Afkoopregeling. kleine lijfrenten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Afkoopregeling. kleine lijfrenten"

Transcriptie

1

2

3 Afkoopregeling kleine lijfrenten 2009

4

5 - Inhoudsopgave Samenvatting lijfrentewijzigingen BP Vooraf Afkoop kleine lijfrenten Inhouding loonbelasting op afkoopsommen 9 2. Selectie wetteksten Wet IB Selectie wetteksten Invoeringswet Wet IB Selectie teksten Wet LB Selectie teksten Uitvoeringsbesluit LB 1965 (UB LB 1965) Tekst artikel 11 UB LB 1965 per Tekst artikel 11, lid 1, onderdeel a, UB LB 1965 per Bijstellingsregeling Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten Indexatie van de kleine afkoopwaarde Tijdstip vaststellen van de afkoopwaarde Hogere uitkering dan afkoopwaarde Geen aansprakelijkheid verzekeraar bij afkoop kleine lijfrente Geen minimumwaarderingsregel bij afkoop kleine lijfrente Einddatum opbouwfase lijfrente in 2008; afloop redelijke termijn in Regeling geldt niet voor afkoop na overschrijding redelijke termijn Regeling geldt niet voor andere schendingen van voorwaarden Samentellen lijfrenten/lijfrentespaarrekeningen bij dezelfde verzekeraar/kredietinstelling Niet samentellen met ingegane lijfrente Niet samentellen met pré-brede-herwaarderinglijfrente Kleine-afkoopregeling voor nabestaandenlijfrente; nog niet vervallen termijnen Afkoopwaarde toetsen per nabestaandenlijfrente voor erfgenaam Saldomethode geldt bij kleine afkoop Afkoopwaarde toetsen inclusief saldogedeelte Gedeeltelijk ingaan lijfrente gevolg door gedeeltelijk afkoop Echtscheiding; splitsing en toedeling lijfrente Inhouding loonheffing in 2009 over kleine afkoopsom Opgave in aangifte inkomstenbelasting 2009 van kleine afkoopsom 27 - Actualiteiten leven 2008 i.v.m. Wet Banksparen -

6 - Inhoudsopgave Nieuwsbrief inzake uitstel inhouding LB Inleiding Afkoop van kleine lijfrenten met ingang van 2009; inhouding loonbelasting Overgangsmaatregel voor 2009; geen inhouding van loonbelasting maar renseignering Begeleiding afkoop kleine lijfrenten door de verzekeraar Ter voorkoming van misverstand Desgewenst toch inhouding 29 Mogelijke tekst, op verzoek van de verzekeraars, voor klantbrief Afkoop kleine lijfrente Verschenen vakliteratuur over BP Actualiteiten leven 2008 i.v.m. Wet Banksparen -

7 - Inleiding - 7 Inleiding Op 16 september jl. is Belastingplan 2009 (BP 2009) bij de Tweede Kamer ingediend (TK , nr. 2 en 3). Eén van de speerpunten van het fiscaal pakket dat met het belastingplan is gepresenteerd, is vereenvoudiging. Zo vindt in de lijfrentesfeer een vijftal vereenvoudigingen plaats. Met BP 2009 zijn vereenvoudigingen doorgevoerd op het terrein van splitsing van lijfrenten, afkoop van kleine lijfrenten en inhouding van loonbelasting op afkoopsommen van lijfrenteverzekeringen. Daarnaast vervalt de afrekenverplichting bij emigratie voor saldolijfrenten. Verder wordt de maximumpremiegrondslag in de derde pijler (jaarruimte) verhoogd, waardoor de aftrekmogelijkheden voor lijfrentepremies in de derde pijler worden teruggebracht naar het niveau van Op 16 december 2008 is BP 2009 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 29 december 2008 is de officiële wettekst van BP 2009 in het staatsblad 2008 geplaatst, nr Ook zijn enige voor levensverzekeringen relevante bepalingen in het Uitvoeringsbesluit IB 2001 gewijzigd (Besluit van 18 december 2008, Staatsblad 2008, nr. 574). Nagenoeg alle gewijzigde bepalingen in de lijfrentesfeer zijn per 1 januari 2009 in werking getreden. Echter de inhouding van loonbelasting op afkoopsommen e.d. is 1 jaar uitgesteld en gaat derhalve per 1 januari 2010 in werking treden. In deze brochure zijn de voor de afkoopregeling van kleine lijfrenten en de voor de uitbreiding van de onderworpenheid aan loonbelasting relevante gepubliceerde zaken bij elkaar gebracht. In dat kader zijn onder andere selecties van de fiscale bepalingen opgenomen (in hoofdstuk 2 t/m 6) die liggen op deze specifieke deelterreinen van levensverzekeringen (IB en LB) en per 1 januari 2009 zijn gaan gelden. Het gaat om de bepalingen van: 1. de Wet IB 2001; 2. de Invoeringswet Wet IB 2001; 3. de Wet LB 1964; 4. het Uitvoeringsbesluit LB Voorafgaand aan de wetteksten en teksten van lagere regelgeving is een uitgebreide samenvatting opgenomen over de betreffende twee wijzigingen in het lijfrenteregime (zie hoofdstuk 1). Ten slotte zijn opgenomen de in verband met de afkoop van kleine lijfrenten op 7 mei 2009 gepubliceerde en (t.o.v. de eerdere versie) herziene set met helpdeskvragen van de Kennisgroep Verzekeringsproducten van de Belastingdienst (hoofdstuk 7), alsmede de nieuwsbrief van Belastingdienst/Centrale administratie van december 2008 (hoofdstuk 8). Opgemaakt d.d.: 11 mei 2009 Door: Erik van Toledo Fiscale site Levensverzekeringen

8 - Samenvatting lijfrentewijzigingen BP Samenvatting lijfrentewijzigingen BP Vooraf Aan het speerpunt vereenvoudiging wordt in het fiscaal pakket dat met Belastingplan 2009 (BP 2009) is gepresenteerd ruimschoots aandacht besteed. Het vereenvoudigen van de uitvoering van fiscale wetgeving is een continu proces. Verschillende maatregelen vereenvoudigen de regelgeving waardoor de uitvoering ook eenvoudiger wordt. Zo is het kabinet met verschillende vereenvoudigingen in het lijfrentesysteem gekomen. Deze vereenvoudigingen zijn zowel van belang voor verzekeringsmaatschappijen en banken als voor burgers. Zo vinden in de lijfrentesfeer onder meer vereenvoudigingen plaats op het terrein van afkoop van kleine lijfrenten en inhouding van loonbelasting op onder meer afkoopsommen van lijfrenten. Beide vereenvoudigende regelingen worden hierna toegelicht Afkoop kleine lijfrenten Voor kleine lijfrentekapitalen wordt een afkoopmogelijkheid geïntroduceerd. Deze afkoopregeling is bedoeld voor vaak premievrijgemaakte lijfrenteverzekeringen met een (relatief) beperkte waarde. Bij (met name premievrije) lijfrenteaanspraken met een relatief geringe waarde kan het voorkomen dat deze door de administratiekosten en overlijdensrisicopremies (nog verder) in waarde afnemen. Om dit (gedeeltelijk) "verdampen" van lijfrentewaarden te voorkomen, bestaat er in de praktijk de behoefte om deze kleine lijfrentekapitalen te kunnen afkopen. Het fiscale regime wordt echter als beletsel ervaren om tot afkoop over te gaan. Afkoop van een lijfrenteverzekering die is gesloten onder het Brede Herwaarderingsregime (of erna) leidt immers tot belastingheffing over negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ter zake van afgetrokken lijfrentepremies én van revisierente. BP 2009 voorziet in een fiscaalverzachtende afkoopregeling voor lijfrentecontracten waarvan de waarde (in het economische verkeer) niet meer bedraagt dan (jaarlijks te indexeren met de tabelcorrectiefactor). Een dergelijke afkoopsom wordt aangemerkt als een termijn van lijfrente en wordt daarmee op gelijke wijze als de periodieke lijfrentetermijnen belast in box 1. Dit leidt er onder meer toe dat de regeling van de revisierente niet in beeld komt. Met deze maatregel is beoogd de administratieve lasten van aanbieders terug te brengen. Een aanvullende voorwaarde voor de toepassing van de afkoopregeling is dat nog geen lijfrentetermijnen mogen zijn vervallen. De regeling is er uitdrukkelijk niet voor bedoeld om, zodra de waarde van de ingegane lijfrente (of andere periodieke uitkering) als gevolg van de reeds gedane uitkeringen beneden de afkoopgrens van daalt, dat dan de restantwaarde in de vorm van een afkoop zonder fiscale sanctie kan worden genoten! De grens van voor de afkoop van kleine lijfrenten geldt per lijfrentecontract! Daarbij geldt dan ingeval een belastingplichtige meerdere lijfrenten bij dezelfde verzekeraar heeft afgesloten, deze lijfrenten geacht worden tezamen één lijfrente te vormen. Daarmee wordt voorkomen dat met het oog op de mogelijke toekomstige afkoop een lijfrentecontract wordt gesplitst in meerdere (kleinere) lijfrentecontracten, of aanstonds meerdere lijfrentecontracten worden afgesloten bij dezelfde verzekeraar. Als lijfrenten zijn geconcentreerd bij één verzekeraar is het gevaar van het (gedeeltelijk) verdampen van lijfrentewaarden geringer, omdat in dat geval de rechten die worden aangehouden bij die ene verzekeraar veelal betrekkelijk eenvoudig én kostenloos kunnen worden samengevoegd. Bovendien geldt dat de grens moet worden toegepast per verzekeringsmaatschappij en niet per verzekeringsconcern. Dit betekent dat waarden van lijfrentecontracten, gesloten bij verzekeringsmaatschappij X en bij verzekeringsmaatschappij Y, tezamen onderdeel van één verzekeringsconcern Z, niet hoeven te worden samengenomen: er wordt gekeken op het niveau van X respectievelijk Y. Fiscaal gezien bestaat er geen enkele wettelijke verplichting om kleine lijfrentekapitalen af te kopen. Hoewel aan een lijfrente voor fiscale doeleinden de eis wordt gesteld dat het contract

