Verspreide sermoenen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Verspreide sermoenen"

Transcriptie

1 Verspreide sermoenen Johannes Brugman editie A. van Dijk O.F.M. bron (ed. A. van Dijk O.F.M.). De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen 1948 Zie voor verantwoording: dbnl / A. van Dijk

2 iv Aan de nagedachtenis van Prof. Dr Titus Brandsma O. Carm.

3 v Woord vooraf Sinds de Amsterdamse hoogleraar Willem Moll in 1854 zijn verdienstelijke monografie over Brugman uitgaf, is er veel gevonden wat de figuur van deze grote Nederlander in een nieuw licht kan plaatsen. En aangezien deze vijftiende-eeuwse minderbroeder vooral als prediker naam heeft gemaakt, is het verheugend te konstateren, dat er de laatste tijd vrij veel preken van hem bekend zijn geworden. De grootste kollektie bevindt zich in het handschrift van Kasterlee, waarvan dr P. Grootens S.J. de uitgave voorbereidt. Vervolgens bevinden zich tal van grotere of kleinere fragmenten in een handschrift van mgr dr P. van Gils, dat door zr G. Feugen zal worden uitgegeven. Maar daarnaast zijn er nog een aantal preken bekend, die geen kollektie vormen, doch in verschillende handschriften bewaard zijn. De meeste hiervan zijn weliswaar reeds uitgegeven, maar niet altijd met de vereiste nauwkeurigheid. Ook moet men ze zoeken in vaak moeilijk te bereiken tijdschriften. Deze Verspreide Sermoenen nu, met enkele nog onuitgegevene vermeerderd, vindt men in deze uitgave bijeen, eerst de Middelnederlandse en daarna, in een Aanhangsel, enkele niet-middelnederlandse. Alle teksten zijn zorgvuldig volgens de handschriften uitgegeven, zodat wij ten volle kunnen instaan voor de juistheid van onze lezing, ook waar zij van reeds bestaande uitgaven verschilt. Op de inleiding, die aan deze teksten voorafgaat, hopen wij binnenkort in een uitvoerige monografie terug te komen.

4 vi Gaarne brengen wij dank aan allen, die ons bij onze Brugmanstudie behulpzaam zijn geweest, vooral aan prof. kanunnik Albert De Meyer te Leuven, onze vereerde leermeester, aan dr D. van Wely O.F.M., archivaris te Weert, alsook aan pater Chr. Verhallen O. Carm. en zr G. Feugen te Nijmegen, die ons in staat stelden de nalatenschap van prof. Brandsma te raadplegen. De prachtige fotokopieën-kollektie van deze ijverige Brugman-vereerder heeft ons onschatbare diensten bewezen. Aan zijn nagedachtenis is deze uitgave eerbiedig opgedragen.

5 vii Inleiding Geboortedatum en geboorteplaats van Jan Brugman zijn niet nauwkeurig bekend. Met enige waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat hij geboren is tegen het einde der veertiende eeuw. Hij stierf in 1473 en moet een hoge ouderdom bereikt hebben, want in 1470 verklaart hij, dat de palen van de brug versleten zijn en hij zelfs niet meer in staat is eigenhandig een brief te schrijven. Een overlevering, die echter niet ouder is dan de zeventiende eeuw, noemt Kempen in het Rijnland zijn geboorteplaats, zodat hij een stadgenoot zou zijn geweest van Thomas a Kempis ( 1471). In 1633 maakte wel een Henricus Brughman deel uit van het Kempens stadsbestuur, maar dat hij in enige familiebetrekking stond tot pater Brugman, is niet bewezen. Brugman's jeugd zou volgens enkele jongere schrijvers weinig stichtend geweest zijn. Doch indien men zijn zelfbeschuldigingen steeds naar de letter neemt, zou men hetzelfde van zijn oude dag moeten zeggen, want tot het eind van zijn leven is hij zich een nietswaardig man en een groot zondaar blijven noemen. Hij zou trouwens geen kind van zijn tijd geweest zijn, als hij niet zijn bekering gehad had. Men behoeft dat niet zo letterlijk te verstaan. De niet zeer betrouwbare Frémaut heeft beweerd, dat Brugman minderbroeder geworden is in 1424, maar in de archieven der Keulse Ordesprovincie is van dit jaartal geen bevestiging te vinden. Het is onzeker of hij te Parijs, waar hij naar zijn eigen getuigenis student was, aan de universiteit of aan het studium generale der Orde gestudeerd heeft. Het handschrift van Kasterlee noemt hem weliswaar doctoer inder godheit, maar deze benaming, die destijds gegeven werd aan een ieder die theolo-

6 viii gie doceerde, heeft niet noodzakelijk de betekenis van doctor of magister in de theologie, welke titel men alleen aan een universiteit verwerven kon. Indien Brugman aan het studium generale studeerde, behoeft zijn naam niet voor te komen in het chartularium der universiteit. Het is in ieder geval onjuist hem daarin te willen vinden door hem te vereenzelvigen met een Joannes de Ponte. Nooit is hij met deze naam aangeduid. De kroniekschrijvers, ten gunste van de vereenzelviging aangevoerd, spreken ontwijfelbaar zeker van een andere persoon 1. Een recente en in het geheel niet te funderen traditie wil, dat Brugman, na zijn overgang tot de strengere richting in de Orde, van het klooster te Gouda naar dat van Saint-Omer gegaan is en dat hij vervolgens in 1439 weer naar Gouda terugkeerde om van daar uit de observantie-beweging te helpen verbreiden. Zijn verblijf te Gouda is volkomen onzeker 2. Maar volgens incipit en explicit van zijn Lidwina-leven is hij te Saint-Omer in 1456 lector in de theologie geweest. Ofschoon het jaartal moeilijk past in het kader van zijn reizen tussen 1450 en 1460, en men derhalve geneigd zou zijn 1446 te lezen, moet toch aan zijn verblijf te Saint-Omer en aan zijn lectoraat vastgehouden worden. Zijn werken, vooral zijn Devotus tractatus, doen hem kennen als een theoloog van beroep, die in de vaklitteratuur van zijn tijd goed thuis was. Het eerste jaartal in zijn levensgeschiedenis, dat onomstotelijk 1 BRANDSMA, Pater Brugman-problemen, ; vgl. B. KURTSCHEID O.F.M., De lectorum Ordinis Min. formatione disquisitio historica, in Acta Ordinis Fratrum Minorum, XLIX (1930), ; P. SCHLAGER O.F.M., Beiträge zur Geschichte der kölnischen Franziskaner-Ordensprovinz im Mittelalter, Keulen 1904, ; Liber recommendationis conventuum Mosaetrajectensis et Montis Lucis (handschrift in het Provinciaal Archief der Minderbroeders te Weert, Ned.), 170 : 14 Decembris, anno Domini 1503 obiit R.P. Fr. Joannes de Ponte, natione Picardus, S. Theologiae Licentiatus, omnis devotionis et sanctitatis et paupertatis speculum praefulgidum, reformationis hujus Provinciae Vicarius ac Ordinarius Visitator conventuum reformatorum Provinciae Coloniensis. Sepultus ante Summum Altare Conventus Lovaniensis. 2 D. VAN HEEL O.F.M., De Minderbroeders te Gouda, I, Gouda 1947,

7 ix vaststaat, is Een schrijven van hertog Filips de Goede van 1 Augustus van dat jaar ten gunste van de observanten te Mechelen noemt hem onmiddellijk na de vicaris-provinciaal Jan van der Goes, die destijds te Antwerpen woonde. Brugman was dus op dat tijdstip ongetwijfeld gardiaan te Mechelen, in welke hoedanigheid hij ook door Sanderus vermeld wordt. In Maart 1450 zond de Mechelse magistraat een bode tot Delft aen bruder Janne Brugman met briven in verband met het verkrijgen van de pauselijke aflaat 3. Hij behoorde toen nog tot de kloostergemeente van Mechelen, zoals blijkt uit een dokument van 15 Oktober van dat jaar 4. Uit een passage van een zijner sermoenen mag men besluiten, dat hij gedurende minstens twaalf jaar het ambt van rondreizend prediker heeft uitgeoefend 5. Inderdaad valt zijn grootste aktiviteit als zodanig, voor zover is na te gaan, tussen de jaren 1452 en In 1452 preekte hij in Groningen, in 1453 stichtte hij een klooster te Hamm in Westfalen, het jaar daarop is hij gardiaan te Sluis. In 1455 bezocht hij al prekende Bolsward, Zwolle, Kampen, Vollenhove, Deventer, Arnhem en Nijmegen, in 1456 Hamm en Middelburg, in 1457 Münster en Kampen; 's-gravenhage, Bocholt en Zutfen zagen hem in 1458, Arnhem in 1459, Zutfen, Deventer en Geldern in In 1461 was hij te Doetinchem en Kempen, in 1462 te Weert, Bergen-op-Zoom, Leiden en Amsterdam. Ook heeft hij Schiedam, Haarlem en Harderwijk bezocht, maar in welke jaren is onbekend. Op het kapittel te Hamm in 1462 werd hij gekozen tot vicaris-provinciaal der observanten van de Keulse provincie. Hij lag echter twee jaar ziek te Gorkum en legde daarom in 1464 zijn ambt neer. In dit jaar trad hij nog op te Kuilenburg, maar schijnt zich daarna voor goed teruggetrokken te hebben te Nijmegen, waar hij in 1473 gestorven is. Het generaal kapittel 3 P. FREDERICQ, Codex documentorum sacratissimarum indulgentiarum neerlandicarum. Verzameling van stukken betreffende de pauselijke aflaten in de Nederlanden ( ), 's-gravenhage 1922, 101 (= Rijks Geschiedkundige Publicatiën, kleine serie, 21). 4 L. CEYSSENS O.F.M., Les Ducs de Bourgogne et l'introduction de l'observance à Malines ( ), in Archivum Franciscanum Historicum, XXX (1937), Zie beneden, blz. 6, regel

8 x der ultramontaanse observanten, in 1475 te Saint-Omer gehouden, keurde hem een bijzondere vermelding waardig 6. Brugman's litteraire nalatenschap is door de jongste onderzoekingen vrij omvangrijk gebleken. Tot nu toe was hij vooral bekend als biograaf van de heilige Lidwina van Schiedam. Zijn Vita alme virginis Lijdwine, uitgegeven te Schiedam in 1498 en ook bewaard in een handschrift van 1459 in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, is zeker authentiek, maar de twee andere Lidwina-levens, hem door de Bollandisten toegeschreven, moeten op naam van andere auteurs worden geplaatst. De veelverspreide mening, als zou hij biechtvader van de Heilige geweest zijn, berust op een misverstand, daar hij zelf uitdrukkelijk verklaart Lidwina nooit gezien te hebben. Een ander omvangrijk Latijns werk is getiteld: Devotus tractatus valde incitativus ad exercitia passionis Domini. Het is nog niet uitgegeven en bevindt zich in een handschrift van de abdij Einsiedeln, afkomstig uit de bibliotheek van het oude regulierenklooster te Gaesdonk bij Goch. Eveneens in het Latijn schreef hij een Speculum imperfectionis Fratrum Minorum en een vijftal min of meer uitvoerige brieven, terwijl er ook een Latijnse preek van hem bewaard is. Daarnaast is er een gedeelte overgeleverd van een Franse brief, die hij op het eind van zijn leven uit Nijmegen schreef aan Katharina van Bourbon, gemalin van hertog Adolf van Gelre. Het grootste gedeelte van zijn oeuvre is echter in het Middelnederlands tot ons gekomen. Vooreerst zijn Devote oefeninge der kijnsheit, des middels ende des eyndes ons Heren Cristi, meer bekend als het Leven van Jesus. Dit werk werd voor het eerst uitgegeven door Moll naar een handschrift in de Athenaeum-bibliotheek te Deventer, met enkele varianten uit een 6 L. WADDING O.F.M., Annaies Minorum, VI, Lyon 1648, 823 : In recensu fratrum a postremo capitulo mortuorum specialis facta est mentio Nicolai de Orbellis, viri doctissimi in provincia Turoniae, et Joannis Brugmanni disertissimi concionatoris in provincia Coloniae defunctorum.

9 xi ander handschrift, dat thans berust in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Deze uitgave kan evenwel niet langer aan de eisen voldoen en dient verbeterd en aangevuld te worden met behulp van een viertal handschriften, na 1854 gevonden. Vervolgens is daar nog een andere Devote oefeninge, welke men misschien het best kan aanduiden als Ontboezemingen over het H. Lijden, zoals Brandsma heeft voorgesteld. Dit werk, bewaard in een handschrift van de Preussische Staatsbibliothek te Berlijn, wacht nog op een uitgever. Het vertoont opmerkelijke overeenkomst met De vita et beneficiis Salvatoris van Thomas a Kempis. Brandsma en Van Ginneken hebben Brugman's prioriteit voorgestaan, maar een nader onderzoek van deze kwestie blijft gewenst. Ook dient Brandsma's aanvankelijke mening, dat deze Ontboezemingen identiek zouden zijn met de Considerationes de passione Domini, door Jan Mombaer aan Brugman toegeschreven, als niet voldoende bewezen beschouwd te worden. Een voortgezet bibliotheek-onderzoek in binnen- en buitenland kan hierin opheldering brengen, waarbij dan tevens de Regula Brugmanni, de XXV Puncta spiritualia en de Loci communes te voorschijn kunnen komen, die de kroniekschrijver Jakob Polius in 1647 vermeld heeft. Op naam van Brugman staan verder de bekende liederen Ic heb ghejaecht mijn leven lanc en Och, ewich is so lanc, waaraan wellicht is toe te voegen Bliden moet in tegenspoet. Ook in deze richting kan een verder onderzoek nog nieuws brengen. Het is immers onwaarschijnlijk, dat het merkwaardig dichterlijk talent, waarover Brugman blijkens deze enkele liederen beschikt heeft, zich tot het voortbrengen van zo weinig poëzie beperkt zou hebben. Het meest gevarieerde, maar ook het moeilijkst af te bakenen gedeelte van zijn werk vormen de Sermoenen. De kollekties in het handschrift van Kasterlee en in dat van mgr Van Gils zijn boven reeds vernoemd; het is onzeker, of een van deze handschriften identiek is met de codex door Polius in 1632 gezien of met die, door Van Idsinga in 1765 vermeld.

10 xii Dikwijls treft men in Middelnederlandse sermoenen-handschriften uit de 15de en 16de eeuw anonieme preken aan, die naar inhoud en vorm min of meer frappante herinneringen aan Brugman opwekken, maar waarvoor het bewijs, dat zij al of niet van hem zijn, misschien nooit gegeven zal worden. Het spreekt vanzelf, dat verspreide sermoenen van een dergelijke dubieuze authenticiteit in de onderhavige verzameling niet opgenomen zijn. Maar van de andere kant is toch ook niet alles wat opgenomen werd, boven elke bedenking verheven. Dit geldt met name voor de sermoenen uit het Gentse handschrift en uit dat van Keulen. Het Gentse handschrift bestaat uit twee gedeelten. Het eerste wordt gevormd door het traktaat De geestlike apteke, dat zeker niet van Brugman is. Daarna volgt: Hier beghinnen Brugmans collacien van den.iiij. raderen die aen den wagen hoeren. Men kan dit als één zin lezen en het verstaan van de eerste twee sermoenen, maar ook kan men achter collacien een punt plaatsen, zodat alle volgende sermoenen aan Brugman worden toegeschreven. Voor het vierde en vijfde sermoen is dit geen bezwaar, omdat deze toch reeds uitdrukkelijk op zijn naam staan. Het derde is slechts een schema, het achtste lijkt meer op een traktaat, terwijl het negende hoogstens een fragment van een sermoen is, waartegen echter pleit, dat het nagenoeg woordelijk in een exempelverzameling in een handschrift van Würzburg voorkomt 7. De authenticiteitskwestie is dus alleen waard gesteld te worden voor het zesde, zevende en tiende sermoen. Gedetailleerde aanwijzingen vóór Brugman's auteurschap zijn moeilijk te geven; de gehele trant herinnert nochtans zeer sterk aan hem, wat tezamen met de omstandigheid, dat deze drie sermoenen voorkomen in een verzameling, die grotendeels van hem is, een vrij sterk argument vormt. Doorslaggevende bewijzen vóór of tegen mogen echter pas tegemoetgezien worden, als er nog meer sermoenen van hem... of van een tijdgenoot aan het licht komen. 7 Het exempel wordt verhaald van de heilige Thomas van Kantelberg; zie: C.G.N. DE VOOYS, Middelnederlandse legenden en exempelen, 2 de uitgave, Groningen-Den Haag 1926,

11 xiii Met het Keulse handschrift is het niet veel anders gesteld. In 1940 publiceerde zr G. Feugen het gedeelte, dat loopt van fol. 164 r tot fol. 175 r, onder de titel: Een tot nu toe onbekend sermoen van Johannes Brugman. Maar vooreerst geldt het hier niet één sermoen, doch fragmenten van verschillende sermoenen, en vervolgens lijkt het alleszins redelijk deze fragmenten reeds op fol. 163 r te doen beginnen en eerst op fol. 177 v te doen eindigen. Van sommige gedeelten staat Brugman's auteurschap vast, zo van Die werelt was in liden (regel ; vgl. Sermoen van drierhande tafelen, regel ) en van Her beghint die benedictie (regel ), waar de predikant zichzelf met name noemt; van Onholt u van hate (regel 4-14) is het zeer waarschijnlijk 8, evenals van Een uutvercoren schip (regel ) wegens de gelijkenis met een passage uit het Leven van Jesus 9, en van Onse lieve Here Jhesus hevet ons ghesant vier broede (regel ) wegens Brugman's bekende voorliefde voor de allegorie der broden. Voor de andere fragmenten zijn niet zulke duidelijke argumenten aan te voeren, maar alle zijn geheel in zijn trant. Dit geldt ook voor fol. 212 r -214 v van hetzelfde handschrift; regel 8-27 vinden bovendien een parallel in het handschrift van mgr Van Gils (fol. 10 r -13 r ), evenals regel (fol. 142 v -143 r ). Het fragment Onse Here beclaghet hem van ses dinghen (regel ) komt in het Latijn voor in het Devotus tractatus 10. Gemakkelijk is Brugman's auteurschap te bewijzen voor de anonieme Kerstpreek Inden name ons Heren Jhesu Cristi in een Berlijns handschrift. Het schema er van vindt men woordelijk 8 Vgl. de aanhef van de anonieme brief, medegedeeld door Ceyssens in Archivum Franciscanum Historicum, XXX (1937), Dat Brugman de schrijver van deze brief is, staat vrijwel vast. 9 MOLL, Johannes Brugman, II, Fol. 83 r : Retulit michi cristiformis vite sectatrix persona quedam, quomodo Dominus noster Jhesus Cristus conqueritur de amicis suis, cujusmodi haut dubium dicuntur et esse debent persone religiose. Quarum querelarum prima fuit: Och, dicit, conqueror de amicis meis eo quod aliunde volunt et querunt consolari quam per me...

12 xiv terug in het Leven van Jesus 11. Niet onwaarschijnlijk vult deze preek een lacune aan in het handschrift van Kasterlee, zoals wij ter plaatse zullen doen opmerken. De sermoenen, die in het Aanhangsel geplaatst zijn, zijn zeker van Brugman, maar omdat zij niet in het Middelnederlands zijn overgeleverd, leek het beter ze van de overige gescheiden te houden. Het sermoen over het H. Lijden is geschreven in het Middel-Frankisch, meer bepaaldelijk in een Keuls dialekt, - dat tot de leerlingen van de Broeders des Gemenen Levens in het Latijn. Deze laatste preek wordt onder de titel Collatio Johannis Brugman ad clerum geciteerd in een Correctorium op Alexander de Villa Dei, gedrukt omstreeks 1480 door Pieter Werrecoren 12. Niet opgenomen werd het fragment van Brugman's preek te Amsterdam in De overlevering van dit stuk lijkt ons tè tendentieus dan dat het hier een plaats mocht vinden 13. Evenmin werd een tekst opgenomen, die in één handschrift (Berlijn, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. qu. 1085, fol. 248 r ) ten onrechte een kollatie genoemd wordt. Het betreft hier een vrij uitvoerige parafrase, zeer waarschijnlijk van Brugman, van een hymne, die reeds voorkomt in ms. 920 van omstreeks van de Bibliothèque Mazarine te Parijs en in hs van de Universiteitsbibliotheek te Gent, eveneens uit de tweede helft van de 14de eeuw 14. De parafrase, die 11 MOLL, Johannes Brugman, II, Zie: B. KRUITWAGEN O.F.M., Laat-middeleeuwsche paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia, 's-gravenhage 1942, XIII en Zie: MOLL, Johannes Brugman, I, Zowel in het handschrift van Parijs als in dat van Gent maakt deze hymne, die begint God es.i. lichte in der demsterheit (hs. Parijs, fol. 102 r ) of God es een licht inder deemsterheden (hs. Gent, fol. 125 v ), deel uit van een grotere hymne, waarvan de beginwoorden zijn: Hi es salech[s], dies Gods lichame sine spise es (hs. Parijs, t.a.p.) of Dat es een salich mensche, dies Gods lichaem een spise es (hs. Gent, t.a.p.). In zijn Devotus tractatus, fol. 86 v -87 r, haalt Brugman de hymne aan op deze wijze: O quam confidenter sperabat virgo quedam, cujus memoria ut spero in benedictione est, solita quidem dicere in vulgari: Jhesus Godes Zoon is een licht inder duysterheit...

13 xv onder geen enkel opzicht een sermoen mag heten, is bewaard in een vijftal handschriften, alle uit de tweede helft van de 15de eeuw 15. Wat tenslotte de aandachtige lezer in deze Verspreide Sermoenen het eerst zal opmerken, is het fragmentarisch karakter van veel teksten. Dit mag nochtans niemand verwonderen, die er zich rekenschap van geeft, dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen, dat Brugman zelf zijn sermoenen op schrift heeft gesteld. Wat er van bewaard is, wekt veelmeer de indruk door zijn toehoorders opgetekend te zijn, of vaker nog door zijn toehoorsters, want op weinig uitzonderingen na blijken alle preken voor kloosterzusters te zijn uitgesproken. Nu was weliswaar het snelschrijven in de middeleeuwen niet onbekend, en ook zijn er ten allen tijde mensen geweest met een wonderlijk geheugen, die een redevoering naderhand woord voor woord konden herhalen, - maar het zou al zeer toevallig geweest zijn, indien Brugman steeds een snelschrijfster of een geheugenvirtuose onder zijn gehoor had gehad. Een aandachtige bestudering van zijn sermoenen wijst in een andere richting. De zusters trachtten ieder zo veel mogelijk te onthouden van wat hij gepreekt had, en later werd met vereende krachten het sermoen gerekonstrueerd en op schrift gesteld. Dit wordt alleraardigst gesuggereerd door een passage uit het Sermoen van drierhande tafelen (regel ), dat zelf de sporen van dit rekonstruktie-procédé duidelijk vertoont. Daarnaast zal het ook voorgekomen zijn, dat één zuster de preek rekonstrueerde en opschreef, wat tot gevolg kan hebben gehad, dat de tekst er gladder en gaver uitzag. Maar dit wil niet zeggen, dat de gaafste teksten de meest authentieke zijn. Men zal ongetwijfeld Brugman's eigen woorden méér hebben te zoeken in de fragmentarisch-overgeleverde dan in de gepolijste sermoenen. 15 v r AMSTERDAM, Universiteitsbibliotheek, hs. I.G. 10b, fol ; BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. qu. 1085, fol. 248 r -251 v, en ms. germ. oct. 328, fol. 153 v -158 r ; LEIDEN, Universiteitsbibliotheek, Letterk. 224, fol. 68 r -71 r ; 'S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 132 F 17, fol. 182 r -185 v.

14 xvi Lijst van de gebruikte handschriften AMSTERDAM, Universiteitsbibliotheek, hs. I.G. 25. Papier, 16 de eeuw (eerste helft), 253 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 50 r -61 r. M.B. MENDES DA COSTA, Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam. De handschriften der stedelijke bibliotheek, Amsterdam 1902, 93, nr 554. ANTWERPEN, Ruusbroec-Genootschap, hs. van Kasterlee. Papier, 16 de eeuw (omstreeks 1525), 112 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 25 r en 54 r -57 v. J.B. POUKENS S.J., Preeken van Jan Brugman O.F.M., in Ons Geestelijk Erf, VIII (1934), ; IX (1935), ; X (1936), BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. oct Eind 15 de of begin 16 de eeuw. Nauwkeurige beschrijving momenteel onmogelijk. Fol. 79 v -87 v. Fotokopie: kollektie-brandsma, album 85. BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. oct Papier, 15 de eeuw (tweede helft), 179 bl., mm., uit het klooster Nasareth te Geldern. Fol. 138 r -142 r. W. DE VREESE, De handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken, I, Gent 1900, (= Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taalen Letterkunde, VI e deel, nr 23). Fotokopie: kollektie-brandsma, album 18. BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. qu Papier, 15 de eeuw (laatste jaren), 263 bl., mm., uit het klooster Nasareth te Geldern. Fol. 246 r -248 r. DE VREESE, a.w., Fotokopie: kollektie-brandsma, album 13. EMMERIK, Gymnasiumbibliothek, hs. 5. Nauwkeurige beschrijving momenteel onmogelijk. Slechts bekend uit een aantekening van prof. Brandsma. GENT, Universiteitsbibliotheek, hs Papier, 15 de eeuw (1476), 203 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 132 r -191 v. D.J.M. WüSTENHOFF, Collaciën van Johannes Brugman naar een Gentsch handschrift, in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, IV (1893), ; DE VREESE, a.w., 292, noot 1.

15 xvii KEULEN, Stadtarchiv, ms. G.B. oct. 71. Papier, 15 de eeuw (omstreeks 1470), 217 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 17 v, 163 r -177 v en 212 r -214 v. DE VREESE, a.w., ; K. MENNE, Mitteilungen aus dem Stadtarchiv von Köln, Keulen 1931, 51-55; G. FEUGEN, Een tot nu toe onbekend sermoen van Johannes Brugman, in Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, LXIV (1940), Fotokopie: kollektie-brandsma, album 4. LEIDEN, Universiteitsbibliotheek, Letterk Papier, 15 de eeuw (omstreeks 1475), 256 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 50 r -51 r. DE VREESE, a.w., ; W. MOLL, Johannes Brugman, I, Amsterdam 1854, LEIDEN, Universiteitsbibliotheek, Letterk Papier, 15 de eeuw (tweede helft), 213 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 107 r -108 r. MOLL, t.a.p. NIJMEGEN, Universiteitsbibliotheek, hs. van mgr. Van Gils. Papier, eind 15 de of begin 16 de eeuw, 279 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 12 v en 142 v -143 r. 'S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 78 H 54. Papier, 15 de eeuw (1483?), 88 bl., mm., waarschijnlijk uit het Hildesheimse fratershuis Congregatio in horto luminum. Fol. 6 v -10 v. A.W. WYBRANDS, Een onuitgegeven sermoen van Johannes Brugman, in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, I (1885), ; Catalogus codicum manuscriptorum Bibliothecae Regiae, I, 's-gravenhage 1922, , nr 465. 'S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 133 F 31. Papier, 15 de eeuw (omstreeks 1490), 23 bl., mm., herkomst onbekend. J.G.R. ACQUOY, Het handschrift van Brugman's Sermoen van drieërhande tafelen, in Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1887, Leiden 1887, 68-72; Catalogus, 139, nr 548. 'S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 133 H 21. Papier, 15 de eeuw (tweede helft), 302 bl., mm., herkomst onbekend. Fol. 167 v. J. VAN MIERLO S.J., Hadewijch. Proza, Leuven 1908, (= Leuvense tekstuitgaven, IV); Catalogus, , nr 619. WüRZBURG, Universitätsbibliothek, ms. ch Eind 15 de of begin 16 de eeuw, uit het Kartuizersklooster buiten Amsterdam. Nauwkeurige beschrijving momenteel onmogelijk. Fol. 95 v -97 r. Fotokopie: kollektie-brandsma, album 106.

16 xviii Bibliografie BRANDSMA O. CARM., T., Pater Brugman's Considerationes de passione Domini gevonden. Grondslag van De vita et beneficiis Salvatoris 1. Chr. van Thomas van Kempen, in Tijdschrift voor Taal en Letteren, XXVII (1939), Dez., Een niet uitgegeven werk van Pater Brugman over het H. Lijden, in De Gelderlander, XCI (1939), nr 60 (11 Maart). Dez., Pater Brugman's Beschouwingen over het Lijden, in De Gelderlander, XCI (1939), nr 66, 72, 78, 83, 89, 95, 101 (18, 25 Maart; 1, 8, 15, 22, 29 April). Dez., Een nieuw ontdekt werk van Pater Brugman, in De Gelderlander, XCI (1939), nr 135, 140 (10, 16 Juni). Dez., Pater Brugman-problemen, in Annalen van de Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de Katholieken in Nederland, XXXIII (1941), BRINKERINK, D.A., artikel Brugman, in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, VI, Leiden 1924, CHEVALIER, U., Répertoire des sources historiques du moyen âge. Biobibliographie, nouvelle édition, I, Parijs 1905, DIRKS O.F.M., S., Histoire littéraire et bibliographique des Frères Mineurs de l'observance de St. François en Belgique et dans les Pays-Bas, Antwerpen [1885], 1-6. FLAMENT, A.J., De waerlycke voorsegginghe van Johannes Brugman, in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, II (1887), GOYENS O.F.M., J., Speculum Imperfectionis Fratrum Minorum compactum per venerabilem et religiosum P.F. Ioannem Brugman O.F.M., in Archivum Franciscanum Historicum, II (1909), Dez., Supplementum ad Speculum Imperfectionis Fratrum Minorum compactum per venerabilem et religiosum P.F. Johannem Brugman O.F.M., in Archivum Franciscanum Historicum, IV (1911),

17 xix Dez., artikel Brugman, in Dictionnaire d'histoire et de Géographie ecclésiastiques, X, Parijs 1938, MOLL, W., Johannes Brugman en het godsdienstig leven onzer vaderen in de vijftiende eeuw, 2 delen, Amsterdam MULLER, J.W. en KLUYVER, A., Woordenboek der Nederlandsche Taal, III. 1, 's-gravenhage - Leiden 1902, [NIELEN O.F.M., A.,] Pater Joannes Brugman, in Sint Franciscus, XV (1900), 17-20, 52-59, , , , , , , , , ; XVI (1901), 50-57, , , , SCHLAGER O.F.M., P., Johannes Brugman, ein Reformator des 15. Jahrhunderts aus dem Franziskanerorden, in Der Katholik, LXXXII (1902, I), , ; XC (1910, I), SCHMITZ O.F.M., W., Het aandeel der Minderbroeders in onze middeleeuwse literatuur, Nijmegen - Utrecht [1936], VAN DEN BORNE O.F.M., F., De observantie-beweging en het ontstaan der provincie Germania Inferior (1529), in Collectanea Franciscana Neerlandica, II, 's-hertogenbosch 1931, Dez., Geert Groote en de Moderne Devotie in de geschiedenis van het middeleeuwse ordewezen, in Studia Catholica, XVI (1940), ; XVII (1941), , ; XVIII (1942), 19-40, VAN DIJK O.F.M., A., Jan Brugman als biograaf van de heilige Lidwina, in Bijdragen voor de geschiedenis van de provincie der Minderbroeders in de Nederlanden, V (1948), VAN GINNEKEN S.J., J., Hoe Thomas a Kempis Pater Brugmans Beschouwingen over het Lijden van Christus in het Latijn bewerkte, in Onze Taaltuin, VIII ( ), VAN MIERLO S.J., J., De middelnederlandsche letterkunde van omstreeks 1300 tot de Renaissance, Antwerpen - 's-hertogenbosch [1940], (= F. BAUR e.a., Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden, II). VERSCHUEREN O.F.M., L., artikel Brugman, in Dictionnaire de Spiritualité, I, Parijs 1937,

18 xx Sigla A B G K N W = Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, hs. I.G. 25. = Berlijn, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. qu = 's-gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, hs. 133 H 21. = Antwerpen, Ruusbroec-Genootschap, hs. van Kasterlee. = Nijmegen, Universiteitsbibliotheek, hs. van mgr Van Gils. = Würzburg, Universitätsbibliothek, ms. ch

19 1 1 [1] Hier beghinnen Brugmans collacien [2] van den.iiij. raderen die aen den wagen hoeren 1-2 [3] Mijn kijnderkens! Die waghen, op welken ic alle sielen [4] begheer te brenghen totten ewighen leven, heeft.iiij. ra- [5] deren. Dat ierste is vreyse, dat ander ghelatenheit, dat 5 [6] derde lijdsamheit, dat vierde mynne. 6 [7] Dat ierste rat is, dat wij altoes vreysen voer den valle [8] der sunden. Want waren wi alsoe heilich als Maria die [9] moeder Gods, uutgenomen dat wi sundighen mochten, [10] ende waren wi alsoe heilich, dat wi alle daghe dusent [11] doden verwecten: hedden wi gheen vreyse, wi en moch- 11 [12] ten niet staende bliven sonder valle der sunden. [13] Mijn alre-liefste, ic bid u om den gecruysten God: nemt 13 [14] uwes gronts waer ende hebt vreise, ende wandert sorch- 14 [15] voldeliken voer die oghen Gods, op-dat dat costelic [16] bloet, dat van mynnen voer u gestort is, niet van u gheeyst [17] en werde, ende dat ghi mit blijtscappen uwen brudegom [18] sien moecht. Want ghi sulten sien waerliken: ghi sulten 18 [19] sien mit uwen lichaemliken ogen, tot uwer glorien of tot [20] uwer pijnen, mer ic hope tot uwer glorien. [21] Hebt vreise in al dat ghi duet, ende nummermeer en weest Dit is enen geystelicken wagen B 5 ghelatenheit zachtmoedigheid 6 lijdsamheit geduld, verdraagzaamheid 11 mochten konden 13 nemt uwes gronts waer let op uw binnenste, op u zelf 14 wandert wandelt 18 sulten zult hem 21 duet doet nummermeer nooit

20 2 [22] seker. Want God heb lof, ic vreise noch alsoe seer als op- 22 [23] ten iersten dach. Die wise man seecht: Het sijn [24] gherechte menschen ende wijs, ende hoer werken sijn in [25] die hant Gods, ende nochtant en weten si niet, of si weer- [26] dich sijn des haets of der mynnen Gods. Oec staet ge- [27] screven in den ewangelio, datter voel geroepen is ende [28] wenich uutvercoren. Mer ic hoepe, dat ghi al vercoren [29] sijt ; nochtant en weest niet sonder vreise. [30] Dat ander rat is ghelatenheit. Mijn kijnderkens, weest [31] gelaten ende volget hem, die doer den mont des propheten [32] seide: Ic bin een worm ende gheen mensche, een laster 32 [33] der menschen ende een verwerpinge des volcs. Weest [34] als wormen ende pijeren der eerden. Want als wi si tre- [35] den onder onse voeten, soe cruypen si in-een, ende en 35 [36] wrekens niet. Alsoe weest oec ; en wrect niet, als u laster [37] gedaen woert. [38] Weet niet, weest niet, leeft niet. Laet u rollen ende wer- [39] pen waer dat men wille, ende weest gehoersam nae uwen [40] vermoegen. Ic wille oec gehoersam wesen. Ic en wil niet [41] wesen noch leven nae mijnen wille, ende ic en wil oec [42] niet hebben, mer naect ende bloet wil ic hem volgen, die 42 [43] geseecht heeft: Die comen wil nae my, die versake of [44] laet hem selven, ende boer op sijn cruys, ende volge my 44 [45] nae. Ende dese te-broken voeten ende gescherde been 45 [46] sullen dit lichaem dragen, ende ic wil doen al dat ic vermach [47] hent totter uren mijns stervens, ende ic wil lopen 47 [48] doer dick ende doer dunne, alsoe lange als God ende mijn [49] oversten willen. [50] Mijn kijnderkens, laet u duncken, dat ghi tot noch-toe niet 22 opten iersten dach (nl. van mijn bekering) 32 laster smaad 35 cruypen = krympen B 42 niet hebben niets bezitten 44 boer op beure op 45 te-broken gebroken, verzwakte gescherre gescheurde, open 47 hent totter uren tot aan het uur

21 3 [51] gevordert en hebt, mer segget mitten prophete: Ic heb [52] geseecht: Nu heb ict begonnen. Ende ist, dat iement iet [53] mysdaen heeft eer hi dit leven aen-nam of oec daer-nae, 53 [54] alleen laet hijt hem leet wesen, ende neme nu voert-aen 54 [55] een nye leven. Ic gelove hem, bi der trouwen die ic in God 55 [56] heb, het sal wesen of hi nye gesundicht en hed. 56 [57] Dat derde rat is lijdsamheit. Een iegelic mensche heeft 57 [58] hem te lijden, die een meer, die ander myn. Sommyghe [59] hebben een quaet fel peert te beriden, mer ist dat hem 59 [60] dese dwingen ende liden: hoer loen sal voel meerre wesen [61] dan der-gheenre, die hem wenich te liden hebben. Ic heb [62] oec een quaet fel peert te riden, mer ic slaet mit der eenre 62 [63] sporen aen, als mit den anxt Gods, ende God slaet mitter 63 [64] anderen sporen aen, ende aldus brenge ict mede. [65] Die een sal oec mynliken van den anderen liden. Want 65 [66] die een hoest voel, die ander spijt voel, een ander heeft een 66 [67] quaet hoeft, een ander een quade borst. Hier-om moeten 67 [68] wi lichaemliken ende geesteliken crancheit lijdsamliken 68 [69] mit malcanderen dragen: want wi en sijn niet al over enen [70] leist getogen, ende daer-om moet die een van den anderen 70 [71] liden. Wi hebben ons oec te liden, want mit enen neetken 71 [72] sijn wi al begoten, ende met enen galentijnken geel ge- 72 [73] maect ; hier-om draget mynliken malcanderen. [74] Die moeder sal die susteren dragen, ende die susteren [75] sullen die moeder draghen. Die moeder ende die proke leven (klooster)leven 54 alleen laet hijt hem leet wesen laat hij er slechts spijt over hebben neme laat hij beginnen 55 nye nieuw gelove beloof trouwen vertrouwen 56 nye nooit 57 heeft hem te lijden heeft (iets) te verdragen 59 quaet kwaadaardig ist dat indien 62 slaet... aen zet het aan 63 als namelijk 65 mynliken minzaam 66 spijt spuwt 67 quaet zwak, ziek 68 crancheit zwakheid 70 leist leest, model, vorm 71 ons elkander neetken sopje 72 galentijnken sausje 75 prokeratersche procuratrice, zuster die voor de verdeling van de werkzaamheden e.d. zorgt

22 4 [76] ratersche sullen wesen als twe engelen, die een ter rech- [77] ter hant, ende die ander ter luchter hant. Die moeder sal [78] guedertieren ende mynlick sijn onder den susteren, ende [79] nochtant die ghebreken trouweliken vermanen. Die proke- [80] ratersche sal sijn een vredemakersse tusschen die moeder [81] ende den susteren, ende si sal al dinc verbeteren ende [82] vergueden. 82 [83] Mer nu pleecht gemeynliken in cloesteren of in vergade- 83 [84] ringe geern een Judas of twe te sijn ; mer ic hope, dat hi [85] onder u niet en is, ende daer-om huede hem een iegelic [86] neernsteliken, dat hi des niet en werde ende dat hi die- 86 [87] ghene niet en si, daer die duvel sijnen wech doer make. [88] Dat vierde rat is mynne. Kijnderkens, hebt mynne onder- [89] linge ; halt ende bewaert den bant des vreden ende der [90] mynnen, want daer vrede ende mynne is, daer is God. [91] Ende al ist, dat somtijt een geschille geschiet of een haert [92] woert onder u ghevalt, - alst wael geschiet onder herde 92 [93] grote mannen, als Catusers of ander mynre-broeders, want [94] wi al menschen sijn, - daer-om en laet den bant des [95] vreden ende der mynnen niet gebroken werden, mer een [96] iegelic pijne hem die mynste te sijn ende die gequetste 96 [97] mynne mit oetmoedicheit weder te genesen. [98] Ende en laet den gecruysten Jhesu niet scheiden uut uwen [99] herten, mer laet ons hem mynnen uut al onsen herten, ende [100] om hem doen al dat wi vermoegen. Want hi hevet ons [101] getoent volcomen mynne: lijf ende siel heeft hi voer ons [102] gegeven in den doet, ende hi heeft gedaen al dat hi mocht, 102 [103] om-dat hi sijn ongemeten mynne in ons mocht openbaren. 103 [104] Mijn kijnderkens, en lates uwen gemynden niet ontgelden, 104 [105] dat hi bespot ende bespegen is, ende dat sijn heilige hande 82 vergueden weer goed maken 83 gemeynliken doorgaans 86 neernsteliken ijverig des zodanig 92 herde zeer 96 pijne hem geve zich moeite 102 mocht kon 103 om-dat opdat 104 lates laat het

23 5 [106] ende voete gedropen hebben van bloede, ende dat sijn [107] lede uutgerect ende gespannen sijn, ende sijn heilige vel [108] ende vleische aen stucken van sijnen heiligen lichaem ge- [109] togen is. Want het is geschiet om die alre-liefste, dat ghi [110] sijt. Hier-om, alre-liefste, laet ons alsoe leven, dat die [111] alre-meiste mynne aen ons niet verloren en blijve. 111 (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 132 r -134 v ; BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. qu. 1085, fol. 246 r -248 r ) 2 [1] Dit is uut eenre anderre collacien [2] Mijn lieve meechden, boven al vercoren in Cristo! Doe 2 [3] ic lest van u scheiden, gaf ic u vier raeder, of enen wae- [4] gen mit vier raeden. Ende nu in der laetster collacien [5] gaf icker u drie. Ende want aen enen volmaecten waegen [6] hoeren vier raeder, soe wil ic nu dat vierde daer toe-doen. [7] Ende ic begeer, dat gi se neernstelike onthalt. 7 [8] Voel vieren vinden wi in der heiliger scrift. Vier ister ry- 8 [9] vieren, die daer vloeien uutten paradise ; vier ister bees- [10] ten, die den wijngaert verderven ; vier waster columme die [11] daer stonden voer dat heilich der heiligen ; vier doctoers ; 11 [12] vier ewangelisten ; ic vermoede, dat aen Helias waegen [13] oec vier raeder waren. Nu, mijn alre-liefste, dat ierste rat [14] van onsen wagen is vlien, dat ander is sympelheit, dat 14 [15] derde vredesamheit, dat vierde armoede van geest. [16] Dat ierste rat is vlien. Vliet, mijn alre-liefste! Vliet [17] niet alleen van uwen vrienden ende magen, mer van allen blijve: Dat verleen ons God. Amen addit B 2 doe toen 7 neernstelike zorgvuldig 8 vier ister ryvieren vier rivieren zijn er 11 doctoers Kerkvaders 14 vlien vlieden, vluchten sympelheit eenvoud 17 magen bloedverwanten

24 6 [18] creatueren. Ic geve daer-om mijns bloets een deel, - des 18 [19] ic niet voel en heb, want in.xij. jaren ist seer verteert ter 19 [20] eeren Gods, - moet wesen, dat gi besloten waert van [21] allen creatueren. Mer wat baetet, dat ghi besloten sijt [22] bynnen seven mueren mitten lichaem, ende mitten herten [23] weert in Babilonien? Mitten lichaem si-di vergadert ende 23 [24] besloten in deser steden, mer ic ducht, dat uwer alre her- 24 [25] ten niet al besloten en sijn. Ten is niet genoech mitten [26] lichaem uut Babilonien gescheiden te sijn, ende mitten her- [27] ten niet daer-van te scheiden. Niet en is duveliker noch 27 [28] Gode myshageliker dan te wesen buten grauwe ende byn- 28 [29] nen blauwe, van buten engelen te schinen ende van bin- 29 [30] nen duvelen te sijn, mit der ydelheit ende feestelicheit der 30 [31] werelt becommert te wesen. Vliet van allen creatueren. 31 [32] Mijn alre-liefste, weest alleen, op-dat ghi alleen moecht [33] sijn uwen bruygom bekent. Tot voel steden in der heiliger [34] scrift wort ons geraden te vlien: als die bruydegom die 34 [35] bruyt vermaent in der mynnen boeck, seggende: Vliet, 35 [36] mijn gemynde, vliet ; weest gelijc der hynden der her- [37] ten; Ezechiel: Vlie van Babilonien, op-dattu dijn siele 37 [38] moegest behalden; Sacharias: Vlie van der siden des [39] noerdens, want die prince der donckerheit heeft daer sijn 39 [40] stede gesat; Arsenius waert toe-gesproken: Vlie, swige [41] ende rust; Bernardus: O heilige sielen, wees alleen, [42] op-dat du di selven tot sijnre behoef alleen moegest hal- 42 [43] den, den du voer alle creatueren uutvercoren hebste. Vlie 18 des ic niet voel en heb daar ik niet veel van heb 19 xij twaalf 23 weert verblijft 24 steden plaats uwer alre uw aller 27 duveliker duivelser 28 grauwe grijs (kleur van het kloosterkleed) 29 blauwe blauw (met de bijbetekenis van vals ) 30 feestelicheit vermaak 31 becommert bezig 34 die bruydegom die bruyt = die bruyt den bruydegom 35 in der mynnen boeck in het Hooglied 37 Ezechiel = Jheremyas 39 heeft daer sijn stede gesat heeft zich daar gevestigd 42 tot sijnre behoef voor hem

25 7 [44] dat gemeyne ende vlie die huysgenoten. Ende en weetstu 44 [45] niet, dat du hevest enen schemelen bruydegom, ende die 45 [46] di in geenre wijs en sal bewisen sijn tegenwoerdicheit, [47] daer die anderen bi-sijn? Hier-om ganck besiden in eni 47 [48] cheit niet alleen mitten lichaem, mer mitter herten, mitter [49] aendacht, mit ynnicheit, mitten geest. [50] Dat ander rat is sympelheit. Haldt sympelheit niet alleen [51] in den woerden ende in den herten, mer oec in den wer- [52] ken ende in den habijt. Dan si-di sympel in der waerheit, 52 [53] als u mont niet en seecht anders dan u herte meynt. En [54] weest niet dubbel van herten, want hi is vermaledijt, die [55] dobbel is van herten. Tot warachtiger sympelheit vermaent [56] ons onse Here Jhesus in den ewangelio, daer hi seecht: [57] Weest wijs als dat serpent ende sympel als die duve. [58] Sympelheit sonder wijsheit is dwaesheit, ende wijsheit son- [59] der sympelheit is loesheit. Het is tweerhande sympelheit: 59 [60] als des ezels ende der duven. Der duven sympelheit is een [61] warechtige eenvoldicheit des herten, die altoes bereit is [62] tot al dat der guet is. Eselsche sympelheit is: tis onwe- [63] tende ende dom <te wesen>, ist in den dingen die hi we- [64] ten sal, ende cloec ende wetende te wesen werliker din- 64 [65] gen ; ende dit is wijsheit der werelt. Wij lesen van onsen [66] heiligen vader Franciscus, dat op een tijt.ij. gesellen tot [67] hem quamen om hem te bekeren. Ende om-dat hi se ierst 67 [68] prueven wolde, eer hi se ontfinck, soe ginc hi mit hem in 68 [69] den hof, ende hi hiet hem, dat si deden als hi. Ende hi 69 [70] nam loec ende began te poten, ende sat dat loec in die 70 [71] eerde ende die wortel opwaert. Ende die een was sympel, [72] ende dede als sijn vader dede. Die ander was wijs nae 44 dat gemeyne het volk, het publiek 45 schemelen zedige 47 enicheit eenzaamheid 52 habijt kloosterkleed 59 loesheit arglistigheid het is er is 64 sal moet cloec slim werliker wereldse 67 hem te bekeren zich te bekeren 68 prueven op de proef stellen 69 hiet beval 70 loec (knof)look sat zette

26 8 [73] der werelt, ende dede als gewoenlic is, ende poten die [74] wortel nederwaert. Doe vraechden hem sancte Francis- [75] cus ende seide: Broeder, waer-om en doe-di niet als ic [76] u hiet? Die broeder antwoerde, dattet aldus behoerden. [77] Doe seide sancte Franciscus, dat hi, wijse man, ginc tot- 77 [78] ten wijsen der werelt: Ic wil desen dwasen behalden, [79] op-dat die dwase blive mitten dwasen. [80] Mijn alre-liefsten, weest oec sympel in uwen abijt, ende [81] en wilt niet sueken noch begeren scoenheit ende behagel- 81 [82] heit van buten, mer alleen van binnen, want den ghi te [83] behagen hebt, die en siet niet aen scoenheit des lichaems, [84] mer der sielen; als sancte Ambrosius seecht: Cristi, der 84 [85] jonfrouwen bruydegom, en siet niet aen cierheit des li- [86] chaems, mer der sielen ; die oec een suverlike siele lief- [87] heeft in enen leliken lichaem. Ende dat si hoer van bu- [88] ten niet en ciert, dat is hoer cierheit, als David seecht: [89] Al die glorie der dochter des conincs is van binnen, [90] Wist-di, mijn alre-liefste kijnder, in wie groter liefden ic [91] u heb, ende mit wie groter mynnen ghi staet in mijns her- [92] ten gront: dat ic van u begeert heb, en solde u niet moei- [93] lick wesen. Nochtan ducht ic, dat ic uwer sommich een 93 [94] groet cruys geweest heb: diet bi aventuren van anxt ge- 94 [95] daen hebben ; ende voer dese bid ic God, dattet mynne [96] werde. Mer weet voerwaer, dat al mijn predicken daer- [97] om is, dat ic ende gi ende sommige ander personen moch- [98] ten comen sonder vegevuer totten ewigen leven. Daer-om, [99] lieve kijnder, wildi niet bornen, soe laet u hulleken al- 99 [100] leen wesen een decsel uwes hoefdes, ende geen cierheit. 100 [101] Want alsoe voel gelijcs als ghi hebt mitter werelt, alsoe [102] voel sal dat vuer in u te bornen vijnden. 77 ginc moest gaan 81 behagelheit opsmuk 84 Cristi = Cristus 93 uwer sommich voor sommigen van u 94 bi aventuren misschien 99 bornen branden hulleken kapje 100 decsel bedekking

27 9 [103] Wiem wil-di behagen, of wiem heb-di te behagen, mijn [104] alre-liefste, dan uwen bruygom Jhesum Cristum, den gi [105] boven al vercoren hebt? Hi alleen sal u behagen, hem [106] alleen sul-di behagen. Ende setty uwen synne op iement 106 [107] anders, soe si-di dwaes, ende set iement sijnen sinne op u, [108] hi is dwaes. Want gi sijt overmits uwen habijt hetelic 108 [109] ende myshagelic ende ongelijc der werelt, dan in desen 109 [110] enen alleen. Ghi sijt een cruys der werelt ende si solde u [111] oec een cruys wesen, ende waer-om wil-di dan arbeiden [112] iement te behaegen? Wanneer gi ligget in der eerden, ende [113] u oghen gevallen sijn uut uwen hoefde, ende die worme [114] daer in ende uut-loepen, dan en sal u niement begeren, [115] ende niement en suldi behagen. Mer si-di suverlic verciert [116] mit doechden, soe en sal geen mismaectheit uwen bruygom [117] mishagen. [118] Mijn alre-liefste, ten hoert geenre bruyt, mer eenre over- 118 [119] spoelterse toe, dat hoer hoer bruydegom mishagen solde, [120] om-dat hi die teiken der mynnen aen hem draecht. Nye 120 [121] en hevet bruygom sijnre bruyt noch vader sijnen kijnde [122] alsoe grote mynne bewesen, als u bruygom u bewesen [123] heeft. Want tot enen teiken groeter mynnen, ende dat hi [124] uwer niet en wil vergeten, soe heeft hi u in sijnen handen [125] gescreven, ende niet in sijnre rechter of in sijnre luchter- [126] hant alleen, mer in beiden sijnen handen. Ende dit en was [127] hem niet genoech ; mer gelijc sijnen handen heeft hi oec [128] laten doergraven sijn voete. Ende noch hier-en-boven hevet [129] hi laten doersteken sijn side ende doerwonden sijn herte. [130] Ende dese teiken draget hi noch aen hem om uwer daer- [131] bi te gedencken, ende sijnen Vader die te toenen om hem [132] mit ontfermherticheit, als sancte Bernaert seecht, tot u te 106 setty zet gij 108 overmits vanwege hetelic lelijk 109 dan in desen enen alleen maar alleen in dit opzicht niet 118 ten hoert geenre bruyt... toe het past niet aan een bruid 120 nye nooit

28 10 [133] bewegen. Geen verworpenheit uwes habijts en maect u on- 133 [134] weert voer uwen gemynden bruygom, noch geen mismaect- [135] heit des lichaems en duet hem vercalden in uwer mynnen. 135 [136] Want wie gi mishageliker ende myn geciert sijt van buten, 136 [137] ende van binnen u selven meer mishaecht, wie hi u begeer- [138] liker ende mit meerre mynnen aensiet. Ende al waer-di [139] alsoe malaets als ie mensche gewaert, alsoe dat gi nase 139 [140] noch mont en hadt ende dat al u lede verrotten: daer-om [141] en behaecht gi hem niet te myn, mer voel te meer. Ic kenne [142] een alte devoten creatuer, der hoer borsten van alte ver- 142 [143] veerliken seer, recht oft een kancker hed geweest, alte [144] seer ghequelt woerden, ende anders niet en scheen dan [145] roe vleis. Ende in deser groter pijnen ende smerten sprac 145 [146] hoer die vriendelike Here Jhesus toe, ende seide: Mijn [147] lieve dochter, wie meyndi dat ghi my nu behaecht? Ende 147 [148] si seide: Lieve Here, dat moechdi weten. Jhesus ant- [149] woerde ende seide: Nu behaege-di mi als een uutverco- [150] ren lieve bruyt, der hoer borsten mit golde ende mit peer- [151] len ende mit costeliken gesteynten beset sijn ende suverlic 151 [152] verciert. [153] Hier-om, mijn alre-liefste, en laet uwen bruydegom daer- [154] om oec niet te myn behagen, dat hi seer ontdaen ende le- 154 [155] lick ghemaect is, recht als een malaets mensche, over-al [156] gegeiselt, bloedich gewont, ende mit alre bitterheit vervult; [157] ende dat sijn gloriose hoeft mit doernen is gequetst ende [158] doersteken, sijn aensicht alsoe eyselic bespegen ende ont- [159] reynt, ya twe of drie vinger dick becledt, ende daer-over 159 [160] mit bloede beronnen ende swart ghemaect ; ende dat sijn 133 verworpenheit onaanzienlijkheid 135 vercalden verkoelen 136 wie hoe myn minder 139 ie ooit gewaert werd, was 142 alte devoten creatuer zeer vrome vrouw der hoer wier alte verveerliken seer zeer hevige ontsteking 145 roe rauw 147 wie meyndi hoe denkt ge 151 costeliken kostbare 154 ontdaen rampzalig 159 daer-over daarenboven

