is vastgesteld, mogen zij ervan uitgaan dat de kennisgeving ook op een niet-elektronische wijze zal plaatsvinden. Het is dan ook niet uitgesloten dat belanghebbenden in de periode 1 oktober 2011 tot 28 september 2012 niet op de hoogte zijn geraakt van de terinzagelegging van ontwerpbesluiten en besluiten en om die reden geen zienswijze tegen een ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht dan wel een rechtsmiddel tegen een besluit hebben ingesteld. De Afdeling is van oordeel dat de rechtszekerheid zich er in dit geval tegen verzet dat aan de verordening terugwerkende kracht is toegekend, omdat het gevolg daarvan is dat aan belanghebbenden de mogelijkheid wordt ontnomen om op te komen tegen een ontwerpbesluit of besluit. Zij is van oordeel dat de zinsnede en werkt terug tot en met 1 oktober 2011 in artikel 4 van de verordening onverbindend is. 9. Uit het voorgaande volgt dat de wijze waarop het college kennis van het ontwerpbesluit heeft gegeven in strijd is met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden gepasseerd, aangezien niet aannemelijk is geworden dat belanghebbenden er niet door zijn benadeeld maart 2013, nr /1/T1/A2 (Mrs. Van Altena, Mortelmans, Borman) LJN BZ4004 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

38 Rechtspraak Prejudiciële vragen over belastingvrijstelling voor in Nederland gelegen landgoederen. (VEU art. 4 lid 3; VWEU art. 63 en 167; Richtlijn 2010/24/EU; Richtlijn 2011/16/EU; Natuurschoonwet 1928 art. 1, 2 en 7) Verwijzingsuitspraak op het hoger beroep van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: Economische Zaken) en de staatssecretaris van Financiën (hierna tezamen en in enkelvoud: de staatssecretaris), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 november 2011 in zaak nr. 10/203 in het geding tussen [wederpartij] en de staatssecretaris 1. ( ) [wederpartij] woont in Nederland en is eigenares van de in het Verenigd Koninkrijk gelegen onroerende zaak The Bean House. Zij is voornemens deze zaak te schenken aan haar zoon, die in het Verenigd Koninkrijk woont. Ingeval van schenking van een onroerende zaak die is aangemerkt als landgoed in de zin van [de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de Nsw)], vindt op grond van die wet onder voorwaarden geen invordering van schenkbelasting plaats. [wederpartij] heeft de staatssecretaris daarom verzocht The Bean House aan te merken als landgoed in de zin van de Nsw. ( ) 4. ( ) Bij zijn besluit van 6 oktober 2009, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 februari 2011, heeft de staatssecretaris geweigerd de onroerende zaak The Bean House aan te wijzen als landgoed in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nsw, omdat het niet voldoet aan de in die bepaling opgenomen voorwaarde dat de onroerende zaak in Nederland ligt. ( ) ( ) 9. ( ) Uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2003, C-364/01, Barbier, punt 62, ( en het arrest Jäger (C-256/06, punt 30) volgt dat nationale maatregelen die de aankoop van onroerende zaken in de betrokken lidstaat, alsmede de overdracht van economische eigendom van dergelijke zaken aan een andere persoon door een ingezetene van een andere lidstaat ontmoedigen een beperking vormen van het kapitaalverkeer. Van een dergelijke ontmoediging is in het onderhavige geval sprake, nu de regeling uit de Nsw tot gevolg heeft dat een ingezetene van Nederland minder snel zal besluiten in een andere lidstaat te investeren in de aankoop van een onroerende zaak, omdat de verkrijgers van de schenking dan zwaarder zullen worden belast, dan wanneer hij in de lidstaat waarvan hij ingezetene is had geïnvesteerd in een gelijksoortige onroerende zaak. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank derhalve terecht geoordeeld dat het besluit van de staatssecretaris een beperking vormt van het vrije kapitaalverkeer. ( ) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1. Vormt het belang van behoud van nationaal natuurschoon en cultuurhistorisch erfgoed, zoals aan de orde in de Natuurschoonwet 1928, een dwingende reden van algemeen belang, die een regeling rechtvaardigt, waarin de toepassing van een vrijstelling van schenkbelasting (invorderingsfaciliteit) wordt beperkt tot in Nederland gelegen landgoederen? 2.a. Kunnen de autoriteiten van een lidstaat, in het kader van het onderzoek of een in een andere lidstaat gelegen onroerende zaak kan worden aangewezen als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928, voor bijstand van autoriteiten van de lidstaat waarin de onroerende zaak is gelegen, een beroep doen op Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen, wanneer de aanwijzing als landgoed op grond van die wet tot gevolg heeft dat een vrijstelling wordt verleend van de invordering van de schenkbelasting die op het moment van schenking van die onroerende zaak verschuldigd zal zijn? 2.b. Indien vraag 2.a. bevestigend moet worden beantwoord, moet het begrip administratief onderzoek in artikel 3, zevende lid, van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/ EEG zo worden uitgelegd dat hieronder tevens een onderzoek ter plaatse kan worden begrepen? 2.c. Indien vraag 2.b. bevestigend moet worden beantwoord, kan voor de invulling van het begrip administratieve onderzoeken in artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen worden aangesloten bij de definitie van het begrip administratief onderzoek in artikel 3, zevende lid, van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG? 3. Indien vraag 2.a., vraag 2.b. of vraag 2.c. ontkennend moet worden beantwoord, dient het beginsel van loyale samenwerking, zoals neergelegd in artikel 4, derde lid, van het VEU, in samenhang beschouwd met artikel 167, tweede lid, van het VWEU, aldus te worden uitgelegd dat het met zich brengt dat, wanneer een lidstaat een andere lidstaat verzoekt om medewerking te verlenen bij het onderzoek of een in die andere lidstaat gelegen onroerende zaak kan worden aangewezen als landgoed in de zin van een wet die de instandhouding en bescherming van nationaal natuurschoon en cultuurhistorisch erfgoed tot doel heeft, de verzochte lidstaat gehouden is deze medewerking te verlenen? 4. Kan een beperking van het vrij verkeer van kapitaal worden gerechtvaardigd door een beroep op de noodzaak van het waarborgen van doeltreffende fiscale controles, indien de doeltreffendheid van deze controles enkel in gevaar lijkt te kunnen worden gebracht door de omstandigheid dat nationale autoriteiten gedurende het tijdvak van 25 jaren als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 naar een andere lidstaat moeten reizen om daar de noodzakelijke controles te verrichten? ( ) Centrale Raad van Beroep Deze rubriek wordt verzorgd door mr. A.B.J. van der Ham, vice-president van de Centrale Raad van Beroep, en mr. J.E. Jansen, hoofd Wetenschappelijk bureau van de Centrale Raad van Beroep februari 2013, nr. 11/3083 WWB (Mrs. Van Viegen, Van der Ham, Klik) LJN BZ3215 Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van 192 in de kosten van rechtshulp verleend door Legal- 2People. (WWB art. 15) (.) 1062 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

39 Rechtspraak Overwegingen 4.3. Voorop staat dat de kosten in geschil niet de eigen bijdrage op grond van een toevoeging krachtens de Wrb betreffen. De klanten van Legal2People zijn een vergoeding verschuldigd voor ten minste de kantoorkosten, vermeerderd met een forfaitair bedrag ter hoogte van een door het bestuursorgaan gegeven vergoeding voor de kosten in bezwaar of van proceskosten ingeval de rechter een dergelijke vordering heeft toegewezen. Weliswaar vallen de hier in geding zijnde werkzaamheden van Legal2People op zichzelf wel onder het bereik van de Wrb, maar vast staat dat de bij Legal2People werkzame juristen geen rechtsbijstandverleners zijn zoals bedoeld in de Wrb. Dit brengt mee dat de door deze juristen verleende rechtsbijstand niet onder de werkingssfeer van de Wrb valt Appellante heeft voor het verlenen van rechtshulp geen gebruik gemaakt van de voorliggende voorziening in de vorm van toegevoegde rechtsbijstand op grond van de Wrb. Niet is betwist dat dit voor haar mogelijk was. Het standpunt dat appellante ten tijde van haar aanvraag om bijzondere bijstand op 16 oktober 2009 en de afwijzing op 20 oktober 2009 geen daadwerkelijk beroep meer kon doen op gefinancierde rechtshulp, kan aan vorenstaand oordeel niet afdoen. De door appellante gemaakte keuze voor rechtshulp van Legal2People laat immers onverlet dat voor kosten van rechtsbijstand een voorliggende voorziening bestaat Appellante heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 juli 2004, LJN AQ7872, betoogd dat geen sprake kan zijn van een toereikende en passende voorliggende voorziening indien geen toevoeging kan worden verleend. De Raad kan appellante hierin niet volgen aangezien appellante om haar moverende redenen zelf heeft gekozen voor een rechtshulpverlener aan wie geen toevoeging kan worden verleend. Dat de kosten in geschil lager zijn dan het bedrag dat appellante verschuldigd zou zijn als zij zich tot een toegevoegde advocaat zou wenden wat daarvan ook zij maakt dit niet anders Appellante heeft voorts nog een beroep gedaan op uitspraken van de Raad, waarin geoordeeld is dat bij het ontbreken van een toevoeging het bijstandverlenend orgaan zich zelfstandig een oordeel dient te vormen over de noodzaak van de te voeren of gevoerde procedure (CRvB 28 april 2009, LJN BI3571). Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 2 augustus 2011, LJN BR4175) wordt aan een beoordeling van de noodzaak in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB niet meer toegekomen als de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van een voorliggende voorziening Ook in hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. In het bestuursrecht is geen sprake van een verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat en is eenieder vrij in zijn keuze van rechtshulp. De Wrb als voorliggende voorziening voor kosten van rechtsbijstand doet geen afbreuk aan deze uitgangspunten. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank s-gravenhage van 22 september 2010, 10/566 WWB, kan appellante niet baten. De Raad merkt hierover op dat de rechtbank in die zaak een oordeel heeft gegeven over de beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van s-gravenhage en dat niet is gebleken dat het college voor kosten van rechtsbijstand dezelfde beleidsregels hanteert maart 2013, nr. 11/5093 AOW (Mrs. De Vries, Lenos, Van der Net) LJN BZ3476 Rechtsgeldige verdaging als bedoeld in art. 7:10 lid 3 Awb kan alleen plaatsvinden voor het einde van de beslistermijn van art. 7:10 lid 1 en 2 Awb. (Awb art. 7:10) (.) Overwegingen 4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift is aangevangen op 6 mei 2010 en is geëindigd op 5 augustus De Svb had op laatst genoemde datum nog geen beslissing op het bezwaarschrift van appellant genomen en had de beslistermijn op dat moment ook niet verlengd. De eerst na het verstrijken van de beslistermijn en na de ontvangst van de ingebrekestelling verzonden brief van de Svb van 12 augustus 2010 kan niet aangemerkt worden als een verdaging van de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Voorts is niet gebleken dat appellant heeft ingestemd met de verlenging van de beslistermijn of van omstandigheden die daarmee op een lijn kunnen worden gesteld. Anders dan is geoordeeld in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 9 oktober 2006, kan rechtsgeldige verdaging als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb alleen plaatsvinden voor het einde van de beslistermijn van artikel 7:10, eerste en tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de Svb de beslistermijn heeft overschreden door eerst op 17 september 2010 te beslissen op het bezwaarschrift De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift prematuur was ingesteld. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en dat besluit wordt vernietigd. Nu appellant de Svb schriftelijk in gebreke heeft gesteld en heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen, zal de hoogte van de verbeurde dwangsom worden vastgesteld De in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bedoelde eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd is 25 augustus Nu de Svb op 17 september 2010 een beslissing op bezwaar heeft genomen is een dwangsom verschuldigd over in totaal 23 dagen. Dit betekent dat de verbeurde dwangsom in totaal 550 bedraagt. 5. Er is aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 472 in beroep en 472 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand maart 2013, nr. 11/6009 WWB, 11/6590 WWB (Mrs. Roelofs, Kooijman, Overbeeke) LJN BZ3688 Onrechtmatig huisbezoek bij kamerbewoner. Onrechtmatig verkregen bewijs. (WWB art. 17, EVRM art. 8) (.) II. Overwegingen 1.1. Betrokkene heeft zich op 23 maart 2010 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen en vervolgens als alleenstaande bijstand aangevraagd. Hij heeft daarbij opgegeven te wonen op [adres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Appellant heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In dat kader is op 19 april 2010 een huisbezoek gebracht aan de woning op het uitkeringsadres waarvan op 20 april 2010 verslag is gedaan. De bevindingen van het onderzoek NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

40 Rechtspraak zijn neergelegd in een rapportage van 27 mei De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 2 juni 2010 de aanvraag om bijstand af te wijzen. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met N. [I.] (I) Bij besluit van 28 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2010 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende waarborgen bestaan om van de juistheid van de in het verslag van 20 april 2010 vermelde constateringen uit te gaan. De rechtbank heeft van belang geacht dat het verslag van 20 april 2010 niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, dat betrokkene dat verslag niet heeft ondertekend en dat dit evenmin is ondertekend door de medewerker die het verslag heeft opgesteld en dat betrokkene de juistheid van het verslag gemotiveerd heeft betwist. Ook overigens zijn onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van wederzijdse zorg tussen betrokkene en I. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Betrokkene heeft op hierna te bespreken gronden verweer gevoerd. 4. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 19 oktober 2011 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2010 beslist. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De aangevallen uitspraak 5.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat onvoldoende waarborgen bestaan om van de juistheid van de in het verslag van 20 april 2010 vermelde constateringen uit te gaan De Raad volgt appellant in dit betoog. Het verslag is opgesteld door [W.] (W), werkzaam als klantmanager handhaven gebrevetteerd (handhavingsmedewerker) bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (sociale dienst), die samen met een andere handhavingsmedewerker het huisbezoek op 19 april 2010 heeft uitgevoerd. Dat het verslag van 20 april 2010 niet op ambtseed of op ambtsbelofte is opgemaakt, betekent niet zonder meer dat moet worden betwijfeld of de in dat verslag vermelde constateringen zijn gedaan. Appellant heeft gesteld dat het tot de gedingstukken behorende exemplaar van het verslag van 20 april 2010 een computeruitdraai betreft en daarom niet door W is ondertekend, maar dat wel degelijk een identiek, door W op 20 april 2010 ondertekend exemplaar van het verslag bestaat. Mede in aanmerking genomen dat gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangeboden een kopie van het door W op 20 april 2010 ondertekende verslag te overleggen, bestaat geen aanleiding om de stelling van appellant niet te volgen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, houdt de Raad het er daarom voor dat W het verslag van 20 april 2010 wel heeft ondertekend. Vaststaat verder dat betrokkene het verslag niet heeft ondertekend, maar anders dan de rechtbank heeft geoordeeld staat in dit geval deze omstandigheid niet aan de bruikbaarheid van het verslag voor de beoordeling van het recht op bijstand in de weg. Van belang is dat appellant betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld het verslag te ondertekenen, maar betrokkene die gelegenheid om hem moverende redenen niet heeft benut. Betrokkene heeft gehoor gegeven aan de uitnodiging voor een gesprek op 20 mei 2010 om het verslag van het huisbezoek te lezen en te ondertekenen. Daarbij bestond de mogelijkheid om in een aanvulling op het verslag correcties te laten vastleggen. Bij dat gesprek was ook W aanwezig. Betrokkene is tijdens het gesprek meegedeeld dat het voornemen bestaat de aanvraag om bijstand in verband met zijn woonsituatie af te wijzen. Nadat betrokkene het verslag half had doorgenomen, heeft hij te kennen gegeven dat hij het met een afwijzing van zijn aanvraag niet eens is en heeft hij, zonder het verslag verder te lezen en te ondertekenen, de spreekkamer verlaten. Ten slotte verdient in dit verband opmerking dat betrokkene geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat de in het verslag van 20 april 2010 vermelde constateringen niet juist kunnen zijn. Betrokkene heeft slechts kanttekeningen bij bepaalde constateringen geplaatst en daarvoor verklaringen gegeven. Ook heeft hij de in het verslag op basis van de constateringen vermelde conclusies bestreden Betrokkene heeft zich bij wijze van verweer op het standpunt gesteld dat voor het huisbezoek op 19 april 2010 geen redelijke grond bestond en dat evenmin was voldaan aan de eis van informed consent. De bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek moeten daarom volgens hem buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand Betrokkene en I waren ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van Rotterdam op het uitkeringsadres ingeschreven. Bij zijn aanvraag heeft betrokkene te kennen gegeven dat hij alleenstaande is en op het uitkeringsadres bij een vriendin woont. Hij huurt van haar een kamer op het uitkeringsadres. Appellant heeft betrokkene vervolgens verzocht het onderhuurcontract met de hoofdbewoner en bewijzen van betaling van de huur te overleggen. Betrokkene heeft appellant in antwoord op dat verzoek meegedeeld niet te beschikken over bewijzen van onderhuur en betaling van huur, omdat I hem niet permanent in huis wil hebben. Op 19 april 2010 zijn twee handhavingsmedewerkers naar de woning aan het uitkeringsadres gegaan om een huisbezoek af te leggen. Nadat een van hen zich had gelegitimeerd, heeft I hen toestemming verleend de woning te betreden. Betrokkene heeft aldaar een formulier huisbezoek ondertekend waarin hij toestemming verleent voor het huisbezoek. Op het formulier is als reden voor het huisbezoek vermeld dat betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend en dat een weigering van het huisbezoek directe gevolgen kan hebben voor de aanvraag. Vervolgens heeft betrokkene de handhavingsmedewerkers zijn kamer laten zien. Het formulier gezamenlijke huishouding heeft betrokkene op verzoek van de handhavingsmedewerkers niet in zijn eigen kamer, maar onmiddellijk na de bezichtiging van die kamer, in de huiskamer van de woning ingevuld en ondertekend Het standpunt van betrokkene dat geen redelijke grond bestond voor het afleggen van het huisbezoek op 19 april 2010 is juist. Anders dan appellant naar voren heeft gebracht, levert het enkele feit dat betrokkene de door appellant gevraagde bewijzen van onderhuur en betaling van huur niet kon overleggen geen redelijke grond op voor het huisbezoek. Dit zijn op zichzelf geen concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en de volledigheid van de door betrokkene in het kader van de aanvraag om bijstand over zijn woon- en leefsituatie verstrekte gegevens. Bovendien stonden voor appellant in dit geval minder belastende middelen ter beschikking om de woon- en leefsituatie van appellant te beoordelen. Appellant had betrokkene eerst kunnen uitnodigen op het kantoor van de sociale dienst om een verklaring over zijn woon- en leefsituatie af te leggen. Zo nodig had aansluitend een huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres kunnen plaatsvinden De eis van informed consent houdt in dat de toestemming van de belanghebben NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

41 Rechtspraak de berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Betrokkene heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook aan die eis niet is voldaan. Appellant heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat wel aan die eis is voldaan. Zo is in dit geval geen volledige informatie over de reden en het doel van het huisbezoek gegeven. De vermelding op het formulier huisbezoek dat het huisbezoek plaatsvond omdat betrokkene een aanvraag om bijstand had ingediend is daarvoor onvoldoende. Verder is onjuiste informatie verstrekt over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Omdat in dit geval een redelijke grond voor een huisbezoek ontbrak, had betrokkene erop moeten worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. Aan betrokkene is echter meegedeeld dat weigeren van toestemming wel directe gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand De handhavingsmedewerkers hebben, door zonder redelijke grond en zonder toestemming van betrokkene diens kamer te betreden, inbreuk gemaakt op het huisrecht van betrokkene. Dit betekent volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 januari 2010, LJN BK8928) dat wat de handhavingsmedewerkers in de kamer van betrokkene hebben waargenomen als onrechtmatig verkregen bewijs bij de beoordeling van het recht op bijstand van betrokkene buiten beschouwing dient te blijven. Van de zijde van appellant is ter zitting naar voren gebracht dat, gelet op de door I gegeven toestemming om de woning te betreden, het in de huiskamer van de woning door betrokkene ingevulde en ondertekende formulier gezamenlijke huishouding wel als bewijs mag worden gebruikt. De Raad volgt dit betoog niet. Gelet op de wijze waarop het huisbezoek is verricht, waarbij betrokkene op verzoek van de handhavingsmedewerkers niet in zijn eigen kamer, maar onmiddellijk na bezichtiging van die kamer in de huiskamer van de woning het formulier gezamenlijke huishouding heeft ingevuld en ondertekend, dient bij de beoordeling van het recht op bijstand van betrokkene ook dit formulier buiten beschouwing te blijven De bevindingen van het onderzoek die wel in de beoordeling mogen worden betrokken zijn onvoldoende voor de conclusie dat ten tijde hier van belang sprake is geweest van wederzijdse zorg tussen betrokkene en I maart 2013, nr. 11/3848 WW-T (Mrs. Van den Hurk, Rottier, Greebe) LJN BZ3437 De werkgever heeft een rechtsreeks belang bij besluiten van het Uwv over deeltijd-ww. (Awb art. 1:2 lid 1) ( ) Overwegingen 5.5. Het is slechts de werknemer die de gerechtigde is op deeltijd-ww. Dat betekent echter nog niet dat de werkgever geen belanghebbende bij een besluit over deeltijd- WW is. Het Besluit is geschreven vanuit de wens om werkgelegenheid gedeeltelijk te behouden zodat werkgevers vakkrachten die van wezenlijk belang zijn, niet behoefden te ontslaan. Door de verkorting van de werktijd zouden de bedrijven gedurende enige tijd hun vakkrachten kunnen behouden, terwijl de uren die die werknemers minder werkten, ten laste van de WW-regeling zouden komen (zie de toelichting bij het Besluit, Staatscourant 2009, nr. 64). De besluitgever is er, gelet op de toelichting bij het Besluit, vanuit gegaan dat het via het BBA toestaan de werktijd te verkorten, met zich bracht, dat als aan de voorwaarden van die verkorting werd voldaan, van rechtswege voor de betrokken werknemers een recht op WW-uitkering ontstond. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat in de praktische uitvoering van de deeltijd-ww ook dienovereenkomstig is gehandeld in die zin dat, indien de werkgever volgens het Uwv aan de voorwaarden voldeed, een deeltijd-ww werd verstrekt Het Besluit legt een groot aantal verplichtingen op de werkgever. De werkgever moet onder meer aantonen dat de belanghebbende verenigingen van werknemers of een andere vertegenwoordiging van werknemers met de werktijdverkorting in stemmen en dat daarmee afspraken zijn gemaakt om het loon door te betalen voor zover de betrokken werknemers geen recht hebben op een WW-uitkering. Daarnaast dient de werkgever aan te tonen dat afspraken zijn gemaakt over de invulling van scholing en over het verrichten van arbeid voor een andere werkgever en dient hij zich jegens het Uwv te verplichten in bepaalde situaties een vergoeding aan het Uwv te betalen. Bij een door de werknemer ondertekende aanvraag om deeltijd-ww moet een werkgeversverklaring vergoeding WW en een afsprakenovereenkomst tussen de werkgever en de vertegenwoordiging van de werknemers worden overgelegd. Voor het verlengen van deeltijd-ww wordt van de werkgever verlangd dat hij die verlenging aanvraagt onder bijvoeging van een nieuwe werkgeversverklaring vergoeding WW en een verlengde afsprakenovereenkomst en schriftelijk verslag doet van de uitvoering van de in de voorafgaande periode van werktijdverkorting gemaakte afspraken Hieruit volgt dat het Besluit een bijzondere regeling is, met eigen normen die zich richten tot de werkgever. Deze normen hebben voor de werkgever zowel een begunstigend als een belastend karakter. De werkgever kan door deze regeling bezuinigen op loonkosten met een bedrag gelijk aan de WWuitkering. Daarnaast is er voor de werkgever een verplichting tot vergoeding neergelegd in artikel 3 van het Besluit. Doel, opzet, uitwerking en uitvoering van het Besluit zijn daarbij zodanig dat deze regeling niet los van de WW kan worden gezien. In dit licht bezien is sprake van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de werkgever bij besluiten van het Uwv over deeltijd-ww. Dit betekent dat de werkgever ook belanghebbende is als er besluiten tot beëindiging van WW-uitkering van zijn werknemers voorliggen omdat volgens het Uwv niet tijdig om verlenging van deeltijd-ww is gevraagd Het oordeel van de rechtbank dat appellante geen belanghebbende is bij de besluiten van 13 en 20 september 2010, is dan ook onjuist. Het Uwv heeft de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard maart 2013, nr. 11/458 AW (Mrs. Treffers, Wolleswinkel, Bootsma) LJN BZ3715 Vertegenwoordiging partij ter zitting (Awb art. 8:24 lid 1) II. Overwegingen 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Over de drie medewerkers van de politieregio die de gemachtigde van de korpschef, mr. Konijnendijk, zonder aankondiging ter zitting hebben bijgestaan, heeft de rechtbank naar aanleiding van het protest daartegen van appellant overwogen dat het bij de rechtbank gebruikelijk is om het deze personen als informant toe te staan om inlichtingen te verstrekken. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

42 Rechtspraak de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat mededelingen van De V en S bij hem de gerechtvaardigde verwachting zouden hebben gewekt dat hij bij goed functioneren zou worden ingeschaald in schaal 10. Verder meent hij dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde door ter zitting de inzet van informanten door de korpschef, die niet tevoren waren aangekondigd, toe te staan. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De informanten 4.1. Artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzet zich er naar letter en geest niet tegen dat een partij (bestuursorgaan) zich ter zitting (mede) laat vertegenwoordigen door personen die bij de ontwikkelingen die hebben geleid tot de bestreden besluitvorming, betrokken zijn geweest (CRvB 12 april 2001, LJN AB3104). Natuurlijk mag de goede procesorde hierdoor niet in het gedrang komen. In het bijzonder mag de andere partij niet onverhoeds geconfronteerd worden met inlichtingen of gegevens, op de weerspreking waarvan hij zich niet heeft kunnen voorbereiden. De rechter zal hiervoor dus moeten waken. Deze beroepsgrond slaagt dus niet maart 2013, nr. 11/1692 AW (Mrs. Treffers, Wolleswinkel, Mollee) LJN BZ4087 Besluit. Rechtsgevolg. (Awb art. 1:3) (.) II. Overwegingen 4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de aanwijzing aan appellant van een andere werkplek een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze aanwijzing van een andere werkplek kan worden gezien als een overplaatsing, als zodanig ingrijpt in de rechtspositie van appellant en daarom op rechtsgevolg is gericht. Dat betekent dat in het geval van appellant de aanwijzing wel is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb maart 2013, nr. 11/4523 WWB (Mrs. Claessens, Bangma, Van Straalen) LJN BZ4108 Indien een andere bewoner dan degene wiens bijstandsuitkering in het geding is toestemming tot binnentreden verleent, behoeft ten opzichte van die bewoner niet te zijn voldaan aan het vereiste van informed consent in de hiervoor bedoelde zin. Wel is degene die in een woning binnentreedt ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Awob verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. (WWB art. 17; EVRM art. 8; Awob art. 1) ( ) II. Overwegingen 1.2. Naar aanleiding van een bij het bestuur gerezen vermoeden dat appellante niet woont op het door haar opgegeven adres [adres 1, nr.] 69 te Dordrecht (uitkeringsadres), hebben medewerkers van de afdeling Rechtmatigheid van de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD-medewerkers) in augustus 2009 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de SDDmedewerkers dossieronderzoek verricht en op 29 september 2009 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres ter controle van de woon- en leefsituatie van appellante. Bij dat huisbezoek werd appellante niet aangetroffen, maar wel haar dochter, U. [D.] (D), die ook op het uitkeringsadres woont. Volgens een door D ondertekend formulier Gespreksbevestiging heeft D tijdens het huisbezoek onder meer verklaard dat appellante sinds de zomer van 2008 niet meer op het uitkeringsadres woont en dat zij een relatie heeft met [V.] (V) en woont op het adres [adres 2, nr.] te Dordrecht. Vervolgens heeft appellante tijdens een gesprek op 6 oktober 2009 op het kantoor van de SDD een verklaring afgelegd. Volgens een door appellante ondertekend formulier Gespreksbevestiging heeft appellante verklaard dat zij niet verblijft op het uitkeringsadres en dat zij vanaf oktober 2008 woont bij haar vriend V, die woont in de [adres 2, nr.]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op 6 oktober 2009 opgemaakt rapport De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 2 november 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2010 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2008 in te trekken en de over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van ,10 van appellante terug te vorderen. Voorts heeft het bestuur de bijstand van appellante bij wijze van maatregel verlaagd met 100% gedurende drie maanden, waarbij is opgemerkt dat, nu de bijstand is beëindigd, de maatregel in zoverre zal worden geëffectueerd, dat het met de maatregel gemoeide bedrag wordt verrekend met de nog te verrekenen tegoeden, te weten de vakantietoeslag. Het bestuur heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet woont op het door haar opgegeven uitkeringsadres. Door daarvan geen melding te maken, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft in hoger beroep primair, samengevat, het volgende aangevoerd. De onderzoeksbevindingen zijn niet toereikend voor de conclusie dat zij in de te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres. De SDD-medewerkers zijn zonder toestemming van D op 29 september 2009 de woning op het uitkeringsadres binnengedrongen. Van informed consent was geen sprake. De tijdens het huisbezoek door D afgelegde verklaring dient dan ook buiten beschouwing te blijven. De formulieren Gespreksbevestiging, waarin de door appellante en D afgelegde verklaringen zijn neergelegd, vormen een onjuiste en onvolledige weergave van hetgeen appellante en D hebben verklaard. Bovendien hebben zij deze verklaringen onder ontoelaatbare druk ondertekend. Er is geen grond voor het opleggen van een maatregel. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat het college intrekking en terugvordering van de bijstand ten onrechte niet heeft beperkt tot de korte periode waarin zij bij V heeft verbleven in verband met haar herstel na een herniaoperatie. Ten slotte heeft appellante verzocht om schadevergoeding als bedoeld in artikel 6 EVRM. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2008 tot en met 30 september Van informed consent bij het binnentreden in de woning is sprake indien de toestemming van de belanghebbende daarvoor berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 december 2012, LJN BY4503), maken de binnentredende ambtenaren in beginsel geen inbreuk op het huisrecht van de overige bewoners, indien één bewoner van een 1066 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