9 - Samenvatting lijfrentewijzigingen BP (kort samengevat) een afkoopverbod moet bevatten, wil dat niet zeggen dat er ook civielrechtelijk een afkoopverbod bestaat. De voorwaarden om tot een rechtsgeldige afkoop te komen, is een zaak van het verbintenissenrecht en niet van de fiscaliteit; partijen, verzekeringsmaatschappij en verzekeringnemer, kunnen zelf een afkoop overeenkomen. In de fiscaliteit wordt slechts geregeld welke fiscale gevolgen aan een dergelijke afkoop zijn verbonden. De voor lijfrenteverzekeringen met BP 2009 geïntroduceerde kleine afkoopregeling geldt ook voor de lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht. Voor dergelijke lijfrenteproducten bestaat er sinds 1 januari 2008 al een afkoopregeling voor kleine posities. Volgens de huidige afkoopregeling moet worden bekeken welke lijfrente de verzekeringsnemer op het moment van afkoop zou kunnen bedingen en of het bedrag dat dan jaarlijks wordt uitgekeerd niet uitkomt boven de grens van 406,44 (cijfer 2008). Deze grens moet worden toegepast per belastingplichtige, derhalve op de gezamenlijke waarde van alle lijfrentecontracten die in het bezit zijn van de belastingplichtige op het moment dat deze tot afkoop van één van de lijfrentecontracten wil overgaan. Deze afkoopregeling levert de praktijk relatief veel werk op en stuit ook op andere praktische bezwaren. Om de afkooptoets voor de Belastingdienst én de lijfrenteaanbieder eenvoudiger te maken, is de huidige afkoopregeling vervangen door een meer praktische regeling Inhouding loonbelasting op afkoopsommen Periodieke uitkeringen uit lijfrenten aan meerderjarigen zijn onderworpen aan de inhouding van loonbelasting (als voorheffing op de daarover verschuldigde inkomstenbelasting). Met BP 2009 is de onderworpenheid aan de inhouding van loonbelasting uitgebreid naar afkoopsommen van lijfrenten en afkoopsommen van bepaalde andere periodieke uitkeringen (het gaat daarbij om periodieke uitkeringen terzake van invaliditeit, ziekte of ongeval). Dit vereenvoudigt de praktijk in afkoopsituaties voor alle betrokkenen. Hiermee verband houdend vindt ook een technische wijziging plaats in de Zorgverzekeringswet. Aanvankelijk werd beoogd de uitbreiding van de onderworpenheid aan de inhouding van loonbelasting per 1 januari 2009 in werking te laten treden. Echter, na overleg met de verzekeringsbranche is besloten deze uitbreiding van (de onderworpenheid aan) de inhouding van loonbelasting op verzekeringsuitkeringen en afkoopsommen niet op 1 januari 2009 maar op 1 januari 2010 te doen ingaan. Dit is nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en vergde daarom geen aanpassing van de wet Belastingplan Met het uitstellen van de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling wordt de verzekeraars voldoende tijd gegeven om hun systemen zodanig aan te passen dat de inhouding op verzekeringsuitkeringen op de juiste wijze kan plaatsvinden. Let op! Zie voor meer informatie de nieuwsbrieven van de Belastingdienst/Centrale administratie van december 2008 (nr. 3) en maart 2009 (nr. 4). De derde nieuwsbrief is opgenomen in hoofdstuk 8 van deze bundel, de vierde kan worden gedownload van Bronnen : - Persbericht van 16 september 2008; - Memorie van Toelichting inzake wetsvoorstel "Belastingplan 2009" van 16 september 2008 (TK , nr. 3); - Brief van de staatssecretaris van Financiën van de Eerste Kamer van 13 oktober 2008 (EK , nr. A); - Nota naar aanleiding van het verslag van 23 oktober 2008 (TK , nr. 8); - Nota van wijziging van 23 oktober 2008 (TK , nr. 9); - Bijstellingsregeling 2009 van 16 december 2008 (Staatscourant 2008, nr. 252); - Wet Belastingplan 2009 van 18 december 2008 (Staatsblad 2008, nr. 565).

10 - Wet IB Selectie wetteksten Wet IB 2001 Artikel Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn: a. de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen; b. termijnen van lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, en in artikel en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, en in artikel 3.126a; c. uitkeringen en verstrekkingen op grond van een buitenlandse voorziening waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening als bedoeld in afdeling 3.7, behoudens voorzover aannemelijk is dat met de voor die voorziening betaalde premies geen rekening is gehouden bij een heffing naar het inkomen; d. uitkeringen op grond van verplicht gestelde deelnemingen aan pensioenregelingen als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b; verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel In afwijking in zoverre van artikel 2.14 wordt de belastbaarheid van uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet beheerst door deze afdeling. Artikel 3.107a. Bepaling omvang belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1. Voor het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, ingevolge een overeenkomst ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat de betaalde premies en bedragen geheel of gedeeltelijk niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, worden op de termijn of uitkering tot het in het tweede lid aangegeven maximum in mindering gebracht de betaalde premies en bedragen waarvan aannemelijk is dat die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet reeds bij een eerdere termijn of uitkering in mindering zijn gebracht. 2. Van de in een kalenderjaar betaalde premies en bedragen die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, kan ten hoogste 2269 op de voet van het eerste lid in mindering worden gebracht op de in het eerste lid bedoelde termijnen en uitkeringen, met dien verstande dat ingeval in een kalenderjaar ter zake van meerdere overeenkomsten premies en bedragen zijn betaald die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen het maximum van 2269 geldt voor het totaal van die premies en bedragen. Artikel 3.126a. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggignsrecht 1. Met premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen ter compensatie van een pensioentekort als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, worden gelijkgesteld de bedragen die door de belastingplichtige zijn overgemaakt naar een door hem bij een kredietinstelling als omschreven in het tweede lid aangehouden geblokkeerde rekening (lijfrentespaarrekening) of die door hem zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling als omschreven in dat lid, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling (lijfrentebeleggingsrecht), waarbij: a. de met de overgemaakte bedragen behaalde rendementen worden bijgeboekt op de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter verkrijging van lijfrentebeleggingsrechten, en b. het tegoed van de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht, uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dan wel overeenkomstig de in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden uitsluitend kan worden uitgekeerd in termijnen. Met betrekking tot deze overgemaakte bedragen is artikel niet van toepassing.

11 - Wet IB Een kredietinstelling of beheerder als bedoeld in het eerste lid is: a. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, mits deze onderneming de verplichting ingevolge de lijfrentespaarrekening voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen; b. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling mag uitoefenen, en die is gevestigd in Nederland; c. een onderneming of instelling die bevoegd als kredietinstelling of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt, anders dan bedoeld in onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, die door Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, is aangewezen en die zich tegenover Onze Minister heeft verplicht: 1. te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling, en 2. zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door de toepassing van de artikelen en 3.136, dan wel de belastingplichtige zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen. 3. De rekeninghouder van een lijfrentespaarrekening en de houder van een lijfrentebeleggingsrecht worden hierna aangeduid als verzekeringnemer en ook overigens gelijkgesteld met verzekeringnemer. 4. Voor zover het tegoed van de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht niet is aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dient het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar te worden uitgekeerd. Voorts geldt daarbij: a. bij in leven zijn van de verzekeringnemer: 1. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 70 bereikt; 2. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd met het aantal jaren dat de verzekeringnemer jonger is dan 65 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn; 3. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 64 jaar heeft bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan , en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; 4. dat, ingeval de uitkering van de eerste termijn plaatsvindt binnen zes maanden na het overlijden van de partner of gewezen partner van de verzekeringnemer, in afwijking van het onder 2 en 3 bepaalde, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt; b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: 1. dat de termijnen direct ingaan en worden uitgekeerd aan een natuurlijk persoon; 2. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die ouder is dan 30 jaar, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt; 3. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn hetzij ten minste 5 jaar bedraagt doch nimmer meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is dan 30 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn, hetzij ten minste 20 jaar bedraagt; 4. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een ander persoon dan bedoeld onder 2 en 3, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt.