29 11 [161] ogen nat van tranen sijn ende roet van bloede, ende dat [162] hi alsoe naect hinck aen den cruce, dat hi niet en had [163] daer hi sijn schemel lede mede decken mocht. Want al dit [164] is daer-om geschiet, dat hi u schoen ende behaegelic 164 [165] mocht maken voer sijnen hemelschen Vader. [166] Mijn alre-liefste, en gae-di niet al avent mit Jhesu te bed- [167] de, ende of gijt duet, waer-om wil-di dan enen overspeelre 167 [168] behagen? Ic segge u in der waerheit, is dat Jhesus comt [169] ende vint dat een ander sijn stede becommert heeft, hi sal 169 [170] hem rechtevoert mit groter onweerden van u keren ende 170 [171] gaen ewech: of gi moet sijnen wedersaec van u verdriven 171 [172] ende maken hem een stede. Want dat beddeken uwes [173] herten wilt hi tot sijnre genuechten alleen gebruken, ende [174] en wil genen vremden toe-laten hebben, want hi is een [175] verweent ende saert brudegom ende een eynich mynner, 175 [176] ende daer-om wil hi eynichlick van u gemynt sijn. Ende [177] ist dat hi gewaer wort, dat yement anders eens mit be- [178] geerten van u aengesien woert, of anders gemynt dan in [179] hem of om sijnen wil: alte-hant sal hi van u scheiden 179 [180] ende gaen ewech. [181] Dat derde rat is vredesamheit. Paulus seecht: Weest [182] vlitich, eenheit des geest te halden in den bant des vre- [183] den. [184] Mijn alre-liefste, want mach beter wesen dan die duerbaer [185] scat des vreden, die-welke ons maect kijnder Gods, als [186] in den ewangelio gescreven staet: Salich sijn si, die vre- [187] desamen, want si sullen kinder Gods geheiten werden. 164 behaegelic welgevallig 167 of gijt duet indien gij het doet 169 sijn stede becommert heeft zijn plaats ingenomen heeft 170 rechtevoert terstond onweerden verontwaardiging 171 ewech weg wedersaec tegenstander 175 verweent veeleisende saert teergevoelige eynich (anderen) uitsluitende 179 alte-hant ogenblikkelijk

30 12 [188] Opten heiligen kersnacht, doe die engel gheboetscapt had- [189] de den heidenen die gheboerte des Soens Gods, ende ge- 189 [190] seecht hadde: Siet, ic boetscap u grote blijtscap, die al- [191] len volke wesen sal, want ons is huden gheboren die ge- [192] sontmaker der werelt, dat Cristus een is, in Davids stat, [193] ende doe hi hem getoent had die teiken, daer si hem bi [194] kennen solden, ende sy Gods glorie gesongen hadden, boet- [195] scapten si hem den vrede. Die ierste kermis die Cristus 195 [196] Jhesus, God ende mensche, sijnen jongeren bracht, nae- [197] dat hi verresen was van der doet, was dat duerbaer pant [198] des vreden. [199] Mijn kijnderkens, ic en mach u den vrede niet geven, [200] want ic en mach mijn herte niet scoeren, ic en machs niet 200 [201] deilen. Daer-omme en mach ic van den mijnen niet ne- [202] men ende gevent u. Want mocht ic doen als God, ende 202 [203] seggen: Mijnen vrede laet ic u, mijnen vrede geve ic u, [204] voerwaer ic wolden u geven, al solde ics selven gebreeck 204 [205] hebben ende een deel te myn. Mer nu want icks u niet [206] geven en mach, soe wil ic en u boetscappen, op-dat ic hoer 206 [207] geselscap mach verdienen, daer-van gescreven staet: Wie [208] scoen sijn hoer voeten, die den vrede boetscappen ende die [209] dat guede predicken. [210] Het is drierhande vrede die guet is, ende drierhande die [211] quaet is. [212] Die ierste quade vrede is, als twe of drie of meer te-gader [213] eendrechtich ende te-vreden met malkanderen sijn in sun- [214] den ende ondoechden ende hem selven ende malckanderen [215] onschuldigen ende beschermen tegen die-gene die se be- 215 [216] rispen. Ende dit is herde schadelic, om-dat dic een heel heidenen = herdenen herders 195 kermis geschenk 200 machs kan het 202 gevent geven hem 204 wolden wilde hem, zou hem ics ik er van 206 en u boetscappen hem u verkondigen 215 onschuldigen verontschuldigen, verdedigen 216 herde schadelic zeer verderfelijk dic dikwijls

31 13 [217] convent om alsulker menschen wil, die suntliken vrede on- 217 [218] derlinge hebben, ontvreedt ende besmet woert. 218 [219] Die ander is geveynsden vrede, ende dat is, als die een [220] den anderen toent een guet gelaet ende vriendelike woerde [221] toe-spriect ende nochtant wael wolde, dat hi hem sijn [222] herte uuten buyck geten hadde. En laet ons malkanderen 222 [223] aldus niet mynnen mitten woerden ende mitter tongen, [224] mer mitten werken ende in der waerheit. [225] Die derde is: die vrede heeft in eens anders onvrede, als [226] somigen verkeerde menschen, die met hoerre verkeertheit 226 [227] ende wonderlicheit hoer oversten ende die-gene daer si 227 [228] mede ont-gaen alsoe lange moien, dat men sy moet laten 228 [229] bliven op hoeren haerden synnen, ende men en machse 229 [230] niet corrigeren: si solden dicwijle een heel geselscap ton- [231] rusten maken. Ende wanneer si die anderen alsoe verre [232] gebracht hebben, dat si hoers ondancks mit hem lijden 232 [233] moeten, soe dunckt hem, dat si wael te-vreden sijn. Ende [234] dit is alte seer te beclagen van enen geestelijken mensche, [235] die alre-malck begeren solde te dragen, dat die van mal- 235 [236] lic gedragen moet wesen. [237] Die vrede die guet is, dat is vrede der tijt. Die ander is [238] vrede der borst. Die derde is vrede der ewicheit. 238 [239] Vrede der tijt is, als bruederen of susteren vredelic ende [240] rustelic te-gader wonen, als David seecht in den salter: 240 [241] Siet, hoe guet ende hoe vroelic ist te wonen broederen in- 241 [242] een. [243] Mijn alre-liefste, wat mach sueter ende genuechliker we- 217 suntliken zondige 218 ontvreedt verontrust 222 geten gegeten 226 verkeertheit dwarsheid 227 wonderlicheit zonderlingheid, onberekenbaarheid, eigenzinnigheid 228 ont-gaen = om-gaen; moien plagen 229 haerden onhandelbare 232 mit hem lijden hen verdragen 235 die alre-malck... wesen die er op uit moest zijn iedereen te verdragen, dat die (integendeel) door iedereen verdragen moet worden 238 borst gemoed 240 salter psalterium, Boek der Psalmen 241 vroelic genoeglijk in-een bij elkaar

32 14 [244] sen in deser tijt, dan te wesen in alsulken geselscap, dat [245] overmits rust ende vrede den engelen is gelijck? Ende ist [246] dat wi desen vercrigen ende halden willen, soe sijn ons [247] drie dingen noet: als oetmoedicheit, medeformicheit ende 247 [248] gesaetheit. 248 [249] Soe wie selven ongesaet is, die en mach den anderen niet [250] gesaet maken. Want die toernich, wreet ende haestich is, 250 [251] die en mach den toernigen ende den wreden niet leren, [252] want daer-van solde hi meer verergert werden. Mer die [253] guedertieren ende saechtmoedige mach den haestigen ende [254] den fellen saecht maken. Ende daer-om en moegen twe [255] haestige personen niet lange vredelic met malckanderen [256] om-gaen, mer een die haestich is, ende een die saecht of 256 [257] kalt is, die moegen wael te-gader wonen. Want als die [258] een haestich is, soe gaet hem die ander te-gemoet, ende [259] met sijnre ghesaetheit soe saecht hi des anders toern. 259 [260] Dat ander is oetmoedicheit, ende maect ons onderdanich [261] onsen oversten. Sancte Peter seecht: Veroetmoedicht u [262] onder die moegende hant Gods, op-dat hi u verloese inden [263] dage des oerdels. Niet alleen en sullen wi ons veroet- [264] moedigen voer die-gene die boven ons sijn, mer voer allen [265] menschen, ende kennen ons te wesen die alre-snoetste. 265 [266] Ende ist dat wi dit doen, soe sullen wi altoes vrede heb- [267] ben ende halden. Ic bid u, uutvercoren lieve meechden, [268] hebt vrede ende mynne onderlinge, ende draecht die een [269] des anders last ende crancheit, ende alsoe moege-di ver- 269 [270] vullen die ewe Cristi, mit alre saechtmoedicheit ende 270 [271] oetmoedicheit malckanderen in mynnen verdragen<de>. 247 als namelijk oetmoedicheit nederigheid medeformicheit eensgezindheid 248 gesaetheit kalmte 250 toernich, wreet ende haestich opvliegend, heftig en driftig 256 saecht of kalt zachtzinnig of bedaard 259 saecht hi kalmeert hij 265 kennen erkennen alre-snoetste allergeringsten 269 crancheit zwakheid 270 ewe wet

33 15 [272] Die wijs is, die geve den gecken ende den dullen toe. Die 272 [273] sterck is, geve den crancken toe. Jonge bloemen, eert die [274] alden, want dat si overbracht hebben, dat is u noch aen- 274 [275] staende, ende alsoe als gi u bewijst tot hem, alsoe sal u [276] weder gheschien als gi alt werde. Mer doch somige van u [277] en sullen niet alt werden: want hi sal comen binnen cor- [278] ten jaren, die u van malckanderen scheiden sal. Ghi al- [279] den, lijdt ende leert die jongen, ende gaet hem voer, alsoe 279 [280] dat si bi uwen exempelen leren moegen, wie hem behoert [281] te wanderen. Mer ic ducht, leider ic ducht, dat dit alsoe 281 [282] niet en is. Die moeder sal die crancheit van hem allen ge- [283] lijc vrindelic ende moederlic dragen, want al ist noet dat 283 [284] men die gebreken strengelic corrigieren sal, nochtant moet [285] men altoes guedertierlic die crancheit dragen, ende dit [286] moet geschien sonder uutnemen der personen. Want hoer 286 [287] is noet, wil si hebben gelike ogen, dat si heb gelijcke [288] mynne. [289] Dat derde is medeformicheit. Ende dese maect ons, dat [290] wi ons in allen gueden dingen malckanderen geliken, ende [291] si duet, dat van voel willen een wil wort, ende soe woert 291 [292] vrede ende mynne gehalden. Mer wil ic volgen mijnen wil, [293] ende een ander den sijnen, soe moeten wi van noede twis- 293 [294] tich ende onvredich sijn: haspel in den sack en voeget [295] nummermeer wael. Want ghi weet wael, dat men niet 295 [296] wael drie haspel in enen sack gedoen en kan, mer tien of [297] twintich-werf alsoe voel wollen ister guet in te doen. Want 297 [298] haspel ende haspel en overdraecht niet, mer daer wat wol- 298 [299] len in den sack is, daer mach men den haspel toe-doen. 272 dullen dwazen 274 overbracht doorgemaakt 279 lijdt verdraagt 281 wanderen wandelen, zich gedragen leider helaas 283 noet noodzakelijk 286 uutnemen voorkeur geven aan, uitzondering maken voor hoer is noet zij moet 291 duet bewerkt 293 van noede noodzakelijk 295 nummermeer nooit 297 wollen wol 298 en overdraecht niet passen niet bij elkaar

34 16 [300] Van steen ende steen en mach nummermeer guet huys [301] gemaect werden, mer kalc ende steen die sijn guet bi-een, [302] ende daer-van woert gemaect een scoen huys of een suver- 302 [303] like muer. Alsoe ist oec in vergaderinge, daer een iegelic [304] sijnen syn volgen wil, ende daer die herden den knecht 304 [305] dienen moet ende die ondersten den oversten regieren: [306] daer is vrede ende mynne te halden als haspel in den [307] sack te vlien. Mer daer een iegelic sijnen wil laet onder [308] den wil sijns oversten ende der-geenre daer hi mede om- [309] gaet, soe is daer vrede ende mynne. Saecht woerde ende [310] een suete gelaet gelijct der saechter wollen. Ende als die [311] een gemoit is ende gevet haerde ende stuerige woerde, ende 311 [312] die ander hem mit haerdicheit tegen-comt, dat maect uut- 312 [313] termaten groet geruycht, recht of men den enen steen te- 313 [314] gen den anderen worpe. Mer wanneer die een gemoit is [315] op den anderen, ende hem dan tegen den veroetmoedicht [316] ende sijn woerde saechtelic ontfanget, soe duet hi recht [317] of hi kalc ende steen te-gader voegeden, om-dat hi mit [318] sijnre guedertierenheit ende vredesamheit den anderen tot [319] hem treckt. Ende aldus woert eenformige gelijcheit ver- [320] cregen ende gehalden onder hem. Ist dat wi aldus doen, [321] soe sal God weerdelic onse regiere sijn. 321 [322] Die ander is vrede der borst of der consciencien. Ende [323] dese vrede gaet boven alle vroude ende genuechte deser 323 [324] tijt, want si is een stadich werscap, ende gelijc dat een 324 [325] guede consciencie is die alre-meest rust, alsoe is daer we- [326] der tegen een quade consciencie die alre-meiste pijne. [327] Want Seneca seecht: Niet en is vroeliker dan een guede 327 [328] vredesam consciencie, ende geen pijne en is swaere dan suverlike fraaie 304 herden = here 311 gemoit lastig stuerige barse 312 hem mit haerdicheit tegen-comt onvriendelijk tegen hem ingaat 313 geruycht rumoer, ruzie 321 weerdelic op waardige wijze regiere bestuurder 323 vroude vreugde 324 stadich werscap altijddurend feestmaal 327 vroeliker genoeglijker 328 swaere zwaarder

35 17 [329] een quade consciencie. Wilstu nummermeer droevich we- [330] sen: leve wael. Dat guede herte hevet altoes blijtscap, [331] ende dat vroelike herte verdraeget lichtelic droefheit. 331 [332] Daer-om seecht Salomon: Soe wat den rechtverdigen [333] menschen toecoemt, dat en mach hem niet bedroeven, 333 [334] want hi is besittende sijn siel in vreden, ende blieft onge- [335] quetst van allen wederstoet. Want al woert hi van buten 335 [336] bedroeft, nochtant en woert hi van den inwendigen vrede [337] niet beroeft. [338] Hier-nae volget die derde vrede: als die ewige vrede, den [339] wi ontfangen ende besitten sullen, als wi afgeleecht heb- [340] ben desen sterfliken rock des vleisches ende ingegaen [341] sijn die stede des wonderliken tabernakels. Mijn alre- [342] liefste, ist dat wi nu neernstelic arbeiden om den iersten [343] ende den anderen vrede te vercrigen ende den te behalden, [344] soe en laet ons niet twivelen den derden ewelic te gebru- 344 [345] ken. Ende en laetes u niet verdrieten, om die mynne des 345 [346] gecruysten Heren uwer natueren te sterven ende bedwon- 346 [347] gen ende benauwet te sijn. Want daer-voer suldi ontfan- [348] gen onmetelicke grote vrieheit ende genuechte, ruste ende [349] een besittinge des vreden, die allen synnen boven-gaet. [350] Ende dit hevet Jhesum den sijnen beloeft, als Johannes 350 [351] bescrijft in Apocalipsi: Mijn volc sal sitten in scoenheit [352] des vreden, ende in den tabernakel des betrouwens, ende [353] in der rusten vol rijcdoms. Geen wedersaec en mach de- [354] sen vrede verstueren, geen voerleden, tegenwoerdige noch [355] toecomende dingen en moegens vermynren. Daer sullen wi 355 [356] ons mit soe over-groeter vrouden mit malkanderen verblij- [357] den, dattet alre sterfliker menschen verstentenisse boven lichtelic gemakkelijk 333 toecoemt overkomt 335 wederstoet tegenspoed 344 gebruken genieten 345 laetes laat het 346 bedwongen ende benauwet onderworpen en gebonden 350 Jhesum = Jhesus ; als Johannes bescrijft in Apocalipsi = als Ysayas bescrijft 355 moegens kunnen hem 357 verstentenisse begrip

36 18 [358] gaet. Ende wi sullen te-samen danssen ende springen als [359] hynden ende herten. Mer alre-meest ende boven-al sal hoer [360] verblijden die meechdelike schaer, die den lam volgen [361] sullen waer dattet henen-gaet, ende singen enen nuwen [362] sanck, den anders niement singen en mach. Mer ic, die [363] die meeste boven van allen sunderen ende die snoetste van 363 [364] allen kersten-menschen, mocht my geschien te besitten die [365] alre-mynste stede in den ewigen leven, ende mitten kinde, 365 [366] dat in deser nacht geboren, gedoept ende gestorven is, ge- [367] loent te werden: ic wolde mijnen God hoechlic loven. 367 [368] Mer ghi, o meechden, als ghi sijt in-gegaen in die heme- 368 [369] liken slaepcamer des brudegoms ende sijdt daer suetliken [370] te-rusten comen ende sult ewelic gebruken sijnre sueter [371] mynnen, om-dat ghi u selven om sijnen wil verwonnen [372] hebt, ende hem danssende ende singende nae-gaet: siet [373] doch somwilen eens ten vensteren uut, ende segt: Brug- [374] man, God gevet u guede dach. [375] Dat vierde rat is: arm te wesen van geest. Groet guet [376] maect groeten moet, hoge kerken ende scoen glase een 376 [377] duyster consciencie, curiose bueke cleyne devocie. Grote 377 [378] genuechte in suverliken beelden is een teiken, dat Jhesus 378 [379] gecruyst wenich in den herten leeft. [380] Mijn alre-liefste, arm te sijn van guede en is hier geen 380 [381] noet te leren, want ghi sijt mit allen arm, ende als my 381 [382] dunckt, soe suldi oec wael van groeter rijcheit behuet bli- [383] ven. Ende daer-om en wil ic hier niet meer van seggen, 363 meeste grootste boven = bin ben 365 alre-mynste stede allerlaagste plaats 367 hoechlic hogelijk, zeer 368 hemeliken verborgen, intieme 376 moet trotsheid, verwatenheid glase (kerk)ramen 377 curiose bueke kostbare (devotie)boeken 378 genuechte genoegen, vermaak suverliken fraaie 380 en is hier geen noet is hier niet nodig 381 mit allen volkomen

37 19 [384] op-dattet niet te lange en valle. Mer noch twe woerde en- [385] de daer-mede een eynde. [386] Dat ierste: Dat een iegelic, als sancte Paulus seecht, [387] sijn veetken besit in heilicheit ende in eren, niet in ge- 387 [388] brukinge der begeerten. Dit heb ic daer-om geseecht, [389] want die becoringen ende aenvechtingen menigerhande [390] sijn, beide vleischelic ende geestelic, daer die menschen 390 [391] mede gemoiet werden, als oec somigen van u sijn, die 391 [392] dick seer beladen ende bedruct werden, ende voer dese 392 [393] bid ic God, dat hijse troest. Ende dese en sullen niet ver- [394] slagen noch cleynmoedich werden, want daer-om en sij-di [395] van God niet versmaet noch te myn lief-gehadt, als u [396] nochtant somwilen dunckt. Ic bin een man, die in allen [397] besocht bin, ende daer-om of yement van u begeerden te 397 [398] weten wie hi hem in allen becoringen hebben sal: die sal 398 [399] hem vlitelic geven tot tween dingen, als dat hi neernstelic 399 [400] waer-neme sijns gronts ende dat hi gebruke sijnre lede 400 [401] alleen daer si toe geordineert sijn. Want die mensche is [402] gelijc eenre borch die al-om belegen is mit voel vianden. 402 [403] Ende ist dan dat die borch-greve van binnen ernstelic 403 [404] waeckt ende toe-siet, ende sijn ondersaten van buten wael [405] geschickt ende geordeneert sijn ende hem sterkelic wee- 405 [406] ren, soe is die borch veilich ende seker. Mer ist dat hem 406 [407] die borch-greve van binnen versuymt ende niet toe en siet, [408] ende [is] dat gesynne onachsam ende onvlitich is ter 408 [409] weeren, soe wort die borch te-hant mit cleinen arbeit ge sijn veetken zichzelf (vaet = vat, lichaam) gebrukinge genieting 390 beide... ende zowel... als 391 gemoiet geplaagd 392 dick dikwijls 397 of indien 398 hebben sal gedragen moet 399 geven tot toeleggen op als namelijk 400 sijns gronts zijn binnenste 402 borch burcht belegen belegerd 403 borch-greve burggraaf, slotvoogd ernstelic volhardend 405 geschickt opgesteld 406 hem... versuymt nalatig is 408 is ter weeren zich te weer stelt 409 te-hant spoedig

38 20 [410] wonnen. Die redelicheit des menschen is die borchgreve, 410 [411] ende die lede ende die synne des menschen sijn die onder- [412] saten. Ende ist dat die reden altoes neernstelic waeckt [413] ende op hoer hoede staet, dat is, dat si nummermeer en [414] volge noch en consenteer eniger becoringen, wiedanich [415] dat si oec sijn, ende alle die lede des lichaems ende een [416] iegelic bi-sunder gebruyckt werden daer si toe geordeniert 416 [417] sijn: want alsoe menich let als wi hebben aen onsen li- 417 [418] chaem, alsoe menich veetken hebben wi te besitten; wi [419] sullen onse lede ende onse synne gebruyken als-of wise niet [420] en gebruycten, sien sonder sien, hoeren sonder hoeren, [421] ruken sonder ruken, smaken sonder smaken, tasten sonder [422] tasten: ende ist dat wi aldus doen, soe besitten wi onse [423] veetken in heilicheit ende in eeren. Den verstendigen is 423 [424] licht genoech geseecht. Ende als aldus die inwendighe [425] ende die uutwendige mensche geordeniert is, soe is die [426] borch alle-sijns wael bewaert. Ende wat crancheit of ar- [427] moeden dat ons hier-en-boven over-comen, dat mit des [428] herten of des lichaems onbehuetheit niet en is gesaeckt, 428 [429] dat sullen wi God bevelen ende hem oetmoedeliken cla- [430] gen, ende daer sal die guedertieren Here geerne mede- 430 [431] liden. [432] Dat ander ende dat leste is: een iegelic verdrinck hem [433] in den afgront des niets, ende kenne hem selven die 433 [434] snoetste ende onnutste te wesen van allen menschen. Ende [435] hi begeer snoede ende ongeacht, verworpen ende verdruct [436] te sijn van allen menschen. Ende is yement onder u, die [437] die gracie der tranen ende der devocien hevet, die en ver- [438] smade niet die-gene die dese gracie niet en hevet: die [439] heeft een ander, die gi niet en hebt; want niement en is, 410 redelicheit rede, zedelijk bewustzijn 416 bi-sunder in het bijzonder 417 let lidmaat 423 den verstendigen is licht genoech geseecht een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (sapienti sat) 428 onbehuetheit onvoorzichtigheid gesaeckt veroorzaakt 430 mede-liden medelijden mee hebben 433 kenne erkenne, bekenne

39 21 [440] hi en hevet wat, dat een ander niet en hevet. Ende die 440 [441] geboren is van eerbaren alders, of die suverlic scoen of 441 [442] sterck is, wijs ende vernuft van synne, hi en verheffe hem [443] daer niet in, noch en versmae die anderen die alsoe niet [444] en sijn: mer dencke, dat hijs van hem selven niet en he- 444 [445] vet, mer van Gode, ende dat hem ander gracie ontogen [446] sijn ende den anderen gegeven is, den desen niet gegeven [447] en is. Mijn alre-liefste, wildi die tegenwoerdicheit Gods [448] wesen een waelrukende suet roeck, soe synckt u neder in 448 [449] dat afgront des niets. Die-gene die gesat sijn ander men- [450] schen te regieren, den is noet te staen op een heel niet- [451] achten hoers selfs. Ende wie hi hem selve onnutter ende 451 [452] cleynre kent van binnen, ende van buten meer doer-ge- 452 [453] dreven ende gedruckt sijn, wi si nutter ende bequamer sijn [454] totten ampt des regiments. Want edel krude, als gengever, 454 [455] caneel, negel ende mysschaten ende ander krude, wanneer 455 [456] si gestoten ende gepulveert werden, hoeren roeck meer 456 [457] breiden ende van hem geven dan als si heel bliven, al[s] [458] des-gelikes is een guet mensche: wie hi hem selven meer [459] verniet ende vercleynt, ende van buten meer gedruct woert, 459 [460] ende dat mit blijtscappen ende mit begeerten verdraeget, [461] wie hi een sueter roeck is voer Gode ende voer allen men- [462] schen. [463] Nu, uutvercoren lieve meechden, ist dat gi aldus duet ende [464] u gevet toe geheelre doedinge uwer synne, gi sult wonder- [465] like gracie van Gode ontfangen, die gi noch niet en kent. [466] Mer och leider, ic snoede ondancbaer hont en heb dit niet hi en hevet of hij heeft 441 eerbaren alders voorname ouders 444 hijs hij het 448 synckt u neder buigt u neder 451 hi = si 452 cleynre kleiner, geringer kent = kennen; doer-gedreven ende gedruct in het nauw gebracht en verdrukt 454 gengever gember 455 negel kruidnagel mysschaten muskaatnoot 456 gestoten fijngestampt 459 verniet voor niet acht 466 leider helaas

40 22 [467] waer geleert in mijnre joncheit, ende daer-om en can icks 467 [468] niet wael in mijnen alder. Ghi vermoedet wat groets in my, [469] ende gi werdet bedrogen, want ten is geen meere sunder 469 [470] in al der werelt dan ic. Want ic leve leckerlic, ende en 470 [471] halde mijn regel niet: het en si dat ic doe als sinte Pau- 471 [472] lus ende kan in overvloedicheit gebreec hebben, in ge- [473] breeck overvloedich wesen. Die hevet gebreeck in over- [474] vloedicheit, die alles dinges genoech hevet, ende en ge- [475] bruyckt des niet tot sijnre genuechten, mer tot soberre 475 [476] noetroften. Ende die hevet gebreec ende is overvloedich, [477] die myn heeft dan hi behoeft, ende God nochtan hoech- [478] like loeft. [479] Staet oec op een heel-gans niet-achten uwes selfs, ende 479 [480] gi sult wesen als een suet roeck voer Gode. Ende u sal [481] genuechte ende sueticheit gegeven werden, die ghi noch [482] niet gesmaect en hebt. [483] Aldusdanige vernederinge ende versmadinge ons selfs, dat [484] moet hi ons verlenen, die gecomen is van der hoecheit des [485] hemels in dat nederste der eerden: die daer is een fon- [486] damente der oetmoedicheit ende een oerspronck alre [487] doechden, Jhesus Cristus onse Here, die mitten Vader en- [488] de den heiligen Geest leeft ende regniert, God, ewelic [489] sonder eynde, Amen. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 134 v -146 v ) 467 waer goed 469 meere groter 470 leckerlic zinnelijk 471 halde onderhoud het en si of het mocht zijn 475 soberre noetroften noodzakelijk levensonderhoud 479 staet oec op legt u ook toe op

41 23 3 [Drie dingen hoeren tot eenre devoter maget] [1] Drie dingen hoeren tot eenre devoter maget. [2] Dat ierste is, si sal alleen hoer ogen slaen op hoer lief [3] ende aensien hem hangende aen den cruce. [4] Dat ander is, si sal hoer ledich ende ydel halden van alre 4 [5] sorgen der werelt. [6] Dat derde is, si sal hebben een rustich, vredesam herte. [7] Van drie dingen beclaeget sich onse Here over die geeste- [8] like menschen. [9] Dat ierste is, dat si traech ende lauwe sijn nae te volgen [10] dat leven hoere voer-vaders. 10 [11] Dat anders is, dat si die gehoersamheit achter-laten. 11 [12] Dat derde is, si haten die-gene die hem die waerheit seg- [13] gen. [14] Dat ierste teyken der kinder der gracien is waerechtich [15] gelove. [16] Dat ander is die mynne Gods. [17] Dat derde is gehoersamheit. [18] Dat vierde, vredesamheit. [19] Dat vijfde, barmherticheit. [20] Dat sesde, dat si Gode dienen mit enen vrien wille. 20 [21] Dat ierste loen der uutvercorenre kinder is, dat si sitten [22] sulen tot eenre tafelen. [23] Dat ander, dat si sullen slaepen in eenre kameren op een [24] beddeken. [25] Dat derde is, dat si Cristus erfgenamen sijn. [26] Dat vierde, si sullen al een teiken hebben. 4 hoer ledich ende ydel halden zich vrij en afzijdig houden 10 voer-vaders voorgangers 11 anders = andere; achter-laten nalaten 20 vrien vrije

42 24 [27] Dat vijfde, si sullen al eten van eenre spijsen, ende van [28] enen dranc droncken werden in der ewicheit. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 146 v -147 r ) 4 [1] Dit is Brugmans collacie [2] ende spriect van.ix. edelheit der sielen [3] Sante Matheus scrijft in sijnen.xxij. capittel ende seecht: [4] Wes is dit beelde ende sijn op-scrift? 4 [5] Nu, mijn alre-liefste, bi desen beelde verstaen wi die edel [6] siel des menschen. Want gelikerwijs als dat lichaem al [7] sijn scoente ontfanget van der tegenwoerdicheit der sielen 7 [8] ende van hoerre afscheidinge mysmaect ende lelick wort, [9] alsoe dat geen mensche, hi is of geweest hevet in sijnen 9 [10] leven, nae sijnre doet van nyement mit lust of mit begeer- [11] ten omhelst of gecust mach werden ende anders niet en is [12] dan een sack van gelen leder vol slijcs ende onreinicheit: [13] al des-gelijcs is een salige siele overmits tegenwoerdicheit 13 [14] der gracien Gods scoen ende suverlic verciert mit doech- [15] den, mer overmits afscheidinge der gracien wort si lelick [16] ende mysmaect. [17] Ende dit geschiet, om-dat die siele overmits blinder on- [18] wetenheit niet en merct hoer edelheit, daer si boven alle [19] sterflike creatueren mede verciert is. Want Origenus [20] seecht: Onwetenheit ende onbekentheit der sielen ist fon- [21] dament alre sunden. 4 wes van wie 7 scoente schoonheid 9 hi is of geweest hevet in sijnen leven hij moge bij zijn leven zijn of geweest zijn (wie hij wil) 13 overmits door

43 25 [22] Onbequaemheit ende mismaectheit des lichaems van buten 22 [23] en maect die siele niet onreyne, mer alleen die sunden. [24] Want die bruyt seecht in der mynnen boeck: En wilt my 24 [25] niet merken, dat ic van buten bleec ende bruyn ben, want 25 [26] die sonne die hevet my gedaen. 26 [27] Salich is hi van ons allen, die van buten bleec ende onge- 27 [28] daen is, ende van binnen scoen vermaelt. Mer wee hem, 28 [29] die van buten scoen verciert is ende van binnen seer mis- [30] maect. [31] Het sijn.ix. edelheit der sielen, met welken si verciert is. [32] Die ierste edelheit is, dat si niet gescapen en is nae ge- [33] likenisse der engelen of eniger andere creatueren, mer al- [34] leen nae den beelde Gods, als gescreven staet in der bi- [35] belen: God sprack: Laet ons maken den mensche totten [36] beelde ende onser gelikenisse. Ende hier-mede hevet hi [37] die siele geedelt ende verhoeget boven alle sterflike crea- 37 [38] tueren. [39] Mer leider, dit en heeft die mensche niet aen-gemerct, als 39 [40] David seecht in den salter: Doe die mensche in eeren 40 [41] was, en verstont hijs niet, mer hi is ghelijc geworden den 41 [42] onwijsen beesten: onredeliken ende beesteliken levende. [43] Mer nochtan en mach niement alsoe sundich ende bees- [44] telic sijn, sijn siele en blijft altoes een beelde der heiliger 44 [45] Drievoldicheit, mer overmits den sunden woerdet verduys- [46] tert ende mismaect in der sielen. [47] Salich is hi, die dat beelde Gods reyne ende onbevlect [48] bewaert hevet. 22 onbequaemheit afzichtelijkheid 24 in der mynnen boeck in het Hooglied 25 bleec vaal, mat 26 hevet my gedaen heeft mij dat aangedaan, veroorzaakt 27 ongedaen wanstaltig 28 scoen vermaelt fraai beschilderd, gekleurd 37 verhoeget verheven 39 leider helaas 40 salter psalterium, Boek der Psalmen 41 hijs hij het 44 sijn siele en blijft of zijn ziel blijft

44 26 [49] Die ander edelheit der sielen is hoer grote weerdicheit of 49 [50] costelicheit. Want hemel ende eerde ende al hoer cier- 50 [51] heit, ende alle die lichamen van der werelt, alle engelen, [52] ende dat lichaem der weerder moeder Gods sonder die [53] siele: ja, hondert-dusent lichamen Cristi sonder sijn god- [54] heit, en sijn niet alsoe weerdich noch soe duerbaer als een 54 [55] salige siele. Want God en is niet gestorven om die enge- [56] len, noch om die lichamen, mer alleen om die sielen te [57] verloesen. [58] Die siele is alsoe weerdich ende alsoe duerbaer ende van [59] Gode soe seer gemynt, al weert dat Cristus alsoe menich 59 [60] lichaem had als daer sterren sijn aen den hemel, die wolde [61] hi al geven in den doet, ende laten se alle-gader mishan- [62] delen, als hi eens mishandelt is: eer [hi] bi sijnre scholt 62 [63] een siele verloren bleve. [64] Die derde edelheit der sielen is dat op-scrift: als die hoge [65] coninclike tittel der godliker mynnen. Want God die Va- [66] der hevet den enigen Soen sijns vaderliken herten tot ons [67] gesant in een teiken over-groter mynnen, ende hevet hem 67 [68] ons gegeven tot enen verloeser. Ende die enige Soen Gods [69] hevet gelaten die negen ende negentich scape in den he- [70] melschen bergen, ende is gecomen in eertrijcke om weder [71] te sueken dat verloren scaepken des menscheliken ge- [72] slechts, ende hevet daer-om laten schoeren ende wonden 72 [73] sijn heilige lichaem, ende hevet geleden die pijn des cru- 49 weerdicheit waarde 50 costelicheit kostbaarheid cierheit heerlijkheid 54 weerdich waardevol duerbaer kostbaar 59 al weert dat Cristus..., die wolde hi al geven dat, indien Christus..., hij ze alle zou overleveren 62 bi door 67 in tot 72 schoeren verscheuren, verminken

45 27 [74] ces, om-dat hijt weder mocht bringen tot sijnen vaderli- 74 [75] ken erve, daert overmits haet ende nijt des viants van ver- 75 [76] dreven was. Wee der sielen, die ondancbaer ende ver- [77] getende is deser groter waeldaden. [78] Want oft geviel, dattet weer een edel ridder ende die hed 78 [79] een enige ghemynde dochter, ende die worde verwonnen [80] van sijnen vianden, ende sijn enige dochter worde hem [81] ontvuert ende worde ghesloten in enen donckeren kerker, [82] ende niement en mocht se verloesen. Ende het weer een 82 [83] mechtich rijc coninck, ende hed enen enigen lieven soen, [84] die dese ellendige gevangen dochter boven-maten mynden [85] ende begeerden se te hebben tot eenre bruyt, ende hem [86] quaem te-voeren hoer gevangenisse, ende hi woerde mit 86 [87] ontfermhertghen medoegen op hoer beweecht, ende hi liet [88] dat rijc sijns vaders ende alle eer ende dienst der knech- [89] ten ende waellust ende genuechten, ende hi neme op, si 89 [90] te verloesen. Ende hi quaem in sijnre viande lande, daer [91] sijn gemynde gevangen weer, ende hi begonde te strijden [92] mit sijnen vianden, ende hi verwonse ende verloeste aldus [93] sijn gemynde bruyt ende brecht se weder in sijns vader [94] lant. Mer eer hijse mocht verloesen, waert hi daer-om [95] doet-geslagen, ende waert weder levendich, ende toenden [96] hoer dan sijn wonden, vloiende van bloede, ende seecht [97] aldus tot hoer: Siet, al dit heb ic om di gedaen. Mer [98] onlange hier-nae, vergitse deser groter trouwen ende myn- 98 [99] nen, die hoer bewijst weer, ende gevet hoer weder-om mit 99 [100] liefden tot hoeren iersten gemynden wedersaken ende keer- 100 [101] den hoer aldus mit onwerden van des edelen conincs enige om-dat opdat 75 erve erfgoed 78 oft geviel, dattet weer er was eens 82 mocht se kon haar 86 te-voeren in de geest 89 neme op ondernam 98 onlange niet lang 99 gevet hoer begeeft zich 100 wedersaken tegenstander 101 onwerden minachting

46 28 [102] soen. En weer dit niet wael een alre-snoetste ende onsche- 102 [103] melste overspeelster? [104] Nu die edel siele, die daer is een bruyt ende een vrin- [105] dinne des enigen soen, die daer was gevangen in den ker- [106] ker der hellen ende gebonden mitten banden der ewiger [107] verdoemenissen, deser hevet ontfermt des conincs enige 107 [108] soen Jhesus Cristus, hoer gemynde bruygom, ende is ne- [109] der-gecomen uut sijns Vaders rijc in desen dael der on- [110] salicheit, in midden sijnre vianden, ende is van hem ge- [111] vangen ende mitten alre-swaersten ende schemelicste doet 111 [112] verdoemt. Ende aldus hevet hi sijn gevangen lieve bruyt [113] verloest mit sijnen bitteren doet, ende is weder levendich [114] gewoerden, ende heefse weder-gebracht tot hoere ierster [115] weerdicheit, ende toent hoer dan sijn wonden, vloiende [116] van bloede, ende seecht aldus dic tot hoer: Siet, al dit 116 [117] heb ic om dijnen wille gheleden uut bornender mynnen 117 [118] om di te verloesen van der ewiger verdoemenisse. Mer [119] leider, die onsalige siele, die niet aen-merken en wil dese [120] grote mynne, mer hoer afkeert mit onweerden van hoeren [121] gemynden brudegom, ende tot sijnre smaetheit hoer gieft 121 [122] tot mynnen sijn alre-wreetsten wedersaken: voerwaer, si [123] is onsalich ende seer te bewenen, die hoer aldus maect een [124] alre-vuylste ende onreynste overspeelsterse, die daer was 124 [125] een uutvercoren bruit Gods. [126] Hier-om, mijn alre-liefste, gi sijt, als sante Paulus [127] seecht, gecocht mit enen groten schat; glorificeert ende [128] draecht God in uwen herten. [129] Die vierde edelheit is, dat God den engelen bevolen he- [130] vet die siele te bewaren ende weder tot hem te brengen. 102 onschemelste zeer schaamteloze 107 deser hevet ontfermt over haar heeft zich ontfermd 111 schemelicste schandelijkste mitten... doet verdoemt tot de... dood veroordeeld 116 dic dikwijls 117 bornender brandende 121 smaetheit smaad hoer gieft zich begeeft 124 alre-vuylste allerlaagste

47 29 [131] Want als sante Bernaert seecht: Die nederste, dat is die [132] mensche, wort gebracht totten oversten, dat is tot God, [133] ende dat geschiet overmits den middelsten: als overmits 133 [134] den engelen. [135] Hier-om solden wi hem billics grote eer ende weerdicheit 135 [136] bewijsen: want si sien ons ende sijn bi ons in allen steden 136 [137] ende tijden, ende dienen ons, ende beschermen ons voer [138] die bedriegenisse der viande. Want weert, dat den keiser 138 [139] of den here van den lande bevolen weer ons te bewaren, [140] mit alre [ner] nernsticheit solden wi hem eer ende weer- [141] dicheit bewijsen. Voel te meer sullen wi eren onsen engel, [142] die hem verblijt als wi doechden doen ende hem bedroeft [143] als wi sundigen, als wi merken moegen bi enen exempel. [144] Het geviel op een tijt, dat een persoen, die niet en leefden [145] als enen ghetrouwen kersten toe-behoerden, sach enen su- 145 [146] verlicken jongelinc seer screien ende wenen. Ende hi vrae- [147] geden hem ende seide: Segt my, lieve jongelinc, wie gi [148] sijt ende waer-om du aldus seer weenst. Die jongelinc [149] antwoerde ende seide: Ic bin dijn engel, ende heb te be- [150] waren gehadt twe sielen, wan welken ic grote glorie ende 150 [151] eer gehadt ende vercregen heb. Mer nu, om-dat du di [152] onwijseliken regierst, soe bedroevestu my ende daer-om 152 [153] ween ic. Want ic ontsie, dat ic eer noch vroude van di 153 [154] ontfaen en sal. Dese persoen antwoerde ende seide: [155] Sijt gi mijn engel, soe en wilt niet meer wenen. Ende hi [156] maecten een cruis voer sijn hoeft ende custent, ende loef- 156 [157] den hem volcomeliken te beteren. Ende hi wandelden sijn 157 [158] leven ende waert een mynrebroeder, ende leefden alsoe, 133 als namelijk 135 billics vanzelfsprekend weerdicheit heilig ontzag 136 steden plaatsen 138 weert dat indien 145 toe-behoerden betaamde suverlicken schone 150 wan van 152 regierst gedraagt 153 ontsie vrees vroude vreugde 156 custent kuste het loefden beloofde 157 wandelden veranderde

48 30 [159] dat te hopen is, dat sijn engel groet eer van hem hebben [160] sal. [161] Hier-om laet ons nacht ende dach voer hem eerberliken [162] wanderen. Want het geschieden op een tijt, dat een devote 162 [163] jonfrouwe quam, niet lichaemliken mer in den geest, op [164] den dormter eens reguliers-cloesters. Ende si sach voer 164 [165] eens iegelics broeders slaepstede staen een engel mit enen [166] suverliken claren aensicht, die mit alre vlijt ende sorch- [167] voldicheit sijn broeder bewaerden; mer bi der slaepstede 167 [168] des prioers sach si twe engelen staen, die hem bewaerden. [169] Want een iegelick hevet enen engel, mer die-gene, die [170] macht ende regement hebben, dien sijn twe engelen ge- [171] set te bewaren. [172] Nu, mijn alre-liefste, ist dat wi begeren, dat ons engelen [173] stadeliken bi ons sijn, soe laet ons sorchvoldeliken wan- 173 [174] deren, op-dat wi hoer mynlike aensicht niet en vertoernen. [175] Want voerwaer, si sijn suverliken van aensicht ende heb- [176] ben alte suete namen. Want gelijc dat der quader namen 176 [177] verveerlick ende wreet sijn, alsoe sijn oec der gueder en- 177 [178] gelen namen suet ende genoechgelicken. [179] Die vijfde edelheit der sielen is, dat hoer God sijnen eni- [180] gen uutvercoren lieven Soen hevet gegheven tot eenre spij- [181] sen ende tot enen drancke. Want alsoe edel ende ver- 181 [182] weent is die edel siele, ist dat men hoer vraecht, of si eten [183] wil roggen-broet of terwen-broet, si seecht: Neen, mer [184] si wil vleis eten. Vraeget men hoer, of si eten wil ossen- [185] vleis, versche lams-vleis of hoenre-vleisken, si seecht: [186] Neen. Ende wat sal dan eten dese verweende? Ende si 162 wanderen wandelen een devote jonfrouwe (nl. de H. Lidwina van Schiedam) 164 dormter dormitorium, gang waarop de cellen uitkomen 167 bewaerden bewaakte 173 stadeliken gestadig 176 alte zeer 177 wreet verschrikkelijk 181 verweent kieskeurig, veeleisend

49 31 [187] seecht: Ic wil eten dat vleische des reynen, onbevlecten [188] ende onnoeselen lemkens Jhesus. Ende niet een deel [189] daer-van, mer geheel ende al wil si hem op-eten. O, wie 189 [190] verweent is mijn siele, hoe verweent is si, die niet en wil [191] ghespijst wesen dan van desen sueten ende alre-edelsten [192] voetsel. [193] Ende wat sal nu dit saerte edel sielken drincken: mal- 193 [194] mesie, romenye, luterdranck of edelen sueten rijnschen 194 [195] wijn? Ende si seecht: Neen, mer den sueten balsem des [196] weerdigen duerbaren bloets, den dat suete lemken om mij- [197] nen wille soe mildeliken gestort hevet, wil ic drincken. [198] Wee der sielen, die dese edel spijse ende dranck onweer- [199] deliken etet ende drinckt, want het weer hem beter.vij m. 199 [200] duvelen tontfangen dan met eenre doetliker sunden te gaen [201] totten heiligen Sacrament. Want alsoe voel gracien ende [202] genaden als si ontfangen, die daer weerdeliken toe-gaen, [203] alsoe voel verdoemenissen verdienen si, diet onweerdeliken [204] ontfangen. O barmhertige God, wat onrechts lij-di al [205] van Adams kijnderen! Och, ondancber siel, waer-om ver- 205 [206] metestu-di te gaen tot desen heiligen Sacrament mit eenre [207] bevlecter consciencien? En weetstu niet, dat die-ghene, den [208] du ontfanges, is coninc der coningen ende here der heren? [209] Daer die heilige Johannes Baptista voer beefden, doe hi [210] hem rueren solde, ende den Petrus, die prince der apos- 210 [211] telen, badt, dat hi van hem ginc, seggende: Here, ganc 211 [212] van my, want ic bin een sunder. Aensiet, du ondancbaer [213] siele, wie hi is ende wat hi voer di geleden hevet. Want [214] hi is des ewigen hemelschen Vaders enigen Soen, ende is [215] om dinen wil gevangen, gebonden, ghegeiselt, geslagen 189 wie hoe 193 saerte teder malmesie malvezij (zoete wijn) 194 romenye romanie (zoete Spaanse wijn) luterdranck kruidenwijn 199 m.vij. zevenduizend 205 vermetestudi verstout gij u 210 rueren aanraken 211 ginc zou gaan

50 32 [216] ende seer gewont, over-al mit bloede beronnen, sijn heilige 216 [217] hoeft mit doernen gequetst, sijn aensicht mit bloede ende [218] mit spekel bevlect ende mit voel slagen gequelt, ende ten [219] lesten is hi om dijnen wille gestorven ende aen den cruce [220] vermoert. Ende noch en laetstu niet af, ondancbaer te we- [221] sen ende hem dagelix te vertoernen? Ende, dat noch [222] meerre is, du vermietes-di sijn heilige vleische te schoeren 222 [223] mit dijnen tanden, ende sijn heilige bloet te drincken, dat [224] daer af-wasschet die sunden der werelt? [225] Dat heilige Sacrament werct in den menschen in meniger- [226] hande manieren, mer nochtant van der tijt dat dat heilige [227] Sacrament ierst in-gesat waert, en hevet nie gewracht in 227 [228] den enen mensche als in den anderen. Want somige men- [229] schen, als sijt ontfangen, werden mit groter vroelicheit 229 [230] ende blijtscappen des herten ende claerheit des verstants [231] vervult, dat hem recht dunct, dat hoer herte ende siele is 231 [232] als een onbedwongen vloiende water. Ende si sien ende [233] bekennen die verborgen dingen des geloven claerlic, alsoe 233 [234] verre alst moegelic is in deser tijt. Ende si sijn in groter [235] sekerheit der hopen ende in groten brande godliker myn- [236] nen. Hier-tegen sijn somige anderen, die in der tijt mit [237] overgroten anxt ende plompheit des verstants en<de> 237 [238] haertheit des herten gequelt werden, dat hem recht dunct, 238 [239] dat die hemel is van stael ende die eerde van ijseren. Mer [240] die duet dat hi vermach, die en sal hier niet in bedroeft 240 [241] wesen, want dat hem nu ontogen wort, sal hem, als [242] hi van hier scheit, overvloedeliken gegeve[ve]n werden. [243] Want in den somer en kan men niet gemerken, wat orber beronnen belopen, overdekt 222 du vermietes-di gij verstout u schoeren verscheuren 227 in-gesat ingesteld en hevet nie gewracht heeft het nooit uitgewerkt 229 vroelicheit vreugde 231 dat hem recht dunct zodat het hun werkelijk voorkomt 233 bekennen leren kennen 237 plompheit botheid 238 haertheit dorheid 240 duet doet die en sal hier niet in bedroeft wesen die moet zich hierdoor niet van de wijs laten brengen 243 wat orber die bijkens doen wat de bijtjes uitvoeren

51 33 [244] die bijkens doen dan dat si onledich sijn ende vliegen [245] van den enen bloemken op dat ander ende stadeliken ar- [246] beiden. Mer inden winter, als si rusten, ende dat stroekaer 246 [247] af-gedaen wort, soe siet men dat honich in den was soe [248] suverlick ghewracht, dat den menschen lusten mach te 248 [249] sien. Aldus sal geschien desen haerden gelatenden men- 249 [250] schen, die vliteliken arbeiden om salicheit hoere sielen, en [251] de nochtant den honich der devocien niet en crijgen. Want [252] wanneer si af-legghen dat stroekorfken des lichaems, soe [253] sal men sien wat dat bijken gevordert hevet. Want dan 253 [254] sal die siel mit overvloediger sueticheit bestort werden, die [255] hoer hier in der tijt ontogen wort, ende nochtan niet af en [256] laet neernsteliken te arbeiden. [257] Die sesde edelheit is, dat gheen dinck die siel versaden en [258] mach dan God alleen. Want die groetheit des hemels ende [259] die breitheit der werelt ende al hoer cierheit ende glorie [260] en moegen niet versaden die menschelike siele. Al enge- [261] len, al heiligen ende die gloriose moeder Gods, altoes [262] jonfrouwe Maria, Cristus lichaem sonder sijn godheit, en [263] moegen niet versaden die edel siele, mer God in sijnre [264] godheit is die versader der sielen. [265] Die alweldige ewige moegentheit des Vaders, die onge- 265 [266] scapen wijsheit sijns enigen Soens, ende die oneyndelike [267] guetheit hoerre beider heilige Geest: dese moegen vol- [268] comelic versaden die verweende siele. [269] Die sevende edelheit is, dat God alleen die siele besitten [270] mach. Want menigerhande forme ende beelden mach die 270 [271] siele in hoer ontfangen, mer van ghenen en mach si bese- 246 stroekaer strooien korf 248 suverlick fraai 249 haerden gevoelloze, dorre gelatenden geduldige 253 gevordert uitgevoerd, verricht 265 alweldige almachtige moegentheit majesteit 270 mach kan

52 34 [272] ten werden dan van Gode alleen. Want die siele is een [273] geest, ende daer-om mach si alleen een geest besitten. [274] Ende nu is die engel een geest ende die duvel is oec een [275] geest, mer nochtan en moegen dese die siele niet besitten. [276] Ende al ist, dat den duvel somtijt van Gode verhenget 276 [277] wort den menschen te besitten, nochtan wort hem alle [278] macht in der sielen verboden: als wi lesen van Job, dat [279] God gehengeden den duvel Jobs lichaem te quellen ende 279 [280] sijne guet te verderven, mer sijnre sielen en moest hi niet [281] deren. Ende al weert, dat die mensche beseten weer mit [282] dusent duvelen, si en mochten die siele niet besitten noch [283] quellen. Mer een doetsunde hevet meerre macht in der [284] sielen dan dusent duvelen. Want die duvelen en moegen [285] die siel niet verdoemen, mer sie woert daer-van gereinicht 285 [286] overmits der pijnen, die si den lichaem aen-doen. Mer van [287] alsulker macht is een doetlike sunde, dat si siel ende li- [288] chaem mach verderven ende brengen se totter ewiger ver- [289] doemenisse. [290] Ende nu, want die siele een geest is ende niet dan van [291] den geest beseten en mach werden, soe ist kenlic ende 291 [292] openbaer, dat si alleen God besitten mach, die si gescha- [293] pen hevet, die daer is een ewich geest ende eenvoldich 293 [294] sympel wesen. Ende wie die siele bloeter ende onbecom- 294 [295] merder is van alre tijtlicheit ende sienliker genuechten, hoe 295 [296] si van Gode edeliker beseten mach werden, ende wie si die 296 [297] suete tegenwoerdicheit Gods claerliker gevoelt, ende van [298] sijnre sueticheit <ende> overvloedicheit der gracien som- [299] tijt niet en acht op die crancheit des lichaems verhenget toegelaten 279 gehengeden toestond 285 daervan daardoor (door die bezetenheid) 291 kenlic ende openbaer begrijpelijk en duidelijk 293 eenvoldich sympel wesen enkelvoudig ondeelbaar wezen 294 wie naarmate onbecommerder minder gehinderd 295 sienliker = sinliker 296 edeliker voortreffelijker, volmaakter wie hoe 299 crancheit zwakheid

53 35 [300] Want die siele is die vrouwe des lichaems, ende dat li- 300 [301] chame is die dienst-maget der sielen. Ende Jhesus gewer- [302] dicht hem te wesen een gast der sielen, mit hoer te wer- 302 [303] scappen, als hi seecht in Apocalipsi: Ic stae voer der [304] doeren ende clop; weer yement die my in-liet, tot dien wil 304 [305] ic in-gaen ende eten mijn aventmael mit hem. Ende als [306] dan Jhesus coemt totter sielen, soe brenget hi overvloedige [307] gracie ende gaven mit hem, soe-dat die verweende siele 307 [308] van sijnre tegenwoerdicheit droncken wort ende soe mylde, 308 [309] dat si en kan behalden. Want als die gasten die weer- 309 [310] dinne droncken moegen maken, dan gieft si kese ende bo- 310 [311] ter te-voeren, ende al dat besloten was brenget si voert. 311 [312] Mer der dienst-maghet en acht si niet, want si is soe blijde, [313] dat si niet ghedenct, al is si droncken van wijn, dat hoer [314] maget nochtan nuchteren is. Aldus ist oec mitter sielen: [315] als Jhesus tegenwoerdich is ende si mit sijnre sueticheit [316] overstort wort, soe vergit si des lichaems, ende wil grote [317] werken der doechden doen: als vasten, waken ende ander [318] penitencie aen-nemen, ende en merct niet, al is si een on- 318 [319] sterflick subtijl geest ende van der overster ingeistinge 319 [320] enen groten gueden wille ontfangen mach, dat dat li- [321] chaem sterfliken ende cranc is ende gemaect van grover [322] ende swaere materien ende hoer in allen niet en kan ge- [323] volghen, ende si uutrect die crachten hoers lichaems dic- [324] wijl boven sijn macht; ende wanttet hoer niet en mach [325] volghen, soe moet si hoer weder geven te volghen der 325 [326] noettrofticheit hoers lichaems. Aldus geschiedent sante 300 vrouwe meesteres 302 te werscappen maaltijd te houden 304 weer yement als er iemand is 307 verweende vertroetelde 308 soe mylde zó vrijgevig 309 dat si en kan behalden dat zij geen maat weet te houden 310 gieft si... te-voeren haalt zij voor de dag 311 voert te voorschijn 318 en merct niet, al is si slaat er geen acht op, dat, al is zij(zelf) 319 subtijl onstoffelijk van der overster ingeistinge door de hemelse ingeving 325 hoer weder geven zich opnieuw voegen