43 Rechtspraak woning toestemming tot binnentreden verleent. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet op het binnentreden (Awob) is voor het binnentreden de toestemming van één bewoner in beginsel voldoende. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden. Indien een andere bewoner dan degene wiens bijstandsuitkering in het geding is toestemming tot binnentreden verleent, behoeft ten opzichte van die bewoner niet te zijn voldaan aan het vereiste van informed consent in de hiervoor bedoelde zin. Wel is degene die in een woning binnentreedt ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Awob verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Dit voorschrift is ook van toepassing in het geval dat met toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2011, LJN BT Uit het formulier Gespreksbevestiging van 29 september 2009, blijkt dat de SDDmedewerkers aan D, die zelf ook een bijstandsuitkering heeft, toestemming hebben gevraagd om de woning op het uitkeringsadres binnen te treden. D heeft hen vervolgens toegelaten tot de woning. Gelet hierop bestaat geen grond om aan te nemen dat, naar appellante heeft gesteld, de SDD-medewerkers zonder toestemming van D de woning op het uitkeringsadres zijn binnengedrongen. Volgens het in 1.2 genoemde rapport hebben de SDD-medewerkers zich voorafgaand gelegitimeerd. Weliswaar valt uit dit rapport, noch het hiervoor genoemde formulier te destilleren dat de medewerkers voorafgaand mededeling hebben gedaan van het doel van het binnentreden, maar uit een door appellante in beroep overgelegde verklaring van D van 30 juni 2010 valt af te leiden dat de SDD-medewerkers aan D kenbaar hebben gemaakt dat het binnentreden verband hield met een onderzoek naar de woonsituatie van appellante Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Daarbij is van belang dat de verklaringen van D en appellante, opgetekend in formulieren Gespreksbevestiging die zij hebben ondertekend, in belangrijke mate overeenstemmen. Dat deze verklaringen niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk zouden zijn afgelegd, heeft appellante niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Van belang hierbij is dat appellante en D tegen de betreffende SDD-medewerkers geen klacht hebben ingediend over de wijze waarop deze medewerkers hen hebben bejegend Uit 4.2 tot en 4.5 volgt dat de beroepsgrond dat het bestuur de verklaringen van D en appellante buiten beschouwing had moeten laten niet slaagt Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank en het college van oordeel dat de in 1.2 bedoelde verklaringen van appellante en D voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante tijdens de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres. College van Beroep voor het Bedrijfsleven Deze rubriek wordt verzorgd door mw. mr. A. Bruining en mw. mr. J.M.M. Bancken, beiden auditeur bij het College februari 2013 nr. AWB 09/982 en 09/983 (Mrs. Van Lierop, Eggeraat en Gerbrandy) LJN BZ5582 en BZ5589 Herroeping boetes; overschrijding redelijke termijn; uitspraak na heropening; schadevergoeding. (EVRM art. 6; Awb art. 8:73, 8:26) Deze zaken zijn een vervolg op twee bouwfraudezaken (LJN BX7256 en BX7257) waarin het College het hoger beroep gegrond heeft verklaard en de opgelegde boetes heeft herroepen. Omdat de boetes waren herroepen kon de overschrijding van de redelijke termijn niet worden beantwoord met een boetematiging, zoals gewoonlijk in de jurisprudentie geschiedt. Het College heeft daarom het beroep van appellanten op de overschrijding van de redelijke termijn aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 Awb. Dit leidde het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, Awb tot heropening van het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding. Met, eveneens overeenkomstige toepassing van artikel 8:26 Awb is de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid gesteld als partij aan de procedure deel te nemen. In beide uitspraken wordt de mate van overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld en wordt aan beide appellanten een schadevergoeding toegekend van 500 per half jaar overschrijding februari 2013 nr. AWB 11/441 (Mrs. Aerts, Doolaard en Verbeek ) LJN BZ3428 Regelgeving inzake heffingssystematiek voor toezicht verbindend? Exceptieve toetsing. Reikwijdte informatievoorziening. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Evenredigheidsbeginsel. Gelijkheidsbeginsel. Rechtszekerheidsbeginsel. (Awb art. 8:42; Wet op het financieel toezicht (Wft) art. 1:40 lid 1; Besluit bekostiging financieel toezicht; Regeling van de Minister van Financiën tot vaststelling voor 2008 van de maatstaven, bedragen bandbreedtes en verdeelsleutels/tarieven; Besluit bekostiging financieel toezicht; Eerste Protocol bij het EVRM art. 1) Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank Rotterdam (LJN BQ4116) Partijen: A. BV en 25 anderen; De Stichting Autoriteit financiële markten (AFM) en de Nederlandse Bank N.V. (DNB) Appellanten stellen de heffingen aan de orde die AFM en DNB (hierna: verweersters) bij hen in rekening hebben gebracht voor doorlopend toezicht over resp. de jaren 1992 t/m 2008 en de jaren 2002 t/m De heffingstarieven voor dit toezicht worden vastgesteld aan de hand van de Wft en een daarop jaarlijks gebaseerde ministeriële beschikking. In hoger beroep zijn uitsluitend de besluiten die zien op het heffingsjaar 2008 aan de orde. Appellanten betwisten niet dat de berekening van de heffing op basis van de heffingstarieven correct is uitgewerkt. De gronden van het hoger beroep richten zich op de totstandkoming van) de heffingstarieven zelf en daarmee op de onderliggende regelgeving. Voor zover appellanten in algemene zin hebben betoogd dat een nadere specificatie NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

44 Rechtspraak van de bij de financiële dienstverleners in rekening gebrachte kostenposten nodig is om te kunnen controleren of de heffingen rechtmatig zijn verwijst het College naar de in de Wft voorziene procedurele waarborgen voor de totstandkoming en vaststelling van de tarieven, waaraan bij ministeriële regeling is voldaan. Appellanten hebben bovendien met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur de documenten gekregen die zien op de totstandkoming van de regelgeving en tarieven. Appellanten hebben niet concreet duidelijk gemaakt waarom de hun ter beschikking staande informatie nog steeds niet voldoende is. Het toetsingskader is beperkt tot de onderliggende regelgeving. Instemming met begroting, jaarrekening en verantwoording maken daarvan, anders dan appellanten willen, geen deel uit. Het College oordeelt dat in artikel 1:40, eerste lid, Wft. voldoende concreet is omschreven welke kosten doorberekend mogen worden, namelijk kosten van werkzaamheden die de toezichthouder verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van de Wft. Dat dit in de regelgeving nader zou moeten worden geëxpliciteerd, onderschrijft het College niet. Gelet op de toelichting van verweersters, oordeelt het College dat geen sprake is van kosten die ten onrechte zijn doorberekend. Het College overweegt dat alleen de Vaststellingsregeling 2008 ter beoordeling staat. De heffingsmaatstaf is door de regelgever naar aanleiding van twee uitspraken van het College voor dat jaar aangepast en de daaruit voorvloeiende onvoorzienbare stijgingen van de reeds voorgelegde tarieven zijn voor genoemd jaar geheel gecompenseerd. Niet kan dan ook worden volgehouden dat de belangen van de onder toezicht staande instellingen niet zijn meegewogen. Dat wellicht een ander verdelingssysteem denkbaar was geweest, betekent niet dat het thans gehanteerde systeem tot onevenredige resultaten leidt of willekeurig is. Appellanten hebben hun stelling dat sprake is van onevenredigheid niet concreet gemaakt met (individuele) cijfers dan wel anderszins van een onderbouwing voorzien. Ook is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Omdat in het buitenland gevestigde ondernemingen anders worden behandeld dan in Nederland gevestigde ondernemingen is geen sprake van gelijke gevallen. Dat geldt ook voor bepaalde beleggingsinstellingen waarvoor specifieke voorwaarden gelden, waaraan appellanten onweersproken niet voldoen. Dat halverwege het jaar de heffingstarieven voor dat jaar worden vastgesteld en bekendgemaakt, levert, zonder bijkomende omstandigheden die maken dat de aldus opgelegde heffing onvoorzienbaar was, geen strijd op met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie geen aanleiding behoeft te vormen om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit. Dat de in de Vaststellingsregeling 2008 opgenomen compensatie voor ten onrechte (in eerdere jaren) doorberekende kosten wordt beperkt tot de (jaarlijkse) heffingen die nog niet in rechte vast stonden, maakt dan ook niet dat sprake is van willekeurige regelgeving. Ten slotte onderschrijft het College het onderbouwde oordeel van de rechtbank dat de heffingssystematiek niet in strijd komt met art. 1 van het eerste Protocol bij het EVRM. Volgt bevestiging van de aangevallen uitspraak maart 2013 nr. AWB 10/656 (Mrs. Eggeraat, Van Dorst, Dijt) LJN BZ5507 Bestuurlijke boete. Bemiddelingsactiviteiten verricht in de uitoefening een beroep of bedrijf. Overtreding. Punitieve sanctie. Matiging van de boete. Evenredigheidstoets. (Wet financiële dienstverlening (Wfd) oud art. 10, 73 en 74 en de bijlage; Toelichting bij art. 1:1 Wet financiële dienstverlening in de Vierde nota van wijzigingen (Kamerstukken II, vergaderjaar , , p )). Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank Rotterdam (LJN 6735) Partijen: A en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) AFM heeft appellant een bestuurlijke boete opgelegd van wegens overtreding van art. 10 Wfd. oud, (verbod financiële dienstverlening zonder vergunning toezichthouder). De zaak moet worden beoordeeld naar het oude recht. AFM heeft het in de bijlage bij art.74 Wfd opgenomen standaardtarief gematigd tot het door appellant bruto behaalde voordeel, rekening houdend met de omstandigheid dat appellant niet actief klanten heeft geworven, maar voor een beperkt aantal klanten, te weten vier, heeft bemiddeld. Aanvankelijk bestreed appellant in hoger beroep alleen de hoogte van de boete, maar ter zitting heeft appellant alsnog betwist dat sprake was van een overtreding. Het College onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overtreding. Het voegt hier aan toe dat appellant aan AFM heeft verklaard welke informatie hij in 2006 doorgaf, te weten o.a. de wensen van de cliënt, inkomens- en vermogensgegevens, risicoprofiel, onderpandgegevens en alle overige informatie welke noodzakelijk is om te komen tot een goed integraal beeld van de aanvrager/cliënt. Daarom was, aldus het College, sprake van een inhoudelijke betrokkenheid van appellant bij de totstandbrenging van hypotheekovereenkomsten. Appellant ontving hiervoor bovendien een provisie. Dat appellant hierom naar hij stelt niet zou hebben gevraagd, acht het College niet relevant. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat appellant artikel 10 Wfd heeft overtreden. In zoverre slaagt het hoger beroep dus niet. Het hoger beroep slaagt wel voor zover het gericht is tegen de hoogte van de boete. De rechter heeft, ten aanzien van punitieve sancties als deze binnen het toetsingskader van art. 6 EVRM de taak om zonder terughoudendheid te toetsen of de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. De tekst van art. 74 Wfd sluit niet uit dat binnen het kader van het vierde lid, een evenredigheidstoets wordt voltrokken. Het College constateert dat AFM in vergelijkbare gevallen een verdergaande matigingssystematiek heeft toegepast dan in deze zaak. In die gevallen was, evenals in deze zaak, geen sprake van benadeling van consumenten, hetgeen AFM daar had meegewogen. Voorts heeft AFM in die zaken, anders dan in het onderhavige geval, geabstraheerd van de hoogte van de ontvangen provisie en een boete opgelegd uit het naastgelegen standaardtarief, hoewel sprake was van een aanzienlijk hogere provisie, dan wel een langere periode waarin de overtreding plaatsvond. Het College gaat, gelet hierop, in dit geval over tot een boetematiging tot het naastgelegen standaardtarief van , vanwege de verzwarende omstandigheid dat appellant het onderzoek van AFM heeft tegengewerkt, en verhoogt dit bedrag tot Geen aanleiding voor een verdergaande matiging van de boete vanwege de financiële omstandigheden van appellant, reeds omdat zijn verklaringen en overgelegde stukken onvoldoende verifieerbaar zijn NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

45 Boeken 831 Zeg maar Henk tegen de chef Ervaringen met het Belgische detentieregime in de PI Tilburg Sinds februari 2010 verblijven er Belgische gedetineerden in de Nederlandse penitentiaire inrichting Tilburg. Zij verblijven daar in een hoofdzakelijk Belgisch regime dat gevoerd wordt door Nederlands personeel onder een gemengde Belgisch-Nederlandse directie. Tot deze bijzondere constructie, in interne beleidsstukken omgedoopt tot Nova Belgica, hebben de Belgische en de Nederlandse regering besloten, omdat in Nederland al jaren sprake is van een dalende detentiepopulatie, terwijl in België juist een nijpend tekort is aan celcapaciteit. De situatie zoals die zich nu voordoet in de PI Tilburg bood een unieke mogelijkheid om de ervaringen van personeel en gedetineerden te onderzoeken in een internationaal vergelijkende context. Belgische gedetineerden konden hun ervaringen immers direct vergelijken met hun ervaringen in Belgische inrichtingen, terwijl het Nederlandse personeel het Nederlandse regime als referentiekader gebruikten. Deze mogelijkheid deed de Dienst Justitiële Inrichten (DJI) besluiten een onderzoeksopdracht via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum uit te zetten, met als resultaat deze rapportage. Het doel van het exploratieve onderzoek was inzicht te verschaffen in ervaringen met, en consequenties van, het uitvoeren van het Belgische detentieregime in een Nederlandse inrichting. Tevens wordt een analyse/inschatting gemaakt van wat de oorzaak of bron is achter deze ervaringen. De DJI wil de resultaten van het onderzoek gebruiken om te bezien of/hoe eventuele postieve ervaringen en consequenties ook zijn te realiseren binnen het Nederlandse regime vanwege de veronderstelling dat het Belgische regime wellicht aspecten kent die gunstiger resultaten laten zien dan het Nederlandse. Duidelijk wordt dat er, ondanks de geografische nabijheid, grote verschillen zijn tussen het Belgische gevangenisregime en het Nederlandse, bijvoorbeeld met betrekking tot de omgang tussen gedetineerden en personeel, de voorbereiding van de invrijheidstelling, de voeding en de medische verzorging. Kristel Beyens, Miranda Boone, m.m.v. Ton Liefaard, Mieke Kox, An-Sofie Vanhouche en Sari van der Poel Willem Pompe Instituut (deel 72) Boom Lemma 2013, 223 p., 45 ISBN Family Reunification: a barrier or facilitator of integration? A comparative study This report presents the outcome of a comparative study on the family reunification policies in six European Member States (Austria, Germany, Ireland, the Netherlands, Portugal and the United Kingdom) and their impact on the family life of the residents of these Member States. In the context of this project, six national research teams conducted research on the national legislation and policies regarding family reunification and studied the effects thereof on the ability of third country nationals to live with their family members in the Member States and to integrate into the receiving societies. The research teams focused on the question of whether the family reunification rules hinder or facilitate smooth reunification and what impact the rules have on the integration of both the sponsor and the admitted family. The rationale for this project came from the recognition of a growing trend of national governments amending policies and legislation on this area without thorough debate or research into the potential result of such changes. Tineke Strik, Betty Hart en Ellen Nissen Wolf Legal Publishers 2013, 125 p., 15,95 ISBN De zorgverzekering Op vrijdag 15 maart 2013 vond het multidisciplinaire symposium De Zorgverzekering plaats. Het symposium werd georganiseerd door het UvA Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS). In deze bundel staan in de volgorde van het symposiumprogramma zes van de acht aldaar door de sprekers gehouden voordrachten. Alle auteurs zijn aan ACIS verbonden. In de bijdragen is beoogd wetenschappelijke diepgang te combineren met praktische toepasbaarheid. Naast het weergeven van de state of the art heeft men voor zover mogelijk bruikbare oplossingen willen geven voor problemen waar pasklare antwoorden niet (direct) voorhanden zijn en zijn tevens voor zover toepasselijk kritiekpunten bij bestaande uitgangspunten en oplossingen geplaatst. prof. mr. drs. M.L. Hendrikse en prof. dr. J.G.J. Rinkes (red.) ACIS-serie, deel: 11 Uitgeverij Paris 2013, 136p., 25,50 ISBN Relativering van rechtspersoonlijkheid Dit deel van de Serie vanwege het Van der Heijden Instituut bevat de voordrachten en het verslag van de discussie van het congres over Relativering van rechtspersoonlijkheid dat op 11 en 12 november 2011 in Nijmegen plaatsvond. Een panel van deskundigen uit wetenschap en praktijk heeft in het kader van het congres vanuit verschillende invalshoeken aandacht besteed aan de relativering van rechtspersoonlijkheid. Het moderne denken over rechtspersoonlijkheid stamt uit de negentiende eeuw. De toen ontwikkelde theorieën klinken door in de hedendaagse discussies. Aanvankelijk ging de aandacht uit naar de dogmatische duiding van het verschijnsel rechtspersoon zelf. Tegenwoordig ligt de nadruk op de regels die gelden voor de betrokkenen bij de rechtspersoon, waarbij onvermijdelijk inbreuk wordt gemaakt op aard en wezen van het rechtssubject. In de geest van deze tijd wint pragmatisme het daarbij dikwijls van dogmatiek. De rechtspersoonlijkheid wordt als het ware gerelativeerd. prof. mr. G. van Solinge, prof. mr. C.D.J. Bulten, prof. mr. M.J. Kroeze, mr. D.A.H.W.M. Strik, prof. mr. S.C.J.J. Kortmann, prof. mr. M. van Olffen, prof. mr. H.J. de Kluiver, mr. D.F. Lunsingh Scheurleer en mr. J.H. Lemstra Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 114 Kluwer 2013, 160 p., 41,50 ISBN NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

46 Tijdschriften 832 Burgerlijk (proces) recht Bedrijfsjuridische berichten Nr. 6, 21 maart 2013 Mr. M. Ouchene, Bb 2013/13 Geen toepassing van billijkheidscorrectie bij proportionele aansprakelijkheid De regel van proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt, en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein of zeer groot is (HR 31 maart 2006, NJ 2011/250 (Nefalit/Karamus); HR 24 december 2010, NJ 2011/251 (Fortis/ Bourgonje)). Bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid kan de rechter een aansprakelijk gestelde persoon veroordelen tot vergoeding van de schade in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. Vanwege het bezwaar dat iemand aldus aansprakelijk kan worden gehouden voor een schade die hij mogelijkerwijs niet heeft veroorzaakt, dient proportionele aansprakelijkheid terughoudend te worden toegepast. In het arrest HR 14 december 2012, LJN BX8349 beantwoordt de Hoge Raad de vraag in hoeverre een billijkheidscorrectie kan plaatsvinden in het kader van proportionele aansprakelijkheid. Verweerder 1 en Verweerster 2 doen een beroep op de billijkheidscorrectie, om de veroorzakingskans (50%) die door de rechtbank in het kader van de proportionele aansprakelijkheid is vastgesteld te verhogen, zodat Nationale-Nederlanden als WAM-verzekeraar voor meer dan 50% aansprakelijk is voor de schade van Verweerder 1. De Hoge Raad oordeelt dat een verhoging van het veroorzakingspercentage - op grond van een billijkheidscorrectie - verdergaat dan de regel van proportionele aansprakelijkheid rechtvaardigt. Alleen in het kader van eigen schuld is een billijkheidscorrectie mogelijk (art. 6:101 lid 1 BW). Rechtskundig Weekblad 76e jrg. nr. 30, 23 maart 2013 R. Barbaix, A.-L. Verbeke Hervorming van het erfrecht. Een eerste commentaar bij de wet van 10 december 2012 inzake de onwaardigheid, de plaatsvervulling, de huwelijksvoordelen en de giften (België) Bij de wet van 10 december 2012 werden de regels van de erfrechtelijke onwaardigheid grondig gewijzigd. Ook werden de sancties van het erfrechtelijk onwaardig gedrag aangepast: erfrechtelijke onwaardigheid zorgt voortaan uitsluitend voor een persoonlijke sanctie voor de onwaardige erfgerechtigde en dat voor alle toekomstige erfrechtelijke verkrijgingen van de goederen uit de nalatenschap van het slachtoffer. In andere domeinen van het familiaal vermogensrecht werden sancties gekoppeld aan erfonwaardig gedrag (alimentatierecht, huwelijksvermogensrecht). De wijziging van de regels van de erfrechtelijke onwaardigheid maakte een aanpassing nodig van de regels van de plaatsvervulling. Ook werd gesleuteld aan een aantal regels inzake het huwelijksvermogensrecht en de giften. Tijdschrift voor Huurrecht Nr. 3, maart 2013 Mr. F. van Westrhenen, WR 2013/25 Hoge stookkosten als gebrek Energieprestaties van gehuurde objecten kunnen zich getuige de aandacht voor zogeheten green-leaseovereenkomsten en het, inmiddels overigens verworpen, Wetsvoorstel Kenbaarheid Energieprestaties Gebouwen in toegenomen belangstelling verheugen van zowel marktpartijen als de wetgever. In de rechtspraak komt de vraag aan de orde of tegenvallende energieprestaties in de vorm van hoge stookkosten een gebrek in de zin van art. 7:204 BW opleveren en, zo ja, welke consequenties daaraan kunnen worden verbonden. Schr. gaat in op een aantal uitspraken waarin huurders werden geconfronteerd met verouderde verwarmingsinstallaties. Daaruit blijkt dat in de rechtspraak verschillend wordt gedacht over de vraag of het onderhoud dat een huurder mag verwachten er slechts toe strekt dat het gehuurde in stand wordt gehouden of dat het onderhoud er ook toe strekt om delen van het gehuurde te vervangen door moderne voorzieningen. WPNR 144e jrg. nr. 6967, 23 maart 2013 Prof. mr. E.H. Hondius Privaatrecht Actueel. Terug naar Banesto: de afwijzing van geltungserhaltende Reduktion In het Banesto-arrest van 14 juni 2012 wijst het Europese Hof van Justitie terecht de geltungserhaltende Reduktion af. Volgens schr. zou de Hoge Raad er goed aan doen het Europese consumentenrecht op macro-niveau toe te passen. Mr. D.M. de Knijff, mr. T. Riyazi Opeisbaarheid als ondergrens voor verjaring. In zijn arrest van 6 april 2012 heeft de Hoge Raad overwogen dat art. 3:310 lid 1 BW veronderstelt dat de rechtsvordering opeisbaar moet zijn, wil de verjaringstermijn een aanvang nemen. In hoeverre wordt hiermee tegemoet gekomen aan de behoefte aan voorspelbaarheid en rechtszekerheid als het gaat om de vraag wanneer de schuldeiser in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen? Mr. J.C. van Straaten Woningen en aanhorigheden: 2% overdrachtsbelasting Per 1 januari 2013 is het overdrachtsbelastingtarief structureel verlaagd van 6% naar 2%, maar alleen als een woning of een aanhorigheid daarvan wordt verkregen. In deze bijdrage wordt de betekenis van deze twee begrippen aan een nadere beschouwing onderworpen. WPNR 144e jrg. nr. 6968, 30 maart 2013 Prof. mr. drs. M. Heemskerk Op zoek naar de grenzen van de solidariteit in het aanvullend pensioen In deze bijdrage analyseert schr. de juridische grenzen van de ooit zo vanzelfsprekende solidariteit bij pensioen. Het elastiek van die solidariteit staat strak gespannen. Mr. J.B. Vegter Beschouwingen over de gebondenheid van de belastingdienst aan het standpunt dat partijen als juist aanvaarden bij de toepassing van de Successiewet NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

47 Tijdschriften Besproken wordt in hoeverre de belastingdienst is gebonden aan een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Mr. J.D.H. van Ewijk, mr. F.A.M. Schoenmaker Nog enkele onduidelijkheden over de defiscalisering van het erfrecht in de Wet IB 2011 Op 1 januari 2012 is de defiscalisering in de inkomstenbelasting uitgebreid. Er bestaan evenwel nog enkele onduidelijkheden waarmee de boedelpraktijk heeft te maken. In deze bijdrage zetten schrs. enkele vragen onder elkaar waarover hopelijk op korte termijn meer duidelijkheid ontstaat. 833 Fiscaal recht Caribisch Juristenblad Nr. 1, 2013 Mr. S.G. Kenswil Proceskostenvergoeding bij belastingzaken uitsluitend bij ernstige onzorgvuldigheid Volgens art. 32a van de Algemene landsverordening Landsbelasting kan aan de belastingplichtige een kostenvergoeding worden toegekend, indien de voor bezwaar vatbare beschikking waartegen hij opkomt door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen door de Belastingdienst. De Curaçaose praktijk biedt vooralsnog weinig aanknopingspunten voor de invulling van het begrip ernstige onzorgvuldigheid. Schr. is van mening dat aansluiting kan worden gezocht bij de Nederlandse rechtspraak omtrent de invulling van de zware maatstaf bijzondere omstandigheden van art. 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Volgens de Nederlandse wetsgeschiedenis kan pas sprake zijn van bijzondere omstandigheden in geval van zeer schrijnende gevallen. Het is gebleken dat de rechtspraak voor de Curaçaose forfaitaire proceskostenvergoeding de zware maatstaf aanhoudt van de Nederlandse bovenforfaitaire proceskostenvergoeding. Het aanvankelijke wetsvoorstel in Nederland dat gelijk was aan de thans geldende regeling op Curaçao, is per amendement door de Tweede Kamer aangepast naar een veel lichtere maatstaf voor toekenning van een proceskostenvergoeding. Zou het kunnen dat deze aanpassing aan de aandacht van de Curaçaose wetgever is ontsnapt? Weekblad Fiscaal recht 142e jrg. nr. 6994, 28 maart 2013 Mr. I.M. de groot, mr. P.J. te Boekhorst, WFR 2013/388 Gevolgen FII-2 voor de Nederlandse deelnemingsverrekening In deze bijdrage gaan schrs. in op de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie EU in de zaak-test Claimants in the FII Group Litigation van 13 november 2012 voor de Nederlandse deelnemingsverrekening. Deze uitspraak is een vervolg op de uitspraak in de eerste FII-zaak uit december Schrs. geven eerst een beschrijving van het dictum van het Hof van Justitie EU voor zover van belang voor de Nederlandse deelnemingsverrekening. Vervolgens gaan zij - na een beknopte beschrijving van de werking van de Nederlandse deelnemingsverrekening - in op de Europeesrechtelijke houdbaarheid van dit regime. Mr. J.D. Baron, WFR 2013/398 Zet Europa art. 67q AWR buitenspel? Overeenkomstig het strafrecht geldt in het fiscale boeterecht het nebis-in-idembeginsel. Echter, door de invoering van art. 67q Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een inbreuk op dit beginsel gemaakt. Een onbeantwoorde rechtsvraag hierbij is of deze inbreuk in strijd is met een ieder verbindende verdragsbepaling. In deze bijdrage tracht schr. een antwoord te geven op deze vraag. 834 Handels- & economisch recht Advocatenblad 93e jrg. nr. 3, april 2013 M. Valk Bestuurders vangen meer wind Door de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Wet Flex-bv) die op 1 oktober 2012 in werking trad en de op 1 januari 2013 in werking getreden Wet bestuur en toezicht zijn de aansprakelijkheidsrisico s van bestuurders toegenomen. Schr. bespreekt voor beide wetten deze risico s. Onder de Wet bestuur en toezicht wordt onder meer de wijziging van artikel 2:9 BW besproken. Voor wat betreft de Wet Flex-bv wordt onder meer artikel 2:216 BW (uitkering van dividend) behandeld en het laten vervallen van de stortingsplicht. Met deze wetten is het vennootschapsrecht volgens schr. ingrijpend veranderd, maar hoe deze veranderingen in de praktijk uitpakken moet worden afgewacht. Bedrijfsjuridische berichten Nr. 6, 21 maart 2013 Mr. F. Eikelboom, Bb 2013/14 Gedwongen financiering van een enquête door een van tekortschieten beschuldigde bestuurder? Het kan! Deze noot betreft de beschikking van de ondernemingskamer van 27 december 2012 inzake Van Lier-Van der Lans B.V. (VLVDL). Deze beschikking is interessant vanwege de innovatieve wijze waarop onmiddellijke voorzieningen worden ingezet. Schr. bespreekt een samenvatting van de desbetreffende beschikking, eerst in het algemeen hoe de continuïteit van een enquête in gevaar kan komen en hoe daarmee is omgegaan in eerdere gevallen. Daarna volgt een uiteenzetting van welke onmiddellijke voorzieningen de ondernemingskamer (niet) kan treffen en gaat schr. aan de hand daarvan in op de vraag of de VLVDLbeschikking binnen deze grenzen blijft. In aanvulling daarop volgen enige opmerkingen over de passendheid van deze voorzieningen. Schr. sluit af met enige korte opmerkingen over het opleggen van een dwangsom in het kader van de enquêteprocedure. Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2013/15 Toelatingscriterium en bewijslast in schuldsanering Het ligt op de weg van de verzoeker om aannemelijk te maken dat hij of zij te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 Faillissementswet (Fw) ten aanzien van het ontstaan en/ of onbetaald laten van de schulden. Het schuldsaneringsverzoek kan desondanks worden toegewezen, indien door de schuldenaar voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij of zij de omstandigheden onder controle heeft gekregen die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

48 Tijdschriften van de schuldenlast. Ook aan dit aanvullende beheersbaarheidscriterium van de persoonlijke problematiek uit art. 288 lid 3 Fw werd in de zaak HR 14 december 2012, LJN BY614, NJ 2013/26 niet voldaan. De Hoge Raad toetst bij de invulling van art. 288 lid 3 Fw mede aan de rechterlijke beleidsregel van par Landelijk uniforme beoordelingscriteria schuldsaneringsregeling - een bijlage bij het Recofa- Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Het Verzekerings-Archief 89e jrg. 4e kwartaal, 2012 E.J.F. Veldpaus RA Kostentransplantatie bij pensioenfondsen: de huidige status In april 2011 ontstond veel ophef naar aanleiding van het door de Autoriteit Financiële Markten uitgegeven rapport inzake Kosten pensioenfondsen verdienen meer aandacht. Met name de bevinding dat veel pensioenfondsen niet alle kosten rapporteren kreeg veel aandacht. Als reactie daarop heeft de Pensioenfederatie het rapport Aanbevelingen uitvoeringskosten gepubliceerd. De focus is gericht op de aspecten die de hoogte van de kosten beïnvloeden en welke kosten aangemerkt dienen te worden als uitvoeringskosten. Specifieke aandacht is besteed aan de kosten van complexe beleggingscategorieën, prestatievergoedingen en de bijzonderheden bij het rapporten van de transactiekosten. Benadrukt wordt de rol van en verantwoordelijkheden van de bestuursleden van pensioenfondsen. Een eerste grote stap richting meer kosteninformatie over pensioenen is met deze publicatie gezet, getuige de ruime navolging van de ontwikkelde kostendefinities in de jaarverslagen van pensioenfondsen over Mr. dr. W.C.T. Weterings Verzekeringscaptives: een potentieel efficiënte manier van financiering en beheersing van risico s voor ondernemingen Er bestaat veel onduidelijkheid over de precieze betekenis van een verzekeringscaptive, de voor- en nadelen en de effecten voor risicobeheersing en risicofinanciering. Deze bijdrage beoogt daar meer duidelijkheid in te brengen en te laten zien dat onder bepaalde omstandigheden een verzekeringscaptive belangrijke efficiëntieeffecten kan hebben en onder meer een positief effect heeft op het moreel risico en de adverse selectie. K. Maynard Msc. ERM Een onderzoek naar de doelmatigheid voor de gebruiker van het benoemen van nietfinanciële risico s in jaarverslagen van AEX-beursfondsen Dit artikel betreft een onderzoek naar corporate governance ten aanzien van risicomanagement in ondernemingen en de verslaglegging daarvan. Centraal staat de vraag in hoeverre niet-financiële risico-informatie in jaarverslagen van ondernemingen voldoet aan de eis doelmatig te zijn voor de gebruiker. Daartoe zijn de wet- en regelgeving en de literatuur bestudeerd, en zijn vijf jaarverslagen van AEX-beursfondsen geanalyseerd met behulp van vier criteria: relevantie, vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en begrijpelijkheid. Gebleken is dat de doelmatigheid van de niet-financiële risico-informatie in de verslaglegging kan worden verbeterd. Daarvoor worden enige aanbevelingen gedaan. Ondernemingsrecht Nr. 4, 27 maart 2013 Mr. P.P.D. Mathey-Bal, Ondernemingsrecht 2013/26 De vennootschap onder firma en bescherming van eigendom door art. 1 Eerste Protocol EVRM De Nederlandse vennootschap onder firma kan als slachtoffer in de zin van art. 34 EVRM opkomen bij het EHRM tegen schendingen van haar eigendomsrechten ex art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, als zij direct en daadwerkelijk is geraakt door een schending van haar verdragsrechten. Dat de vennootschap onder firma geen rechtspersoonlijkheid heeft en daarom de iure geen rechthebbende is van de vennootschappelijke goederen, is voor het EHRM niet relevant. Doorslaggevend is het feit dat de vennootschap onder firma de goederen de facto beheerst. Prof. mr. H. M. Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2013/27 Toezichthouder bij een pensioenfonds: gedoemd te falen? In dit artikel wordt aanbevolen een onderdeel van het Wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen, namelijk de versterking van de deskundigheid van het intern toezicht bij pensioenfondsen, aan te passen. Vrijwel alle pensioenfondsen hebben de rechtsvorm van een stichting, hetgeen betekent dat het wettelijk uitgangspunt is dat het pensioenfonds één orgaan kent: het bestuur. Benoeming van de leden van een raad van toezicht (RvT) vindt plaats door het bestuur van het pensioenfonds. Dit betekent dat het bestuur in staat is de kracht en deskundigheid van het op haar gehouden toezicht te organiseren. Dit lijkt in strijd met het doel van het wetsvoorstel om het intern toezicht te versterken. Het wetsvoorstel hecht namelijk groot belang aan de eis van onafhankelijkheid. Nu echter de RvT in zijn ontstaan en functioneren volledig afhankelijk is van het bestuur, is dit in de praktijk een onmogelijke eis. Mr. M. Scheele, Ondernemingsrecht 2013/28 AIFMD - Toezicht op alle beheerders van beleggingsinstellingen vanaf juli 2013 Als gevolg van de invoering van de Europese Alternative Investment Fund Managers Directive (AIFMD) komen vrijwel alle beheerders van beleggingsinstellingen onder toezicht te staan. Er komt een einde aan het huidige Nederlandse private placement regime voor aanbieding van beleggingsinstellingen. In dit artikel bespreekt schr. de nieuwe regels die gaan gelden voor de beheerder en wordt ingegaan op de verplichte externe bewaarder die bewaar- en controlefuncties moet gaan verrichten. Schr. wijst erop dat er nog veel onduidelijkheden zijn in de ingrijpende wijzigingen voor de (Nederlandse) beleggingsindustrie. Tijdschrift voor Financieel Recht 15e jrg. nr. 3, maart 2013 Mr. E.P. Bish, mr. V.H. Dijs De eerste schreden op weg naar een bankenunie: enkele praktische gevolgen van de invoering van het Single Supervisory Mechanism Op 12 september 2012 heeft de Europese Commissie haar voorstellen voor een bankenunie gepresenteerd. Deze bankenunie moet uiteindelijk vier bouwstenen omvatten: een enkele Europese toezichthouder, een single rule book, een Europees depositogarantiestelsel (DGS) en een Euro NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