12 - Wet IB In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde kredietinstelling of beheerder van een beleggingsinstelling, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. 6. Indien ingevolge het vierde lid, onderdeel a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen voor uitkering van de laatste termijn overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen. 7. Artikel 1.7, derde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de termijnen, bedoeld in het vierde lid en zesde lid. 8. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen en van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen worden de termijnen, bedoeld in het vierde lid, vijfde lid en zesde lid, gelijkgesteld met periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 9. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde aanwijzing. 10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. Artikel Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden 1. Voorzover zich met betrekking tot een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdelen b en c, artikel of artikel 3.126a een in het tweede lid genoemde omstandigheid voordoet, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor die aanspraak en het daarover behaalde rendement (artikel 3.137) bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. 2. Het eerste lid vindt toepassing indien: a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet; b. het een aanspraak als bedoeld in artikel betreft en de aanspraak beoordeeld vanuit de verzekeringnemer zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet; c. het een aanspraak als bedoeld in artikel betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen en in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag; d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan 4068; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. e. de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990; f. het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; g. de verzekeraar of de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2, bedoelde belastingplichtige, niet langer voldoet aan de in artikel gestelde voorwaarden;

13 - Wet IB h. de lijfrenteverplichting overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand jaar is overgegaan, op een ander pensioenfonds of lichaam dat bevoegd is het levensverzekeringsbedrijf te uitoefenen dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1, onderdeel b of onderdeel d, ter verwerving van pensioenrechten in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland teneinde een pensioenbreuk als gevolg van deze aanvaarding te voorkomen; i. de lijfrenteverplichting, anders dan bedoeld onder h, geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1, onderdeel b of onderdeel d, of j. de aanspraak bij het einde van het kalenderjaar is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel c; k. een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.127, eerste of tweede lid, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling. 3. Onder overgang van de lijfrenteverplichting wordt mede verstaan herverzekering indien de lijfrente is bedongen bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2, of artikel 3.131, tweede lid. 4. Het tweede lid, aanhef en onderdeel i, heeft mede betrekking op verplichtingen die betrekking hebben op aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. 5. Voorzover voor de belasting die betrekking heeft op de premies voor een aanspraak, en het daarover behaalde rendement, die volgens het eerste lid in samenhang met het tweede lid, onderdelen h en j, als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen, uitstel van betaling is verleend volgens artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt het eerste lid voor het overige geacht geen toepassing te hebben gevonden op die premies en het behaalde rendement. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel k. 7. Met betrekking tot een inkomensvoorziening via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht worden onder de in het tweede lid genoemde omstandigheden mede begrepen omstandigheden die overeenkomen met de in het tweede lid omschreven omstandigheden. Artikel In aanmerking te nemen bedrag bij uitbreidingen van het begrip negatieve uitgaven 1. Voor de toepassing van de artikelen 3.133, en wordt het bedrag aan in aanmerking te nemen premies en bedragen en het daarover behaalde rendement ter zake van een aanspraak of een gedeelte van een aanspraak gesteld op de waarde in het economische verkeer van die aanspraak of dat gedeelte op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop zich de in die artikelen bedoelde omstandigheid voordoet. Daarbij wordt de waarde in het economische verkeer van een aanspraak waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen, tenminste gesteld op de premies en bedragen die voor de aanspraak of een gedeelte van de aanspraak zijn betaald doch niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen. 2. Voor de toepassing van het eerste lid en de artikelen 3.133, en blijft buiten beschouwing het behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest. Artikel 10a.6. Overgangsbepaling in verband met de wijziging van artikel per 1 januari Voor het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, ingevolge een overeenkomst ter zake waarvan de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat de met betrekking tot de kalenderjaren 2001 tot en met 2008 betaalde premies en bedragen geheel of gedeeltelijk niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, worden, in afwijking in

14 - Wet IB zoverre van artikel 3.107a, op de termijn of uitkering in mindering gebracht de betaalde premies en bedragen waarvan aannemelijk is dat die niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en voor zover die in mindering te brengen premies en bedragen niet reeds bij een eerdere termijn of uitkering in mindering zijn gebracht. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van het eerste lid.

15 - Invoeringswet Wet IB Selectie wetteksten Invoeringswet Wet IB 2001 O. Bestaande rechten en verplichtingen ter zake van periodieke uitkeringen en verstrekkingen 1. Voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie blijven de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in artikel van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing voorzover: a. vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 1 januari 2001; b. vóór 14 september 1999 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999; c. op of na 14 september 1999 doch vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die een bedrag van f 5000 per kalenderjaar niet te boven gaan en die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999; d. op of na 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als uitgaven voor een inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen en die een bedrag van 2269 per kalenderjaar niet te boven gaan ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999, mits de daarbij overeengekomen premiebetalingen op of na 14 september 1999 niet zijn verhoogd. Voorzover de periodieke uitkeringen en verstrekkingen volgens de regels die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zouden behoren tot de inkomsten uit vermogen, worden deze aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel en in 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting Het eerste lid is met ingang van 1 januari 2021 niet meer van toepassing op een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging daarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest, of voorzover de daarvoor betaalde premies voldoen aan het eerste lid, onderdeel d. 3. Het eerste lid is met betrekking tot artikel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing op periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen dan wel voor de verkrijging daarvan geen vrijstelling van toepassing is geweest. 4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt hetgeen wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen aangemerkt als uitkering of verstrekking voorzover dat niet het geval is op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals die luidt op 31 december De vorige volzin is eveneens van toepassing op de omzetting van een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen in een andersoortig recht. 5. Met betrekking tot verplichtingen die tot stand zijn gekomen vóór 14 september 1999 tot het betalen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen, blijft artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing tot en met 31 december Voor zover de periodieke uitkeringen op grond van de vorige volzin zijn aan te merken als persoonlijke verplichtingen worden deze uitkeringen in aanmerking

16 - Invoeringswet Wet IB genomen als een onderhoudsverplichting als bedoeld in afdeling 6.2 van de Wet inkomstenbelasting Op aanspraken op lijfrenten als bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december 1991 waarop ingevolge artikel 75 van die wet de regels van kracht zijn die daarvoor op 31 december 1991 golden, zijn in aanvulling op het eerste lid ook artikel 1.7, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen, van overeenkomstige toepassing. 7. Indien voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen het eerste lid, aanhef en onderdeel d, toepassing vindt, vindt artikel 3.107a van de Wet inkomstenbelasting 2001 geen toepassing bij het bepalen van de omvang van belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen ingevolge dat recht. T. Inpassen van betaalde lijfrentepremies 1. In afwijking van onderdeel O, eerste lid, worden met betrekking tot een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarop artikel 75, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet of niet meer van toepassing is, de ter zake van dat recht betaalde premies die als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen, voor de toepassing van afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, aangemerkt als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 2. Voor de toepassing van afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als aanspraken als bedoeld in artikel 3.124, respectievelijk artikel dan wel artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting De premies als bedoeld in het eerste lid, en het daarover behaalde rendement, die op grond van afdeling 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zijn genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, worden voor de toepassing van de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die gelden op grond van onderdeel O, eerste lid, aangemerkt als prestatie die niet ten laste van het inkomen konden komen. De eerste volzin geldt niet voor de premies, en het daarover behaalde rendement, in verband waarmee uitstel van betaling van belasting is verleend als bedoeld in artikel 3.133, vierde lid, of artikel 3.136, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

17 - Wet LB Selectie teksten Wet LB 1964 Artikel 34. Vergemakkelijking heffing van inkomstenbelasting 1. Ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die: a. termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten; b. uitkeringen genieten ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen of verstrekkingen; c. een afkoopsom genieten ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting Met betrekking tot bedragen ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt in afwijking van hoofdstuk III de belasting 52% van deze bedragen. Indien de belasting ingevolge artikel 27b, eerste lid, in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven, wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting tezamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52% van de bedoelde bedragen. Toelichting EvT: De bepaling in het Uitvoeringsbesluit LB 1965 (artikel 11, lid 1, onderdeel a) waarin uitvoering wordt gegeven aan de per 1 januari 2009 gewijzigde delegatiebepaling van artikel 34 Wet LB 1964 (lid 1, onderdeel c en lid 2) treedt pas in werking per 1 januari 2010! Zie hiervoor het Besluit van 18 december 2008 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, Staatsblad 2008, nr. 574 (Artikel II, onderdeel I, onder 1; blz. 3 en 4). Die tekst is hierna in paragraaf 7.2 opgenomen.