54 36 [327] Peter, doe hi was mit Jhesus ende mit sinte Johan ende [328] sante Jacob opten berch van Tabor, ende Jhesus voer [329] hem over-geformt waert, soe-dat sijn aensicht blinckten als 329 [330] die sonne ende sijn cleider wit waren als snee: want die [331] claerheit der gotheit waert gestort in die overste crachten [332] der sielen, ende van den oversten crachten in die nederste [333] crachten ende voert in die lichaemliken crachten, ende doe [334] en mocht die claerheit niet verborgen blijven: si en dranck [335] doer sijne lichame, ende soe voert doer sijn cleider. Ende [336] van den liecht-blinckenden claren schijn waren die aposte- [337] len verveert, ende vielen neder op die eerde in hoer aen- [338] sicht. Ende doe si op-stonden van der eerden, was Petrus [339] droncken van deser nyer vrouden ende blijtscappen, als 339 [340] hi oec hier te-voeren was, doe hi seide: Here, hier is ons [341] guet wesen; laet ons hier, oftu wilst,.iij. tabernakelen ma- 341 [342] ken: di een, Moyses een ende Helyas een. Ende vergat [343] sijnre gesellen, die bi hem waren, ende sijns brueders [344] Andries, die beneden den berch was; hi en gedacht sijns [345] selfs niet van groter dronckenscap. Ende al was hi doe [346] gheleit in den hoegen berge ende sach die glorie des Soens [347] Gods ende hoerden die vaderlike stemme, nochtan moest [348] hi neder-dalen ende geven hem tot menscheliken dingen [349] te hantieren. [350] Die achtende edelheit der sielen is voelheit der heren, die [351] hoer tegen sullen comen, als si uut den lichame scheiden [352] sal. Want ist sake, dat een here van den lande, die sijn 352 [353] dochter enen sterfliken brudegom te-huys bringen wil, ver- [354] gadert sijn ridders ende edellingen, om-dat hi se mit gro- 354 [355] ter vrouden ende mit groter geselschap overbrengen mach: 329 over-geformt van gedaante veranderd 339 nyer vrouden pas genoten vreugde 341 oftu wilst als gij wilt 352 ist sake dat indien 354 om-dat opdat

55 37 [356] mit wat geselscap, waendi, sal dan die hemelsche coninc 356 [357] sijn uutvercoren dochter ende lieve bruyt van hier laten [358] halen ende tot hem bringen? Want die hoer tegen-comen [359] sullen, der en sal niet wesen een of twe, mer ontelliken [360] voel, ende sullen si ontfangen in hoer geselscap ende bren- [361] gen se met vrouden in den hemelschen hof. [362] Want in den rijck der hemelen sijn voel woeningen, als [363] Jhesus seide tot sijnen apostelen: In mijns Vaders huys [364] sijn voel woningen. Welker woningen scoenheit onse [365] grove verstant niet begripen en mach sonder gelikenisse [366] deser sienliker dingen. Ende alsoe wi weten, dat in eens 366 [367] bisscops hof is een cappel, daer men in singt ende den 367 [368] dienst Gods in oeffent, ende een voersael, daer die heren [369] mitten altsten ende eerbersten van den hove hem in plegen [370] te vermaken ende vroelick te wesen; een raet-camer, daer [371] men die grote saken in pleecht te vercallen; een wijn- 371 [372] kelre, daer alle genuechheit van dranck in is; een eet- 372 [373] camer, daer men in weerschapt ende hoveert; een prieel, 373 [374] daer men onder die bloemen ende wijngaerden bi den ro- [375] sen ende lelien sueteliken verblijt; een slaepcamer, daer [376] men in danst ende singet ende vroelic in is: aldus, mijn [377] alre-liefste, was in den hemelschen hove. [378] Ten iersten was daer een cappel, in welken die engelen [379] songen ende God loefden mit blijden stemmen. Want op [380] den heiligen kersnacht, doe Cristus Jhesus, ghesontmaker [381] der werelt, gheboren waert, doe was vroude ende blijt- [382] scap in den hemel ende in der eerden: want die engelen [383] songen, ende die heerdekens sprongen, Maria had vol- 383 [384] hertelike blijtscap ende dat kijndeken screiden, liggende [385] in der cribben, ende die engelen songen mit hogen love: 356 waendi denkt ge 366 sienliker zichtbare 367 hof paleis 371 vercallen bespreken 372 genuechheit overvloed 373 weerschapt ende hoveert maaltijd houdt en feest viert 383 had volhertelike blijtscap jubelde

56 38 [386] Glorie si Gode in den oversten, ende in der eerden vrede [387] den menschen van gueden willen. Ende waren si doe soe [388] blide, doe God, hoer schepper, hem soe seer vernedert [389] had: voel te meer loven si hem nu mit volherteliker blijt- [390] scappen, nu si sien sijn hoge godheit, verenicht mitter [391] menscheit, verheven boven alle hemelen, segghende mit [392] sueter stemmen: Heilich, heilich, heilich, Here God der [393] princen; vol sijn die hemelen ende die eerde dijnre glo- [394] rien. [395] In den voersael waren die wanden ende sitten mit schoe- 395 [396] nen cleideren suverliken verciert. Ende daer sat onse Here [397] Jhesu in onsprekeliker vrouden met sijnen lieven vrienden: [398] als met Abraham, Isaac ende Jacob, ende mit al den an- [399] deren alden saechtmoedigen patriarcken, die die engelen [400] somwilen in menschen-gelike ter herberghen ontfingen; 400 [401] ende hoer blijtscap was ondenckelicken groet, want die [402] tijt was gecomen, daer Jhesus van seide totten Joden: [403] Abraham verblijden hem, dat hi mijnen dach sien solde, [404] ende hi heeften gesien ende is verblijt. 404 [405] In die raet-camer sat Jhesus als een geweeldich richter 405 [406] mitten apostelen, als mit sijnen borgemeisters, schepen en- [407] de raet, die bi hem saten als die wijsten ende oversten [408] van den hove, ende als die-ghene, die dat ordel mit hem [409] gheven; ende niet en duet hi sonder hoeren raet, want doe 409 [410] hi met hem was in der werelt, loefden hi hem ende seide: 410 [411] Ghi, die my gevolget sijt, in der andere gheboerten, als [412] die soen des menschen sitten sal opten stuel sijnre moe- [413] gentheit, dan sul-di oec sitten op die.xij. stuelen, ende [414] ordelen die.xij. geslechten van Israhel ende die quaden [415] totter ewiger pijnen. Daer in den raet waert geseecht, wie 395 sitten zetels 400 menschen-gelike mensengedaante 404 heeften heeft hem 405 geweeldich machtig 409 niet niets 410 loefden beloofde

57 39 [416] si waren, die om hoere gueder werken wil ter blijtscappen [417] ontfangen solden werden, ende wie om sijnre boesheit [418] buten-gesloten solden werden. Oec waert daer in den raet [419] geseecht ende uutgesat, wat heren ende princen die landen 419 [420] ende steden regieren sullen, ende wat pateren ende mate- [421] ren die cloesteren ende conventen regieren sullen. Ende [422] tot deser groter eren en heeft hi niet alleen vercoren die [423] apostelen, mer oec alle die-ghene, die ghelijc den aposte- [424] len om sijnen wil alle dinc gelaten hebben ende hem naect 424 [425] ende bloet in reynre williger armoeden, in versmadenisse [426] ende in laster deser werelt gevolget sijn: dese sullen sijn [427] sentencie prysen ende vestighen. Dit voersach David, doe 427 [428] hi seide uutten heiligen Gheest: Wie is als onse Here [429] God, die in den hoghen woent ende oetmoedighe dingen [430] aensiet in den hemel ende in der eerden, weckende van 430 [431] der eerden den behoevigen ende van den stubbe op-richten 431 [432] hi den armen, op-dat hi se setten mitten vorsten ende mit- [433] ten princen sijns volcks, dat is mitten apostelen. O kin- [434] der, tot hoe hoegen staet sijn dese ongeachde versmade [435] menschen verheven, dat si, die vreisen mochten selven ge- [436] ordelt te werden, gheworden sijn bisitters ende raets-heren [437] des richters, ordelers ende sentencie-ghevers over ander [438] menschen. [439] In den wijnkelre, daer verblijden hem met Jhesus die ver- [440] beydende propheten, die mit groten dorst nae sijnre toe- 440 [441] coemst lange gewacht hadden, ende nu droncken se over- [442] vloedeliken uut vollen gatelen of toyten den alren-suetsten 442 [443] dranck: als malmesie, romenye, luterdrancke, edelen sue- [444] ten rijnschen wijn, die als een overvloeiende vloeit neder- [445] storten uut sijnen godliken aensicht op hem. Want Jhesus 419 geseecht ende uutgesat besproken en vastgesteld 424 gelaten verlaten 427 vestighen bevestigen 430 weckende opheffende 431 stubbe stof 440 toecoemst komst 442 gatelen of toyten kruiken (?) of kannen

58 40 [446] was selve die schencker ende die dranck, van welken si [447] overvloedeliken droncken worden; want dien si lange be- [448] gheert hadden, die was hem nu overvloedeliken gegeven. [449] O mit wie groten verlangen hadden sy sijnre verwacht, [450] ende mit groter begeerten gheroepen: Here, schoert den [451] hemel ende coemt hier-neder. Ende wat is hem gheant- [452] woert dan: Verbeit. Ende weder: Verbeit; dusent, [453] twe-dusent jaer, drie-dusent. Ende ten lesten is hi geco- [454] men ende heeft hoer begeerten vervolt, ende mit sijnre [455] tegenwoerdicheit heeft hijse sueteliken verblijt. [456] In die eet-camer, daer waren mit Jhesus die vermoeyde [457] martelers: als die ridder sante Joris, die ghesteynde Stef- [458] fanus ende die ghebraden Laurencius mit al hoeren lieven [459] gesellen, die mit honger ende dorst ende mit voel tor- [460] menten om sijnen wil menichsins waren gequelt, ende hoer [461] bloet blijdeliken gestort. Ende dese woerden overvloede- [462] liken versaedt van der alre-suetster spijsen, welke mijn [463] Here Jhesus selve was, ende si aten ende droncken mit [464] vollen monde; ende nummeer en werden si soe versaedt, [465] hem en hongert ende dorst altoes meer ende meer nae de- 465 [466] ser sueter spijsen ende dranc: van welken dranc si dron- [467] cken werden ende onsprekeliken verblijt, altoes hongerich [468] ende dorstich, ende altoes versaedt; want daer brustmen 468 [469] ende brastmen, daer werscaptmen ende hoveert men son- 469 [470] der onderlaet. Jhesus was daer kock ende krouwel, op- 470 [471] geschort ende voer-bi-lijdende dienden hi hem, ende si 471 [472] verblijden voer hem in onbegripeliker vrouden. Want een [473] iegelic verblijden hem van eens anders blijtscap als van [474] sijns selfs, ende hoer alre blijtscap is eens iegelics bi-sun- [475] derlinge, ende eens iegelics bi-sonder is hoere alre gemey- 465 hem en hongert ende dorst of zij hebben honger en dorst 468 brustmen slempt men 469 hoveert men viert men feest sonder onderlaet zonder ophouden 470 krouwel vleeshaak, vork 471 voer-bi-lijdende voorbijgaande, langsgaande

59 41 [476] ne, ende hier-om en mach si nummermeer vermynren noch [477] eynden. Want sante Bernaert seecht: Dat loen der hei- [478] ligen is soe groet, dat mens niet meten en mach; het is soe 478 [479] voel, datmens niet tellen en mach; het is soe overvloedich, [480] dattet nummermeer eynde nemen en mach ; ende soe cos- [481] telick, dat men daer niet tegen weerdighen en mach. 481 [482] In den prieel, daer was Jhesus onder schonen bomen ende [483] wijngaerden bi den alre-suetsten rosen ende lelien, ende [484] met hem in groter vrouden die saligen doctoren ende con- [485] fessoren: als Gregorius, Ambrosius, Augustinus, Jheroni- [486] mus ende Anthonius met al hoeren lieven geselscap, Fran- [487] ciscus met sijnen broederen, Benedictus ende Bernardus [488] met hoeren broederen, Clara mit hoeren claren ende Ely- 488 [489] zabeth met hoeren susteren. Ende voert al die-ghene, die [490] mitten sweerde niet ghedoet en sijn, mer met menigher [491] sware abstinencien des vastens ende des wakens hem sel- [492] ven gemartelijt hebben, ende oec die-ghene, die nuwelin- 492 [493] ge gestorven sijn, dien met langer quellinghe ende swaren 493 [494] siecheiden hoer vleis verteert was ende hoer bloet ver- 494 [495] droecht, ende met voel tribulacien seer gedruct worden [496] ende met groter gedoechsamheit die tijt der doet ende hoer 496 [497] verloesinge verbeit hadden. Dese worden van Jhesus sue- [498] teliken getroest ende verblijt. [499] Ende doe hi al dese dingen gesien hadde, doe en had hi 499 [500] noch dat choer der meechden niet gesien, ende hi sach al [501] om ende om ende en sach des nerghent. Ende hem ver- 478 dat mens dat men het 481 dat men daer niet tegen weerdighen en mach dat men er niets mee kan vergelijken 488 claren Clarissen 492 nuwelinge onlangs 493 dien... hoer vleis wier vlees 494 siecheiden ziekten 496 gedoechsamheit lijdzaamheid 499 hi (nl. Brugman ; van hier af aan schijnt de weergave van de preek beknopter te worden)

60 42 [502] wonderden alte seer, dat si ghelijc den anderen gheen sun- 502 [503] derlinge sael en hadden, want hi haddese sien gaen dan- [504] sen ende singen mitten doctoren ende confessoren. Ende [505] hi vragedens. Ende doe hi dit gedacht ende gevraecht 505 [506] had, doe soe hoerden hi van veer een alte sueten geluyt [507] van snaren-herpen ende seiden-spoel ende suete stemmen 507 [508] van lusteliken sange, ende hem verwonderden wat dit we- [509] sen mocht. Ende hi quam daer naere, alsoe dat hi sach 509 [510] een alte suverlicken slaepcamer, blinckende van golde, mit [511] versierden bedden ende schone gordynen. Ende hi sach, [512] hoe dat hier die gemynden sueteliken gevoet worden on- [513] der die lelien, als onder den meechden, welken waren [514] Maria, Katherina, Agnes, Aghata, Ursula, Cecilia, Lu- [515] cia, Petronilla ende al hoer lieve gesellen, ende die alle [516] eertsche mynres ende sterflike bruydegom om Jhesus wil 516 [517] versmaet hebben, ende daer-om gebruyken si nu sijnre 517 [518] sueter mynnen ende sijns cuysschen omhelsens ende songen [519] alte sueteliken: Mijn gemynde my ende ic hem, die ge- 519 [520] voet woert onder die lelien. Al hier was vroude ende [521] blijtscap onghemeten, want hier sangemen, hier sprange- [522] men, hier danstemen ende bancketmen, ende hier was ghe- 522 [523] luyt van sueten melodien. Ende onse Here Jhesus Cristus, [524] als een gesiert ende gemynt bruygom, leiden daer den 524 [525] danse mitter bruyt, sijnre liever moeder, ende al die an- [526] deren volgeden hem ende songen mit blijden ende claren [527] stemmen: Jhesus, croen der meechden, dien die moeder ontfangen heeft, [530] die alleen jonfrouwe baerden: sunderlinge afzonderlijke 505 vragedens vroeg het, vroeg er naar 507 seiden-spoel snarenspel 509 naere nader 516 mynres minnaars 517 gebruyken genieten 519 my aan mij 522 bancketmen speelde men 524 gesiert schoon 530 jonfrouwe als maagd

61 43 ontfanct guedertierlicke dese begeerlike loven. 531 Die daer waertste gevoedt onder die lelien, omringet mit dansen der joncfrouwen; du versierste die bruyten mit glorien, [535] ende weder-gheves den bruygom lof. Soe waer du heyne-gaeste, daer volghen di 536 die jonfrouwen, ende mit love loepen si di nae, al singende, ende gheven gheluyt mit sueten sanghe. [540] Hier-in mocht hi sien, mer niet in-gaen, wan si en ontfan- 540 [541] gen niement in hoer geselscap, dan die hem gelijc sijn. [542] Die negende edelheit der sielen is die, dat gheen creatuer [543] en is, die siel en hevet deel ende gelijcheit daer-mede. 543 [544] Want si heeft wesen mitten steenen, leven mitten boe- 544 [545] men, ende gevoelen mitten beesten, reden ende verstant [546] mitten engelen. [547] Welke verstant salichliken te gebruken ons verlenen moet [548] Jhesus Cristus, die daer is een schepper der engelen ende [549] alre creatueren. [550] Deo gracias. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 147 r -161 r ) 531 begeerlike loven innige lofzangen 536 soe waer du heynegaeste alwaar gij henengaat 540 wan = want 543 die siel en hevet of de ziel heeft 544 wesen zijn, bestaan

62 44 5 [1] Hier begint Brugmans collacie [2] van den weerdighen heiligen Sacrament 2 [3] Dit is mijn sciencia tema, als die heilighe apostel Pauwels 3 [4] scrijft totten volke ende den heren van Chorinten: Neme, [5] tast toe ende etet. [6] Ic heb in mijnen synne oversien die heilige scriftueren, te [7] hoep getoghen ende in-een vergadert. Ambrosius, op dese [8] woerde des apostels, Nemt, tast toe, etet dat: Soe merct [9] die hoge almechticheit, die ongemeten moegentheit ende 9 [10] die oneyndelike mynne ende lieflike guedertierenheit des- [11] gheens, die ons noet tot sijnre heiliger werscap. In-deen 11 [12] dat hi seecht, Tast toe: daer-in bewijst hi ons sijn libera- 12 [13] licheit of mildicheit; Etet: daer-in bewijsde hi ons sijn 13 [14] inrelike, lieflike, toeneigelike begheerte tot ons; <Etet:> 14 [15] daer-in bewijsde hi die salicheit der-gheenre, die dat ont- [16] fangen. [17] Men vint in al den scriftueren, hoe dat die grote coningen 17 [18] ende mechtighen heren deser werelt hoer kinder plegen te [19] laten te tuychtigen ende te leren in eerbarighen sedebar- 19 [20] heit, hoe dat si hem hebben solden in hoeren seden ende 20 [21] gelaet, bi namen aen der tafelen, ende in eerweerdiger re- 21 [22] verencien toe hoeren alderen: op-dat si, overmits der 22 2 weerdighen kostbaar, edel 3 sciencia tema? (Waarschijnlijk verkeerd verstaan en opgetekend of overgeschreven) 9 moegentheit majesteit 11 noet uitnodigt werscap maaltijd 12 tast toe = nemt 13 etet = tast toe 14 inrelike innige toeneigelike nederbuigende 17 al den = alden oude 19 te laten te tuychtigen ende te leren (aan anderen) over te laten om opgevoed en onderwezen te worden eerbarighen sedebarheit welgemanierde bescheidenheid 20 hem hebben zich gedragen 21 bi namen vooral eerweerdiger eerbiedige 22 alderen meerderen overmits der tuyc<h>ticheit ter oorzake van de wellevendheid

63 45 [23] tuyc<h>ticheit ende sedebaerheit hoere kijnder, bekant [24] werden over al die werelt, ende hoer glorie ende eer des [25] te meerre werde, ende hoer geruycht gebreidt wijde ende 25 [26] verre. Hier-om hielden si bi hem ridders ende baroenen, [27] den si hoeren wil hier-in gaven te verstaen, op-dat si hoe- [28] ren kinderen solden leren tuycht <ende> sedebaerheit nae [29] den wille ende begeerten hoers herten. [30] Aldus soe hevet die almechtige God <gedaen>, die een co- [31] ninc ende een here is al der werelt, die ons onbecant was [32] in sijnre godliker ewicheit, ende ons becant ghewoerden [33] is in aenneminge der menscheliker natueren, ende die ons 33 [34] gemynt hevet als een vader sijn lieve kinder, dat hi ons [35] openbaert in den woerden des propheten, die seecht: Ghi [36] sijt gode ende al kinder des alren-oversten: niet van na- 36 [37] tueren, mer van gracien. Op-dat dan sijn eer gebreidt [38] werde in hemel ende in eerden, soe heeft hi ons geset vijf 38 [39] tuycht-meesters: als die lieflike heilige apostel Paulus en- 39 [40] de die heilige ewangelisten, sijn gesellen. [41] Nu tot deser tijt soe tuychtich <t> ons die heilige apostel [42] Paulus mitten woerden, daer ic mede began: Neemt, tast [43] toe ende etet. Merct wat dat is, dat ghi ontfanct in den [44] heiligen Sacrament. [45] In den heiligen Sacrament ontfanct ghi vijf stucken. [46] Dat ierste stucke is dat Woert, datter aen-nam een vrem- [47] de natuer, dat is die menschelike natuer; want hi nam [48] aen, dat hi niet en was, ende hi bleef dat hi was. [49] Dat ander was die gescapen siel, die die hemelsche Va- [50] der sande in die persoenlicheit Jhesu Cristi. 50 [51] Dat derde is dat uutgestorte bloet, dat daer af-wasschet [52] die sunden der werelt. [53] Dat vierde is dat verresen geclarificeerde lichaem Cristi. 25 geruycht faam gebreidt verbreid 33 in aenneminge door aan te nemen 36 alren-oversten allerhoogsten 38 ons geset over ons aangesteld 39 tuycht-meesters opvoeders als namelijk 50 sande zond, stortte

64 46 Dat vijfde is die eenvoldige menscheit, geeinicht der ho- [55] ger Drievoldicheit. [56] Dat Woert ontfangen wi ende al die verdienten van der 56 [57] tijt dat hi ontfangen waert in sijnre moeder lichaem, totter [58] tijt dat hi van Yudas verraden was. [59] Die gescapen siel Cristi ontfangen wi van der tijt dat hi [60] verraden waert, totter tijt dat hi sprac, hangende in den [61] cruce: O mijn hemelsche Vader, vergeeft hem, want si [62] en weten niet wat si doen. [63] Dat uutgestorte bloet ontfangen wi van der tijt <...>, tot- [64] dat hi van den cruce gedaen waert ende begraven waert. [65] Dat geclarificeerde lichaem ons Heren ontfangen wi van [66] der tijt dat hi verrees, tot sijnre hemelvaert toe. [67] Die sympel eenvoldige menscheit Jhesu Cristi, der hoger [68] Drievoldicheit geenicht, ontfangen wi van dat hi te he- [69] mel voer ende sit totter rechterhant sijns Vaders in onbe- [70] gripeliker claerheit ende glorien. [71] Mijn alre-liefste vriende ons lieven Heren, ic seg u dit [72] mitten cortsten, want ic hope, dat ghijt redelic wael ver- 72 [73] staet. Mer want ons aldus edelen ende groten gerichte [74] voer-geset werden, soe hoert ons toe, dat wi mit alre 74 [75] tuychtiger sedebaerheit ende mit alte groter, weerdiger, 75 [76] ontfruchteliker reverencien toe-tasten. 76 [77] Siet, mijn alre-liefste vriende, wi sullen toe-tasten mit drien [78] punten. [79] Ten iersten sullen wi toe-tasten mit druck der penitencien, 79 [80] ende dese penitencie is tweerleye. Die een is een werclike verdienten verdiensten 72 mitten cortsten zo kort mogelijk 74 hoert ons toe betaamt ons 75 tuychtiger sedebaerheit gepaste ingetogenheid alte zeer 76 ontfruchteliker = ende fruchteliker en schroomvallige 79 druck bedruktheid 80 werclike die in een daad bestaat (actualis)

65 47 [81] penitencie, ende dese sal cort ende bescheiden wesen, licht 81 [82] ende henegaende, als u pater seecht: Leest dat of duet 82 [83] dat. Die ander is een hebbelike penitencie, ende dese sal 83 [84] altoes duerende wesen, dat is: een stedige wemoedighe 84 [85] overdencken der sunden, uut welken overdencken voertco- [86] men die wateren der rouwiger tranen, daer die prophete 86 [87] af seit in den psalm: Ic sal alle nacht mijn bedde was- 87 [88] schen mit mijnen tranen. Want dat is een teiken der [89] vrintschap, dat men alle-wege beken, dat men den vrint 89 [90] vertoernt heeft, ende dat men daer-om hertelic bedroeft [91] si. Mer, mijn alre-liefste vriende, dat gevalt dic, dat me- 91 [92] nich guet mensche sijn sunden biecht daer-om, op-dat hi 92 [93] der drucklicheit ledich werde; mer daer-om en sal men [94] niet biechten, mer om gehoersamheit der heiliger Kerken. 94 [95] Ten anderen mael sullen wi toe-tasten mit haete der sun- [96] den. Die meisteren van der natueren spreken: Dat edel 96 [97] herte haet sijnen viant, soe dattet noch vrinscappen noch [98] geselscap noch sprake mit hem en wilt hebben. Nu, een [99] recht edel herte, dat God sijnen Here lief-hevet, dat haet [100] die sunden als sijnen doet-viant, want die sunde hevet ons [101] beroeft van onsen lieven vader, dat is God onsen scepper, [102] ende van onser moeder, dat is ons lieve Vrouwe die moe- [103] der Gods, ende onser broederen, die hier mit ons pelgri- [104] magie hebben gegaen in deser ellenden ende nu totten va- [105] derlande der hemelscher glorien sijn gecomen, ende oec [106] onser susteren, dat sijn die hemelsche creatueren, dat sijn [107] die heilige engelen; ende al onse lieve vriende gedoet, dat bescheiden gematigd 82 henegaende bepaald, concreet pater biechtvader leest bidt 83 hebbelike die een gesteltenis is (habitualis) 84 stedige blijvende 86 rouwiger berouwvolle 87 af van 89 alle-wege in alle opzichten beken erkent 91 dic dikwijls 92 op-dat hi der drucklicheit ledich werde om van de benauwdheid verlost te worden 94 om gehoersamheit der uit gehoorzaamheid aan de 96 meisteren van der natueren kenners van de natuur (van de mens) 107 gedoet (de zonde heeft) gedood

66 48 [108] sijn die natuerlike crachten ende affeccien der sielen, ende 108 [109] beroeft van onsen vaderliken erve, dat is dat ewighe le- 109 [110] ven, ende naect neder-ghesant in den kerker dis onsaligen 110 [111] levens. Heeft ons dit die sunde gedaen, hebben wi dan [112] een edel herte, soe en sullen wi voertmeer gheen vrintscap 112 [113] noch sprake noch oec geselscap mit hem hebben, mer een [114] stedige ende een ewige viantscap. Mer nu is menich guet [115] kint, die overmits inseindinge des boesen geest lijt beco- 115 [116] ringe van onmenscheliken beelden ende duveliken inval, 116 [117] die daer-om in hem selven wort verscrickt, ende ontsiet 117 [118] sich te gaen totter tafelen des guedertierennen Heren, die [119] ons doch alsoe liefliken noedt tot sijnre werscap, spre- [120] kende: Neme, tast toe, ete dat. Mer daer-om en sal sich [121] niement af-halden noch vreemde maken van den heiligen 121 [122] Sacrament, al wie onmenschelic of duvelic ende wie boese 122 [123] dat die beelden sijn, of oec wie voel ende menichvoldich [124] dat si sijn: alsoe verre als die mensche in sijnen gemoede 124 [125] begrepen hevet, den sunden of suntlike beelden <n> um- 125 [126] mermeer te consenteren. Want het is den menschen on- [127] moegelic die haestige inval der gedachten te bedwingen, 127 [128] die gelijc den blixem des hemels gaen ende comen. Want [129] het schijnt moegeliker, dat die mensche opter eerden ston- [130] de ende hielde mit sijnen handen die firmament ende pla- [131] neten des hemels stil-staende van hoeren stedigen omloe- pen, [132] dat nochtant onmoegelic waer enighen creatuer, dan [133] dat die mensche sijn herte solde konnen bedwingen van [134] den in-valle der boeser beelden. Want die guedertieren [135] Here verhenget dicwile, dat sijn uutvercoren vriende mit crachten ende affeccien vermogen en neigingen 109 erve erfdeel 110 neder-ghesant in verwezen tot 112 voertmeer voortaan 115 inseindinge inblazing 116 onmenscheliken mensonterende, godslasterlijke inval invallende gedachte 117 ontsiet sich vreest 121 vreemde maken terugtrekken 122 al wie hoe... ook 124 alsoe verre als mits, indien 125 begrepen voorgenomen 127 haestige plotselinge 135 verhenget laat toe

67 49 [136] dusdanen becoringen boeser beelden vermoit ende geprueft 136 [137] werden, op-dat si nae der vermoeitheit des arbeits comen [138] totter rusten, ende nae den stride totten seghe der glorien. [139] Want niement en mach vechten, hi en heb enen strijt, en- 139 [140] de niemen en mach strijden, hi en heb enen camp, ende [141] niement en sal werden ghecroent, ten-si dat hi verwynne, [142] ende niement en mach in den dage sijnre croninge hoech- 142 [143] like geeert werden, ten-si dat hi bewisen can, dat hi eer- [144] like hebbe gestreden. Aldus sijn wi gesat in den camp [145] onser synne om te striden mit onsen viant. Ist dat wi ver- [146] winnen, verdruckende die inval boeser beelden, alsoe dick 146 [147] stigen neder die hoge choer der heiliger virtuten om ons te 147 [148] cronen. Ende hier-uut ist openbaer, uut wie groter liefden 148 [149] die lieve Here, die suet is ende vol ontfermherticheit, uut [150] sijnre guedertierenheit verhenget, dat sijn uutvercoren in [151] desen leven mit becoringe des boesen geestes werden ge- [152] cruyst in den gemoede, ende mit menigerhande lijden ende [153] bedroefenisse versocht ende geprueft, op-dat si claer wer- [154] den als dat alre-edelste golt, overmits den vuere der tribu- [155] lacien ende der droefheit, ende dat hoer loen des te mee- [156] re werde ende te hoger sijn moege bi Gode, hoeren Here. [157] Want voer ellic boese invalle, dat die mensche weder- [158] staet ende uut sijnre herten weert, soe wort hi gecroent mit [159] eenre sunderlinger cronen van den heiligen virtuten, die 159 [160] mit alte groeter vrouden sich verbliden in des menschen 160 [161] seghe ende verwinninge ende staen den menschen bi, hem [162] sterkende ende troestende, ende sijn oec opvarende voer 162 [163] Gode, hoeren Here, mit groter begeerten des menschen [164] strijt ende seghe hoeren Here te kundigen, ende sijnen 136 vermoit ende geprueft gekweld en beproefd 139 hi en heb of hij heeft 142 hoechlike met onderscheiding 146 verdruckende onderdrukkende 147 stigen dalen 148 openbaer duidelijk 159 sunderlinger bijzondere 160 vrouden vreugde 162 opvarende voer Gode opstijgende naar God

68 50 [165] gueden wille ende werken hem offerende, ende hoer ge- [166] bet puer ende onbesmet voer hem, die si dus mit groter [167] liefden mynnen, voer Gode uutstorten<de>, ende sijn [168] gracie hem wederbrengende, op-dat si in den strijde dis [169] ellendigen levens niet en gebreken. Want al dat leven des 169 [170] menschen is een stedich strijt ende ridderscap in deser tijt, [171] overmits die stadige aenvechtinge der boeser gheesten en- [172] de menichvoldige jegenheit, anxten ende droevicheit, daer 172 [173] die mensche onder-gheset is, recht als een rose onder die [174] doerne, daer-van gescreven staet: Alsoe als die lelye is [175] onder die doerne, alsoe is mijn vryndinne onder den [176] dochteren. Want alsoe als die rose of lelye van den doer- [177] nen swaerliken werden ghesteken ende geprekelt, soe si 177 [178] sueteren roeke uut-gheven: des-gelijc een guet herte, soe [179] het swaerliker wort geprekelt mitten doernen der becorin- [180] ghen ende van buten mit druc ende lijden overmits versma- [181] denisse ende vernederinge, soe het sueteren roeke geeft [182] overmits verduldicheit ende oetmoedicheit. [183] Ten derden male sullen wi toe-tasten mit liefden der ge- [184] rechticheit. Want gerechticheit is een doecht, die enen [185] iegeliken gheeft dat hem toe-hoert. Aldus overmits liefde [186] der gerechticheit sullen wi pijnen gerechtelike te leven in 186 [187] voersichtiger hoeden ons selfs, vrindelic, troestelick ende 187 [188] behulpelic ons bewisende tot onsen naesten in sijnre noet, [189] ende gehoersamheit ende liefde tot onsen oversten heb- [190] bende, hoer gebode volbrengende, ende Gode den Here, [191] onsen scepper, reverencie ende weerdicheit bewisende, 191 [192] soe-dat wi ons mit alre oetmoedicheit onder sijn voete [193] werpen[de]. Want aldus doende ende van doechden tot 169 gebreken te kort schieten 172 jegenheit tegenspoed 177 swaerliken = swaerliker heviger, meer geprekelt geprikt, gestoken soe si sueteren roeke uut-gheven hoe zoeter de geur is, die zij verspreiden 186 pijnen ons inspannen 187 troestelick ende behulpelic tegemoet komend en behulpzaam 191 weerdicheit ontzag

69 51 [194] doechden voertgaende bewisen wi hem grote eer ende [195] weerdicheit, ende in desen soe staet die liefde der gerech- 195 [196] ticheit. Ende op-dat wi in desen geduerende salich moe- [197] gen werden, soe sullen wi hebben indacht, toedacht ende [198] bedacht. Indacht, dat is aenheven des guets: ende in de- 198 [199] sen sullen wi merken dat waer-om in den beghinne ende [200] in dat eynde ons wercs. Toedacht, dat is sueticheit des 200 [201] bi-blivens in den begonnen guede: want dat beginne des [202] guets en hilpt ons niet totter salicheit, het en si datter toe- 202 [203] gedaen werde die sueticheit des bi-blivens. Bidacht, dat [204] is dat guet, dat wi voer-namen, te werc gaen: want over- 204 [205] mits dat guede werck ende dat bi-bliven des gueden [206] wercks, soe vintmen die vrucht der ewigher salicheit. [207] Mit drien punten sullen wi eten. [208] Dat ierste is: mit godliker liefden, soe-dat wi God den [209] Here lief-hebben boven alle dinc, ende om sijn liefde ver- [210] smaen al vergenclike dingen, want dat gewarige af-schei- 210 [211] den van den creatueren maect een gans vereniginge mitten [212] scepper der creatueren. [213] Ten anderen mael sullen wi eten mit medelider bevoeli- 213 [214] cheit ende mit inreliker begeerte onser naesten salicheit, 214 [215] sunderlinge der-gheenre daer wi mede om-gaen. [216] Ten derden mael soe sullen wi eten mit eenre oetmoediger [217] vernederder consciencien, ende dese was in Johannes, [218] want Johannes beduyt alsoe voel als: daer die gracie in [219] is. Want in eenre oetmoediger vernederder consciencien [220] rust die gracie des Heren, ende dese is altoes den Here [221] ontsiende, op-dat hi die in-gestorte gracie niet en verlies staet bestaat 198 aenheven beginnen, ondernemen 200 des bi-blivens der volharding 202 toe-gedaen aan toegevoegd 204 te werc gaen ten uitvoer leggen 210 dat gewarige af-scheiden van den creatueren de waarachtige onthechting aan de schepselen 213 medelider bevoelicheit liefdevolle belangstelling 214 inreliker innige 221 ontsiende vrezende

70 52 [222] Gelijc als wi van Johannes lesen, doe hi Cristum aentas- 222 [223] ten solde lichaemliken, soe waert al sijn lichaem bevende, [224] dat hem beide hande ende voete begaven ende herte, 224 [225] stemme ende synne, van groter on<t>sienliker weerdicheit, 225 [226] ende sprac mit bevender oetmoediger stemmen, aensiende [227] die onbegripelike oetmoedicheit Cristi: O Salvator, dats: [228] o Cristus, heil ende salichmaker al der werelt, reynige, [229] heilige ende benedie my; recht of hi seggen wolde: [230] Ten-si dattu my ierst reinichste, heiliges ende gebenedies, [231] ic en dardi niet aentasten of rueren. Waer-in wi geleert 231 [232] werden, mit wie groter ontsienliker reverencien ende in- [233] nicheit wi ons sullen bereiden tontfangen dat lichaem ons [234] Heren Jhesu Cristi. Want eenre oetmoediger consciencien, [235] dats een oetmoedich rouwich herte dat hem selven bekent 235 [236] ende voer Gode nedert, is hem een in-woeninge, ende is [237] bequaem te ontfangen dat heilige Sacrament ende alle die [238] vrucht der heiliger verdienten Cristi. [239] Want als wi ontfangen dat Woert, dat daer aen-nam [240] menschelike natuer, soe werden wi gesterckt in den [241] crachten onser sielen, die-welke gebroest ende ghecrenckt 241 [242] sijn overmits den sunden. [243] Ende als wi ontfangen dat heilige bloet, soe werden wi [244] gereinicht van allen smetten der sunden, beide van dage- [245] lixen ende doetliken, die onwetentlic in der sielen <sijn>, [246] daer men doch een gemeyne mishagen van hevet, ende 246 [247] daer men sich gheerne af reinyghen wolde mit biechten [248] ende penitencien, of men si bekende; want dat bloet 248 [249] Cristi waert overvloedelike uutgestort, opdattet ons reini- [250] gen solde van onsen sunden. Ende dit is, dat die heilige 222 aentasten aanraken 224 beide... ende zowel... als 225 on<t>sienliker weerdicheit huiverend ontzag 231 dardi durf u rueren beroeren 235 hem selven bekent nederig is 241 gebroest ende ghecrenckt verzwakt en gewond 246 gemeyne mishagen algemeen berouw 248 of men si bekende indien men ze zich bewust was

71 53 [251] propheet begeerde doe hi sprac: O Here, du sals my [252] besprengen mit ysop des heilighen bloets dijns Soens, ons [253] Heren Jhesu Cristi, op-dat ic, in der oetmoedicheit sijnre [254] godliker liefden, moegen werden gewasschen van allen [255] smetten der sunden. Want dat bloet Cristi puer is, soe [256] purgeret alle manier der sunden. 256 [257] Mer in den ontfangen der weerdiger sielen soe wort ons [258] gegeven die vrucht onser verloesinghe ende ganse quijtla- [259] tingen alre scholt ende mysdaet. Ende niet alleen wi, mer [260] oec alle creatueren in hemel ende in eerden ontfangen [261] vrouden van der vrucht onser salicheit, als wi ontfangen [262] dat heilige Sacrament. Want die heilige engelen verbli- [263] den hem vroelike in onser werscappen ende hebben grote 263 [264] genuechte te sijn in onser geselscap, ende die heiligen [265] werden mit ons gevoet van den dronckenmakenden smake [266] godliker weelden. Die sunderen ontfangen barmherticheit, [267] soe-dat si, overmits der ontfermherticheit Gods een cracht 267 [268] om verdiente des Sacraments ontfunckt mitten vuer des 268 [269] rouwen, op-halden van hoeren quaden leven ende doen [270] penitencie van den dat si voer mysdaen hebben. Aldus 270 [271] wanneer wi overmits den toeganc des heiligen Sacraments 271 [272] ende die groete overvloedige verdienten des Heren beruert [273] werden, beide mit rouwe onser sunden ende mit begeerten 273 [274] te ontfangen dat heilige Sacrament: soe sullen wi ons [275] daer-toe bereiden mit groeter reverencien in eenre oetmoe- [276] diger vernederder consciencien, ende mit opheven herten 276 [277] in den hemel - dats dat ons wanderinge sal sijn hemels 277 [278] ende niet eertsche, dat is suntlic of begripelic, - ende mit purgeret alle manier zuivert het alle soort 263 vroelike met vreugde werscappen gastmaal 267 een = ende 268 ontfunckt ontstoken 270 voer vroeger 271 overmits den toeganc met het oog op het gaan tot, het ontvangen van 273 beide... ende zowel... als 276 opheven herten in den hemel ten hemel geheven harten 277 wanderinge gedrag 278 suntlic of begripelic zondig of afkeurenswaardig

72 54 [279] neder-gheslagenen oghen niet en dorren opsien [de] in den 279 [280] hemel, overmits dat claer bekennen onser groeter menich- [281] voldiger sunden, daer wi God den Here alsoe swaerliken [282] mede vertoernt hebben, sprekende mit herten ende mit [283] monde: O lieve Here, verberme-di doch over my armen 283 [284] bedroefde sunderse. Alsoe haest als wi dan dat heilige 284 [285] Sacrament van des priesters handen ontfangen, alsoe haest [286] alst over die lippen gaet ende als wijt mit onser tongen 286 [287] rueren, soe werden al ons doetlike sunden, die wi gebiecht [288] hebben of gheerne biechten wolden of wise bekenden, in 288 [289] dagelixen sunden ghewandelt, ende alsoe vruech alst dan 289 [290] in-tret in die siele, soe worpet die dagelixe sunden achter 290 [291] rugghe, ende wi ontfangen volcomen quijtlatinghe ende [292] vergiffenisse alre sunden, ende het blijft voert-aen bi ons, [293] alsoe warechtelic als men hem siet in der monstrancie, hent 293 [294] soe langhe dat wi doetlike sunde doen; want alsoe geringe 294 [295] als wi den consenteren, soe verliesen wi hem ende al sijn [296] gracie. [297] Als wi ontfangen dat gecla<ri>ficeerde lichaem, soe wer- [298] den wi verclaert, ende verlicht al die crachten onser sie- [299] len ende doergaen mitter sonnen der rechtverdicheit, hier 299 [300] in der tijt overmits gracie, ende nae deser tijt soe sal hi [301] nae den woerden des apostels den lichaem onser nederheit [302] gelijc maken den lichaem sijnre claerheit, ende sullen [303] hem mit vrouden bescouwen van aensichte tot aensichte [304] ende van claerheit tot claerheiden. [305] Als wi ontfangen die eenvoldighe menscheit gheenicht der 279 dorren durven 283 verberme-di ontferm u 284 sunderse (Waarschijnlijk te lezen: sunder, daar de predikant de indruk wekt zich te richten tot jongens, misschien leerlingen van de Broeders des Gemenen Levens: zie b.v. regel 71, 77, 91, 115) ; alsoe haest zodra 286 wijt wij het 288 of wise bekenden indien wij ze ons bewust waren 289 ghewandelt veranderd alsoe vruech zodra 290 worpet werpt het 293 monstrancie monstrans hent soe lange dat zo lang totdat 294 alsoe geringe in hoe geringe mate ook 299 doergaen doordrongen

73 55 [306] hogher Drievoldicheit, soe wort die siele onversceidelike [307] verenicht mitter godheit, ende der gotliker natueren alsoe [308] liefliken verselt, soe-dat si mach werden van ghenaden 308 [309] dat God is van natueren, ende God blijft in hoer ende si [310] in hem, het en si dat sijt mit sunden verdiene dat hi van 310 [311] hoer scheide. Ende dat is dat sante Johan seecht int ewan- [312] gelie: Die mijn vleische it ende mijn bloet drinckt, die [313] blijft in mi ende ic in hem. Die blijft in mi, die te-hants [314] begrepen hevet in sijnen synne, dat hi mi niet meer en wil [315] vertoernen. Want die ganse ende gewarige afkeer van [316] den sunden verenicht die siele volcomelic mit Gode, ende [317] maect se abel ende bequaem te ontfangen die vruchte des [318] heiligen Sacraments. Ende die siele wort doergaen mitten [319] smaec der godheit ende mit sijnre onbegripeliker sueticheit [320] ende droncken vanden wijn der gotliker genaden, alsoe [321] dat si hoers selfs ende alre creatueren vergit ende wort [322] volcomelike verenicht mitter hoger volcomenheit in onghe- [323] metenre liefden hier in der tijt, ende nae deser tijt sal si [324] hoer noch volcomeliker werden geenicht in den ghebruken 324 [325] der ewiger glorien ende in bescouwen der glorioser god- [326] heit verenicht mitter menscheit Jhesu Cristi, welke be- [327] scouwinge der saligher sielen geeft onbegripelike blijtscap, [328] ende werden in den aensien der ondenckeliker claerheit [329] der heiliger Drievoldicheit in eenheit des godliken wesens [330] salichlike gevoedt ende vermaect. [331] Tot welker glorien ons oec brengen moet die Vader, die 331 [332] Soen ende die heilige Gheest, die ganse Drievoldicheit [333] altemale: soe-dat wi hier mit hem werden verenicht, <en- [334] de> sijns moeten ghebruken in der ewicheit. Amen. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 161 r -169 v ) 308 verselt verbonden 310 het en si dat tenzij 324 ghebruken genot 331 moet moge

74 56 6 [1] Van der mynnen Gods [2] Kint, ghef mi dijn herte. Ende hier-om soe seecht ende [3] vermaent ons die godlike mynne altoes, ende en laet num- 3 [4] mermeer een oghenblic lanc van den kerstenen menschen [5] van binnen te vermanen, nemt hi hem selver anders wel 5 [6] waer, ende seecht: Kint, ghef mi dijn herte. [7] Ic bid u dan, alre-liefste, gevoelt van Gode in guetheiden, 7 [8] ende in eenvoldicheiden uwes herten sueckt hem. Een [9] reyne herte, ontfenclic der godliker gracien, dats als een [10] claer doerschinende lampe, vervult mitter edelre balsem [11] der gotliker gracien, altoes een eerlike liechte ende vue- 11 [12] richlic borne voer den hoegen werdigen throen des alre- 12 [13] mynlicsten Jhesu, tot sijnre ewiger eeren. [14] Want die alre-mynlicste God [die] alsoe grondelosen [15] guet is ende alsoe volcomen ende vol van allen begeer- 15 [16] licheiden, dat, al hadde een guet mensche alles dinges 16 [17] wonsche, hi en mochte God niet bat nae sinen wille won- [18] schen dan hi is. [19] Och, of ghi eens van al uwen leven mochte smaken der 19 [20] alre-minlicster milster natueren der guetheit Gods! Voer- [21] waer ende sonder twivel wi solden voel anders van herten 21 3 laet laat af nummermeer nooit 5 nemt hi hem selver anders wel waer als hij tenminste goed acht geeft op zichzelf 7 gevoelt van Gode in guetheiden denkt goed over God (Boek der Wijsheid I. 1) 11 eerlike heerlijk liechte licht 12 borne bron altoes... borne (misschien te lezen) altoes eerlike liechtende ende vuerichlic bornende (= brandende); alre-mynlicsten (In dit sermoen heeft een latere hand meermalen boven de y twee puntjes geplaatst ; wij geven niettemin steeds de oorspronkelijke schrijfwijze weer) 15 begeerlicheiden begerenswaardigheden 16 al hadde... hi is al zou een goede mens alles kunnen wensen, hij God toch niet méér overeenkomstig zijn wil kon wensen dan Hij is 19 of ghi eens van al uwen leven dat gij éénmaal in uw gehele leven 21 wi solden voel anders van herten voelen wij zouden geheel anders te moede zijn

75 57 [22] voelen. Want die grondelose godlike mynne die is alsoe [23] ongemetelike vol ende overvloyende in wesen der guetheit, [24] dat se hoer niet onthalden en can, si en moet altoes tot in 24 [25] ewicheit uutvloyen mit allen gueden ende sunderlinge in 25 [26] deser tijt met sijnre gracien, een ewelic herte instortende 26 [27] na sijnre ontfenclicheit. Want dan die overvloiende vol- 27 [28] heit der guetheit Gods dwinget die godlike mynne dat se [29] uutvloyen moet, alsoe dat se niet onthalden en can: hier- [30] om soe sueckt se altoes bequame ende ontfenclike vaet 30 [31] der menscheliker herten, daer si hoer uutvloyende ghenade [32] in-storten mach. [33] Ende si is oec uutermaten milde, alsoe dat, waer hoer [34] enige woninge bereit is overmits eens vredesamen suveren 34 [35] herten, soe en can se niet een oghenblic lanc hoer onthal- [36] den, si en moet daer-in comen wonen. Ende daer-om [37] begheer ic dijn herte, niet dat ic des iet te doen hebbe, 37 [38] mer uut puerre mynnen ende uut grondeloser guetheit, [39] op-dat ic mi selven, met al dat ic ben, di ende dinen her- [40] ten moege gheven. [41] Och, hoe wel mercte dat die prophete David daer si 41 [42] seecht: Bereit is mijn herte, mijn God, bereit is mijn [43] herte, God mijns herten ende God mijn deel in ewichei- [44] den. God mijns herten, spriect hi, lieve Here, allen [45] creatueren ontreck ic mijn herte, ende di alleen gheve ic [46] mijn herte, ende du alleen ghevest genuechte mijnen her- 46 [47] ten, ende du alleen moegest genueghen mijnen herten; al [48] ander dinghen en moeghen niet genoech wesen mijnen [49] herten. 24 dat se hoer niet onthalden en can, si en moet... uutvloyen dat zij zich niet kan weerhouden van uit te stromen 25 gueden goederen, goede dingen sunderlinge bijzonder 26 ewelic = egelic ieder 27 want dan aangezien nu 30 bequame geschikte vaet vaten 34 overmits vanwege 37 niet dat ic des iet te doen hebbe niet dat ik daarvan iets nodig heb 41 si = hi 46 genuechte voldoening

76 58 [50] Op-dat ghi dan, alre-liefste, gherne ende mit gehelen toe- [51] keer u herte moeget gheven der godliker guetheit ende [52] mynne, soe moegedi merken vijf manieren, overmits dat 52 [53] die ewighe godlike mynne staet nae uwen herten ende be- 53 [54] geert dat, op-dat si dat moeghe beghaven ende vervullen 54 [55] mit hoer selven ende met al dat si is. [56] Ten iersten soe heist die gotlike mynne overmits hoeger 56 [57] werdicheit dat menschelic herte, dat men hoer dat biede. [58] Ten anderen male, ist sake dat mens hoer niet bieden en 58 [59] wil om den heische hoere hogher werdicheit, soe bidt die 59 [60] godlike mynne overmits hoere grondeloser guetheit, dat [61] men hoer dat herte gheve. [62] Ten derden male, ist saeck dat men hoer dat herte niet [63] gheven en wil om dat bidden ende begheren hoerre gron- [64] deloser guetheit, soe maent die godlike minne overmits [65] hoere rechtverdicheit om dat herte, want ment hoer schul- 65 [66] dich is dat men hoer betale. [67] Ten vierden male, ist sake dat mens hoer niet betalen en [68] wil om dat maenen hoere rechtverdicheit, soe dinghet die [69] godlike mynne overmits hoer overvloyende mynne ende [70] mildicheit om dat herte ende wil dat coepen. [71] Ten vijfden male, ist sake dat mens hoer niet vercoepen [72] en wil om-dat hoer mynlike mildicheit daer-om dinghet, 72 [73] soe slaet die godlike mynne hoer almechtige hant daer-aen [74] ende wil dat herte mit ghewalt nemen. [75] Ten iersten soe sal een devoet mensche, die gherne sijn [76] herte ende sijn hertelike mynne Gode gheven ende ver- [77] enigen solde, die sal aen-sien ende aen-merken die hoge 52 overmits dat waarmede 53 staet nae het gemunt heeft op, aanspraak maakt op 54 beghaven begiftigen 56 heist eist overmits hoeger werdicheit op grond van (haar) hoge voortreffelijkheid 58 ist sake dat mens indien men het 59 heische eis 65 want ment daar men het 72 daer-om dinghet er een bod op doet

77 59 [78] ontoeghenclike weerdicheit ende edelheit Gods, die alsoe [79] groet is, dat, als sunte Gregorius seecht, al dat men van [80] hoecheiden, groetheiden, moegentheiden, edelheiden ende [81] werdicheiden van Gode segghen of scriven mach: in-dien 81 [82] dat ment seggen of scriven mach, soe ist der werdicheit [83] Gods onwerdich[eit]. [84] Aldus dan soe heist die hoghe werdicheit Gods, dat men [85] hoer uut grondeloser reverencien ende uut der alre-oetmoe- [86] dichster werdicheit ende uut der werdichster oetmoedicheit 86 [87] vriewillich biede dat herte mit al sijnen crachten. [88] Ten anderen male soe sal een devoet mensche, die gherne [89] onsen lieven Here sijn hertelike mynne ende sijn herte [90] gheven ende verenighen solde, aensien ende merken die [91] grondelose uutvloiende guetheit Gods, die alsoe gronde- [92] lose is, dat, hoe dat si meer uutvloiet van guetheiden, myn- 92 [93] nen ende ghaven, hoe dattet hoer genuechliker is ende [94] meer lustet uut te vloeyen. Ende si en achtet niet oec, [95] hoe groetelike dat men hoer misdaen hevet ende hoe voel [96] datter sunden geweest hebben. Ist sake dat se bequaem- 96 [97] heit vint in ons, soe lust hoer die sunden te vergeven, want [98] hoer verlanghet nae meerre gracien ende ghenaden uut te 98 [99] vloeien. [100] Dese grondelose gotlike guetheit is oec alsoe edel ende [101] puer, dat si in ghenen dinghen noch in ghenen van allen [102] hoeren werken in gheenre wijs hoer selver of hoer selfs [103] orber iet sueckt; want si niements te doen en hevet, mer 103 [104] uut vrier guetheit ende uut puere mynnen ist hoer genue in-dien... onwerdich[eit] door het feit zelf, dat men het zeggen of schrijven kan, Gods voortreffelijkheid onwaardig is (eo ipso jam indignum est, quo potuit dici: Moralium XX. 32) 86 werdicheit eerbied 92 hoe dat si meer hoe meer zij uutvloiet uit doet stromen 96 bequaemheit goede gesteltenis 98 hoer verlanghet nae zij verlangt uut te vloeien uit te doen stromen 103 orber voordeel iet ooit 104 vrier vrije