49 Tijdschriften pees raamwerk voor herstel en afwikkeling van banken die in moeilijkheden verkeren. Nu de contouren van het nieuwe raamwerk, waarbij de Europese Centrale Bank voor de deelnemende lidstaten de primaire toezichthouder wordt, voor een deel van het prudentiële toezicht, het zogenaamde Single Supervisory Mechanism (SSM), steeds concreter worden, schetsen schrs. in dit artikel enkele praktische implicaties van dit SSM. Mr. S.A. Gawronski, Mr. A.J.P. Tillema De Bankierseed: panacee of symboolpolitiek? Dit artikel schetst een overzicht van het pad dat de Bankierseed heeft afgelegd en gaat in op de vraag of de invoering van de Bankierseed een goed idee is (geweest). Nu wetgeving moet voldoen aan bepaalde wetgevingseisen bespreken schrs. de (voorgestelde) Bankierseed aan de hand van een aantal beginselen van behoorlijke wetgeving. Zij gaan specifiek in op één aspect van het beginsel van de handhaafbaarheid van de (voorgestelde) Bankiers-eed; de vooren nadelen van de (potentiële) sancties/gevolgen van het niet afleggen of niet naleven van de Bankierseed. Mr. dr. M.F.M. van den Berg, mr. A.C.M. van de Molen, mr. C.W.M. Vergouwen Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! Om het vertrouwen in de financiële sector terug te winnen, is een cultuurverandering noodzakelijk. In dit artikel gaan schrs. in op de belangrijke vervolgvraag How we do it?, met andere woorden: hoe kan binnen de financiële sector daadwerkelijk een cultuurverandering worden bereikt, waarin het klantbelang centraal staat. Hiertoe wordt aandacht besteed aan de wettelijk verplichte eed of belofte en eigen initiatieven binnen de financiële sector, zoals het in kaart brengen van de walk ten opzichte van de talk. Daarnaast wordt een uitstapje naar de journalistiek gemaakt waar al sinds langere tijd met een systeem van zelfregulering wordt gewerkt teneinde toezicht te houden op fundamentele gedragsaspecten van een beroepsgroep. Mr. drs. S. Derksen, prof. mr. R.D. Vriesendorp Rechten van wederpartijen na een gebeurtenis in de zin van de Interventiewet In deze bijdrage behandelen schrs. een bepaald aspect van de Interventiewet, namelijk haar gevolgen voor contractuele wederpartijen van een in de problemen geraakte financiële onderneming. Het vroegtijdig beëindigen van de contractuele relatie en het afwikkelen van de daaruit voortvloeiende onderlinge verplichtingen kan de financiële onderneming verder in de problemen brengen en een faillissement nog dichterbij laten komen. Doel van dit artikel is om een aantal knelpunten en onduidelijkheden te signaleren en vervolgens te proberen daarin verheldering aan te brengen. Mr. I.P.M.J. Janssen Rondom het nieuws. Symposiumverslag: De toekomst van het financieel recht Op vrijdag 8 februari 2013 vond het derde jaarlijkse symposium De toekomst van het financieel recht van het Instituut voor Financieel Recht (IFR) van de Radboud Universiteit Nijmegen plaats te Amsterdam. Tijdens het symposium zijn de belangrijkste ontwikkelingen in de financiële sector zowel vanuit juridisch als economisch perspectief belicht door sprekers uit de theorie en praktijk. Daarbij was de blik zoveel mogelijk gericht op de toekomst. Deze bijdrage bevat een kort verslag van hetgeen door de sprekers ten gehore is gebracht. Tevens worden enkele punten uit de discussie belicht. Vennootschap & Onderneming 23e jrg. nr3, 2013 Mr. L.H. van de Kar Arbeidsrechtelijke aspecten in geval van faillissement: een update In deze bijdrage wordt een update gegeven over de laatste stand van zaken ten aanzien van verschillende arbeidsrechtelijke aspecten in geval van faillissement. Het Van Tuinen-arrest heeft ertoe geleid dat een doorstarter minder snel als opvolger van de failliete werkgever wordt beschouwd, waardoor overgenomen werknemers lastiger rechten kunnen ontlenen aan de ketenregeling. Voor een doorstarter is dit volgens schr. een positieve ontwikkeling, aangezien hij bij de selectie van over te nemen werknemers vrijer wordt gelaten in zijn keuze. Mr. C.P. van Liempdt-Maris Oneffenheden in de belet- of ontstentenisregeling bij de BV en de NV In de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Wet flex-bv) is de formulering van artikel 2:244 lid 4 BW enigszins gewijzigd en is een zin toegevoegd. De statuten moeten voorschriften bevatten omtrent de wijze waarop in het bestuur van de vennootschap voorlopig wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuurders. De statuten kunnen nader bepalen wanneer er sprake is van belet. Omdat dit niet is geregeld voor de NV, is het volgens schr. goed verdedigbaar om ook in de statuten van de NV het begrip belet nader te definiëren. Met de invoering van de Wet flex-bv is het opnemen van een regeling voor belet of ontstentenis van (alle) commissarissen ook verplicht voor het geval de BV een raad van commissarissen kent (art. 2:252 lid 4 BW). Voor de NV is dit echter niet geregeld in de Wet bestuur en toezicht. Volgens schr. zou de wetgever er goed aan doen dit, eventueel met gebruikmaking van reparatiewetgeving, alsnog in de wet vast te leggen. Mr. H. Hendriks De eerste interventie van Nederland In deze bijdrage wordt ingegaan op de inhoud van het besluit dat de minister van Financiën nam ten aanzien van de onteigening van alle effecten en achtergestelde schulden van SNS Reaal en SNS Bank NV om de situatie van SNS Bank te stabiliseren, op grond van de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen. Mr. O.N.S. Hakvoort Het wetsvoorstel consumentenkredietovereenkomsten, goederenkrediet en geldlening; bepalingen van goederenkrediet (2013) Schr. behandelt enkele onderdelen inzake goederenkrediet van het in 2011 gepubliceerde Consultatiedocument wetsvoorstel consumentenkredietovereenkomsten, goederenkrediet en geldlening. Het ontwerpwetsvoorstel beoogt de nieuwe regelingen vast te leggen in Boek 7 BW en heeft ten aanzien van deze regelingen het uitgangspunt dat dwingendrechtelijke bepalingen beperkt dienen te zijn tot rechtsverhoudingen van consu- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

50 Tijdschriften mentenkrediet. Volgens schr. biedt de regelgeving antwoorden op in de literatuur bestaande vragen en sluit het goed aan bij relevante jurisprudentie. Mr. N. Post FATCA en haar mogelijke implicaties voor fusie- en overnametransacties In deze bijdrage bespreekt schr. de hoofdlijnen van de controversiële Amerikaanse Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) en haar (mogelijke) implicaties voor fusie- en overnametransacties in de Nederlandse en internationale rechtspraktijk. FATCA schakelt feitelijk buitenlandse (niet-amerikaanse) partijen in voor het verstrekken van informatie over buitenlands inkomen van Amerikaanse belastingplichtigen om de inning van Amerikaanse belastinggelden door de Internal Revenue Service (IRS) te vergemakkelijken. Niet alleen Amerikaanse staatsburgers voelen de druk van belastingheffing onder FATCA, ook buitenlandse financiële instellingen en buitenlandse entiteiten kunnen door FATCA worden geraakt wanneer zij zich niet houden aan hun FATCA-verplichtingen. De vraag is welke verplichtingen FATCA met zich meebrengt voor buitenlandse financiële instellingen en hoe deze financiële instellingen hieraan kunnen voldoen (compliance). 835 Intellectuele eigendom, mediarecht & informatierecht Computerrecht Nr. 2, 2013 W.F.R. Rinzema, mr. F.B. Melis, Computerrecht 2013/43 Wat betekent het kooprecht voor zakelijke softwarelicenties? Het zogenaamde Beeldbrigadearrest heeft duidelijk gemaakt dat de bepalingen van het wettelijk kooprecht van toepassing zijn op licentiecontracten voor standaard software. Het moet dan gaan om betaalde, voor onbepaalde tijd verstrekte softwarelicenties. Het arrest is van groot belang voor de praktijk. Bij standaard software gaat het namelijk niet alleen om eenvoudige of goedkope software. Er zijn ook standaard softwarepakketten die belangrijke bedrijfsfuncties reguleren. Soms is standaard software vooraf ingericht voor toepassing in complexe en bedrijfskritische sectoren, zoals de gezondheidszorg. Het kan hierbij ook om uitermate kostbare software gaan. De zakelijke praktijk laat zien dat softwareleveranciers vrijwel altijd standaard contractvoorwaarden hanteren die op Angelsaksische leest zijn geschoeid. In dit artikel onderzoeken schrs. de impact van het Beeldbrigade-arrest op zakelijke contracten voor standaard software. L. Siemerink, Computerrecht 2013/44 Citeren uit s in een openbaar onderzoeksrapport Deze bijdrage gaat over de afweging tussen het belang van de openbaarheid van informatie in een onderzoeksrapport van een bestuursorgaan en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bij het onderzoek betrokken personen, in het bijzonder het gebruik van s van deze personen. Die afweging moet worden gemaakt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Ook als er een belang is om informatie openbaar te maken, kan er tegelijkertijd een belang zijn om die informatie niet of gedeeltelijk te openbaren. Schr. gaat aan de hand van een concreet voorbeeld na welke belangen moeten worden afgewogen. T. Havinga, N.C. Neelis, Computerrecht 2013/45 Een broncode? Nog nooit van gehoord. Is gespecialiseerde rechtspraak op het gebied van informaticarecht gewenst? In dit artikel gaan schrs. in op de vraag of een rechter gespecialiseerde kennis moet hebben om adequaat te kunnen oordelen over ITgeschillen. Is algemene juridische kennis met betrekking tot bijvoorbeeld overeenkomsten en intellectuele eigendom voldoende? In discussies over de organisatie van de rechtspraak is de wenselijke mate van specialisatie en concentratie een terugkerend thema dat ook nu actueel is. In het kader van de herziening van de rechterlijke organisatie is tevens de vraag aan de orde waar specialisatie wenselijk is en waar concentratie nodig is. Schrs. presenteren de resultaten van hun onderzoek naar de vraag in hoeverre specialistische rechtspraak op specifieke rechtsterreinen wordt gemist. IER 29e jrg. nr. 1, maart 2013 P.G.F.A. Geerts, IER 2013/1 Het verwarringwekkend slaafs nabootsen van andermans product in het licht van art. 6:193a-j BW en art. 6:162 BW In de noot onder Hof van Justitie EU 14 januari 2010, IER 2010/42 (Wettbewerbscentrale/Plus) wees schr. op de ruime werkingssfeer van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (OHP) en in haar kielzog art. 6:193a-j BW. Het verwarringwekkend slaafs nabootsen van andermans product valt volgens schr. onder de werkingssfeer van de OHPregels en de producent, wiens product slaafs wordt nagebootst, kan de nabootser op grond van die regels rechtstreeks aanspreken. In deze bijdrage wordt die gedachte verder uitgewerkt en wordt nagegaan of er in slaafse nabootsingkwesties, naast de OHP-regels, nog ruimte is voor de op art. 6:162 BW gebaseerde slaafse nabootsingjurisprudentie van de Hoge Raad. Schr. gaat na welke mogelijkheden de producent op basis van Boek 6 BW heeft om zich tegen het verwarringwekkend slaafs nabootsen van zijn product te verzetten. 836 Internationaal privaatrecht FJR 35e jrg. nr. 3, maart 2013 Mr. A.M.E. Giuliano, FJR 2013/26 De Erfrechtverordening: één bevoegde autoriteit en één toepasselijk recht De Erfrechtverordening maakt een einde aan de grote verscheidenheid aan IPR-erfrecht in de Europese Unie. Het uitgangspunt van de Erfrechtverordening is dat één bevoegde autoriteit aan de hand van één toepasselijk recht over de erfopvolging beslist. Hierdoor kan sneller en eenvoudiger een grensoverschrijdende nalatenschap worden afgewikkeld NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

51 Tijdschriften Nederlands Internationaal Privaatrecht 31e jrg. nr. 1, 2013 M.H. ten Wolde, N. Peters De (on)bevoegdheid van het Gerechtshof Amsterdam in WCAMzaken Sinds 2005 kent Nederland de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) en heeft het Gerechtshof Amsterdam op grond van deze wet zes keer zaken afgedaan. In vijf van deze zaken was sprake van benadeelden met een woonplaats buiten Nederland. In de zaken Shell en Converium heeft het Hof zijn bevoegdheid uitgebreid gemotiveerd. Schrs. onderzoeken wanneer het Gerechtshof Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van WCAM-zaken met internationale aspecten. De conclusie is dat het Hof Amsterdam bevoegd is als het gaat om benadeelden die in Nederland wonen of voor wie het EEX-Verdrag en het EVEX niet gelden. In andere gevallen is dat geenszins een gegeven en is het volgens schrs. gewenst dat bij gelegenheid een prejudiciële vraag wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie EU over de toepassing van het EEX-Verdrag en het EVEX. J.H. Even Het toepasselijke recht op arbeidsovereenkomsten. Artikel 6 EVO en 8 Rome I steeds verder ontrafeld Naar aanleiding van enkele uitspraken van het Hof van Justitie EU over het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) brengt schr. de systematiek van artikel 6 lid 2 EVO (en daarmee tevens dat van artikel 4 van de Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)) in kaart. Het ging hier om de uitspraken van het Hof van 15 maart 2011, Koelzsch/Luxemburg, van 15 december 2011, Voogsgeerd/Navimer en het verwijzingsarrest van de Hoge Raad, Schlecker/Boedeker. Schr. bespreekt deze uitspraken en de belangrijkste Europese bronnen die van belang zijn voor het bepalen van het toepasselijk recht op internationale arbeidsovereenkomsten. Met de uitspraken Koelzsch/Luxemburg en Voogsgeerd/Navimer zijn de verwijzingsregels van artikel 6 lid 2 sub a en b EVO verduidelijkt. 837 Internationaal publiekrecht Militair Rechtelijk Tijdschrift 106e jrg. nr. 2, 2013 LOKL Mr. drs. G.L.C. van den Bosch Protection of civilians, praktijkervaringen van een militair jurist Op 30 oktober 2012 publiceerde Vrij Nederland een artikel over de VN-missie in Zuid-Soedan onder de titel De slechtste missie ooit. In antwoord op vragen over dit artikel schreven de bewindslieden van Buitenlandse Zaken en Defensie in een gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer dat: het kabinet de negatieve titel en toonzetting van het artikel in Vrij Nederland niet onderschrijft. In deze bijdrage gaat schr. in op een van de prioriteiten, zo niet de prioriteit van deze VN-missie, namelijk Protection of Civilians (POC), en probeert daarbij de mogelijke beantwoording van de vraag of de Verenigde Naties slaagt in zijn POC-mandaat te nuanceren. LTZA Mr. M.D. Fink, Kol Mr. dr. J.E.D. Voetelink De status van Militaire Vessel Protection Detachments De Nederlandse regering zet militaire beveiligingsteams - zogeheten Vessel Protection Detachments (VPD s) - in om de scheepvaart te beschermen tegen aanvallen van piraterij. De inzet raakt vanuit juridische optiek onder meer de vraag naar de rechtsmacht over militairen die als lid van een VPD aan boord van een koopvaardijschip worden geplaatst. Als uitgangspunt streeft de regering ernaar de strafrechtsmacht over eigen militairen tijdens een dergelijke inzet te kunnen blijven uitoefenen. De grondslag hiervoor kan worden gevonden in het internationaal publiekrecht en internationale overeenkomsten. 838 Jeugd-, relatie- & erfrecht EB Tijdschrift voor scheidingsrecht Nr. 3, maart 2013 Mr. A. Heida, EB 2013/22 Geschillen na het einde van een samenlevingsrelatie In 2010 woonde één op de vijf paren ongehuwd en zonder geregistreerd partnerschap samen. Vaak hebben deze paren wel een samenlevingscontract gesloten, maar het kan ook zijn dat ze geen samenlevingsovereenkomst hebben zonder dat ze daar bewust voor hebben gekozen. Als er na jarenlange samenleving een einde komt aan de relatie, kan dit tot problemen leiden. Er bestaat bijvoorbeeld geen wettelijk recht op alimentatie na verbreking van de samenwoning. Samenwoners kunnen in een samenlevingscontract natuurlijk wel een partneralimentatie overeenkomen. In een samenlevingscontract kunnen partijen wel een (beperkte) gemeenschap van goederen overeenkomen, maar het samenlevingscontract leidt niet tot een wettelijke gemeenschap van goederen. Ook is het mogelijk dat in een samenlevingscontract niet alles is geregeld wat nodig is. En soms blijken de bewoordingen van het samenlevingscontract voor verschillende uitleg vatbaar. Prof. mr. P. Vlaardingerbroek, EB 2013/23 Grootouders, kleinkinderen en omgang: een typisch Nederlands probleem In de rechtspraktijk komt het niet zoveel voor dat grootouders een juridische procedure starten om hun kleinkinderen te mogen zien. In deze bijdrage gaat schr. in op de (vermeende) slechte rechtspositie van grootouders (en eventueel ook overgrootouders) als het neerkomt op hun recht op omgang met hun kleinkinderen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen grootouders die geen contact (meer) hebben met hun kinderen en daardoor hun kleinkinderen ook niet (meer) zien, en grootouders die na de scheiding van hun kind(eren) van elk contact met hun kleinkinderen ongewild verstoken blijven. Daarbij wordt ook ingegaan op de jurisprudentie en bezien of de positie van grootouders niet versterkt zou moeten worden. Mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, EB 2013/24 Cijfers voor draagkrachtberekeningen 2013 In dit overzicht worden de nieuwe NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

52 Tijdschriften cijfers, percentages en tarieven weergegeven, die nodig zijn voor draagkrachtberekeningen, zoals die met ingang van 1 januari 2013 gelden. FJR 35e jrg. nr. 3, maart 2013 Mr. B.J. de Groot, FJR 2013/27 De rol van de onafhankelijke gedragswetenschapper in het civiele jeugdrecht Met de invoering van de huidige regeling voor de gesloten jeugdzorg werd een aantal nieuwe rechtswaarborgen geïntroduceerd. Eén daarvan is de instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper dat gesloten jeugdzorg noodzakelijk is in de ontwikkeling van een jeugdige. In dit artikel wordt ingegaan op de rol van de gedragsdeskundige in de psychiatrie en het strafrecht, waarna wordt stilgestaan bij de instemming van de gedragswetenschapper in de gesloten jeugdzorg. Tot slot wordt de vraag beantwoord of de in 2008 beoogde betere rechtsbescherming van de vrijheidsbeneming is behaald met het huidige systeem van de instemmingsverklaring in de gesloten jeugdzorg. 839 Omgevingsrecht De Gemeentestem 163e jrg. nr. 7384, 26 maart 2013 Dr. J.W. van Zundert, Gst. 2013/21 Legesheffing na verjaring bestemmingsplan Bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan ten minste vijf jaar vóór de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar een nieuw bestemmingsplan of een beheersverordening moet worden vastgesteld. In de Wro is voorgeschreven dat bestemmingsplannen telkens na tien jaar opnieuw worden vastgesteld. Aan deze bepaling is als sanctie verbonden dat de bevoegdheid vervalt tot het invorderen van de leges die zijn geheven voor de diensten die verband houden met het bestemmingsplan. De consequentie van deze regeling is dat uiterlijk op 1 juli 2013 nieuwe bestemmingsplannen moeten zijn vastgesteld voor gebieden waarvoor thans een bestemmingsplan geldt dat tien jaar of langer geleden onherroepelijk is geworden, dus bestemmingsplannen van vóór 1 juli Niet alle gemeenten lukt het om de actualisering van alle bestemmingsplannen vóór 1 juli 2013 vastgesteld te krijgen. Naast de vraag wat de omvang van deze legesderving is, is van belang welke mogelijkheden er zijn om, met name voor projecten, te voorkomen dat de legesheffing komt te vervallen. In dit artikel schetst schr. drie mogelijkheden om het vervallen van legesheffing te voorkomen. Milieu en Recht 40e jrg. nr. 3, 2013 L. Squintani en J. Zijlmans, M en R 2013/35 Nationale koppen en de doorwerking van natuurbeschermingsverdragen In het voorstel voor een nieuwe Wet natuurbescherming worden de nu nog vigerende Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet in één wet samengevoegd. Eén van de kritieken op het voorstel is dat de regering uit de Nb-wet 1998 en Ffw de door haar als nationale koppen aangeduide maatregelen wil schrappen. In deze bijdrage gaan schrs. in op nationale koppen in relatie tot de doorwerking van natuurbeschermingsverdragen. Schrs. constateren dat de regering in een aantal gevallen het begrip nationale kop vanuit de natuurbeschermingsverdragen bekeken onterecht hanteert. Bij het schrappen van nationale koppen wordt geen rekening gehouden met de van de nationale en Europese rechtsorde deel uitmakende natuurbeschermingsverdragen. Zij concluderen dat de regering de door haar gehanteerde definitie van nationale koppen en haar beleid inzake het schrappen van nationale koppen dient aan te passen. Nederlands Tijdschrift voor Energierecht 12e jrg. nr. 1, maart 2013 Mr. R.A. Giljam Schone lucht of schone schijn? Europese regulering van de emissies van NOx en fijn stof naar lucht door moderne kolencentrales Momenteel worden in Nederland drie kolencentrales gebouwd. Schr. onderzoekt de eisen aan de milieu-kwaliteit van deze centrales voor wat betreft de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden. Het Europeesrechtelijke kader waardoor de luchtkwaliteit rondom kolencentrales wordt gereguleerd, wordt gevormd door vijf documenten: de IPPC Richtlijn, de LCP Richtlijn en BREF LCP, de luchtkwaliteitsrichtlijn en de NEC Richtlijn. Voor wat betreft de regelgeving in Nederland bespreekt schr. de implementatie van Europese regelgeving, waarbij onder meer aandacht is voor de NOx-emissiehandel en de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht. Naar aanleiding van de besproken wetgeving wordt nader ingegaan op de verschillen tussen Europese eisen en vergunningen en een aantal in de regelgeving gesignaleerde knelpunten. Uit een analyse van het milieubeschermingsniveau van Nederlandse vergunningen blijkt dat op papier de milieubeschermingseisen goed zijn, maar dat in de praktijk de bescherming lager is dan wat op grond van regelgeving haalbaar is. StAB Nr. 1, 2013 R. Veenhof Normaal maatschappelijk risico bij planschade: weerzien van een oude bekende? In art. 6.2 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. In dit artikel wordt ingegaan op het begrip normaal maatschappelijk risico en hoe dit begrip op dit moment in de jurisprudentie wordt ingevuld. Gelet op het feit dat het criterium reeds eerder in het planschaderecht een rol heeft gespeeld, wordt de oude (Kroon)jurisprudentie omtrent art. 49 Wro besproken. Deze jurisprudentie biedt mogelijkerwijs handvatten voor de wijze waarop in de rechtspraktijk invulling aan het begrip kan worden gegeven. Tijdschrift voor Omgevingsrecht Nr. 1, maart 2013 Mr. dr. H.J. de Vries 1076 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

53 Tijdschriften Waarom aanwijzingen van Rijk en provincies op grond van de Wro tot het interbestuurlijk toezicht horen en waarom de reactieve aanwijzing kan worden gemist in de nieuwe Omgevingswet Op 1 oktober 2012 is de Wet revitalisering generiek toezicht (Wrgt) in werking getreden. De Wrgt is niet van toepassing op de reactieve en proactieve aanwijzingsbevoegdheid in de Wet ruimtelijk ordening (Wro). Dit is gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat de aanwijzingen geen interbestuurlijk toezicht zouden zijn, zoals door de Wrgt wordt gereguleerd. In deze bijdrage wordt beargumenteerd waarom de aanwijzingsbevoegdheden wel tot het interbestuurlijk toezicht behoren. Betoogd wordt dat de reactieve aanwijzing geen meerwaarde heeft ten opzichte van de instrumenten die de Wrgt biedt. In de aankomende Omgevingswet kan de reactieve aanwijzing van Rijk en provincie dan ook worden gemist. Mr. dr. F.H. Kistenkas De introductie van ecosysteemdiensten in het groene omgevingsrecht Introductie in het groene omgevingsrecht van het voor de juridische professie nog nieuwe concept van ecosysteemdiensten kan meer duurzame functiecombinaties mogelijk maken. Voor duurzame gebiedsontwikkeling is een balans van planetpeople-profit (3P) nodig. Daarvoor heeft men in plaats van de thans in het omgevingsrecht gebruikelijke toetsing juist weging als rechtsvindingsmethodiek nodig. Daarbij zouden ecosysteemdiensten zeer behulpzaam kunnen zijn. In een duurzaamheidsladder zou wellicht al in de nieuwe Omgevingswet kunnen worden vastgelegd dat een plan of project een 3P-balans en intergenerationale meerwaarde zou moeten bewerkstelligen voor productiediensten, immateriële diensten en voor regulerende en ondersteunende diensten. Mr. dr. P. Mendelts Waar vinden we het Waddenzeebeleid? De centrale vraag van deze bijdrage is of, en in hoeverre, we het Waddenzeebeleid nog moeten zien als ruimtelijke-ordeningsbeleid, of dat het Natuurbeschermingswetkader die rol heeft overgenomen of moet gaan overnemen. De planologische kernbeslissing voor de Waddenzee (PKB Waddenzee) is sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) enkel op basis van overgangsrecht van toepassing. Met de definitieve aanwijzing van het gebied als Natura 2000 en het bijbehorende beheerplan in de maak zijn veel functies uit de PKB overgenomen door de nieuwe instrumenten uit het natuurbeschermingsrecht. De Waddenzee wordt ook beschermd op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Door het afnemende belang van de PKB binnen het Waddenzeebeleid en de verspreiding van belangrijke elementen over het Natuurbeschermingswet 1998-kader en het Ruimtelijke Ordening-kader, dreigt versnippering van de bescherming van de Waddenzee. 840 Rechten van de mens Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten 38e jrg. nr. 1, januari-februari 2013 P.W.A. Huisman, J.C. de Wit Hoe ver reikt het recht op onderwijs voor illegalen? Artikel 2 van het Eerste Protocol van het EVRM stelt dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. De Rechtbank s-gravenhage heeft in mei 2012 geoordeeld dat op grond van dit artikel vreemdelingen zonder geldige verblijfstatus niet alleen moeten worden toegelaten tot een opleiding, maar dat zij ook door het lopen van een stage deze opleiding moeten kunnen afronden met een officieel diploma. Deze bijdrage analyseert de reikwijdte van het recht op onderwijs voor illegalen in het EVRM en geeft aan waarom de uitspraak van de Rechtbank s-gravenhage kan worden onderschreven. J. de Lange Het vijfde bezoek van het Europees comité ter voorkoming van foltering, onmenselijke behandeling en vernederende behandeling of bestraffing (CPT) aan Nederland In oktober 2011 bracht de Europese toezichthouder op de kwaliteit van detentie, het Europese Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke behandeling en bestraffing (CPT), een periodiek bezoek aan Nederland. Het CPT inspecteerde enkele politiebureaus, penitentiaireen TBS-inrichtingen en inrichtingen voor vreemdelingendetentie. Het rapport dat naar aanleiding van dit bezoek werd opgesteld, is onlangs openbaar geworden. Het beeld dat in dit rapport wordt gegeven is dat van een relatief gunstig detentieklimaat. Dit betreft zowel de materiële condities van de detentie alsook de aanwezigheid van enkele procedurele waarborgen ter voorkoming van mishandeling tijdens de detentieperiode. Een uitzondering hierop betreft de wijze waarop vreemdelingenbewaring plaatsvindt en de geboden zorg in TBS-inrichtingen. Het CPT doet een aantal concrete voorstellen ter verbetering. De vraag dringt zich dan ook op of de Nederlandse overheid bereid is de aanbevelingen van het CPT ter harte te nemen. 841 Rechtsfilosofie & -theorie Netherlands Journal of Legal Philosophy 42e jrg. nr. 1, 2013 M. de Wilde God hath given the world to men in common. Grenzen aan privéeigendom in geval van nood en verspilling in het middeleeuwse en vroegmoderne natuurrecht In Second Treatise of Government (1690) beschrijft Locke zijn theorie over een natuurlijk recht op eigendom. Schr. onderzoekt welke grenzen Locke stelt aan het recht op eigendom om rechten van armen en behoeftigen te waarborgen. Aan de hand van de opvattingen van de doctrine van Thomas van Aquino en de discussie tussen De Groot en Pufendorf gaat schr. na in welke gevallen het een (afdwingbare) plicht is om behoeftigen te ondersteunen. Schr. sluit af met de positie die John Locke inneemt in deze discussie over eigendom, verspilling en nood. P. van Schilfgaarde Recht als human condition NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