18 - Uitvoeringsbesluit LB Selectie teksten Uitvoeringsbesluit LB 1965 (UB LB 1965) 5.1. Tekst artikel 11 UB LB 1965 per De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 behorende inkomsten genieten: a. termijnen van lijfrenten, aan een meerderjarige verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, alsmede termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001; b. uitkeringen ingevolge de Ziektewet en ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten; c. uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; d. uitkeringen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen , ingevolge de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en ingevolge de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet; e. [vervallen;] f. uitkeringen ingevolge de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946 (nr. 48) en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6 (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946, nr. 118), alsmede op deze uitkeringen betrekking hebbende toe- en bijslagen; g. uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand alsmede de in artikel 3a bedoelde uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen; h. uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet; i. uitkeringen uit de Stichting , de Stichting Friesland en de Stichting Hulp voor nagelaten betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek ); j. uitkeringen uit de Stichting Notarieel Pensioenfonds te 's-gravenhage; k. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan deelneming is verplicht gesteld op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling; l. uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers en ingevolge de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers ; m. uitkeringen ingevolge de Remigratiewet en de Remigratieregeling 1985; n. uitkeringen ingevolge de Toeslagenwet; o. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; p. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars; q. premies door gemeenten verstrekt in het kader van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand; r. uitkeringen als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; s. inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet. 2. De in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als loon uit vroegere arbeid.

19 - Uitvoeringsbesluit LB Tekst artikel 11, lid 1, onderdeel a, UB LB 1965 per De tekst is gebaseerd op het Besluit van 18 december 2008, Staatsblad 2008, nr. 574! a. de navolgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en afkoopsommen: 1. termijnen van lijfrenten als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, alsmede termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van die wet; 2. periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001; 3. negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de afkoopsom is verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent; daarbij wordt de loonbelasting geheven over de afkoopsom; 4. uitkeringen die worden verstrekt door een kredietinstelling of beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die ingevolge artikel 3.133, zevende lid, van die wet worden aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; 5. afkoopsommen ter zake van lijfrenten verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, voor zover met betrekking tot die afkoopsommen ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing blijven; 6. periodieke uitkeringen en verstrekkingen en afkoopsommen daarvan verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, voor zover met betrekking tot die uitkeringen of verstrekkingen ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing blijven; Toelichtende tekst uit nota van toelichting (artikelsgewijs; Artikel II, onderdeel I, onder 1) Thans zijn de lijfrentetermijnen uitgekeerd aan een meerderjarige, onderworpen aan de heffing van loonbelasting, waaronder sinds 1 januari 2008 mede worden begrepen, de termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet IB Onder lijfrenten aan meerderjarigen vallen tevens termijnen van lijfrenten die toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Vanuit praktisch oogpunt en ter vereenvoudiging van de uitvoeringspraktijk wordt de onderworpenheid aan de heffing van loonbelasting met ingang van 1 januari 2010 uitgebreid tot de volgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en afkoopsommen: 1. termijnen van lijfrenten als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001, ongeacht of deze aan een minder- of aan een meerderjarige worden verstrekt; 2. periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval; 3. negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in verband met een afkoop; 4. uitkeringen ingevolge een onregelmatige afwikkeling van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht; 5. afkoopsommen van «oude» lijfrenten; 6. «oude» saldo-periodieke uitkeringen en afkoopsommen daarvan.

20 - Uitvoeringsbesluit LB Een en ander geschiedt door aanpassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van het UBLB In verband met de toevoeging van de desbetreffende uitkeringen en afkoopsommen, wordt artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 opgesplitst in zes subonderdelen. Hierna volgt een nadere toelichting en uitwerking per categorie. 1. Termijnen van lijfrenten In de tot en met 31 december 2009 geldende tekst van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van het UBLB 1965 is de onderworpenheid aan de heffing van loonbelasting beperkt tot aan een meerderjarige verstrekte termijnen van lijfrenten. Deze beperking houdt nog verband met het feit dat onder het regime tot en met 1991 (het pre-brede Herwaarderingregime) de aan een minderjarig kind verstrekte lijfrentetermijnen niet bij het kind zelf maar bij de ouder werden belast. Door in het nieuwe onderdeel a, onder 1, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 de beperking tot aan een meerderjarige verstrekte termijnen van lijfrente te laten vervallen, is met ingang van 1 januari 2010 tevens loonbelasting verschuldigd over termijnen van lijfrenten die aan een minderjarige worden verstrekt. Doordat het onderscheid minderjarig meerderjarig niet meer behoeft te worden gemaakt, wordt een vereenvoudiging bereikt. Ingevolge artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 is eveneens sprake van een termijn van lijfrente ingeval een aanspraak op lijfrente waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan (cijfers 2008). 2. Periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval Het nieuwe onderdeel a, onder 2, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 bewerkstelligt dat loonbelasting wordt geheven over periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001; vergelijk ook artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB Het gaat hierbij tevens om periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval uit hoofde van de «oude», pre-brede Herwaarderingovereenkomsten. 3. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in verband met een afkoop Het nieuwe onderdeel a, onder 3, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 bewerkstelligt dat loonbelasting wordt geheven over bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak op lijfrente of tot de aanspraak op periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval (artikel 3.133, eerste lid, van de Wet IB 2001), in aanmerking te nemen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, mits deze negatieve uitgaven in aanmerking worden genomen in verband met geheel of gedeeltelijke afkoop van de overeenkomst (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001) in de vorm van een afkoopsom. De loonbelasting wordt geheven over de afkoopsom daar deze in de praktijk gelijk is aan de in de Wet IB 2001 gedefinieerde grondslag van waarde in het economische verkeer van de aanspraak op het onmiddellijk aan de afkoop voorafgaande tijdstip. Dat betekent dat bij de bepaling van de grondslag waarover loonbelasting wordt geheven, de zogenoemde minimumwaarderingregel van artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 geen toepassing vindt. De minimumwaarderingregel vindt alleen toepassing in de inkomstenbelasting. De inhouding geschiedt tegen een vast tarief van 52% (het nieuwe tweede lid van artikel 34 Wet LB 1964). Voor zover ter zake van de afkoopsommen met toepassing van artikel 34, tweede lid, van de Wet LB 1964 een heffing is verschuldigd naar een tarief van 52%, vervalt de aansprakelijkheid van de verzekeraar of de bankinstelling voor de in verband met de afkoop van de lijfrenteaanspraak verschuldigde inkomstenbelasting en revisierente (vergelijk artikel 44a van de Invorderingswet 1990).

21 - Uitvoeringsbesluit LB Onregelmatige afwikkeling van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht Het nieuwe onderdeel a, onder 4, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 bewerkstelligt dat loonbelasting wordt geheven bij de onregelmatige afwikkeling van een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Het gaat om uitkeringen die worden verstrekt door een kredietinstelling of beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet IB 2001 en die ingevolge artikel 3.133, zevende lid, van die wet worden aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. 5. Afkoopsommen van «oude» lijfrenten Artikel 34, eerste lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964 in verbinding met het nieuwe onderdeel a, onder 5, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 bewerkstelligt dat afkopen van lijfrentecontracten waarop de systematiek van de negatieve uitgaven uit inkomensvoorzieningen niet van toepassing is kort weergegeven: lijfrentecontracten die tot stand zijn gekomen onder het regime van vóór 1992, de zogenoemde «pre-brede Herwaardering-lijfrenten» met ingang van 1 januari 2010 zijn onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Het gaat daarbij uitsluitend om de situatie dat het lijfrentecontract geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht in de vorm van een afkoopsom. 6. «Oude» saldo-periodieke uitkeringen en verstrekkingen Met het nieuwe onderdeel a, onder 6, van artikel 11, eerste lid, van het UBLB 1965 wordt geregeld dat de zogenaamde saldo-periodieke uitkeringen en verstrekkingen, door een verzekeringsmaatschappij verstrekt, worden onderworpen aan de heffing van loonbelasting. Bij saldo-periodieke uitkeringen en verstrekkingen gaat het om periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake waarvan de daarvoor betaalde premies op grond van de Wet inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) geheel of gedeeltelijk niet als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen, voor zover op deze uitkeringen en verstrekkingen ingevolge artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 de regels die golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op IB 1964 van toepassing zijn gebleven. Op dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen, en afkoopsommen daarvan, blijft de saldomethode van artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 van toepassing. Dat betekent dat de uitkeringen en verstrekkingen pas (in box 1) worden belast nadat en voor zover deze uitkeringen en verstrekkingen gezamenlijk het totaalbedrag van de niet afgetrokken premies overtreffen. Derhalve kan de heffing van loonbelasting op saldo-periodieke uitkeringen en verstrekkingen achterwege blijven totdat en voor zover deze uitkeringen en verstrekkingen het totaal van de betaalde, niet in aftrek gebrachte premies te boven gaan. De inspecteur zal op verzoek van de gerechtigde tot de uitkeringen en verstrekkingen, indien deze het totaalbedrag aan betaalde niet aftrekbare premies aannemelijk maakt, een verklaring afgeven in hoeverre de inhouding van loonbelasting achterwege mag blijven.

22 - Bijstellingsregeling Bijstellingsregeling 2009 Vanaf 1 januari 2009 kunnen zogenoemde kleine lijfrenten worden afgekocht zonder dat daarbij revisierente in verschuldigd (zie ook terug). Het grensbedrag op basis van het ingediende wetsvoorstel bedroeg Daarbij is nog geen rekening gehouden met indexering. Na toepassing van de tabelcorrectiefactor en het afronden van de uitkomst naar boven, op hele euro's bedraagt het grensbedrag Zie hiervoor de Bijstellingsregeling 2009 van 16 december 2008, nr. DB 2008/451M.