78 60 [105] chelic hoer guede voert te gheven ende mede te deilen, 105 [106] ende mit gaven ende mit gracien uut te vloeyen, ende [107] barmhertige ghenade ende mynne ende over te bewisen 107. [108] Want se dan aldus grondelosen guet is, op-dat se hoer [109] grondelose guetheit moege in des menschen herte storten, [110] soe bidt si ende begheert alte begherlick van den innighen 110 [111] menschen om sijn herte. Ja, al waren alre heilighen ende [112] gueder menschen begherten in-een vergadert, die si ie 112 [113] voer Gode storten, soe en sijn <si> altemale te-gader al- [114] soe vuerich ende innich niet, als die guetheit Gods hertelic [115] bidt ende begheert van enen gueden mensche, dat hi hem [116] geve sijn herte uut puere mynnen. Ende dit is der innigher [117] sielen alsoe seer genuechelic, dat God aldus grondelosen 117 [118] guet is, dat die siele meer begheert ende hoer bat smaect 118 [119] die salicheit ende dat wel-varen Gods dan hoer selfs sali- [120] cheit ende wel-varen, ende dat hoer meer lust te doen [121] Gods wil dan hoer selves wil. [122] Aldus dan soe bidt ende begheert die grondelose guetheit [123] Gods, dat men hoer uut puere mynnen gheve dat herte [124] met al dattet is. [125] Ten derden male soe sal een devoet mensche, die gherne [126] Gode sijn herte ende sijn hertelike mynne gheven ende [127] verenigen solde, die sal aensien ende merken die strenghe [128] rechtverdicheit Gods, hoe strengelic ende scerpelic dat se [129] ons maent om al dat wi hebben, dat is om al onse ge- [130] dachten ende begheerten, woerden ende werken; ende sun- [131] derlinge maent si strengelic om onse herte, daert al uut- 131 [132] comt ende dattet princepaelste van den mensche is. [133] Ende wel te-rechte maent ons die rechtverdicheit Gods 105 voert te gheven weg te geven 107 ende over en nog meer 110 alte begherlick zeer berig innighen vrome 112 ie ooit 117 genuechelic aangenaam 118 bat beter, meer 131 daert al uut-comt waaruit alles voortkomt

79 61 [134] strengelic om onse herte, want het is recht ende redelic, [135] dat enich meister ende wercman neme van sinen werke 135 [136] arbeits-loen. Ende onse lieve Here die hevet alsoe menich [137] meisterlic scoen wercke ghemaect, als hemel ende eerde 137 [138] ende al datter in is, om des menschen wil ende om ver- 138 [139] dinghet loen, als om dat herte des menschen. Ende op-dat [140] die mensche uut ondancbaren herten niet segghen en dor- [141] ve, dat Gode dese werken gheen arbeit gecost en hebben, [142] want hi sprac ende si worden al ghemaect: hier-om is [143] die Gods-soen, die gotlike mynne, uut sijns selfs vader- [144] lande in ver ende vremden lande ende in groter elleynde [145] gecomen, ende hevet om dat herte der menscheliker sielen [146] drie ende dertich jaer lanc uuter-maten seer trouwelike [147] gedient, ende heeft om hoer alsoe menichvoldelicke pijn- [148] like bangicheit geleden in allen sijnen heilighen leden, en- 148 [149] de ten lesten dat sijn over-heilige herte scoerde ende sterf 149 [150] enen den alren-schendelicsten doet: dat, soe-als die leerres 150 [151] segghen, dat al die herten, die ie geworden, die swaerheit 151 [152] ende pijne des arbeits noch verstaen noch begripen en [153] connen. Voer desen arbeit en begheert hi anders niet te 153 [154] loene dan dat herte der inniger sielen. [155] Ende op-dat hem dat herte ommer niet ontoghen of ont- 155 [156] ghaen en solde, soe hevet hi sijns selfs herte voer der sie- [157] len uut-gheleecht, op-dat die siel hem sijn herte solde we- 157 [158] der-betalen. Ende dit uut-iegghen geschieden, doe sijn [159] over-heilighe herte doersteken waert, daer als sinte Paulus [160] af seit, dat daerin verhuedt sijn alle schatten der wijs- 160 [161] heit. Ende doe vervulde hi dat die wise man seecht: [162] Hi sal sijn herte gheven in die volbringinge sijns wercks: 135 enich een 137 als namelijk 138 verdinghet vastgesteld 148 bangicheit benauwdheid 149 scoerde brak 150 leerres (Kerk)leraars 151 die ie geworden die ooit geschapen worden 153 te loene tot loon 155 ommer niet volstrekt niet ontoghen ontnomen (zou worden) 157 uut-gheleecht verpand 160 verhuedt verborgen

80 62 [163] dat was int einde sijns levens, doe hi sprac: Het is al [164] volbracht. [165] Dit is den devoten herten een alte sueten jubelis, dat die 165 [166] strenge godlike rechtverdicheit hoer van hoere godliker [167] mynnen alsoe hevet laten bewegen, dat se alsoe groten ar- [168] beit om alsoe luttel loens ende voer alsoe swaren arbeit [169] ende dienst wel laten ghenuegen. Ende daer-om soe dunckt 169 [170] den mynnenden herten seer recht ende redelic, dat die [171] godlike rechtverdicheit alsoe strengelic in-maent des men- [172] schen herte mit allet dattet opt alre-uterste hevet ende 172 [173] vermach. Want dat mynnende herte bekent ende belijt, [174] dat al die herten, die ie geworden, den alren-guedertie- [175] rensten Jhesum niet betalen en moegen sinen alren-myn- [176] sten arbeit, die hi ie ghedede om des menschen wil, daer- [177] om want hi soe ongemetelike werdich was, die dat dede. [178] Aldus dan soe maent ons die rechtverdige Jhesu, dat <wi> [179] uut wel-behagen ende uut mynnen der rechtverdicheit si- [180] nen arbeit mit onsen herten ende mit allet dat wi vermoe- [181] gen sullen wel betalen: mit bekennen, mit belien oetmoe- [182] delike, dat wanneer wi al gedaen hebben nae onsen uter- [183] sten vermoegen, dat wi dan nae Jobs woerden een voer 183 [184] dusent niet betaelt en hebben. [185] Ten vierden male soe sal een devoet mensche, die sijn [186] herte ende sijn hertelike mynne gherne Gode gheven solde, [187] aensien ende merken die overvloedige uutvloeyende mildi- [188] cheit Gods ende hoe die godlike mildicheit daer gheen [189] guet aen en spaert, op-dat se des menschen herte crighen [190] mach. Want nae al dien ontelliken arbeide ende nae al [191] dien guede, die se daer-aen te coste geleecht hevet, als si 165 jubelis verrukking 169 wel wil 172 mit allet dattet opt alre-uterste hevet ende vermach tot en met zijn allerlaatste bezit en vermogen 183 een voer dusent één duizendste

81 63 [192] siet dat si noch niet vercrighen en mach, soe leecht si noch [193] voer oghen der sielen duerbarre ende meerre schatte ende 193 [194] juwelen, die si der sielen biedt ende loeft te gheven, ist 194 [195] sake dat se hoer hoer herte wille laten volghen. Want se [196] hondert voer een ten iersten biedet, ende wel hondert voel 196 [197] beters weder-gheven voer een, dat die siele van herten la- [198] ten ende overgheven can om Gods wil van enighen din- [199] ghen, daer hoer herte mit enigher mynnen of mit onpuere [200] neyghelicheit op-gevallen is. Ende dit hondertvolt is den 200 [201] inwendigen smaeck Gods ende sijnre gracien, als die siele [202] hoer herte afkeert van den creatueren ende van eighen- 202 [203] suekelicheit, ende keret reyn ende ongetoeft tot Gode ende 203 [204] tot godliken dinghen. Ende ist sake dat hem een mensche [205] dit hondertvolt niet ontfanghen en hevet noch gesmaect en [206] hevet, dat en coemt anders nerghent van-toe, dan dat hi 206 [207] sijn herte noch niet volcomelike overghegeven en hevet, [208] ende datter noch winkelen in-sijn, daer iets-wat van ei- 208 [209] ghen-sueckelicheit ende van eighen-wille in-schuylt. Wil- [210] len wi dan Jhesus onse herte ende onse hertelike mynne [211] overgeven, soe sal hi dat hondertvolt vol-loenen ende al 211 [212] daer-voer weder-gheven. Mer alsoe als een devoet brueder [213] tuycht van sinte Bernaerts oerden, die dit hondertvolt 213 [214] hadde gesmaect ende van Gode ontfangen hadde: soe en [215] ist niet alleen hondertvolt, mer hondert-dusent-volt ge- [216] nuechliker ende beter dan al die genuechten ende gueden [217] der werelt. [218] Aldus dan willen wi onse herte den creatueren ontrecken [219] ende Gode laten volghen. Alsoe voel als wi dat den crea- 193 duerbarre kostbaarder 194 loeft belooft 196 ten iersten terstond wel wil 200 neyghelicheit geneigdheid op-gevallen is zich op geworpen heeft 202 eighen-suekelicheit zelfzucht 203 ongetoeft ongehinderd 206 van-toe vandaan 208 winkelen schuilhoeken 211 vol-loenen ten volle belonen 213 tuycht getuigt oerden Orde

82 64 [220] tueren ontrecken ende Gode laten volghen, dat loeft ons [221] die godlike mildicheit te betalen mit dat hondert-volt be- 221 [222] ter ende duerbaerre wesen sal. Ende daer toent onse lieve [223] Here noch meer sijn uutvloeyende mildicheit, al ist dat [224] sake dat hi ons mer hondertvolt en beloeft, dat hi noch- [225] tan mit voel meerre mildicheit betaelt hevet voer hondert- [226] volt, ende dat hier in deser tijt. [227] Aldus dan soe biedt die godlike mildicheit ten iersten [228] hondert-volt voer onse herte ende betaelt hondert-dusent- [229] volt. [230] Ten anderen male soe biedet die godlike mildicheit voer [231] onse herte noch voel meer guets int ewighe leven. Want [232] die guede, die die godlike mildicheit voer der inniger sie- [233] len herte gheven wil ende beloeft te gheven, sijn alsoe [234] menichvoldich, datse [datse] alleen die godlike wijsheit [235] tellen mach ende niement anders. Ende si sijn alsoe duer- [236] baer ende guet ende alsoe overvloedich, dat se dat herte [237] of die siele niet gevaeten en can, ende daer-om en sullen 237 [238] si niet altemael in die siele gaen mit al desen gueden ende [239] blijtscappen. [240] Ten derden male soe biedet die godlike mildicheit voer [241] dat herte des devoeten menschen boven al dese voerseech- [242] den punten ende gueden noch een onvergheldelic guet, 242 [243] dattet beste guet is: dat God selver is. Ende aldus en [244] coept die godlike mildicheit gheen dinck alsoe duer als [245] dat herte des menschen, ende si en gheeft den menschen [246] weder gheen dinck op eertrike alsoe guets coeps als hem 246 [247] selven. Want gheen dinc op eertrike en is alsoe snoede, 247 [248] dat men alleen mit vollen willen crighen mach: mer onsen 248 [249] lieven Here mach men crighen mit enen vollen willen. 221 mit dat met iets wat 237 gevaeten bevatten 242 onvergheldelic niet terug te betalen 246 guets coeps voordelig 247 snoede gering 248 alleen mit vollen willen geheel en al met onvermengd genoegen

83 65 [250] Want als sinte Gregorius seecht: Die God geheellike wil [251] ende begheert, die hevet hem alrede. [252] Ten vierden male soe loeft die godlike mildicheit der sie- [253] len, ist sake dat si hoer herte voer al dese guede gheven [254] wil die voerseecht sijn, alsoe dat si hoer herte dan mit 254 [255] meerre ghewalt volcomeliker besitten sal dan si te-voeren 255 [256] besat, ende dattet volcomeliker hoer sal sijn dant te-voe- [257] ren was, beide hier in der tijt ende nae int ewige leven 257. [258] Ten vijfden male soe sal een devoet mensche, die gherne [259] sijn herte ende sijn hertelike mynne Gode gheven ende [260] verenighen solde, aen-sien ende aen-merken hoe dat wan- [261] neer die gotlike mynne mit allen hoeren voerseechden [262] doechden dat herte des menschen niet crighen en can, dat 262 [263] si dan hevet noch een doecht, die hoer in al dat si wil nae [264] al hoeren wille pleecht bi te staen, ende die is geheiten [265] die almechtige moeghentheit Gods, diet al vermach dat [266] die godheit wil. Deser godliker almechtige moegentheit [267] spriect die grondelose mynne ende guetheit toe ende [268] seecht tot hoer als int ewangelio ghescreven staet: Dwin- [269] getse in te ghaen. Rechtevoert is die almechticheit bereit 269 [270] te vervullen die begheerte der mynnen ende spriect totter [271] sielen of totten menschen dat daer gescreven staet in den 271 [272] prophete: Ic sal u onthalen of afnemen dat stenige her- 272 [273] te, dat is dat verhaerde ende onbevoelic herte ende dorre 273 [274] herte, ende ic sal u gheven een vleischelic herte. 274 [275] Ten iersten dan soe wil die godlike almechticheit hoeren [276] uutvercorenen, die hoer hoer herte ontoghen hebben ende [277] dat den creatueren gegheven, weder mit ghewalt nemen: 254 voerseecht voornoemd 255 ghewalt vrije beschikking 257 beide... ende zowel... als 262 doechden eigenschappen 269 rechtevoert aanstonds 271 dat daer hetgeen er 272 onthalen wegnemen stenige herte hart van steen 273 onbevoelic ongevoelig 274 vleischelic herte hart van vlees

84 66 [278] dats overmits tribulacie, wederspoet ende lijden, overmits 278 [279] welken eenrehande doerne si die weghe der afkieringhen [280] des herten der uutvercorenen mede betunen, alsoe dat 280 [281] si werden gedwonghen mit hoeren herten weder te keiren [282] tot onsen lieven Here. [283] Ten anderen maele soe wil die godlike mynne overmits [284] hoerre almechtigher moegentheit hoer uutvercoren in desen [285] tribulacien, perikel ende lijden ende verdriet, die hem toe- 285 [286] comen moegen, alsoe crechtelic ende trouwelic bewaren, [287] dat hem egheen van al den perikel ende lijden hijnder [288] wesen en sal, cleine of groet, ander dan alsoe voel als 288 [289] hem een mensche selven schadelic maect. Ende dat is den [290] uutvercorenen een groet troest, dat hoe groet lijden op hem [291] valt, dattet hem niet schaden en mach, als sijt lijdsamlic [292] ende dancbaerlic ontfanghen van der hant Gods. [293] Ten derden male soe wil die godlike mynne overmits hoer [294] almechtige hant al dat lijden hoerre uutvercorenen maken 294 [295] te guede, alsoe dattet hem niet alleen gheen hijnder of [296] scadelic sal wesen, mer oec groeten orbaer ende bate, 296 [297] willen si dat mit mynnen ontfangen, soe alst hem onse [298] lieve Here uut mynnen seynt 298. [299] Ten vierden male soe wil die gotlike mynne overmits hoere [300] almechtiger hant hoeren uutvercorenen niet alleen dat lij- [301] den ende verdriet maken te oerbaer ende tot nutticheit, [302] mer si wil oeck hoer sunden kieren tot hoere baten ende [303] vermeringe der gracien, soe als sinte Bernaert seecht. [304] Want een guet mensche, die te-voeren in sunden ende [305] in groeten gebreken hevet gheweest, die is naemaels voel te overmits welken eenrehande doerne si waarmede zij, als met een doornhaag 280 betunen verspert 285 toe-comen overkomen 288 ander dan alsoe voel tenzij voorzover 294 maken te guede ten goede laten komen 296 orbaer nut 298 seynt zendt 305 gebreken fouten

85 67 [306] vuerigher, oetmoediger ende vlijtiger sijnen verlorenen tijt [307] weder te halen 307. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 169 v -177 r ) 7 [1] Een schone collacie op den Pinxtedach [2] Huden soe sullen wi beghaen ende vieren mit werdiger 2 [3] innicheit ende mit inniger devocien die hoege feest des 3 [4] heiligen Geest. Want of wi die feesten der heiligen mit 4 [5] alre devocien sijn schuldich te vieren, wie voel meer dan 5 [6] sijn wi sculdich mit weerdiger innicheit of devocien hoe- 6 [7] chelic te beghaen die weerdige feest des-gheens, die der [8] heiligen heilich-maker is. [9] Beda die heilige leerre seecht, dat wi die feest des hei- 9 [10] ligen Geest mit weerdicheit begaen, als wi ons altoes alsoe [11] vlitigen te leven, dat den heiligen Geest ghelieve ende 11 [12] genoeghe sijn woeninge in ons te maken. Dat geschiet, als 12 [13] wi in allen tijden, steden ende saken besorghet sijn, hoe 13 [14] dat wi hem mochten behagen, ende vliteliken mochten [15] schuwen ende huden daer wi hem in mochten mishagen 15 [16] of daer wi sijn gracie mede mochten verliesen. Soe sal [17] hem, kinderkens, altoes ghelieven bi u te wesen, mit sijnre [18] gracien ende ghenaden u sterckende, ende vervullende u [19] herte mit overvloedicheit alles guets. Ende hi sal onse be- 307 weder te halen in te halen 2 beghaen herdenken 3 innicheit vroomheid 4 of wi indien wij 5 wie voel meer hoeveel te meer 6 hoechelic hogelijk, bijzonder 9 leerre (Kerk)leraar 11 vlitigen beijveren 12 genoeghe behage 13 steden plaatsen 15 huden beletten

86 68 [20] gheerte ontfuncken mitten vuer sijnre liefden om te sueken 20 [21] die vermeringe sijnre gracien: want dat is een seker teiken [22] der bewisinge des heiligen Gheest, dat wi stedelic beghe- 22 [23] ren dat sijn gracie in ons vermeerret werde, ende eenre [24] iegeliker gracien of gaven werdicheit ende dancbaerheit 24 [25] bewisen [de], soe-dat sijn gracie ghelieve bi ons te bliven [26] ende in ons te woenen. [27] Hier-om dan, ist dat wi die weerdighe feest des heilighen [28] Gheest mit weerdiger inn<i>cheit willen begaen, soe sullen [29] wi onse ghemoede alle-wege op-richten in den hemel, dat 29 [30] is: onsen wille, meininghe ende begheerte altoes aftrecken [31] van deser besmetteliker suntteliker ydelheit deser vergen- 31 [32] ckeliker dinghen, op-dat wi mitten apostel moegen spre- [33] ken: Onse wanderinge is in den hemel. Want dan is 33 [34] onse wanderinge in den hemel, als onse wille, meyninge [35] ende begheerte op-gherichte is om te volbrengen dat wael- [36] behagen des Heren in allen saken sonder versinnen, ende 36 [37] dat wi ons vliteliken hueden dat wi te gheenre tijt coen en 37 [38] sijn te dencken of te spreken daer wi sijn gracie mede [39] mochten verliesen of daer ic onbequame mochte werden [40] meerre gracie te ontfangen, ende dat wij onsen lichaem [41] onderdanich maken den geest overmits haldinghe der god- 41 [42] liker ghebode, welke gebode al in tween sijn besloten: [43] als dat wi God lief-hebben boven al ende onsen naesten 43 [44] gelijc ons selven, soe-dat wi hem doen als wi wolden dat [45] hi ons dede. Want hier-mede wort ons op-gerichte ghe- 20 ontfuncken ontsteken 22 stedelic steeds 24 werdicheit eer, ontzag 29 alle-wege in elk opzicht op-richten in opheffen naar 31 suntteliker zondige 33 wanderinge omgang, levenswijze 36 sonder versinnen zonder bedenken 37 coen driest 41 overmits door haldinghe onderhouding 43 alsnamelijk

87 69 [46] moede vast-ghemaect ende ghestedicht in die begheerte [47] der hemelscher dinghen. [48] Nu sullen wi merken.iij. dingen, die die heilighe Gheest 46 [49] in ons werckt. [50] Ten iersten: wemoedighe berouwelicheit, ende dit is dat 50 [51] beginsel waere bekeringhen. Ende dat dit die heilighe [52] Gheest in ons wirckt ende niet onse geest, dat tuycht re- 52 [53] den ende alle die heilighe scriftuer-exempel. Want alsoe [54] een mensche, die van natueren calt is, bi hem selven niet 54 [55] en can verwermt werden ten-si dat hi bi tvuer coemt: des- [56] ghelijcs soe en mach ons geest, die overmits dat hi den [57] sunden aenhanget calt gewoerden is, niet werm en wort 57 [58] in godliker liefden ten-si dat hi mitten vuer der gracien des [59] heilighen Gheest ontfunckt wort tot wemoediger berou- [60] welicheit ende tot vuericheit der penitencien. [61] Ten anderen male werct hi in ons: innich ghebet, soe-dat [62] hi ons duet suchten ende bidden om verghiffenisse onser [63] sunden, ende ingheestet ons tot betrouwen van hopinge 63 [64] der verhoeringe. [65] Ten derden mael werct hi vergiffenis der sunden, ende [66] dat overmits der mynnen. Want als die apostel seecht, [67] God is een verterende vuer, dat is: hi verteert in ons den [68] roest der sunden overmits inwerkinge des heilighen Geest, [69] die een vuer is. Ende dit geschiet als wi die sunden laten, [70] niet van dwanghe der noet, als van anxte der pijnen, mer [71] van godliker liefden. Want die rouwe, die uut mynnen 71 [72] coemt, verdient volcomen vergiffenisse der sunden: want [73] die mynne bedeckt die voelheit der sunden, als Petrus [74] seecht. 46 ghestedicht bevestigd 50 wemoedighe berouwelicheit smartelijk berouw 52 tuycht getuigt reden verstand 54 bi hem selven door zichzelf 57 wort = werden 63 ingheestet inspireert 71 rouwe grote smart

88 70 [75] Ende dese drie voerseecht werckt die heilige Geest in ons 75 [76] om alle sunden te verdriven. [77] Nae den woerden sante Bernaerde, soe werckt hi noch [78] drie anderen in ons om guede werken te werken. [79] Ten iersten mael soe vermaent hi die memorie quade ge- [80] dachten te veronwerdigen ende guede ende godlike din- 80 [81] ghen stedeliken in der memorien om te keren ende daer- 81 [82] mede becommert te sijn 82. [83] Ten anderen mael leert hi ende onderwijst die reden, op- 83 [84] dat si niet en dwael. [85] Mer ten derden mael ontsteect hi den wil of die mynne [86] des menschen om te werken dat guede. Want dat guede [87] te dencken, te weten ende te verstaen en hilpt ons niet, [88] ten-si dattet overmits den gueden wil te-werck gebracht 88 [89] werde. Want, als Bernardus die suete leerre seecht: [90] Dat in-spreken des heiligen Geest is daer-om ende daer- [91] toe, dat hi sijnen godliken vrede moege storten in die her- [92] ten der geloeviger menschen ende daer-in rusten. Daer- [93] om seecht die prophete: Ic sal hoeren wat die Here [94] spriect in mijnre sielen, want hi spriect vrede in sijnen [95] knechten. Ende dese vrede coemt daer-van, dat hem die [96] mensche geheelike bekeer van allen sunden ende van allet 96 [97] dat Gode contrarie is, ende dat hi mit enen onveynsden 97 [98] herten die doecht gensselike aengripe ende te-werc set. 98 [99] Hier-van ist dat die heilige vader Bernardus spriect ende [100] seecht aldus: Het sijn menschen, seecht hi, die vol sijn [101] godlics troest. [102] Mer nu ist te sien, hoe die mensche is of wesen sal, die [103] vol is godlics troestes. 75 voerseecht voornoemd 80 veronwerdigen verachten 81 om te keren te overwegen 82 becommert bezig 83 die reden het verstand 88 te-werck ten uitvoer 96 allet al hetgeen 97 onveynsden oprecht 98 gensselike volkomen

89 71 [104] Aldus-danich sal hi wesen, dat hi sijn leven beter, aen- 104 [105] dechtelic ende nernstelic: soe wat dat hi vint in sijnre ver- 105 [106] stentenisse Gode te mishagen, dat hi hem geheellic [hem] [107] daer-van keer. [108] Ende als hi iet ghewaer wort in sijnen begheerliken wille 108 [109] dat tot suntteliker neyginge of begheerlicheit hoert, dat [110] hi dat sterckelike verdruckende si, ende in hem niet rusten- 110 [111] de en laet. [112] Ende als hi in sijnre memorien hevet becommernis die on- 112 [113] nutte ende suntelic sijn, dat hi daer-van te-hants gheheel- 113 [114] like laet ende becommer hem mit gueden ende godlike [115] dinghen. [116] Alsoe coemt die mensche tot vrieheit ende puerheit der [117] consciencien, soe-dat hi is vol godlics troestes ende wael 117 [118] gemoedet, dat is: hi is sterck van ghemoede in allen din- [119] ghen, die God op hem verhenget. Ende hi is vroelic ende 119 [120] vol blijtscappen, dat is: hi is een mit Gode, want wie een [121] mit Gode is, en mach nummermeer bedroeft werden. Hi 121 [122] is willich ende milde van herten, sich selven gheheellike [123] onderwerpende Gode ende onder allen menschen, mit enen [124] willigen ghemoede bereit te doen soe wat dat totter eeren [125] Gods behoert ende tot stichtinge sijns naesten. Hi is bor- 125 [126] tot Gode in den ghebede, begherende ontbonden te wesen 126 [127] nende in den geest. Dach ende nacht is hi denckende in 127 [128] die ewe des Heren. Hi op-richt beide hande ende herte [129] ende met Cristo te sijn. Hi is een vlitich ende een sorch- 104 beter betere aendechtelic ende nernstelic met inspanning en ijver 105 verstentenisse verstand 108 begheerliken wille streefvermogen 110 verdruckende si onderdrukke 112 becommernis bezigheden, herinneringen 113 te-hants aanstonds 117 wael gemoedet rustig 119 op hem verhenget over hem beschikt 121 nummermeer nooit 125 bornende brandend, vurig 126 in die ewe over de wet 127 beide... ende zowel... als

90 72 [130] voldich bewaere sijnre consciencien, ende hi is een innich 130 [131] naevolger der doecht. Die discipline is hem minlic, dat 131 [132] vasten is hem suet, dat waken in den gebede dunct hem [133] cort, die wreetheit ende die strengicheit der disciplinen of [134] die swaerheit des geesteliken levens is hem een vermakinge. [135] Hier-teghen sijn ander menschen, die hoere consciencien [136] niet en achten 136. [138] Dat ierste quaet, dat si aen hem hebben, dat is een hover- [139] dighe traecheit, ende die maecten menschen slap 138. [140] Ende dit is dat ander quaet, dat hem volget: ende is ge- [140] heiten lauheit. Want wemoedicheit oprichtet gemoede 140 [141] overmits rouwe tot vuericheit der penitencien, mer cleyn- [142] moedicheit nederwerpt den mensche in een lauwicheit der [143] slappicheit, soe-dat hi niet guets en derre beghinnen of oec 143 [144] opsetten 144. [145] Dat derde quaet is: hi ontbriect alle-weghe onder der 145 [146] boerden, want als men hem vermaent, soe wort hi ver- 146 [147] stuert, ende uut hoverdiger opgeblasenheit sijns gronts 147 [148] suect hi ghetuech, niet dat hi hem beteren moege, mer 148 [149] om-dat hi biten ende te-riten moege den-ghenen die sijn 149 [150] quaet hevet gheopenbaert. Hi is traech ende onwillich tot [151] allen guede. Hier-om is hem noet, dat hi gheslagen ende 151 [152] geprekelt werde ghelijc een trage ende onwillige beest, 152 [153] mit roeden ende mit spoeren: biden roeden sal men ver- [154] staen die mynlike vermaninge, ende biden spoeren die 154 [155] scherpe correxcie bewaere bewaarder 131 naevolger beoefenaar discipline kastijding minlic lief, dierbaar 136 niet en achten geen [137] acht geven op 138 maecten maakt de 140 oprichtet verheft het 143 derre durft, kan 144 opsetten ondernemen 145 ontbriect bezwijkt 146 boerden last verstuert boos 147 sijns gronts van zijn gemoed 148 ghetuech getuigen 149 biten ende te-riten kwetsen en vaneenscheuren 151 is hem noet moet hij 152 geprekelt geprikt 154 mynlike minzame 155 scherpe correxcie strenge boete

91 73 [156] Dat vierde is: ledige lichticheit, ende sijn droefheit is 156 [157] cleynmoedicheit. [158] Ten vijfden mael: sijn conpunccie of beweghen of berue- 158 [159] ren is selden ende cort, want hi en heefter gheen bi-bliven 159 [160] bi. [161] Ten sesden: sijn wanderinghe is lauwe 161. [162] Ten sevenden: sijn ghepeins is beestelic. Dan is dat ge- 162 [163] peynse beestelic, als een mensche niet en weet wat hi [164] denckt. [165] Ten achten: sijn gehoersamheit is sonder innicheit, sijn [166] gebet sonder aendechticheit. [167] Ten lesten: sijn lexe is sonder stichtinge ende onsmakelic, 167 [168] want wat dat hi hoert, dat gaet voer-bi sonder vrucht. [169] Om dese voerseide quade te ontgaen, soe hebben wi noet [170] sonder onderlaet innichliken te roepen: Coem, heilighe [171] Gheest, ende vervulle die herten dijnre geloeviger, ende [172] ontfunct in hem dat vuer dijnre liefden. In desen woer- [173] den sullen wi twe dinghen merken: een is crechticheit of [174] stercheit, ende dit bidden wi als wi segghen: Vervulle [175] die herten dijnre geloeviger; dat ander is sorchvoldicheit: [176] dat bidden wi als wi segghen: Ontfinct in hem dat vuer [177] dijnre liefden. [178] Hier-om dan is dat ons die heilige vader sante Bernaert [179] vermaent, dat wi <die> feesten des heiligen Geest mit [180] uutnemeliker innicheit ende devocien sullen begaen: dat 180 [181] is met vlitiger, vuerigher oetmoedicheit. Want hi alleen 181 [182] rustet opten oetmoedighen, ghelijc als hi selve seecht doer 156 ledige lichticheit ijdele lichtzinnigheid 158 conpunccie berouw beweghen of berueren (godvruchtige) gemoedsbeweging of aandoening 159 is selden vindt zelden plaats bi-bliven volharding 161 wanderinghe gedrag 162 ghepeins gedachtenloop 167 lexe voorlezing, dat wat hij hoort voorlezen 180 uutnemeliker bijzondere 181 hi alleen rustet hij rust slechts

92 74 [183] den prophete Ysayas: Op wien sal rusten mijn Geest [184] dan op den oetmoedighen ende die des Heren reden ont- 184 [185] faet. [186] Ons is noet te merken, hoedanich die oetmoedicheit wesen [187] sal, waer-bi dat die heilighe Geest op ons ruste ende sijn [188] woeninghe in ons make. Siet, die sal aldus-danich wesen, [189] dat wi stedeliken ende sonder onderlaet merken ende [190] claerliken leeren bekennen die menichvoldicheit onser ghe- [191] breken ende ons ontblivens 191. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 169 v -177 r ) 8 [1] Een bereidinghe totten heilighen Sacrament [2] Die bereidinghe dat heilighe Sacrament tontfanghen en is [3] in allen menschen niet ghelijc. Want een ander bereidin- [4] ghe sullen hebben die menschen die beghinnen Gode te [5] dienen, ende een ander bereidinghe sullen hebben die- [6] ghene die in enen voertgaende leven staen ende Gode lan- 6 [7] ghe ghedient hebben, ende een ander bereidinghe sullen [8] hebben die volcomen sijn in allen doechden. [9] Die beghinnende mensche, die nuwelinge begint Gode te 9 [10] dienen, die sal hem selven ondersueken ende prueven, oft [11] hem leit is dat hi gesundicht heeft, ende of hi oec gebiecht 184 reden woorden ontfaet ontvangt 191 ons ontblivens onzer tekortkomingen 6 die in enen voertgaende leven staen wier geestelijk leven de trap der gevorderden bereikt heeft 9 nuwelinge onlangs

93 75 [12] hevet alle sijn doetlike sunden, of dat hi noch geerne biech- [13] ten wille ende penitencie ontfaen ende genoech daer-voer 13 [14] wil doen. Oec sal hi hem proeven, of hi enen gueden wille [15] hevet die sunden te laten ende Gode truwelic te dienen, [16] ende oec sal hi hem selven merken, of hi sijnen vlijt daer- 16 [17] toe duet nae sijnre macht. Want alsoe lange als die begin- [18] nende mensche hier-in gebrekeliken is, soe en weert hem 18 [19] niet te raden dat heilighe Sacrament te ontfangen. [20] Daer-nae sal hi hem proeven, of hi iet nelingen is beswaert 20 [21] ende gequelt geweest mit enighen groven sunden, al ist sake 21 [22] dat hi daer rouwe af hevet gehadt in sijnen gebede, noch- [23] tan dat sijn begheerte daer soe niet af gepurgiert en is, mer [24] hi is noch becommert mit fantesien ende gedachten van der [25] voergaender becoringhen ende seer bevlect [is] teghen sij- [26] nen dancke, soe-dat dat vleische seer hinderlic is den gheest, [27] ende den gheest niet en dient totter innicheit, mer het is we- 27 [28] derspenich den gheest. Want wat seecht sinte Bernardus in [29] enen sermoen op Cantica: Waenstu den heilighen mont ons 29 [30] lieven Heren te kussen, die noch besmet biste van den slijck [31] der sunden? Ghisteren wordi uutghetogen uutten slijcke der [32] sunden: wildi dan huyden presenteert werden voer dat aen- 32 [33] schijn der glorien Gods? Of hi segghen wolde: Dat is [34] onbehoerlic. [35] Daer-nae sal hi sich prueven, of hi heeft enich merckelic 35 [36] hinder der devocien bi sijnre scholt of versumelheit, of eni- 36 [37] ghe verstroeinghe des herten van sijnre versumelheit. [38] Ten lesten sal hi [hem] oec proeven hem selven ende mer- 13 genoech daer-voer wil doen er voldoening voor wil geven 16 hem selven merken zichzelf onderzoeken 18 weert hem niet te raden zou het hem niet aan te raden zijn 20 iet nelingen soms kort geleden 21 al ist sake dat ook indien 27 innicheit vroomheid 29 waenstu denkt gij, zijt gij voornemens 32 huydcn heden 35 merckelic hinder der devocien belangrijk beletsel voor de godsvrucht 36 versumelheit nalatigheid, traagheid

94 76 [39] ken, of hi oec te seer ongeordineert is tot alre innicheit son- 39 [40] der sijn scholt, als of hi waer cranck van hoefde of van 40 [41] lichaem of gepinicht mit slapericheit of seer traech ende [42] verdorven in hem selven 42. [43] Dit sijn punten daer men om sal laten gaen ten heilighen 43 [44] Sacrament, ten weer dan dattet noet dede. [45] Die voertgaenden mensche, die dicwile wil gaen ten heili- [46] ghen Sacrament, den en sijn dese voerseide punten niet ge- [47] noech, mer alle sijn leven sal wesen eyne bereidinge tont- [48] fangen dat heilige Sacrament, ende sunderlinge in hem sel- 48 [49] ven te doeden die gebreken ende alle onnutte becommeringe, [50] der gheen noet en is, ende alle ocsuyn der sunden, dagelic- 50 [51] scher ende doetliker, ende van hem kieren alle ydelheit, die- [52] welke dat hem hinderlic moegen sijn in der vliteliker hoe- [53] den ende bewaringe sijns herten, voert-aen hem te oeffenen [54] in allen doechden ende gueden werken, ende hem selven 54 [55] te verwecken mit saligen gedachten tot groter vreysen, tot [56] dieper oetmoedicheit, tot vueriger mynnen, ende tot bor- 56 [57] nender begherten der hemelscher dinghen. [58] Ende oec sal hi hem mit gueden ghedachten indrucken in 58 [59] dat liden ende in die wonden ons lieven Heren, ende me- [60] delidende sijn mitten armen sunderen, hem selven bevelende 60 [61] in den heiligen ghelove der heiliger moeder der heiliger Ker- [62] ken, ende niet te hopen noch betrouwen op sijn eighen ver- [63] dienten, mer in die godlike guedertierenheit. Want dit hei- [64] lighe Sacrament, alst openbaer is, is inghesat in gehoechenis te seer ongeordineert zeer weinig geneigd 40 als namelijk, bijvoorbeeld cranck zwak, ziek 42 verdorven in hem selven onmachtig, ellendig van binnen 43 laten gaen nalaten te gaan 48 sunderlinge vooral, bijzonder 50 der gheen noet en is die niet noodzakelijk zijn ocsuyn gelegenheid, aanleiding 54 hem selven te verwecken zich op te wekken 56 bornender brandende, vurige 58 indrucken indenken 60 hem selven bevelende in zich aansluitende, neerleggende bij 64 alst openbaer is zoals bekend is inghesat in gehoechenis ingesteld ter gedachtenis

95 77 [65] der passien ons lieven Heren ende sijns doets, ende in een [66] pant der mynnen ende der vereningen mit onsen lieven Here [67] Jhesum Cristum. Tot welken Sacrament hi soe voel bat be- 67 [68] reit sal wesen, soe voel als hi volcomeliker stervende is ende [69] gherne sterven wolde der begherten der werelt ende den [70] genoechten des vleisches. [71] Het is dan te weten, mit wat oeffeningen die mensche alre- [72] beste komende is tot desen voerseiden punten, het-si lesen [73] of wat guets te dencken of te beden, of dat woert Gods te [74] predicken, of die werken der ontfermherticheit geistelic of [75] lijflic te doen: mit dien soe wordt die mensche alre-beste 75 [76] bereit werdelic te gaen totten heiligen Sacrament. Ende 76 [77] hier-uut machmen dan verstaen sommiger menschen dwa- [78] linghe, die hem selven voel pijnen aen-doen mit vasten, be- [79] den, waken, soe-dat hoer begeerte verduystert wordt ende [80] beroeft wordt van alre devocien ende innicheit ende alsoe [81] meer gehindert wordt dan gevordert dat heilige Sacrament [82] wael tontfangen, ende behalden somighe gebreken in hem, 82 [83] als werlike begheerte ende vleischelic genoechte of ander 83 [84] quade gewoenten, quade liefden, quade leyt of ander on- 84 [85] nutten troest, die si in hem selven niet gedoet en hebben, [86] noch oec gheinen wille en hebben te doeden, mer lopen daer [87] balde weder toe, meer nae der ontfenckenis des heiligen 87 [88] Sacraments dan si voer deden. Dese voerseide punten in 88 [89] hem selven te doeden ende uut hem te werpen, dat solde si [90] bat bereiden ten heiligen Sacrament werdelic te gaen dan 90 [91] of si dusent psalmen leesen ende behielden die voerseide 91 [92] punten in hem sonder afkeeren. 67 soe voel bat... soe voel als des te beter... naarmate 75 mit dien daardoor 76 werdelic waardig 82 behalden somighe gebreken in hem (zij) blijven enkele gebreken houden 83 werlike wereldse 84 quade liefden verkeerde liefde quade leyt verkeerde smart 87 balde spoedig 88 voer tevoren 90 bat beter 91 leesen lazen behielden die voerseide punten in hem sonder afkeeren de genoemde dingen in zich lieten bestaan zonder zich er van af te wenden

96 78 [93] Die-ghene, die volcomen sijn ende die dat al vercregen [94] hebben daer die voer <t>gaende mensche om arbeidende is, [95] dese gaen ten heilighen Sacrament mit vueriger begheerten, [96] die si hebben tot onsen lieven Here Jhesum Cristum, want [97] si sijnre tegenwoerdicheit niet ontberen en connen. Ende [98] want si hem niet en moegen beschouwen openbaerlic in 98 [99] sijnre godliker glorien, soe willen si doch sijns troest hier [100] gebruyken ende sijn tegenwordicheit hier in den heiligen Sa- 100 [101] crament. Hem verlanget hoeren lieven brudegom te omhel- 101 [102] sen ende hem lieflic te kussen. Si begeren hem te sien, ende [103] gevoeliken te smaken wie suete dat die lieve Here hoer [104] brugom is, op-dat si in mynliker sueticheit ende in der [105] cracht deser hemelscher spijsen moegen wanderen totten 105 [106] berghe Gods, dat is totter ewiger salicheit. [107] Om welke salicheit te vercrigen soe is ons gegheven voer een [108] spijse dat heilige Sacrament, vleische ende bloet ons lieven [109] Heren Jhesu Cristi, die levende is mitten Vader ende mitten [110] heilighen Gheest ewelic sonder eynde. Amen. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 181 v -184 r ) 9 [1] Een schoen exempel van drie clercken 1 [2] Het waren drie clercken, die lagen te-gader ter scholen. 2 [3] Ende die twe plagen costelic te leven nae ghenoechte der 3 [4] werelt, mer die derde leefde redelic ende plach te gaen in [5] der kerken ende beden hem voer onser liever Vrouwen, als 98 niet en moegen beschouwen openbaerlic niet zichtbaar kunnen waarnemen 100 gebruyken genieten 101 hem verlanget zij verlangen 105 wanderen wandelen 1 clercken studenten 2 het waren er waren lagen gingen 3 plagen plachten costelic royaal

97 79 [6] die ander waren in idelheit ende verteerden hoer gelt on- [7] nuttelic. Alsoe dat die twee benijden hoeren derden geselle, [8] om-dat hi sijn ghelt seer redeliken hielt, want si sorchden 8 [9] versproken te weerden van hoeren alderen, om-dat si hoe 9 [10] ghelt soe verteert hadden buten hoeren derden geselle. Ende 10 [11] si versierden enen raet, dat si een seer custelic maeltijt sol- 11 [12] den doen bereiden ende soe wie dat scoenste juweel toende [13] van sijnre vriendinnen, die en solde van dier maeltijt niet 13 [14] gheven, mer die dat snoetste had, die solde al betalen. 14 [15] Want si meynden, dat hi des-ghelijcs niet vercrigen en sol- 15 [16] de moegen, ende brachten hem mit sconen woerden daer- 16 [17] toe, dat hi dat mede-doen wolde, ende meynden dat hijt [18] al betalen solde 18. [19] Ende hi ginc mit bedructen synne voer dat beelde van onser [20] liever Vrouwen als hi plach, ende hi claechde hoer sinen 20 [21] noet mit devocien. Daer-nae ginc hi mit bedructen synne [22] wanderen op een ryvier ende daer quam hem te-gemoete 22 [23] een die alre-scoenste coninginne, gecroent mit eenre cronen, [24] mit voel joncfrouwen, ende hi en dorste sijn ogen niet op 24 [25] hoer slaen. Doe sprac si hem toe ende vraechden hem, hoe [26] hi alsoe bedruct was. Ende hi hedt geerne versaect, mer hi 26 [27] en conde. Alsoe dat hi hoer seide, hoe hi alsulken juweel [28] copen solde als sijn gesellen hadden; ende oec mede, seide 28 [29] hi, benijden si hem, om-dat hi sijn gelt redelic hielt ende [30] dat si dat hoer soe onnuttelic over-brachten; daer-om had hielt beheerde sorchden vreesden 9 versproken berispt alderen ouders 10 buten in tegenstelling met 11 versierden enen raet dachten een plan uit 13 en solde van dier maeltijt niet gheven behoefde voor die maaltijd niets te betalen 14 snoetste onaanzienlijkste al alles 15 des-ghelijcs zo iets 16 moegen kunnen 18 solde: Doe dese simpel clerc hem bedachte, doe sorghede hi, dat hijt al betalen soude addit W 20 als hi plach zoals hij gewoon was 22 wanderen op wandelen langs 24 dorste durfde 26 hedt geerne versaect zou het gaarne verzwegen hebben hi en conde hij kon niet 28 oec mede bovendien 30 dat hoer het hunne over-brachten verkwistten

98 80 [31] den si enen raet bedacht, hoe si hem sijns gelts quijt moch- 31 [32] ten maken. Doen antwoerden hem Maria, dat hi niet ver- [33] saget wesen en solde. Ende si gaf hem enen appel ende hiet 33 [34] hem, dat hi gaen soude in een cloester, dat daer bi-gelegen [35] was: Ende noedt den abt metti ten eten. Ende dan sal hi 35 [36] di antwoerden, dat hi in.xxx. jaren nie buten den cloester [37] en at. Soe segt hem weder, dattet hem die vrouwe ontbiet, [38] die te nacht sijn haren hemde met sijden neide ende leech- 38 [39] det onder sijn hoeft. Ende dan sal hijt geerne doen. Want [40] hi sal seggen: Dier vrouwen en derre ic niet ongehoersam 40 [41] sijn. [42] Ende die abt verwonderde hem seer, hoe dit die clerck ge- [43] weten mocht, ende hi seide, dat hi mit hem solde gaen wan- [44] neer hi wolde. Ende doen dit maeltijt bereit was, doen [45] quam der abt ende ginc sitten bi den clerck ten eten. Ende [46] doen die maeltijt ghedaen was, doen brachten die twe cler- [47] cken hoer yuwelen voert, die daer seer schoen waren. Ende 47 [48] si meynden hoerren gheselle vast binnen te hebben. Doen 48 [49] die sympel clerck dese schoen juwelen sach, was hi seer ver- 49 [50] saecht, ende hi viel op sijn knien ende boet den abt sinen [51] appel. Ende die abt vreesde den appel te nemen, want hem [52] Maria den appel ghegeven hadde, mer hi nam en bi den 52 [53] stele. Ende doen toech hi daer-uut dat scoenste mysgewade 53 [54] van siden, dat hoere enich ie ghesien had, ende was voel 54 [55] scoenre boven alle die ander juwelen. Ende aldus bleven 55 [56] die twe ander confuys 56. [57] Ende dese clerck bleef voert dienende Maria onser liever quijt afhandig 33 hiet beval 35 metti bij u 38 neide naaide leechdet legde het 40 derre durf 47 voert te voorschijn 48 vast binnen te hebben zeker overtroffen te hebben 49 sympel eenvoudige 52 en hem 53 toech trok 54 hoere enich iemand van hen ie ooit 55 scoenre boven schoner dan 56 confuys beschaamd 57 voert voortaan

99 81 [58] Vrouwen, sijnre ghetrouwer vriendinnen ende hulpersse, mit 58 [59] groten vlijt ende mit devocien alle die daghe sijns levens. [60] Deo gracias. (GENT, Universiteitsbibliotheek, hs. 1301, fol. 184 r -185 v ; WüRZBURG, Universitätsbibliothek, ms. ch , fol. 95 v -97 r ) 10 [1] Vanden Gueden Vrijdage [2] Die heilighe Kerke heeft huden hoer ambacht ghetreckt en- 2 [3] de ghenomen van den exemplaer Cristi, daer-nae wy onse 3 [4] leven sullen richten ende corrigeren. Hier-om soe mach dit [5] woert sijn des Vaders, die totter heiliger Kerken sprieckt [6] dat God tot Moyses sprack: Sich ende maeckt nae den 6 [7] exemplaer, dat dy op den berch ghetoent is. [8] Nu sullen wy sien, als wy die passie overlopen hebben, wat [9] huden die heilighe Kerke bedenckt ende <wat> dat betey- 9 [10] kent nae den exemplaer Cristi. [11] Dat ierste is, dat die altaren werden ghebloyt ende ont- 11 [12] deckt. Dat altaer is Cristus, die huden van sijnen cleideren [13] was bloet-ghemaeckt. Cristus hadde drierhande cleider. [14] Die ierste waren mateerlike cleider. Van desen waert hy 14 [15] vanden ridderen ghebloet. Hier-af scrijft David: Sy heb- 15 [16] ben onder hem mijn cleider ghedeilt. 58 hulpersse helpster 2 huden heden ambacht (kerk) dienst, officie ghetreckt ontleend 3 exemplaer voorbeeld 6 sich zie 9 bedenckt herdenkt 11 ghebloyt ontbloot 14 mateerlike stoffelijke 15 ridderen soldaten

100 82 [17] Hy hadde oec een ander cleet: dat was sijn lichame, dat [18] was dat cleet der sielen. Van desen cleyde was huden die [19] siele ghebloet ende beroeft ende was van hem ghelaten, als 19 [20] hy voer hadde ghesproken. Daer-af scrijft sante Johannes: [21] Hy neychde sijn hoeft ende gaf op sijnen gheest. [22] Cristus hadde oec gheestelike cleider: dat waren die aposte- [23] len, die Cristum cierden ende cleiden; want als Ysayas [24] scrijft van Cristo: Mit desen allen als mit enen ornamente [25] salstu werden ghecleet. Van desen cleyderen waert hy ghe- [26] bloet ende van hem allen ghelaten, als Cristus voer hadde [27] ghesproken, als sante Johanne seecht: Ghi sult ghescheiden [28] werden ende my sult ghi alleen laten. [29] ɑ Ten anderen mael soe beweent die heilighe Kerke.iij. [30] nachte ende.iij. daghe den doet ons lieven Heren ende [31] maeckt donckernisse. Hier-mede ghieft men te verstaen, dat [32] die sonne.iij. uren doncker was ende Cristus doet beween- [33] de, of dat drierhande creatueren beweenden sijnen doet. [34] Dat een was die eerde die beefde, ende die sonne die [35] donckerde hoer, ende die enghelen <weenden>, als Ysayas 35 [36] scrijft: Die enghelen des vreden sullen bitterlike weenen. [37] Die ierste creatueren sijn puer lichamlic, die anderen puer [38] gheestelic, die derde sijn van desen tween ghemaeckt als [39] die menschen, als waren die apostelen ende die heilighe [40] vrouwen, die oec seer weenden. [41] Ende die heilighe Kerke weenden oec, dat Cristus.iij. [42] daghe ende.iij. nachte in den grave lach. [43] ɑ Dat derde is, dat men die clocken niet en luydt. Dat is [44] daer-om, want huden sweghen alle die clocken. [45] Cristus hadde.xij. clocken: dat waren die.xij. aposte- 19 ghelaten verlaten als hy voer hadde ghesproken zoals hij had voorspeld 35 donckerde hoer werd verduisterd

101 83 [46] len. Die een clock brack: dat was Judas. Onder die an- [47] deren was een grote clock: dat was sante Peter, die tot 47 [48] enen mael boven die enghelen luyde, doe hi sprack als [49] sante Matheus scrijft: Du biste Cristus, des levendighen [50] Gods Soen. Dese clock verloer hoeren klanck, doe hi [51] Cristum loechende. Ende oec alle die ander apostelen, [52] want sy lieten Cristum 52. [53] Een clocke was oec: dat was Cristus selve, die in sijnen [54] leven niet af en liet van luyden, dat was van predicken. [55] Ten lesten waert dese clocke opverhaven in dat clockhuys 55 [56] des crucen. Daer gaf hi enen sueten klanck in den oren [57] des Vaders, doe hi sprac: Mijn God, mijn God, waer- [58] toe heefsdu my ghelaten? Hy gaf oec een luyt der 58 [59] groter mynnen, doe hy sprack: Wijf, siet hier [60] dijnen soen. [61] Hy gaf oec een luyt der groter pijnen in die oren alle der [62] lude, die daer by-waren; hier-af scrijft Jheremyas: O [63] ghi alle, die over die weghe gaen, merckt ende besiet of [64] enyghe pijn is, die mijnre pijnen ghelijckt. Dese clocke [65] die luyde of sy riep alsoe voel, dat sy heesche waert ghe- 65 [66] maeckt; hier-af scrijft David: Ic hebbe ghepijnt gheroe- 66 [67] pen, ende mijn kele is heesche ghemaect. Ten lesten [68] brack dese klock, ende te.v. steden waert sy doer-ghe- 68 [69] boert, ende doe sweech sy ende ten lesten verloes sy hoeren [70] klanck. [71] Een ander clock was oec: dat was Maria, die alsoe suet [72] luyde, dat sy den Soen Gods van den hemel dede comen, [73] doe sy sprack: Siet die deerne des Heren. Sy luyde oec [74] alsoe suet, dat sante Johannes hem verblijde in sijnre moe- [75] der lichame. Dese clocke waert huden mitten sweerde des 47 tot enen mael éénmaal 52 lieten verlieten 55 opverhaven opgeheven 58 luyt geluid 65 waert ghemaeckt werd 66 ghepijnt gekweld, in mijn kwellingen 68 te.v. steden op vijf plaatsen

102 84 [76] rouwen doerboert, daer-af scrijft Lucas, ende daer-van [77] verloer sy hoeren klanck. [78] Een ander clock was oec: dat was die ghemeynschap alre [79] creatueren. Dese gaf drierhande gheluyt. Want sy pre- [80] dickde die macht Gods, van hoere groetheit; Gods wijs- [81] heit, van hoere ordininghe; ende Gods guetheit, van hoere [82] orberlicheit. Dese clocke sweech huden, alsoe voele dat 82 [83] sy te-male ghescheynt was. Hier-af seecht sante Bernaert: 83 [84] Van deser sunden nam wonder ende vreyse die ghemeyn- 84 [85] schap alre creatueren, ja dat sy wel-nae tot hoere ierster 85 [86] duysternisse waer comen. Daer-om oec die phylosophen, [87] doe sy saghen, dat die sonne verghinck teghen natuer, doe 87 [88] spraken sy: Die ordeninghe der natueren sal verghaen, [89] of die elementen lieghen, of si sijn ghebonden, of God der [90] natueren lijdt ende die elementen hebben compassie over [91] hem. [92] ɑ Dat vierde is, dat men huden die tafel slaet 92. [93] Dat beteykent dat roepen des crucen, dat riep over die [94] quaetheit der Joden ende over die ontscholt Cristi. Ten 94 [95] anderen mael beteykent ons dat roepen des bloets, ende [96] dat riep mit ons ende teghen ons. Mit ons riept ende ey- 96 [97] schet ontfermherticheit van den Vader; hier-af seecht [98] sante Pauwels: Ghi sijt gheghaen totter stortinghe des [99] bloets, dat bat seecht dan Abels bloet. Dit bloet roept 99 [100] oec teghen ons sunderen, als Job seecht: Eerde, en be- 82 orberlicheit nuttigheid alsoe voele in zover 83 te-male grotelijks ghescheynt geschonden, beschadigd 84 nam wonder ende vreyse werd geslagen met ontsteltenis en vrees 85 ja dat sy wel-nae zodat zij zelfs bijna 87 verghinck verduisterd werd 92 die tafel slaet met de ratel klept 94 quaetheit slechtheid ontscholt onschuld 96 riept riep het 99 bat seecht beter spreekt, welsprekender is