54 Tijdschriften Het recht wordt door justitiabelen anders ervaren dan door juristen. Tussen deze ervaringen van beide groepen bestaat een spanning. Schr. is van mening dat deze spanning niet erg of betreurenswaardig is, maar juist in positieve zin de dragende kracht is van het recht. De oorzaak hiervan wordt beschreven aan de hand van het werk van Hannah Arendt en is gelegen in de tegenstelling tussen homo agens (de handelende mens) en homo faber (de mens die maakt). Schr. betoogt dat de homo faber zich moet richten naar de homo agens; bij die laatste ligt de prioriteit. Deze prioritering leidt tot drie gedachten die door schr. worden uitgewerkt. J. Hage Juridical acts and the gap between Is and Ought Aan de hand van het werk van John Searle bespreekt schr. hoe in het recht wordt omgegaan met het (rechts)filosofische probleem van Is en Ought. John Searle was van mening dat er geen gat zat tussen Is en Ought en dat het mogelijk was om uit premissen die geen Ought bevatten toch een geldige conclusie voor Ought te trekken. Schr. bespreekt deze afleiding van Searle en concludeert dat deze uiteindelijk niet voldoet. Na enkele bezwaren tegen de afleiding van een Ought uit een Is te hebben genoemd, bespreekt schr. de afleiding van een Ought-conclusion uit een premisse over het bestaan van een verplichting. Tot slot geeft schr. aan wat de gevolgen hiervan zijn voor het recht in het algemeen. 842 Rechtspleging & procesrecht Rechtstreeks Nr. 4, 2012 M. Ph. Born Het selecteren van rechters: oude en nieuwe methoden In 2010 oordeelde de Raad voor de Rechtspraak dat hervormingen in de selectie van rechters wenselijk waren. Aan het Instituut voor Psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam werd gevraagd om de selectie te bekijken, op basis van wetenschappelijke literatuur enkele aanbevelingen te doen en om de psychometrische kenmerken van de selectie-instrumenten te onderzoeken. Schr. geeft een overzicht van onderzoek dat op het gebied van functie-eisen en selectie-instrumenten wordt verricht en hoe dit in Nederland voor de selectieprocedure van rechters kan worden uitgewerkt. Uit het onderzoek van de Erasmus Universiteit kwam naar voren dat veel aspecten in de huidige selectie verlopen volgens de wetenschappelijke State of the Art en dat betrouwbare en valide selectie-instrumenten worden ingezet. Programmabureau Herziening Gerechtelijke Kaart De fusie van gerechtshoven (deel 4). Combineren van verandermanagement met organisatieontwikkeling De fusie van de hoven wordt door het programmabureau Herziening Gerechtelijke Kaart (HGK) in een algemeen kader geplaatst, waarbij wordt ingegaan op landelijke uniformering en lokale programma s. Het landelijk programma HGK heeft naast de fusies en reorganisaties binnen de gerechten, ook verdere organisatieontwikkeling van de gerechten afzonderlijk aangepakt. Verder worden de toegevoegde waarde en de waardecreatie (begrippen geïntroduceerd door Allard van Riel, zie deel 1) getoond, die door de invoering van de Wet HGK mogelijk zijn gemaakt voor de rechtspraak. Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging 31e jrg. nr. 1, 2013 S.S. van Kampen LLB, prof. mr. I. Giesen Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, valkuilen voor de Hoge Raad De Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is op 1 juli 2012 in werking getreden. Ten tijde van de introductie van het betreffende wetsvoorstel en de verdere totstandkoming van deze wet hebben schrs. een empirisch onderzoek opgezet en uitgevoerd, waarbij de rol van de feitenrechter bij het hanteren van deze wet centraal staat. Hoofdvraag van dit onderzoek is in hoeverre feitenrechters naar eigen verwachting in staat en bereid zijn prejudiciële vragen te stellen conform de nieuwe wetgeving. Het antwoord op die vraag biedt (enig) inzicht in het te verwachten gebruik (dat wil zeggen het aantal vragen aan de Hoge Raad) van de nieuwe regeling in de komende periode, en met name in de factoren die kunnen bijdragen aan het wel of niet gebruik maken van die regeling door de feitenrechters. Mr. J.H. van Dam-Lely, mr. A.N.L. de Hoogh Collectieve acties in het algemeen en de WCAM in het bijzonder. Verslag van de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2012 Deze bijdrage betreft het verslag van de discussie van de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2012 op 15 juni 2012 te Amsterdam onder voorzitterschap van prof. mr. C.J.M. Klaassen. De vergadering discussieert naar aanleiding van de inleidingen van mr. W.J.J. Los, mr. D.F. Lunsingh Scheurleer en prof. mr. drs. B.P.M. van Ravels en de Twee Belgische beschouwingen van dr. S. Voet over Collectieve acties in het algemeen en de WCAM in het bijzonder. 843 Sociaal Recht Tijdschrift Recht en Arbeid 5e jrg. nr. 4, april 2013 Prof. mr. A.H.L. de Becker, mr. K. Deckers, TRA 2013/33 Normalisering van de ambtelijke status: een rechstvergelijkende kijk op de Nederlandse situatie Het regeerakkoord Bruggen slaan van de Regering Rutte-Samson bepaalt dat de rechtspositie van de ambtenaren in overeenstemming wordt gebracht met die van de werknemers. De huidige regering heeft dus de intentie de rechtspositie van de ambtenaren te normaliseren. Dit artikel bekijkt de normalisering of veeleer gelijkschakeling vanuit rechtsvergelijkende invalshoek. Eerst worden de onderscheiden achtergronden in Zweden, Denemarken en Nederland geschetst. Daarna wordt een aantal pijnpunten in het huidige Nederlandse debat geanalyseerd vanuit een rechtsvergelijkende invalshoek. Dit 1078 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

55 Tijdschriften roept een aantal juridische vragen op die onderbelicht zijn gebleven. Mr. drs. M.Y.H.G. Erkens, TRA 2013/34 Rechtspraak in arbeidszaken na invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart Als gevolg van de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart bestaat de sector kanton sinds 1 januari 2013 niet meer. Tot 1 januari 2002 waren er verspreid over Nederland nog 52 zelfstandige kantongerechten. Op 1 januari 2002 verloren die gerechten hun status van zelfstandig gerecht en werden ze als sector kanton ondergebracht bij de rechtbanken. Elf jaar later is een einde gekomen aan kantonrechtspraak als op zichzelf staand onderdeel van de rechterlijke organisatie. In deze bijdrage wordt antwoord gezocht op de vraag of deze verandering consequenties heeft voor rechtspraak in arbeidszaken. Mr. N Jansen, mr. M. Opdam, TRA 2013/35 Perikelen rond de deskundigenverklaring bij ziekte: lang niet altijd een noodzakelijk middel De rechtspraak houdt in het algemeen voldoende rekening met de achterliggende doelen van de second opinion-procedure ex art. 7:629a BW. Desalniettemin signaleren schrs. drie knelpunten. De verwarring rond het begrip second opinion kan worden opgelost door duidelijker in de wet te verankeren wie het controle- en beoordelingsrecht (first opinion) heeft. Verder pleiten schrs. ervoor dat in kort geding in beginsel geen deskundigenverklaring noodzakelijk is en dat rechters (meer) gebruikmaken van procedurele schorsingsmogelijkheden, wanneer een werknemer abusievelijk heeft verzuimd in de bodemprocedure in eerste aanleg een deskundigenverklaring te overleggen. Prof. mr. G.J. Vonk, TRA 2013/36 Kroniek Socialezekerheidsrecht Deze kroniek bespreekt de ontwikkelingen op het gebied van het socialezekerheidsrecht in Staats- & bestuursrecht Beleid en Maatschappij 40e jrg. nr. 1, 2013 B. van Stokkom, M. Becker, T. Eikenaar Burgers als trustees. Participatie, informele vertegenwoordiging en representativiteit Schrs. gaan nader in op het begrip trusteeship en de opvattingen van Edmund Burke daarover. Zij zetten uiteen hoe informele vertegenwoordigers heden ten dage te werk gaan, vooral als het gaat om het winnen van vertrouwen en het afleggen van verantwoordelijkheid. Schrs. schetsen kort de drie projecten die door hen zijn onderzocht en de gebruikte onderzoeksmethode. Vervolgens presenteren zij enkele relevante bevindingen. Ten slotte passeren de voornaamste conclusies en wordt het perspectief van trusteeship nader bediscussieerd. M. van der Steen, M. Fenger, L. van der Torre, A. van Wijk Legitimiteit van sociaal beleid: maatschappelijke ontwikkelingen en bestuurlijke dilemma s Schrs. verkennen de invulling van legitimiteit als responsiviteit en benoemen de spanningen die daarbij aan de orde zijn. Zij laten zien hoe in drie casus over de ontwikkeling van sociaal beleid in Nederland die spanningen invulling hebben gekregen. Daarvoor kijken zij naar de Wet arbeid vreemdelingen (WAV), de Algemene bijstandswet (Abw) en het beleid rond de sociale werkvoorziening. Op basis hiervan doen schrs. uitspraken over het verband tussen responsiviteit en legitimiteit van sociaal beleid. Het artikel sluit af met een bespreking van de mogelijke implicaties van hun bevindingen voor beleidsmakers en beleidsonderzoekers. J. Eshuis, A. van Buuren Watergovernance: het belang van op tijd samenwerken In dit artikel analyseren schrs. de werking van tijd als factor in het realiseren van samenwerking in watergovernance. Tevens doen zij handreikingen voor wat zij noemen tijdsensitief watergovernance met het oog op het realiseren van samenwerking in watergovernance. Zij onderkennen het bestaan van verschillende, vaak conflicterende, percepties van tijd. Caribisch Juristenblad Nr. 1, 2013 Mr. A. Bakhuis Deugdelijkheid van bestuur als toetsingskader voor de kwaliteit van het openbaar bestuur Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden schrijft in art. 43 lid 1 voor dat elk der landen van het Koninkrijk zorg draagt voor de verwezenlijking van de menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur. Wat wordt verstaan onder het begrip deugdelijkheid van het bestuur en wat betekent het voor de Caribische landen van het Koninkrijk? Hoe verhoudt het begrip deugdelijkheid van het bestuur zich tot begrippen als good governance, goed bestuur en behoorlijk bestuur? In deze bijdrage wordt de betekenis van het begrip deugdelijkheid van het bestuur in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden verkend. De Gemeentestem 163e jrg. nr. 7384, 26 maart 2013 Mr. J.J. Peelen, mr. A. Creutzberg, Gst. 2013/20 De betrokkenheid van omwonenden bij de realisatie van windparken op land; enkele tips om geslaagde beroepen te voorkomen De realisatie van een windpark stuit vaak op protest van omwonenden en belangenverenigingen. Uit de jurisprudentie over besluiten tot verlening van bouwvergunningen en planologische toestemmingen die daar het gevolg van is, blijkt dat een aantal onderwerpen regelmatig terugkeert. Door vroegtijdig rekening te houden met deze hot issues, wordt de kans op de succesvolle realisatie van een project vergroot. In dit artikel geven schrs. een aantal praktische vuistregels hiervoor, op basis van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht Nr. 3, 2013 T.A. Willems-Dijkstra, D.T. van der Leek, NTB 2013/37 Misbruik van (proces)recht in het bestuursrecht. Onevenredige werkbelasting door veelklagers Bestuursorganen en rechters zien hen te vaak: personen die hen belasten met onzinnige vragen, bezwaarschriften en beroepschriften. Met NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

56 Tijdschriften deze onnodige procedures leggen zij beslag op de bestuurlijke en rechterlijke organisatie. Bestaande middelen om veelklagers af te remmen, blijken in de praktijk niet te werken. In deze bijdrage stellen schrs. de problematiek van misbruik van procesrecht breed aan de orde. Zij besteden zowel aandacht aan de bestuurlijke als aan de rechterlijke fase. Bestaande middelen om veelklagers af te remmen, blijken in de praktijk niet te werken. Schrs. willen de discussie hierover voeden en doen voorstellen voor een nieuw efficiënt instrumentarium. Een wettelijke regeling in de Awb zou volgens schrs. moeten worden overwogen. Openbaar Bestuur Nr. 3, 2013 T.J. Dekker Wat is er mis met de Balkenendenorm? Recentelijk werd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector de Balkenende-norm verankerd. De Balkenende-norm bepaalt dat een minister meer moet verdienen dan een ambtenaar. Schr. stelt in dit artikel de vraag waarom dat is en zoekt de argumenten die het rationele van deze norm verduidelijken. F. van Heukelom Vertrouwen in het openbaar bestuur Het vertrouwen in de overheid en overheidsbestuurders lijkt in veel opzichten op het vertrouwen dat burgers hebben in rechters en dokters. Omdat het systeem weinig middelen kent om vertrouwen te creëren, neemt de rol van de bestuurder bij het creëren van vertrouwen toe en dat maakt dat de bestuurder de spil is waaromheen vertrouwen ontstaat of niet. Controlemiddelen en prestatiemeting zijn door hun performatieve werking niet in staat om het vertrouwen te vergroten, zij verkleinen het vertrouwen eerder. J.F.M.G. Bouwens Goed bestuur en hoge salarissen Schr. bespreekt een aantal onderzoeksresultaten van onderzoek naar hoge salarissen. De conclusie is dat niet hoge beloningen het probleem zijn, maar dat raden van toezicht niet op een verifieerbare wijze in staat zijn de inkomens van hun bestuurders te verantwoorden. Waardecreërende bestuursvoorzitters mogen hoge salarissen verdienen, omdat daardoor iedereen erop vooruitgaat. Een maximum opnemen in de wet is volgens schr. geen goed idee; transparantie over beloningen wél, omdat burgers dan kunnen zien hoe beloning en waardecreatie samenhangen. J. Drentje Europese Unie in spiraal van staatsvorming In zijn proefschrift getiteld The significance of borders neemt Thierry Baudet op basis van historische argumenten stelling tegen de uitbouw van Europa als supranationale staat. Schr. bespreekt een aantal uitgangspunten uit dit proefschrift. O&A Nr. 1, maart 2013 B.P.M. van Ravels, O&A 2013/2 De Wet nadeelcompensatie en de bijzondere wettelijke regeling van tegemoetkoming in planschade De Wet nadeelcompensatie belooft veel goeds: een regeling van de belangrijkste materiële en procedurele aspecten van nadeelcompensatie, en een vergaande harmonisatie en uniformering van bestaande regelingen inzake nadeelcompensatie. Maar kan de Awb zonder meer in de plaats treden van bijzondere regelingen over nadeelcompensatie? Die vraag wordt in deze bijdrage bezien voor de regeling van tegemoetkoming in planschade in de Wet ruimtelijke ordening (afd. 6.1 Wro). Schr. gaat in het bijzonder in op de gevolgen van de Wet nadeelcompensatie voor de competentieverdeling en de limitatieve opsomming van schadeoorzaken. In de conclusie doet hij voorstellen voor de Aanpassingswet nadeelcompensatie. Mr. drs. J.J. van der Helm, O&A 2013/3 Civielrechtelijke problemen bij strafvorderlijk beslag Bij het leggen, voortduren en eindigen van strafvorderlijk beslag kunnen zich verschillende problemen van civielrechtelijke aard voordoen. Het doel van dit artikel is te onderzoeken in hoeverre de burgerlijke rechter rechtsbescherming kan bieden aan de beslagene of (overige) belanghebbenden, in het bijzonder in hun relatie tot de staat als beslaglegger. Daartoe wordt eerst op hoofdlijnen het strafvorderlijk kader geschetst en wordt gesignaleerd welke civielrechtelijke problemen zich in welk stadium van het beslag kunnen voordoen. Nadat de strekking van art. 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) is besproken, wordt onderzocht over welke problemen de burgerlijke rechter zich kan buigen en hoe deze dat doet. De burgerlijke rechter heeft slechts een beperkte taak bij een strafvorderlijk beslag. Zijn taak is wat betreft vorderingen tegen de staat beperkt tot die situaties die niet door art. 552a Sv worden bestreken of spoedeisende situaties. 845 Straf (proces)recht, penitentiair recht & criminologie Advocatenblad 93e jrg. nr. 3, april 2013 S. Droogleever Fortuyn Spoedeisende hulp bij juridische ongevallen Door de Salduz-uitspraak en de uitwerking daarvan voor de ZSM-aanpak neemt de vraag naar rechtsbijstand toe. Bovendien is een Europese Richtlijn in de maak waarin wordt bepaald dat meerderjarige verdachten recht hebben op rechtsbijstand tijdens een politieverhoor. In deze bijdrage geven twee commissie-leden en een strafrecht-advocaat hun visie op dilemma s die ontstaan tussen het vinden van oplossingen voor capaciteitsproblemen en het waarborgen van de rechtszekerheid en rechtsbescherming. Hierbij worden de Salduzbijstand, de ZSM-bijstand en het advies van de innovatiecommissie kort besproken. Caribisch Juristenblad Nr. 1, 2013 Mr. E. Witjens De Wet BOB tegen het (zon)licht gehouden. De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in Aruba Schr. bespreekt in dit artikel een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden uit de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB), die in 2013 in werking is getreden op Aruba (en Curaçao en Sint Maarten). Achtereenvolgens worden besproken de planmatige observatie, infiltratie, 1080 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

57 Tijdschriften pseudokoop of -dienstverlening, stelselmatig inwinnen van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats, het opnemen van (vertrouwelijke) communicatie, burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinnen van informatie en burgerinfiltratie. Hierbij worden de ervaringen betrokken die in Nederland zijn opgedaan met deze wet, voor zover dit relevant is voor de Caribische situatie. Het artikel beoogt naast een algemene introductie ook enkele pijnpunten bloot te leggen en suggesties te doen ten behoeve van het functioneren van de Wet BOB in kleinschalige rechtsorden. Expertise en Recht Nr. 1, februari 2013 Mr. drs. M.D. Rijnsburger, mr. dr. M. Malsch Toetsing door de rechter van deskundigenbewijs. Is er voldoende tegenspraak? Deskundigen spelen in strafzaken soms een doorslaggevende rol. Er zijn verschillende deskundigheden die van belang zijn binnen de rechtspraak, zoals (niet uitputtend): brandonderzoek, vingersporenonderzoek, handschriftonderzoek, pathologie, schotrestenonderzoek, DNA-onderzoek, vezel- en textielonderzoek, psychologische en psychiatrische expertise. De hardheid van deze deskundigheidsgebieden verschilt. DNA-onderzoek wordt over het algemeen als harder, en daarom ook sterker, bewijs beschouwd dan bijvoorbeeld pro-justitiarapportage waarbij over de persoonlijkheid van de verdachte wordt gerapporteerd. Dr. A.P.A. Broeders What s in a name...? DNA-verwantschapsonderzoek in de zaak-vaatstra en andere zaken Op zondag 18 november 2012 werd de 45-jarige Jasper S. uit Oudwoude aangehouden op verdenking van moord op de 16-jarige Marianne Vaatstra uit het Friese Zwaagwesteinde. Het DNA-profiel van S. bleek overeen te komen met dat van de spermasporen op het lichaam van het meisje dat in de (Koninginne)nacht van 30 april op 1 mei 1999 in een weiland in het naburige Veenklooster levenloos werd aangetroffen. De match kwam tot stand doordat S. vrijwillig deelnam aan een DNA-bevolkingsonderzoek, waarbij ruim mannen - die in 1999 tussen de 16 en 60 jaar oud waren en in een straal van vijf kilometer van de plaats delict woonden - werden opgeroepen om DNA af te staan. Op 6 december 2012 bekende S. dat hij Marianne Vaatstra om het leven heeft gebracht. Nieuw Juridisch Weekblad 12e jrg. nr. 279, 27 maart 2013 C. Conings Reële valsheid vs. virtuele valsheid (België) Deze bijdrage gaat dieper in op de toegevoegde waarde van het misdrijf valsheid in informatica. De centrale vraag hierbij is of de wetgever er niet beter aan had gedaan in te grijpen in de steeds uitdijende strafwetgeving rond valsheden door in één ruime strafbaarstelling te voorzien die alle strafbare vormen van waarheidsvermomming in duurzame dragers zou omvatten. Tijdschrift voor Criminologie 55e jrg. nr. 1, 2013 B. Wartna, D. Alberda, S. Verweij Een meta-analyse van Nederlands recidiveonderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies In the Netherlands penal interventions aimed at the reduction of recidivism are progressively executed according to the what works approach, a research tradition that tries to articulate the conditions under which penal interventions can be effective in preventing offenders to relapse into crime. The ideas on what works originate from international studies, but what about the Dutch research itself? Which interventions have proved to be successful in the Netherlands and which have had adverse results? The Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) has carried out a meta-analysis of all relevant studies that have been published in the Netherlands and the Dutch-speaking part of Belgium since the early seventies of the previous century. 141 evaluations were identified, 83 of which contained some sort of comparison with a control group. Results indicate that programmes aimed at adult offenders were more successful than interventions for youth and young adults. Programmes based on the idea of rehabilitation appeared to have been more successful than sanctions based on deterrence. M. Kampen, J. de Keijser, A. Schoep Het effect van de slachtofferverklaring op straftoemeting: een experimenteel onderzoek onder rechtenstudenten Annually hundreds of victims make use of their right to speak in court. Victims often expect this will result in more punitive sentences. According to judges this is unlikely. This experiment among law students examines the influence of victim impact statements (VIS) on the sentencing outcome. Furthermore the effect of how the statement is delivered is examined. Is there a difference between the VIS as document in the case file and one delivered by the victim in court? Does it matter if the victim still has visible injuries? Study findings indicate that neither the presence of a VIS, nor the mode of delivery and visible injuries affect sentence length. J. Hiah, R. Staring Maar Hollanders zouden zeggen dat het uitbuiting is... Chinese restauranthouders en illegale Chinezen over werken bij de Chinees Based on qualitative research within Chinese restaurants in the Netherlands, the authors describe and discuss (informal) labour relations among Chinese restaurant owners and their illegal Chinese workers. It is argued that a too one-sided emphasis on interpreting these labour relations in terms of labour exploitation reduces employers to offenders and employees to victims. Such a judicial perspective hinders a clear view on the causes of underlying themes as illegal labour and illegal stay. The authors discuss how restaurant owners and employees operate in a moral economy in which a demand for cheap products and flexible, motivated, cheap, and capable labour interacts with culturally shared expectations on justice and reciprocity and influences labour relations. Tijdschrift voor Herstelrecht 13e jrg. nr. 1, 2013 M. Malsch, R.P. Kranendonk, V. De Mesmaecker Vergelding en herstel: de behoeften van het slachtoffer NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

58 Tijdschriften Victims of crime entertain various wishes regarding the criminal justice system. This paper presents the results of a study that made use of vignettes. Victim wishes regarding the goals of punishment were examined, and the relation with degree offender intent (intent, negligence) has been established. The results show that when the perpetrator acted intentionally, victims have a greater wish for retribution and the other punishment goals, but they have a smaller need for restoration. Victims wish to be compensated and to receive apologies from the offender, but generally are reluctant to meet with the perpetrator in person. Tijdschrift voor Veiligheid 12e jrg. nr., 2013 M. Duker, M. Malsch Onschadelijkmaking: een problematische trend in criminaliteitsbestrijding Onschadelijkmaking als motief bij de bestrijding en voorkoming van strafbaar gedrag heeft in Nederland in de loop der jaren meer gewicht gekregen en is een steeds belangrijker onderdeel geworden van criminaliteitsbestrijding. Onder onschadelijkmaking wordt verstaan het wegnemen van middelen en gelegenheid tot het plegen van strafbare feiten. Het kan hierbij gaan om strafrechtelijke en bestuurlijke interventies die zijn gericht op bepaalde situaties of op personen. Naast het feit dat onschadelijkmaking in veel gevallen passend is en een belangrijk preventief effect heeft, is het ook problematisch. Schrs. werken een vijftal belangrijke nadelen uit die spelen bij het onschadelijkmaken van personen. R. Ch. van Halderen, K. Lasthuizen Creatief gebruik van bevoegdheden. Een explorerend onderzoek binnen de Nederlandse politie In zijn onderzoek in het kader van zijn masterthesis Bestuurskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam heeft Van Halderen getracht het inzicht in de verschijningsvormen van het creatief gebruik van bevoegdheden binnen de Nederlandse politie te vergroten. Schrs pogen te komen tot een categorisatie van verschijningsvormen teneinde de wezenlijke aard van het creatief gebruik van bevoegdheden beter te doorgronden. Algehele conclusie is dat creatief handelen integriteitsrisico s met maatschappelijke gevolgen kent en derhalve verder moet worden onderzocht. R. Verwijs, A. Mein, M. Goderie Een loverboy laat niet los. Slachtoffers van loverboys in beeld Recentelijk is onderzoek gestart naar de slachtoffers van loverboys en de aansluiting tussen de hulpvraag en het aanbod aan opvang en zorg. Schrs. doen verslag van dit onderzoek en brengen de aard en omvang van deze problematiek in kaart. Eerst wordt de methode van onderzoek uiteengezet, gevolgd door een definitie van de term loverboy. Daarna wordt ingegaan op de kenmerken van slachtoffers, de aard van het slachtofferschap en de hulpbehoefte. Dit wordt gevolgd door een bespreking van de wijze van ronselen, grooming en uitbuiting, en de hulpbehoefte. Tot slot behandelen schrs. aspecten als terugval en revictimisatie. De conclusie is dat deze problematiek vraagt om een specialistische aanpak. 846 Vreemdelingenrecht A&MR Nr. 2, 2013 Prof. dr. P. Boeles Strafbaarstellingen van illegaal verblijf en het Unierecht In het wetsvoorstel tot strafbaarstelling illegaal verblijf wordt illegaal verblijf met een boete bestraft. Bij niet-betaling kan dat uitmonden in hechtenis. En in de bestaande strafbaarstellingen blijft de vrijheidsstraf gehandhaafd. Schr. komt in zijn analyse tot de conclusie dat oplegging van vrijheidstraf steeds in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. In ieder geval belemmert vrijheidsbeneming op onrechtmatige wijze de terugkeer zolang niet wordt gegarandeerd dat die eindigt zodra de betrokkene kan worden uitgezet. R. Severijns M tegen Ierland noopt niet tot aanpassing Nederlandse praktijk Bij de beoordeling van asielverzoeken hebben lidstaten de plicht met asielzoekers samen te werken. In de zaak M tegen Ierland geeft het Europese Hof van Justitie uitleg over die samenwerkingsplicht. Moet de Immigratie- en Naturalisatiedienst haar aanpak wijzigen? Schr. ziet daarvoor in de uitspraak geen grondslag. Mr. R. Bruin, S. Çoker De betekenis van UNHCR s mandaatverklaringen in de nationale asielprocedure Er zijn nog altijd 66 landen waarin het Hoog Commissariaat der Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) het exclusieve mandaat heeft om te beslissen over asielverzoeken. De inhoud van die zogenaamde mandaatverklaringen kan relevant zijn voor asielprocedures hier in Nederland. Welke betekenis moet de Immigratie- en Naturalisatiedienst hechten aan deze mandaatverklaringen? Er is nieuwe jurisprudentie, dus is het tijd voor een update. Mr. J.H. van der Winden Wijziging Wet inburgering: een overzicht Sinds 1 januari 2013 geldt de Wet inburgering alleen nog voor nieuwkomers. Zij moeten zo ongeveer aan dezelfde eisen blijven voldoen, maar krijgen daarbij beduidend minder ondersteuning. In deze bijdrage wordt een overzicht van de veranderingen gegeven. Mr. M.W. Wijngaarden Kroniek Openbare Orde Deze kroniek gaat over de relevante ontwikkelingen binnen het Unierechtelijke en nationaalrechtelijke openbare orde-beleid in NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

59 Wetgeving Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale Kamerstukken is opgenomen op de NJB-site Staatsblad Actualisering materieel strafrecht Inwerkingtreding Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 28 februari 2013 tot partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de aanpassing van het materieel strafrecht aan recente ontwikkelingen (Stb. 2013, 84) - De wet treedt in werking m.i.v. 1 april Inwerkingtredingsbesluit van , Stb. 2013, 108. Vervangend diploma transgenders Besluit tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO in verband met het verstrekken van een vervangend opleidingsdocument bij naams- en geslachtsverandering - Dit besluit regelt door middel van een wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO dat mensen die hun voornaam of achternaam (hun geslachtsnaam) hebben gewijzigd, een vervangend opleidingsdocument, zoals een diploma, certificaat of cijferlijst, kunnen aanvragen. Hiermee wordt het zowel voor transgenders van wie de voornamen op grond van art. 1:28b lid 2 van het BW zijn gewijzigd, als voor personen die om andere redenen hun voornamen of geslachtsnaam hebben laten wijzigen, mogelijk om een vervangend opleidingsdocument te verkrijgen. Besluit van , Stb. 2013, 109 Winstafdracht DNB Wet tot wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IX) voor het jaar 2013 (Incidentele suppletoire begroting DNB winstafdracht) Deze wet strekt ertoe om voor het jaar 2013 wijzigingen aan te brengen in de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Financien (IXB). Door middel van deze wijziging wordt autorisatie gevraagd voor het verlenen van een garantie aan DNB in het kader van het vaststellen van de winsten over 2012 en volgende jaren. Tegenover de garantie staat een ophoging van de af te dragen winsten van DNB. Als gevolg van diverse maatregelen waartoe de Europese Centrale Bank (ECB) de afgelopen periode heeft besloten om het functioneren van de Eurozone te stabiliseren, zijn de zogenaamde crisisgerelateerde (financiële) risico s in de balans van nationale centrale banken in de Eurozone, en dus ook van DNB (verder) opgelopen. DNB is met het ministerie van Financiën in overleg getreden voor een passende oplossing. Verschillende mogelijkheden zijn besproken, waaronder die van de vorming van een voorziening. Binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) is namelijk besloten om het nationale centrale banken mogelijk te maken een voorziening te treffen voor crisisgerelateerde risico s. Een voorziening voor deze risico s of een vergroting van de reserves van DNB leidt tot een evenredige verlaging van de winstafdracht van DNB aan de Staat (aandeelhouder). Een aan DNB te verstrekken garantie op zogenaamde crisisgerelateerde activa, die afloopt op het moment dat de risico s weer tot normale niveaus zijn gedaald, is een volwaardig alternatief voor een dergelijke voorziening waartoe in samenspraak is gekomen, aldus de memorie van toelichting. Inwerkingtreding m.i.v , met terugwerkende kracht tot en met Wet van , Stb. 2013, 111 (Kamerstukken ) Regelingen SVB Wet tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door de Sociale verzekeringsbank. Het probleem dat met deze wet wordt aangepakt, is de complexiteit van een aantal door de SVB uitgevoerde regelingen. Zij hebben stapeling van beleid tot gevolg, leiden tot een relatief ingewikkeld uitvoeringsproces en zijn kostenverhogend. Ook maken dergelijke uitzonderingen de uitkeringsvoorwaarden ingewikkeld en lastig te begrijpen voor burgers. De regering wil niet langer voor iedere specifieke situatie een uitzonderingsregeling treffen en zal zich vaker beperken tot het toepassen van de hoofdregels. De financiële kaders die door de regering voor het SZWdomein zijn gekozen, maken het nodig om tot een efficiëntere en goedkopere uitvoeringsorganisatie te komen. De regering heeft de door de SVB uitgevoerde regelingen in het licht van de doelstelling van vereenvoudiging bezien op bepalingen voor specifieke groepen of situaties. De wijzigingen die hieruit zijn voortgekomen voorzien ten eerste in de beëindiging van arbeidsintensieve periodieke uitbetaling van bepaalde uitkeringen. Ten tweede wordt stapeling van beleid en gedetailleerde regelgeving teruggedrongen door de uitkeringen voor nabestaanden en de generieke tegemoetkoming voor kosten voor kinderen meer te baseren op hoofdregels. Ten derde heeft de wet betrekking op een situatie waarbij de SVB kosten maakt voor activiteiten die overwegend het karakter van service hebben. Het gaat om de volgende maatregelen. Vanwege de hoge uitvoeringskosten en administratieve lasten die met de kruimel-aow gepaard gaan, zal er vanaf 1 januari 2015 op grond van deze wet geen nieuw recht op AOW van 2% meer ontstaan indien er sprake is van een verzekerd tijdvak van minder dan één jaar. Met de integratie van de halfwezenuitkering met de nabestaandenuitkering wordt een hoge en een lage nabestaandenuitkering geïntroduceerd, naar analogie van het hoge en lage weduwenpensioen van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) van destijds, en vervalt de halfwezenuitkering als aparte uitkering. De gehele aanvankelijk voorgestelde vereenvoudiging voor de Algemene NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