23 - Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten 2009 Op woensdag 7 mei 2009 is in totaal een 19-tal antwoorden op veel voorkomende praktijkvragen op de website geplaatst (rubriek: Verzekeraars Informatie FAQ Kennisgroep Verzekeringsproducten). De antwoorden zijn geformuleerd door de Kennisgroep Verzekeringsproducten van de Belastingdienst. De set met vragen en antwoorden die op 7 mei 2009 tussen 13:21 en 13:59 uur is gepubliceerd bevat op enige punten herzieningen ten opzichte van de eerder, op 27 april 2009, gepubliceerde set. De antwoorden vormen geen beleid door of namens de staatssecretaris van Financiën maar zijn standpunten rechtstreeks voortvloeiend uit wet- en regelgeving. Hierna zijn alle gepubliceerde helpdeskvragen opgenomen; de teksten van de vragen zijn 1 op 1 overgenomen van genoemde website, m.u.v. de nummering. De vragen/antwoorden zijn in oorspronkelijke volgorde van publicatie opgenomen Indexatie van de kleine afkoopwaarde (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:49) Antwoord: In de wetgeving inzake het Belastingplan 2009 is als maximale waarde van een lijfrente c.q. maximaal tegoed van een lijfrentespaarrekening waarop de kleineafkoopregeling van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, respectievelijk 3.126a, vijfde lid, Wet IB 2001 van toepassing is, een bedrag van 4000 opgenomen. Aangezien genoemd bedrag in beide artikelen op grond van de indexering van art Wet IB 2001 jaarlijks wordt aangepast, geldt met ingang van 1 januari 2009 een bedrag van 4068 als maximum Tijdstip vaststellen van de afkoopwaarde (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:51) Antwoord: Als toetswaarde voor de kleine-afkoopregeling geldt de waarde van de lijfrente c.q. van het tegoed op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan de afkoop. De afkoop vindt in fiscale zin plaats op het tijdstip waarop deze met de verzekeraar is overeengekomen. Dit kan het geval zijn indien de verzekeraar c.q. de kredietinstelling na het afkoopverzoek van de verzekeringnemer meedeelt dat tot afkoop zal worden overgegaan. Als toetswaarde voor de kleine-afkoopregeling geldt dan de waarde van de lijfrente c.q. van het tegoed ten tijde van die mededeling. In de praktijk zal de mededeling van de verzekeraar c.q. de kredietinstelling meestal ook het bedrag van de afkoopsom inhouden. Dan vormt dat bedrag de toetswaarde Hogere uitkering dan afkoopwaarde (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:57) Antwoord: Tussen het tijdstip waarop de afkoop is overeengekomen c.q. de afkoopwaarde is vastgesteld en het tijdstip van daadwerkelijke uitkering kan enige tijd gelegen zijn. In sommige gevallen wordt als gevolg daarvan door de verzekeraar c.q. de kredietinstelling een hoger bedrag uitgekeerd dan de fiscaal in aanmerking te nemen afkoopwaarde. Uit het antwoord op vraag 7.2 vloeit voort dat die handelwijze geen gevolgen heeft voor de toepassing van de kleine-afkoopregeling. Indien meer wordt uitgekeerd dan de fiscaal in aanmerking te nemen afkoopwaarde, dient de verzekeraar c.q. de kredietinstelling te renseigneren c.q. loonbelasting in te houden naar die afkoopwaarde en niet naar het hogere bedrag van de uitkering. Hetgeen meer wordt uitgekeerd vormt geen in box 1 in aanmerking te nemen inkomst omdat de lijfrente c.q. de lijfrentespaarrekening na het tijdstip van de fiscale afkoop geen box-1-recht meer vormt.

24 - Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten Geen aansprakelijkheid verzekeraar bij afkoop kleine lijfrente (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:58) Antwoord: Ter zake van een afkoop waarop de kleine-afkoopregeling van toepassing is, bestaat geen aansprakelijkheid voor de verzekeraar c.q. de kredietinstelling. Omdat de uitkering ineens wordt aangemerkt als een reguliere termijn van lijfrente, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen en is geen revisierente verschuldigd Geen minimumwaarderingsregel bij afkoop kleine lijfrente (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:50) Antwoord: Aangezien bij toepassing van de kleine-afkoopregeling geen negatieve uitgaven aan de orde zijn zie ook antwoord 7.4 is op de afkoop niet artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001 van toepassing. Dat betekent dat bij toepassing van de kleineafkoopregeling de werkelijke afkoopwaarde wordt belast en niet het bedrag van de in het verleden afgetrokken premies als dat hoger is Einddatum opbouwfase lijfrente in 2008; afloop redelijke termijn in 2009 (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:48) Antwoord: Indien van een lijfrente de overeengekomen datum waarop een lijfrente moet ingaan is gelegen in 2008, is het soms mogelijk dat de kleine-afkoopregeling in 2009 toepassing vindt. Dat is het geval indien de zogenoemde redelijke termijn die bestaat om de lijfrente te doen ingaan, eindigt in 2009 en nog binnen die redelijke termijn de afkoop wordt overeengekomen Regeling geldt niet voor afkoop na overschrijding redelijke termijn (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:59) Antwoord: De kleine-afkoopregeling geldt niet voor een afkoop die plaatsvindt nadat de redelijke termijn voor het doen ingaan van een lijfrente, is overschreden. Het overschrijden van die redelijke termijn houdt al een schending van voorwaarden in als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, Wet IB 2001, waarbij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. Het tijdstip waarop in dit geval negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, is volgens vaste jurisprudentie het tijdstip waarop de redelijke termijn is ingegaan. Op dat tijdstip gaat bovendien het recht over naar box 3. De latere afkoop heeft derhalve geen gevolgen meer voor het inkomen uit werk en woning (box 1) Regeling geldt niet voor andere schendingen van voorwaarden (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:47) Antwoord: De kleine-afkoopregeling geldt niet voor andere schendingen van voorwaarden afkoop is ook een vorm van schending als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, Wet IB 2001, zoals vervreemding, belening of verpanding. De werkingssfeer van de regeling is namelijk ingevolge artikel 3.126a, vijfde lid, en artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 beperkt tot de uitkering in één termijn van het tegoed op een lijfrentespaarrekening respectievelijk tot de uitkering in één bedrag van een lijfrente. Bij andere schendingen van voorwaarden dan afkoop is geen sprake van een uitkering ineens of in één bedrag door de kredietinstelling respectievelijk de verzekeraar.

25 - Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten Samentellen lijfrenten/lijfrentespaarrekeningen bij dezelfde verzekeraar/kredietinstelling (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:49) Antwoord: Voor de toets aan het maximumbedrag waarop de kleine-afkoopregeling van toepassing is, dienen de waarden van lijfrenten en tegoeden op lijfrentespaarrekeningen bij dezelfde verzekeraar respectievelijk dezelfde kredietinstelling te worden samengeteld. Onder verzekeraar en kredietinstelling wordt hierbij verstaan een lichaam dat als zodanig is aan te merken in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Dit brengt mee dat indien tot een concern een aantal lichamen behoren die ieder voor zich zijn aan te merken als verzekeraar of kredietinstelling als hiervoor bedoeld, alleen lijfrenten respectievelijk lijfrentespaarrekeningen die zijn ondergebracht bij één van die lichamen, moeten worden samengeteld. Daarbij is niet van belang welke productnaam een lijfrente respectievelijk lijfrentespaarrekening heeft; relevant is alleen bij welk lichaam het product is ondergebracht Niet samentellen met ingegane lijfrente (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:44) Antwoord: De kleine afkoopregeling geldt uitsluitend voor lijfrenten c.q. lijfrentespaarrekeningen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen respectievelijk zijn ingegaan. Voor de toepassing van de in antwoord 7.9 beschreven samentelregel geldt dat geen samentelling moet plaatsvinden met lijfrenten bij dezelfde verzekeraar c.q. lijfrentespaarrekeningen bij dezelfde kredietinstelling waarvan al ten minste één termijn is vervallen c.q. één uitkering is gedaan Niet samentellen met pré-brede-herwaarderinglijfrente (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:21) Antwoord: Voor de toepassing van de in antwoord 7.9 beschreven samentelregel geldt dat geen samentelling moet plaatsvinden met lijfrenten bij dezelfde verzekeraar waarop uitsluitend nog het pré-brede-herwaarderingregime van toepassing is. De bepalingen van de Wet IB 2001 hebben immers geen betrekking op dergelijke lijfrenten. Het zou voorts ongewenst zijn en voor de praktijk zeer complex uitwerken indien lijfrenten met volstrekt uiteenlopende vormgevingen en toepasselijke regimes zouden moeten worden samengevoegd Kleine-afkoopregeling voor nabestaandenlijfrente; nog niet vervallen termijnen (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:22) Antwoord: De kleine-afkoopregeling is ook van toepassing op rechten op nabestaandenlijfrenten die zijn ontstaan als gevolg van het overlijden van de verzekerde persoon. De regeling kan echter geen toepassing meer vinden zodra de eerste lijfrentetermijn is vervallen c.q. de eerste uitkering ten laste van het tegoed op de lijfrentespaarrekening is gedaan. Zie ook antwoord Afkoopwaarde toetsen per nabestaandenlijfrente voor erfgenaam (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:23) Antwoord: Indien als gevolg van overlijden een nabestaandenlijfrente moet ingaan en een echtgenoot of partner of een in de polis met naam genoemde persoon ontbreekt, zal in de praktijk de lijfrente toekomen aan de kinderen dan wel de erfgenamen. Het lijfrentekapitaal moet dan naar evenredigheid of zoveel als in de polis of in het testament is bepaald