103 85 [101] decke mijn bloet niet, noch mijn roepen en moet in dy 101 [102] vijnden stat te sculen. Dat bloet Cristi dat is verborghen [103] in hoere memorien, want sy en hebben sijns egheen ghe- [104] denckenisse in hoere verstentenissen, want sy en hebben 104 [105] hem in egheen meditacie of ghepeyns of oec in hoeren 105 [106] wille, want sy en hebben egheen devocie of ynnicheit 106. [107] Ten anderen mael: die luyt der tafelen beduyt dat schen- 107 [108] delike roepen, dat in der hellen was. Want doe Cristus [109] die helle ende die poerten der hellen te-brack, doe riepen 109 [110] gheweldelike die enghelen: Ghi princen, duet op u poer- 110 [111] ten, want die coninc der glorien sal daer in-ghaen. Die [112] heilighe vaders die jubeleerden, ende die verdoemden [113] weenden, ende die duvelen die huylden. Aldus was die [114] gheluyt ghemenghet van den-ghenen, die daer weenden [115] ende die hem verblijden. Hier-om is ghescreven dat nyement [116] en mochte bekennen dat roepen ende dat wenen 116. [117] Ten derden mael soe slaet men die tafel om te wecken die [118] bedruefenisse ende rouwen, want huden soe swijcht die [119] heilighe Kerke van allen sanghe der blijtscappen ende [120] maeckt sanck des rouwen. Die clocken swijghen, ende die [121] tafelen, die voer die clocken luyden, sijn die lamentacien, 121 [122] dat is die yamersanck 122. [123] ɑ Dat vijfde is, dat wy die passien der heilighen be- 123 [124] ghaen mit blijtschappen, mer die passie Cristi beghaen wy [125] mit droeffenissen. Ende dit is die sake waer-om: die pas- 125 [126] sien der heilighen die leden sy om hoers selfs wille ende 101 en moet in dy vijnden stat te sculen moge in u geen schuilplaats vinden 104 want... verstentenissen want zij hebben het niet voortdurend in hun verstand, in hun gedachten 105 ghepeyns overdenking 106 ynnicheit vroomheid 107 schendelike ellendige 109 te-brack verbrak 110 gheweldelike uit alle macht duet op doet open 116 bekennen onderscheiden 121 voer in plaats van 122 yamersanck klaagzang 123 beghaen herdenken 125 sake oorzaak, reden

104 86 [127] omdat sy daer-mede verdienden dat ewige rijcke; ende [128] daer-omme verblijden wy ons mit hem, want sy totter [129] vrouden comen sijn. Mer Cristus en waert niet om sijnen 129 [130] wille ghedoet, mer om onser sunden wille te verdrijven. [131] Het is oec een ander sake, waer-om dat wy weenen sul- [132] len. Want die eerde beefde ende weende; die sonne [133] weende, doe sy doncker waert. Die vrouwen ende die apos- [134] telen weenden: sante Peter weende, Maria weenden, die en- [135] ghelen weenden, Cristus selver weenden, als Ysayas scrijft. [136] Hadt moeghelic gheweest te spreken, die Vader, doe hy 136 [137] sach sijnen Soen alsoe jamerlike ende onweerdeliken han- 137 [138] delen, solde hem bedrueft hebben. Onder alle desen, die [139] hem aldus jamerliken hielden, en solde billics nyement 139 [140] verblijden. [141] ɑ Dat sesde is, dat die misse huden en heeft beghynne [142] noch eynde: tot enen teyken, dat die-ghene, die onse be- [143] ghinne ende eynde is, van ons is ghevaren. Die-ghene oec, [144] die in tribulacien is, die en behoeft egheenre benedixien, [145] mer hy behoeft compassien: daer-omme en singhet men [146] niet Benedicamus. Die misse en heeft oec gheen myddel, 146 [147] want die hostie en wort niet gheconsacreert: om dese sake, [148] want die ghewaer hostie is huden den Vader gheoffert 148. [149] ɑ Dat sevende is, dat wy dryewerf knyelen voer dat [150] cruce: daer-om, dat wy den-ghenen eeren, die doer ons [151] driewerf waert bespot: van Herodes, die Cristum een [152] witte cleet aen-dede; van den ridderen, die hem mit doer- [153] nen croenden; ende van den Joden in menigherhande [154] manieren. 129 vrouden vreugde 136 hadt moeghelic gheweest te spreken als men het had kunnen zeggen 137 handelen behandelen, behandeld worden 139 die hem aldus jamerliken hielden die in zulk een deerniswekkende toestand waren billics vanzelfsprekend 146 myddel midden 148 ghewaer waarachtige

105 87 [155] Wy doen oeck dat ambacht in gryexscher tongen ende in 155 [156] latijn. Want dese.ij. tonghen beden Cristum aen. Ende 156 [157] die Hebreusche tonghe swijcht, want sy en gheloeft niet [158] aen Cristum. [159] ɑ Dat achde is, dat wy voer dat cruce op die eerde ne- [160] der-vallen ende cussen dat cruce. [161] Want Cristus waest, die hem totter eerden neychde om 161 [162] onsen wille, doe hy die menscheit aen-nam. Hy ghinck 162 [163] hem selven uut, seecht Paulus, ende nam aen eens [164] knechts forme. 164 [165] 165 Hy neychde hem oec ter eerden, doe hi mitten menschen [166] wanderden: Hy is op der eerden ghesien ende heeft mit- 166 [167] ten menschen ghewandelt. [168] Hy is overmits der doet ter eerden ghecomen ende oec 168 [169] doer der eerden ghevaren. Hier-af sprieckt Cristus, als 169 [170] Salomon scrijft: Ic sal doer dat nederste deel der eerden 170 [171] ghaen, ende sal sien alle die daer slapen, ende wille ver- [172] lichten alle die in den Here hopen. [173] ɑ Dat neghende is, dat die heilighe Kerke huden bidt [174] voer alle die menschen. [175] Ende <die> reden waer-om: want Cristus was huden [176] herde ghenadich in spreken, doe hi sprack, als Lucas [177] scrijft: Vader, vergheeft hem, want sy en weten niet wat [178] sy doen. [179] Hy was oec herde mylde int gheven, want om een cleyne 179 [180] bede ghaf hy den moerdenaer dat hemelrijck. 155 tongen taal 156 beden Cristum aen aanbidden Christus 161 waest was het 162 hy ghinck hem selven uut hij ontdeed zich van zichzelf (Philippensen II. 7) 164 forme gedaante 166 wanderden wandelde 168 overmits door 169 doer der eerden ghevaren nedergedaald tot onder de aarde 170 Salomon = Jhesus Syrach 179 herde zeer

106 88 [181] Hy was oec herde mylde int verloesen, want hi gaf daer- [182] omme alle sijn bloet. [183] Hier-om soe is die heilighe Kerke oec mylde in bidden [184] ende ghenadich in sparen. [185] ɑ Dat tiende is, dat alle guede kersten-menschen pleghen [186] huden alle die kerken ende die altaren te visenteren, ende 186 [187] het sijn.iij. saken waer-omme. [188] Die ierste is: want dese visentacie beteykent dat vanden [189] <grave>, of visitacie der apostelen ende der heiligher vrou- [190] wen, die sy deden ten grave ons Heren. [191] Die ander is Cristus: want hy visenteerde huden alle die [192] heilighen die van aenbeghinne der werelt gheweest heb- [193] ben, doe hy totter hellen voer. [194] Dat derde is: die heilighen sijn huden herde mylde, want [195] sy sijn als op desen dach van den kerker verloest, ende [196] in dat hemelsche rijcke verhoecht. 196 [197] Hier-om dan soe vysenteren die guede lude die heilighen, [198] die verloest sijn ende in hemelrijck verhoecht: dat sy hem 198 [199] verwerven aen den mylden Cristum dat ewighe rijcke. [200] Dat gonne ons die Vader ende die Sone ende die heili- [201] ghe[ghe] Gheest. Amen. (GENT, Universiteitsbilbiotheek, hs. 1301, fol. 186 r -191 v ) 186 visenteren bezoeken 196 in dat hemelsche rijcke verhoecht tot het hemels rijk verheven 198 dat sy hem verwerven aen opdatzij hun verwerven van

107 89 11 [Inden name ons Heren Jhesu Cristi] [1] Inden name ons Heren Jhesu Cristi. Een kijnt is ons [2] gheboren ende een soen is ons gegheven, voer een groete. [3] Wetet, lieve susteren in onsen Heren Jhesu Cristo, want [4] wi nu alte-samen in desen werdighen heilighen hoechtide [5] hebben ontfanghen, als ic hope, dat lieve suete mylde- [6] hertighe kijnt ende dat ghenuechlike kijnt Jhesum den [7] ghesontmaker, ende op-dat dat kijnt in ons blive ende [8] een woninghe in ons make nummermeer van ons te schei- 8 [9] den: soe moeten wi sijnre nau waer-nemen ende vlitelike 9 [10] voersichtich wesen in sijnre hueden. Wat sullen wi dan 10 [11] doen den kijndekijn dat ons is gheboren? Dat wil ic u mit [12] sijnre hulpen bescryven. [13] Ten iersten sullen wi dat kijnt [wijnden] bakeren biden [14] vuer. [15] Ten anderen mael sullen wi dat kijnt wijnden ende ter 15 [16] wieghen brenghen. [17] Ten derden mael sullen wi dat kijnt nauwe waren. 17 [18] Ten vierden mael sullen wijt op-helpen. 18 [19] Ten vijften mael sullen wijt baden ende wasschen. [20] Ten sesten mael sullen wijt voertbrenghen uut den bade. 20 [21] Ten sevende male sullen wij hem teten gheven. 21 [22] Hier-om so moeten wi sueken bequame voedersche tot 22 [23] desen ambochten, ende den sullen gheen alde voedersche 23 [24] wesen, mer jonghe jofferkens, die dat kijnt vlitelike wa- [25] ren, dat gheboren is van eenre joncfrouwen; als ghescre- [26] ven steet inden psalme: Die joffrouwen sullen toe den [27] coninc na hem werden gheleit. Ende want dan den jonc- 8 nummermeer nooit 9 sijnre nau waer-nemen hem zorgvuldig oppassen 10 in sijnre hueden bij het bewaken van hem 15 wijnden inwikkelen 17 nauwe waren nauwlettend bewaken 18 wijt wij het 20 voertbrenghen optillen 21 teten te eten 22 voedersche voedsters 23 ambochten taken

108 90 [28] frouwen niet en gheboert alleen te gaen, so sullen twe ende 28 [29] twe te-samen gaen tot ilken voersegheden ambochte. 29 [30] Ten iersten sal men dat kijndekijn bakeren. Ende wantet [31] niet en beteemt dat suete kijndekyn in onreynen duekeren 31 [32] te winden, soe sullen daer-toe comen twe jofferkens ende [33] sich daertoe geven die doekerkeijns vlitelic te wasschen. 33 [34] Die een wasschet se, ende ghelavet se al daghe te wasschen 34 [35] ende so vlitelic te wasschen, dat se van versicheit sullen 35 [36] wael ruken. Ende dese joncfrouwe is gheheiten Rouwe, 36 [37] die daer sprict inden psalm: Ic sal op alle nachte was- [38] schen mijn bedde, ende mit mijnnen tranen netten mijn 38 [39] ghespreide bedde. [40] Die ander joncfrouwe die henghet die ghewasschen slet- 40 [41] terkens in die sonne, soe-dat die waer sonne reynige se 41 [42] van alre onreynicheit. Ende dese is gheheiten die Bicht, [43] die daer spreket inden psalm, vervrouwende: Ic heb ghe- 43 [44] sproken, dat ic sal bijchten den Here mijn boesheit teghen [45] my. [46] Ten anderen mael sullen wy dat kijnt bewinden ende in [47] die wieghe legghen. Ende daer sullen oec sich twe jof- [48] ferkens toe geven ende offeren. 48 [49] Een die dat beddekyn alsoe vliteliken bereiden, dat si [50] daer gheenre-lei-wijs iet onreynes of hardes op laet, ende [51] dese heit die Puerheit, die dan wael mach roepen: Mijn [52] lief, ons bedde is bloiende blinckende ende rodachtich, [53] als ghescreven steet in <den> boec vander gotliker myn gheboert betaamt 29 ilken elke voersegheden voornoemde 31 duekeren doeken, luiers 33 daertoe geven er op toeleggen 34 ghelavet belooft 35 versicheit frisheid 36 rouwe berouw 38 netten nat maken 40 sletterkens doekjes, luiertjes 41 waer waarachtige 43 vervrouwende zich verheugend, opgewekt 48 offeren aanbieden 53 boec vander gotliker mynnen Hooglied

109 91 [54] nen. Anders en wil daer niet rusten die wijsheit, want in [55] een quade onwillighe siele en wil niet rusten die wisheit. [56] Die ander leghet dat kijndekijn neder op dat bedde ende [57] dese heitet die Gotlike Mynne, die Jhesum leghet op hoer [58] herte, ende in-weindet in die suete duekerken der gueder [59] ghedachten ende begheerten, ende bindet om mitten ban- 59 [60] den der mynnen, daert alleen mede ghebonden wort. Ende [61] wanneer si dit al heeft vervult, so mach si spreken als ghe- [62] screven staet inden boec der gotliker mynnen: Mijn lief [63] is mijn ende ic bijn sijn, ende sal rusten tusschen mijnen [64] borsten. [65] Ten derden male, dat kijndekeijn te hueden ende te bewa- [66] ren so offeren sich oec twe joncfrouwen. [67] Die een bewaert hem van allen gherucht, ende die heit [68] Rusticheit, die niet biden weghe der wagenen ende der [69] karren, noch in vergaderinge der clapsigher susteren of 69 [70] joncfrouwen, mer in dat alre-heimelicste slaepcamerken [71] behuet ende bewaert. Ende altehant als sy iet quades ver- 71 [72] neemt overmits inlatinghe hoerre uutwendigher sinne, te- 72 [73] hant soe roepet sy, als ghescreven steet inder coninghe [74] boec: Wie bistu, die ontrustiges den coninc? 74 [75] Die ander die bewaert hem van allen overloep: dese heit 75 [76] Emulacio, dat is Neerstighe Huede, wilke huede niet sca- [77] delikes en let inden huse des herten. Ende weert sake dat 77 [78] si saghe dat die oren of die ogen of die ander synne yet [79] quades in-lieten gaen, soe mach si roepen, als ghescreven [80] steet: Ghi sijt allegader kijnder des dodes, want ghi niet [81] en bewaert uwen here den coninc. Hier-af spreket die 59 om hem 69 clapsigher snapachtige 71 altehant terstond 72 overmits inlatinghe hoerre uutwendigher sinne omdat haar zintuigen (het) hebben binnengelaten 74 ontrustiges stoort 75 overloep aanval, aanranding 77 let binnenlaat weert sake dat indien

110 92 [82] apostel sunte Peter: Wie sal u hinderen, ist dat ghi guede 82 [83] neernstige huedes sijt? 83 [84] Ten vierden mael, dat kijndekijn op te helpen soe offeren [85] sich oec twe jofferkens. [86] Die een wect om ende ontwindet so ducke als ur dat wer- 86 [87] cke der mynnen veelt. Dit is die Guede Ghedachte, die 87 [88] alle verborghen dinghen ende die figurren ontwindet, als 88 [89] van Aarons rode die bloiede ende vrucht voert-bracht, 89 [90] ende vanden bussche den Moyses sach vlammende ende 90 [91] nochtant niet verbrant, ende voert deser-ghelike daer dit 91 [92] kijnt in is ghewonden als in duekeren. [93] Die ander spreket hem toe, ende nochtant niet sonder or- 93 [94] lof, sprekende in dat beghin van der metten: Here, du [95] salt op-doen myn mont. Dit ist Ghebet, wes stem suet is 95 [96] inden oren. [97] Dan soe singhen sij te-samen: Staet op, Here! Waer-om [98] slaepstu? seghet die Ghedachte. Ende dat Ghebet sprect [99] voert: Staet ende en wilt niet verderven in dat einde, 99 [100] als daer steet inden salme. 100 [101] Ten vijften male, dat kijndekijn te baden offeren sich [102] oec twe jofferkens. [103] Die een macket dat batken: dat is die Mildicheit. Wan- 103 [104] neer sy siet die Ghedachten vanden kijndekijn ende die [105] Misterien, ende hoert dat Ghebet singhende, soe trecket 105 [106] sy uut dat water der conpunctien ende medelidens, seg ist dat indien 83 huedes bewakers 86 wect om ende ontwindet wekt het en maakt het los (uit de wieg) ducke dikwijls ur haar 87 veelt beveelt 88 figurren voorafbeeldingen ontwindet verklaart, uitlegt 89 rode roede, staf 90 bussche bos, struik 91 voert deser-ghelike dergelijke meer 93 orlof verlof 95 op-doen openen wes waarvan de 99 in dat einde ten einde toe (in finem) 100 salme psalm 103 macket maakt gereed 105 trecket sy uut haalt zij op (als uit een put) 106 conpunctien berouw

111 93 [107] ghende: Mijn siel is vuchtich gheworden, als mijn lief 107 [108] ghespraken hevet, ende dat inden psalme steet: Mijn [109] herte is gheworden als een weic-vloiende was int middel 109 [110] mijns buckes. [111] Die ander heltet kijnt inden bade, seghghende: Ic heb 111 [112] hem ghehalden ende en sals niet laten gaen. Ende die 112 [113] Mildicheit die dient ende brenghet dat water. [114] Ten sesten mael, dat kijndekin uutten bade te draghet of- 114 [115] feren sich oec twe. [116] Die een draghet om, als sunte Pauwel seget: Glorificiert [117] ende draget Got in uwen licham. Dit is die Ghehoer- [118] samheit, die niet als een grof mensche achter op den rug- 118 [119] ghe thegen dat herte draghet, mer als een moeder voer oer 119 [120] op hoer borste tusschen die armen, naden dat ghescreven 120 [121] steet inden boec vander gotliker mynnen: Sette my als [122] een teyken op dijn herte ende als een teyken op dijn [123] arme. [124] Die ander, op-dattet sijn scheenken niet en stoet anden [125] steen der onlijdsamheit of van enigher saken sijn voetekijn 125 [126] quetsc<h>e ende valle, soe seghet se: Die sich waent te [127] staen, die sie dat hi niet en valle. [128] Dan so seggen si te-samen: In horen handen sullen si di [129] draghen, seghet die Ghehoersomheit, ende so antwort die [130] Voersienicheit: Op-dattu niet en moeies dijnen voet an- 130 [131] den steen. [132] Ten lesten, dat kijndekijn te voeden offeren sich oec twe. [133] Die een voedet om: dat is die Barmherticheit, die sijn le- 107 vuchtich vochtig, smeltend (liquefacta) als toen 109 weic-vloiende weke (en) vloeibare (liquescens) 111 heltet houdt het 112 sals zal het 114 draghet = draghen 118 grof dik, zwaar, groot 119 oer haar, zich 120 naden overeenkomstig hetgeen 125 onlijdsamheit ongeduld 130 voersienicheit vooruitziendheid moeies bezeert

112 94 [134] dekijn voedet, daer onse lieve Here seghet inde<n> [135] ewangel<i>o: Ic heb ghehonghert ende ghi hebbet my [136] ghespiset, ende voert als hi daer seghet: <...>. Dese 136 [137] en maket niet van clien als den verken, mer vanden alre- 137 [138] leckersten meelkijn maket si dat peppekijn als enen clei- 138 [139] nen kijndeken, mitter melic der sachtmodicheit ghetem- 139 [140] pert. Dan soe ghift si hem enen appel in sijn handekijn, [141] segghende als daer steet ghescreven: Al alde ende nie 141 [142] appelen heb ic di ghehalden, mijn lief. 142 [143] Die ander gheeft hem sughen: dat is die Sachtmoedicheit, [144] die vanden borsten des herten suete reden ende sermonen 144 [145] uyt-<s>uucht. Want als die douwe vercuelt die heitte der 145 [146] sonnen, soe sal een suet woert versachten die neernstach- 146 [147] tighe barmherticheit. Hier-van seghet dan dat kijnt: Dijn [148] lippen sijn een drupende honichraet; honich ende melic [149] onder dijn lippen. [150] Hier-om, wanneer dese jofferkens aldes hore ambochten 150 [151] vervullen vlitelic, soe west dit kijnt Jhesus in altheit ende 151 [152] in wijsheit bi Gade ende biden menschen. Amen. (BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. oct. 353, fol. 138 r -142 r ) (Aan het laatste gedeelte van deze preek herinnert het fragment op fol. 25 r van het handschrift van Kasterlee, uitgegeven in Ons Geestelijk Erf, VIII (1934), 254; hier naar een fotografische reproduktie verbeterd:) 136 voert vervolgens 137 clien zemelen den verken voor het varken 138 meelkijn fijn meel 139 melic melk ghetempert vermengd, vochtig gemaakt 141 al alde ende nie alle oude en nieuwe 142 di ghehalden voor u bewaard 144 reden woorden 145 als zoals vercuelt tempert 146 neernstachtighe barmherticheit ernstige barmhartigheid, ernst van de barmhartigheid 150 aldes aldus 151 west groeit, neemt toe altheit ouderdom, leeftijd

113 95... <son>der twivel wi gaven hem al dat wi hadden, ende onse herte gaven wi hem oec. Die ander hiet Saechtmoedicheit ende Vredsamheit in woerden, in werken ende in gedachten ende in dat bynnenste onser borsten. Dese joncfrouwe sal dat kijnt vermaken ende speelen op eenre vedelen, ende dat is een goedertieren bewise voer die sieken. Ende ten lesten sal si den kijnde enen appel braden. Ende dan mach si seggen metter mijnnender zielen: Die nyeuwe ende die oude appelen heb ic dy gehouden, mijn uutvercoren lijf. Ende als wi dat kijnt aldus op-voeden, soe sullen wi dat loen ontfaen dat God selve is. Welc loen u ende mi ende alle menschen gonnen moet die Vader, die Soen ende die heilighe Gheest. Amen. 12 [1] Een seer suverlick sermoen van drierhande tafelen: [2] die sullen wij nu claerliken beduden op dat [3] woert: Du heves een taefel bereeit. 1-3 [4] Gaet voer-bij herwaerts ende verciert ons die taefel, ende [5] dattu gereit hebste in dijnen handen, dat deilt den ande- [6] ren mede. [7] Susteren, ghi hoert alrede wael, waer mijn herte hentien 7 [8] wil. Ghi weet oeck wael, dat ic niet en meynde die taefel [9] daer dese arme romp mede gespiset wort, meer ic meynde [10] die taefel der ynniger zielen. 10 nbsp; 1-3 Een schoen sermoen opten tweeden sondach na pinxten: Eenre-hande mensche maecten een groet avontmael ; ende vander vrouden des ewigen levens. Gepredict van brueder Jan Brugman, doctoer inder godheit K 7 hentien heengaan 10 ynniger devote

114 96 [11] Sal<o>mon hadde voel vriendynnen, mer onder hem al- [12] len hadde hij een moerynneken, die om alre-liefste was. 12 [13] Des-gelikes hevet onse lyeve Here een moerynneken ende [14] noch een brunneelliken ende noch voel meer brunneellikens. 14 [15] Geesteliken te verstaen soe is dat morynneken die men- [16] schelike natuer, ende die brunneellikens die helige Kerke, 16 [17] ende die voel brunneellikens dat sijn die geloevige sielen. [18] Onse lieven Here had alsoe groete begeerte totter men- [19] scheliker natueren ende totten zielen te verloesen, dat hem [20] die mijnne der zielen neder-toch uutten schoet des Vaders 20 [21] inden licham der uutvercarere maget Maria sijnre liever [22] moder. Mer hi bleef hier een corte tijt nae-dat hij lange [23] begeert was. Een vraghe hier-op: Here, mij verwoendert 23 [24] des, nae-den dat gij soe lange tijt begeert waert ende doe [25] gij gecomen waert, dat gij soe corte tijt bij ons bleeft. [26] Want een mensche, den nae sijnen lieven vrient herteliken [27] seer verlanget heeft ende groete begheerte hevet ghehadt [28] toe sien, ende wanneer hi gecoemen is, dat hij dan soe [29] haesteliken weder en-wech scheit, dat vermeeret die droef- [30] heit. Al des-gelikes ist mitten olden vaderen. Sij hadden [31] om u seer neernsteliken geroepen ende u wael wijf-dusent [32] jaer begeert mijt screyen ende suchten. Doe gij quamt, en [33] liet gij u niet dan xxxiij jaer sien, ende gij waert rech als [34] een wendeleer ende een wechverdich man ende als een die [35] vuir gehaelt hevet, als die propheete Jherimias gespraken [36] hevet. Want gij waert recht als een die sijn coern maeit: [37] ghi maeident, gi dorstent, gi wondet ende pijnden u weder moerynneken zwartje 14 brunneelliken brunette 16 die brunneellikens = dat bruynnelliken is K 20 neder-toch deed nederdalen 23 hier-op naar aanleiding hiervan 37 wondet wande het

115 97 [38] en-wech te comen. Trouwen, Here, ic riet u oec, want gij 38 [39] wort hier quelliken gehantiert. 39 * * * [40] Gaet voer-bi herwert ende bereidet ons of verciert ons die [41] taefel. [42] Wij lesen inder heliger scrieftueren van drien tafelen: die [43] ierste taefel is die taefel der figueren ende der scriftuere- 43 [44] [re]n, die ander taefel der gracien, die derde taefel der [45] glorien. * * * [46] Onse lieve Here hevet drie taefelen bereit: een inder [47] woestijnen, die ander opt hoy, die derde inden aventmael. [48] Die ierste taefel was die taefel der vostijnen, daer hij vijf- [49] dusent mensche spijsden van vijf garsten-brode ende van [50] luttel vissche. Die vijf garsten-broede beteikenen die vijf [51] bueke Moysi, ende recht als die garste scarp ende hart is [52] ende blieft hem inden tande hangen: alsoe waren die vijf [53] Moyses-bueken. Ende die figueren ende prophecien in den [54] olden testement waren duister ende swaer te verstaen, ende [55] die olde vaders lagen daer-aen en knachden recht als [56] <aen> een corste ende en conden niet verstaen. Sij had- 56 [57] den die corst ende wij hebben die krume: dat sij hadden [58] inder figueren, dat hebben wij in waerheit. [59] In der bibelen steet gescreven, doe onse lieve Here die [60] kijnder Israhel leyden uut Egipten int land der beloeften [61] doer die vostine, doe hadden sij gebreck van brode ende [62] van noet-droefen. Doe mormeyerden sij teghen God ende trouwen voorwaar 39 quelliken gehantiert slecht behandeld 43 figueren voorafbeeldingen 56 aen addit K 62 noetdroefen levensmiddelen

116 98 [63] seiden: En mach God niet een taefel bereyden inder [64] wostijnen? Recht of sij seggen wolden: Neen, hij en [65] heves geen macht. Mer dat logen sij valschelick. Doe [66] liet onse lieve Here regenen manna, dat is hemels-broet, [67] alsoe aver-vloedeliken, dattet daer lach op der eerden al- [68] soe wit recht oft gerijpt of gesnyet hed geweest, ende 68 [69] hadde alle sueticheit van smake in hem. Dit was een fi- [70] guer van den heligen Sacrament. Mer sij waren ondanc- [71] baer ende spracken: Wan, hoe suet is dit broet! Ons 71 [72] walget van deser sueter lacker-spisen. Daer-om begeer- 72 [73] den sij vleis, dat sij in Egipten plagen te eten. [74] Die ander taefel hadde onse lieve Here bereit inder wos- [75] tijnen opt hoy. Daer gaf hi der scharen tarwen-broet, [76] dat was smakeliker dant garsten-broet, ende dat beduyt [77] die helige scriftuer, die wij nu hebben. [78] Die derde taefel had hij bereit inden avent-mael. Daer [79] gaf hi puck der terwen, dat was sijn helige licham. Doe 79 [80] daer-af gehaeft ende gebrast was, doe ginck men daer-af [81] maken een panne-croese, dat was dat helige Sa<c>ra- 81 [82] ment. Jhesu was daer gast ende weert, ende des anderen [83] dages wart hi gebraden aen den cruce. * * * [84] Sancte Lucas scrieft in den ewangelio van den vrient, die [85] des nachtes quam tot sijnen vrient ende bat oen om drie [86] broede te lenen, dat is: dat broet der kennenisse, dat 86 [87] broet der mijnnen ende dat broet der crachten. 68 gesnyet gesneeuwd 71 wan ach 72 lacker-spisen lekkernij 79 puck een beste soort doe daer-af gehaeft toen daarvan feestgevierd 81 panne-croese = pannen-koeck K 86 lenen: hi seit vrient ende niet vrienden, want het sijn drie Personen ende een Wesen; ende hi bad hem om drie broden te leenen addit K

117 99 [88] Die Vader seit: Kent mij ende mijnet my ende dient mij. [89] Wij en cunnen of wij en willen noch wij en vermoegen [90] nyetes niet van ons selven. Dat wij niet en cunnen, dat [91] sullen wij eyschen vanden Soen; ende dat wij niet en wil- [92] len, dat sullen wij eysschen vanden heligen Geest; dat wij [93] niet en vermoegen, dat sulle wij eyschen van den Vader. * * * [94] Wy lesen van drier-hande tafelen in der heliger scriftuere: [95] <die eerste tafel, dat is die tafel der heiliger scriftue- 95 [96] ren;> die ander is die tafel der gracien, dat is die tafel [97] des heligen Sacramentes; die derde taefel is die tafel der [98] glorien ende der crachten. Die ierste tafel lesen wij, die [99] ander geloeven wij, die derde hapen wij. [100] Die ierste is die tafel der scriftueren, die had lange ge- [101] slaeten geweest. Daer was een put in Aram ende hij was [102] wonderlike diep ende daer lach enen groten steen op, ende 102 [103] daer gijngen die hierden ende die hierdinnikens ende hue- 103 [104] den die cudde ende oer vee. Ende het geviel dat Jacob [105] die patriarch daer voer-bi-ginc ende sach die hierden ende [106] die hierdinnekens ende hoer cudde, ende hi sach sij arbei- [107] den ende sij hadden dorst, ende hij ginck sij alle voer-bij. [108] Mer onder hem allen sach hij die schone Rachel, daer hij [109] sijns hertzen oge op gewoerpen had. Doe hij sach, dat sij [110] arbeiden ende dat oer doersten, doe greep hi tien man [111] crachten ende nam den steen ende warp den af, dat hij [112] wijentelden. Doe sprack Jacob tot Rachel: Nu drin- [113] cket, mijn alre-liefste! Ende Rachel dranck, ende die [114] hierdekens ende die hierdijnnekens droncken ende hoer [115] vee, ende Jacob dranc alre-ierst die eerste... scriftueren addit K 102 op: die nyemant afgedoen en conde addit K 103 hierden herders 115 dranc: oec, mer hi dranck addit K

118 100 [116] Bij Jacob versteet men Cristo, die quam ende sach drie 116 [117] cudden. Ende dat ierste cudde waren die gevallen enge- [118] len, die <ginck> hij voer-bi ende hadde daer geen ont- 118 [119] farmenisse op. Dat ander cudde was die olde sijnnagogen, [120] die sach hi oec ende ginck voer-bi. Mer doe hij sach dat [121] derde cudde, dat waren die-ghene die totten geloeve be- [122] kiert sullen werden, die beteikent sijnt bij der schoenre [123] Rachel, daer hij sijns hertzen oge op geworpen hadde, [124] want Rachel beduyt alsoe voel als een scaepken Gades: [125] doe hij sach, dat sij arbeiden ende dat sij dorst had, doe [126] greep hij tien mans cracht ende warp den steen van den [127] put. [128] Die put beteikent ons die helige scriftuer. Dat water be- [129] teikent ons dat verstant der heliger scrifturen. Ende dat 129 [130] water was seer diep inden put ende daer lach enen groe- [131] ten steen op den put: want dat verstant der heliger scrif- [132] tueren was hem te diep te verstaen, ende sij hadden hem [133] bedect gelick dattet water bedeect was inden put mitten [134] steen. Ende die olde vaders lagen ende arbeiden om den [135] steen af te doen ende die scriftuer te verstaen. Want wat 135 [136] meynd-dij, dat die propheeten al verstonden dat sij pro- [137] fentierden, David ende die ander propheeten? Neen, sij [138] niet. Mer alsoe voel verstonden sij als hem noet ende be- 138 [139] hoerlicke was te verstaen. Mer doe Cristus quam ende [140] aenden cruce geslagen wart ende sijn sijde opgedaen 140 [141] wart, doe greep hi tien mans crachte ende warp den steen [142] af. Doe wart die put gheopent, dat is die helige scriftuer. [143] Want doe wart den apostelen den heligen Geest gesant, [144] doe verstonden sij die scrift, doe wost Peter te seggen [145] van David ende van Johel. Sancte Peter was een grof Cristo = Cristus K 118 ginck addit K 129 dat verstant het begrijpen 135 verstaen: mer si en costen den put niet ontdecken, noch die scrijft verstaen addit K 138 noet nodig 140 opgedaen opengedaan 145 grof ongeletterde

119 101 [146] visscher ende en had niet ter schoelen gegaen: wat woste [147] hij van David ende van Johel? Mer doe die helige Geest [148] quam, doe worden hoer herten van bijnnen verlucht, dat [149] sij die helige scrift verstonden ende verclaerden, want doe [150] was die steen af-gedaen. [151] Ende dat water ende dat bloet <vloeyden> uut sijnre sij- 151 [152] den: dat water, dat oer die bruit daer-in wasschen solde, [153] ende dat bloet, dat sij oer daer-mede cieren solde. 153 [154] Wij en sullen niet allene hebben dat water sonder dat [155] bluet, mer wij sullen hebben dat water ende dat bloet. [156] Want wat dat wij hoeren vander heliger scrift of vander [157] mensheit of vander kijnsheit ons lieven Heren of van der [158] wijsheit Gads, dat sal altoes gemenget wesen mijtten [159] bluede, dat is dat lijden Cristi. [160] Die tafel, die baven dat cruce ons Heren stont, die was [161] gescreven in drier-hande tongen: in ebreuenschen, in grickx 161 [162] ende in latijn. [163] Die ebreusche tonge was moder van allen tongen, die [164] grickxsche tonge was die wijste tonge, die latijnsche tonge [165] dat was die edelste tonge. Ende die hadde Cristo sunder- [166] linge vercaren, want hij was een coninck der joden, hij was [167] een lere der grieken, ende hij was een verloeser der roem- 167 [168] scher Kerken. * * * [169] Die ander tafel, der gracien, dat is die tafel des heligen [170] Sacramentes, als David seit: Du hebste een tafel voer [171] mijn ansicht bereit tegen die-ghene die my bedrucken. 151 vloeyden addit K 153 daer-mede (Hierna lacune in K tot en met weet in regel 574) 161 tongen talen 167 lere leraar

120 102 [172] Want en had onse lieve Here hem selven niet gelaten in- 172 [173] den heligen Sacrament, den apostelen en hadde niet ge- 173 [174] nueget wat hij hem anders gelaten had. Oec en hed ons 174 [175] God hem selven niet gelaten in enen ewighen testement, [176] wat solden wij dan geweest hebben? [177] Want hoe roekeloes of woe onbereit dat een mensche is, 177 [178] hij bereit hem ummer een luttel als hij ten heligen Sacra- [179] ment gaen sal, of hij hevet ommer te[t] vreisen. [180] Die wijse man seit: Als ghi genoedet wardet ter war- 180 [181] scappen, soe merket nauwe, wat men u daer voer-set, ende [182] weet, dat gij alsulke dijngen sijt schuldich weder toe be- [183] reiden. [184] Onse lieve Here hevet ons voer-gesat drie- of viere-hande [185] gerichte. Hij hevet ons voer-gesat sijn godheit ende sijn [186] mensheit ende alle guet dat inden hemel ende inder eer- [187] den is. Wat sullen wij hem weder voer-setten als hi ons [188] voer-gesat hevet? [189] Want onse lieve Here weet wael, woe armen luden te- [190] moede is, dat sij niet en moegen geven drie- of viere-han- [191] de gerichte, mer hij can wael mijt armen luden lijden. 191 [192] Wij sullen onsen lieve Heren voer-setten drier-hande ge- [193] richte: dat ierste is puerheit, dat ander is willighe armoe- [194] de, dat derde is willige vercleijnni<n>ghe. 194 [195] Wij sullen begeeren veroetmoedicht ende vernedert ende [196] ongeacht toe wesen, recht als beslabde kijnder, die inder 196 [197] koeken lopen, daer men niet op en acht. 197 [198] Onse lieve Here duet mijt ons als een guet vader mijt 172 gelaten nagelaten 173 genueget volstaan 174 anders buitendien 177 roekeloes zonder ernst 180 warscappen gastmaal 191 lijden omgaan 194 vercleijnninghe vernedering 196 beslabde bemorste 197 koeken keuken

121 103 [199] sijnen kijnderen. Alsoe lange als sij cleijn en<de> jonck [200] sijn, soe laet men sie lopen slabben inder koeken. Mer als 200 [201] sij wat meere sijn, soe set men se aen een cleyn taefelken [202] besijden des vaders tafel. Ende als sij dan volwasschen [203] sijn ende men sie bestaden sal, sijn sij des geloeft aen des 203 [204] vaders taefel te sitten beneven sijnre sijden. [205] Wij sullen hier wesen recht als beslabben kijnder ende [206] ongeacht ende cleyn in ons selven. [207] Die helige Drievoldicheit gevet ons noch drie gerichten. [208] Die Soen geest ons hem selve hier inder tijt inden heligen 208 [209] Sacrament. Die helige Geest <geeft> ons sijn gracie [210] ende sijn mijnne. O hemelsche Vader, wat suldij ons ge- [211] ven? Die hemelsche Vader antwoert ons: Weest ierst [212] welpkens ende crupt onder die tafel ende leest die crumen [213] op ende veroetmoedicht u. Soe suldij comen tot mijnre [214] bekennenisse ende vander bekennenisse tot mijnre mijnnen. [215] Ende dan sal ic desen rump uut-werpen ende schudden 215 [216] ende verkiesen u <...> [217] <...> sal hi gaen totter older weduwe, dat is totter heliger [218] Kerken, ende die sal hem leren dat hij doen sal. Ende [219] dese leert hem, dat hij die gebade der heliger Kerken hal- [220] den sal ende dat hij gaen sal tot Boas, dat is tot Cristum. [221] Die hevet maeyers gesant, dat sijn sijn predikers. Ende hij [222] seget hem, dat hij sal gaen vergaderen ende lesen die aren [223] die hem ontfallen, dat sijn die woerde der heliger scrif- [224] tueren, die sij ons leren. Dan seget onse lieve Here tot [225] sijnen maeyers, dat is tot sijnen predickers, dat sij hem [226] voel sullen laten ontfallen. Somwilen sullen sij hem in- 200 slabben knoeien 203 bestaden uithuwelijken sijn sij des geloeft is het hun toegestaan 208 geest = geeft 215 rump lichaam (Na regel 216 lacune van één folium, d.i. ongeveer 25 regels in deze uitgave)

122 104 [227] storten wijn der berispijnge ende somwile aly der ver- 227 [228] troestinge. [229] Gelick als guede menschen wanneer sij wat guets hoeren [230] in colacien, soe pijnt hem een yegelick wat te onthalden, [231] ende wanneer sij dan bij-een sijn, soe seget een yegelick [232] wat hij guets gehoert hevet: gelick als Ruth ende oer mo- [233] der te-samen een koeck macten vanden aren, die sij gele- [234] sen hadden, ende waren vrolick te-samen: alsoe verblijden [235] hem guede menschen te-samen, als een yegelick seget wat [236] hi guets gehoert hevet. Ende woe een mensche ducker dat 236 [237] woert Gades hoert, hoe dat hi mer verlucht wort van [238] bijnnen ende meer begeert te hoeren. [239] Vort soe hiet Boas Ruth, dat sij genoch lesen solde ende [240] dat sij oer broet mede doepen solde inden edick. Dat is, dat [241] wy ons oefenen sullen inden lijden ons Heren. Want wan- [242] neer dat wij totten heligen Sacrament gaen sullen, soe sijn [243] wij schuldich dat leven ende dat lijden <ons> lieve He- [244] ren te-voeren te aerdencken ende ons daer-in te oefenen, 244 [245] gelick als onse lyeve Here selven gesege [n]t hevet in den [246] ewangelio: Alsoe duck als gi dijt doet, soe suldit doen 246 [247] in gehoechgenisse mijnre passien. 247 [248] Ende als wij hem geheel ontfangen, soe sullen wi ons [249] selve te-voeren geheel op-offeren, want wij warden mer 249 [250] van hem ontfangen. Ende alsoe voel als wi verenicht wer- [251] den mitten wil Gads in gelatenheit ons selven ende in 251 [252] vernietelheit ons selves, alsoe voel wi ontfangen. Ende [253] gelick als Ruth [t] voer Boas voete ginc liggen ende ver- [254] oetmoeden haer, alsoe sullen wij oec dat voet-einde ierst [255] verkiesen ende veroetmoediden ende vercleijnden ons ge aly olie 236 ducker vaker 244 aerdencken overdenken 246 suldit zult gij het 247 gehoechgenisse gedachtenis 249 wij warden mer van hem ontfangen hij is het eigenlijk, die ons ontvangt 251 in gelatenheid ons selven door onszelf te verloochenen 255 veroetmoediden = veroetmoedigen

123 105 [256] lick als Ruth[t] dede: soe sal Boas, dat is Cristus, ons [257] verheffen ende verkiesen ons tot sijnre uutvercarenre bruit. * * * [258] Die derde tafel is die tafel der glorien: Gaet voer-bij her- 258 [259] wert ende bereit ons die tafel der glorien. * * * [260] Inder mynnen boeck steet gescreven: Etet ende drinckt, 260 [261] mijn vrienden, ende wardt droncken, mijn alre-liefste. [262] Alle kerste-menschen wort geheiten dat sij eten sullen, [263] ende den vrienden wort geheiten dat sij drincken sullen, [264] mer den alren-lyefsten wort gebaden dat sij droncken 264 [265] warden sullen. Die alre-lyefste sullen sijn geestelike men- [266] schen, want sij hem mijt anders geenen dingen en dorven 266 [267] becummeren dan mijt God. [268] Ick heb menige fyguer gelesen inder bibelen, ende nye [269] en vant ic schoenre historie die gelicker was der vrouden 269 [270] des ewigen levens dan die figuir van Aszwerus. Aszwerus 270 [271] doe hi was yerst coninck geworden, int ierste jaer sijns [272] rikes, doe was hij slecht ende en hielt genen staet noch 272 [273] genen hof. Ende doe noeden hi slecht die-gene, die in die 258 Hier begint Brugmans [deze naam uitgekrabd en er voor in de plaats geschreven: een goet] sermoen. Gaet voerbi herwaert ende bereit of verciert ons die tafel ende dattu gereet heves in dinen handen, dat deilt den anderen mede. Dit is die tafel der glorien ende het is die derde tafel A 260 inder mynnen boeck in het Hooglied 264 gebaden verzocht 266 dorven behoeven 269 vrouden vreugde 270 Aszwerus doe hi was yerst coninck geworden toen Ahasveros pas koning geworden was 272 slecht eenvoudig

124 106 [274] stat van Susa woenden, ende doe gaf hij garsten-broet. [275] Int anderde jaer sijns rijkes doe hielt hij een luttel staets, [276] ende doe noeden hij alle sijn landes [he] princen ende [277] doe gaf hi roggen-broet, dat was wat smackelicker dant [278] garsten-broet. Mer int derde jaer sijns rijkes doe hielt hij [279] vollen feest in die stat van Susa, die duerden C dage ende [280] lxxx daghe, ende daer-toe noeden hij alle sijn lantscap [281] ende alle sijn heren ende princen ende sijn vorsten, die [282] onder hem geseten waren. Ende hij satte sij al nae orde [283] nancien, elck na sijnre weerdicheit, ende doe gaf hij weiten-broet, [284] dat is smackeliker dant ander. [285] Bij Aszwerus verstaen wij onsen lieven Heren. Die mac- [286] ten oec drie warscappen. In sijne iersten jaer, dat was 286 [287] inder tijt voer der ewe, doe gaf hij garsten-broet, want [288] doe en waren daer niet voel menschen, die onsen lieven [289] Heren bekanden of mijnden. In sijn ander jaer gaf hij 289 [290] roggen-broet, dat was wat smakeliker, want doe hadden [291] sij die gebaden ontfangen, ende doe warder daer meer [292] genoedet tot sijnre warscappen. Mer in sijnen derden [293] jaer doe hielt hij vollen feest ende doe gaf hij weiten- [294] broet, dat was smakelicker dant ander, inder tijt der gra- [295] cien. Ende doe noeden hij sij al tot sijnre warscoppen [296] ende gracien, want daer-in warden alle menschen geroe- [297] pen, heyden ende joden ende alle die-genen die comen [298] willen. Ende hij ordeniert enen yegelick nae sijnre wer- [299] dicheit, dat is nae sijnen werdichsten staet der verdiensten. [300] Want een iegelicks stoel is gesat inden ewigen leven ende [301] een iegelix crone is gemact, mer sij en is noch niet vol- [302] mact. Mer onse stoel wort voerwart of achterwarts gesat 303 [303] nae den dat wy ons hier schicken ende nae den dat wij [304] voerwarts of achterwarts gaen in dochden. Ende onse 286 warscappen feestmalen 289 bekanden kenden 303 nae den dat naargelang

125 107 [305] crone vercieren wij dagelix selven, alsoe ducke als wy 305 [306] onse becaringe weder-staen ende ons selven verwijnnen. [307] Ende als wij wat doen dat ons suer wort, soe setten wy [308] een schoen perle ende enen coesteliken steen aen onser [309] cronen. Ende hoe dattet ons suere wort, hoe dat wij onse 309 [310] crone schoenre versieren. Want somyge lude sijn alsoe [311] slecht ende alsoe gesaet, den en wordet soe suer niet, want 311 [312] sijt inder natueren hebben: die en sullen oec alsoe voel [313] loens niet hebben als die-gene, die die natuer tegen-heb- [314] ben. Ende die-gene die oer natuer gewelt doen, die sullen [315] hundert-dusent-werf meer loens hebben. * * * [316] Vander vrouden des ewigen levens en mach men niet voel [317] spreken dan mijt siendeliker geliken<i>sse. Wanneer ic 317 [318] vander vrouden des ewigen levens dencken wil, soe neme [319] ic voer my een gelikenisse van eenre schoenre borch. Ge- [320] like [nisse] als groete heren die hebben oer cappelanen 320 [321] ende hoer sengers ende hoer cralen, - sij hebben tien of 321 [322] twelf sengers, - al des-gelicks hevet onse lieve Here oec [323] sijn sengers ende sijn cralen. Dat sijn sijn engelen, ende [324] hij en hefter niet allene tien of twelve, mer hij hefter al- [325] soe ontellike voel als stof inder sonnen, ende een yegelic [326] hevet sijn sonderlinge gedaente ende sijn sunderlinge me- 326 [327] lodien in sijnre stemmen. [328] Susteren, ic sal u seggen een wenich vander vrouden des [329] ewigen levens, niet dat ic daer geweest heb, mer alsoe als 305 ducke vaak 309 suere zuurder 311 gesaet kalm 317 siendeliker met de zintuigen waarneembare 320 cappelanen = capellen A 321 cralen koralen 326 sonderlinge bijzondere

126 108 [330] my mijn verstant ende die scriften <seggen> ende alsoe 330 [331] ic mijt ogen der mijnnen ende der begheerten gesien heb, [332] soe vijnde ic xv grade inden ewigen leven [333] Daer is <die> helige Drievoldicheit, een God ende drie [334] Personen, gelick der sonnen. Die sonne verlucht alle die [335] werlt, nochtant onder-scheit men hoer radien ende hoer [336] heite. Ende gelick als die radien vander sonnen voert- [337] comet, alsoe is die Soen voert-gecomen van den Vader. [338] Gelick dat die heite comet vander sonnen, soe comet die [339] mijnne van den heligen Geest. Ende vanden Vader ende [340] vanden Soen ende van den heligen Geest comen ons seer [341] wonderlike gaven. [342] Ghelick als wij inder sonnen merken drie dijngen, dat is [343] die sonne, die radien, ende die heite, nochtant ist een [344] sonne: alsoe is die helige Drievoldicheit drie Personen [345] ende een Wesen nochtant alsoe mercklic ende alsoe onver- [346] scheydelike ende alsoe claerlicke als enich dinck. Ende [347] gelic als die sonne verlucht al die werlt, alsoe verlucht die [348] helige Drievoldicheit al den hemel. [349] Die godheit is beteikent bi den hoefde, ende die ziele Cri- [350] sti is beteikent bij <den> monde, ende Maria bij den 350 [351] halse, ende alle die heligen sijn beteikent bi den licham. 330 seggen addit A daer is... den hemel = Daer is die heilige Drievoudicheit, een God ende drie Personen. Die heilige Drievoudicheit is gelijc der sonnen. Die sonne is geheel in hoer selven ende die radien ende die hetten, ende gelijc dat die sonne verlicht alle die werelt, alsoe verlicht die heilige Drievoudicheit alle den hemel. Die Vader is gelijc der sonnen. Ghelijc dat die radien der sonnen voert-comen vander sonnen, alsoe is die Soen voert-comende vanden Vader. Die heilige Geest is hore beider minne, die is gelijct bider hetten. Het is een Wesen ende drie Personen, nochtant alsoe markelic ende alsoe onderscheidelic als enich dinc. Die heilige Drievoudicheit is gelijc enen roc A 350 den addit A

127 109 [352] Die godheit stort hoer glorie alsoe avervloedelike inder [353] zielen Cristi recht als een sluse die mijt drifticheit neder- 353 [354] lopt, ende al dat die ziele Cristi ontfanget dat stort sij [355] alsoe voert in Maria ende alsoe voert in die mijnste heili- [356] gen die <in> den ewigen leven sijn. [357] Doe onse lieve Here ghetransfugu<r>eert wart op den [358] berch van Taber, doe wart sijn aen-sicht claer als die [359] sonne ende sijn cleder wit als die snee. Dat sijn ansicht [360] claer was als die sonne, dat hoerden God tot. Ende dat [361] sijn cleder wit waren als <die snee>, dat hoeren ons toe. 361 [362] Ende alsoe als die claerheit der sonne gaet baven witheit [363] des snees, alsoe gaet die glorie Gads baven die glorie der [364] heligen. [365] God is inden heligen ende die <heiligen> sijn in God. 365 [366] Ende sluytten alsoe in-een, men en mach geen scherlaken [367] of dammes soe subtil in-een weven, dat die draden op-een 367 [368] slutten als die heligen op-een slutten inden ewigen leven. [369] God hevet een webbe geweven van begijn der werlt, ende 369 [370] die heligen sijn daer-in geslagen rech als draden in een [371] webbe. Ende die wever wevet noch, ende sal weven hent 371 [372] anden jonsten dach. Ende wij hapen, dat wij oec in dat [373] webbe geslage sullen werden. [374] Mijt alsoe groter mijnnen sijn die heligen in God vere- [375] nicht, dat sij liever niet en wolde wesen dan dat God [376] niet en weer. Ende sij wolden liever neder-dalen ter hel- [377] len dan dat Gades glorie niet en weer. Gelick als men [378] leest van sancte Augustinus, doe onse lieve Here hem [379] vraechden ende seide: Augustinus, hoe lief hebstu my? [380] doe antwoerden Augustinus ende seide: Here, ic heb u [381] alsoe lyef, dat ic God weer ende du Augustinus warste, [382] soe wolde ic Augustinus wesen ende laten u God wesen! 353 drifticheit geweld, vaart 361 die snee addit A 365 heiligen addit A 367 dammes damast 369 webbe weefsel 371 hent tot

128 110 [383] Die heligen inden ewigen leven die bekennen malcande- 383 [384] ren, wen sij gecomen sijn ende die sunden die sij gedaen 384 [385] hebben, mer niet tot enigen verwitten of in eniger schan- [386] den. Ende sij bekennen oec, wat verdienst God in eenre [387] yegeliker zielen gewracht hevet. Ic sie u nu al op uwen 387 [388] rugge hier voer my sitten, mer dan sal ic u sien doer u [389] herte ende doer uwen gront, ende alle dat guet ende al [390] dat quaet dat gij ye gedaen hebt, mer tot uwer schanden 390 [391] niet, mer tot uwer groter glorien. [392] Wat sullen wij inden ewigen leven doen? Daer en sullen [393] wij niet arbeiden ende noch geen werck doen. Wat sullen [394] wij dan doen? Daer en sullen wij anders niet doen dan [395] gapen ende kicken. [396] Nu sijn daer voert die ix choren der engelen: cherubijn, [397] seraphijn, ende die ander choren der engelen. Daer en [398] willen wij nu niet af seggen, mer als ic vort in mijne ver- [399] stant begripe, soe vijnde ic noch negen choren, ende soe 399 [400] sijnder te-samen xv<iij> choren. [401] Doe ic dit al aver-sach, doe dachte ic in mij selven: [402] Waer moegen wesen die patriarchen? Doe sach ic om. [403] Daer sach ic enen schonen sael. Daer was een tafel ge- [404] dect, daer-aen saten die patriarchen. Daer sat Abel, Noy, [405] Abraham, Ysac ende Jacob ende vort die patriarchen. [406] Ende daer sat Jhesus middes onder, ende daer had oer [407] die helige Drievoldicheit aver die tafel [gestrect] gestort [408] ende vervulden sij al mijt glorien. Doe sprac Jhesus: [409] Selich sijn die patriarchen, kijnder der ontfarmherticheit! [410] Doe antwoerden sij weder: Gebenedit moestu sijn, pa- [411] triarch der patriarchen! Doe vrachden ic hem: Wat 383 bekennen kennen 384 wen waarvandaan 387 op uwen rugge met uw rug naar mij toe 390 ye ooit 399 negen choren... xviij choren = xij choren der heiligen inden ewigen leven A