60 Wetgeving Kinderbijslagwet is er bij amendement uit gehaald. De wet treedt gefaseerd in werking op 1 april 2013, 1 juli 2013, 1 oktober 2013 en 1 april De wet heeft gedeeltelijk terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001, 1 januari 2011, 8 december 2011 en 31 december Wet van , Stb. 2013, 115 en inwerkingtredingsbesluit van , Stb. 2013, 116 (Kamerstukken ) Besluit regelingen SVB Besluit tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet vereenvoudiging regelingen SVB - Door het verdwijnen van de halfwezenuitkering (die wordt geïntegreerd in de nabestaandenuitkering) als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB, worden het Besluit regels export uitkeringen, Besluit tegemoetkoming ANW-er en het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten gewijzigd. Zo zijn alle bepalingen aangepast waarin van het bestaan van de halfwezenuitkering wordt uitgegaan. Het besluit dat dit regelt treedt grotendeels op 1 april 2013 in werking. Het besluit bevat tevens wijzigingen van het Besluit gelijkstelling niet-nederlanders met Nederlanders en het Besluit gelijkstelling van wonen buiten het rijk met wonen binnen het rijk. Deze wijzigingen, die het gevolg zijn van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, treden op 30 maart 2013 in werking. Besluit van , Stb. 2013, 117 Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken Inwerkingtreding Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken, Stb. 2013, 92) - De wet treedt in werking met ingang van 1 april Inwerkingtredingsbesluit van , Stb. 2013, 119 (Kamerstukken ) Uitbreiding reikwijdte bevoegdheden BIBOB Wet tot wijziging van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede uitbreiding van de reikwijdte ervan en wijziging van enige andere wetten (Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob) - Met deze wet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet Bibob te verruimen door het aantal sectoren waarin het Bibob-instrument kan worden toegepast uit te breiden. Vastgoedtransacties waarbij de overheid betrokken is als civiele partij, komen onder de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (Bibob) te vallen. Daarmee wordt voorkomen dat overheden ongewild met malafide partijen in zee gaan. Behalve transacties met onroerend goed zullen ook het exploiteren van speelautomaten, het exploiteren van een headshop het importeren van vuurwerk en het organiseren van lokaal vergunningplichtige vechtsportgala s onder de reikwijdte van de Bibob worden gebracht. Met de huidige Wet Bibob kunnen overheden (vooral gemeenten) de achtergrond van een bedrijf of persoon onderzoeken voordat een vergunning of een subsidie wordt gegeven of een overheidsopdracht wordt gegund. Als er sprake is van criminele antecedenten of onduidelijke financiële constructies kan de vergunning, de subsidie of de opdracht worden geweigerd. Zo wordt voorkomen dat de overheid ongewild criminaliteit ondersteunt en een vermenging van boven- en onderwereld ontstaat. Bij het onderzoek naar de achtergrond van een bedrijf of persoon kan de gemeente hulp vragen aan het landelijk Bureau Bibob, dat een advies uitbrengt. De Bibob-wetgeving geldt alleen voor bepaalde branches en activiteiten: bij horeca-, bouw-, afval- en transportvergunningen, in de transportbranche, bij woningbouwcorporaties, coffeeshops, bordelen en smart- en growshops. Voor aanbestedingen geldt de Wet Bibob in de branches bouw, milieu en ICT. Na de uitbreiding komen daar het exploiteren van speelautomaten, het importeren van vuurwerk, headshops en vastgoedtransacties met een overheid bij. In de wet zijn een aantal maatregelen opgenomen ter verbetering van de toepassing van de wet. - het voorstel voorziet in een uitgebreidere informatieverstrekking. Gegevens kunnen voortaan worden verstrekt aan RIEC s, de driehoek, de kwaliteitscommissie, openbaar ministerie en andere bestuursorganen waarmee in regionaal verband wordt samengewerkt. - gemeenten mogen de inhoud van Bibob-adviezen verstrekken aan een bezwaarschriftencommissie; - overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, kunnen worden meegewogen bij een beoordeling op grond van de Wet Bibob; - de adviestermijn van het Bureau Bibob wordt verlengd met vier weken; - de tipfunctie van het Bureau Bibob aan het openbaar ministerie wordt uitgebreid tot gevallen waarin sprake is van geen of een mindere mate van gevaar; - er wordt een commissie ingericht die de kwaliteit van de adviezen van het Bureau Bibob toetst. Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip. Wet van , Stb 2013, 125 (Kamerstukken ) Nieuwe wetsvoorstellen Langdurig ingezetenen Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/ EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132) - De richtlijn langdurig ingezetenen geeft onderdanen van derde landen die minimaal gedurende vijf jaren ononderbroken legaal op het grondgebied van een lidstaat hebben verbleven, de mogelijkheid om op aanvraag en onder voorwaarden de EU-status van langdurig ingezetene toegekend te 1084 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

61 Wetgeving krijgen. Door middel van de wijzigingsrichtlijn is de werkingssfeer van de richtlijn langdurig ingezetenen uitgebreid tot personen die internationale bescherming genieten. Dit betreffen categorieën onderdanen van derde landen die in de Nederlandse situatie overeenkomen met de categorieën die zijn vermeld in artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw Het betreft de vreemdeling die: a. verdragsvluchteling is, dan wel b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan: 1. doodstraf of executie; 2. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Voortaan kunnen dus ook deze groepen vreemdelingen in aanmerking komen voor de toekenning van de EU-status van langdurig ingezetene. Zij moeten daartoe voldoen aan dezelfde voorwaarden als de vreemdelingen die voor andere doeleinden zijn toegelaten (migratie). De wijzigingsrichtlijn voorziet verder vooral in bepalingen die veiligstellen dat uit het aan de betrokken onderdaan van een derde land af te geven verblijfsdocument kenbaar blijft welke lidstaat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming. Ter implementatie is ervoor gekozen de EU-status voor langdurig ingezetenen op te nemen in een nieuwe afdeling in de Vw Dit heeft tevens als voordeel dat de voorwaarden voor verkrijging van de EU-status één op één in nationaal recht worden omgezet en er duidelijker dan voorheen onderscheid tussen de EU-verblijfsvergunning en de permanente nationale verblijfsvergunningen kan worden aangebracht. Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 1-4 Flexibel cameratoezicht Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht - In 2005 is in artikel 151c van de Gemeentewet een wettelijke grondslag voor cameratoezicht in de publieke ruimte gecreëerd. Het wettelijk regime is de afgelopen vijf jaar geëvalueerd. In 2011 is een eindrapport van de evaluatie verschenen. De huidige regeling in de Gemeentewet voorziet in vast cameratoezicht, hetgeen erop neer komt dat camera s nagelvast en doorgaans voor lange duur op een specifieke plek worden aangebracht. Gebleken is echter dat gemeenten behoefte hebben aan een meer flexibele inzet van cameratoezicht in de publieke ruimte. Dit wetsvoorstel schrapt het vereiste van vast cameratoezicht uit artikel 151c van de Gemeentewet. Hierdoor krijgt de burgemeester de noodzakelijke handvatten om cameratoezicht flexibeler, doelmatiger en effectiever, in te zetten in de publieke ruimte. De flexibilisering van het cameratoezicht heeft naar verwachting nut in situaties waarin sprake is van tijdelijke en zich verplaatsende overlast. Indien op een bepaalde plaats in het vooraf aangewezen gebied niet langer toezicht nodig is, maar op een andere plaats binnen dat gebied wel, dan kan de camera eenvoudig en snel worden verplaatst. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen van welke vorm van cameratoezicht vast of mobiel gebruik wordt gemaakt in een specifieke situatie. Het exclusieve karakter van de regeling wordt gehandhaafd. Uitsluitend in de gevallen omschreven in artikel 151c kan de burgemeester overgaan tot de inzet van cameratoezicht in het kader van het toezicht ter handhaving van de openbare orde. Het wetsvoorstel laat de inzet van camera s in andere gevallen, zoals in het kader van de politietaak of op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens ter bescherming van particuliere eigendommen, onverlet. Het doel waarvoor gebruik gemaakt kan worden van cameratoezicht wordt evenmin gewijzigd. Cameratoezicht kan worden ingezet indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde ten behoeve van het toezicht in de publieke ruimte. Anders dan de huidige regeling, vereist het wetsvoorstel geen specifiek plaatsingsbesluit waarin de plaatsing van iedere afzonderlijke camera wordt vastgelegd. In de plaats daarvan komt een gebiedsaanwijzing waarin wordt bepaald binnen welk gebied de flexibele camera s geplaatst en verplaatst mogen worden. Binnen het aangewezen gebied kan de burgemeester camera s verplaatsen, zonder nadere besluiten in de zin van de Awb te hoeven nemen. Het wetsvoorstel schrijft voor dat de burgemeester de gebiedsaanwijzing intrekt zodra het cameratoezicht niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. Ter beheersing van privacyrisico s voegt dit wetsvoorstel een maatregel toe door de opneming van een wettelijke bepaling die de burgemeester verplicht om een gebiedsaanwijzing in te trekken zodra de noodzakelijkheid aan het cameratoezicht in dat gebied is ontvallen. Daarnaast wordt in verband met privacyrisico s een bepaling voorgesteld die de burgemeester verplicht om het cameratoezicht in te trekken zodra de inzet van camera s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan hier ook een belangrijke rol spelen. In de verordening waarin de burgemeester de bevoegdheid wordt toegekend om cameratoezicht in te zetten kan de raad voorschriften opnemen, zoals een maximering van het aantal camera s binnen een bepaald gebied en een mededelingsplicht aan de raad indien camera s worden verplaatst binnen het gebied. Volgens het kabinet voldoet het wetsvoorstel ten slotte aan de eisen die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 1-4 Passief kiesrecht EP Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Kieswet, ter implementatie van Richtlijn 2013/1/EU van de Raad van 20 december 2012 tot wijziging van Richtlijn 93/109/EG tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn (PbEU 2013, L 26) - Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de bovengenoemde richtlijn (hierna: de wijzigingsrichtlijn) in hoofdstuk Y van de Kieswet, waar de verkiezing van de leden van het Europees Parlement (EP) is geregeld. Het oogmerk van de wijzigings- NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

62 Wetgeving richtlijn is het voor Unieburgers gemakkelijker te maken om zich in de lidstaat van verblijf kandidaat te stellen voor de verkiezing van het EP. Uit evaluaties van de EP-verkiezingen in 2004 en 2009 bleek onder meer dat de huidige regels inzake de kandidaatstelling in de lidstaat van verblijf een zware administratieve opgave is voor de potentiële kandidaten. Dit zou volgens de Europese Commissie van invloed kunnen zijn op de geringe deelname van de Unieburgers in de lidstaat van verblijf. Met de richtlijn hoeft een kandidaat niet langer zelf zoals nu wel het geval is te zorgen voor een verklaring van de autoriteit van de lidstaat van herkomst dat hij in zijn lidstaat van herkomst niet is uitgesloten van het passief kiesrecht. In plaats daarvan legt de kandidaat met de nationaliteit van een andere lidstaat bij de kandidaatstelling (schriftelijk) een eigen verklaring af dat hij in zijn lidstaat van herkomst niet is uitgesloten van het passief kiesrecht. De lidstaat van verblijf is vervolgens gehouden om bij de lidstaat van herkomst van de betreffende kandidaat te controleren of dit klopt. Essentieel is daarbij dat indien de autoriteiten van de lidstaat van herkomst in gebreke zijn om de informatie op tijd te leveren, dit niet leidt tot een schrapping van de kandidaat van de kandidatenlijst. Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 1-4 Parkeerbelasting Voorstel van wet ( ) van het lid Kuiken tot het vaststellen van parkeerbelasting per geparkeerde minuut (Wet parkeerbelasting per minuut) - In veel sectoren is betalen naar daadwerkelijk gebruik gemeengoed. Maar bij parkeren betaal je per tijdvak vastgesteld door de desbetreffende gemeente. Hierdoor is er vaak sprake van onnodige betaling voor het gebruik van de openbare ruimte en dat vindt de indiener een ongewenste situatie. Indiener vindt het onwenselijk dat overheden meer geld rekenen voor parkeren in de openbare ruimte dan er daadwerkelijk wordt gebruikt. Het uitgangspunt van de parkeerverordening is immers dat het belasten van parkeren tot doel moet hebben om de druk op de openbare ruimte te kunnen managen. Een logisch vervolg hierop is dat zo eerlijk mogelijk wordt afgerekend. Het verplicht stellen van parkeertarieven per minuut zorgt ervoor dat er daadwerkelijk betaald wordt naar gebruik. Daartoe strekt dit wetsvoorstel. Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 1-3 Beheerders van beleggingsinstellingen Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de economische delicten en enige fiscale wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU L 2011, L 174) (implementatie vrijstelling artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de AIFMrichtlijn) - Dit wetsvoorstel ziet er op de beheerders van beleggingsinstellingen waarin uitsluitend vermogen van pensioenfondsen wordt beheerd, onder toezicht te brengen van richtlijn 2011/61/EU. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het in de aanhef genoemde wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn voor alternatieve beheerders van beleggingsinstellingen is er een amendement aangenomen om op grond van interpretatie van de richtlijn beheerders die beleggingsinstellingen beheren waarvan de rechten van deelneming uitsluitend kunnen worden verworven door een of meer pensioenfondsen (dus beheerders van beleggingsinstellingen waarin uitsluitend vermogen van pensioenfondsen wordt beheerd) uit te zonderen onder de richtlijn (Kamerstukken II, , , nr. 13). Daar is men mede doordat de Europese Commissie uitsluitsel over de interpretatie heeft gegeven van teruggekomen. De onderhavige wetswijziging ziet er op, conform het oorspronkelijke wetsvoorstel, genoemde beheerders onder toezicht te brengen van de genoemde richtlijn, ter correcte implementatie van art. 2 lid 3, onderdeel e, van de richtlijn, mede gelet art. 2 lid 3, onderdeel b, van de richtlijn. Kamerstukken II 2012/13, , nrs voor tabak Wetsvoorstel ( ) tot wijziging van de Tabakswet ter verhoging van de minimumleeftijd van 16 jaar naar 18 jaar van personen aan wie tabaksproducten mogen worden verkocht (Verhoging minimumleeftijd verkoop tabaksproducten) - De huidige Tabakswet kent een minimumleeftijd van zestien jaar voor personen aan wie tabaksproducten mogen worden verkocht. De regering acht het gewenst deze minimumleeftijd te verhogen tot achttien jaar. De leeftijdsgrens voor de toegang tot een coffeeshop lag al op 18 jaar. De verwachting is gerechtvaardigd dat de verhoogde leeftijdsgrens voor alcohol, door aanname van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Voordewind, Van der Staaij, Bouwmeester en Uitslag tot verhoging van de leeftijdsgrens voor alcohol van 16 naar 18 jaar, in 2014 wet zal worden. Met een verhoging van de tabaksleeftijdgrens komt er naar het zich laat aanzien dus één heldere leeftijdsgrens voor tabak en alcohol. Geen alcohol en niet roken onder de 18. Inmiddels hanteren 22 van de 27 EU landen een leeftijdgrens van 18 jaar voor de verkrijgbaarheid van tabaksproducten. Wereldwijd loopt de leeftijdsgrens voor tabak uiteen van 15 tot 21. De tendens is dat steeds meer landen de leeftijdsgrens verhogen. Kamerstukken II 2012/13, , nrs NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

63 Wetgeving 860 Vervolgstukken Verbetering positie huurders Brief van de Minister voor WRD ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het overleg huurders verhuurder. Brief inzake Rapport Nederlandse Woonbond over huurdersorganisaties en vernieuwing. Kamerstukken I 2012/13, , G Registratie schoolverzuim Verslag van een schriftelijk overleg ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer het vereenvoudigen van de procedure voor verzuimmelding. Kamerstukken I 2012/13, , G Centra voor jeugd en gezin Intrekking Brief ( ) houdende intekking van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen. Omdat het vanuit efficiencyoverwegingen niet opportuun is om twee reparatiewetten naast elkaar te laten lopen, is besloten om de betrokken wetswijzigingen mee te nemen in het wetsvoorstel Veegwet VWS 2012 (33 507). Bij Kamerbrief van 27 november 2012 (Kamerstukken II 2012/13, , nr. 68) is reeds aangekondigd dat het wetsvoorstel wordt ingetrokken. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 12 Wijziging Wet op de orgaandonatie Gewijzigd voorstel van wet ( ) tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie in verband met nieuwe medisch-technische ontwikkelingen. Kamerstukken I 2012/13, , A Aanpassingen warmtewet Memorie van antwoord ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Warmtewet in verband met enkele aanpassingen. Kamerstukken I 2012/13, , C Curatele, beschermingsbewind en mentorschap Gewijzigd voorstel van wet ( ) tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen. Kamerstukken I 2012/13, , A Versterking bestuur pensioenfondsen Nota n.a.v. het verslag en derde nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met versterking van het bestuur bij pensioenfondsen en enige andere wijzigingen. Kamerstukken II 2012/13, , nrs EU-toetreding Kroatië Nota n.a.v. het verslag ( ) bij het voorstel van rijkswet houdende goedkeuring van het op 9 december 2011 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (Trb. 2012, 24). Kamerstukken I 2012/13, , C Concentratietoetsing zorg Gewijzigd voorstel van wet ( ) tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet cliëntenrechten zorg en enkele andere wetten in verband met het tijdig signaleren van risico s voor de continuïteit van zorg alsmede in verband met het aanscherpen van procedures met het oog op de kwaliteit en bereikbaarheid van zorg. Kamerstukken I 2012/13, , A Exitheffing na National Grid Nadere memorie van antwoord ( ) en eindverslag ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Invorderingswet 1990 (Wet uitstel van betaling exitheffingen). Kamerstukken I 2012/13, , E en F Stabiliteit, coördinatie en bestuur EMU Brief van de Minister van Financiën ( ) over het wetsvoorstel tot goedkeuring van het op 2 maart 2012 te Brussel tot stand gekomen Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (Trb. 2012, 51) Brief minister over de manier waarop de Europese Commissie omgaat met de beoordeling van het structurele EMU-saldo. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 8 Verhoging alcoholleeftijd Gewijzigd initiatiefwetsvoorstel ( ) houdende wijziging van de Drank- en Horecawet teneinde enkele leeftijdsgrenzen te verhogen van 16 naar 18 jaar en de preventie en handhaving te verankeren. Kamerstukken I 2012/13, , A Recidive rijden onder invloed van drugs Brief van de Minister van IenM ( ) over wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met een uitbreiding van de reikwijdte van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten en de verhoging van de keuringsleeftijd voor oudere rijbewijshouders. Brief minister ter aanbieding ontwerpwijziging Reglement rijbewijzen i.v.m. verhoging keuringsleeftijd voor oudere rijbewijshouders. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 8 OR scholingssysteem Voorlopig verslag ( ) over het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden in verband met wijziging van de financiering van het scholingssyteem voor leden van de ondernemingsraad en enkele andere wijzigingen van deze wet. Kamerstukken I 2012/13, , B Kilometermanipulatie Nota n.a.v. het verslag ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het wijzigen van de tellerstand van motorrijtuigen. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 6 Standaardpakket RTV Brief van de Staatssecretaris van OCW ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

64 Wetgeving verband met de verspreiding van televisie- en radio- programmakanalen door middel van omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen. Brief staatssecretaris over omroepdistributie. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 7 Adolescentenstrafrecht Nota n.a.v. het verslag en nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht. Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 6-7 Integriteit energiemarkt Nota n.a.v. het verslag en nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Wet op het financieel toezicht, de Wet op de economische delicten en het Wetboek van Strafvordering (uitvoering van een verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie). Kamerstukken II 2012/13, , nrs. 5-6 Kwaliteit hoger onderwijs Nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van diverse maatregelen, aangekondigd in de Strategische Agenda Hoger onderwijs, Onderzoek en Wetenschap. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 7 Leerplichtvrijstelling Verslag ( ) over de wijziging van de Leerplichtwet 1969 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de registratie van vrijstellingen en vervangende leerplicht. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 4 Wijzigingswet kinderopvang Tweede nota van wijziging ( ) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 9 Schatkistbankieren Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in s Rijks schatkist. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 5 Winstafdracht DNB Brief van de Minister van Financiën ( ) inzake de wet tot wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IX) voor het jaar 2013 (Incidentele suppletoire begroting DNB winstafdracht) Brief minister inzake Incidentele suppletoire begroting DNB winstafdracht. Kamerstukken I 2012/13, , E Modernisering Kamer van Koophandel Verslag ( ) over het wetsvoorstel houdende regels omtrent de Kamer van Koophandel. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 5 VenJ zbo s onder Kaderwet Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot aanpassing van enige wetten op het terrein van het Ministerie van VenJ teneinde een aantal zelfstandige bestuursorganen onder de werking van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen te brengen. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 5 Verzamelwet SZW 2013 Verslag ( ) over het wetsvoorstel tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013). Kamerstukken II 2012/13, , nr Nota s, rapporten & verslagen Privatisering en verzelfstandiging overheidsdiensten Brief van de Minister voor WRD ( ) met de kabinetsreactie op het rapport Verbinding Verbroken? van de Onderzoekscommissie Privatisering en Verzelfstandiging Overheidsdiensten van de Eerste Kamer en het rapport Publieke Zaken in de marktsamenleving van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. - De onderzoekscommissie van de EK constateert dat de borging van publieke belangen de afgelopen jaren te weinig en te beperkt aandacht heeft gehad. De WRR constateert dat de overheid de borging van publieke belangen niet alleen af kan en dat het invulling geven aan het publiek belang vraagt om een versterking van de verantwoordelijkheid van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Het kabinet onderschrijft de observaties van de commissie en de WRR dat de verhouding tussen burger en overheid als gevolg van privatiseringen en verzelfstandigingen is veranderd en dat er de afgelopen decennia bij deze trajecten niet altijd een expliciete en volledige weging van publieke belangen heeft plaatsgehad. Het kabinet ziet het door de onderzoekscommissie ontworpen besliskader als een waardevol instrument dat het parlement kan gebruiken bij de bespreking en toetsing van voorstellen met betrekking tot privatisering en externe verzelfstandiging. Het kabinet zal daarom dit besliskader als checklist gaan gebruiken. Daarnaast ziet het kabinet het Integraal Afwegingskader als een goed instrument om vroegtijdig in het besluitvormingsproces de publieke belangen vast te stellen en aan de hand hiervan het beleid te bepalen. Het kabinet kan zich eveneens vinden in de analyse van de WRR dat bij de borging van publieke belangen sprake is van een maatschappelijk ordeningsproces en niet van een enkel beslismoment en dat gewijzigde publieke belangen altijd bij momenten van politieke besluitvorming meegenomen moeten worden. Ook staat het kabinet achter de constatering dat de overheid bij het borgen van publieke belangen andere partijen nodig heeft. Het kabinet hecht veel waarde aan een effectieve borging van publieke belangen en aan een samenhangend beleid ten aanzien van ordening, sturing en toezicht. Daarom heeft het kabinet bij zijn aantreden een Ministeriële Commissie Vernieuwing Publieke Belangen (MC PB) ingesteld NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

65 Wetgeving De minister van EZ is de coördinerend minister van deze Ministeriële Commissie. Daarmee erkent het kabinet het belang van een goede coördinatie en een gezamenlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van trajecten in semi-publieke sectoren. Door de grote verschillen tussen trajecten tot privatisering en verzelfstandiging ligt het minder voor de hand om de politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheden voor zowel privatisering als verzelfstandiging in een hand die van de minister voor WRD te leggen. Het kabinet hecht eraan de huidige verantwoordelijkheidsverdeling in stand te houden. De minister voor WRD is daarin verantwoordelijk voor het (externe) verzelfstandigingsbeleid (ZBO s), de minister van Financiën voor het staatsdeelnemingenbeleid en de minister van EZ voor het marktordeningsbeleid. Het kabinet is van mening dat de specifieke expertise en kennis ten aanzien van marktordenings-, sturings- en toezichtsvraagstukken bij de verschillende departementen het best tot zijn recht komt. Het kabinet draagt zorg voor intensivering van de interdepartementale samenwerking en voor het gezamenlijk optreden van de departementen richting parlement. Ten aanzien van de door de onderzoekscommissie bepleite helderheid inzake het geheel aan uitvoeringsorganisaties en de wens dat het beleid ten aanzien van ZBO s wordt herijkt, wijst het kabinet op de lopende doorlichting van ZBO s, waarbij gekeken wordt of de ZBO-vorm voor deze organisaties nog steeds de meest geëigende vorm is. Deze zal leiden tot een standpuntbepaling van het kabinet. Het kabinet wijst erop dat zij het beleid ten aanzien van staatsdeelnemingen zal herformuleren in een nieuwe nota Staatsdeelnemingen van de minister van Financiën. Kamerstukken I 2012/13, C, I Slimme grenzen Brief van de Minister van BuZa ( ) met een fiche inzake Verordeningen slimme grenzen, - De voorstellen zijn onderdeel van het zogenaamde slimme grenzen wetgevingspakket en aangekondigd in de Mededeling De voorbereiding van de volgende stappen in het grensbeheer in de Europese Unie van 13 februari 2008 (COM 2008/69) en de Mededeling Slimme grenzenopties en de te volgen weg van 25 oktober 2011 (COM 2011/680). Het eerste voorstel betreft een verordening voor de instelling van een Europees in- en uitreissysteem (EES) met als hoofddoel bestrijding van illegale immigratie. In een elektronische database kunnen naam, reisdocument, visa informatie, datum, de plaats van binnenkomst en de duur van het toegestane (legaal) verblijf worden geregistreerd ten behoeve van grenscontrole- visa- en immigratieautoriteiten. Ook kunnen de biometrische gegevens (vingerafdrukken) van derdelanders worden verzameld. Met het EES kan beter worden nagegaan of derdelanders aan de toegangsvoorwaarden voldoen. Daarnaast wordt met het systeem het aantal derdelanders inzichtelijker die weliswaar legaal inreizen, maar vervolgens langer in het Schengengebied blijven dan is toegestaan. De toegestane verblijfsduur wordt elektronisch in plaats van handmatig berekend. Tot op heden gebeurt deze controle met behulp van stempels in het paspoort. Op basis van de informatie van het systeem kan de identiteit van mogelijke overstayers worden vastgesteld. Hierdoor kan het toezicht in het Schengengebied worden versterkt. Samen met het EES presenteert de Commissie een Verordening voor de instelling van een EU-programma voor geregistreerde reizigers. De invoering van een programma voor geregistreerde reizigers (Registered Travellers Programme, RT-programma) heeft als doel de grenspassage te versnellen en tegelijkertijd de veiligheid te waarborgen door invoering van een grensbeheer op maat systematiek met betrekking tot derdelanders. Met het RT-programma kunnen onderdanen van derde landen gebruik maken van automatische grenscontroles voor een vlottere toegang tot het Schengengebied. Voor vooraf geregistreerde en gescreende reizigers wordt het mogelijk gemaakt om versneld de grens te passeren. Voor de implementatie van deze wetgevingsvoorstellen is een aanpassing van de Schengengrenscode nodig. De wijziging van de Schengengrenscode vormt het derde onderdeel van het betreffende wetgevingspakket. Kamerstukken II 2012/13, , nr Europees parlement Brief van de Minister van BuZa ( ) met een fiche inzake een Europees Parlement-voorstel voor besluit over samenstelling EP. - Het voorstel regelt de samenstelling van het Europees Parlement (verdeling zetels tussen de lidstaten + maximum aantal zetels) met het oog op de parlementsverkiezingen van voorjaar Het brengt de zetelverdeling vanwege de volledige ratificatie van het Verdrag van Lissabon in overeenstemming met artikel 14, tweede lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie, daarbij het principe van degressieve proportionaliteit (hoe groter de lidstaat, hoe meer inwoners van deze lidstaat per zetel vertegenwoordigd worden) volgend, met politieke compensatie voor lidstaten die meer dan één zetel moesten inleveren. Dit betekent dat het huidige zetelaantal van 754 (na eventuele toetreding Kroatië: 766) wordt teruggebracht tot (de voorzitter). Op basis van genoemd artikel komt het initiatiefrecht voor een dergelijk voorstel toe aan het EP, waarna de Europese Raad met eenparigheid moet instemmen. Dit dient tijdig te worden geregeld vanwege de voorbereiding van de verkiezingen. Ten slotte kondigt het EP aan dat het ruimschoots voor de verkiezingen van 2019 met een meer permanent systeem op basis van objectieve criteria voor de zetelverdeling wil komen. Tevens vindt een deel van het EP dat de zetelsamenstelling meer in lijn zou moeten zijn met de stemverhoudingen binnen de Raad, welke eventueel na een Conventie herzien zouden kunnen worden. Nederland is positief over het voorstel. Het aantal zetels voor Nederland (26) blijft gehandhaafd. Kamerstukken II 2012/13, , nr Incidenten JJI s Brief van de Staatssecretaris van V&J ( ) over incidenten in justitiele jeugdinrichtingen. - In antwoord op verzoeken uit de Kamer geeft de staatssecretaris een overzicht van incidenten in justitiële jeugdinrichtingen. De centrale vraag is volgens de bewindsman of de, in de pers genoemde, vermeende misstanden in de JJI s structurele tekortkomingen zijn dan wel als incident gekwalificeerd kunnen worden. Naar zijn stellige overtuiging is dit laatste NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