26 - Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten worden gebruikt voor ieder van de lijfrenten die als gevolg van het overlijden ingaan. Op ieder van die lijfrenten kan de kleine-afkoopregeling desgewenst toepassing vinden indien de waarde van de betreffende lijfrente niet meer bedraagt dan het maximum waarvoor de kleine-afkoopregeling geldt. Opgemerkt zij dat zodra door overlijden recht is verkregen op een nabestaandenlijfrente deze fiscaal niet meer geruisloos kan worden omgezet in een ander type lijfrente. Een redelijke wetstoepassing brengt dan mee dat voor de toetswaarde van 4068 die andere typen lijfrenten niet dienen te worden samengeteld met de nabestaandenlijfrente Saldomethode geldt bij kleine afkoop (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:24) Antwoord: Indien op een lijfrente of lijfrentespaarrekening de kleine-afkoopregeling toepassing vindt, wordt de afkoopsom door wetsfictie aangemerkt als de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn. Als gevolg hiervan kan rekening worden gehouden met premies c.q. inlegbedragen die niet of niet geheel als aftrekpost in aanmerking zijn genomen. Het kan hierbij gaan om een saldomethode die van toepassing is op grond van artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB Ook de tegemoetkomende regeling van artikel 3.107a Wet IB 2001 kan hierbij toepassing vinden. Bij afkopen waarop de kleine-afkoopregeling niet van toepassing is, worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen. Daarbij wordt met ingang van 2009 geen rekening gehouden met bedragen die niet als aftrekpost in aanmerking zijn genomen Afkoopwaarde toetsen inclusief saldogedeelte (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:25) Antwoord: Voor de vaststelling of een lijfrente wat grootte betreft in aanmerking komt voor de kleine-afkoopregeling dient te worden uitgegaan van de integrale afkoopwaarde van de lijfrente of het tegoed op de lijfrentespaarrekening op het fiscaal relevante tijdstip (zie ook antwoord 7.2). Niet van belang is derhalve dat een deel van de afkoopsom mogelijk onbelast is omdat de premies c.q. de inleg niet volledig als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen Gedeeltelijk ingaan lijfrente gevolg door gedeeltelijk afkoop (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:27) Antwoord: Het is fiscaal mogelijk een gedeelte van een lijfrentekapitaal te gebruiken voor het doen ingaan van een lijfrente. Nadat tenminste één termijn van die lijfrente is vervallen, kan op de resterende waarde van het lijfrentekapitaal de kleine-afkoopregeling van toepassing zijn. Zoals in antwoord 7.10 is aangegeven, behoeft immers geen samentelling plaats te vinden met een lijfrente waarvan tenminste één termijn is vervallen Echtscheiding; splitsing en toedeling lijfrente (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:29) Antwoord: In de gevallen bedoeld in artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 (verdeling van een gemeenschap in het kader van echtscheiding enz.) bestaat de mogelijkheid om een lijfrente geheel of gedeeltelijk te vervreemden aan de (gewezen) echtgenoot. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk een lijfrente te splitsen en tot de gewenste omvang toe te delen aan beide echtgenoten. Na de splitsing kan elk van de toegedeelde delen voor zich in

27 - Helpdeskvragen afkoopregeling kleine lijfrenten aanmerking komen voor de kleine-afkoopregeling. Samentelling met de lijfrente van de andere (gewezen) echtgenoot is daarbij niet aan de orde. Opgemerkt zij dat in situaties waarin artikel 3.134, tweede lid, van toepassing is, het voor de toepassing van de kleine-afkoopregeling ook mogelijk is de lijfrente niet eerst formeel in twee lijfrenten te splitsen. Daartoe dient in het echtscheidings- of verdelingsconvenant uitdrukkelijk te zijn bepaald hoe de lijfrente/lijfrenten zal/zullen worden verdeeld. Nadat het convenant definitief is geworden, kan voor iedere (gewezen) echtgenoot de kleine-afkoopregeling van toepassing zijn op het aan hem of haar toegewezen gedeelte of waarde van de lijfrente/lijfrenten ondanks het feit dat de lijfrente mogelijk formeel nog toekomt aan de ander Inhouding loonheffing in 2009 over kleine afkoopsom (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:28) Antwoord: Voor het jaar 2009 is toegestaan dat de inhouding van loonheffing op een afkoopsom die valt onder de kleine-afkoopregeling, desgewenst achterwege blijft ondanks het feit dat een dergelijke afkoopsom bij wege van fictie is aan te merken als een reguliere lijfrentetermijn. Wel dient ingeval geen loonheffing wordt ingehouden, de afkoopsom voor het jaar 2009 door de verzekeraar of financiële instelling te worden gerenseigneerd als afkoopsom (code INW2 volgens de Handleiding Renseignering 2003). Met ingang van het jaar 2010 dient altijd inhouding van loonheffing plaats te vinden en blijft renseignering achterwege Opgave in aangifte inkomstenbelasting 2009 van kleine afkoopsom (Laatste wijziging: Thursday, 7 May 2009, 13:29) Antwoord: Een afkoopsom waarop in 2009 de kleine-afkoopregeling van toepassing is en waarop geen loonheffing is ingehouden, dient in de aangifte inkomstenbelasting over dat jaar te worden ingevuld in de rubriek Afkoop lijfrente of andere negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Bij de vraag Inkomen waarover revisierente is verschuldigd dient in de rubriek Bedrag van de verschuldigde revisierente vervolgens een 0 worden ingevuld.

28 - Nieuwsbrief B/CA van december 2008; inhouding LB Nieuwsbrief inzake uitstel inhouding LB 8.1. Inleiding Uit de verschillende overlegvormen tussen de Belastingdienst en de verzekeraars blijkt dat er behoefte bestaat om elkaar beter te informeren. In februari verscheen, als eerste resultaat uit dat overleg, de eerste nieuwsbrief over renseigneringen. Een tweede, eind mei, informeerde u over correcte lijfrentes met betrekking tot de vooringevulde aangifte. Deze derde nieuwsbrief gaat over de afkoop kleine lijfrente Afkoop van kleine lijfrenten met ingang van 2009; inhouding loonbelasting Als het Belastingplan 2009 op dit punt kracht van wet verkrijgt, wordt de afkoopsom van een lijfrente met een waarde van maximaal 4000, met ingang van 2009 aangemerkt als de uitkering van één reguliere lijfrentetermijn en niet meer als een schending van voorwaarden van de lijfrente. Daarom vindt in de inkomstenbelasting alleen heffing plaats over de afkoopsom zelf en worden negatieve uitgaven en revisierente niet meer in aanmerking genomen. Omdat fictief sprake is van een reguliere lijfrentetermijn dient met ingang van 2009 ook loonheffing op de afkoopsom te worden ingehouden Overgangsmaatregel voor 2009; geen inhouding van loonbelasting maar renseignering Voor de overige voorstellen op het terrein van de loonbelasting in Belastingplan 2009, is eerder de beslissing genomen om de invoering daarvan uit te stellen tot 1 januari Dit omdat de verzekeringsbranche heeft aangegeven de systemen niet tijdig te kunnen aanpassen. Omdat hetzelfde ook geldt voor de inhouding van loonbelasting op de genoemde kleine afkoopsommen, is nu besloten ook die inhouding niet al in 2009 te laten plaatsvinden maar uit te stellen tot 1 januari In verband met het uitstel van de maatregelen in de loonbelasting, was al besloten dat in 2009 nog renseignering moet plaatsvinden op basis van de huidige Handleiding Renseignering. Voor de afkoopsommen van de kleine lijfrenten in 2009 is nu besloten de renseignering nog te doen plaatsvinden met code INW2 voor afkopen, omdat de systemen van de verzekeraars hierop zijn ingericht. De Belastingdienst zal in de teksten voor de aangifte inkomstenbelasting 2009 de afkoop van kleine lijfrenten zodanig begeleiden dat de belastingplichtige bij de afzonderlijke vraag over de revisierente nul invult. Voor zover noodzakelijk zal in de systemen een zodanige aanpassing plaatsvinden dat deze wijze van invulling niet leidt tot een correctie op de aangifte Begeleiding afkoop kleine lijfrenten door de verzekeraar Het verdient aanbeveling dat de uitbetaler van een afkoopsom van een kleine lijfrente in de begeleidende brief aandacht besteedt aan de fiscale gevolgen van de afkoop en aan de wijze van verwerking daarvan in de aangifte. Van de zijde van de verzekeringsbranche is de Belastingdienst gevraagd om een tekst die als standaard kan worden gebruikt. Deze tekst is hierna opgenomen.