129 111 [412] lude sijddij ende hoe sijddij hier toe-gecomen? Doe ant- [413] woerden sij mij weder: En weet gij niet, wat lude wij [414] sijn? En laet u niet verwonderen! En hebdij niet gelesen [415] dat daer gescreven steet: Selich sijn die barmhertigen, [416] want sij sullen barmherticheit vercrigen? Ende want wij [417] onse tijttelike have den armen meden-deilden, daer-om is [418] ons barmherticheit weder-geschiet. [419] Doe dacht ic inwendelike inder memorien in mijnre zie- [420] len: Waer moegen dan wesen dese manne die profeten? [421] Doe sach ic gijnder enen schoen kelre, niet alsulken kelre [422] als hier inder tijt sijn. Daer was die tafel gedect, daer [423] lagen die vaten mijtten wijn ende mijtter romennyen ende 423 [424] mijtter melmesijen, mer niet alsulken dranck als hier is. 424 [425] Daer saten die propheeten: Isaias, Jheramyas ende Daniel [426] ende die ander propheeten die geprofentiert hadden vander [427] gebuerten ende vander mensheit ons Heren. Daer was Jhe- [428] sus mijdden onder als een propheet der propheeten. Daer [429] ginc hij schijncken ende tappen mijt vollen toyten ende 429 [430] sij droncken dat sij borsten. Ende daer spranck David [431] mijt sijnre herpen voer der tafelen recht of hij mijns He- [432] ren dwaes weer. Doe vrachden ic hem: Wat lude sijddij [433] ende woe sijddij hier toe-gecomen? Doe antwoerden sij [434] my weder: En weettij niet, wat lude wij sijn ende woe [435] wij hier gecomen sijn? Ende en laet u niet verwonderen! [436] En hebdij niet gelesen inder scriftueren: Selich sijn sij, [437] den hongert ende dorst na der gerechticheit, want sij [438] sullen versadet werden? Wij hebben geprofentiert ende [439] gescreven ende ons hevet verlanget nae der mensheit ons [440] Heren ende nu gebrucken wij sijnre tegenwoerdicheit ende 440 [441] werden versadet. [442] Doe dachte ic vort in mij selven: Waer moegen wesen 423 romennyen romanie (zoete Spaanse wijn) 424 melmesijen malvezij (zoete wijn) 429 toyten kannen 440 gebrucken genieten

130 112 [443] dese weerdige manne die apostelen? Sij sullen vort-mer 443 [444] hier-namaels richters wesen. Doe sach ic op: doe saten [445] sij gijnder baven int richthuus. Gijnden sat sancte Peter [446] mijn heerscap mijt sijnen gecrusden bart. Daer sat Pau- [447] welus. Dar saten alle die andere apostelen als schepen [448] ende raets-lude Gads. Daer sat Jhesus mijdden onder in [449] enen schonen troen recht als een eerwerdich mechtich ge- [450] weldich coninck. Ende daer was sancte Peter recht als [451] een vanden oversten raets-luden. Daer ginc men te rade [452] ende wardet al vercalt, woe dat ment hier ende in anderen 452 [453] steden maken solde. Daer was die tafel gedect. Daer 453 [454] schijncten men ende daer droncken sij al uut vollen toyten. [455] Doe sprack ic toe sante Peter: Peter brueder, gij sijt [456] daer harde wael! Pauwelus brueder, woe comdij hier? [457] Sij antwoerden: En weettij niet, woe wij hier gecomen [458] sijn? Ende en laet u niet verwonderen! En hebdij niet [459] gelesen: Selich sijn sij, die arm sijn van geest, want dat [460] rijcke der hemelen is hoer? [461] Doe en was ic noch niet <te-> vreden, want ic nergent en 461 [462] sach die jonge apostelen, Franciscus mijt sijnen gesellen. [463] Doe dacht ic in mij selven: Waer mach wesen Franciscus [464] mijt sijnen gesellen? Doe ic nernstelicke toe-sach, soe [465] sach ic sie sitten beneven die apostelen. Daer was een [466] tafel gedect. Daer sat Franciscus ende sijn gesellen, die [467] der apostelen leven geleit hadden ende waren wael te- [468] vreden. [469] Doe dacht ic voert in my selven: Waer moegen wesen [470] dese baenridsen ende dese ridders, dese merteleers? Doe 470 [471] sach ic sie gijnder sijtten in die ete-camer. Daer ware die [472] tafelen gedect. Daer sat Steffanus, Lauwerencius, Vijn- [473] cencius, Jorien ende voert al die merteleers die om den 443 vort-mer in het vervolg 452 vercalt besproken 453 steden plaatsen 461 te addit A 470 baenridsen baanderheren

131 113 [474] gelove Cristi gema<r>telosiert sijn. Ende daer was Jhe- [475] sus midden onder als een croen ende loen der me<r>teleers. [476] Ende hij dienden hem allen verblijdende, gelick als hij 476 [477] selven seit inden ewangelio: Al voer-bi-lijdende sal ic [478] hem dienen. Ende woe sij meer mertelien geleden had- [479] den, hoe sij scoenre ende glorioser waren. Ende die-gene, [480] den hoer halsen af-geslagen waren hier opter eerden, dat [481] en was hem tot genen mijs-staen, mer sij waren recht of 481 [482] sij rode krallen omden hals hadden gehadt. Doe vrach- [483] den ic hem: Wat lude sijddij ende woe sijddij hier ge- [484] comen? Sij antwoerden weder: En weettij niet, wat lu- [485] de wij sijn ende woe wy hier gecomen sijn? En laets u [486] niet verwonderen! En hebdij niet gelesen: Selich sijn sij, [487] die parsecucie lijden om <die> gerechticheit, want dat 487 [488] rike der hemelen is oer? Wat schad<et> ons nu, dat [489] wij persecucie geleden hebben ende dat wij gedoet sijn? [490] Nu ist al vergeten ende nu wordet ons al vergolden ende [491] avervloedeliken geloent. [492] Doe dacht ic vort: Waer moegen wesen dese doctoers [493] ende dese leerres? Die sate gijnder in die scole ende in [494] die librie. Daer sat Gregorius, Ambrosius, Jheronymus, 494 [495] Augustynus, Hilarius. Daer sat Jhesus midden onder als [496] een leere der leerres. Dar hadden sij dat boec des levens [497] ende slogen die blaeden om ende vonden alle dage nye [498] vonden ende nye consten. Ende dat licht der wijsheit ende [499] des verstandes dat doer-luchten sij ende doer-scheen sij. [500] Doe dacht ic voert in my selven: Waer moegen wesen [501] die monnyken ende die nonnen ende die susterkens, die 501 [502] geen oerden en hadden, ende die celle-bruederkens? Doe [503] sach ic se gijnder sitten in enen schonen bongaert. Daer-in 476 verblijdende = voerbi-lidende A 481 mijs-staen ontsiering 487 die addit A 494 librie boekerij 501 die susterkens = dese susterkens vander dorder oerden ende dese susterkens A

132 114 [504] waren menger-hande blomen, daer stonden die alre-schoen- [505] ste ackeleien, men en mach er hier alsoe niet versieren soe [506] als sij daer stonden. Ende dat alre-schoenste dat daer was 506 [507] dat waren lelyen. Daer saten mijn susterkens ende mijn [508] bruederkens ende waren wael te-vreden. Doe vrachden ic [509] hem: Wat lude sijddij ende woe sijdij hier gecomen? [510] Sij antwoerden my ende seyden: En weettij niet, wat [511] lude dat wij sijn ende woe wij hier gecomen sijn? Ende [512] en hebdij niet gelesen dat daer gescreven steet: Selich [513] sijn die sachtmoedigen, want sij sullen die eerde besitten? [514] Dit hebben wij nu daer-voer, dat wij geslagen ende ver- 514 [515] spraken sijn ende dat wij onse capittel gehoert hebben. [516] Wat scadet ons nu? Et wort ons al vergolden. Doe ic [517] sach dattet hier aldus genuchliken was, doe hed ic daer [518] geerne gebleven. Doe seyden sij: Schuddet u uutten rump 518 [519] ende comet bij ons! Doe seyde ic: Dat sal ic doen als 519 [520] ic alre-ierst mach. [521] Doe dacht ic in my selven: Waer moegen sijn die vrou- [522] wen, die inder echt geweest hebben ende die drie of vier [523] kijnder gehadt hebben ende voel lijdens ende droefheit [524] gehadt hebben ende nochtant die gebade Gades gehalden [525] hebben? Doe hoerden ic van veer enen graven sanck. Doe 525 [526] dacht ic in my selven: Wat dinck mach dit wese? Doe [527] gijnc ic voert. Daer sach ic inder nedersten cameren die- [528] gene, die inder echt geweest hadden. Daer was Jhesus al- [529] soe mijnliken onder ende Maria was daer oec mydden [530] onder als een die oec inder echt geweest had mijt Joseph. [531] Sij songen mijt graven gebraken stemmen, mer sij songen [532] natuerliken sueten sanck, mer hij was recht als grave or- [533] gelen onder die cleijne. Hier en bleef ic niet lange. My 506 alre-schoenste = alre-snoetste A 514 verspraken berispt 518 rump lichaam 519 als ic alre-ierst mach zodra ik kan 525 graven grove sanck: ende die sanc lude recht als gebroken pannen ende potten addit A

133 115 [534] duchte, dat mijn geselscap hier niet en was, mer doch [535] daer was grote genuechte. Ic hed daer geern geble- [536] ven, mer nochtant had ic liever geweest bij mijnen suster- [537] kens inden schonen bongart of bi mijnen cleynen apostelen. [538] Doe dacht ic in my selven vort: Waer moegen wesen die [539] weduwen ende veduweren, die, na den dat sij die echt- [540] scap besocht hebben, hem in reynicheiden onthalden heb- [541] ben? Doe hoerden ic enen sanck, die wat cleynre was, [542] mijt eenre myddelbaere stemmen. Doe sach ic in die myd- [543] delste camer. Daer waren die weduwen ende veduweren. [544] Daer waren wael hondert weduwen tegen enen weder, jae [545] dusent, want selden vijnt men dat die manne weduwen [546] blijven, mer die vrouwen dragen die crone vander wedu- [547] wescap. Daer was Jhesus mijdden onder. Ons lieve Vrou [548] was oec een weduwe, want en had Joseph niet doet ge- [549] weest, onse lieve Here en had sancte Johannes sijn lieve [550] moder niet bevalen. Doe vrachden ic hem: Wat lude [551] sijddij ende woe sijddij hier gecomen? Sij antwoerden: [552] En wettij niet, wat lude wij sijn ende woe wij hier ge- [553] comen sijn? Ende en heb-dij niet gelesen datter gescre- [554] ven steet: Selich sijnt sie, die screien, want sij sullen ge- [555] troest werden? Wij hebben gescreit ende hebben ons ont- [556] halden naeden dat wij die echtscap besucht hebben. Ende [557] nu werden wi getrost. [558] Doe hoerden ic van veerst een dat alre-suetste geluet ende [559] een die alre-suetste stemme ende een die alre-suetste pip- 559 [560] kens. Doe dacht ic: Wat mach dat sijn? Doe quaem [561] ic voer dat alre-overste kemmerkijn, dat was al om ende [562] om beslaten. Doe clopten ic daer-voer. Doe vrachden sij [563] mij: Wie sijddij? Ic antwoerden hem: Hier is Brug- 563 [564] man! Die Here wil, dat ic van elker wat sien sal. Mer 559 pipkens: dat ginc al clincken clincken, want die meechden singen xij noten hoger dan die vrouwen addit A 563 hier is Brugman = ic ben (?) Brugman uitgekrabd in A

134 116 [565] sij en wolden my daer niet in-laten; al hed ic daer tot [566] noch-toe gestaen, sij en hedden my niet in-gelaten. Mer ic [567] sach doer een retken. Daer sach ic Agnes, Katherijna, [568] Barbera ende Ursula ende alle die-gene, die om die mijn- [569] ne hoers lieven brudegoms gemertelosiert waren om oer [570] reynicheit te behalden. Och, woe wonderliken waren die [571] bruitten des lams versiert van den hoefden totten voeten! [572] Ende woe wonderlike schoen dingen hadden sij om den [573] hals! Doe vrachden ic hem: Wat lude sijddij ende woe [574] sijdij hier gecomen? Sij antwoerden: En weettij niet, [575] wat lude wij sijn? Ende en laet u niet verwonderen! En [576] hebdij niet gelesen datter gescreven steet: Selich sijn sij, [577] die reyn van [van] herten sijn, want sij sullen God sien? [578] Die een seide: Ic heb mijn kele af laten steken om mijn [579] reynicheit te behalden. Ende die anderen seyden: Ic 579 [580] heb mijnen hals af laten houwen om mijn reynicheit te [581] behalden. Ende sunderlynge seyden sij, sij hadden hem 581 [582] laten villen om oer reynicheit te behalden. Daer was Jhe- [583] sus midden onder ende Maria was daer oec midden onder [584] als een maget der mechden ende spranck voer ende alle [585] die mechden sprongen nae. [586] Doe dacht ic voert: Waer moegen die-gene wesen, die in [587] die echt niet geweest en hebben ende nochtant quellick 587 [588] gemact hebben butten die echt ende hebben hem bekiert [589] tot penitencien? Doe sach ic in dat nederste huis. Daer [590] sach ic Thaes, Plagia, Maria van Egipten ende Maria [591] Magdalena als een capeteynster van hem allen. Ende [592] Jhesus nam sij bij den arme als sijn lieve vriendijnnen. [593] Doe vrachden ic hem: Wat lude sijddij ende hoe sijdij [594] hier gecomen? Sij antwoerden: En hebdy niet gelesen: 579 die anderen = sommige K ic heb... seyden sij om. K 581 ende sunderlynge seyden sij, sij hadden hem = die derde seide: Ic heb mi A 587 quellick gemact slecht geleefd

135 117 [595] Selich sijn die vredsamgen ende die af-gelaten hebben, [596] want sij sullen kijnder Gads geheiten werden? Wij heb- [597] ben aver-gevloeit in die genuechte der werlt ende wij heb- [598] ben af-gelaten ende hebben ons bekiert tot penitencien ende [599] daer-om dancken wi nu onsen lieven Heren mijt vroliken [600] herten. Doe vrachden ic hem: En mach men u nu u [601] groete lelike sunden wael verwitten ende voer-halden, die [602] gij gedaen hebt? Doe spraken sij: Neen, neen. Dat is [603] nu al vergeeten. [604] Doe dacht ic voert: Ic en vijnde ommer noch mijn lude [605] niet. Hier moet noch ummers mer volcs wesen! Ic dach- [606] te: Waer moegen wesen die gebaren dwasen ende die [607] onnoesel kijnderkens, die nae <den> doepsel gestorven [608] sijn? Dese vant ic int voer-pertael. Daer was Jhesus [609] midden onder, alsoe rechte mijnlike ende vriendelike recht [610] of sij voel om sijnen wil geleden hadden. Doe vrachden [611] ic hem: Wat lude sijdij ende hoe sijddij hier gecomen? [612] Sij antwoerden: En weettij niet, wat lude wij sij<n>? [613] Wij sijn die-gen, die dwaes gebaren sijn ende die kijnder [614] die nae den doepsel gestorven sijn in onser onnoeselheit [615] ende overmits den verdienste Cristi behalden sijn, recht [616] als die propheet seit: Sij hebben dat begeerlike lant te- 616 [617] vergeves ontfangen. Want somigen hebben hem laten doe- [618] den ende somigen hebben heymelike penytencie gedaen [619] ende hebben den hemel gestalen. Ende wij hebbent toe- [620] vergeves, mer niet al te-vergeves. Want al en hebben wijt [621] mijt onsen arbeide niet verdient, nochtant soe hevet onse [622] lieve Here voer ons verdient. Sij en hadden niet verdient [623] ende onse lieve Here en had hem niet meer gegeven dan [624] dat sij gedoept solden sijn ende overmits den bloede Cristi [625] solden sij behalden warden. Alst eens geviel dat men [626] eenen vrachden die dwaes gebaren was, doe hij sterven 616 begeerlike begerenswaardig te-vergeves om niet

136 118 [627] solde, of hij bichten wolde, doe antwoerden hij: God [628] en sal my niet meer eyschen dan hij my gegeven en hevet. [629] Wie had hem dat geleert dan die inwendige vonck des [630] heligen Geestes, die in sijnre ziele wrachte? Want nye [631] en had hem enich mensche een wijs woert hoeren spreken. 631 * * * [632] Gaet dan nu voer-bij herwarts ende besiet hoe dese [633] tafelen sijn bereit van Jhesum, die gebenedit is nu ende [634] inder ewicheit. Amen. [635] Deo gracias. ('S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 133 F 31; AMSTERDAM, Universiteitsbibliotheek, hs. I.G. 25, fol. 50 r -61 r ; ANTWERPEN, Ruusbroec-Genootschap, hs. van Kasterlee, fol. 54 r -57 v.) 13 [Wi die niet en hebben sorghe der dinghen noch sake der sonden] [1] ɑ Wi die niet en hebben sorghe der dinghen noch sake [2] der sonden, hoe wi mijn goddiensteliken leven, hoe wi 2 [3] meer den oversten richter vertoernen. 3 [4] ɑ Onholt u van hate ende achter-clappe. Dat is u beter [5] dan drie daghe ter weke in water ende in broede te wasten. [6] Item. Alle dinck salmen int beste trecken ende nemen. 631 spreken: Welke woncken wi alsoe gebruyken moeten hier nae den lieven wil Gods, dat wi verdienen moeten te ontfangen die vroude des ewigen levens, welc ons allen gonnen moet die Vader ende die Soen ende die heilige Gheest. Amen addit K om. A et K 2 hoe wi mijn goddiensteliken leven hoe minder godsdienstig wij leven 3 oversten opperste

137 119 [7] Dat is beter dan alle daghe inden hemel werden gheto- [8] ghen mit Paulo. [9] ɑ Lidet lijdsamlic ende verdrachelicke lasterlike woer- [10] de om Godes willen, ende het is beter dan alle daghe mit [11] roeden ghesleghen toe werden. [12] ɑ Breket uwen slaep om God toe dienen, ende ghi sult [13] mer verdienen dan of ghi dusent ghewapender manne thoe 13 [14] perde sanden om dat heilighe lant ende graf te bescarmen. [15] ɑ Item. Als men een hiert vanghen wil, hoe men dat [16] meer blouwet ende jaghet mitten honden, hoe dattet den 16 [17] heren bequamer ende behaghelicker is. Des-ghelikes hoe 17 [18] wi meer mit becoringhen ende mit ghelatenheit van Gode 18 [19] anghevochten werden, hoe wi den Heren bequamer wer- [20] den ende behacheliker, ende dan in-stort hi overvloedelike [21] sine gracie ende sueticheit. [22] Item. Dat slot van alre leringhe: niet alle te gheloven dat [23] wi horen; niet al voert te segghen dat wi weten; niet al te [24] ordelen dat wi sien; niet al te doen dat wi mochten. [25] Nu op ierste, niet al te gheloven dat wi horen: als cranc- 25 [26] heit van onsen ewen-menschen. [27] Opt ander, niet al voert te segghen dat wi weten: als voer 27 [28] te bedencken twy of drie, wat wi segghen; altoes op doech- 28 [29] samheit van onsen even-menschen te spreken. [30] Op dorde, niet al te ordelen dat wi sien: mer alle dinghe [31] ten besten te trecken, die wi sien van onsen ewen-men- [32] schen. [33] Opt vierde, niet al te doen dat wi mochten. Dat is te ver- 33 [34] staen: menich dinc dat wi wel onsen oversten an-bren- 13 of indien 16 blouwet verwondt 17 bequamer aangenamer behaghelicker welgevalliger 18 ghelatenheit verlatenheid 25 crancheit zwakheid 27 als voer te bedencken dan vooraleer na te denken 28 op doechsamheit over goede eigenschappen 33 mochten gaarne zouden (doen)

138 120 [35] ghen mochten, ende dat omder minnen willen achter te [36] laten. * * * [37] Item. Ghebenedijt ende gheeert moet wesen die suete na- [38] me ons lieves Here Jhesu Cristi, ende den naem der vrien- 38 [39] deliker maghet ende moeder Marien, nu ende inder ewi- [40] cheit. Ende doer die cracht hoers ghebedes, soe moet [41] Jhesus wesen een stuuerman mijns herten ende mijnre [42] ghedachten, regierder mijns mondes ende mijnre woerden, [43] een bewaerre mijns hoefdes ende mijnre sinnen. Ende doer 43 [44] minne sijns gheminneden Soens ende der liever ghebene- [45] dider maghet Marien, soe verlene ons die hemelsche Va- [46] der gracie ende ghenade, licht ende verstant, sinen god- [47] liken vrede ende minne, ende dat ewighe leven nae desen [48] vergancliken leven. Amen. * * * [49] ɑ Jhesus clam in een scheppen ende voer over tmeer 49 [50] ende quam in sine stat. [51] Jhesus hadde vier steden, daer hi meest plachte wanderen. 51 [52] Die ierste was Nazareth; in Nazareth wolde hi ontfan- [53] ghen werden. Bethelem bedudet een huus des broedes, [54] ende daer wolde hi gheboren werden. Die iij steden is [55] Jherusalem, ende daer wolde hi ghecrucet wesen. Die iiij [56] stede was Capharnaum, ende daer dede hi meest mira- [57] culen. [58] Hi clam int schip, doe hi ghecrucet waert; hi voer over, 38 vriendeliker goedgunstige 43 bewaerre bewaker 49 scheppen schip 51 wanderen verblijven

139 121 [59] doe hi verrees, ende hi quam in sine stat, doe hi te hemel [60] voer. Mitten scepkens pleghetmen dat guet te brenghen [61] ende weder te halen. Onse stuerman, Jhesus, hevet ons 61 [62] ghebrocht dat golt sijnre godheit, ende hi nam weder dat [63] slijc onser menscheit ende dat voerde hi in sijn vaderlant, [64] want daer en was gheen s[c]lijc. * * * [65] ɑ Een uutvercoren schip, daer Jhesus die stuerman of is. 65 [66] Alsoe menich guet mensche als is inder heiligher Kerken, [67] alsoe manighe plancke hebbe wi an onse schip. Die bo- [68] dem vanden scepe sijn die xij apostelen ende sante Fran- [69] ciscus. Die naghelen des scepes is die vrese Godes, want [70] gheen mensche en mach in doechden volherden sonder die [71] vrese Godes. Dat lym of dat teer, daer ment schiep mede 71 [72] teert, is die minne Godes ende ons even-menschen. Want [73] minne ende vrese sluten dat schip te-gader. 73 [74] Die twe eynden vanden schepe sijn scarp. Die ierste scarp- 74 [75] heit ons schepes sin Jhesus ghevlochten voete, want dat 75 [76] cruce was soe smal, dat sie niet bieen conden voeghen; 76 [77] ende het was scarp hent tot sinen heilighen armen, want 77 [78] die waren alsoe wide uutgherect, datter niet e<e>n lit in 78 [79] sijnre steden en bleef. Die ander scarpheit is, dat Jhesus [80] niet en hadde, daer hi sijn hovet an neyghen mochte. 80 [81] Voer in onse schip sal staen die vroetheit ende sal scarpe- 81 [82] like toe-sien, of daer enighe clippen sin inden weghe. Ach- 61 weder eveneens 65 of van 71 ment men het 73 tegader tezamen, aaneen 74 scarp spits 75 ghevlochten op elkaar geplaatste 76 bieen conden voeghen naast elkaar geplaatst konden worden 77 hent tot tot aan 78 in sijnre steden op zijn plaats 80 an tegen 81 vroetheit verstand, inzicht

140 122 [83] ter int schip sal staen die rechtverdicheit ende bewarent 83 [84] roeder, op-dat, of die vroetheit enighen hinder siet, der 84 [85] rech<t> verdicheit kundighe, dat sie wel stuer. Ter rech- 85 [86] ter siden ons schepes sal staen die maticheit, op-dat, als [87] die voerspoedicheit comet, dat sie hoer niet te seer en ver- [88] heffe. Ter luchter siden sal staen die stercheit, op-dat sie 88 [89] in gheenre temtacien verwonnen en werde. Want onse [90] scepken wort anghesturmet mit iiij winden: als mit mis- 90 [91] troest, mit verwaentheit, mit blasphemien ende mit onghe- [92] love. Ende dat alre-anxtelicst is een cleyn swart bubbeken, 92 [93] <dat> comet onversiens an onse schip; ende dat is, ghene 93 [94] becoringhe te ghevoelen, ende dat is alre-sorchlicste. 94 [95] De royers in onse schip, dat sijn die heilighe enghelen. [96] Michael regiert die in macht gheset sijn, Gabriel regiert [97] die maechden, Raphael regiert die echtscap. Die ballast [98] in desen scepe is velheit der gueder menschen. Uriel re- 98 [99] giert die bescouwers, als Noe, Job ende Daniel; Noe [100] beteikent die niet en besitten, als die mijnre-broeders. [101] Want hadde ic alsoe vele verdienten als gheweest hebben [102] van beghinne der werelt, ende ic den meesten sonder wis- 102 [103] ten vander werelt: alle die verdienten wolde ic hem [104] gheven, ende maken mi selven alsoe bloet als een eyken- [105] boem die gheschelt staet, want mijn Here Jhesus Cristus 105 [106] is al rijc ghenoech mi weder te cleden mit sinen heilighen 106 [107] verdienten. Want doe hi naect ende bloet stont anden [108] cruce, doe bedecte hi alle der werelt sonden ende oec [109] des moerdeners. O hemelsche Vader, waer-om hebstu [110] dijn kijnt aldus ellendich ghelaten? Want hi sat inden bewarent roeder op het roer letten 84 of indien hinder hindernis 85 kundighe waarschuwe wel goed 88 luchter linker 90 anghesturmet bestormd, aangevallen als namelijk mistroest neerslachtigheid 92 bubbeken kereltje 93 onversiens onverwachts 94 alre-sorchlicste uiterst gevaarlijk 98 velheit veelheid gueder = quader (?) 102 den meesten sonder wisten wist, wie de grootste zondaar was 105 gheschelt van schors ontdaan 106 al voorzeker 110 ghelaten verlaten

141 123 [111] stoel des cruces levendich, drie uren lanc, op iij stompen [112] naghelen, blau ende bloedich, mit gheiselen doer-houwen. 112 [113] O hemelsche Vader, vertoerne-di niet, dat ic dus spreke, [114] want die minne dijns Soens beweghet mi daer-toe. O ver- [115] corene herten in Gode, anscouwet dese vijf duerbaer cas- 115 [116] sidonien der vijf wonden. Weset als een duve, rustet ende 116 [117] anmerket van buten die hertelike seericheit. Ende dan 117 [118] crupen wi daer-in, als wi an-merken, waer-om ende om 118 [119] wat saken hijt gheleden hevet. 119 [120] Die mast is dat cruce ons Heren, ende is ghemaket van [121] vierre-hande holten vergadert. Dat bloc daert instont, was 121 [122] cederboem; dat opstaende holt was palmen; dat holt [123] over-dwers was cypressen; die tafel boven, daer Jhesus [124] Nazarenus, coninc der joden anghescreven stont, was [125] van olyven-boem, want Jhesus is die olyven-boem, ende [126] hevet den olye der barmherticheit overvloedelick uutghe- [127] stort op alle menschen. Die mast is dicke bevlect mit teer: 127 [128] alsoe is onse mast-boem belopen mit den roden bloede [129] Cristi. Laet ons opclymmen mitter bruut op desen palm- [130] bome des heilighen cruces ende plucken sine vruchten. [131] Want als een mensche beswimet is, soe strijctmen hem wat 131 [132] edickes voer sine nese, ende alte-hant ontwerpt hi. Des- 132 [133] ghelikes wanneer een mensche van binnen beswimet is, [134] overmits druck ende bangicheit ende verduusteringhe van 134 [135] binnen, dan sal hi breken vanden bast des heilighen cruces [136] den sueten kaniel, ende vrivent voer die nese sijns ver- 136 [137] stants, ende hi sal weder levendich werden in Cristo. 112 doer-houwen doorwond 115 duerbaer cassidonien kostbare edelstenen 116 duve duif 117 anmerket beschouwt hertelike seericheit toestand van hevige pijn 118 waer-om ende om wat saken met welke bedoeling en om welke reden 119 hijt hij het 121 holten hout vergadert bij elkaar 127 bevlect bestreken 131 beswimet bezwijmd 132 voer sine nese onder zijn neus alte-hant ontwerpt hi terstond komt hij tot zichzelf 134 bangicheit benauwdheid 136 kaniel kaneel vrivent strijken het

142 124 [138] Dat zeil in onsen schepe sal wesen van vier stucken, ende [139] is van vierrehande verwen: roet, swart, wit ende gulden. 139 [140] Matheus brenct ons dat rode stuck, in-dien dat hi ons 140 [141] bescr<i>vet die minne, dat God om ons mensche ghewor- [142] den is. Lucas brenct ons dat swarte stuck, in-dien dat hi [143] ons bescrivet die passie ende doet ons Here. Marcus [144] brenct ons dat witte stucke, in-dien dat hi ons bescrivet [145] ons Here verrisenissen [des Heren]; want inder verrise- [146] nisse ons Here openbaerden die enghelen den vrouwekens 146 [147] in witten clederen, want sie droeghen die levereie hoers [148] Heren. Johannes brenct ons dat gulden stuck, in-dien dat [149] hi ons bescrivet die godheit, want hi sechde: In den [150] beghinne was dat Woert etc. Dat dranck hi inden avent- [151] mael uutten borsten ons Here, want nyemant van den an- [152] deren ewangelisten en hadde gescreven vander godheit. [153] ɑ Die spise in onsen scepe sal wesen dat heilighe Sacra- [154] ment ende die heilige scriftuere. [155] ɑ Die ancker in onsen schepe sal wesen die hope. On- [156] sen ancker der hopen sullen wi werpen in die rike ver- [157] dienten Cristi. Want als wi ligghen in onser uutterster noet, [158] ende onse sielen omme-gaet alle die lede ons lichaems ende 158 [159] nerghent ontholden en mach, soe sullen wi onsen ancker 159 [160] der hopen werpen in die diepe wonden ons Heren, ende [161] sonderlinghe inder wonden der ziden sijns heilighen her- 161 [162] ten, die ons Longin[i]us op-ghesteken hevet, op-dat wi 162 [163] daer alle in ghewasschen ende ghereynicht werden, ende [164] daer sullen wi sekeren troest vinden. [165] ɑ Sommighe menschen varen in die see deser werelt en- [166] de royen seer slappelic; alse nu schinen sie een weynich verwen kleur 140 in-dien dat doordat 146 openbaerden verschenen 158 omme-gaet rondgaat 159 nerghent ontholden en mach het nergens kan uithouden 161 sonderlinghe bijzonder 162 opghesteken opengestoken 166 alse nu... alse nu nu eens... dan weer

143 125 [167] voert te gaen, ende alse nu schinen sie vele-meer achter- [168] wart te driven. Dat sin menschen, die in ene maniere van [169] gheesteliken leven sin, ende staen op horen eyghenen wil- 169 [170] len, ende leven in eyghenscap. Ende sommighe ander sin 170 [171] in een guet schip der religen, mer dese sin also seer bela- 171 [172] den mit curiosen ende overvloedighen clederen ende heb- 172 [173] belicheit der tijtliker dinghen, dat sie niet in-achtich en 173 [174] sin te royen, alsoe dattet schip seer traechlic voert-gaet [175] ende somtijt stille-staet, alsoe dattet schip dicke in groter 175 [176] vresen is te verdrencken. Want een mensche, die onbelast 176 [177] is van clederen ende van tijtliken guede ende van allen [178] tijtliken becommeringhen, die is seer bequaem te royen [179] totten voertganc der doechden. [180] Sommighe menschen gaen waden int water totten halse [181] toe, ende en hebben niet dan een stock in die hant, daer [182] sie hem an holden. Dit sint menschen, die inder echt [183] gheset sin. Dese werden anghestoten mit vele ghelven ende 183 [184] perikelen ende droefheiden, die inder echt gheleghen sin. * * * [185] ɑ Jhesus verberghede hem onder een wit cledekijn inden [186] heilighen Sacrament, want wi en sien niet dan witheit, 186 [187] noch en smaken niet dan die substancie des broedes. 187 [188] Mer die ziele voelt al anders, want sine godheit stort 188 [189] hi inder zielen. Recht als een groet here, die antrect [190] gheckes cleder, ende gaet biden armen kijnderen sitten, [191] ende eet pap mit hem om hem te vermaken, ende dan [192] laet hi hem enen guldenen penninc staen op gesteld zijn op 170 in eyghenscap met behoud van eigendom 171 religen kloostergemeenschap 172 curiosen prachtige hebbelicheit bezit 173 niet in-achtich en sin er niet aan denken 175 dicke dikwijls 176 vresen gevaar verdrencken zinken 183 anghestoten bestookt ghelven golven 186 niet niets 187 substancie gedaante 188 voelt al anders wordt iets geheel anders gewaar (of: gevoelt zich geheel veranderd) 192 laet hi hem laat hij hun achter

144 126 [193] ɑ Jhesus onse brudegom hevet anghenomen eens geckes [194] cleet, doe hi an-nam menschelike natuer. Hit at pap [195] mitten kijnderen, doe hi sijnre moeder borsten soghede. [196] Och hoe suetelike lach hi, ende toech an sijnre moeder 196 [197] borste! Och mijn lieve susteren, in Cristo Jhesu uut- [198] vercoren, dese mammekens Jhesu sin u ghelaten voer uwe 198 [199] nauwe noetdrofte ende sobere gherichte, ende als u 199 [200] daer yet anghebrect, soe lopet tot desen mammekens: [201] daer suldi in vinden al dat u noetdruftich is. Draghet [202] nu mit uwen brudegom dat gheckes cleet, u grauwe man- [203] telen, u grauwe rocken, want Jhesus om u dat gheckes [204] cleet ghedraghen hevet. * * * [205] ɑ Niet en is onsen lieven Heren alsoe ghename als hem 205 [206] groet te kennen ende ons selven cleyne ende een snode 206 [207] slijc. Want onse heilighe vader sancte Franciscus plachte [208] segghen: Wie bistu, mijn Here ende mijn God, ende [209] wie bin ic? Een snode slijc. Want wi sullen ons laten 209 [210] vertreden als een scoenmaker sijn leder, ende als een [211] potmaker sine eerdene potte mit voeten tredet. Wat meer [212] te seggen? Een gheestelic mensche moet sin natuere breken, [213] recht als een dinc dat in enen mortier-steen ghebroken [214] wort. [215] ɑ Sommighe menschen bidden om ynnicheit ende omme [216] devocie, mer ic bid u, lieve Here, om druc ende om [217] liden ende oetmoedighe vernietinghe in mi selven. Mer saus 217 [218] daer-toe ter lidsamheit. 196 suetelike liefelijk toech zoog 198 mammekens borstjes 199 nauwe noetdrofte noodzakelijk levensonderhoud gherichte spijs als u daer yet anghebrect indien gij ergens gebrek aan hebt 205 ghename aangenaam 206 kennen erkennen 209 snode nietswaardig 217 vernietinghe verzaking

145 127 [219] ɑ Dat is godlike wijsheit, dat een mensche al onrecht, [220] dat hem toe-comet doer God of doer enighen menschen, [221] lijdsamlike can liden, ende niemant weder te cort te doen 221 [222] in ghenen dinghen. Dat is werlike wijsheit, dat een mensche 222 [223] onrecht dat hem ghedaen wort can verantwoerden, ende 223 [224] als hi sijn onrecht niet wreken en can, dat hi dan can [225] laten of hijs niet en saghe, ende als hem dan sijn slach 225 [226] valt, soe doet hi sijn best. Mer wijsheit der werelt is [227] sotheit voer Gode. Dat is vleischelike wijsheit: [is] wel [228] te eten ende te drincken ende te doen datter natueren lust; [229] dat is, listich ende cloec te wesen, in die ene hant dat vuer 229 [230] te hebben ende in die ander hant dat water, te lesschen [231] ende te bornen; waer si bi-sin, daer slaen sie mede toe, 231 [232] ende en achten niet op die warheit. [233] ɑ Onse ledder daer wi mede opclymmen totter glorien [234] Godes, is dat cruce ons Heren, dat hi ierst op-clam ende [235] ons allen den wech ghewiset hevet. Ende op dat cruce [236] leghet ene doerne-crone, die ons van allen ziden anprekelt. [237] Als een mensche ghegaen is totten dienste Godes, soe staen [238] in hem op menigherhande temtacien, ende hem wort in- 238 [239] ghesproken: Ic en mach niet ghehoersam wesen, ic en 239 [240] mach minen eyghenen wille niet derven, ende mijnre [241] natueren niet sterven, ende van allen menschen ongheacht [242] te wesen; ic en mach niet vasten, ic en mach niet waken, [243] ic en mach aldusdanighe penitencie niet doen ende ver- [244] smade werken. Ende dit sijn al doernen, ende hier moeten [245] wi ummer over, ende daer-om moeten wi roepen ten Heren [246] die hanghet anden cruce: Stant op, Here, ende help ons, [247] ende verloes ons om dinen heilighen name. 221 weder op zijn beurt 222 werlike wereldse 223 verantwoerden beantwoorden 225 laten zich houden hijs hij het als hem dan sijn slach valt wanneer hij eens de kans krijgt 229 cloec slim 231 bornen verbranden waer si bi-sin wat hun voor de hand komt 238 menigherhande temtacien velerlei bekoringen 239 mach kan

146 128 [248] Noch sijn daer al meer doernen: als te laten dat huus 248 [249] ons vaders ende al onse besittinghe, ende oec onsen willen [250] te bueghen onder onsen oversten, die oec onser natueren [251] contrarie sin, ende onse natuere te breken ende te sterven, 251 [252] ende in allen desen stantachtlich te bliven, ende om doet 252 [253] noch om leven van Code te scheiden. [254] Och, dese wech is scarp ende smal: 254 [255] Stuer mi, Cristus, dat ic niet en val! [254] Ende wi en sullen God niet sueken in creatueren of in [255] enighen ghescapenen dinghen. Adam sochte ghenoechte in [256] Eva, sijnre huusvrouwen, in-dien dat hi hoer consentierde 258 [257] ende at vander verboedenre vrucht ende brac dat ghebod [260] Godes, ende doe verloes hi God. [261] Ende alle dese temtacien sin tacken vander doernen-crone, [262] ende dese moeten wi overclymmen ende laten God mit [263] ons doen wat dat hi wil. Want die vroemlic stridet, sal 263 [264] die crone ontfanghen, ende die niet en stridet, die salse [265] verliesen. Die vromelike striden, daer sal die glorie Godes [266] in gheopenbairt werden, ende sal drincken uutter fonteynen, [267] daer die levendighe stroem uutlopet, sonder op-holden. [268] ɑ Eenre maghet ghedachten sullen wesen reyne, ende als [269] sie daer teghendoet in minnen der creatueren of in enighen [270] ghedachten daer si hore reynicheit mede besmitten mach, [271] wanneer sie daer ghenoechte in hevet ende consentiert, soe 271 [272] sondicht men doetlic. Mer als sie daer ghene ghenoechte [273] in en hevet, soe en sondighet sie niet doetlic. Want inden [274] stride mach sie vele verdienen, ende die vromelike [275] str<i> det, sal die crone ontfanghen. [276] Alle menschen en hebben niet ghelike te striden. Sancte [277] Johannes ewangelista hadde grote sueticheit van Gode, 248 laten verlaten 251 contrarie tegenstrijdig 252 stantachtich standvastig 254 scarp steil 258 in-dien dat doordat 263 vroemlic moedig 271 ghenoechte genoegen, vermaak

147 129 [278] ende sancte Peter hadde menigherhande temptacien. Som- [279] mighe menschen dunct, dat sie ghene becoringhe en hebben, [280] noch sonden en doen als somme ander menschen; mer 280 [281] daer-om en sullen sie die anderen niet ordelen. Want die [282] moeder Godes moet den Sone Godes alsoe vele weer- 282 [283] dicheiden doen, dat hi sie behoet hevet van sonden, als [284] Maria Magdalena, dat hi hoer vele sonden vergheven hevet. * * * [285] ɑ Die werelt was in liden, ende daer en was niemant, [286] die sie verlosen mochte. Ende daer was groet ghebreck 286 [287] waters, ende daer en was mer een put inder werelt, ende [288] dat was Jacobs put, ende die was bedect ende dichte [289] toe-ghesloeten. Ende op dat decsel leghen drie cudde 289 [290] scape: dat ene waren die heydenen, dat ander die joden, [291] dat dorde die kerstenen. Ende elc cudde was van vele [292] dusenden. Ende doe was daer ene bruut, die was seer [293] schone. Ende Jacob waert beweghet vander schoenheit der [294] joncfrouwen, ende hi crech medoghen mit hoer, want zie [295] groet ghebreck hadde. Ende hi nam drier mannen cracht [296] an, ende worp of dat lit van den putte, ende schenckede 296 [297] der bruut ende den hierdekens der scapen, dat sin die [298] regierers der heiligher Kerken, ende voert alle den scape- 298 [299] kens, dat is allen menschen. Dat was Jhesus Cristus, doe [300] hi henc ander galghen des cruces, ende Longinus sine zide 300 [301] op-stac, daer uut-liep water ende bloet, in verlatenisse der 301 [302] sonden. Doe gaf hi drincken der bruut, dat was die heilighe [303] Kerke, ende voert ons allen-gader, uutter fonteinen des 280 somme sommige 282 weerdicheiden doen bewijzen van dankbaarheid geven 286 mochte kon 289 op bij 296 schenckede gaf te drinken 298 regierers bestuurders voert vervolgens 300 henc hing 301 op-stac openstak verlatenisse vergiffenis

148 130 [304] godliken herten, daer alle menschen enen sekeren toe-ganc [305] hebben. * * * [306] Item. Wi setten te stride den ghelovighen teghen den onghe- [307] lovighen. Die ghelovighe mach vraghen den onghelovighen, [308] waer-om dat hi niet en ghelovet dat God God is, ende [309] dat hi alle dinghen in sijnre ordinancien hevet. 309 [310] Die onghelovighe mach seggen: God is inden hemel. [311] Hi en weet niet, wat inder werelt gheschiet: hi en is sulken [312] man niet. Die ghelovighe mensche macht sien uut teykenen, [313] dat hi God is; die onghelovighe en machs doch niet sien [314] mit oghen, dat hi God is. [315] Die ghelovighe mach antwoerden: Niemant en weet wie [316] sijn vader is, dan van horen segghen. Nochtan en sin wi [317] alle ghene basterden, mer van horen segghen sijnre moder, [318] soe gheloeftet dat. Alsoe moete wi oec gheloven, dat God [319] God is. Want saghe wijt mitten oghen, soe en waert gheen [320] ghelove, ende soe en mochte wi daer niet in verdienen. [321] Daer is die onghelovighe verwonnen, ende die mont is [322] hem bestopt. [323] Ic sette den hoverdighen clerc teghen den hoverdighen te 323 [324] stride. Die oetmoedighe clerc studiert sancte Augustinus [325] ende sancte Bernardus scrift, op-dat hi Gode mach claer- 325 [326] liken bekennen ende ander menschen tot Gode trecken. Die [327] hoverdighe clerc stuediert hoeghe ende subtile scrifte, op- 327 [328] dat hi ghesien mach werden van den menschen ende gheeert [329] ende groten scat vergaderen. 309 in sijnre ordinancien onder zijn bevel 323 hoverdighen clerc = oetmoedighen clerc 325 claerliken bekennen duidelijk kennen 327 hoeghe ende subtile scrifte diepzinnige en vernuftige geschriften

149 131 [330] Als exempel. Het was een dwaes, ende vraghede enen [331] wisen meyster, oft beter weert vele te weten ende alle [332] daghe meer te leren ende dat niet te belaven, dan luttel 332 [333] weten ende dat-selve te beleven. Ende die meyster vraghe- [334] det sinen clercken. Ende sie antwoerden, dattet beter waer [335] luttel te weten ende dat-selve te beleven, dan vele te weten [336] ende daer niet nae te leven. [337] Doe antwoerde die dwaes: Is dat alsoe, soe sin ghi alle [338] dwaes ende ic bin wijs. Want ghi weten vele ende en [339] belevens niet, ende ic weet een luttel ende dat-selve 339 [340] beleve ic. [341] Ic sette te stride den hoverdighen minre-broeder teghen [342] den oetmoedighen. [343] Ic vraghe den oetmoedighen: Of men di over-seide, dattu 343 [344] een scalc biste of een ypocrite: salstu dat oec verant- 344 [345] woerden? [346] Neen, want int ewangeli stat ghescreven: Slaet di yemant [347] an die ene kenebacken, biet hem die ander. [348] Ic vraghe di, of men di ende alle dijnre oerden overseide, 348 [349] dattu biste kettere: salstu dat verantwoerden? [350] Jae, want doe die viant onsen lieven Heren becoerde [351] ende seide: Al dit wil ic di gheven, ist dattu neder-valles [352] ende anebedes mi, doe antwoerde Jhesus: Ganc achter- [353] waert, sathanas! Want al dat teghen die ere Godes is, dat [354] sal elc kersten-mensche verantwoerden als een lewe. * * * 332 belaven beleven luttel weinig 339 belevens beleeft het 343 of men di over-seide indien men u ten laste zou leggen 344 scalc slecht mens ypocrite huichelaar salstu dat oec verantwoerden zult gij dan u daarvan vrijpleiten 348 alle dijnre oerden uw gehele Orde

150 132 [355] ɑ Onse lieve Here Jhesus hevet ons ghesant vier broede 355 [356] van den hemel: een garsten-broet, een roggen-broet, een [357] tarwen-broet ende een weyten-broet. Biden garsten-broede 357 [358] is beteikent die jonfer Rechtverdicheit, biden roggen-brode [359] die jonfer die Waerheit, biden tarwen-broede die jonfer [360] Ontfarmherticheit, biden weiten-broede die jonfer Minne. [361] Die jonfer Rechtverdicheit ropet om wrake inden hemel [362] ende seit: Here, en si-di niet rechtverdich, ende heb-di [363] niet gheseit: Alle die-ghene die onrechtverdicheit werken, 363 [364] sullen vergaen? Plaghet sie, Here, want sie hem niet 364 [365] beteren en willen. Jhesus antwoerde: Ic en wil niet den [366] doet des sonders, mer dat hi leve ende hem bekier. [367] Die jonfer Waerheit roepet inden hemel: Here, en si-di [368] niet warachtich? Want dat mijn suster die Rechtverdicheit [369] ghesproken hevet, is waer. Ende en heb-di niet gheseit: [370] Alle die loghene spreken, die sullen vergaen? Ende ghi [371] hebt oec gheseit: Hemel ende eerde sullen vergaen, mer [372] uwe woerde en sullen niet vergaen. Plaghet sie, Here, 372 [373] want sie hem niet en beteren en willen. Jhesus antwoerde: [374] Ic en wil niet den doet des sonders etc. [375] Die jonfer Ontfarmherticheit ropet inden hemel: Here, [376] ontfarme over den menschen. Want al ist waer dat mijn [377] suster Rechtverdicheit ende Waerheit ghesproken hevet, [378] wil sie doch niet plaghen, want ic hope sie sullen bekieren [379] tot penitencien. [380] Die jonfer die Minne roepet inden hemel: Here, doer [381] uwe minne, soe spaert sie, ende gevet hem gracie tot u [382] te kieren. Want uwe minne gaet boven uwe rechtver- 382 [383] dicheit. [384] Ende die Minne ropet totten Heren: Al isser yemant [385] die ghemoerdet hevet ende vele quades ghedaen, ontfermet ghesant gezonden 357 biden door het 363 werken bedrijven 364 plaghet kastijd 372 uwe = mijne 382 gaet boven is sterker dan 385 ghemoerdet doodslag bedreven

151 133 [386] u des, want ghi ontfermden des moerdenars, die tot dijnre [387] ziden henc, want hi hadde recht berouwe. 387 [388] Here, al isser yemant die in overspel ghelevet hevet, ont- [389] fermet u des, Here. Want ghi ontfermeden des wivekens, 389 [390] die in overspel begrepen was, ende seiden hoer: Ganc, 390 [391] ende en wil niet meer sondighen. Want si hadde scaemte [392] van horen sonden. [393] Here, is yemant die di versaket hevet, ontfermet u des, [394] Here. Want ghi ontfermden sancte Peters, die u versaket [395] hadde, die u discipel was. Want hi hadde recht berou, [396] ende screyede altoes als hi den hanen hoerde crayen ende [397] dier uren ghedachte. 397 [398] Here, ysser yemant die di vertoerent hevet mit hoverdien [399] ende behaghelheit der menschen, ontferme hoerre. Want 399 [400] du ontfermde Maria Magdalena, want sie u hertelike [401] minnede. Alle die minne, die sie gheset hadde in creatueren [402] ende in eertschen dinghen, die kierden sie al-gheheellic tot [403] u, rustende tot uwen hei<li>ghen voeten. [404] Here, isser yemant die u vervolghet hevet ende uwe vriende, [405] ontferme hoerre. Wanttu ontfermdeste sancte Pauwel die [406] di vervolghede, ende maecste dijn apostel. Want doe hi [407] hem bekierde, bekierde hi hem ghehelicke totti, sonder 407 [408] weeder-dencken 408. [409] Here, isser yemant die bloet-ghierich gheweest hevet, ont- [410] ferme hoerre, want ghi ontfermden Davids, die doetslach [411] ghedaen hadde. Want hi gherechte biecht sprac, doe hi 411 [412] seide: Here, ic hebbe ghesondicht. Want al is daer waer [413] berouwe ende scaemte der sonden ende screyen der tranen [414] ende rechte minne ende ghehele bekieringhe: isser ghene 387 recht waarachtig 389 wivekens vrouwtje 390 begrepen overvallen, betrapt 397 dier uren ghedachte aan dat uur dacht 399 behaghelheit der menschen zucht om aan de mensen te behagen 407 totti tot u 408 weeder-dencken bedenken 411 gherechte oprechte

152 134 [415] warachtige biecht, soe en clinctet niet ende ten helpt 415 [416] al niet. [417] Here, al isser yemant die onrecht guet besit, ontferm [418] hoerre, wanttu ontfermdes des tolleners ende makeden een [419] apostel ende ewangelista. Want hi lietet al dat hi besat, [420] ende volghede di in armoeden nae. Want al hadde een [421] mensche alle dese voerscrevene doechden, kierde hi niet 421 [422] weder dat onrechte guet, ten hulpe hem niet. * * * [423] ɑ Exempel. Het is wonder, hoe die harde heydene 423 [424] menschen mochten bekieren vander simpelre leringhe der 424 [425] apostelen. Dat quam, dat sie simpelic gheloveden hoerre [426] leringhe, ende niet en volgheden hoerre wijsheit. Want al [427] dat inder heiligher scrijft is ghescreven, dat en is niet [428] te-vergheves. Want waer daer een punte te-vergheves, 428 [429] soe waren sie alle te-vergheves. Ende al dat die propheten [430] gheprofetiert hebben, dat is vervullet inden Sone Godes, [431] ende sie sluten op-een, ende wat die ene achter-ghelaten 431 [432] hevet, dat hevet die ander voert-ghebrocht. 432 [433] Als exempel. Nemet enen eykenen-boem ende eentet daer- 433 [434] op enen apelboem, ende die eyken-stam sal voertbrenghen [435] enen appelboem. Des-ghelikes doe die enghel Gabriel [436] Marien die boetscap brochte, dat die Sone Godes van [437] hoer gheboren solde werden, ende sie consent gaf ende [438] seide: Siet ene deerne des Heren: mi gheschie nae dinen 438 [439] woerden: doe wort dat Woert vleisch in horen lichaem, 415 soe en clinctet niet dan is het niet in orde 421 kierde gaf 423 wonder wonderbaarlijk 424 mochten bekieren zich konden bekeren 428 te-vergheves voor niets 431 op-een ineen achter-ghelaten weggelaten 432 voert-ghebrocht medegedeeld 433 eentet ent 438 deerne dienstmaagd

153 135 [440] ende verenichde die godheit mitter menscheit. Dat dede [441] God van groter minnen, op-dat hi ons mit hem verenighen [442] solde, ende wi onse minne in hem setten solde, ende wi [443] in hem verenicht worden, in hem ende in hem. * * * [444] Her be[n]ghint die benedictie. ɑ Alre-liefste zusteren, [445] in Cristo Jhesu uutvercoren ende sonderlinghe uutvercoren! 445 [446] Dat rike der hemelen lidet ghewelt, ende die ghewelt [447] doen sullent gripen. Die verwinnet salic gheven eten [448] vanden holte des levens, ende dese sullen die benedictie 448 [449] ontfanghen. [450] Susteren, want ghi begheren noch eens die benedictie te [451] ontfanghen nae groetheit ende diepheit uwes gheloven ende [452] uwer begheerten, soe moet ghi ghebenedijt werden niet [453] van mi, Janneken Brugmans, een arm dorre twijchken, [454] die verdroghet bin vander fonteinen der gracien. Ic en [455] ghebenedie u niet, mer die moghentheit des Vaders, die u 455 [456] ghegheven hevet drie crachten der sielen: als memorie, 456 [457] reden ende wille. [458] Die moghentheit des Vaders, die daer is een stuerman [459] ende een in-woenre uwer memorien, die moet u ghebenedien [460] mit sijnre ewigher benedictien. Die wijsheit des Soens, [461] die daer is een verlichter ende een bewaerre uwer redene, [462] die moet u ghebenedien mit sijnre ewigher benedictien. [463] Die guedertieren minne ende sueticheit des heilighen Ghees- [464] tes, die daer is een leider [leider] ende een regierre [465] des menscheliken willes, die moet u vervullen mit sijnre [466] sueticheit, ende moet u ghebenedien mit sijnre ewigher [467] benedictien. 445 sonderlinghe bijzonder 448 holte hout 455 moghentheit macht 456 crachten vermogens als namelijk

154 136 [468] Susteren, ic begheer dat ghi voer mi, arme stinckende wat, 468 [469] ende voer al onse broeders ende voer alle predikers willen [470] bidden. Ende soe make ic u delachtich alle des guedes, [471] dat in onser oerden gheschiet. Ende die sielen, die overmits 471 [472] ons bekiert werden, make ic u deelachtich alsoe diep, [473] als-of ghise selven bekierden, in-dien dat ghi voer ons 473 [474] bidden. [475] Lieve susteren, uwe rompekens sullen hier bliven, ende 475 [476] minen romp salic schudden waer dattet die Here ghebiedet. 476 [477] Ende dan sullen die vrie gheestekens op-vlieghen inden 477 [478] hemel ende en sullen nummer-meer ghescheiden werden. * * * [479] Exempel. Het was een devoet broeder, die hevet ghepredict 479 [480] ende ghesproken: Soe wie dese vijf missen mit groter [481] ynnicheit lest of doet lesen voer ene siele, die wort verloest 481 [482] uutten veghever, al solde sie daer-in hebben gheweest totten 482 [483] jonxten daghe. [484] Dit hoerden twee vrouwen prediken. Doe loveden sie twe 484 [485] malcander in gueder waerheit, soe wie ierst storve, dat die [486] ander dan solde laten lesen voer der doder zielen dese wijf [487] heilighe missen. Niet langhe hier-nae soe starf die ene [488] vrouwe. Doe wolde die levendighe vrouwe dat volcomelic [489] holden hoerre doder vriendinnen mit desen vijf missen, 489 [490] alsoe sie hoer ghelovet hadde. Dus liet sie doe lesen dese [491] vijf siel-missen Requiem voer hore ziele. Ende sie waert 468 wat = vat mens 471 oerden Orde overmits ons door ons toedoen 473 in-dien dat doordat 475 rompekens lichamen 476 schudden verplaatsen 477 vrie vrije (los van lichaam en zonde) 479 het was er was 481 ynnicheit vroomheid 482 al solde sie daer-in hebben gheweest al had zij er in geweest moeten zijn 484 loveden beloofden 489 holden nakomen ten opzichte van