66 Wetgeving het geval. Tevens gaat hij in op de vraag in hoeverre het OM bij de strafmaat rekening houdt met de strafverhoging bij geweld tegen medewerkers met een publieke taak. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 489 Bezoek justitiële inrichting Brief van de staatssecretaris van V&J ( ) waarbij hij het rapport Slechts op bezoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) aanbiedt. - De IVenJ heeft onderzoek gedaan naar hoe penitentiaire inrichtingen omgaan met bezoek aan gedetineerden. Het rapport is als bijlage bij dit stuk te vinden. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 491 Bestuur en Informatieveiligheid Dienstverlening Brief van de Minister van BZK ( ) met de stand van zaken inzake ICT beveiligingsassessments en over de oprichting van de Taskforce Bestuur en informatieveiligheid Dienstverlening. - De minister geeft de stand van zaken weer inzake ICT-beveiligingsassessments die inmiddels verplicht zijn bij organisaties die DigiD gebruiken en informeert de Kamer over de oprichting van de Taskforce Bestuur en informatieveiligheid dienstverlening, met als taak het geven van normatieve uitgangspunten voor zelfregulering op genoemd vlak door alle overheidslagen en -organisaties. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 269 Identiteitsinfrastructuur Brief van de Minister van BZK ( ) over voortgang toekomstbestendigheid identiteitsinfrastructuur. - In deze brief gaat de minister in op de voortgang inzake maatregelen ter versterking van de identiteitsinfrastructuur met het oog op een verdere digitalisering van de overheidsdienstverlening. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 270 Kandidaatstelling SGP Brief van de Minister van BZK ( ) over de maatregelen die de SGP heeft genomen naar aanleiding van het arrest van de HR van 9 april 2010 en de beslissing van het EHRM van 10 juli Op 16 maart 2013 is tijdens de ledenvergadering van de SGP gestemd over een voorstel van het SGP-hoofdbestuur tot wijziging van het Algemeen Reglement van de SGP middels invoeging van een nieuw artikel 13a. De tekst daarvan luidt: Procedure kandidaatstelling. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010 (LJN BK4547 en BK4549) kan het geslacht van kandidaten bij de kandidaatstelling als bedoeld in de artikelen 13b tot en met 17 van dit Algemeen Reglement rechtens niet aan kandidaten worden tegengeworpen. Het voorstel is aangenomen met 320 stemmen voor, 85 tegen en 1 blanco. De datum van inwerkingtreding is 1 april Deze wijziging heeft tot gevolg dat bij de kandidaatstelling voor verkiezingen van de gemeenteraad, Provinciale Staten, Tweede Kamer, Eerste Kamer en Europees Parlement het geslacht van kandidaten hen rechtens niet kan worden tegengeworpen. Concreet betekent dit dat voortaan ook vrouwen van de SGP zich kunnen kandideren voor hun partij. Met het besluit van de SGP is de kandidaatstellingsprocedure bij de SGP in overeenstemming gebracht met het geldende recht zoals dat door de Hoge Raad is uitgelegd. Daarmee is de noodzaak voor de Staat om maatregelen te treffen vervallen. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 20 Integriteit openbaar bestuur Verslag van een algemeen overleg van (vastgesteld ) tussen de vaste cie. voor BZK en de Minister voor BZK over integriteit in het openbaar bestuur. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 73 Pesten Brief van de Staatssecretaris van OCW ( ) ter aanbieding van het Plan van aanpak tegen pesten. - In samenwerking met de kinderombudsman is dit plan van aanpak tegen pesten op scholen tot stand gekomen. Het plan is als bijlage bij dit kamerstuk te vinden. De Kamer wordt volgend jaar over de vorderingen in de uitvoering geïnformeerd. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 52 Kwaliteit rechtspraak Brief van de Minister van V&J ( ) over de kwaliteit van de rechtspraak. - De Minister heeft kennisgenomen van de brief van de Raad voor de rechtspraak van 21 februari jl. met de voorlopige opbrengst van de dialoog tussen de Raad en de gerechten. In deze brief, die als bijlage bij dit stuk wordt meegestuurd, gaat de Raad in op de eigen positie, de productiedruk, de afstand tussen bestuurders en rechters en raadsheren, de vertegenwoordiging van de rechtspraak door de Raad en op de benoemingsprocedure voor gerechtsbestuurders. De minister heeft grote waardering voor de wijze waarop de Raad zijn verantwoordelijkheid naar aanleiding van het manifest van de raadsheren uit Leeuwarden heeft opgepakt. In zijn beoordeling gaat de minister nader in op: - de kwaliteit van de rechtspraak in het algemeen - de wijze van monitoring en toetsing van kwaliteit - de relatie tussen kwaliteit en werkdruk - verschillen tussen gerechten - de verhouding tot andere landen van Europa: een internationale vergelijking van de werkdruk in de rechtspraak - het bekostigingssysteem. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 160 Toezicht woningcorporaties Brief van de Minister voor WRD ( ) met de kabinetsreactie op de eindrapportage van de Commissie Kaderstelling en Toezicht Woningcorporaties. - De Commissie heeft zich in haar taakopvatting beperkt tot de toezichtstructuur in het bestaande stelsel van toegelaten instellingen met een hybride karakter. De minister maakt eerst enkele opmerkingen maken over de ontwikkelingen in dat bestel zelf. Vervolgens gaat hij, in samenhang met het advies van de Commissie, in op de voorgenomen herpositionering van het toezicht. Tot slot wordt specifiek ingegaan op de aanbevelingen van de Commissie. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 303 Outlaw ambtenaren Brief van de Minister van Justitie ( ) over outlawbikers werkzaam binnen domein veiligheid en justitie. - In een motie van de leden Dijkhoff en Marcouch van 31 januari 2013 (Kamerstuk ,nr. 364) wordt verzocht om voor 1 april 2013 zorg te dragen voor 1090 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

67 Wetgeving een richtlijn voor ambtenaren die werkzaam zijn in het domein veiligheid en justitie, waarin is opgenomen dat deel uitmaken van een club outlawbikers niet verenigbaar is met hun functie en aan de schending van deze richtlijn de consequentie te verbinden dat de bewuste ambtenaar uit zijn functie wordt ontheven. In deze brief informeert de minister de Kamer over de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan deze motie. Aan de orde komen het integriteitsbeleid bij de overheid en goed werkgeverschap en een beroep op de ambtenaar om zorgvuldig en verantwoordelijkheid om te gaan met bevoegdheden, middelen en informatie en bewustheid van het algemeen belang dat hij dient. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 375 Medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen Brief van de Minister van VWS ( ) waarin zij haar standpunt weergeeft op het rapport over de evaluatie van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) (Stb. 1998, 161). - In de inleiding schetst de minister de achtergrond van deze evaluatie en besteedt zij kort aandacht aan de positieve signalen uit het rapport. Daarna volgt een algemene bespreking van belangrijke hoofdthema s en de aanbevelingen die ten aanzien van gesignaleerde knelpunten zijn gedaan in deel I, en tot slot een bespreking van de verdere specifieke aanbevelingen in deel II. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 7 EU-burgers en bijstand Brief van de Minister van SZW ( ) waarin hij reageert op uitspraken van de CRvB van 18 maart 2013 in zaken tussen EU-burgers en gemeenten, waarbij gemeenten in het ongelijk zijn gesteld. - In deze uitspraken wordt geoordeeld dat een aanvraag om bijstand van een EU-burger niet direct betekent dat die burger niet meer in Nederland mag zijn. Daarbij stelt de Centrale Raad van Beroep ook vast dat als een EU-burger bijstand aanvraagt, de gemeente niet zelf mag beslissen of die burger in Nederland mag blijven. Dat besluit moet worden genomen door de IND. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 118 Onbemande vliegtuigjes Brief van de Minister van Defensie ( ) waarin zij de Kamer informeert over de praktische inzet van Nederlandse Unmanned Aerial Vehicles (UAV s). - Onbemande vliegtuigen spelen bij de inlichtingenvergaring een steeds grotere rol. Op dit moment beschikt de Nederlandse krijgsmacht over twee typen onbewapende onbemande vliegtuigen, de Raven en de Scan Eagle. De Raven wordt met de hand gelanceerd en kan video-opnamen maken met een dag- of nachtcamera die voorafgaand aan de vlucht moet worden gemonteerd. De Raven heeft een maximale vluchtduur van ongeveer een uur. Sinds eind 2009 wordt de Raven ook voor nationale taken ingezet. Het systeem kan, net als alle andere defensiecapaciteiten, op verzoek van- en onder gezag van civiele autoriteiten worden ingezet. Voorbeelden zijn de doelgerichte ondersteuning bij strafrechtelijk onderzoek, bijdragen aan de opsporing van verdachten of vermisten, beeldopbouw in rampgebieden, bij bosbranden of grote evenementen. De meest voorkomende inzet is op basis van de Politiewet ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek. Op verzoek van het OM kan via het ministerie van V&J een aanvraag voor militaire bijstand worden ingediend. De duur van de inzet varieert van een dag tot enkele weken. Bij het besluit tot inzet van een Raven wordt altijd getoetst of inzet van het middel proportioneel is. De Raven opereert op een hoogte van ongeveer driehonderd meter. Op deze hoogte is de beeldkwaliteit van de daglichtcamera onvoldoende voor gezichtsherkenning. De nachtcamera produceert een tweekleurig beeld waarbij slechts de contouren van warmtebronnen worden weergegeven. De beelden van de Raven worden direct ter beschikking gesteld van het civiele gezag waarvoor de inzet wordt uitgevoerd. Van de Scan Eagle bestaan twee typen, een analoge en een digitale versie. Vanwege mogelijke interferentie mag de analoge versie van het systeem niet boven Nederland worden ingezet. De digitale versie van de Scan Eagle wordt momenteel ingevoerd. Deze versie mag wel boven Nederland vliegen maar het bedienend personeel is hiervoor nog niet gekwalificeerd. Zodra dit wel het geval is, kan de Scan Eagle ook worden ingezet ten behoeve van civiele autoriteiten in ons eigen land. Dit is voorzien voor het voorjaar van Kamerstukken II 2012/13, , nr. 11 Slachtofferhulp in Caribisch Nederland Brief van de bewindslieden van V&J ( ) waarbij zij een rapport aanbieden van de Raad voor de Rechtshandhaving over hulp aan slachtoffers van delicten in Caribisch Nederland. Het rapport is als bijlage bij deze brief meegestuurd. - De Raad voor de Rechtshandhaving heeft onderzocht hoe de slachtofferhulp in Caribisch Nederland is vormgegeven, of slachtofferhulp en de positie van slachtoffers voldoende is geborgd in vigerende wet- en regelgeving en of de geboden hulp aan slachtoffers voldoende effectief is. Voorafgaand aan de inhoudelijke reactie, wijzen de bewindslieden er nadrukkelijk op dat het kwaliteitsniveau van de dienstverlening in Caribisch Nederland niet vergeleken kan worden met het niveau in Europees Nederland. In de beleidsreactie wordt nader ingegaan op de volgende conclusies: - het daadwerkelijk operationeel zijn van het Bureau Slachtofferhulp (BSH) in Caribisch Nederland - de conlusie dat verankering van de positie van slachtoffers in wet- en regelgeving in Caribisch Nederland minder ver gaat dan de aanbevelingen van de VN ten aanzien van de grondrechten voor slachtoffer van delicten. De beleidsreactie gaat ook puntsgewijs in op de volgende aanbevelingen: 1. Behoud aandacht voor het verder professionaliseren van het BSH; 2. Zorg op korte termijn voor faciliteiten op Saba en St. Eustatius om ook daar de primaire behoefte aan slachtofferhulp te kunnen bieden; 3. Bezie de mogelijkheden om de opvang van huiselijk geweld te organiseren; 4. Standaardiseer en implementeer de controle op de tenuitvoerlegging van vonnissen waarbij tevens een schadevergoeding aan slachtoffers is opgelegd. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 128 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

68 Wetgeving Gelaagdheid vreemdelingenregelgeving Brief van de Staatssecretaris van V&J ( ) waarbij hij het onderzoeksrapport De gelaagdheid van de vreemdelingenregelgeving in historisch en vergelijkend perspectief aan biedt. Dit rapport is in opdracht van het WODC uitgevoerd door het Onderzoekscentrum voor Staat en Recht van de Radboud Universiteit. - Bij de historische analyse staat de vraag centraal welke inzichten de geschiedenis van de Nederlandse vreemdelingenregelgeving biedt in de oorzaken van de huidige gelaagdheid en de voor- en nadelen ervan voor instanties en functionarissen die de regels moeten uitvoeren, handhaven, toepassen en interpreteren. De Vreemdelingenwet van 1965 ligt ten grondslag aan de huidige systematiek, die volgens de onderzoekers sindsdien niet meer substantieel is gewijzigd. De onderzoekers hebben niet echt een antwoord gevonden op de vraag waar de gelaagdheid van de vreemdelingenregelgeving vandaan komt en wat de argumenten waren om een gelaagd stelsel in het leven te roepen. Algemene redenen voor de gelaagdheid zijn flexibiliteit en slagvaardigheid van bestuur en het ontlasten van de parlementaire wetgever. Europese regels speelden bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 1965 nauwelijks een rol. Inmiddels zijn ze een van de belangrijkste redenen tot wijzigingen in de regelgeving. Richtlijnen worden in Nederland vaak omgezet op het niveau van algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Snelheid en het in stand houden van de systematiek van de bestaande regelgeving spelen daarbij een rol. De onderzoekers vragen aandacht voor de constatering dat richtlijnen steeds slechts betrekking hebben op één categorie vreemdelingen, zoals Unieburgers, gezinsleden, langdurig ingezetenen en studenten, terwijl de Vreemdelingenwet 2000 betrekking heeft op alle categorieën. Deze afwijkende systematiek bemoeilijkt de implementatie en verklaart deels de keuze voor implementatie in lagere regelgeving. De onderzoekers concluderen dat de problemen niet zozeer zitten in de gelaagdheid als zodanig, als wel in de omvang en de complexiteit van het geheel aan regelgeving, het gebrek aan inzichtelijkheid van de verdeling van de regels over de lagen, en de frequente wijzigingen. Formeel wordt de keuze in welke regelgevingslaag een regel wordt neergelegd door de formele wetgever gemaakt. De onderzoekers concluderen dat er naast de Aanwijzingen voor de regelgeving weinig gemeenschappelijke criteria zijn aangetroffen over wat in welke regelgevingslaag behoort te worden opgenomen. De gelaagdheid heeft voordelen voor het bestuur. De gelaagdheid zorgt voor flexibliteit en beleidsruimte. Vanuit de advocatuur en wetenschap is daar tegenin gebracht dat de gelaagdheid een verlies van rechtszekerheid kan betekenen vanwege de gebrekkige inzichtelijkheid. Ook hebben de onderzoekers geconstateerd dat er kritisch wordt gekeken naar de Vreemdelingencirculaire Er is door de huidige opzet van de Vc 2000 een mix van herhalingen en/of parafrasering van algemeen verbindende voorschriften, passages uit toelichtingen daarop, beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb en werkinstructies onvoldoende inzicht in het onderscheid tussen algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels. In de externe rechtsvergelijking constateren de onderzoekers dat Duitsland, Frankrijk en de meeste andere lidstaten de richtlijnen op het gebied van migratie en asiel voor een belangrijk deel op het niveau van de formele wet hebben omgezet. Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben meer gebruik gemaakt van gedelegeerde wetgeving. Het rapport concludeert dat de omvang en de complexiteit van de systematiek wel problematisch is, maar dat de spanning tussen de behoefte aan flexibiliteit en aan een inzichtelijk systeem niet onoverbrugbaar hoeft te zijn. Daartoe doen zij een drietal aanbevelingen waarop wordt ingegaan. Kamerstukken I 2012/13, , J JBZ-Raad Brief van de bewindslieden van V&J ( ) waarbij zij het verslag aanbieden van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, gehouden in Brussel op 7 en 8 maart Tijdens de bijeenkomst kwamen onder meer de volgende onderwerpen aan de orde: -toepassing van het Schengenacquis op Roemenië en Bulgarije - pakket Slimme Grenzen - SIS II - gegevensbescherming - verordening 539/2001 inzake opschortingsmechanisme - Eurosur - technische wijziging Schengengrenscode - Meerjarig Financieel Kader - Europees asielstelsel - richtlijnen ICT en seizoenarbeiders - tegengaan gewelddadig extremisme - verordening gegevensbescherming - Richtlijn toegang tot raadsman - Richtlijn Europees onderzoeksbevel - Richtlijn confiscatie. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 168 Provisieverbod beleggingsondernemingen Brief van de Minister van Financiën ( ) over een provisieverbod voor beleggingsondernemingen. - Op Europees niveau blijkt (op korte termijn) een provisieverbod voor financiële dienstverleners niet haalbaar. Daarom wil de minister, in navolging van het provisieverbod voor financiële dienstverleners dat per 1 januari 2013 van kracht is geworden, nationaal stappen zetten om provisies voor beleggingsondernemingen te verbieden. Het provisieverbod voor beleggingsondernemingen zal deel uitmaken van het Wijzigingsbesluit financiële markten Dit besluit wordt begin april geconsulteerd en zal naar verwachting in werking treden per 1 januari Kamerstukken II 2012/13, , nr. 13 Bestuur in samenhang Brief van de Minister van BZK ( ) waarbij hij de nota Bestuur in samenhang. De bestuurlijke organisatie in Nederland aanbiedt. - Met deze nota voldoet de minister aan de toezegging van de ministerpresident, in reactie op de motie-kox, om de voornemens van het regeerakkoord ten aanzien van de bestuurlijke organisatie in samenhang te presenteren. De nota is als bijlage bij deze brief te vinden. Kamerstukken II 2012/13, , nr NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

69 Wetgeving Militaire samenwerking en soevereiniteit Brief van de Ministers van Defensie en BuZa ( ) waarin zij de kabinetsvisie op het soevereiniteitsvraagstuk en bilaterale samenwerking uiteenzetten, mede in het licht van de vormgeving van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid. - Aan de orde komen de beschikbare capaciteiten, militaire operaties, internationale partners en besluitvorming en Europese militaire samenwerking. Het kabinet ziet de verdergaande internationale militaire samenwerking niet als een aantasting van de nationale zeggenschap maar acht het van groot belang dat de verantwoordelijkheid voor deelneming aan samenwerkingsverbanden en missies werkelijk als een mét andere landen gedeelde verantwoordelijkheid wordt beleefd. Tijdig contact tussen regeringen en parlementen die zich over de operatie moeten uitspreken is daarom wenselijk. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 4 Verdragen Brief van de Minister van BuZa ( ) met het jaarlijkse overzicht van tot stand gekomen verdragen, waarbij partij worden van het Koninkrijk tot de reële mogelijkheden behoort, maar die nog niet ter goedkeuring zijn ingediend. - Het overzicht, dat als bijlage bij de brief te vinden is, bestaat uit drie lijsten. Ten eerste een lijst van verdragen waarvan verwacht wordt dat zij in de loop van 2013 ter parlementaire goedkeuring worden ingediend (lijst I, 65 verdragen). Ten tweede, een lijst van verdragen waarvan de indiening ter goedkeuring eerst op langere termijn te verwachten valt, of ten aanzien waarvan nog geen beslissing is genomen over de wenselijkheid van partij worden (lijst II, 39 verdragen). Ten derde, een lijst van verdragen ten aanzien waarvan is besloten dat partij daarbij worden onder de huidige omstandigheden niet wenselijk is (lijst III, 27 verdragen). Kamerstukken II 2012/13, V, nr. 122 Nationalisatie SNS REAAL Geredigeerd woordelijk verslag van een hoorzitting die de vaste cie. voor Financiën heeft gevoerd op 8 maart 2013 (vastgesteld ) over de nationalisatie van SNS REAAL. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 26 Burgers en Europa Brief van de Minister van BZK ( ) met een kabinetsreactie op de de essaybundel van de Raad voor het openbaar bestuur Europa, burgerschap en democratie. Over de gespannen relatie tussen burgers en Europa en de mogelijkheden om die te ontspannen. - Verwezen wordt naar de visie van het kabinet op Europa die, ook voor zover het Europa in relatie tot democratie en de burger betreft, is opgenomen in de Staat van de Europese Unie Deze is op 15 februari 2013 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, , nr. 1). Kamerstukken II 2012/13, , nr. 18 Eigen bijdrage veroordeelden Brief van de Staatssecretaris van V&J ( ) over een eventuele verplichte bijdrage van veroordeelden aan de slachtofferzorg. - In deze brief wordt ingegaan op de wijze waarop in het buitenland regelingen voor het heffen van een verplichte bijdrage aan veroordeelden van strafbare feiten zijn vormgegeven. Het overzicht van de ervaringen in een vijftal landen biedt aanknopingspunten voor de vormgeving van een verplichte bijdrage voor veroordeelden in Nederland. Deze aanknopingspunten zullen worden betrokken bij een uitvoeringsanalyse. Deze moet inzicht geven in de consequenties van de invoering van een verplichte bijdrage voor veroordeelden in Nederland en welke cumulatieve effecten optreden in de samenloop met de in het Regeerakkoord aangekondigde eigenbijdrageregeling voor gedetineerden en het verhaal van de kosten van het strafproces op daders. Voorts wordt in deze brief ingegaan op een plan van aanpak van het CJIB voor daders die wel willen maar niet kunnen betalen. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 3 Commissie Haren Brief van de Minister van V&J ( ) met een reactie op op de bevindingen van de Cie. Haren. - In het rapport van de commissie Haren zijn mede een aantal landelijke thema s besproken: de paraatheid van de politie, de omgang met de sociale media, het bestuurlijke instrumentarium bij dreigende openbare ordeverstoringen, opsporing en vervolging en het beleid om uitgaansgeweld en alcoholmisbruik tegen te gaan. In deze brief wordt een reactie gegeven op deze thema s, waarbij de aanbevelingen uit het rapport worden gevolgd. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 2 THC-gehalte wiet Brief van de Staatssecretaris van VWS ( ) waarbij hij een ontwerpbesluit, houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet aanbiedt. - De voorgenomen wijziging betreft de plaatsing op delijst van hasjiesj en hennep met een gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van 15 % of meer. Het ontwerpbesluit en het rapport Impactanalyse zware cannabis op lijst I zijn als bijlage bij dit stuk te vinden. Kamerstukken II 2012/13, , nr. 1 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

70 Nieuws 862 Jaarverslag Raad van State 2012 Overheidshandelen is ook rechtsvorming De ontwikkelingen en vraagstukken waarmee Nederland nu wordt geconfronteerd, zijn niet van voorbijgaande aard, zoals de veelgebruikte aanduiding crisis suggereert. Zij vergen structurele hervormingen en aanpassingen. De verhouding tussen staat en samenleving zal duurzaam wijzigen door deze hervormingen en aanpassingen. Nederland bevindt zich momenteel in een overgangssituatie. Voorkomen moet worden dat Nederland langdurig vastloopt in het proces van overgang. Dat kan het functioneren van de democratische rechtsstaat ingrijpend en duurzaam raken en veranderen. Bij de aanpak van de problematiek zal steeds voor ogen moeten staan dat overheidshandelen in de rechtsstaat ook rechtsvormend moet zijn. In tijden dat financieel-economische problemen, hervormingen en bezuinigingen het debat domineren, lijkt veel te moeten wijken voor bestuurlijke slagvaardigheid. Bij de veranderingen in de omvang die op dit moment nodig zijn, gaat het echter om meer dan veranderingen in middelen, regels en structuren. Zij raken mede aan de rechtsordening en het staatkundige kader waarbinnen de samenleving functioneert. Dit is te lezen in de inleidende beschouwing in het jaarverslag van de Raad van State over De staat van de economie en de overheidsfinanciën en de gevolgen daarvan voor het functioneren van zorg, diensten en overheidsfuncties, geven de Raad van State aanleiding voor zorg en aandacht. Als gevolg van noodzakelijke hervormingen en aanpassingen zal de plaats van de overheid in de samenleving veranderen. De uitgavenbeperking die nodig is, impliceert dat een veel groter deel van de kosten van publieke voorzieningen door gebruikers gedragen zal moeten worden. Dat vergt duidelijkheid over waar men voortaan niet meer op mag rekenen en tegenover verminderde voorzieningen zal uiteindelijk ook lastenverlichting gesteld moeten worden. De cumulatie van de vele veranderingen dreigt geleidelijk aan kwalitatieve gevolgen te hebben voor wezenlijke functies van de staat. In de democratische rechtsstaat is handelen van de overheid ook steeds rechtsvormend. Daarmee wordt bedoeld dat beleid en handelen van de overheid steeds mede uitwerking moeten geven aan rechtsgevoelens, fundamentele beginselen van recht en gemeenschappelijke waarden. In die zin is verandering in maatschappelijke verhoudingen steeds ook rechtsvinding. Uitgangspunt van de democratische rechtsstaat is dat het primaat van die rechtsvinding bij de wetgever ligt, maar die dient daar dan invulling aan te geven. In een tijd waarin verandering van beleid en regelgeving vaak een hoge urgentie heeft vanwege financiële gevolgen, kan dat aspect licht uit het oog worden verloren. Raad van State als institutie In de taken van de Raad van State komen de aspecten van het functioneren van de staat samen; niet alleen tussen wetgeving(sadvisering) en (bestuurs)rechtspraak, maar ook tussen bestuurlijke actualiteit en continuïteit van staat en constitutie, tussen nationale autonomie en Europese samenwerking, tussen nationaal recht en internationale verplichting, tussen het land Nederland en het Koninkrijk der Nederlanden, tussen publiek domein en de private sfeer. De betrokkenheid bij al deze aspecten biedt de Raad en zijn Afdelingen een breed overzicht over het handelen van de staat. De verankering van de taken van de Raad in afzonderlijke Afdelingen binnen één institutie, biedt de nodige waarborgen ten aanzien van de gescheiden uitoefening van wetgevingsadvisering en bestuursrechtspraak, zonder de voordelen van de synergie van de kennis en ervaring op verschillende terreinen van het recht te verliezen. Die synergie biedt voordelen bij de toepassing en de verdieping van kennis en inzicht op terreinen zoals dat van het constitutionele recht, het Europees recht en de beginselen van het bestuursrecht, maar ook bij de praktische invulling van zijn taken. De Raad als adviseur In 2012 legden regering en parlement in totaal 514 zaken ter advisering voor aan de Afdeling advisering. Dat is minder dan in voorgaande jaren. In 2012 heeft de Afdeling advisering 566 wetgevingsadviezen uitgebracht. Dat is meer dan in 2011, toen 510 adviezen werden vastgesteld. De gemiddelde adviesduur was 39 dagen. Bijna 80% van alle adviesaanvragen werd binnen twee maanden afgedaan; bijna 52% binnen één maand. De Afdeling advisering geeft aan het slot van de adviezen over regeringsvoorstellen een eindoordeel. Voor dit dictum wordt gebruik gemaakt van zes standaardformuleringen die de zwaarte van het advies aangeven. Is er ingrijpende kritiek op het voorstel, dan zal dit tot een zwaar dictum leiden. 38 van de in totaal 566 adviezen die de Afdeling advisering in 2012 heeft vastgesteld, bevatten een zwaar dictum. Dit komt neer op 7,2%. De laatste jaren doet zich steeds vaker het fenomeen voor dat de politieke wilsvorming sneller gaat dan het wetgevingsproces. Daarmee krijgt wetgeving meer het karakter van beleid dat aan frequente wijzigingen onderhevig is. In 2012 is die dynamiek in de wetgeving duidelijk 1094 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

71 Nieuws zichtbaar geweest, mede als gevolg van wisselende politieke constellaties als gevolg van de val van het kabinet Rutte-I, het Lente-akkoord en het aantreden van het kabinet Rutte-II. Juist in tijden van (stelsel) verandering moet wetgeving aan inhoudelijke kwaliteitseisen voldoen en moet de wetgevingsprocedure ordentelijk verlopen. Dit betekent in de eerste plaats een zorgvuldige voorbereiding. In een aantal gevallen stelde de Afdeling advisering het afgelopen jaar vast dat de motivering van wezenlijke onderdelen van een wetsvoorstel verbetering behoefde. Zij vroeg ook aandacht voor het overgangsrecht en voor het verschijnsel dat wetsvoorstellen, die in een vergevorderd stadium van parlementaire behandeling waren, of reeds door het parlement waren aangenomen, alsnog werden gewijzigd of volledig werden teruggedraaid. Een voorbeeld hiervan is de langstudeermaatregel. In 2012 is de Afdeling advisering een aantal keren gestuit op de situatie dat een wetsvoorstel voor advies werd voorgelegd, terwijl reeds belangrijke stappen waren gezet of op stapel stonden in het kader van de uitvoering van datzelfde wetsvoorstel. Dergelijke situaties roepen vanuit het oogpunt van zowel legaliteit als democratische legitimiteit vragen op. Voorbeelden daarvan waren de invoering van prestatiebekostiging in het hoger onderwijs en de instelling van de Autoriteit Consument en Markt. Regeldruk is de afgelopen jaren voor de verschillende kabinetten een belangrijk aandachtspunt geweest. Paradox daarbij is dat enerzijds campagnes worden gericht op deregulering en lastenvermindering, maar anderzijds soms onnodig gedetailleerde regelingen worden voorgesteld. De Afdeling advisering heeft in 2012 in een aantal gevallen gewezen op voorstellen die tot in detail het handelen van burgers, bedrijven of overheid normeren en daarbij voorbijgaan aan de eigen verantwoordelijkheid, of op regels die een reflex zijn op gebeurtenissen die het nieuws hebben gehaald, maar waarvan de effectiviteit en doelmatigheid kunnen worden betwijfeld. De Raad als bestuursrechter De Raad deed het afgelopen jaar ruim zaken af, 140 meer dan er binnenkwamen in Dat ligt weliswaar iets onder het niveau van 2011, maar is nog wat hoger dan dat van 2010 dat toen aanzienlijk hoger was (ongeveer 3000 zaken meer) dan de jaren daarvoor. Het beeld dat het aantal zaken dat de Afdeling bestuursrechtspraak sinds 2010 jaarlijks afdoet met ongeveer een kwart is gestegen in vergelijking met de jaren daarvoor, is stabiel gebleven. In 2012 was de gemiddelde doorlooptijd van alle zaken 26 weken. Verdeeld over de drie kamers van de Afdeling bestuursrechtspraak is het beeld: gemiddeld 34 weken in de Ruimtelijke-ordeningskamer, 22 weken in de Vreemdelingenkamer en 32 weken in de Algemene kamer. Effectieve geschilbeslechting Effectieve geschilbeslechting in het bestuursrecht betekent vooral dat door de uitspraak het geschil ook daadwerkelijk is opgelost. Bij ongegrondverklaring van het beroep tegen een overheidsbesluit is dat het geval; dit besluit kan dan definitief worden uitgevoerd. Ingewikkelder is het als een besluit gebreken vertoont en voor vernietiging door de bestuursrechter in aanmerking komt. Voorheen was gebruikelijk dat de zaak dan naar het overheidsorgaan terugging en dat de procedure dan vaak van voren af aan opnieuw begon. Momenteel wordt onder regie van de rechter in veel gevallen tot een einduitspraak gekomen, soms na een tussenuitspraak, waarin de rechter aangeeft welke gebreken op korte termijn hersteld moeten worden. In 2012 paste de Afdeling bestuursrechtspraak dit 114 keer toe. Een nieuwe standaardwerkwijze op zitting In 2012 werd op reguliere basis begonnen met een nieuwe standaardwerkwijze op rechtszittingen. De leden van de zittingskamer beginnen met het stellen van vragen, gericht op wat nog onduidelijk is en op het verhelderen van de geschilpunten. Daardoor wordt sneller doorgedrongen tot de kern van die geschilpunten dan wanneer procespartijen eerst uitvoerig hun standpunten bepleiten en daarbij onvermijdelijk herhalen van wat uit het dossier al duidelijk is. Partijen wordt echter altijd de gelegenheid geboden om te beginnen met een korte uiteenzetting van vijf minuten. Rechtseenheid In de Commissie rechtseenheid bestuursrecht, waarin de vier hoogste bestuursrechters samenwerken, werden in 2012 weer veel afspraken gemaakt. Op basis hiervan sloot de Afdeling bestuursrechtspraak zich bijvoorbeeld aan bij de rechtspraak van onder meer de Hoge Raad over termijnoverschrijding van het indienen van een beroep. Van belang voor de rechtseenheid is ook de Wet aanpassing bestuursprocesrecht die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Deze wet biedt de Afdeling bestuursrechtspraak de mogelijkheid een conclusie te vragen aan een advocaatgeneraal en een zogenoemde grote kamer in te stellen, die bestaat uit vijf leden. Deze instrumenten zullen vooral worden ingezet, als het belang van de rechtseenheid of rechtsvorming daarom vraagt. Samenvoeging Het regeerakkoord Bruggen slaan bevat een interessante passage over de samenvoeging van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Concentratie van de bestuursrechtspraak bij de Raad van State is de meest wenselijke optie, aldus het Jaarverslag. Op het samenvoegen van de drie hoogste bestuursrechterlijke colleges is de organisatie van de Afdeling bestuursrechtspraak goed voorbereid. Wat betreft de rechtseenheid zijn er geen problemen die om deze oplossing vragen. De concentratie van de rechterlijke colleges zou voor de bestuursrechtspraak als geheel wel een verbetering van de doorlooptijden en een besparing van kosten kunnen betekenen. Om dat te bereiken, is het nodig dat de werkwijze van de Afdeling bestuursrechtspraak over de gehele linie van het hoger beroep in het bestuursrecht wordt gevolgd. NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