29 - Nieuwsbrief B/CA van december 2008; inhouding LB Ter voorkoming van misverstand De materie van de afkoop van kleine lijfrenten en deze nieuwsbrief heeft geen betrekking op de afkoop van lijfrenten waarop nog het regime van de pré-brede-herwaardering van toepassing is (regime vóór 1992). Over dergelijke afkoopsommen werd al inkomstenbelasting geheven volgens het reguliere tarief, zonder berekening van revisierente. Dergelijke afkoopsommen dienen ook in 2009 te worden gerenseigneerd met code D1. Loonbelasting dient eerst met ingang van 2010 op deze afkoopsommen te worden ingehouden Desgewenst toch inhouding Een verzekeraar die in staat is om in 2009 conform de wettelijke bepalingen al loonbelasting in te houden op afkoopsommen van kleine lijfrenten, mag daartoe uiteraard overgaan. De hierna opgenomen standaardtekst is op die situatie niet van toepassing. Mogelijke tekst, op verzoek van de verzekeraars, voor klantbrief Afkoop kleine lijfrente. Gevolgen van de afkoop van uw lijfrente voor uw aa ngifte inkomstenbelasting. De door u gevraagde afkoop van de lijfrente wordt voor de heffing van inkomstenbelasting op een bijzondere manier behandeld. Ervan uitgaande dat u de premie of de premies volledig in aftrek heeft gebracht, bent u over de gehele afkoopsom uiteraard wel inkomstenbelasting en premies verschuldigd. Maar u bent over de afkoopsom geen revisierente verschuldigd omdat de waarde van uw lijfrente op het tijdstip van de afkoop niet hoger was dan Wij hebben aan de Belastingdienst meegedeeld dat u de lijfrente heeft afgekocht en daarbij het bedrag van de afkoopsom vermeld. Om te bereiken dat een juiste aanslag wordt opgelegd en geen revisierente in rekening wordt gebracht, moet u de afkoopsom als volgt in uw aangifte inkomstenbelasting opgeven. In de rubriek Afkoop lijfrente of andere negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen vermeldt u bij Afkoopsommen van lijfrenten die niet onder de loonheffing vielen enz. het bedrag van de ontvangen afkoopsom. In de rubriek Inkomen waarover revisierente is verschuldigd vermeldt u bij Bedrag van de verschuldigde revisierente een bedrag van 0. Bron:

30 - Vakliteratuur BP Verschenen vakliteratuur over BP 2009 Al vanaf het jaar waarin het wetsvoorstel BP 2009 is ingediend bij de Tweede Kamer der Staten Generaal, wordt druk geschreven over het onderwerp. Hieronder is een lijst opgenomen met enige relevante vakartikelen die tot op heden zijn uitgebracht: - Belastingplan 2009: Alwéér wijzigingen in het lijfrenteregime! (PensioenAdvies 2008/10) - Lijfrenteverzamelbesluit en de relatie met het Belastingplan 2009 (VFP 2008/11) - Belastingplan 2009: opnieuw wijzigingen in lijfrenteregime (P en P 2008/11) - Belastingplan 2009: splitsings- en afkoopproblemen bij lijfrente(sparen) opgelost? (WFR 2008/1127) - Belastingplan 2009: wijzigingen in de lijfrentesfeer, deel I (Pensioen Magazine 2008/12) - Lijfrentes vanaf 2009: een wereld van verschil (VP Bulletin 2008/12) - Belastingplan 2009: wijzigingen in de lijfrentesfeer, deel II (Pensioen Magazine 2009/1) - Wijzigingen in het lijfrenteregime per 1 januari 2009, deel 1 (Pensioen Advies 2009/1-2) - Wijzigingen in het lijfrenteregime per 1 januari 2009, deel 2 (Pensioen Advies 2009/3) - De fiscale regels bij afkoop van diverse lijfrentevormen op een rij (VP Bulletin 2009/4)

31 2009 Ontwerp en samenstelling EvT

32

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en B. M. de Vries houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten om

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2006 2007 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en Blok houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen

Inkomstenbelasting. Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen INHOUD Inleiding 3 Gebruikte begrippen en afkortingen 3 A. OVERBRUGGINGSLIJFRENTEN 3 1.

Nadere informatie

Invorderingswet. Revisierente. Aansprakelijkheid verzekeraars

Invorderingswet. Revisierente. Aansprakelijkheid verzekeraars Invorderingswet. Revisierente. Aansprakelijkheid verzekeraars Besluit 31-03-2006 nr CPP06-507 Invorderingswet 1990. Aansprakelijkheid verzekeraars in verband met een inkomensvoorziening, een arbeids- of

Nadere informatie

HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN (HOOFDSTUK IIB VAN DE WET)

HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN (HOOFDSTUK IIB VAN DE WET) Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van Wij JULIANA, bij de gratie

Nadere informatie

Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, tijdelijke oudedagslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen

Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, tijdelijke oudedagslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen Belastingdienst Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over overbruggingslijfrenten, tijdelijke oudedagslijfrenten, afkoop kleine lijfrenten en lijfrentesparen Inhoud Inleiding 3 Gebruikte begrippen en

Nadere informatie

Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer

Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer Aftrek vrijwillige pensioenpremie zelfstandige ondernemer Inleiding Dit memo bevat de argumenten voor de fiscale aftrek van de premie betreffende het vrijwillige gedeelte van een beroepspensioenregeling

Nadere informatie

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING (HOOFDSTUK II VAN DE WET)

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING (HOOFDSTUK II VAN DE WET) Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 De Minister van Financiën, Handelende wat betreft de artikelen 8, 8a, 11, tweede lid, 12, 13 en 31 van de Wet op de loonbelasting 1964, in overeenstemming met de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 272 Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing regime ter zake van de afkoop van verplichtingen tot alimentatie of tot verrekening

Nadere informatie

VOORWAARDEN SYNVEST LIJFRENTEBELEGGINGSRECHT

VOORWAARDEN SYNVEST LIJFRENTEBELEGGINGSRECHT Blad 1 van 5 Inhoudsopgave Artikel 1. Uitleg en definities... 1 2. Toepasselijkheid... 2 3. Inleg algemeen... 2 4. Inleg uitgesteld lijfrentebeleggingsrecht. 2 5. Inleg direct ingaand lijfrentebeleggingsrecht...

Nadere informatie

Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen

Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2008, 253 HOOFDSTUK I ALGEMEEN

Nadere informatie

Voorwaarden PensioenBelegging

Voorwaarden PensioenBelegging 1 Algemeen en definities 1.1 De Voorwaarden PensioenBelegging zijn een aanvulling op de Voorwaarden. De Voorwaarden PensioenBelegging zijn uitsluitend van toepassing op de Participaties PensioenBelegging

Nadere informatie

Nieuwsbrief. Fiscaal Juridisch Adviesbureau

Nieuwsbrief. Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nieuwsbrief Fiscaal Juridisch Adviesbureau M a a n d e l i j k s i n f o r m a t i e b u l l e t i n v o o r v e r z e k e r i n g s a d v i s e u r s Nummer 64a september 2008 Inhoud Special Prinsjesdag

Nadere informatie

Artikel 31. Toelichting. De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd: Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 31. Toelichting. De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd: Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 31 Laatste bewerking op 14 juli 15 De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd: Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd: a. In de onderdelen n en r, onder

Nadere informatie

Cover Informatie over... AEGON Lijfrente uitstelrekening Voorwaarden

Cover Informatie over... AEGON Lijfrente uitstelrekening Voorwaarden Cover AEGON Informatie Lijfrente uitstelrekening over... Voorwaarden De AEGON Lijfrente uitstelrekening is een spaarrekening. Artikel 1 Definities 1. Als in de Voorwaarden AEGON Lijfrente uitstelrekening

Nadere informatie

Een continue stroom wijzigingen in de lijfrentesfeer

Een continue stroom wijzigingen in de lijfrentesfeer Een continue stroom wijzigingen in de lijfrentesfeer Het lijfrenteregime van de Wet IB 2001 is alweer zijn elfde levensjaar ingegaan en is de afgelopen jaren eigenlijk geen enkel jaar onaangeroerd gebleven.

Nadere informatie

Artikel 31. Toelichting. Artikel 31, tweede lid, onderdeel u, van de Wet werk en bijstand komt te luiden:

Artikel 31. Toelichting. Artikel 31, tweede lid, onderdeel u, van de Wet werk en bijstand komt te luiden: Artikel 31 Laatste bewerking op 24 januari Artikel 31, tweede lid, onderdeel u, van de Wet werk en bijstand komt te luiden: u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel

Nadere informatie

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer

Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Vrijwillige premie beroepspensioenregeling werknemer Inleiding Dit memo bevat de argumenten voor de fiscale aftrek van de premie betreffende het vrijwillige gedeelte van een beroepspensioenregeling bij

Nadere informatie

AEGON Lijfrenterekening. Voorwaarden

AEGON Lijfrenterekening. Voorwaarden AEGON Lijfrenterekening Voorwaarden Voorwaarden AEGON Lijfrenterekening De AEGON Lijfrenterekening is een beleggingsrekening en een spaarrekening. Artikel 1 Definities Als in de Voorwaarden AEGON Lijfrenterekening

Nadere informatie

Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)

Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) Wet inkomstenbelasting 2001 Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,

Nadere informatie

Reglementnummer: Pagina 1 van 6. Werkgever: gevestigd te.