155 137 [492] verloest, ende quam ende openbaerde der levendigher vrou- 492 [493] wen in groter claerheit, daer sie twe daghe van was ghe- [494] sterket ende ghevrouwet sonder tijtlike spise. 494 [495] ɑ Inder ierster missen salmen onsen Heren vermanen 495 [496] sijnre ghevanghenissen die hi wolde liden om alre menschen [497] sonden, dat hi des menschen ziele wil verlosen vander [498] schuldigher vanghenisse, daer sie in-ghecomen is mit con- 498 [499] sente of verdienste hoers lichaems. [500] ɑ Inder ander missen salmen vermanen onsen Here dat [501] gherichte ende ordel des dodes dat hi ontfenc van Pilatus 501 [502] onschuldich om die sonden der menschen, dat hi die ziele [503] verlose uutter pinen. [504] ɑ Inder derder missen salmen onsen Heren vermanen [505] hoe hi an dat heilighe cruce woert ghenaghelt mit drien [506] stompen naghelen om die sonden der werelt onverdient, [507] dat hi ontnaghele dese arme ziele van alre pinen. [508] ɑ Inder vierder missen salmen onsen Heren vermanen [509] sine wonden ende sijn ellendighe liden dat hi henc anden [510] cruce drie uren lanc levendich, dat hi hem ontferme over [511] die ziele ende verlose uut alre pinen. [512] ɑ Inder wijfter missen salmen onsen Heren vermanen [513] die begravinghe ende dat hi hadde alle die werelt uutter [514] macht der vianden <verloest> vander hellen overmits sijnre [515] swaerre pinen, dat hi wil dese siele verlosen ende vrien 515 [516] van allen pinen mit allen kerstenen ghelovighen zielen. [517] Amen. * * * [518] ɑ Item. Jhesus swetede water ende bloet. Hubertinus: [519] Jhesus liden was nye myn op enighen anderen tijden dan openbaerde verscheen 494 ghevrouwet verheugd 495 vermanen herinneren aan 498 vanghenisse gevangenschap 501 gherichte vonnis 515 vrien bevrijden 519 nye myn nooit minder

156 138 [520] doe hi swetede water ende bloet, ende alle sine pine die [521] hi van buten leet die en hadde ghiene ghelikenisse bi die [522] pinen die hi van binnen leet. Want onbegripelike was [523] die liefte die hi tot ons hadde, ende nae die groetheit der 523 [524] lieften die hi totter zielen hadde, soe hevet hi soe ombe- [525] gripelicke pine gheleden. Want die ziele, die hi soe uutter- [526] maten lief-hadde, hevet hoer van hem ghekiert ende hoer [527] selven alsoe seer mis-maket ende gheschendet. Och dese [528] pine, wemoedicheit ende ban<g>icheit die en hadde ghene 528 [529] mate ende was onbegripelic als die liefte onbegripelic was, [530] die hi totter zielen hadde. Daer-omme en mach ghiene [531] sonde alsoe groet wesen: ja, al hadde een mensche alder [532] werelt sonden hondert-werf ghedaen: als hi mit helen toe- [533] kier weder tot God kiert, dat hem sine sonden leet sinnen [534] ende hi mit opset niet meer en wil teghens die liefste wille [535] Godes doen, soe sin sie hem vergheven recht ofte hie sie nie [536] ghedaen en hadde. Ende alsoe onbegripelic ende oneyntlic [537] is die liefte die hi [ons] tot ons hevet, ende oec die liefte [538] der enghelen ende alle der heilighen, dat sie ene onbegripe- [539] like liefte, vroude ende wallustighe blijscap hebben als 539 [540] ene ziele weder-omme tot God kiert. Och, sie willen alle [541] mede vervrouwen uut onbegripeliker lieften, al-heel soe 541 [542] zuetelic ende lieflic versmelten in onsen toekier tot God, [543] isset anders dat wi toe-kieren in die vernyetynghe ende 543 [544] versmaden dinghe ons selven. Want alsoe mach God in 544 [545] ons comen ende wi weder in hem, ende alsoe sal die ziele [546] mit wallustighen blijsscappen uut onbegripelike lieften God 523 nae overeenkomstig 528 wemoedicheit diepe smart bangicheit benauwdheid 539 vroude vreugde wallustighe heerlijke 541 vervrouwen zich verheugen 543 isset anders dat wi indien wij althans vernyetynghe verzaking 544 versmaden dinghe = versmadinghe

157 139 [547] ombevaen, ende hem alle-dinc in allen dinghen kennen, 547 [548] ende mit liefliker gonst smakende te wesen, ende al-heel in 548 [549] God mit lieften te versmelten. * * * [550] ɑ Item, Die schult die wi onsen lieven Heren schuldich [551] sin, die is als x m talenten. Ende dat ons ons even-mensche 551 [552] misdoet, is daer-teghen als hondert penninghen. [553] Dat rike der hemelen is ghelijc enen menschen die een [554] coninc was, die rekeninghe maken wolde mit sinen knecten. 554 [555] Ende doe hi began die rekeninghe te setten, is hem een [556] knecht ghebrocht, die hem schuldich was x m talenten. [557] Dat wi teghen onsen lieven Here misdoen, is als x m talen- [558] ten, ende als wi niet en hebben daer wi hem mede betalen 558 [559] moghen ende wi ons veroetmoedighen ende hem bidden, [560] soe ghevet hi ons al onse schult quijt. [561] Ende dat onse even-mensche teghen ons misdoet, dat is als [562] honder <t> penninghe, teghen x m talenten. Ende als ons [563] onse mede-broeder misdaen hevet ende bit ons om verghif- [564] fenisse ende wijt hem niet vergheven en willen, soe claghen [565] onse heilighe engelen onsen lieven Heren over ons, dat wi [566] onses mede-knechtes niet ontfermen en wolde die ons bad. [567] Dan secht onse lieve Here tot ons: Scalke knecht, alle 567 [568] scolt heb ic di quijt-ghelaten, wanttu mi bades: hadt [569] daer-om niet behoerlic gheweest dijns mede-broeders te [570] ontfermen, doe hi di bat, alsoe ic dijns ontfermde? [571] Wi sin schuldich vierhande scholt. Ten iersten eyschet 547 ombevaen omhelzen alle-dinc geheel en al 548 gonst genegenheid smakende te wesen te smaken 551 m x tienduizend 554 rekeninghe maken afrekening houden 558 niet niets 567 scalke boze

158 140 [572] die Sone Godes al onse leven, want hij sijn leven voer [573] ons gaf. [574] Ten anderen eyschen onse zunden al onse leven in peniten- [575] cien. [576] Ten dorden eyschet dat ewighe leven al onse leven, want [577] wi dat besitten sullen. [578] Ten vierden male eyschet die hemelsche Vader al onse [579] leven, want hi hemel ende eerde ende alle creatueren om [580] onsen willen ende tot onser behoef ghescapen hevet, ende 580 [581] dese scolt en moghe wi niet bet betalen dan wi onsen 581 [582] broeder vergheven uut alre herten. [583] Die sonden die wi gebiecht hebben ende penitencie ont- [584] fanghen, die hevet ons onse lieve Here vergheven. Mer [585] die pine der navolghender sonden wort verswaert overmits [586] ondancberheit der verghevenre sonden. (KEULEN, Stadtarchiv, ms. G.B. oct. 71, fol. 163 r -177 v ) 14 Vanden heilighen Sacrament [2] Soe wanneer du ontfanghen hebste dat heilighe Sacramente, [3] soe enighet hi hem in di, ende dat daer sijn is, dat wort [4] dijn. Ende daer en is nerghent een wonde an den edelen [5] lichaem, sie en gheven di ene nije cracht ende ghietet in 5 [6] di die edele honichdrupen, die bereit sin in douwe des [7] heilighen Gheestes, die vettet di tot onser behoef ten onzen dienste 581 bet beter 5 sie en gheven die niet geeft 7 vettet maakt vet, voedt

159 141 [8] Alstu gaeste totten heilighen Sacrament, soe ontfaestu dat 8 [9] ghedode lam ende soe ontfaestu die verghietinghe des [10] bloedes. Och des edelen rokes, die dan is in dijnre zielen! 10 [11] Mochten die crachten dijnre natueren ghevoelen des ro- [12] kes, si en mochtens niet verdraghen. [13] Nym waer des levendighen broets, dat daer is dat heili- [14] ghe Sacrament. Sich an sine weerdicheit, dien du ont- [15] faeste. Ysayas sprac van deser spisen. Doe men hem [16] doden wolde, doe barch hi hem in enen holen bome. Doe 16 [17] quamen sine viande mit eenre holtenre saghen ende von- 17 [18] den hem inden bome ende wolden hem deelen van-een. [19] Doe sprac die ene van hem: Beidet, laet mi den ver- 19 [20] deerfden man vraghen, om wies willen hi dit liden wil, [21] ende hi seide: Wat sprecstu van dinen Gode, om wies [22] willen wi di willen doden? Doe antwoerde Ysaias: Ic [23] spreke van minen Gode ende van minen Heren: dat nae [24] mi comet een volc, dat sal die spise etten dat die Here [25] selven is. Mochte ic die spise etten, dat die Here selven [26] is, daer wolde ic deser dode neghen ende neghentich [27] omme liden. * * * Vanden heilighen Sacrament [29] Onse lieve Here seit: Nemet ende etet: dit is mijn li- [30] chaem. [31] Ten iersten veronweerden sie ende versmaden tghebot 31 [32] Godes, die hem mit weerdicheit niet en pinen daer-toe te 32 8 ontfaestu ontvangt gij 10 rokes geur 16 barch verborg 17 holtenre houten 19 beidet wacht 31 veronweerden versmaden 32 pinen beijveren

160 142 [33] bereiden alst behoerlic tijt is. Ende dit sin sie, daer onse [34] lieve Here of seit inden ewangelio: Die ghenodet wa- [35] ren, en wolden niet comen. Want onse lieve Here noet [36] ons ende seit: Mit begheerten heb ic begheert desen [37] paeschen mit u te eten. Mer sie versmaden hem ende en [38] willen niet tot hem comen. [39] Ten anderen mael doen sie onsen lieven Heren oneer, [40] want sie sluten hem uutter herberghe hoers herten. Want [41] die ziele is ene woninghe des Heren, ende hi hevet ghe- [42] noechte ende begheerte in die devoete zielen te rusten. [43] Want onse lieve Here seit in apoclipsie: Ic stae totter 43 [44] doren ende cloppe. Soe wie mi op-luket, daer salic toe 44 [45] gaen ende etten mit hem mijn avontmael. Ende daer-om [46] mach hi hem wel verwiten ende segghen: Ic was gast [47] ende ghi en herbergede mi niet. Want hi comet tot hem [48] in ghedaente des broedes, ende sie slutten die doer hoers [49] herten toe, ende en laten hem niet in-comen. [50] Ten dorden mael wederstaen sie onsen lieven Heren. [51] Want sie uut-sluten ende werpen van hem die gheden- [52] ckenisse ons Heren passie ende sijnre minnen die <hi> ons [53] bewiset hevet, want hi seit: Dit doet in mijnre gheden- [54] ckenisse. [55] Ten vierden mael schoeren sie die gheheelheit der heili- 55 [56] gher Kerken, dat is: die verdiente Cristi ende der heili- [57] gher Kerken scheiden sie hem of. [58] Ten vijften mael beroven sie hem alle der gracien die [59] daer sin inden heiligen Sacramente, want sie bestoppen [60] die gate der fonteinen daer die gracie doer-vloyet. Want [61] ghelijc dat bome ende crude niet wassen en moghen son- [62] der water, also en mach die mensche niet wassen ghees- [63] telic sonder die godlike gracie. 43 apoclipsie = apocalypsi Boek der Openbaring totter doren vóór de deur 44 op-luket opendoet 55 schoeren verscheuren

161 143 [64] Ten sesten male verwerpet hi die wapene, daer hi mede [65] bewaert solde wesen voer sine viande. Want dat heilighe 65 [66] Sacrament sterket den menschen inder becoringhe ende [67] doet sie hem verwinnen. [68] Ten sevenden mael berovet hi hem dat leven, ghelijc of [69] een hem selven dode. Want ghelijc dattet lichaem doet [70] is wanneer die ziele daer-uut is, also is oec die ziele doet [71] wanneer God uutter zielen is, als onse lieve Here seit: [72] Het en si dat ghi eten mijn vleisch ende drincket mijn [73] bloet, ghi en hebt gheen leven in u. [74] Exempel. Men vindet, dat een gheest enen gueden gheest [75] verscheen als in eenre lichter vlammen onmenschelike bor- [76] nende. Ende hi sprac, dat waer daer-om allene, dat hi [77] versumeliken hadde gheweest ander ontfanghenisse des 77 [78] lichaems ons Heren, ende hi seide: Daer-om lide ic also [79] grote onmenschelike pine, die niemant gheloven en moch- [80] te. Och, sprac hi totten gueden menschen, woldestu eens [81] mit andachte den weerden lichaem ons Heren ontfaen [82] voer mi, dat solde mi helpen. Die mensche dede dit. [83] Ende die gheest quam te-hant des naesten daghes tot de- [84] sen menschen, ende <was claer ende> blenckende ende 84 [85] scheen meer dan die sonne ende was vanden enen ontfan- [86] ghen des heilighen Sacraments alle sijnre ontelliker pinen [87] quijt ende voer alte-hant in dat ewighe leven. Amen. * * * [88] Onse Here beclaghet hem van ses dinghen op sine sonder- [89] linghe vriende. [90] Dat ierste is, seit hi, dat sie hoer leet mi allene niet en 65 bewaert beschermd 77 versumeliken nalatig 84 was claer ende addit N

162 144 [91] claghen, dat ic sie mit mi selven niet troesten en mach. [92] Dat ander, als mine vriende bi-een comen, dat minen na- [93] me dan soe haeste versweghen wort. [94] Dat dorde is, als ic tot hem come in hoer herte ende in [95] hoer ziele ende solde hore sinne vervullen mit alre ghe- [96] noechten ende weelden, soe hebben sie soe vele te scaffen, [97] dat ic haeste van hem moet scheiden. [98] Dat vierde is, dat mi in gheesteliken schijn soe traechliken [99] ende valschelic ghedient wort. Nyemant en is, die mi [100] puerlike meent of mynnet; een yeghelic suect dat sijn [101] verborghentlic an mi. [102] Dat vijfte, dat nyemant en is, die mi dienen wil op mijn 102 [103] selves cost. Ic moet al teghen hem verdienen mit enen vol- [104] len weten ende hebben, ende waer dat rustet, daer rustet [105] oec gansen vlite ende eernst. [106] Dat vj, ic stae voer allen herten ende cloppe mit allen [107] minen gueden ende gaven ende vermane doer mi selven [108] ende doer alle creatueren, datmen mi, arme bedelaer, ne- [109] men wil. Weynich isser, die mi willen: si nemen dat mijn, [110] mer niet mi. [111] Oec mede, als een leerre seit, soe claghet onse Here over [112] ons, om-dat wi overmits alte wele troestes van buten, als [113] der menschen, der werlt ende onser eyghenre wijsheit ende [114] toe-verlaet, den troest Godes niet tot ons en moghen laten [115] comen. Want als een vat vol is, soe en mach daer niet [116] meer in. Ende also langhe als wi opten troest der creatue- [117] ren leven ende daer ons toe-verlaten, soe moete wi van [118] node onghe [s]troes van Gode bliven. Want godlic troest [119] ende sueticheit ende den troest ende ghenoechte der crea- [120] tueren, dese [dese] en moghen niet te-gader staen. (KEULEN, Stadtarchiv, ms. G.B. oct. 71, fol. 212 r -214 v en 17 v ; NIJMEGEN, Universiteitsbibliotheek, hs. van mgr Van Gils, fol. 12 v en 142 v -143 r ; 'S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 133 H 21, fol. 167 v ) 102 mijn selves cost = sinen eygen cost G

163 [Tweyer geistlicher susteren spraeck ofte kallynge to-samen] [1] Tweyer geistlicher susteren spraeck ofte kallynge to-samen. 1 [2] Die jonxte was van xiij jaren ende die ander was alder. 2 [3] Dijt heft broder Johan Brugman van der observancien der [4] mynre-broeder to Nymagen gepredyckt. Ende hij predik- [5] ten ouch, dat hij daer over ende an was ende hoerden oere 5 [6] beyder sprack, wat sij van Gode ende van eynen geistli- [7] chen leven bekanden. 7 [8] Die alste sprack eirst to der jonxte alsus: Got geve dir [9] gueden morgen! [10] Die jonxte antwoerden: Got sij gelaeft, it en gynge mir [11] nye qualych. 11 [12] Die alste sprack: Wie mach dat sijn? [13] Die jonxte antwoerden: Al dat mir Got ye gegaf van 13 [14] lyden, dat heb ich gern geleden in mynre overster reden. 14 [15] Die alste sprack: Wen komsttu? 15 [16] Die jonxte antwoerden: Ich come van Gode. [17] Die alste sprack: Waer heves du Got vonden? [18] Die jonxte antwoerden: Daer ich al creaturen gelaten. 18 [19] heb, daer heb ich Got vonden. [20] Die alste sprack: Waer heves du Got gelaten? [21] Die jonxte antwoerden: In allen reynen herten. [22] Die alste sprack: Wat mynschen bistu? 22 [23] Die jonxte antwoerden: Ich bijn eyn konynck. [24] Die alste sprack: Bijs du eyn konynck, waer is dyn [25] ryck? [26] Die jonxte antwoerden: Myn ryck is in mynen herten. 1 kallynge to-samen samenspraak 2 alder ouder 5 over ende an bij tegenwoordig 7 bekanden wisten 11 nye qualych nooit slecht 13 ye ooit 14 mynre overster reden het hoogste deel van mijn ziel 15 wen waarvandaan 18 gelaten verlaten 22 wat mynschen wat voor iemand

164 146 [27] Als ich to-sluit die dueren mynre v synne ende ich den [28] Heren mit ernsticheit suecke, dan vynde ich oem in mynen 28 [29] herten, die daer is eyn ewich leven. [30] Die alste sprack: Mych dunckt, dat du to-mael vermete- 30 [31] lichen kalles. Waer hevestu geleirt soe grote heilicheit? 31 [32] Die jonxte antwoerden: Myn styl-sytten ende myn hoege 32 [33] begert heft mych in den hemel getoegen. [34] Die alste sprack: Wylck is die meyste vrede, den eyn [35] mynsche hebben mach? [36] Die jonxte antwoerden: Eyn suver reyn qunsiencie ende [37] die wael bereit. [38] Die alste sprack: Wen komt eyn suver qunsiencie wael [39] bereit? [40] Die jonxte antwoerden: Uut groeter hueden der sunden. [41] Die alste sprack: Wen komt die grote huede der sunden? [42] Die jonxte antwoerden: Uut heiligen anxt of vreisen [43] Gots. [44] Die alste sprack: Wen komt die heilige anxt? [45] Die jonxte antwoerden: Uut gotlicher mynnen, die men [46] uut Gode krygen mach. Want der apostel secht: Die [47] mynne Gots is gestort in onsen herten. (V. BECKER S.J., Fragment uit een Sermoen van Brugman, in De Katholiek, LXXXVI (1884, II), 86-87; J.-F. KIECKENS S.J., Gesprek van eene geestelike Suster van xiij jaren met eene andere die alder was, uit de vijftiende eeuw, in Dietsche Warande, V (1892), ) 28 oem hem 30 to-mael zeer 31 kalles spreekt 32 styl-sytten ingetogenheid

165 [Johannes Brugman mijnre-broeder] [1] Johannes Brugman mijnre-broeder heeft dit navolgen <de> [2] gepredict in die capelle van Sinte Elijsabette [te] n- [3] cloester inden Hage int jaer ons Heren m cccc ende lviij. [4] [Johannes] Van der overhoger waerdiger Drievoudicheit [5] seit Rygardus, dattet rike Gods die gloriosicheit heeft van- [6] den Vader, ende die scoenheit vanden Soen, ende die vol- 6 [7] weldicheit vanden heiligen Geest. [8] ɑ Die Vader heeft die gloriosicheit van hem selven al- [9] leen ende niet vanden Soen, mer die Soen heeft die scoen- [10] heit ontfangen uuten Vader, ende die heilige Geest heeft [11] die volweeldicheit ontfangen vanden Vader ende vanden [12] Soen, want hi is haerre beyder Geest. Ende daer-uut comt [13] den heiligen een genoechlic lustich gebruken Gods. 13 [14] ɑ Dat gebruken der heiliger Drievoudicheit en geschiet 14 [15] den heiligen niet in geliker manieren, mer na eens yegelics [16] verdienten so is sijn bekennen, sijn gebruken ende sijn in- 16 [17] vlieten in Gode, gelijc als wi uutwendeliken mogen sien, [18] daer wel glasen staen van meniger-hande verwen. Als daer 18 [19] dan die sonne doer-schijnt, so ist van binnen te sien recht [20] of die sonne groen of blaeu of roet of paers waer, daer- [21] na dat die glasen geverwet sijn. Ende nochtan en is die 21 [22] sonne in haer selven niet dan een blenckende licht, scoen [23] claerheit, een-formich, onwandelbaer in verwen. Alsoe is 23 [24] oec die heilige Drievoudicheit haer glorie stortende ende [25] schijnende in enen yegeliken heilich na maten sijnre ver- [26] dienten. Ende so wie volcomenste hier in duechden is, die [27] sel Gode inden hemel naest wesen int gebruken. 6 volweldicheit volkomen gelukzaligheid 13 gebruken genieten 14 geschiet valt ten deel 16 bekennen kennen invlieten opgaan 18 verwen kleur 21 geverwet gekleurd 23 onwandelbaer niet te veranderen

166 148 [28] ɑ Johannes Brugman [29] God is die ewige volmaectheit alleen, ende want an hem [30] niet en gebreect ende men daer of noch toe en mach doen, 30 [31] so is hi volmaect ende hem en gebreect niet, ende is selve [32] die almogentheit; dus is hi volmaect, also hi van ewen [33] tot ewen geweest heeft ende bliven sel. Want waermen [34] of of toe-doen mach, en is niet volmaect. [35] Noch engelen inden hemel, noch geen heilich, noch geen [36] dinc dat God gescepen heeft, en is volmaect. Want God [37] sach alle dinc dat hi gemaect hadde ende het was seer [38] goet, mer niet seit die scrijft volmaect. Want wat heb- [39] ben die engelen ende die heiligen in den ewigen leven [40] ende alle creatueren, sij en hebbent van Gode ende scep- [41] pen al haer glorie, al haer vroechde uut die ewige vol- [42] maectheit, die God selve is? Dus hebben si haer vol- [43] maectheit in Gode ende niet in hem selven, want sij ver- [44] sekert sijn mit Gode sijns nymmermeer te derven. (LEIDEN, Universiteitsbibliotheek, Letterk. 222, fol. 50 r -51 r ) 17 [1] ɑ Pater Brugman seide op een tijt [2] Een mensche, die sinlike liefte hadde op creatueren ende [3] hem om die minne Godes daer-of kierde ende storve die [4] creatueren, als die mensche comet inden ewighen leven, [5] soe sal hi in sinen vijf zinnen hebben ene sonderlinghe lief niet niets of noch toe af noch bij 5 sonderlinghe bijzondere

167 149 [6] te ende rustelike ophanghelicheit in die sinlike menscheit 6 [7] ons lieven Heren, voer anderen menschen die soedanighe 7 [8] becoringhe niet en hebben ghehadt. * * * [9] ɑ Brugman [10] Het is onsen lieven Heren also ghenaem, datmen bidt voer 10 [11] die sielen die int veghevuer sin, als of men hem te hulpe [12] ghecomen hadde doe hi henc ander galghen des cruces in [13] sijnre meester noet, ende hadde sijn heilighe wonden be- 13 [14] salvet mit sachter salven. (LEIDEN, Universiteitsbibliotheek, Letterk. 224, fol. 107 v -108 r 6 ophanghelicheit extase 7 over boven, meer dan 10 ghenaem aangenaam 13 meester grootste

168 150 Aanhangsel 18 [1] Hie begynet her Bruckmans collacie [2] van dem mynnenclichen lyden unsers lieben Heren 2 [3] Jhesus Cristus uff den Frydach. Deo graci(a)s [4] Die prynce und der aller-meiste is huden gefallen in 4 [5] Isarahel. [6] Die worde synt bequemelichen gesprochen van der pais- 6 [7] sien unsers lieben Heren Jhesus Cristus. Wantte eyme 7 [8] pryncen horent vier dingen: zo-als schonheit, starckheit, [9] wijszheit, <rijckheit,> und die waren aller-vollenkomenc- [10] lichste in unsers lieben Heren Cristus Jhesus, und desze [11] synt huden usz-gedain und vernyent, und eyn icklichen 11 [12] in drien maneren. [13] Zo dem ersten ist der aller-heszlichste ader leitlichste, 13 [14] overmyts dat syn lieffliche angesichte myt mannygen [15] freiden slegen was geswollen und gequetzet. 15 [16] Zo dem anderen malle, umb-dat syn suysse angesichte [17] met eynen unreynen doiche was schemelichen bedecket. 17 [18] Als etzelichen sagent, en daden sie nyt alleyne umb yne 18 [19] schande und lyden an zo done, mer ouch dar-umb wantte [20] er was also schone und suverliche an zo siene, unde dat [21] sie yn in keyner wijsze alle-sulche lyden und pyne en [22] hetten mogen doin, en hedden sij syn angesichte nyt be- [23] decket. [24] Zo dem dritten maile, umb-dat die unreyne speckel der 24 [25] joden, dat durbar bloit dat die dornen-krone uff syn hei- 25 [26] lich hoifft drucke, und zo-sammen mengeden und nyeder- 26 [27] sech und verdrogeden in synen heiligen bart: dat ma- [28] chede yn altzo sere myszstalt mynnenclichen liefderijk 4 aller-meiste allergrootste 6 bequemelichen passend, toepasselijk paissien passie 7 eyme pryncen horent een vorst behoort te hebben 11 usz-gedain und vernyent teniet gedaan en verguisd eyn icklichen elk 13 allerheszlichste ader leitlichste allerafzichtelijkste of deerniswekkendste 15 freiden wrede 17 schemelichen smadelijk 18 etzelichen verschillenden (verschillende schrijvers) 24 speckel speeksel 25 durbar kostbaar uff = usz 26 nyeder-sech nederdroop 28 myszstalt misvormd

169 151 [29] Der aller-starckeste ist geworden der aller-kranckste, 29 [30] overmyts dat he, do er was an den berge van oliveren [31] und anebeden synen hemelschen Vader, und van over- [32] groissen engesten swetzede er waisser und bloit, dat syne 32 [33] edele nature altzo ser krenckete. 33 [34] Zo dem anderen maile, van groiser arbeit, overmytz dat [35] er alle die nacht und alle den dach myt groszen pynen [36] gearbeit hatte. Und ouch na-dem dat er over-all gegeis- [37] selt was, do wart er myt dem cruce verladen, dar alle 37 [38] der werlt sunden uff-gelacht waren. 38 [39] Zo dem dritten maile was er verkrencken van grottem 39 [40] ruewen, overmytz dat er bekante die groitte undancke- 40 [41] barheit veller menschen, und umb verstorrunge syner 41 [42] jungeren. Und aller-meiste, dat er dan bekante den je- 42 [43] merlichen unverdrechelichen groissen ruwen syner lieber 43 [44] moder. [45] Zo dem vierden malle ist den aller-wijste geachtet der 45 [46] aller-geckickste mensche. 46 [47] Zo dem ersten, do sy yme an-daden eynen purperen man- [48] tel und uff syn konnynckliche hoift krucketen sy yme 48 [49] eyne dorne-krone und in syn edele hant gaven sy yme [50] eyn riet vur eyn septrum, unde knyenten vur yme und [51] betten yn an und sprachen: Gegroisset sijstu, konnynck [52] der joden; recht off sy sagen wolde: Deszer hait gespro- [53] chen, dat er eyn konnynck sij: dar-umb laist uns yne [54] cleyden und kronen und eren und ane-beden als eynen [55] konynck. [56] Zo dem anderen maile gecketen und bespotten sij myt [57] yme, do sy syne ougen bedecketen und yme sloegen uff [58] syn edele hoiffet und an synen halsz, und sprachen: [59] Cristus, proffenteir uns, wer er sij der dich sloich; aller-kranckste allerzwakste 32 engesten angst 33 krenckete pijn deed 37 verladen beladen 38 uff-gelacht opgelegd 39 verkrencken verzwakt 40 ruewen droefheid bekante kende 41 veller van veel verstorrunge verstrooiing 42 jemerlichen smartelijke 43 unverdrechelichen onverdraaglijke 45 vierden = dritten 46 aller-geckickste allerdwaaste 48 krucketen = drucketen 59 proffenteir profeteer wer er sij wie het is

170 [60] recht abe sy sagen wolden: Desser is eyn prophete der 60 [61] wairheit: is er dan eyn prophete, so sal er wail wijssen [62] wer yn geslagen hait. [63] Zo dem dritten maile, do er henck an dem cruce, do sij 63 [64] vur yme gyngen und schutten yre hoiffeder und spra- 64 [65] chen: Deszer hait gesprochen: Ich byn der Son Gotz; 60 abe of 63 henck hing 64 gyngen op en neer liepen

171 152 [66] recht abe sij sagen wolden: Ist er der Son Godes, so sal [67] er nu nyeder-clemen van dem cruce. 67 [68] Zo dem vierden maile is der aller-armeste. [69] Zo dem ersten wart er beroiffet all syner cleyder. Want [70] er hynck nacket an dem heiligen cruce: ja ouch so na- [71] cket, dat nye merteler noch missdediger mensche so na- 71 [72] cket en starff als er; wantte er also-danich hinck an [73] dem cruce als Adam in dem parradijsze gesat was. Er [74] was ouch beroiffet aller dingen: ja so sere, dat er nyt 74 [75] en haitte da-uff syn hoiffet rastede. Und dar-umb spricht 75 [76] sant Johannes, do er gesprochen hatte: It is vollen- [77] bracht dat er do syn hoiffet nyeder-neygete und gaff [78] uff synen geist. Wantte nyemant en is also arme, hait [79] er keynen pollem off oir-kussen under syn hoiffet in syme 79 [80] dode, so hait er die erde off holtz off eynen steyn, abe 80 [81] er mach syn hant under syn hoifft legen, unde er mach [82] syn gelieder van yme recken off strecken off van yme [83] legen, yme zo eyme solaisz. Mer all deszer er hadde unser 83 [84] lieber Here keyns. Wantte er en haitte die erde nyt, da- [85] off zo liggen, wantte er hynck an deme cruce. Er en [86] hatte ouch geyn holtze noch steyn under syn hoiffet. Und [87] dar-umb seech syn hoiffet nyeder off syne heilige broist. 87 [88] Er en mochte syne hende dar nyt under legen, yne dar- [89] off zo raisten. Wantte die waren so fast-genegelt unde 89 [90] usz-gerecket, dat er der nyt rueren en mochte. Er en 90 [91] konde ouch syn heilige foisse noch syn ander gelieder [92] nyt gerueren noch gelegen. Wantte er was also gedeynt 92 [93] und gespannen, dat man all syne gelieder tzelen mochte. [94] Zo dem anderen male was er beroiffet van aller men- [95] schelicher hulffen. Want alle syne frunde ane <...> In [96] der uren hette er wail hulffen und under-stant behoifft [97] van syner lieber moder, und sie hette yme aber gerne 97 [98] gehulffen, mer leyder sij en vermochtes nyt. Her-off [99] spricht David: Ire doichter, siet und neiget ure oren, [100] und hort drie dyngen. [101] Hort zo ersten dat geluet der hemerslege, die dynen lie- 67 nyeder-clemen naar beneden komen 71 nye nooit 74 nyt niets 75 rastede rustte 79 pollem peluw 80 abe of 83 yme zo eyme solaisz hem tot een troost er = en 87 seech zonk 89 raisten rusten 90 rueren bewegen 92 gedeynt uitgerekt 97 aber gerne wel gaarne

172 [102] ben Sone die plompen negelen durch syne heilge hende [103] und foisse sloigen. Welche freide slege gyngen in die [104] mo[r]de <r>liche sele und durch dyne juncferliche hertze.

173 153 [105] Hore zo dem anderen maile die steymme der blaiszfemyen [106] der feler joden. 106 [107] Zo dem dritten maile hoir dat ellendige roiffen und dat [108] bedurliche schryen und begerliche ynnige bidden dins 108 [109] lieven Sons. [110] Siet zo den ersten dat bespegen und bloidich angesichte [111] dins lieben gemynnenden Soens, dat also myszmachet [112] was van synen beronnen blode und van den unreynen [113] speykel der joden, dat er recht scheyn als eyne uszsesz- 113 [114] tiger mensche. [115] Siet zo deme andren maile dat gegeisselde dorchwonte [116] licham dins lieben Sons, dat van mannichfeldigen slegen [117] und van groisser vilheit syner wonden also gruszeliche 117 [118] was [er] an zo siene, also off er keyn menscheliche li- [119] cham en hette gewest. In all synen leben behoiffte er nyt [120] also wail hulffe und under-stant syner lieber moder als [121] in der uren. Wantte it hette yme doe wail noit gewest, 121 [122] do yme syn heiliger licham und syne seryge wonden ge- 122 [123] wasschen und gedruget hette. 123 [124] Siet zo dem dritten maile die seven reveyren, die van ym [125] floissen: tzwey van synen heiligen henden, und tzwey 125 [126] van synen heiligen foissen dat bloidige floissen waren, [127] und tzwey usz synen heiligen ougen dat gewarge floissen 127 [128] waren. Besient die sevende reveyre syner heilger wonden [129] syner syten, die floissen van waisser und van bloide. [130] Zo dem dritten maile was er beroiffet aller inwendiger [131] troisttunge van synem hemelschen Vader. Wantte nye [132] merteler en was so ellendinclichen van bynnen gelaissen [133] in alle synen lyden, want er en hatte all-zo-maile keynen [134] troist van bynnen. Dar-umb mochte er wail ellendenc- [135] lichen roiffen: Myn Got, myn Got, war-umb haistu mich [136] gelaissen? 136 [137] Besiet ir nu wail, wie der pryntze und der aller-meiste [138] huden gefallen is in Ysarahel. * * * 106 feler felle 108 bedurliche klaaglijk begerliche aanhoudend 113 scheyn leek uszsesztiger melaatse 117 vilheit menigte gruszeliche ontzettend 121 it hette yme doe wail noit gewest hij zou er toen wel behoefte aan gehad hebben 122 do = dat; seryge pijnlijke 123 gedruget afgedroogd 125 floissen vloeiden 127 gewarge waarachtige 136 gelaissen verlaten

174 154 [139] Ansich, aller-lieffste, wie dyn Here dyn Got myszhan- 139 [140] delt ist an der suel. Boven-maisze swerliche ist gewunt 140 [141] myt dornnen. He wart geleit usz der stait van Jherusa- [142] lem, der die sunden alle der werlt uff yme gedragen [143] hait. Er wart getzogen mit eyner corden, wieder-gebon- 143 [144] den umb syne sijten. Her was so sere gewont, dat dat [145] bloit van syner sijten und van synen gequesten fuyssen [146] floisz, dat er die straissen roit machete dar er hynne- [147] geleit wart. [148] Ach, siet yn an, wie er uff berch clymmet, und drun- [149] cken wart van groisser mynnen. Wie er nacket und [150] bloisz, als er van syner liever moder geboren wart, her- 150 [151] sitzet myt synen verwonten zo-riessen beynen in eynen 151 [152] hoilen steyn, bijsz alle dinck bereit was. Er steit nacket, 152 [153] gegeiszselt, gewont und bespegen, syn heilge hoifft myt [154] dornen gekront, unde syn angesichte altzo sere misstalt. 154 [155] Und wir, undanckber menschen, schamen uns umb sy- [156] nen willen zo dragen eyn oitmodich, verworffen cleit, [157] ungelich der werlt. Vorwair, it is allso, so ist eyn offen- 157 [158] barre tzeichen, dat wir Godes diener nyt en syn. [159] O aller-lieffeste creature, wat <hait> Got der almechtige [160] Here vor uns gedain? Her ist vor uns geworden eyn [161] arme worm und keyn mensche, laster der menschen und 161 [162] eyne verwerffunge des volckes. Und wat lijt er dege- 162 [163] liches van uns? [164] O alle ynnige reyne hertzen, komet und siet, wie er 164 [165] henckt druncken van mynnen, schemeliche beroiffet all 165 [166] syner cleyder. Hore, wat er roiffet van groiszer myn- [167] nen und begerden syn<s> hertzen, als Johannes beschry- [168] ven: In den lesten festlichen dage stont Jhesus, und 168 [169] rieff und sade: Wem dorstet, der kome zo myr, und 169 [170] drincke van den reveren des lebendigen waissers, die [171] sollen zo yme fleiszszen. Der leste groisse feste-dach [172] was der leste dach syns levens, in wilchem er uns also 139 ansich beschouw 140 suel geselkolom 143 getzogen voortgetrokken wieder-gebonden om en om gebonden 150 her-sitzet nederzit 151 zo-riessen verscheurde 152 hoilen uitgeholde 154 altzo sere misstalt bovenmate misvormd 157 ungelich niet gelijkend op, anders dan it is = is it; offenbarre duidelijk 161 laster smaad 162 degeliches dagelijks 164 ynnige vrome 165 schemeliche smadelijk 168 festlichen dage feestdag 169 sade zeide

175 [173] ser begerde zo schencken. Und den edelen wijn syns 173 [174] heiligen bloitz hait er so myldencklichen geschencket, [175] dat yme selver dorstende ist geworden. Wantte do er [176] haitte geroiffen: Myn Got, myn Got, war-umb haistu 173 zo schencken te drinken te geven

176 155 [177] mich gelaissen: altzo-hant dar-na, do er den essich 177 [178] gesmachet haitte und alle dinck vollenbrachte was, ney- 178 [179] gende er syn hoifft, und er entsleiffe den slaiff des 179 [180] doides. [181] O uszverkorrene hertzen, siet an uren lieben gemynne- [182] den brudegam, wie er henget puer nacket, altzo ser ver- 182 [183] nuwet, overgoissen unde roit van synen heiligen blode. [184] Ach siet, wie dat er hencket myt blechen doitlicher var- 184 [185] wen. Mich duncket, dat ich yne sie hangen levendich [186] vur mich: syne gelieder gespannen und uszgerecket als [187] die snare off der harppen. Siet, myt wie groisser be- [188] gerten er dat bloit syns hertzen uns schenckt. Wantte [189] do er synen geist haitte off-gegeben, lach yme syn 189 [190] herttze vol mynnen bevende van groisser lieffden in sy- [191] ner besloissener broist, und moichte roiffen myt grois- 191 [192] ser begerten: O Longinus, Longinus, kom unde doe uff 192 [193] myn hertze, off-dat myn usz-verkorenen drincken mo- [194] gen den edelen wijn myns hertzen. Koment alle, aller- [195] lieffesten, unde drinckent! Wantte dat vaisze vol mynnen 195 [196] syns gotlichen hertzen ist off-gedaen, und die luchtet 196 [197] aller-clairste, und die aller-suyszester luttester dranck 197 [198] fluyszszet dar-usz overfloedenclichen. Undanck moissen 198 [199] sy hain, die nyt en koment dryncken. Was it zo verwon- [200] deren, dat unser heiliger vader sante Franciscus nacket [201] ginck, der van deszeme wijne druncken was? Verwair 201 [202] nyt. Wantte liesz ich es nyt van schemeden, off henden 202 [203] und off fuyssen solde ich loiffen in yrender mynnen 203 [204] myns hertzen, van fuerricheit myns geistes. [205] Und alsus ist it wieder-gemachet, overmyts den doit 205 [206] unsers lieben Heren Jhesus Cristus, dat menscheliche [207] geslechte. Und er hait getruwet die heilige Kirche, dat 207 [208] sint alle die-geyne, die sich wirdich machent sins lydens 177 altzo-hant terstond 178 gesmachet geproefd 179 entsleiffe ontsliep 182 puer geheel vernuwet vernietigd 184 blechen doitlicher varwen bleke doodskleur 189 off-gegeben gegeven 191 besloissener besloten 192 doe uff maak open 195 vaisze vat 196 off-gedaen opengemaakt luchtet schittert 197 luttester zuiverste 198 undanck moissen sy hain treurige gevolgen moeten zij ondervinden 201 verwair voorwaar schemeden schaamte 203 yrender uitzinnige 205 alsus aldus wieder-gemachet hersteld 207 getruwet gehuwd

177 [209] und syns dodes, und dat synt alle geliedere und reben 209 [210] ader rancken des wijngardens, die er selver is, als er 210 [211] sait in sant Johannes ewangelio: Ich byn der gewaire reben takken 210 ader of wijngardens wijnstok 211 gewaire ware

178 156 [212] wijn-stocke und yr sijt die reben; der blyvet in myr [213] und ich in yme, der brenget vil frucht. [214] Deo gracias. (BERLIJN, Preussische Staatsbibliothek, ms. germ. oct. 328, fol. 79 v v -108 r ) 19 [1] (Collatio Johannis Brugman ad clerum) [2] Hic famosus predicator et zelator animarum Christi, ma- [3] gister Johannes Brugman, frater ordinis Minorum, cui [4] similis non est inventus in diebus suis in zelo et labore [5] pro salute animarum acquirenda, - nam fiducialiter ver- [6] bum Dei universis civitatibus et villis inferiorum partium [7] predicavit; nullius personam accipiens, omni condicioni, [8] sexui, statui sua peccata manifestavit, instantissime la- [9] borans hominum mores corrigere, timorem Dei mentibus [10] eorum incutere et quecunque christiane fidei necessaria [11] et congrua sunt inspirare, - hic tantus et talis tam [12] magnam complacenciam habuit quod fratres communis [13] vite clericorum facerent diligenciam in corrigendis, com- [14] ponendis ac dirigendis mori[ri]bus et affectionibus juve- [15] num clericorum, quod et ipse nonnunquam, pretermissis [16] sermonibus suis ad communem populum, ingressus domum [17] fratrum ibidem jocundabatur fieri parvulus in medio par- [18] vulorum, non solum parvulos ad profectum exhortans, ve- [19] rum eciam ne et ipsi fratres a cepto tam pio et utili opere [20] unquam desisterent, vehementer exorans. Tali enim occa- [21] sione infrascriptus sermo quadam vice ab ore ejus excerp- [22] tus est in domo Domini Florencii Daventrie. [23] Sinite parvulos venire ad me: talium enim est regnum [24] celorum. Marci.x. [25] Thema istud preassumpsit sibi ille flos florum, doctor [26] doctorum, propugnator devotorum magister Johannes [27] Gerson, cancellarius Parisiensis, in tractatu suo quem [28] composuit de tractu parvulorum ad Christum, nimirum [29] deditus et ipse huic studio, informando eos et audiendo [30] eorum confessiones. Distinguit autem libellum prefatum [31] in tria: nam collaudat illos qui insistunt parvulorum con- [32] versioni; invective terret illos qui avertunt parvulos a [33] Christo, adjungens pro majori terrore quod nusquam in

179 157 [34] evangelio legitur Dominum tam manifeste indigne ali- [35] quid tulisse quam ubi apostoli quamvis zelo bono suo [36] modo prohibebant eos, qui parvulos adducebant ad eum: [37] Sinite, inquiens, parvulos; tercio suadet ipsis par- [38] vulis, quatenus jugum Domini tollant et portent ab in- [39] fancia sua: hoc enim bonum est eis. Adjungit et quar- [40] tum, scilicet baculum sue defensionis, quo defendit se ab [41] obtrectatoribus, qui indecens et indignum judicabant [42] quod vir tante auctoritatis se tradebat parvulis infor- [43] mandis. Quocirca dicit: Non errabat sed prudenter sen- [44] tiebat, qui judicabat reformacionem Ecclesie, si qua fieri [45] deberet, per conversionem parvulorum fieri debere. Hec [46] iste. [47] Sed et magister Gerhardus Groet primitus in Trajecto [48] et in aliis locis laboravit prelatis et focaristis conver- [49] tendis, sed parum profecit: plus profecisset, si ab inicio [50] Parvulis informandis se occupasset sicut fecerunt disci- [51] puli ejus et adhuc faciunt. Hinc senex quidam predicator [52] in concilio Constanciensi cuidam dixit: Doleo quod non [53] ab inicio solis vetulis, parvulis aut horum similibus la- [54] boravi convertendis: nunc vero laboravi quasi incassum, [55] quia organisavi salicibus sterilibus in medio Babilonis. [56] Hinc eciam scripsit magister Henricus de Oytha, famo- [57] sus doctor Pragensis, magistro Gerhardo Groet: Mul- [58] tum, ait, edificor de zelo vestro, etc.; sed quod creditis [59] me quoad hoc plus posse proficere dimittendo universi- [60] tatem in qua sum et predicando populis, non video. Ecce [61] enim nunc per me edificantur clerici sine numero, qui [62] mittuntur deinde ad evangelisandum per totum mundum, [63] quorum quilibet plus me valet proficere. Hec ille. Qui [64] unum clericum convertit et ille consequenter decem, et [65] deinceps illi decem centum, et centum mille et sic ulte- [66] rius, omnium conversorum erit particeps usque in finem [67] qui primum convertit; et sic illius gloria semper crescit [68] usque in finem mundi, sicut econtra pena pervertencium, [69] sicut dicit Augustinus. [70] O quantum in morte letabitur ille parvulus, qui occasio- [71] nem dedit conversioni unius! Nam dicent angeli de eo: [72] Benedicta sit anima ista, que nos gaudere fecit super [73] peccatoris conversione. O quantum purgatorium alle- [74] viabit istiusmodi studium! Adducite ergo, o dilectissimi [75] filioli, consodales vestros ad collaciones et confessiones [76] ad domum Domini Florencii, quatenus noticiam acqui- [77] rant cum illis fratribus et tali occasione participes sitis [78] conversionis eorum. Quia dico vobis secundum Bedam [79] quod sublimior et Deo gracior vita non est quam illo-

180 158 [80] rum, qui se castigant a viciis, qui virtutum studiis ani- [81] mum subigunt, et insuper alios ad auctoris sui graciam [82] student convertere et crebra animarum conversione gau- [83] dia patrie celestis semper student augere. Et propter [84] hanc causam, meo proprio ordine Minorum excepto quem [85] quoad personam meam propter predicacionem meam mi- [86] chi magis deservire video, nullum statum plus diligo, [87] ad nullum plus anhelo quam ad horum fratrum statum; [88] et si Minorum ordo non esset, postularem flexis genubus, [89] ut me reciperent. Item, si talis casus emergeret quod [90] status iste perire vellet et papa michi diceret: Ecce [91] ego dispenso tecum, ut mutes ordinem tuum et habitum [92] et ingrediaris ad hunc vivendi modum et ne pereat con- [93] serves eum, ego sine mora id facerem. [94] ɑ Quatuor sunt genera hominum, qui multa bona fa- [95] cere possunt: rectores scolarium, et lectores sive sub- [96] monitores, et hujusmodi fratres, et confessores. Primi [97] tres se habent erga parvulos per modum ingerendi cibum [98] et digestionem procurandi, confessores procurant eis [99] egestionem. Et quia circa parvulos laborant, cito et leviter [100] et plus proficiunt quam qui erga induratos viros, secun- [101] dum illud: Quod nova testa capit, inveterata sapit; [102] item: Curvum se prebet, quod ad uncum crescere debet; [103] item: Anima parvuli est sicut tabula rasa: quicquid ei [104] inscribitur retinet, sive bonum sive malum. [105] Felices ergo, o fratres, estis qui hujusmodi studio dediti [106] estis. Cavete tamen negligenciam; cavete ne dicatur: [107] Parvuli petierunt panem et non est inventus qui fran- [108] geret eis. Item cavete et remissum animum, non corri- [109] gendo excessus et non expellendo de medio innocentum [110] noxios et pestilenticos, qui inficiunt alios. Date ergo qui- [111] busdam lac, quibusdam panem, quibusdam virgam, qui- [112] busdam portam. Melius est ut una ovis morbida pereat [113] quam multas inficiat. Melius est habere quinquaginta [114] bonos quam centum malos. Sic solliciti sitis, ut faciatis [115] quod est in vobis. Quod dum facitis, etsi minus proficitis, [116] eque mercedem habebitis aut certe potiorem quam si [117] multum proficeretis. Nam laborare et non proficere affli- [118] git animam, et unusquisque mercedem accipiet secundum [119] suum laborem. Quando autem proficitis, quandoque vana [120] leticia aut gloria partem tollit mercedis vestre. [121] ɑ Sinite itaque nec solum sinite sed eciam invitate [122] parvulos venire ad me: talium est enim regnum celo- [123] rum. O quam gloriosum est hoc regnum, in quo cum [124] Christo regnant omnes sancti amicti stolis albis. Beati

181 159 [125] qui lavant stolas suas, ut sit potestas eorum in ligno vite [126] et per portas intrent in civitatem. [127] Civitas autem hec, ut Apocalipsis ultimo habetur, duo- 127 [128] decim portas habet: ab oriente sunt porte tres, ab occi- [129] dente porte tres, ab aquilone porte tres, ab austro porte [130] tres. [131] Prima porta orientis est fides sive cognicio veritatis [132] quoad credibilia, secundum illud Salvatoris: Nisi quis [133] renatus fuerit ex aqua et Spiritu sancto, non intrabit [134] in regnum celorum. Item: Qui crediderit et baptisatus [135] fuerit, etc. State ergo, fratres, in fide et ab omni specie [136] infidelitatis vos cavete. Hinc ammoneo vos, ut nunquam [137] scribatis, nunquam servetis illas cedulas aut libellos, in [138] quibus continentur sortilegia aut quelibet similia: cruces, [139] figure et caracteres, quia trufe sunt. Vos scolares scri- [140] bendo ista rogatu vetularum multa mala facitis, et pec- [141] catis mortaliter quando scienter hoc facitis. [142] Secunda porta est caritas sive amor bonitatis, quia non [143] sufficit credere, sed eciam requiritur diligere. Hinc Pau- [144] lus dicit: Si habuero omnem fidem ita ut montes trans- [145] feram, caritatem autem non habuero, nichil sum; ubi [146] et premittit: Et adhuc excellenciorem viam ostendo [147] vobis, quasi diceret portam superexcellenciorem. [148] Tercia porta est operacio virtutis, secundum illud: Non [149] omnis qui dicit michi: Domine, Domine, intrabit in reg- [150] num celorum, sed qui facit voluntatem Patris mei qui in [151] celis est. Hinc ipse Jhesus cepit facere et docere usque [152] in diem qua assumptus est. [153] Porte occidentales sunt porte religionis sive arte peni- [154] tencie quasi post occasum orientis, fidei et caritatis. [155] Prima harum est omnimoda humiliacio, secundum illud: [156] Nisi efficiamini sicut parvuli, non intrabitis in regnum [157] celorum. Et sub ista comprehenditur primum essenciale [158] religionis, quod est obediencia. [159] Secunda porta est castitas sive carnis mortificacio, se- [160] cundum illud: Regnum celorum vim patitur et violenti [161] rapiunt illud. Item: Caro et sanguis non possidebunt [162] regnum Dei. Item Dominus loquitur de eunuchis, qui [163] se castraverunt propter regnum Dei, id est violenter [164] se continuerunt. Nam sunt et eunuchi a nativitate, id est [165] naturaliter casti, et hii tantam non habebunt mercedem. [166] Tercia porta est altissima paupertatis, secundum illud: 166 [167] Vade et vende omnia que habes et da pauperibus, et 127 ultimo = penultimo 166 paupertatis = paupertas

182 [168] habebis thesaurum in celo. Item econtra: Possibilius [169] est camelum intrare per foramen acus quam divitem

183 160 [170] intrare regnum celorum. Beati pauperes spiritu etc. [171] Deinde itur ad portas septentrionales sive aquilonares, [172] que sustinent tempestatis aquilonis, secundum illud: 172 [173] Fili, accedens ad servitutem Dei, sta in timore et pre- [174] para animam tuam ad temptacionem. Ab aquilone enim [175] panditur omne malum: Ecce, ait Ezechiel, ventus tur- [176] binis venit ab aquilone. [177] Prima harum portarum est stabilis paciencia, secundum [178] illud: Oportebat Christum pati et sic intrare in gloriam [179] suam. Item: Christus factus est obediens Patri usque [180] ad mortem crucis, propter quod et exaltavit illum, etc. [181] Actuum: Per multas tribulaciones oportet nos intrare [182] in regnum Dei. [183] Secunda porta est magnanimis confidencia, secundum [184] illud: Nolite timere, pusillus grex, quia complacuit Pa- [185] tri meo dare vobis regnum. Item Paulus: Nolite amit- [186] tere confidenciam vestram, que magnam habet remune- [187] racionem. [188] Tercia porta est finalis seu longanimis perseverancia, [189] quia qui perseveraverit usque in finem, hic salvus erit. [190] Et ad apostolos Dominus noster: Vos estis, qui perman- [191] sistis mecum in temptacionibus meis, et ego dispono vo- [192] bis regnum, ut edatis etc. Item: Nemo mittens manum [193] suam ad aratrum et respiciens retro aptus est regno Dei. [194] Aquilonis tempestate sedata tranquillitas pacis redit, se- [195] cundum illud: Surge aquilo et veni auster, perfla ortum [196] meum et fluent aromata illius. Dum ergo ad tempus [197] non parvum in hiis portis strennuiter militaverimus, tan- [198] dem Dominus noster misertus arcum conteret et confringet [199] arma et scuta comburet igni et dicet: Vacate [200] et videte quoniam ego sum DDeus. Has itaque portas [201] intrare est regno celorum jam approximare. [202] Prima harum est speculacio veritatis, secundum illud: [203] Justum deduxit Dominus per vias rectas, scilicet veri- [204] tatis, et ostendit illi regnum Dei. [205] Secunda est degustacio bonitatis. Unde ait Dominus [206] apostolis: Vobis datum est nosse, scilicet sapore et [207] gustu, misterium regni, ceteris autem, scilicet hujus [208] mundi sapientibus, in parabolis. Hinc alibi ait: Con- [209] fiteor tibi, Domine, Pater celi et terre, quia abscondisti [210] hec a sapientibus et prudentibus et revelasti ea parvu- [211] lis. [212] Tercia est exhortacio ipsius veritatis. Nam qui fecerit et 172 tempestatis = tempestates