72 Nieuws 863 Weer meer wrakingsverzoeken Aandeel toewijzingen blijft gelijk Het totaal aantal wrakingsverzoeken in Nederlandse gerechten is opnieuw gestegen: van 587 in 2011 naar 659 verzoeken in 2012, een stijging van 10,9 %. Het percentage gehonoreerde wrakingsverzoeken bleef nagenoeg gelijk: 6,4 %. Dat blijkt uit de wrakingscijfers over De Rechtspraak denkt na over methoden om het systeem van wraking te moderniseren. Gemiddeld 94 van de 100 wrakingsverzoeken worden niet gehonoreerd. Het aantal verzoeken zelf is de afgelopen zes jaar meer dan verdubbeld: van 248 in 2006 naar 659 in In totaal zijn er jaarlijks circa 1,8 miljoen rechtszaken in Nederland. De stijging komt onder andere door de toegenomen bekendheid van het fenomeen wraking, stelt rechter Jaap Sap, voorzitter van de wrakingskamer van rechtbank Midden-Nederland: De wraking in het proces Wilders eind 2010 was breed op televisie. Daarna was er een hausse aan wrakingsverzoeken en dat is hoog gebleven, al lijkt het zich nu wel te stabiliseren. Ook de ontwikkeling dat rechters tijdens de zitting meer open communiceren, stimuleert het aantal verzoeken. De procespartijen krijgen daardoor meer zicht op de beweegredenen van de rechtbank. Op zichzelf een goede ontwikkeling, maar met als bij-effect meer wrakingsverzoeken. Oneigenlijk gebruik Sap ziet twee redenen om de wrakingsprocedure zoals die nu verloopt tegen het licht te houden. In de eerste plaats om het oneigenlijk gebruik van wraking tegen te gaan. Hiervoor is het nodig de gevallen van oneigenlijk gebruik sneller uit te filteren. Daarmee zijn ze bij rechtbank Midden-Nederland al aardig op weg. Er is een groep burgers Wrakingsverzoeken, Aantal ingediende wrakingsverzoeken - rechtbanken gerechtshoven CRvB CBB Aantal gehonoreerde wrakingsverzoeken - rechtbanken gerechtshoven CRvB CBB die er een genoegen in schept om zaken rond verkeersboetes zo lang mogelijk te traineren. Soms schrijven ze alleen maar de zin: Ik wraak de rechter. Wij vragen nu direct welke rechter en waarom. Als ze niet antwoorden, wordt het wrakingsverzoek niet verder in behandeling genomen. Daarnaast zouden bij voorbaat kansloze verzoeken zonder een formele wrakingszitting kunnen worden afgedaan. Hierbij valt te denken aan verzoeken die veel te laat zijn ingediend of die zelfs pas binnenkomen na de einduitspraak. Die komen nu allemaal op de zitting, omdat de 25 jaar echt te oud Een vrouw van 25 jaar is bij haar sollicitatie voor verkoper bij kledingwinkel Esprit afgewezen omdat ze te oud en daarmee te duur zou zijn. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde dat Esprit de vrouw discrimineerde op basis van haar leeftijd. Uit het voic bericht waarin de vrouw voor de functie werd afgewezen, blijkt dat Esprit haar echt te oud vindt en dat het bedrijf op zoek is naar iemand onder de 23 jaar. Daarmee kan het bedrijf de loonkosten drukken. Volgens het College is het maken van onderscheid naar leeftijd niet toegestaan als het alleen om budgettaire overwegingen gaat. Ook is de wettelijke uitzondering hier niet van toepassing, die leeftijdsonderscheid mogelijk maakt voor bepaalde groepen in verband met de arbeidsparticipatie. Zie oordeel: NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

73 Nieuws wet dat voorschrijft. Als dat kan worden afgedaan zonder zitting of met een voorzittersbeslissing, blijven de echte verzoeken over. Een tweede belangrijke reden om naar de procedure te kijken, is om de serieuze wrakingsverzoeken juist die tijd en aandacht te geven die ze verdienen, aldus Sap. Zeker nu het aantal wrakingsverzoeken elk jaar toeneemt. De wrakingskamer Midden-Nederland besteedt veel tijd en aandacht aan de echte wrakingsverzoeken. Volgens de indieners van verzoeken doet de rechtbank dat naar tevredenheid. Dit blijkt ook uit recente onderzoeken van de universiteit Utrecht. Sap: Ook als het verzoek wordt afgewezen, is men meestal positief. Men voelt zich gehoord, of heeft een duidelijke uitleg gekregen waarom het verzoek niet slaagt. Bron: nieuwsberichten rechtspraak.nl 865 EU-scorebord voor justitie Commissie verruimt analyse van de rechtsstelsels van de lidstaten De Europese Commissie heeft een nieuw vergelijkingsinstrument gepresenteerd om effectieve rechtsstelsels in de Europese Unie te bevorderen en op die manier de economische groei te versterken. Het Europese scorebord voor justitie moet ervoor zorgen dat er objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens voorhanden zijn over het functioneren van de rechtsstelsels in de 27 lidstaten van de EU. Effectieve rechtsstelsels zijn van cruciaal belang voor groei: als er op de rechtsstaat kan worden vertrouwd, is er ook vertrouwen om in de economie te investeren. 7 Omdat de nationale rechterlijke instanties een essentiële rol spelen in de handhaving van het EU recht, zijn effectieve nationale rechtsstelsels ook van belang voor een effectieve tenuitvoerlegging van het EU-recht. Tekortkomingen in de nationale rechtsstelsels zijn derhalve niet alleen een probleem van de betrokken lidstaat, maar kunnen ook van invloed zijn op de werking van de eengemaakte markt en de tenuitvoerlegging van EU instrumenten die gebaseerd zijn op wederzijdse erkenning en samenwerking, alsook de bescherming ondermijnen die burgers en ondernemingen mogen verwachten bij de handhaving van hun rechten uit hoofde van het EU recht. In het scorebord voor justitie 2013 wordt er gekeken naar de parameters van een rechtsstelsel die bijdragen tot een beter ondernemings- en investeringsklimaat. Zo wordt er met name gekeken naar efficiëntie indicatoren voor burgerlijke en handelszaken die relevant zijn voor de afhandeling van handelsgeschillen. Er wordt ook gekeken naar de administratieve rechterlijke instanties, omdat die een belangrijke rol spelen voor het ondernemingsklimaat, bijvoorbeeld in verband met het afgeven van vergunningen of voor geschillen met belastingdiensten of met nationale regelgevende instanties (2)* (3) (4) (7) (9) (11) (13) (16) (21) (28) (30) (35) (37) (39) (50) (60) (61) (67) (68) (70) (72) (75) (82) (98) (102)(114)(115) Finland Netherlands ireland Germany Sweden UK Denmark 1 0 Luxembourg Estonia Belgium Austria Malta France Cyprus poland Spain * Number displays the rank among 144 countries in the world. Latvia Portugal Italy Slovenia Hungary Czech Republic Lithuania Greece Bulgaria Romania Slovakia 2 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

74 Nieuws Bevindingen van het eerste scorebord Wat zijn de belangrijkste bevindingen van het eerste scorebord? - lidstaten. In een derde van de lidsta- minstens twee keer zo lang als in het merendeel van de lidstaten. te verbeteren. Hoewel de meeste lid- teem hebben, blijven verschillende lenbeslechting, zoals bemiddeling, verminderen de werklast bij de rech- heid van de nationale rechtsstelsels varieert ook sterk. Hoewel verschil- - - sel eerder als laag. Maatregelen in aanmerking worden genomen bij de voorbereiding van de volgende sommige gevallen toe leiden dat de lijkse begrotingen en andere wetge- - - ciënte rechtsstelsels aan economi- Forensische ondersteuning helpt strafrechters Strafrechters hebben veel aan forensische ondersteuning bij het beoordelen van technisch bewijs. Dat blijkt uit een proef met de inzet van forensisch medewerkers bij drie rechtbanken. De resultaten zijn zo gunstig, dat overwogen wordt bij alle rechtbanken een forensisch medewerker aan te stellen. T cessen, onder meer doordat - Rechters moeten elk bewijsmiddel kritisch beoordelen en in het vonnis toelichten welke waarde eraan wordt toegekend. Maar met de technische mogelijkheden neemt ook het weten- ten toe. Het wordt steeds moeilijker voorbeeld het Nederlands Forensisch Proef - - ters en vertegenwoordigers van de ding Forensic science gingen twee Haag en Midden-Nederland, om rech- - - ging de kans krijgt vragen te stellen? - de twee jaar bij alle rechtbanken een - rie, het Nederlands Forensisch Insti- Haag en Midden-Nederland is ver- Bron: nieuwsbericht rechtspraak.nl 1098 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

75 Nieuws 867 Disciplinaire maatregelen rechters De mogelijkheden om rechters bij ongeoorloofd gedrag of andere ongewenste situaties een passende disciplinaire maatregel op te leggen, worden verruimd. Ook komen er nieuwe zogeheten orde- en sturingsmaatregelen. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat de minister van Veiligheid en Justitie voor advies naar verschillende instanties heeft gestuurd. Op internetconsultatie.nl is het voorstel te vinden, daar kan tot 3 mei aanstaande op de plannen worden gereageerd. De huidige regeling kent bij ongeoorloofd gedrag alleen de schriftelijke waarschuwing en het strafontslag als disciplinaire maatregelen. Het wetsvoorstel Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen bevat verschillende aanpassingen van de wettelijke regeling van de rechtspositionele bevoegdheden, die ten aanzien van (vooral) voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren kunnen worden uitgeoefend. Voorgestelde maatregelen Allereerst leidt een aanpassing van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) tot een verruiming van de mogelijkheden om ten aanzien van een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, in geval van ongeoorloofd gedrag, een passende disciplinaire maatregel op te leggen. Deze verruiming breidt het aantal mogelijke disciplinaire maatregelen uiten neemt beperkingen in de keuze tussen disciplinaire maatregelen in geval van specifiek ongeoorloofd gedrag, zo veel mogelijk weg. In samenhang hiermee wordt voorgesteld enkele andere maatregelen (orde- en sturingsmaatregelen) te introduceren die bij anderszins ongewenste situaties, of het ernstige vermoeden daarvan, ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren kunnen worden getroffen. Ook wordt voorgesteld het mogelijk te maken dat de Hoge Raad kan besluiten tot overplaatsing van een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar naar een ander gerecht. Dit is geen disciplinaire maatregel. Alle disciplinaire maatregelen zijn opgenomen in het nieuwe artikel 46ca Wrra. De overplaatsing die is geregeld in artikel 46kb (nieuw) past bij de bevoegdheden die de Hoge Raad reeds heeft in het kader van regulier ontslag en herplaatsing. Een rechtbankpresident kan een ander gerecht straks verzoeken te besluiten een rechter tijdelijk op non-actief te stellen. Tegelijkertijd gaat dan een verzoek naar de procureur-generaal bij de Hoge Raad om een vordering tot schorsing te doen. Deze procedure kan worden gevolgd als snel actie nodig is. Voor het onderscheid tussen disciplinaire, orde- en sturingsmaatregelen en de bepaling wie of welk orgaan deze op moet leggen, is van belang dat in de artikelen 116 en 117 van de Grondwet voorwaarden voor de inrichting van de rechterlijke macht en waarborgen voor de rechterlijke onafhankelijkheid besloten liggen. Zo moet het toezicht op de ambtsvervulling op grond van artikel 116 Gw worden opgedragen aan leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en kunnen op grond van artikel 117 Grw de leden van de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast alleen worden geschorst en ontslagen door een tot de rechterlijke macht behorend gerecht. De door de Rechtspraak zelf ingestelde Werkgroep disciplinaire tussenstappen adviseerde al in 2009 het aantal mogelijke straffen tegen rechters te verruimen. De Presidentenvergadering en de Raad voor de rechtspraak stemden in met het advies. Onderdeel van het advies was te komen tot een pakket van disciplinaire strafmaatregelen en minder vergaande orde- en sturingsmaatregelen. Het wetsvoorstel van V&J borduurt voort op het advies van deze werkgroep. Nederlands is een officiële taal in Nederland, Vlaanderen (België) en Suriname. Dit gedeelde belang in het Nederlands ligt aan de basis van alles wat de Nederlandse Taalunie doet. De Taalunie zoekt voor snelle indiensttreding een Jurist m/v De functie U geeft algemeen en auteursrechtelijk advies aan medewerkers en partners en ondersteunt hen bij specifieke dossiers waarin juridische ondersteuning nodig is. Wie zoeken wij Europa). advies. Wat bieden wij aanstelling is bespreekbaar. Buitenlandse verblijven behoren tot de functie. en een motivatiebrief naar Yvonne Verweij, [email protected]. Voor meer informatie over deze functie kunt u contact opnemen met Yvonne Verweij, via [email protected]. Voor meer informatie over de Nederlandse Taalunie zie NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

76 Nieuws 868 Register incassomaatregelen Het kabinet heeft besloten een Centraal Digitaal Beslagregister (CDB) op te richten. Dit register is bedoeld om opgelegde beslagen per debiteur inzichtelijk te maken. Hierdoor kan onnodige stapeling van incassomaatregelen worden voorkomen en worden bewaakt dat mensen genoeg geld overhouden om rond te kunnen komen, dus dat de beslagvrije voet wordt gerespecteerd. Alle gerechtsdeurwaarders moeten beslagen op roerende zaken, onroerende zaken en loon- en derdenbeslag aanmelden bij dit register. Het kabinet heeft de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) gevraagd een ontwerp te maken en een begroting van de kosten van een register op te stellen. Uit onderzoek is gebleken dat mensen met schulden steeds vaker onder het wettelijk bestaansminimum terecht komen door een opeenstapeling van beslagleggingen. Bij stapeling van incassomaatregelen kan het gebeuren dat het belang van de schuldenaar te zeer in het gedrang komt en dat ook de belangen van de schuldeisers onderling met elkaar in conflict komen. Bij beter inzicht in en overzicht van de situatie van de debiteur kan een gerechtsdeurwaarder zijn opdrachtgever beter inlichten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een incasso. Het bevordert dat schuldeisers de zogenoemde beslagvrije voet respecteren. Goede samenwerking tussen verschillende schuldeisers en coördinatie van incassoactiviteiten is daarom van groot belang. Het kabinet heeft ook besloten om de voorstellen van de KBvG om het wettelijk beslagverbod roerende zaken te moderniseren ter hand te nemen. Dit gebeurt door de lijst van goederen uit te breiden waarop geen beslag mag worden gelegd. Hierdoor wordt het beslag op de inboedel proportioneler. Tot slot heeft het kabinet besloten een integrale rijksincassovisie te ontwikkelen waardoor een breed toetsingskader ontstaat waar toekomstige incassowetgeving aan moet voldoen. Een uitgebreide reactie van het kabinet op het rapport Paritas Passé, debiteuren en crediteuren in de knel door ongelijke incassobevoegdheden is aangeboden aan de Tweede Kamer. Het rapport gaat over de knelpunten die schuldenaren en schuldeisers ervaren door incassobevoegdheden van overheidinstanties. In de reactie van het kabinet is ook het rapport van de Nationale Ombudsman In het krijt bij de overheid betrokken. Bron: nieuwsbericht rijksoverheid.nl 869 Verdere daling asielinstroom Het aantal asielaanvragen is afgelopen jaar opnieuw fors gedaald. In 2012 zijn 15% minder eerste asielverzoeken ingediend dan een jaar eerder. In totaal ging het om 9810 verzoeken. In 2011 waren dat er nog Dit staat in de Rapportage Vreemdelingenketen 2012 die staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Door de dalende tendens in het aantal eerste asielaanvragen zakt Nederland van de zevende naar de achtste plaats op de lijst van Europese lidstaten met het hoogste aantal asielverzoeken. Bovenaan staat Duitsland met ruim aanvragen. Frankrijk en Zweden staan op de tweede en derde plaats. In totaal stond in de hele EU de teller in oktober 2012 op circa asielaanvragen. Hoewel de daling van het aantal eerste asielaanvragen doorzet, blijft het aantal tweede en volgende asielverzoeken stijgen. Dat waren er in het afgelopen jaar Dat betekent een stijging van 26%. De vertrekcijfers laten in 2012 een lichte daling zien. Dat komt vooral door de daling in het aantal personen dat aan de grens de toegang tot Nederland wordt geweigerd. Verder was het afgelopen jaar gedwongen terugkeer naar Irak en Somalië niet mogelijk. Daarnaast was de regeling voor langdurig in Nederland verblijvende kinderen, het zogeheten kinderpardon van invloed op de terugkeerbereidheid van gezinnen. Kamerstukken II 2012/13, , nr bijlage 1100 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

77 Universitair Nieuws 870 Wilt u dat uw (juridische) proefschrift of dat van iemand die u kent aangekondigd wordt in deze rubriek dan kunt u het proefschrift en een samenvatting sturen naar het redactiebureau; zie colofon. Oraties Willem Breemhaar, bijzonder hoogleraar Bijzondere onderwerpen Notarieel recht aan de Universiteit van Amsterdam, spreekt op 19 april om uur zijn oratie uit, getiteld: Van bloedige en andere handen in het erfrecht. Breemhaar ziet graag dat de erfrechtwetgeving op drie knelpunten wordt gewijzigd. Dit omdat zij de rechter voor een dilemma stellen. In het najaar van 2012 is het eindverslag van de Commissie Erfrecht van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie verschenen. Hierin worden wetswijzigingen voorgesteld ten aanzien van een reeks knelpunten die zich rond het erfrecht in de notariële praktijk voordoen. In aanvulling op dit eindverslag signaleert Breemhaar nog drie knelpunten. Is iemand als erfgenaam van de nalatenschap van zijn echtgenoot uitgesloten, indien hij deze om het leven heeft gebracht, maar niet ter zake daarvan strafrechtelijk is veroordeeld, omdat hij zich direct daarna zelf om het leven heeft gebracht? Kan een onterfd kleinkind een beroep op de legitieme portie in de nalatenschap van een grootouder doen, indien hij daarin in de plaats van een ouder legitimaris is, omdat hij deze om het leven heeft gebracht? Is een uiterste wil geldig, indien degene die daardoor wordt bevoordeeld, de erflater heeft bewerkt om die uiterste wil te maken? Plaats: Aula, Lutherse kerk, Singel 411 te Amsterdam Prof. dr. Frederik Swennen, hoogleraar personen- en familierecht, is benoemd tot Gasthoogleraar aan de Universiteit Utrecht voor het academiejaar in het raam van de wisselleerstoel van het Tijdschrift voor Privaatrecht. Op 22 april spreekt hij om uur zijn oratie uit onder de titel: Er is leven na de dood. Persoonlijkheidsrechten na het overlijden. Plaats: Academiegebouw, Domplein te Utrecht Op 24 april zal prof. mr. dr. L.H.J. (Maurice) Adams om uur zijn inaugurele rede uitspreken als hoogleraar Democratie en Rechtsstaat aan Tilburg Law School. De leerstoel wordt mogelijk gemaakt door het Nationaal Fonds voor Vrijheid en Veteranenzorg en maakt deel uit van een project waarin de betekenis centraal staat die aan grondwettelijke normen wordt toegekend in zowel de rechtswetenschap als in de politiek, rechtspraak en samenleving. De titel van Adams inaugurele rede luidt: Constitutionele cultuur in de democratische rechtsstaat. Plaats: Auditorium Tilburg University, Warandelaan 2 Op 26 april zal prof. Alessio Pacces, hoogleraar Law and Finance aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, om uur zijn inaugurele rede houden. De titel van zijn oratie luidt: The Future in Law and Finance. Het doel van law and finance onderzoek is gelegen in het vinden van de beste regulering van financiering die de economische groei ondersteunt. Law and finance is van oudsher gericht op de bescherming van financiers. Dat zou genoeg zijn als de toekomst voorspelbaar was. Omdat de toekomst in werkelijkheid onzeker is, vertonen de prijzen van financiële activa gebreken en kunnen op de korte termijn tot grote vergissingen of zelfs een wereldwijde crisis leiden. Ondanks dat deze fouten op de lange termijn hersteld worden, kan in de tussentijd veel schade ontstaan. Het financieel recht moet daarom niet alleen gericht zijn op de bescherming van financiers, maar ook op het inperken van de excessen van de markten bij het toestaan of beperken van de toegang tot financiering. De uitdaging van dit doel is het herstellen van de blinde vlekken in de marktwerking, zonder toe te staan dat beleidsmakers misbruik kunnen maken van de macht van overheden. Uiteindelijk blijven marktprijzen, hoe gebrekkig die ook kunnen zijn, het beste instrument voor regeling en groei van de markteconomie. Plaats: Aula, Campus Woudestein te Rotterdam Op vrijdag 17 mei geeft prof. mr. M.V. Polak, hoogleraar Internationaal privaatrecht en privaatrechtelijke rechtsvergelijking aan de Universiteit Leiden zijn afscheidscollege. Plaats: Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden Promoties Integratietoets mist doel In haar proefschrift analyseert Ricky van Oers de redenen voor introductie en effecten van burgerschapstoetsen, dat wil zeggen geformaliseerde taal- en kennis van de samenlevingstoetsen als voorwaarde voor naturalisatie in Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. In Nederland gaat het hier om het inburgeringsexamen, het slagen waarvoor ook een voorwaarde is voor het verkrijgen van een permanente verblijfsvergunning. Het boek heeft als doel de expliciete en latente doelen van de burgerschapstoetsen vast te stellen, alsmede de bedoelde en onbedoelde effecten die ze produceren te analyseren. De vraag waarom de drie onderzochte landen burgerschapstests hebben geïntroduceerd wordt beantwoord aan de hand van een analyse van de politieke debatten voorafgaand aan de introductie van de tests in de drie landen, en de maatschappelijke en politieke context waarin deze debatten plaatsvonden. De vraag welke effecten de burgerschapstests produceren wordt beantwoordt aan de hand van een analyse van relevante statistische informatie (cijfers m.b.t. (absolute en relatieve) aantallen naturalisaties voor en na de introductie van de tests, slagingspercentages, etc.) en van meer dan 200 interviews met immigranten en andere betrokkenen ((gemeente)ambtenaren, medewerkers van immigrantenorganisaties en taaldocenten). Het onderzoek toont aan dat de toetsen de integratie van twee groepen immigranten niet bevorderen. Het gaat hierbij enerzijds om immigranten die (te veel) moeite hebben met het niveau van de tests, zoals ouderen, getraumatiseerde vluchtelingen, vrouwen in achterstandsposities, en mensen die weinig of geen scholing hebben genoten. Voor deze groep fungeert de toets als barrière voor naturalisatie. Omdat ze verstoken blijven van volwaardig burgerschap zal hun integratie stagneren: ze hebben een slechtere positie op de arbeidsmarkt, kunnen moeilijker geld lenen voor het kopen van een huis of het starten van een NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

78 eigen bedrijf, en kunnen niet stemmen, althans niet in de parlementaire verkiezingen. Bovendien is met een tijdelijke verblijfsvergunning het risico van uitzetting groter. Cijfers bevestigen dat de toetsen een uitsluitend en selecterend effect hebben. In alle drie de landen daalde het (absolute en/of relatieve) aantal naturalisaties na introductie van de tests, in Nederland zelfs met de helft. Bovendien slaagt een aanzienlijk percentage van de toetskandidaten niet voor de tests: 40% in Duitsland, een kwart in Nederland, en ongeveer een derde in het Verenigd Koninkrijk. Bestaande ontheffings- en vrijstellingsclausules blijken in de praktijk zeer restrictief te worden toegepast. Anderzijds draagt de toets niet bij aan de integratie van immigranten die, vanwege hun lange verblijf in het gastland, op de werkvloer of door op een andere manier te participeren, al goed geïntegreerd waren. Deze immigranten, onder wie immigranten van de tweede generatie en andere native speakers, voelen zich teleurgesteld en beledigd omdat ze, om te kunnen naturaliseren, moeten slagen voor een, in hun ogen, belachelijk gemakkelijke test, waarvoor ze ook nog eens moeten betalen ( 250 in Nederland) en waarvoor ze vrij moeten nemen van hun werk. De toets draagt niet bij aan hun integratie, die immers al goed was. Wat betreft de inhoud van de burgerschapstests besteedt het Nederlandse inburgeringsexamen, in vergelijking met de Britse en Duitse variante, veel aandacht aan normen en waarden. Met dergelijke vragen, die pogen te toetsen of toekomstige Nederlanders liberaal genoeg zijn om te kunnen naturaliseren, schendt de Nederlandse toets paradoxaal genoeg een liberale kernwaarde: de vrijheid om te doen en laten wat je zelf wil, zolang je daarbij maar geen wettelijk bepaalde grenzen overschrijdt. Van Oers promoveerde op 1 maart 2013 aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Promotores: prof. mr. C.A. Groenendijk en prof. mr. B. de Hart. Ricky van Oers Deserving Citizenship. Citizenship Tests in Germany, the Netherlands and the United Kingdom Een commerciële uitgave van het boek zal eind juni verschijnen bij Brill Transparantie in EU-recht Het transparantiebeginsel zoals dat is ontwikkeld in het EU recht is veelomvattend en divers. Van een recht tot toegang op documenten die in het bezit zijn van de Europese Commissie tot een verbod een eenmaal vergeven contract te wijzigen, het wordt allemaal ontleend aan het transparantiebeginsel. Bovendien wordt de reikwijdte van het beginsel door het Hof steeds uitgebreid. In dit proefschrift legt Anoeska Buijze de systematiek bloot die aan de diverse transparantieverplichtingen ten grondslag ligt, zodat in de toekomst helder beargumenteerd kan worden welke verplichtingen er wel, en welke verplichtingen er niet bestaan in het Europese recht. Bij het bepalen van de mate en soort transparantie die vereist is, is doorslaggevend welk doel men met transparantie beoogt te bereiken. Transparantie draagt bij aan een goed functionerende democratie, aan de effectiviteit van het bestuur, de legitimiteit van Europese instanties, aan het functioneren van de markt, en aan het realiseren van individuele rechten. Dat gebeurt steeds op twee manieren. Ten eerste stelt transparantie mensen in staat betere, want beter geïnformeerde, beslissingen te nemen. Dat geldt in verschillende omstandigheden: we profiteren van transparantie als we een nieuw telefoonabonnement uitzoeken, maar ook als we in het stemhokje staan. Ten tweede zorgt transparantie ervoor dat buitenstaanders kunnen zien wat er gebeurt binnen een transparante organisatie. Zodoende kunnen ze trachten die overheid te beïnvloeden door actief te participeren, en kunnen ze indien nodig achteraf de overheid ter verantwoording roepen. Dat transparantie positieve effecten heeft is op zich niet voldoende om aan te nemen dat er een verplichting voor overheidsinstanties bestaat om transparant te zijn. Dat hangt af van het normatieve kader dat de relatie tussen de overheid en haar burgers reguleert. Wat dat normatieve kader is, hangt af van de kijk die men heeft op die relatie. De overheid heeft andere verplichtingen ten opzichte van de citoyen, de klassieke staatsburger, dan ten opzichte van homo economicus, de rationele rekenaar uit de economische theorie die steeds meer beleid inspireert, en weer andere ten opzichte van homo dignus, de privépersoon wiens fundamentele rechten de overheid dient te respecteren. De drie burgers hebben op hun beurt ook behoefte aan verschillende informatie om hun rol goed te kunnen vervullen. Zodoende kunnen we op voorhand zes categorieën van transparantieverplichtingen onderscheiden. Er zijn verplichtingen die tot doel hebben de citoyen helpen bij het nemen van beslissingen, en verplichtingen die de citoyen helpen de overheid die hem vertegenwoordigt te monitoren. Er zijn verplichtingen die tot doel hebben homo economicus betere beslissingen te laten nemen, en verplichtingen die hem in staat stellen de overheid in de gaten te houden. Ten slotte zijn er verplichtingen die homo dignus helpen bij het nemen van beslissingen, en verplichtingen die maken dat hij weet wat de overheid doet. Buijze laat in detail zien hoe het doel van een transparantieverplichting bepaalt aan wie transparantie moet worden geboden, wanneer, en over wat, of uitzonderingen acceptabel zijn, of op verzoek of proactief gecommuniceerd moet worden, en of er kwaliteitseisen gesteld worden aan de gecommuniceerde informatie. Ze biedt daarmee een sleutel voor het begrijpen van het Europese transparantiebeginsel en stevige handvatten voor de verdere ontwikkeling ervan, zowel op EU als op nationaal niveau. Buijze promoveerde op 15 maart 2013 aan de Universiteit Utrecht. Haar promotores waren: prof. mr. G.H. Addink en prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven. Anoeska Buijze The Principle of Transparency in EU Law Utrecht University 2013, 340 p. ISBN ((Nog) geen commerciële uitgave beschikbaar) 1102 NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

79 Personalia 871 Rector Magnificus De Raad van Toezicht (RvT) VU- VUmc heeft prof. dr. Frank van der Duyn Schouten benoemd als Rector Magnificus van de Vrije Universiteit Amsterdam. Frank van der Duyn Schouten start 1 mei en richt zich in eerste instantie vooral op het onderwijs om de onderwijsagenda van de VU verder te implementeren, mede in aanloop naar de instellingstoets kwaliteitszorg. Frank van der Duyn Schouten (1949) studeerde Wiskunde, Natuurkunde en Sterrenkunde aan de VU en werd, nadat hij een aantal jaren bij de VU werkte als docent, hoogleraar Operations Research aan Tilburg University. Hij deed ervaring op als onder andere decaan van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Rector Magnificus van Tilburg University. Haagse Conferentie Na bijna 35 jaar dienst bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, waarvan 17 jaar als secretaris-generaal, treedt Hans van Loon per 30 juni 2013 af. Van Loon stuurde de organisatie - die dit jaar zijn 120-jarig bestaan viert - aan gedurende een periode van wereldwijde uitbreiding en transformatie. Met een mengeling van bescheiden vasthoudendheid en noeste diplomatie wist hij de coördinatie met de EU in goede banen te leiden en ruim een verdubbeling van het aantal lidstaten te bewerkstelligen. Hij trad in 1978 toe tot het Permanente Bureau van de Haagse Conferentie, waar hij tot 1996 zijn internationale functies wist te combineren met die van uitvoerend secretaris van de Nederlandse staatscommissie voor Internationaal Privaatrecht. In die hoedanigheid was hij nauw betrokken bij het organiseren van de wetenschappelijke werkzaamheden van de Staatscommissie met betrekking tot de codificatie van het internationaal privaatrecht in Nederland, wat uiteindelijk resulteerde in Boek 10 BW. Tevens was hij van 1984 tot en met 1996 rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank s-gravenhage. Zijn functie wordt per 1 juli 2013 overgenomen door Christophe Bernasconi, momenteel plaatsvervangend secretaris-generaal van de Haagse Conferentie. Advocatuur Simmons & Simmons heeft Rezah Stegeman per 1 mei 2013 benoemd tot partner in Amsterdam. Rezah is afkomstig van Clifford Chance en is Voor het plaatsen van berichten in deze rubriek kunt u uw tips en informatie sturen naar [email protected]. gespecialiseerd in advisering op het gebied van financieel toezichtsrecht en derivatentransacties. Bird & Bird heeft Evelyn Tjon-En-Fa benoemd tot partner. Tjon-En-Fa procedeert in nationale en internationale conflicten met betrekking tot voedsel, bouw, transport, energie en chemie. Het kan daarbij onder meer gaan over verzekeringen en verschillende vormen van aansprakelijkheid. Dutch Independent Legal Award Op het jaarcongres voor zelfstandige juristen is de Dutch Independent Legal Award 2013 uitgereikt aan Janike Haakmeester. In de toelichting op hun afweging noemde de jury Janikes grote inhoudelijke kennis en liefde voor het vak in combinatie met een grote klantgerichtheid en oriëntatie op samenwerking en verbinding Debat NJCM Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten organiseert een debat met als thema Persbreidel in Nederland? Over de gespannen verhouding tussen overheid en media. Vrije nieuwsgaring is een groot goed, daarover lijkt iedereen in Nederland het wel eens. Het recht op informatie wordt beschermd door wet- en regelgeving en gehandhaafd door de overheid. Tegelijkertijd kan diezelfde overheid de pers soms stevig dwarsbomen wanneer het gaat om de toegang tot staatsinformatie. Veel journalisten vinden dat de Nederlandse autoriteiten regentesk opereren en inbreuk maken op verworven principes. De Raad voor het openbaar bestuur sprak recent over de noodzaak van een politieke cultuurverandering naar meer openbaarheid. Tijd: donderdag 25 april van tot uur Plaats: Parlementszaal van het Huis voor democratie en rechtsstaat, Hofweg 1 te Den Haag. Inlichtingen en aanmelding: meer informatie of aanmelden kan via: Sports Law Lunch & Learn Frans de Weger (legal counsel Federatie van Betaald voetbal Organisaties (FBO) and author of The Jurisprudence of the FIFA Dispute Resolution Chamber and DRC Database) will discuss the most recent and important decisions of the Dispute Resolution Chamber (DRC) per subject. This committee was established to resolve disputes regarding the international status and transfer of players. For example, cases related to just causes to terminate contracts for clubs and Agenda 872 players, but also just causes related to outstanding salaries. Further to this, breach of contract, compensation issues, training compensation etc., will be brought to the attention. Tijd: woensdag 8 mei om uur Plaats: T.M.C. Asser Instituut, R.J. Schimmelpennincklaan te Den Haag Inlichtingen en aanmelding: please send an with your name and organisational affiliation to [email protected], subject line Registration Lunch & Learn FIFA and DRC update. Fee: regular 25, student Jaarcongres ZIFO Het Zuidas Instituut voor Financieel NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