Reglementnummer: Pagina 1 van 6. Werkgever: gevestigd te. Reglementnummer: Pagina 1 van 6 Artikel 1 Begripsomschrijving In dit reglement wordt verstaan onder: Werkgever: gevestigd te. Deelnemer: Partner/Echtgenoot: Spaarloon: Bank: de werknemer, die deelneemt

Nadere informatie

Als u premies betaalt voor een lijfrenteverzekering of een andere inkomensvoorziening

Als u premies betaalt voor een lijfrenteverzekering of een andere inkomensvoorziening 2 7 Betaalt u premies voor een of andere en? Dan kan het zijn dat u de premies mag aftrekken van uw inkomen. In deze brochure leest u meer over de aftrekmogelijkheden en waarmee u rekening moet houden

Nadere informatie

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 De Staatssecretaris van Financiën; Handelende na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Nadere informatie

FlexGarant Assuradeuren Gevolmachtigd Agent Postbus 2600 3000 CP ROTTERDAM

FlexGarant Assuradeuren Gevolmachtigd Agent Postbus 2600 3000 CP ROTTERDAM FlexGarant Assuradeuren Gevolmachtigd Agent Postbus 2600 3000 CP ROTTERDAM De heer. Rotterdam Onderwerp : : polisnummer.. Geachte verzekeringnemer, Met betrekking tot de bovengenoemde lijfrenteverzekering

Nadere informatie

INKOMSTENBELASTING. Inkomstenbelasting Art. 1.1 Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen.

INKOMSTENBELASTING. Inkomstenbelasting Art. 1.1 Onder de naam inkomstenbelasting wordt een belasting geheven van natuurlijke personen. I INKOMSTENBELASTING Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001), Stb. 2000, 215, zoals laatstelijk gewijzigd op 30 december 2014, Stb. 2014, 196

Nadere informatie

Inkomstenbelasting. Collectieve compensatieregelingen voor beleggingsverzekeringen

Inkomstenbelasting. Collectieve compensatieregelingen voor beleggingsverzekeringen Inkomstenbelasting. Collectieve compensatieregelingen voor beleggingsverzekeringen Belastingdienst/Landelijk Kantoor Belastingregio s, Brieven & Beleidsbesluiten Besluit van 20-12-2011, nr. BLKB 2011/1954M,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 330 Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 en van enige andere wetten (Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen) Nr.

Nadere informatie

REGLEMENT AANVULLEND ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSPENSIOEN VAN STICHTING PENSIOENFONDS IMTECH

REGLEMENT AANVULLEND ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSPENSIOEN VAN STICHTING PENSIOENFONDS IMTECH REGLEMENT AANVULLEND ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSPENSIOEN VAN STICHTING PENSIOENFONDS IMTECH Inhoudsopgave Artikel Titel 1. Algemene bepalingen 1 2. Deelnemers 1 3. Jaarsalaris 2 4. Arbeidsongeschiktheidspensioengrondslag

Nadere informatie

Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES)

Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES) Besluit van tot vaststelling van het besluit ter voorkoming van dubbele belasting voor de BES eilanden (Besluit ter voorkoming dubbele belasting BES) 2010/555; Op de voordracht van de Staatssecretaris

Nadere informatie

Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956

Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 Besluit van 20 juli 1956, ter uitvoering van de Successiewet 1956 Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz.,

Nadere informatie

PENSIOENREGLEMENT II STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE MEUBELINDUSTRIE EN MEUBILERINGSBEDRIJVEN. Juni 2015

PENSIOENREGLEMENT II STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE MEUBELINDUSTRIE EN MEUBILERINGSBEDRIJVEN. Juni 2015 PENSIOENREGLEMENT II STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE MEUBELINDUSTRIE EN MEUBILERINGSBEDRIJVEN Juni 2015 ARTIKEL 1 Begripsbepalingen De definities en de begripsomschrijvingen zoals vermeld in

Nadere informatie

Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen

Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen Artikel XII Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

Nadere informatie

Inleiding. Inhoud. uw verzekering en de inkomstenbelasting

Inleiding. Inhoud. uw verzekering en de inkomstenbelasting uw verzekering en de inkomstenbelasting Inleiding In deze brochure vindt u algemene fiscale informatie over uw kapitaal- of lijfrenteverzekering naar de stand van de wetgeving per 1 januari 2011. Deze

Nadere informatie

Stamrecht: veel gestelde vragen. De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Stamrecht: veel gestelde vragen. De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Stamrecht Stamrecht: veel gestelde vragen De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. De toepassing van stamrechtvrijstelling, zoals opgenomen

Nadere informatie

Regeling zorgverzekering

Regeling zorgverzekering Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet (), laatstelijk gewijzigd bij

Nadere informatie

Intermediairdagen Belastingdienst Vereenvoudigingen voor Lijfrenten en Arbeidsongeschiktheidspolissen

Intermediairdagen Belastingdienst Vereenvoudigingen voor Lijfrenten en Arbeidsongeschiktheidspolissen Intermediairdagen Belastingdienst Vereenvoudigingen voor Lijfrenten en Arbeidsongeschiktheidspolissen november / december 2010 Vereenvoudiging voor lijfrenten Uitbreiding inhouding loonbelasting en de

Nadere informatie

negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen Hoofdstuk 34 Box 1 (niet-winst) IB 34-1 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen 34.1 Situaties negatieve uitgaven 34.2 Regeling bij emigratie 34.3 Geen negatieve uitgaven 34.4 In aanmerking te nemen

Nadere informatie

Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeringswet

Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeringswet Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (), laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 15178 (uittreksel) Zorgverzekering

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STTSCOURNT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 16588 29 maart 2017 Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2017, nr. 2017-0000057050, tot wijziging

Nadere informatie

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen 14 U kunt een verzekering afsluiten of zelf sparen voor extra inkomen. ijvoorbeeld voor extra inkomen (lijfrente) vanaf het moment dat u met pensioen gaat. e premies voor een lijfrenteverzekering of de

Nadere informatie

Bijlage. ING Direct Ingaande Lijfrente

Bijlage. ING Direct Ingaande Lijfrente Bijlage ING Direct Ingaande Lijfrente Waarom deze informatie? Een financieel product zoals een levensverzekering vinden veel mensen ingewikkeld. Daarom is het goed om te weten wat een dergelijk product

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en B. M. de Vries houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake

Nadere informatie

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 31 januari 2007

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 31 januari 2007 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en Blok houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw

Nadere informatie

Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001

Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 Besluit van 21 december 2000, houdende vaststelling van het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2000,

Nadere informatie

Verordening spaarloonregeling

Verordening spaarloonregeling Verordening spaarloonregeling Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie Officiële naam regeling Citeertitel Besloten door Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is

Nadere informatie

Vrijkomend lijfrentekapitaal bij leven.

Vrijkomend lijfrentekapitaal bij leven. Vrijkomend lijfrentekapitaal bij leven. 1 Regime pre-brede Herwaardering lijfrente (pre-bhw, tot 1992) oud regime of kapitaalverzekering met lijfrenteclausule 1a. Periodieke uitkeringen 1a.1. Periodieke

Nadere informatie

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen 20 anvullende toelichting bij aangifte inkomstenbelasting 20 voor buitenlandse belastingplichtigen ls u bedragen hebt betaald voor inkomensvoorzieningen, heeft dit gevolgen voor uw belasting. n de toelichting

Nadere informatie

Opgemaakt d.d.: 2 juli 2006 Auteur: Erik van Toledo Bron: Fiscale site Levensverzekeringen WWW: home.planet.nl/~toled008 E-mail: fsl-site@wxs.

Opgemaakt d.d.: 2 juli 2006 Auteur: Erik van Toledo Bron: Fiscale site Levensverzekeringen WWW: home.planet.nl/~toled008 E-mail: fsl-site@wxs. Opgemaakt d.d.: 2 juli 2006 Auteur: Erik van Toledo Bron: Fiscale site Levensverzekeringen WWW: home.planet.nl/~toled008 E-mail: [email protected] Actualiteiten op levensverzekeringsgebied (2006) Inleiding

Nadere informatie

Aanvullend pensioenreglement "Excedent middelloon "

Aanvullend pensioenreglement Excedent middelloon Aanvullend pensioenreglement "Excedent middelloon " STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG voor de werknemers geboren op of na 1 januari 1950 ORSIMA April 2018 1 Voorwoord

Nadere informatie

Vragen en antwoorden op het gebied van stamrechten

Vragen en antwoorden op het gebied van stamrechten Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen Besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/896M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de

Nadere informatie

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van juni 2009, kenmerk OHW-U-29 ;

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van juni 2009, kenmerk OHW-U-29 ; Ontwerp Besluit van houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet van 20 november 2008 houdende wijziging van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de

Nadere informatie