80 Agenda recht en Ondernemingsrecht (ZIFO) organiseert een middagcongres over De veranderende rol van toezichthouders in de financiële sector. Algemeen wordt erkend dat goed toezicht betere toezichthouders vereist. Doortastender, kritischer, vasthoudender. Dat geldt voor de publieke financiële waakhonden en externe accounts, maar ook voor interne toezichthouders zoals commissarissen. Wat wordt van de toezichthouders nieuwe stijl verwacht en kunnen zij de verwachtingen waarmaken? Zijn hun nieuwe rollen een effectief antwoord op de crisis? Tijd: donderdag 23 mei van tot uur Plaats: Auditorium in het hoofdgebouw van de VU, De Boelelaan 1077 te Amsterdam. Inlichtingen en aanmelding: Meer informatie en aanmelden kan via: Aanmelden kan tot uiterlijk 13 mei. Voor vragen kunt u contact opnemen met Pien Werkman, telefoon: of [email protected]. Deelname aan het congres kost 220 voor niet-participanten (inclusief congresbundel). Promovendi en studenten betalen 85. Voor de permanente opleiding van de advocatuur worden 2 punten toegekend als het congres van het begin tot het eind wordt bijgewoond TEDxRadboudU 2013 Tijdens TEDxRadboudU onderzoeken sprekers wat vertrouwen is, waarom vertrouwen belangrijk is en ontwikkelen ze ideeën hoe vertrouwen op de verschillende terreinen een nieuwe impuls kan krijgen. Sprekers uit binnen- en buitenland belichten het thema vanuit de wetenschap, financiële sector, bedrijfsleven en cultuur op inspirerende wijze. Sprekers zijn onder anderen Robbert Dijkgraaf (trust looking back, looking forward), lid Hoge Raad Ybo Buruma (justice and trust) en publicist Ian Buruma (globalisation and trust). Tijd: donderdag 23 mei van 9.30 tot uur Plaats: De Vereeniging, Keizer Karelplein 2-D te Nijmegen Inlichtingen en aanmelding: TEDxRadboudU is invite only. If you re interested in attending, you can create a profile on the website to express interest. Here you can list out your details and provide a short summary on why you think you should attend. For more information see: 03 tot en met Wereldcongres van de Association Henri Capitant Het wereldcongres van de Association Henri Capitant wordt dit jaar gehouden in Amsterdam en Luik. Het thema La preuve wordt in vier deelthema s uitgewerkt. Maandag 3 juni is dat La preuve et les droits fondamentaux. Dinsdag 4 juni is het deelthema La preuve et les pouvoirs exorbitants de puissance publique. Donderdag 6 juni komt La preuve et les nouvelles technologies aan bod en vrijdag 7 juni La preuve et la vérité judiciaire en droit civil et en droit pénal. Tijd: maandag 3 tot en met vrijdag 7 juni 2013 Plaats: Auditorium in het hoofdgebouw van de VU, De Boelelaan 1077 te Amsterdam. Inlichtingen en aanmelding: voor deelname aan het congres en informatie over het lidmaatschap van de Nederlandse groep van de Association Henri Capitant kunt u terecht bij Diana Dankers-Hagenaars, Présidente Nederlandse groep AHC, d.l.m.t.dankers-hagenaars@ uva.nl WRV bijeenkomst De halfjaarlijkse bijeenkomst van de Werkgroep Rechtsbijstand in Vreemdelingenzaken (WRV) staat dit keer vooral in het teken van de Wet Modern Migratiebeleid (MoMi) en de Visumwet, die 1 juni 2013 in werking treden. Pieter Boeles bespreekt de nieuwe regeling voor de machtiging tot voorlopig verblijf en het terugkeervisum. Ira van der Zaal-van Bommel en Marcel Reurs bespreken de Wet MoMi. Kees Groenendijk gaat in op de mogelijkheden om uw zaak voor het Europese Hof van Justitie te brengen of daarvoor steun van de Europese Commissie te krijgen. Ben Olivier werpt een kritische blik op de actualiteiten met betrekking tot de Visumwet Tijd: dinsdag 4 juni van tot uur. Plaats: Congreszaal Juliana van de Jaarbeurs, Jaarbeursplein 6 te Utrecht. Inlichtingen en aanmelding: inschrijven kan via: www. forum.nl/wrvcursussen of (Agenda). De sluitingsdatum is vrijdag 24 mei Meer informatie: [email protected] of telefoon: of Kosten 320 voor WRV-leden en 450 voor niet-leden. Bij deelname aan de volledige bijeenkomst zijn 4 opleidingspunten (PO) te behalen IFR-symposium Het Instituut voor Financieel Recht (IFR) Radboud Universiteit Nijmegen organiseert het symposium Aansprakelijkheid in de financiële sector. Sprekers zijn prof. mr. D. Busch (IFR, Radboud Universiteit Nijmegen), prof. mr. V. Colaert (Katholieke Universiteit Leuven), mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk (De Brauw Blackstone Westbroek) en prof. mr. J. Spier (Hoge Raad der Nederlanden). Tijd: donderdag 12 september van tot uur Plaats: De Brauw Blackstone Westbroek, Claude Debussylaan 80 te Amsterdam Inlichtingen en aanmelding: aanmelden kan via: [email protected]. Meer informatie: IBR Scriptieprijzen 2013 Het Instituut voor Bouwrecht (IBR) heeft onder andere als taak het bevorderen van de wetenschappelijke en praktische beoefening van het bouwrecht alsmede het bevorderen van het onderwijs in het bouwrecht. Daarom heeft het IBR de jaarlijkse scriptieprijzen in het leven geroepen: de Instituut voor Bouwrecht Scriptieprijs Publiekrecht en de Instituut voor Bouwrecht Scriptieprijs Privaatrecht. Beide prijzen bestaan uit een eerste en tweede prijs. Aan de eerste prijs is een bedrag van 1000 verbonden en aan de tweede prijs een bedrag van 500. Daarnaast is het mogelijk dat een scriptie een eervolle vermelding krijgt. De winnende scripties worden voorgelegd aan de redactie van het Tijdschrift voor Bouwrecht met de suggestie deze eventueel na bewerking te publiceren. De prijzen staan open voor studenten van alle Nederlandse universiteiten alsmede van de Nederlandse Antillen en Aruba. Alle studenten die een scriptie met een bouwrechtelijk onderwerp schreven, die met een 8 of hoger is beoordeeld, kunnen deze vóór 31 augustus 2013 opsturen naar het Instituut voor Bouwrecht, Postbus 85851, 2508 CN DEN HAAG, t.a.v. de secretaris van de jury, mevr. mr. A.Z.R. Koning. De scriptie dient te zijn beoordeeld in collegejaar 2012/2013. Het vakgebied bouwrecht kan breed worden opgevat. Eronder vallen alle juridische onderwerpen die hebben te maken met het tot stand brengen en houden van alle onroerende zaken. Het volledige reglement van de scriptieprijs is te raadplegen op de site van het Instituut voor Bouwrecht: www. ibr.nl/activiteiten NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL. 16

81 Agenda kort Jaarvergadering VGR NJB 2013/334, afl. 6, p EU environmental norms and third countries NJB 2013/382, afl. 7, p Symposium Kwaliteit van belasting-rechtspraak NJB 2013/654, afl. 12, p ALV Vereniging voor Agrarisch Recht NJB 2013/718, afl. 13, p NGB Ledenbijeenkomst NJB 2013/784, afl. 14, p Seminar Belastingverdrag D-NL NJB 2013/334, afl. 6, p Debat NJCM NJB 2013/872, afl. 16, p en TILTing Perspectives 2013 NJB 2013/604, afl. 11, p Sports Law Lunch & Learn NJB 2013/872, afl. 16, p Conference 50th anniversary of the Van Gend en Loos judgment NJB 2013/493, afl. 9, p CIROC: Grensoverschrijdende recherche NJB 2013/784, afl. 14, p Congres Afgeluisterde Advocaten NJB 2013/718, afl. 13, p en More efficient legal remedies in EU criminal justice NJB 2013/718, afl. 13, p Jaarcongres ZIFO NJB 2013/872, afl. 16, p TEDxRadboudU 2013 NJB 2013/872, afl. 16, p o Jaarvergadering VAR NJB 2013/784, afl. 14, p Prospectusaansprakelijkheid NJB 2013/718, afl. 13, p The Legal Position of the Accused and Convicted Citizen in the EU NJB 2013/718, afl. 13, p Arbitragerecht op de scheidslijn van oud naar nieuw NJB 2013/718, afl. 13, p t/m Wereldcongres van de Association Henri Capitant NJB 2013/872, afl. 16, p Seminar Duitse juridische termen NJB 2013/334, afl. 6, p WRV bijeenkomst NJB 2013/872, afl. 16, p t/m Summer school on Health law and ethics NJB 2013/784, afl. 14, p en Criminology Conference: Resistance NJB 2013/136, afl. 2, p t/m Summer Programme on International Sports Law NJB 2013/784, afl. 14, p IFR-symposium NJB 2013/872, afl. 16, p t/m Congres European Association of Health Law NJB 2013/238, afl. 4, p Nationale politie en strafrechtspleging NJB 2013/784, afl. 14, p. 942 Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op NEDERLANDS JURISTENBLAD AFL

82 DONDERDAG 6 JUNI 2013 NATURA ARTIS MAGISTRA AMSTERDAM Ondernemingsrecht Diner 6 E EDITIE! 2013 THEMA CONTROVERSES BIJ BESTUURDERSAANSPRAKELIJKHEID Discussieert en dineert u met ons mee? De redactie van tijdschrift Ondernemingsrecht nodigt u uit voor het jaarlijkse Ondernemingsrechtdiner. Het event waar u als Ondernemingrecht-specialist bij moet zijn. Onder leiding van dagvoorzitter Maarten Kroeze hoort u alles over controverses bij bestuurdersaansprakelijkheid. Sprekers en referenten: Prof. mr. M.J. Kroeze Mr. P.D. Olden Mr. J.H.M. Willems Mr. M. Mussche Mr. J.S. Kortmann Mr. E.J. Daalder Mr. P. Ingelse Mr. G.P. Roth Prof. mr. W.J.M. van Veen Kijk voor meer informatie of inschrijven op Georganiseerd door tijdschrift Ondernemingsrecht

83 AFDELINGSVOORZITTER STRAFRECHT Het Gerechtshof Den Haag AFDELINGSVOORZITTER WAT GAAT U DOEN? WIE ZOEKEN WIJ? REAGEREN? Gerechtshof Den Haag

84 Voorzitter voor het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam Voorzitter voor het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (0,6 fte)

Een schadefonds voor project X

Een schadefonds voor project X 794 Focus Een schadefonds voor project X Janet van de Bunt 1 Het schadefonds voor project X Haren lijkt op het eerste gezicht te voorzien in een behoefte en weet de obstakels uit het aansprakelijkheidsrecht

Nadere informatie

U hebt een schadevergoeding toegewezen gekregen

U hebt een schadevergoeding toegewezen gekregen Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.3.7 U hebt een schadevergoeding toegewezen gekregen bronnen www.cjib.nl, januari 2011 Openbaar Ministerie, brochure: Hoe krijg ik mijn schade vergoed? januari 2011

Nadere informatie

Nota van toelichting

Nota van toelichting Nota van toelichting In het Algemeen Overleg van 11 november 2008 heb ik nadere regelgeving voor buitengerechtelijke incassokosten aangekondigd (Kamerstukken II 2008/09, 24 515, nr. 144). Bij brief van

Nadere informatie

Datum 18 mei 2011 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over bericht Mishandelde bejaarde moet zelf achter daders aan

Datum 18 mei 2011 Onderwerp Beantwoording Kamervragen over bericht Mishandelde bejaarde moet zelf achter daders aan 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Staatssecretaris van Veiligheid en Schedeldoekshaven 100 2511 EX

Nadere informatie

HoE krijg Ik mijn ScHADE vergoed?

HoE krijg Ik mijn ScHADE vergoed? Hoe krijg ik mijn schade vergoed? De schadevergoedingsmaatregel Heeft u als gevolg van een misdrijf schade geleden, dan is het strafproces een manier om uw schade vergoed te krijgen. Als de rechter vindt

Nadere informatie

Gezondheidsstrafrecht

Gezondheidsstrafrecht Gezondheidsstrafrecht Mr. dr. W.L.J.M Duijst Deventer 2014 Omslagontwerp: H2R creatievecommunicatie ISBN 978-90-13-12600-6 E-book 978-90-13-12601-3 NUR 824-410 2014, W.L.J.M. Duijst Alle rechten voorbehouden.

Nadere informatie

Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012

Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 Regelingen en voorzieningen CODE 6.5.6.32 Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per 1.1.2012 bronnen Nieuwsbericht Schadefonds geweldsmisdrijven 6.6.2011; www.schadefonds.nl Wet van 6 juni 2011

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 257 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade

Nadere informatie

Incassodiensten. Wuite Recherche en Incasso. De Factorij 47F 1689 AK ZWAAG T 0229 24 7758 F 0229 29 9277

Incassodiensten. Wuite Recherche en Incasso. De Factorij 47F 1689 AK ZWAAG T 0229 24 7758 F 0229 29 9277 Wuite Recherche en Incasso De Factorij 47F 1689 AK ZWAAG T 0229 24 7758 F 0229 29 9277 E [email protected] I www.wuiterechercheenincasso.nl Incassodiensten Versie 5.1 8 januari 2013 Wuite Recherche en

Nadere informatie

Pagina 1/7. Samenvatting

Pagina 1/7. Samenvatting Kenmerk: ACM/DC/2015/204831 Zaaknummer: 15.0707.29 Datum: 11 augustus 2015 Besluit van de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 2.9 van de Wet handhaving consumentenbescherming tot het opleggen

Nadere informatie

Slachtoffer. Schade? van geweld? Wat het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor u kan doen

Slachtoffer. Schade? van geweld? Wat het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor u kan doen Slachtoffer van geweld? Schade? Wat het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor u kan doen Slachtoffer van geweld? Als u slachtoffer bent geworden van een geweldsmisdrijf, dan is dat een ingrijpende ervaring.

Nadere informatie

Memorie van toelichting. Algemeen. 1. Inleiding

Memorie van toelichting. Algemeen. 1. Inleiding WIJZIGING VAN BOEK 6 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK EN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING IN VERBAND MET DE NORMERING VAN DE VERGOEDING VOOR KOSTEN TER VERKRIJGING VAN VOLDOENING BUITEN RECHTE Memorie

Nadere informatie

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene. 1. Procesverloop

Samenvatting. Consument, ARAG SE, gevestigd te Leusden, hierna te noemen: Aangeslotene. 1. Procesverloop Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-373 d.d. 9 oktober 2014 (mr. P.A. Offers, prof. mr. E.H. Hondius en drs. W. Dullemond, leden en mr. E.E. Ribbers, secretaris) Samenvatting

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2014:3463

ECLI:NL:CRVB:2014:3463 ECLI:NL:CRVB:2014:3463 Instantie Datum uitspraak 21-10-2014 Datum publicatie 28-10-2014 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 12-3170

Nadere informatie

Het verschil tussen zorgplicht aanbieder en adviseur

Het verschil tussen zorgplicht aanbieder en adviseur Het verschil tussen zorgplicht aanbieder en adviseur Wat is de impact op een vonnis van een rechtbank als het gaat om zorgplicht van de adviseur en zorgplicht van de aanbieder? In hoeverre heeft deze uitspraak

Nadere informatie

Datum 25 juni 2013 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over oplichting bij Marktplaats en wettelijke problemen rond de vervolging van internetoplichting

Datum 25 juni 2013 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over oplichting bij Marktplaats en wettelijke problemen rond de vervolging van internetoplichting 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

DE RIJDENDE RECHTER. Bindend Advies. gegeven door mr. F.M.Visser, verder te noemen de rijdende rechter.

DE RIJDENDE RECHTER. Bindend Advies. gegeven door mr. F.M.Visser, verder te noemen de rijdende rechter. Zaaknummer: S20-28 Datum uitspraak: datum uitspraak Plaats uitspraak: Zaandam DE RIJDENDE RECHTER Bindend Advies in het geschil tussen: N. Mooren te Amsterdam verder te noemen: Mooren, tegen: T. Leerintvelt,

Nadere informatie

Rapport. Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384

Rapport. Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384 Rapport Datum: 21 december 2006 Rapportnummer: 2006/384 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau bij de te late terugbetaling van een bekeuring niet standaard wettelijke

Nadere informatie

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen.

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen. Reactie op de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) inzake het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek in verband met het limiteren van de hoogte van de

Nadere informatie

Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Wetgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:3 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2. Onder beschikking

Nadere informatie

Algemene voorwaarden

Algemene voorwaarden Algemene voorwaarden Gebruikshandleiding en algemene informatie over algemene voorwaarden Versie 2013/2014 Legal-8 B.V. 3991 SZ Houten T: 088 88 3 8888 E: [email protected] www.legal8.nl Legal8 algemene voorwaarden

Nadere informatie

Samenwerkingsprotocol

Samenwerkingsprotocol Samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code 1 Samenwerkingsprotocol tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Reclame Code Partijen: 1. De Staatssecretaris van Economische

Nadere informatie

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMW Group Financial Services B.V., gevestigd te [plaats], hierna te noemen Aangeslotene.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMW Group Financial Services B.V., gevestigd te [plaats], hierna te noemen Aangeslotene. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-310 d.d. 20 augustus 2014 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, drs. A. Adriaansen en mr. J.W.H. Offerhaus, leden en mr. F. Faes, secretaris)

Nadere informatie

ECGR/U201300637 Lbr. 13/058

ECGR/U201300637 Lbr. 13/058 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8393 betreft Schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten uw kenmerk ons kenmerk ECGR/U201300637 Lbr. 13/058 bijlage(n)

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 10909 22 juni 2011 Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 juni 2011, nr. 5700090/11, houdende wijziging

Nadere informatie

DE RIJDENDE RECHTER. Bindend Advies. gegeven door mr. F.M.Visser, verder te noemen de rijdende rechter.

DE RIJDENDE RECHTER. Bindend Advies. gegeven door mr. F.M.Visser, verder te noemen de rijdende rechter. Zaaknummer: S20-25 Datum uitspraak: 3 mei 2013 Plaats uitspraak: Zaandam DE RIJDENDE RECHTER Bindend Advies In het geschil tussen: R.A. Kuntzel te: Barsingerhorn verder te noemen: Kuntzel, tegen: J. Veldboer

Nadere informatie

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid. en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid. en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014 Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Publicatiedatum: 23 september 2014 Rapportnummer: 2014 /122 20 14/122 d e Natio nale o mb ud sman 1/5 Feiten

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG en Juridische Zaken Sector privaatrecht Schedeldoekshaven 100 2511

Nadere informatie

Voegen in het strafproces

Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces Voegen in het strafproces april 2011 U bent slachtoffer geworden van een misdrijf of overtreding en u heeft daarbij schade geleden. Eén van de mogelijkheden om uw schade vergoed

Nadere informatie

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving α Ministerie van Justitie Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag An de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Management samenvatting

Management samenvatting Management samenvatting Achtergrond, doelstelling en aanpak Op 1 januari 2014 is de Wet conservatoir beslag ten behoeve van het slachtoffer (hierna: conservatoir beslag) 1 in werking getreden. Doel van

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1998 309 Besluit van 14 mei 1998 tot wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 Wij Beatrix, bij

Nadere informatie

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het kamerlid Leijten (SP) over een medisch letselschade fonds (2010Z18345)

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het kamerlid Leijten (SP) over een medisch letselschade fonds (2010Z18345) > Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX DEN HAAG T 070 340 79 11 F 070 340

Nadere informatie

Datum 10 juni 2014 Betreft Behandeling WWZ, schriftelijke reactie op voorstel VAAN d.d. 2 juni 2014

Datum 10 juni 2014 Betreft Behandeling WWZ, schriftelijke reactie op voorstel VAAN d.d. 2 juni 2014 > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 22 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22 Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 T

Nadere informatie

10 december 2007 ET/TM / 7142496

10 december 2007 ET/TM / 7142496 Aan De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA s-gravenhage Datum Uw kenmerk Ons kenmerk Bijlage(n) 10 december 2007 ET/TM / 7142496 Onderwerp Telemarketing In het Algemeen

Nadere informatie

Rechtspraak 2014. Wijnanda Rutten. Vereniging voor Pensioenrecht 21 januari 2015. Clifford Chance

Rechtspraak 2014. Wijnanda Rutten. Vereniging voor Pensioenrecht 21 januari 2015. Clifford Chance Vereniging voor Pensioenrecht 21 januari 2015 Wijnanda Rutten Clifford Chance Toezicht door DNB Bestuurlijke boetes Last onder dwangsom Prudent beleggen Clifford Chance 2 Bestuurlijke boetes DNB (artikel

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 42 d.d. 22 februari 2011 (mr. B.F. Keulen, voorzitter, mw. mr. E.M. Dil-Stork en prof.mr. M.L. Hendrikse) Samenvatting Autoverzekering. Verzwijging

Nadere informatie

B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2

B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2 Monografieen BW B35 Schadevergoeding: algemeen, deel 2 Prof. mr. C.J.M. Klaassen Kluwer - Deventer - 2007 Inhoud VOORWOORD XI LUST VAN AFKORTINGEN XIII LUST VAN VERKORT AANGEHAALDE LITERATUUR XV I INLEIDING

Nadere informatie

Voorwoord. Lawbooks Grondslagen van Recht ( ) Beste student(e),

Voorwoord. Lawbooks Grondslagen van Recht ( ) Beste student(e), Grondslagen van Recht Week 3 2018 2019 Voorwoord Beste student(e), Voor je ligt de samenvatting van de stof van Hoofdstuk 14 van het boek Hoofdlijnen, dat voorgeschreven wordt in week 3. Aanvankelijk hebben

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2013 2014 33 818 Wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en

Nadere informatie

!1! Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

!1! Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Datum 9 juli 2014 Onderwer Beantwoording inbreng schriftelijk overleg

Nadere informatie

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven.

Slachtofferhulp. concept wetsvoorstel betreffende hétieggen van conservatoir beslag door de staat voor slachtoffers van misdrijven. ~,tl~ 3 / Nootailfafiltoor 7: ~.,1 e d 1ff 0 Postbus 14208 3508 SH Utrecht Pallas Athertedreef 27 3561 PE Utrecht 03023401 16 F 030 231 76 55 info@s~achtofferhuip.fli w www.s}achtofferhulp.ni / Ministerie

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag. Datum 20 maart 2013 Betreft Beantwoording vragen lid Van Hijum

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag. Datum 20 maart 2013 Betreft Beantwoording vragen lid Van Hijum > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 34 108 Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van

Nadere informatie

Aan de minister van Veiligheid en Justitie Mr. I.W. Opstelten Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG. Geachte heer Opstelten,

Aan de minister van Veiligheid en Justitie Mr. I.W. Opstelten Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG. Geachte heer Opstelten, Aan de minister van Veiligheid en Justitie Mr. I.W. Opstelten Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG datum 28 april 2011 doorkiesnummer 070-361 9721 e-mail [email protected] uw kenmerk 5685547/11/6 onderwerp

Nadere informatie

Verjaring in het verzekeringsrecht. Lodewijk Smeehuijzen (hoogleraar privaatrecht VU)

Verjaring in het verzekeringsrecht. Lodewijk Smeehuijzen (hoogleraar privaatrecht VU) Verjaring in het verzekeringsrecht Lodewijk Smeehuijzen (hoogleraar privaatrecht VU) Inleiding Wetgever heeft de ambitie gehad in de artt. 3:306 tot en met 3:326 BW het hele verjaringsrecht te regelen.

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Beleidsregel subsidiëring medisch haalbaarheidsonderzoeken in letselschadezaken

Beleidsregel subsidiëring medisch haalbaarheidsonderzoeken in letselschadezaken Beleidsregel subsidiëring medisch haalbaarheidsonderzoeken in letselschadezaken Directie Toegang Rechtsbestel/5362391/05/DTR/12 juli 2005 5362391 Bijlage De Minister van Justitie, Gelet op artikel 4:23,

Nadere informatie

NRGD Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen

NRGD Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen NRGD Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen Het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) vergroot het vertrouwen in de Nederlandse rechtspraak door het waarborgen van een constante hoge

Nadere informatie

Convenant inzake de samenwerking op grond van art. 64 Wet SUWI

Convenant inzake de samenwerking op grond van art. 64 Wet SUWI Belastingdienst Convenant inzake de samenwerking op grond van art. 64 Wet SUWI Datum Convenant samenwerking 64 Suwt Pagina 1 van 5 Partijen: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheld handelend in

Nadere informatie

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Nederlandse Voorschotbank B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de Bank.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Nederlandse Voorschotbank B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de Bank. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-202 d.d. 9 juli 2015 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. E.C. Aarts, secretaris) Samenvatting Op naam van Consument is een krediet

Nadere informatie

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan A.J.M. Nuytinck Published in WPNR, 2008,

Nadere informatie

Opstal en erfpacht als juridische instrumenten voor meervoudig grondgebruik

Opstal en erfpacht als juridische instrumenten voor meervoudig grondgebruik Opstal en erfpacht als juridische instrumenten voor meervoudig grondgebruik Opstal en erfpacht als juridische instrumenten voor meervoudig grondgebruik mr. B.C. Mouthaan s-gravenhage - 2013 1 e druk ISBN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2014 2015 33 662 Wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens en enige andere wetten in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking

Nadere informatie

ECLI:NL:PHR:2014:1700 Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie Datum publicatie Zaaknummer 12/04833

ECLI:NL:PHR:2014:1700 Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie Datum publicatie Zaaknummer 12/04833 ECLI:NL:PHR:2014:1700 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 01-07-2014 Datum publicatie 26-09-2014 Zaaknummer 12/04833 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie

Nadere informatie

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

DE WET INCASSOKOSTEN WAT BETEKENT DIT VOOR U?

DE WET INCASSOKOSTEN WAT BETEKENT DIT VOOR U? DE WET INCASSOKOSTEN WAT BETEKENT DIT VOOR U? 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 Blz. 2. Hoe is de situatie nu? 5 3. Wat houdt de nieuwe regeling in? 5 4. Hoe worden de buitengerechtelijke incassokosten berekend?

Nadere informatie

Datum 18 juni 2015 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over deurwaarders ziedend zijn over het daltarief van het CJIB

Datum 18 juni 2015 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over deurwaarders ziedend zijn over het daltarief van het CJIB 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 204 d.d. 30 augustus 2011 (mr P.A. Offers, voorzitter, prof. mr M.L. Hendrikse en mr B.F. Keulen, leden, en mr S.N.W. Karreman, secretaris)

Nadere informatie

Monuta: Monuta Uitvaartverzorging N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn;

Monuta: Monuta Uitvaartverzorging N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn; Aanvullende voorwaarden Monuta Draaiboek Deze Aanvullende voorwaarden Monuta Draaiboek zijn aanvullende voorwaarden op de algemene voorwaarden van Thuiswinkel. Artikel 1 Definities: Monuta: Monuta Uitvaartverzorging

Nadere informatie

Samenwerkingsprotocol. Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code

Samenwerkingsprotocol. Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code Samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit Stichting Reclame Code 1 Samenwerkingsprotocol tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Reclame Code Partijen: 1. De Staatssecretaris van Economische

Nadere informatie

: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen Rechtsbijstandverzekeraar

: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen Rechtsbijstandverzekeraar Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-045 (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. C.E. Polak, en mr. dr. S.O.H. Bakkerus, leden en mr. M.H.P. Leijendekker, secretaris) Klacht

Nadere informatie

Advies ontwerpbesluit aanscherping glijdende schaal

Advies ontwerpbesluit aanscherping glijdende schaal De minister voor Immigratie en Asiel drs. G.B.M. Leers Postbus 20011 2500 EA Den Haag datum 15 augustus 2011 doorkiesnummer 070-361 9721 e-mail [email protected] uw kenmerk 2011-2000250817 cc

Nadere informatie

Factsheet De aansprakelijkheid van de arts

Factsheet De aansprakelijkheid van de arts Factsheet De aansprakelijkheid van de arts Algemeen Als u vermoedt dat een beroepsbeoefenaar uw rechten heeft geschonden, kunt u hem of de zorginstelling waarbinnen hij werkt aansprakelijk stellen. Volgens

Nadere informatie

De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.

De concrete voorstellen in dit pamflet dragen in de optiek van de VVD bij aan het verwezenlijken van deze doelstellingen. Slachtoffer zijn van een misdrijf is ingrijpend. Het draagt bij aan de verwerking van dit leed als slachtoffers het gevoel hebben dat zij de aandacht krijgen die zij verdienen. Dat zij zo goed mogelijk

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 32 418 Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding

Nadere informatie

Activiteiten onderneming : hypotheekbemiddeling; het aantrekken van gelden voor beleggingsdoeleinden.

Activiteiten onderneming : hypotheekbemiddeling; het aantrekken van gelden voor beleggingsdoeleinden. FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 24 Datum: 14 mei 2012 Gegevens onderneming : - de stichting STICHTING DERDENGELDEN SIMOCA LTD - de stichting STICHTING DERDENGELDEN SIMON - de buitenlandse vennootschap CONBAN

Nadere informatie

Productwijzer Reis- en annuleringsverzekering

Productwijzer Reis- en annuleringsverzekering Productwijzer Reis- en annuleringsverzekering Wat leest u in deze productwijzer? In deze productwijzer vindt u algemene informatie over de reis- en annuleringsverzekering. Welke risico s dekt deze verzekering?

Nadere informatie

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Dr. R.H.A. Plasterk Postbus 20011 2500 EA Den Haag bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag correspondentieadres Postbus 90613 2509 LP Den Haag

Nadere informatie

VOLSTORTING VAN AANDELEN BIJ OPRICH- TING BESLOTEN VENNOOTSCHAP NAAR NE- DERLANDS RECHT

VOLSTORTING VAN AANDELEN BIJ OPRICH- TING BESLOTEN VENNOOTSCHAP NAAR NE- DERLANDS RECHT VOLSTORTING VAN AANDELEN BIJ OPRICH- TING BESLOTEN VENNOOTSCHAP NAAR NE- DERLANDS RECHT PAS OP VOOR AANSPRAKELIJKHEID! Bij faillissement van een kapitaalvennootschap naar Nederlands recht, onderzoekt de

Nadere informatie