184 161 [213] docuerit, hic magnus vocabitur in regno celorum. Et hec [214] porta merito ultimo tanquam ceteris sublimior ponitur, [215] quia inssistere conversioni animarum secundum Bedam [216] est sublimior et Deo acceptior conversacio que invenitur [217] in hac vita. Et secundum alium, forte Richardum, su- [218] premum est et nobilius carisma quod a Deo datur homi- [219] nibus. Hinc sponse osculum petenti contemplacionis dici- [220] tur: Quia meliora sunt ubera tua, quibus lactas par- [221] vulos, vino contemplacionis. Hac de causa Paulus de [222] tercio celo descendit factus omnibus omnia; hinc cu- [223] piebat anathema esse pro fratribus suis ; hinc Domi- [224] nus descendit et incarnatus est et passus. [225] ɑ Nota quod sicut assignate sunt duodecim porte regni [226] celestis sive illius supreme civitatis, sic econtra modo [227] assignari possunt duodecim porte infernales: scilicet ut [228] prima orientalis sit error infidelitatis, secunda pravitas [229] voluntatis, tercia pravitas perverse actionis; prima occi- [230] dentalis superbia, secunda luxuria, tercia avaricia; prima [231] aquilonaris impaciencia, secunda pusillanimis diffidencia, [232] tercia imperseverancia; prima australis cecitas intellectus [233] aut speculacio falsitatis, secunda obtusitas sive insipiditas [234] affectionis aut effectus malicie, tercia exhortacio ad ma- [235] lum vel a bono, quod est proprie dyabolicum. [236] Ergo, o dilectissimi filioli, fugite portas mortis et intrate [237] portas vite. Et quia, ut confido, primas tres orientis in- [238] trastis, quia fideles estis et bone voluntatis et bone ope- [239] racionis, suadeo nunc, ut portas occidentis id est reli- [240] gionis intretis, et primo portam humilitatis et obedien- [241] cie, nichil agentes sine consilio. [242] Si quando literas scribitis ad parentes aut ab ipsis scrip- [243] tas recipitis, superiori vestro primum legendas osten- [244] datis. Et si hoc facitis, promitto vobis quod de qualibet [245] litera inibi scripta mercedem habebitis. Si aliter facitis, [246] dyabolus numerat literas, ut a vobis in penis extorqueat [247] eas. Dico vobis quod adhuc in brevi hujusmodi furtive [248] litere quosdam ad apostasiam perduxerunt in ordine [249] nostro. [250] Similiter quantum possum suadeo, ut nusquam eatis sine [251] licencia, secundum illas pias consuetudines quas habetis. [252] Si hoc facitis, angelus comitetur vos et numerat vesti- 252 [253] gia vestra, ut de qualibet specialem mercedem recipiatis; comitetur = comitatur 253 qualibet = quolibet

185 162 [254] sed et custodit vos in via diligenter ab omnibus periculis [255] sive corporis sive anime, in que incidissetis si sine licen- [256] cia exivissetis. Si enim sine licencia exitis, dyabolus est [257] comes itineris vestri, numerans vestigia vestra, et ob- [258] servat oportunitatem, ut precipitet vos in periculum aut [259] in lapsum alicujus temptacionis. Nam et Astion ille sanc- [260] tus adolescens dum quadam vice ivisset haurire aquam [261] sine licencia patris, in via dyabolus percussit eum gra- [262] vissima temptacione carnis. Cui postea increpans dixit [263] spiritualis pater ejus Epicticus: Nesciebas, fili, quia 263 [264] imperforabile scutum contra sagittas dyaboli est licencia [265] et benedictio patris? [266] Nullum locum monasterii sic odit dyabolus sicut domum [267] capitularem, quia quicquid alibi lucratur, hoc ibidem per- [268] dit. Utinam ergo intelligeretis quantum dyabolum ledi- [269] tis, quando correpciones humiliter suscipitis, veniam li- [270] benter petitis, Est culpa mea, volo me libenter emen- [271] dare dicitis. Quando veniam petendo terram osculamini, [272] dico vobis quod ipso osculo os dyaboli tanquam lapide [273] percutitis. Similiter quando dicitis humiliter: Est culpa [274] mea, ille superbus stoppelroed sic fugit a vobis sicut [275] aliquis trepidus et timidus fugeret a facie gladii ferien- [276] tis. Erat quidam obsessus, qui nulla adjuracione potuit [277] liberari ; tandem quidam humilis frater prostravit se [278] ad recipiendum disciplinam coram eo; quo viso demon [279] clamare cepit: Exire volo, exire volo! Cessate, cessate! [280] Sic et beatus Benedictus cuidam fratri obsesso tantum [281] alapam dedit et demonem excussit. Similiter alterum [282] virga percussit, qui in choro stare non potuit, et niger [283] ethiops post hoc ad eum redire ausus non fuit. [284] Qui secundum hec predicta diligenter se exercitant, quan- [285] do ad religionem veniunt, statim complent annum pro- [286] bacionis sue. Nam prior quidam receptis quadam vice [287] ex domo ista talibus forte duobus aut tribus, dum mores [288] eorum et ad omnia facilem institucionem vidisset, ait: [289] Lactati sunt ubere regio. Quapropter suadeo vobis, om- [290] nibus modis amplecti toto desiderio hunc libellum con- [291] suetudinum vestrarum. Et ego certe, dum venisset ad ma- [292] nus meas, admirabar super illo quia per omnia quasi no- [293] stri ordinis statuta sunt. Benedicta sit manus illa, que [294] scripsit et collegit illum pro institucione vestra. Vellem [295] et si quid a vobis petere possum peto, ut in recessu vestro [296] a domo ista omnes exscribatis illum et vobiscum tollatis [297] et sepe perlegatis. 263 Epicticus = Epictetus

186 163 [298] Suadeo vobis deinde, filii mei dilectissimi, ut saltem unam [299] horam captetis in die, in qua sepositis aliis soli Deo va- [300] cetis, orando, conscienciam vestram examinando et ali- [301] quid de sacra scriptura perlegendo. Et si hoc fideliter [302] facitis, nolite credere quod in scolasticalibus minus per [303] hoc proficietis. An nescitis quod sanctus Thomas de [304] Aquino plus orando profecit quam studendo? Nam cum [305] aliqua difficilis questio ei occurreret, quam dissolvere [306] non posset, oravit et statim solucionem invenit. Ergo, mi [307] dilecti parvuli, habeat Christus aliquam partem diei. Sed [308] et tota die sit vobis familiare breves oraciones et devota [309] suspiria ad Christum, ad Mariam et ad alios sanctos [310] emittere. Nam legitur quendam centum, alium vero vi- [311] ginti oraciones tales sub uno prandio emisisse ad Domi- [312] num vel ad sanctos. [313] Ubique sit Christus vobiscum, in camera, in oratorio, in [314] mensa, in platea, in studio; et ne audeatis illo presente [315] quod presente patre vestro non auderetis. Puer Jhesus [316] quadam vice apparuit puero Edmundo in campo et ait: [317] Cognoscisne me? Illo negante subjunxit Jhesus: Et [318] quare me non cognoscis, cum ego ad latus tuum sedere [319] solitus sum in scolis? Non dubito ego ipsum Dominum [320] Jhesum pudicis, mansuetis, devotis, modestis adhuc co- [321] tidie in omni loco adesse, sicut econtra carnalibus, impu- [322] dicis, iracundis, litigiosis, ociosis, discolis, verbosis, in- [323] verecundis et indevotis adest dyabolus. Ergo creberrime [324] cogitetis quem presentem habetis et cujus voluntatem [325] adimpletis. [326] Dum missam auditis, de ipsius Christi presencia precipue [327] affectum vestrum excitetis, sic eum facta elevacione [328] presentem ymaginantes ac si jam presencialiter patere- [329] tur, crucifigeretur et pro salute nostra moreretur. Nolite [330] ergo multa lectione tota missa occupati esse; sed qui [331] sentit se multis peccatis sordidatum, speret et optet in [332] hoc fonte sanguinis Christi lavari. Nam secundum Za- [333] chariam fons iste patens est domui David in ablucionem [334] peccatorum. Qui infirmus est variis temptacionibus, ac- [335] cedat ad hunc medicum, qui Jhesus dicitur, id est Sal- [336] vator. Qui filius prodigus, accedat et dicat: Pater, pec- [337] cavi in celum et coram te ; jam non sum dignus vocari [338] filius tuus, etc. Qui autem filius bonus et obediens est, [339] accedat ad hanc mensam Patris et petat sibi dari panem, [340] quia sicut novelle olivarum Ecclesie filii sunt in circuitu [341] mense Domini. Ovis accedat ad suum pastorem; obliga- [342] tus multis debitis et totus pauper in virtutibus accedat [343] et petat, quia omnis qui petit accipit, etc. Et est in hac

187 164 [344] passione infinitus thesaurus hominibus, secundum quod [345] dicitur in libro Sapiencie. Et hic thesaurus est collectus [346] ex omnibus meritis Christi et omnium sanctorum. Et una [347] gutta sanguinis Christi tanti precii est, quod omnium [348] hominum peccata valuisset diluisse. Item qui graciam [349] habet, potest distinguere passionem Christi in sex parti- [350] culas et qualibet die feriali de una particula sub missa [351] meditari, dominica vero de resurrectione. [352] Verum ut secundam occidentalem portam non preterea- [353] mus, toto affectu cordis mei, o predulces filioli, rogo et [354] suadeo, ut thesaurum illum preciosissimum castitatis [355] caute et diligentissime custodiatis. Et ut hoc facere pos- [356] sitis, custodite fenestras vestras, videlicet oculos vestros, [357] quia impudicus oculus impudici cordis est nuncius; item [358] aures vestras, ut non audiatis verba turpia aut carnalia, [359] more beati patris nostri Francisci, qui solebat hujusmodi [360] colloquia, dum adhuc secularis esset, interrumpere aut [361] surgere et de societate fugere. Item precipue hortor et [362] cum terrore ammoneo, ut custodiatis manus vestras ab [363] inhonesto et inverecundo tactu aut contrectacione mem- [364] brorum vestrorum aut sociorum et nullo modo permit- [365] tatis circa vos fieri talia. Quadam vice percussa est mul- [366] titudo hominum igne sancti Anthonii hac de causa. Alius [367] autem subita morte percussus est. Mulier quedam, dum [368] hoc ageret, audivit demonem clamantem: Fy, fy, fy! [369] A contrario vero quedam casta persona hoc observavit, [370] quod nunquam sol illustravit nuda crura ejus. Alius, [371] dum per aquam transvadare deberet, erubuit coram di- [372] scipulo denudare crura sua, quapropter angelus subito [373] transposuit eum in alteram ripam. Ergo, predilectissimi [374] parvuli mei, ob amorem Dei et sancte genitricis ejus [375] obsecro, ut circa custodiam hujus virtutis toto corde om- [376] nimoda sollicitudine invigiletis. [377] Sed et temptaciones vestras fratribus vestris ex domo [378] Domini Florencii vobis deputatis nude reveletis. Sanari [379] non potest eger, nisi medico revelet infirmitatem suam. [380] Tamdiu enim juxta sentenciam patrum suggestiones do- [381] minantur in nobis, quamdiu celantur in corde; mox au- [382] tem ut patefacta fuerint marcescunt. Egerrime sustinet [383] dyabolus hujusmodi revelaciones et nimis confunditur ab [384] eis et fugit et perdit virtutem suam contra hominem. O [385] ergo optima confusio, qua sic inimicus confunditur; hec [386] est confusio adducens gloriam. Est et alia adducens pe- [387] nam: quando confunditur eger, ut non detegat ulcus. [388] Erubesce ergo, sed tamen totum dic.

188 165 [389] Nunc tandem ad terciam portam redeamus, que est por- [390] ta paupertatis. Considero nunc vestimenta vestra, inter [391] que hec grisei coloris michi placent. Sed et facies pau- [392] perum aspicio et in eis tam bonum colorem et carnosi- [393] tatem considero ut in divitum faciebus, nam et Pater [394] celestis pascit eos. Ut quid ergo solliciti sumus pro hiis [395] vanis et perituris diviciis? Unum est quod in futurum [396] precavens dico: bone sunt ecclesiastice prebende, sed qui [397] non volunt comburi ab eis, caveant sibi. Iterum repeto: [398] non comburamini ab eis. Unusquisque provideat, ut ad [399] eas dignus accedat, vocatus a Spiritu sancto intret, dum [400] intraverit bene dispenset: quia quod ex eis ultra simpli- [401] cem victum et vestitum est, pauperum est ; si non datur [402] eis, furtum et rapina est. Similiter sit unusquisque circa [403] aviditatem studendi et studium nimis protrahendi. Nam [404] universalia studia bona sunt, sciencia ibi acquiritur, sed [405] raro virtutes. Ego vellem me tempus meum, quo Parisius [406] studui, in Daventriensi studio expendisse; nam hic scien- [407] cia et mores et virtutes docentur, que sunt utiliores [408] sciencia. Nam secundum Bernardum super Cantica, quia [409] tempus nobis concessum satis est breve et parvum, po- [410] cius insistendum luctui penitencie et acquirendis virtu- [411] tibus quam semper discere et nunquam sibi vel tarde ma- [412] num perfecte ad opus porrigere. Quamdiu autem studio [413] insistitis, a facili repatriacione caveatis vobis. Jam pesti- [414] lencia scolas Svollenses dissipavit, sed mallem nepotem [415] meum, qui illic stetit, in hac patria mori de pestilencia [416] quam permittere eum repatriare: hic jam est angelus, [417] in patria inter suos consanguineos fieret dyabolus. [418] Item secundo suadeo, ut in scolis diligenter dicta lec- [419] torum vestrorum signetis, ut tanto tenacius memorie im- [420] primatis. Sed et ergo admoneo vos, mi dilectissimi filioli, [421] ut semper Deum habeatis in intencione studii vestri: ut [422] intencio vestra sit, finito studio, plenius Deo servire; et [423] hoc secundum consilium istorum fratrum domus Domini [424] Florencii, qui monasteria noscunt an bona sunt an ma- [425] la. Nam potius vellem vos mori, pocius in patibulis sus- [426] pendi, potius intrare matrimonium et effici seculares [427] quam ingredi ad dissolutos religiosos qui non observant [428] regulam et tria essencialia. Hujusmodi monasteria sunt [429] latrocinia seu spelunce latronum et monachi pejores la- [430] tronibus. Qui ergo sic in studio suo Deum intendunt, om- [431] nis grammatice et loyce lectio loco oracionis dominice [432] eis reputabitur. [433] Postremo, quia exempla plus movent quam verba, refe- [434] ram quedam facta consodalium vestrorum, ut eo plus

189 166 [435] vos moveant quo viciniora sunt. Quidam ante duos annos [436] vel circa, qui presens jam non est, a ribaldo trusus sive [437] percussus in scolis, tacuit cum verecundia et abiit. Quod [438] ut alius vidit, factum doluit et sociis suis dixit: Ecce [439] quomodo ille bonus juvenis, quem percussi, nichil dicit [440] mali ; ergo doleo me fecisse et amodo non faciam. Alius [441] percutienti se pecuniam dedit, exemplo illius adolescentis, [442] qui in portis Atheniensium a senibus illic sedentibus va- [443] rie delusus et irrisus et injuriatus ridere cepit. Interro- [444] gatus cur rideret respondit: Ego tot annis pecuniam [445] dedi injuriantibus michi quod nunc gratis acquiro, et ergo [446] rideo. Quo audito ajunt senes: Dignus es intrare et [447] sapiencie studiis insistere. Tercius sedens in scolis et [448] scribens, dum ribaldus luctans cum socio immundo pede [449] librum ejus calcasset, ad genua cecidit et veniam petiit [450] quod librum suum in ejus itinere posuisset. Ille vero [451] addens ad cumulum mali, alapam dedit ei, quam parvu- [452] lus innocens pacienter suscepit. Sed perversus ille post- [453] modum mente pertractans suam perversitatem et juve- [454] nis innocenciam et pacienciam, tantum doluit quod eodem [455] die religionem introivit. O de facto! o de miraculo! o [456] quante virtutis extitit paciencia illa, que dyabolo animam [457] rapuit et Christo assignavit! O beate parvule, qui me- [458] ruisti in novella etate Christo passo fructum passionis [459] assignare, totam celestem curiam de conversione pecca- [460] toris letificare! O utinam hii parvuli horum predictorum [461] facta vellent imitari! Ecce jam flexis genubus, expansis [462] et iterum conjunctis manibus meis, o predilectissimi par- [463] vuli, rogo ut predicta hec hereant in memoria vestra. [464] Et jam nunc committo vos Deo. Habeatis memoriam mei [465] in oracionibus vestris, et ego libenter et singulariter ha- [466] bebo memoriam vestri in oracionibus meis. Benedictio [467] Dei Patris et sapiencia Filii et gracia Spiritus sancti cu- [468] stodiat vos nunc et in eternum. Amen. [469] ɑ Hanc collacionem fecit in domo Domini Florencii Da- [470] ventrie, anno Domini.M.cccc. lx., post festum Johannis [471] Baptiste. ('S-GRAVENHAGE, Koninklijke Bibliotheek, hs. 78 H 54, fol. 6 v -10 v ; EMMERIK, Gymnasiumbibliothek, hs. 5)

190 [1] (De Joanne Soreth O. Carm.) [2] Sane Patrum memoria accepimus et contestantur monu- [3] menta, pium perinde et eruditum Patrem e Francisca- [4] norum observantia, cui Joannes Brugman nomen erat, [5] virum ut tunc aetas per totam Germaniam in reliquis [6] insigniter eruditum, maxima vero eloquii gratia et fama, [7] cum aliquando e suggestu concionem haberet ad populum [8] et ex sermonis instituto plura de quatuor Mendicantium [9] ordinibus intexeret, ejusmodi veritatis testimonio nostri [10] Joannis Sorethii adhuc in vivis degentis virtutem conde- [11] corasse, quo nemo gloriosius a morte expeteret. Is est, [12] ajebat, Pater Sorethius ovium sibi commissarum vigi- [13] lantissimus pastor, vir utique juxta cor Dei. Dispensator [14] fidelis, non sui modo ordinis lumen columenque, sed reli- [15] quorum insuper Mendicantium praesidium et immobile [16] firmamentum. Fecisses utinam, Deus immortalis, ut ta- [17] lis tantusque vir regendae Minorum familiae nobis a tua [18] misericordia concederetur! Quam felici cursu fluerent [19] res nostrae, quam admirabili cremento effloresceres, mea [20] Religio amantissima! (WALTERUS DE TERRA NOVA, Vita B. Joannis Soreth, in Expositio paraenetica in Regulam Carmelitarum auctore B. Joanne Soreth, S. Omer 1894, 33)

Vraag 62 : Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?

Vraag 62 : Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Voor 16 jaar en ouder! Zondag 24 Zondag 24 gaat over de goede werken. Zondag 24 vraag en antwoord 62, 63 en 64. Vraag 62 : Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk

Nadere informatie

V- ^ f i I I I i i C Vier Maria Legenden 5* Vier Maria Legenden De Ivoren Toren Apeldoorn J Van een heilich vader / Daer was een heilich vader in eenre vergaderinghe ende dese was coster ende diende

Nadere informatie

1 Korintiёrs 1:9. Marcus 10:45. Handelingen 4:12. Johannes 17:3. 1 Korintiёrs 3:16. Johannes 15:9,10. Psalm 32:8

1 Korintiёrs 1:9. Marcus 10:45. Handelingen 4:12. Johannes 17:3. 1 Korintiёrs 3:16. Johannes 15:9,10. Psalm 32:8 [1] [2] [3] Johannes 3:16 1 Korintiёrs 1:9 Johannes 3:19 God wil met ons omgaan God wil met ons omgaan Zonde brengt scheiding [4] [5] [6] Romeinen 3:23 Marcus 10:45 Romeinen 5:8 Zonde brengt scheiding

Nadere informatie

Openluchtdienst! speelruimte om te leven!

Openluchtdienst! speelruimte om te leven! Openluchtdienst speelruimte om te leven liturgie bij de openluchtdienst op zondag 15 juni 2014 in de tuin van het Wooldhuis uitgaande van de Protestantse Gemeente Heino-Laag Zuthem voorganger: ds. Hans

Nadere informatie

Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.

Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt. Huwelijk Eucharistische gebeden 2. Eucharistisch Gebed XII-b Jezus, onze Weg. Brengen wij dank aan de Heer, onze God. Heilige Vader, machtige eeuwige God, om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil

Nadere informatie

Dr. M. van Staveren. Nog een en ander over Mr. Jonannes Basius.

Dr. M. van Staveren. Nog een en ander over Mr. Jonannes Basius. Dr. M. van Staveren. Nog een en ander over Mr. Jonannes Basius. Dr. M. van. Staveren. Met een weemoedig gevoel zet ik mij neer om een kort woord te schrijven tot nagedachtenis van den waardigen man, wiens

Nadere informatie

(Deel van) Zijn Lichaam

(Deel van) Zijn Lichaam (Deel van) Zijn Lichaam 1 December 2013 I. Wedergeboren Leven II. Levende stenen 1 Petrus 2:4-5 Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn

Nadere informatie

TIEN GEBODEN TIEN SCHILDERIJEN. Bart Jan Bakker. en teksten

TIEN GEBODEN TIEN SCHILDERIJEN. Bart Jan Bakker. en teksten TIEN GEBODEN TIEN SCHILDERIJEN en teksten Bart Jan Bakker Deze bundel met afbeeldingen van schilderingen op papier en begeleidende teksten bevat mijn werk uit de periode augustus 2013 tot en met oktober

Nadere informatie

San Damiano, weg naar het heiligdom

San Damiano, weg naar het heiligdom God, onze Leidsman, de eeuwen spreken van Uw stem, die gehoord werd door mensen die vanuit de diepte van hun hart uitzagen naar Uw licht. Uw roepstem hebben wij verstaan en onbevreesd zijn wij op weg gegeaan.

Nadere informatie

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon

Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon Op weg met Jezus eerste communieproject H. Theobaldusparochie, Overloon Hoofdstuk 5 Bidden Eerste communieproject "Op weg met Jezus" hoofdstuk 5 blz. 1 Joris is vader aan het helpen in de tuin. Ze zijn

Nadere informatie

Onze Vader. Amen. www.bisdomdenbosch.nl

Onze Vader. Amen. www.bisdomdenbosch.nl Onze Vader Onze Vader Onze Vader, die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel, Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schuld,

Nadere informatie

Heilig Jaar van Barmhartigheid

Heilig Jaar van Barmhartigheid Heilig Jaar van Barmhartigheid van 8 december 2015 tot 20 november 2016 Paus Franciscus heeft alle mensen van de hele wereld uitgenodigd voor een heilig Jaar van Barmhartigheid. Dit hele jaar is er extra

Nadere informatie

18. Evangelist in eigen land 19. Onder Jezus zegen Een bereide plaats 20. Water 21. Een gebed om de Heilige Geest Doorwaai mijn hof 22.

18. Evangelist in eigen land 19. Onder Jezus zegen Een bereide plaats 20. Water 21. Een gebed om de Heilige Geest Doorwaai mijn hof 22. Inhoudsopgave Voorwoord 1. Een gebed bij het begin van het nieuwe jaar Ik ben met u 2. Gods hand 3. Zegen Vrede met God 4. In de kerk 5. Is Deze niet de Christus? Deze ontvangt zondaars 6. Echte vrienden

Nadere informatie

De bruiloft van het Lam

De bruiloft van het Lam Openbaring 1: 1-4 De bruiloft van het Lam 1.Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en die Hij door Zijn engel gezonden

Nadere informatie

Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie?

Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie? Is Jezus de Enige Weg? Is het christendom de enig ware religie? Johannes 14:6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Genesis 20:1-12 1 Abraham

Nadere informatie

De leiding van de Heilige Geest, en de misleiding

De leiding van de Heilige Geest, en de misleiding De leiding van de Heilige Geest, en de misleiding Leiding van de Heilige Geest is essen3eel, fundamenteel en onmisbaar! Romeinen 8:14 Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

Nadere informatie

JEZUS VERGEEFT EN GENEEST

JEZUS VERGEEFT EN GENEEST LITURGIE voor de themadienst ter afsluiting van de VBW De bouwplaats op zondag 25 oktober 2015 om 9.30 uur in de Elimkerk te t Harde. JEZUS VERGEEFT EN GENEEST Voorganger: ds. D. Dekker Organist: dhr.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 413 Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet) Nr. 5 NOTA VAN VERBETERING Ontvangen 25 januari 2006 In het voorstel van wet (stuk nr. 2) worden

Nadere informatie

Mag ik jou een vraag stellen?

Mag ik jou een vraag stellen? Mag ik jou een vraag stellen? Mag ik jou, die dit leest, een zeer belangrijke vraag stellen? Stel dat je vandaag zou sterven, doordat er iets verschrikkelijks gebeurt, bijvoorbeeld een auto ongeluk of

Nadere informatie

Goede voorgangers van de Juridische faculteit.

Goede voorgangers van de Juridische faculteit. Goede voorgangers van de Juridische faculteit. Welverdiend is de goede naam, waarin de Leidsche zich op het gebied der rechtswetenschap mag verheugen, en groot is het aantal beroemde rechtsgeleerden, wier

Nadere informatie

Jezus, het licht van de wereld

Jezus, het licht van de wereld Jezus, het licht van de wereld Het evangelie naar Johannes 8: 1-30 1 Overzicht 1. De overspelige vrouw 2. Jezus als het Licht der wereld 3. Twistgesprekken met de Farizeeën 2 De overspelige vrouw Bijbeltekst

Nadere informatie

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom Schriftlezing: Openbaringen 3 vers 14 t/m 22 Gezang 253 vers 1 (Bundel 1938) Psalm 67 vers 3 (Schoolpsalm) Psalm 65 vers 1 en 2 (Nieuwe Berijming) Psalm

Nadere informatie

Waarom zou ik geloven?

Waarom zou ik geloven? Waarom zou ik geloven? Een uitnodiging om na te denken over je geloof Philip Nunn - De Bron Deel #1: 1 nov 2015 Deel #2: 22 nov 2015 Mijn doel met de 2 toespraken Ik probeer je te laten zien dat het christelijke

Nadere informatie

verzoeking = verleiden om verkeerde dingen te doen dewijl = omdat wederstand doen = tegenstand bieden de overhand behouden= de overwinning behalen

verzoeking = verleiden om verkeerde dingen te doen dewijl = omdat wederstand doen = tegenstand bieden de overhand behouden= de overwinning behalen Zondag 52 Zondag 52 gaat over de zesde bede. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. Lees de tekst

Nadere informatie

De Burg te Wassenaar.

De Burg te Wassenaar. De Burg te Wassenaar. hierboven reeds door Dr. Holwerda in herinnering werd gebracht, deelde de heer W. J. J. C. Bijleveld in jaargang van ons Jaarboekje het een en ander aangaande den zoogenaamden burg

Nadere informatie

beschrijving kerkdienst voor onze gasten

beschrijving kerkdienst voor onze gasten beschrijving kerkdienst voor onze gasten Gereformeerde Gemeente te Zeist Rehobothkerk, Joubertlaan 5 Predikant: J.J. van Eckeveld Vooraf: Je kunt van ons een Bijbel krijgen. Op de twee wandborden zie je

Nadere informatie

Waar in de Bijbel vraagt God aan Abraham om een opmerkelijk offer? Genesis 22. Abraham wordt door God op de proef gesteld!

Waar in de Bijbel vraagt God aan Abraham om een opmerkelijk offer? Genesis 22. Abraham wordt door God op de proef gesteld! Waar in de Bijbel vraagt God aan Abraham om een opmerkelijk offer? Genesis 22 Abraham wordt door God op de proef gesteld! Wat verzoekt God aan Abraham? Genesis 22:2 2 En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw

Nadere informatie

LIEDERENBLAD TIME 2 SING 18 september 2011 Thema: Je steentje bijdragen. Refrein

LIEDERENBLAD TIME 2 SING 18 september 2011 Thema: Je steentje bijdragen. Refrein LIEDERENBLAD TIME 2 SING 18 september 2011 Thema: Je steentje bijdragen 19.00 uur LAAT HET FEEST ZIJN IN DE HUIZEN (Opw. 533) Laat het feest zijn in de huizen, mensen dansen op de straat, als het onrecht

Nadere informatie

Zondag 28 gaat over het Heilig Avondmaal (1)

Zondag 28 gaat over het Heilig Avondmaal (1) Zondag 28 Zondag 28 gaat over het Heilig Avondmaal (1) Lees de tekst van Zondag 28 Vraag 75 : Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de enige offerande van Christus, aan

Nadere informatie

GEBEDEN AMEN. beland. zodat ik niet in moeilijkheid. Leid mij veilig aan Uw hand, vandaan. gaan, haal me daar dan vlug. Mocht ik verkeerde wegen

GEBEDEN AMEN. beland. zodat ik niet in moeilijkheid. Leid mij veilig aan Uw hand, vandaan. gaan, haal me daar dan vlug. Mocht ik verkeerde wegen ijn lieve engel, bewaar en help mij altijd goed. God heeft U aan mij gegeven, als een helper in dit leven. Mocht ik verkeerde wegen gaan, haal me daar dan vlug vandaan. Leid mij veilig aan Uw hand, zodat

Nadere informatie

Orde I Schrift, zegen en gebed

Orde I Schrift, zegen en gebed Orde I Schrift, zegen en gebed groet en inleidend woord Vrede voor jou N en vrede voor jou N. Alles wat goed is en gelukkig maakt, het kome over jullie beiden. Vrede voor u allen, zoals wij hier bij elkaar

Nadere informatie

worden beschreven in de verzen 1 t/m Petrus 1 De Goddelijke natuur

worden beschreven in de verzen 1 t/m Petrus 1 De Goddelijke natuur - 1-2 Petrus 1 De Goddelijke natuur We slaan onze bijbel open bij 2 Petrus 1 en we gaan onze aandacht richten op de eerste elf verzen daarvan. Het is opmerkelijk dat Petrus in zijn brieven het niet heeft

Nadere informatie

Dordtse Leerregels. Hoofdstuk 3 en 4. Artikel 12 t/m 14

Dordtse Leerregels. Hoofdstuk 3 en 4. Artikel 12 t/m 14 Dordtse Leerregels Hoofdstuk 3 en 4 Artikel 12 t/m 14 Werkboek 10 Dordtse Leerregels hoofdstuk 3 en 4 artikel 12 t/m 14 Boven artikel 12 t/m 14 schrijven we : wedergeboorte en geloof In dit werkboek gaat

Nadere informatie

Welkomstwoord en mededelingen Ik wil juichen voor U, mijn Heer (Op Toonhoogte 271) Ik wil juichen voor U, mijn Heer,

Welkomstwoord en mededelingen Ik wil juichen voor U, mijn Heer (Op Toonhoogte 271) Ik wil juichen voor U, mijn Heer, 1 Welkomstwoord en mededelingen Ik wil juichen voor U, mijn Heer (Op Toonhoogte 271) Ik wil juichen voor U, mijn Heer, Ik erken: U, Heer, bent God met blijdschap in mijn hart. en ik behoor U toe. Ik wil

Nadere informatie

HC zd. 6 nr. 32. dia 1

HC zd. 6 nr. 32. dia 1 HC zd. 6 nr. 32 wie Jezus wil kennen moet de verhalen over hem lezen beschreven door Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes terecht worden ze evangelisten genoemd ze beschrijven het evangelie ze vertellen

Nadere informatie

- 1 - Christus. Maar ook een apostel en dat betekent: een gezondene van Jezus Christus. Goddelijke natuur 2 Petrus 1

- 1 - Christus. Maar ook een apostel en dat betekent: een gezondene van Jezus Christus. Goddelijke natuur 2 Petrus 1 - 1 - Goddelijke natuur 2 Petrus 1 We slaan de bijbel open bij 2 Petrus 1 en we gaan onze aandacht richten op de eerste elf verzen daarvan. Het is opmerkelijk dat Petrus in zijn brieven het niet heeft

Nadere informatie

Romeinen 3:1-31 1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch]

Romeinen 3:1-31 1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] Romeinen 3:1-31 1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat

Nadere informatie

Een cultuur van liefhebben... 1 Joh. 4:7-21

Een cultuur van liefhebben... 1 Joh. 4:7-21 Een cultuur van liefhebben... 1 Joh. 4:7-21 7 Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is van God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, kent

Nadere informatie

GROTE VERRASSING Efeze 3:9; Colosse 1:26

GROTE VERRASSING Efeze 3:9; Colosse 1:26 DE GROTE VERRASSING Efeze 3:9; Colosse 1:26 De bovenvermelde Bijbelteksten spreken van het geheimenis dat eeuwen en geslachten lang verborgen is ge weest en verborgen is gebleven in God. Dit geheimenis

Nadere informatie

Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon

Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon Is Jezus God? De namen van God de Vader en God de Zoon 1 Johannes 5: 20 (Statenvertaling) Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen;

Nadere informatie

2 Dit huis van hout en steen, dat lang de stormen heeft doorstaan, waar nog de wolk gebeden hangt van wie zijn voorgegaan,

2 Dit huis van hout en steen, dat lang de stormen heeft doorstaan, waar nog de wolk gebeden hangt van wie zijn voorgegaan, Oecumenische viering 10 mei 2015 Zondag Rogate Medewerkenden: Pastor Hans Schoorlemmer, verkondiging en ds. Ad van Noord, liturg Buitenkerkkoor o.l.v. Bram Gordijn André Poortman, orgel Voorbereiding Welkom

Nadere informatie

10 redenen voor de komst van de Heere Jezus

10 redenen voor de komst van de Heere Jezus 10 redenen voor de komst van de Heere Jezus 1. Als vervulling van Gods beloften En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen,

Nadere informatie

leren omgaan met Diversiteit In je gemeente

leren omgaan met Diversiteit In je gemeente Bijbelstudie 1 Korintiërs Diversiteit in de kerk is van alle tijden. En nu onze cultuur en de kerk minder goed op elkaar aansluiten dan wel eens gedacht, worden we vaker bepaald bij de verschillen tussen

Nadere informatie

Thema: Waar religie en wetenschap elkaar ontmoeten, deel 2: de Bijbel als medicijn.

Thema: Waar religie en wetenschap elkaar ontmoeten, deel 2: de Bijbel als medicijn. Thema: Waar religie en wetenschap elkaar ontmoeten, deel 2: de Bijbel als medicijn. Spreuken 4:20-22 20 Mijn zoon, sla acht op mijn woorden, neig uw oor tot mijn uitspraken; 21 laat ze niet wijken uit

Nadere informatie

Plaatsingslijst van het archief van H. Hoekstra

Plaatsingslijst van het archief van H. Hoekstra Plaatsingslijst van het archief van H. Hoekstra (1878-1915 (1917)) 460 Samengesteld door J.F. Seijlhouwer en F. de Vries Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) Vrije

Nadere informatie

Philadelphiadienst Zondag 8 november 2015 Dorpskerk Bodegraven Aanvang: 17.00 uur

Philadelphiadienst Zondag 8 november 2015 Dorpskerk Bodegraven Aanvang: 17.00 uur Philadelphiadienst Zondag 8 november 2015 Dorpskerk Bodegraven Aanvang: 17.00 uur Voorganger: Organiste: Koster: Ds. M.J. van Oordt Bep Veenstra Dirk Bouwman 2 Voorzang: Psalm 116 vers 1 en 11 God heb

Nadere informatie

Sexualiteit en de Bijbel

Sexualiteit en de Bijbel Sexualiteit en de Bijbel Ma#eüs 1:25 En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus. 1 KorinCërs 7:12-13 12 Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here:

Nadere informatie

assie voor het leven Noteer voor jezelf een aantal opmerkingen en kernwoorden Lees de tekst nog eens door en bespreek met elkaar als groep

assie voor het leven Noteer voor jezelf een aantal opmerkingen en kernwoorden Lees de tekst nog eens door en bespreek met elkaar als groep Galaten 5: 13 en 14, 16 en 17, 22 tot 25 Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, want de hele

Nadere informatie

Wat er in de Bijbel staat.en andere liederen

Wat er in de Bijbel staat.en andere liederen Wat er in de Bijbel staat.en andere liederen Wat er in de Bijbel staat.en andere liederen Liedbundel voor kinderevangelisatie Melodieën Bijbelteksten en samenstelling liederen: A.M. Brouwer- Karels Harmonisaties:

Nadere informatie

Zondag 29 gaat over het Heilig Avondmaal (2)

Zondag 29 gaat over het Heilig Avondmaal (2) Zondag 29 Zondag 29 gaat over het Heilig Avondmaal (2) Lees de tekst van Zondag 29 Vraag 78 : Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus? Antw : Nee; maar gelijk het water

Nadere informatie

Bijbelteksten Feest van Genade

Bijbelteksten Feest van Genade Week 1 Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar U, o God. (Psalm 42:2) Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op ruime afstand ervan, een tent op die hij de ontmoetingstent noemde.

Nadere informatie

Voor de dienst: "Laat Het Zien" van Reni en Elisa Welkom Lied 216 ( Morning has broken ) Bemoediging en groet Gebed Lied 780 (naar Psalm 139) Psalm 23

Voor de dienst: Laat Het Zien van Reni en Elisa Welkom Lied 216 ( Morning has broken ) Bemoediging en groet Gebed Lied 780 (naar Psalm 139) Psalm 23 Voor de dienst: "Laat Het Zien" van Reni en Elisa Welkom Lied 216 ( Morning has broken ) Bemoediging en groet Gebed Lied 780 (naar Psalm 139) Psalm 23 1 Een psalm van David. De HEER is mijn herder, het

Nadere informatie

Stilte vooraf. Wees stil voor het aangezicht van God, want heilig is de Heer. Uitleg

Stilte vooraf. Wees stil voor het aangezicht van God, want heilig is de Heer. Uitleg Stilte vooraf Wees stil voor het aangezicht van God, want heilig is de Heer. Uitleg Witte donderdag. Nacht van de overlevering, met een dubbelzinnige betekenis. Het is de overlevering (de traditie) van

Nadere informatie

!""# $ $ %!#% & $ !"# $ - ()*+ $! ' - 33##&# $ # 56$$% ;! <!!"()=# !" &>11. Jesaja 9:1-6 Jeremia 31:31-37 Hebr. 8:1-13

!# $ $ %!#% & $ !# $ - ()*+ $! ' - 33##&# $ # 56$$% ;! <!!()=# ! &>11. Jesaja 9:1-6 Jeremia 31:31-37 Hebr. 8:1-13 Jesaja 9:1-6 Jeremia 31:31-37 Hebr. 8:1-13 1 Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. 2 Gij hebt het volk vermenigvuldigd,

Nadere informatie

Tekststudio Schrijven en Schrappen 06-13 59 30 44 www.schrijven-en-schrappen.nl - [email protected] -

Tekststudio Schrijven en Schrappen 06-13 59 30 44 www.schrijven-en-schrappen.nl - lotty@schrijven-en-schrappen.nl - Graag zou ik je bij dezen iets vertellen betreffende onnodig moeilijk taalgebruik dat geregeld wordt gebezigd. Alhoewel de meeste mensen weten dat ze gerust in spreektaal mogen schrijven, gebruiken ze

Nadere informatie

Heer, U zocht mij, toen ik was weggegaan U bracht mij veilig in Uw gezin U vergaf mij, mijn schuld is weggedaan U gaf mijn leven een nieuw begin

Heer, U zocht mij, toen ik was weggegaan U bracht mij veilig in Uw gezin U vergaf mij, mijn schuld is weggedaan U gaf mijn leven een nieuw begin Met Deliver zingen we voor de dienst; Dat is genade! - Opwekking 722 Heer ik dank U Voor wat U heeft gedaan Ik kon niet doorgaan op eigen kracht Maar dankzij Jezus mag ik nu voor U staan U spreekt mij

Nadere informatie

De tien Geboden. Tien belangrijke regels. Aangepaste dienst Zondag 17 april 2016 Ds. Henk Bondt

De tien Geboden. Tien belangrijke regels. Aangepaste dienst Zondag 17 april 2016 Ds. Henk Bondt De tien Geboden Of Tien belangrijke regels Aangepaste dienst Zondag 17 april 2016 Ds. Henk Bondt Welkom Mededelingen Votum en groet Zingen: Gezang 119: 1 en 2 De kerk van alle tijden kent slechts één vaste

Nadere informatie

Wesleyaanse geloofsfundamenten voor de 21 e eeuw

Wesleyaanse geloofsfundamenten voor de 21 e eeuw Wesleyaanse geloofsfundamenten voor de 21 e eeuw Art lll, Handboek, Kerk vd Nazarener: Wij geloven in de Heilige Geest, de derde Persoon van de Drieeenige Godheid; dat Hij voortdurend aanwezig is en doeltreffend

Nadere informatie

Gehele lied 2x zingen 1. We zijn hier bij elkaar om de Koning te ontmoeten. We zijn hier bij elkaar om te eren onze Heer.

Gehele lied 2x zingen 1. We zijn hier bij elkaar om de Koning te ontmoeten. We zijn hier bij elkaar om te eren onze Heer. Gehele lied 2x zingen 1. We zijn hier bij elkaar om de Koning te ontmoeten. We zijn hier bij elkaar om te eren onze Heer. 2. We zijn hier bij elkaar om te vieren dat Hij goed is. En wij prijzen en aanbidden

Nadere informatie

LEVITICUS 23:40. etrog en lulav

LEVITICUS 23:40. etrog en lulav DE LOOFHUT HET LOOFHUTTENFEEST Wijst op het Koninkrijk van God Belangrijk feest in het leven en onderwijs van Jezus Centraal in het feest: de (loof)hut (sukkot); een tijdelijke verblijfsplaats Kern: Het

Nadere informatie

Het belang van het profetisch woord. De Bijbel open 16-09-15

Het belang van het profetisch woord. De Bijbel open 16-09-15 De Bijbel open 16-09-15 2 Petr.3: 3 Dit vooral moet u weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, 4 en zeggen: Waar blijft de belofte

Nadere informatie

wat is passend? naar aanleiding van Paulus brief aan de Kolossenzen wil ik dat uitwerken voor 4 categorieën vier kringen

wat is passend? naar aanleiding van Paulus brief aan de Kolossenzen wil ik dat uitwerken voor 4 categorieën vier kringen vandaag wil ik dit gebod toepassen op het geloofsgesprek onderwerp van de gemeenteavond komende week onze overtuiging is dat zulke gesprekken hard nodig zijn voor de opbouw van onze gemeente tegelijk is

Nadere informatie

BIJBELSTUDIES VOOR JONGE GELOVIGEN LES 1. Les 1 - De oorsprong van de Bijbel. In deze bijbelstudies wordt gebruik gemaakt van de NBG-vertaling

BIJBELSTUDIES VOOR JONGE GELOVIGEN LES 1. Les 1 - De oorsprong van de Bijbel. In deze bijbelstudies wordt gebruik gemaakt van de NBG-vertaling BIJBELSTUDIES VOOR JONGE GELOVIGEN LES 1 Les 1 - De oorsprong van de Bijbel In deze bijbelstudies wordt gebruik gemaakt van de NBG-vertaling Deze bijbelstudies zijn vooral bedoeld voor jongeren van 11

Nadere informatie

Liturgie voor de dienst van het Woord waarin we de uitstorting van de Heilige Geest gedenken. EENSGEZIND!

Liturgie voor de dienst van het Woord waarin we de uitstorting van de Heilige Geest gedenken. EENSGEZIND! Liturgie voor de dienst van het Woord waarin we de uitstorting van de Heilige Geest gedenken. EENSGEZIND! Voorganger: ds. P. Molenaar Aanvang van de dienst: 10.45 uur. Ouderling van dienst: M. van Maanen

Nadere informatie

Dit product wordt u aangeboden door ComputerBijbel (http://www.computerbijbel.com) ComputerBijbel Alle rechten voorbehouden 1/6

Dit product wordt u aangeboden door ComputerBijbel (http://www.computerbijbel.com) ComputerBijbel Alle rechten voorbehouden 1/6 ComputerBijbel Alle rechten voorbehouden 1/6 EEN MAN NAAR GOD'S HART. Handelingen 13:22 INTRODUCTIE. 1. In zijn toespraak in Antiochië, gaat Paulus kort in op de geschiedenis van Israël, hij citeert een

Nadere informatie

Heilige Mis ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie in de St.Lambertuskerk te Swalmen

Heilige Mis ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie in de St.Lambertuskerk te Swalmen 2 Heilige Mis ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie in de St.Lambertuskerk te Swalmen Basisschool.. Basisschool.. Thema... 200. 3 Binnenkomst communicantjes Muziek door. Welkomstwoord Door pastoor

Nadere informatie

Liedteksten Kerstfeest Zondagsschool 2014. Samenzang

Liedteksten Kerstfeest Zondagsschool 2014. Samenzang Liedteksten Kerstfeest Zondagsschool 2014 Samenzang - Komt allen te zamen Komt allen tezamen, jubelend van vreugde, komt nu, o komt nu naar Bethlehem. Ziet nu de Vorst der eng'len, hier geboren, komt laten

Nadere informatie

DIENST VAN DE VOORBEREIDING

DIENST VAN DE VOORBEREIDING Orde van dienst voor zondag 5 maart 2017 Invocabit- Roept hij Mij aan viering hl. Avondmaal. orgelspel DIENST VAN DE VOORBEREIDING allen blijven zitten en zingen Psalm 91a Wie in de schaduw Gods mag wonen

Nadere informatie

Waarom doet Hij dat zo? Om de diepste bedoeling van Gods geboden aan te geven. Daar kom ik straks op terug. Hij geeft in de Bergrede de beloften en

Waarom doet Hij dat zo? Om de diepste bedoeling van Gods geboden aan te geven. Daar kom ik straks op terug. Hij geeft in de Bergrede de beloften en 1 De Bijbel open 2013 5 (02-02) Vandaag bespreken we een vraag over de betekenis van de Wet die God aan Israel gaf voor de christelijke gemeente van het Nieuwe Testament en dus voor ons. Is het zo dat

Nadere informatie

4. Welk geloof wordt bedoeld? Het gaat om het zaligmakende geloof. Dus niet om een historiëel, tijd- of wondergeloof.

4. Welk geloof wordt bedoeld? Het gaat om het zaligmakende geloof. Dus niet om een historiëel, tijd- of wondergeloof. NGB artikel 1: DE ENIGE GOD Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er een Enig en eenvoudig geestelijk Wezen is, dat wij God noemen: eeuwig, ondoorgrondelijk, onzienlijk, onveranderlijk,

Nadere informatie

Vijf redenen waarom dit waar is

Vijf redenen waarom dit waar is Les 14 Eeuwige zekerheid Vijf redenen waarom dit waar is In deze bijbelstudies wordt gebruik gemaakt van de NBG-vertaling Dag 1 Is de echte (ware) gelovige voor eeuwig veilig en geborgen in Christus? Voor

Nadere informatie

De daden van de vergoddelijkte Augustus, met welke hij de wereld aan het oppergezag van het Romeinse volk onderwierp.

De daden van de vergoddelijkte Augustus, met welke hij de wereld aan het oppergezag van het Romeinse volk onderwierp. Het leven van Jezus 2.0 Preek over Handelingen 1:1-5 [dia 1] Pas kregen we van mijn schoonmoeder een foto. Een foto van vroeger, van het gezin van de opa van mijn schoonmoeders moeder. Er staat geen jaartal

Nadere informatie

10. Bijbel, Lucas 15. Vertaling L. ten Kate. Vertaling NBG/BBG, Haarlem/Brussel 1951.

10. Bijbel, Lucas 15. Vertaling L. ten Kate. Vertaling NBG/BBG, Haarlem/Brussel 1951. 10. Bijbel, Lucas 15. Vertaling L. ten Kate. Vertaling NBG/BBG, Haarlem/Brussel 1951. 5. Bijbel, Lucas 15. Vertaling L. ten Kate. Vertaling NBG/BBG, Haarlem/Brussel 1951. Lucas 15 Vertaling L. ten Kate

Nadere informatie

MENORAH BEELD VAN DE ZEVENVOUDIGE GEEST VAN GOD EXODUS 37 EXODUS 37:17-22

MENORAH BEELD VAN DE ZEVENVOUDIGE GEEST VAN GOD EXODUS 37 EXODUS 37:17-22 DE MENORAH BEELD VAN DE ZEVENVOUDIGE GEEST VAN GOD EXODUS 37 EXODUS 37:17-22 17. Hij maakte de kandelaar van louter goud; van gedreven werk maakte hij de kandelaar, het voetstuk zowel als de schacht, de

Nadere informatie

De Bijbel open 2012 37 (22-09)

De Bijbel open 2012 37 (22-09) 1 De Bijbel open 2012 37 (22-09) Onlangs kreeg ik een vraag over twee genezingen in de bijbel. De ene gaat over de verlamde man in Lukas 5 die door het dak van een huis tot Jezus wordt gebracht en door

Nadere informatie

naar God Verlangen Thema: juni welkom in de open deur dienst voorganger: ds. W. Dekker muziekteam: Theda, Lisette, Rik Aart-Jan en Nathan

naar God Verlangen Thema: juni welkom in de open deur dienst voorganger: ds. W. Dekker muziekteam: Theda, Lisette, Rik Aart-Jan en Nathan welkom juni in de open deur dienst 19 2016 Thema: Verlangen naar God n.a.v. Psalm 42 voorganger: ds. W. Dekker muziekteam: Theda, Lisette, Rik Aart-Jan en Nathan organist: Christian Boogaard Welkom en

Nadere informatie

9 Vader. Vaders kijken anders. Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd

9 Vader. Vaders kijken anders. Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd 53 9 Vader Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd heeft. P Ik begin steeds beter te begrijpen dat het heel bijzonder is dat ik een kind van God, mijn

Nadere informatie

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. K. Timmerman

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. K. Timmerman Welkom in deze dienst Voorganger is ds. K. Timmerman Schriftlezing: Romeinen 5 vers 12 t/m 21 Romeinen 6 vers 1 t/m 14 Psalm 119 vers 53 (Schoolpsalm) Psalm 103 vers 8 en 9 Lied 100 vers 1, 2, 3 en 4 (Op

Nadere informatie

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom

Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom Welkom in deze dienst Voorganger is ds. L.P. Blom Schriftlezing: Romeinen 8 vers 29 en 30 Psalm 5 vers 1 Lied 298 vers 1 t/m 4 Op Toonhoogte Psalm 132 vers 5 en 10 Psalm 68 vers 10 Lied 140 vers 1 en 3

Nadere informatie

Liederen voor zondag 5 oktober 2014

Liederen voor zondag 5 oktober 2014 Liederen voor zondag 5 oktober 204 Lied 224 God wijst mij een weg als ik zelf geen uitkomst zie. Langs wegen die geen mens bedenkt maakt Hij mij zijn wil bekend. Hij geeft elke dag nieuwe liefde, nieuwe

Nadere informatie

VOORBEELD-GEBEDEN. Veel succes ermee. Inhoudsopgave

VOORBEELD-GEBEDEN. Veel succes ermee. Inhoudsopgave VOORBEELD-GEBEDEN In deze bundel kan je enkele gebeden vinden die je kan gebruiken tijdens eucharistievieringen. Of als je creatief bent en wat tijd hebt, kan je je door deze gebeden laten inspireren en

Nadere informatie

Gemeenteviering rond Jesaja 9:5b

Gemeenteviering rond Jesaja 9:5b Gemeenteviering rond Jesaja 9:5b 1 Verkondiging Enkele kinderen vragen in de kerk: waarom vieren we kerst? En wat betekent het voor u? Reactie op de antwoorden Ja, waarom vieren we kerst? En wat betekent

Nadere informatie

Liturgie voor de scholendienst 2015

Liturgie voor de scholendienst 2015 Liturgie voor de scholendienst 2015 Kerk van de Nazarener & Christelijke Basisschool De Vliet Klaaswaal Zondag 1 februari Thema: Bestaat God (eigenlijk wel)? Welkomstwoord Uitleg over de kerk Kinderopwekking

Nadere informatie

Chr. Geref. Kerk Ontswedde LITURGIE. voor de morgendienst op zondag 2 september 2012. in deze dienst zal. Julia Brugge.

Chr. Geref. Kerk Ontswedde LITURGIE. voor de morgendienst op zondag 2 september 2012. in deze dienst zal. Julia Brugge. Chr. Geref. Kerk Ontswedde LITURGIE voor de morgendienst op zondag 2 september 2012 in deze dienst zal Julia Brugge gedoopt worden thema: Zoals klei in de hand van de pottenbakker Voorganger: ds. J.J.

Nadere informatie

VERZEN UIT HET ZIEKENHUIS

VERZEN UIT HET ZIEKENHUIS VERZEN UIT HET ZIEKENHUIS DOOR G. H. 'S-GRAVESANDE É / OEI owe lib J 1' É I I t I I VERZEN UIT HET ZIEKENHUIS r É VERZEN UIT HET ZIEKENHUIS DOOR G. H. 'S-GRAVESANDE '9Y3 Voor K. H. R. de Josselin de Jong

Nadere informatie

Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630

Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630 J. G. C. A. BRIELS Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630 een bijdrage tot de kennis van de geschiedenis van het boek Met in bijlage

Nadere informatie

Noveen tot de H. Teresia van het kindje Jezus III

Noveen tot de H. Teresia van het kindje Jezus III Noveen tot de H. Teresia van het kindje Jezus III Bijgedragen door Johfrael Tuesday 14 April 2009 Laatst bijgewerkt op Tuesday 14 April 2009 in de Geest van Gebed Noveen tot de H. Teresia van het kindje

Nadere informatie

Wie kwaad smeden, komen zij niet op een dwaalweg? Wie goed doen, oogsten zij geen liefde en trouw?

Wie kwaad smeden, komen zij niet op een dwaalweg? Wie goed doen, oogsten zij geen liefde en trouw? Spreuken 3,3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart. Spreuken 14,22 Wie kwaad smeden, komen zij niet op een dwaalweg? Wie goed doen, oogsten zij geen liefde

Nadere informatie

Maleachi en Gods liefde voor Israël. Hoe verwoordt God Zijn liefde voor Israël? Maleachi 1:2, eerste deel. Ik heb u. liefgehad, zegt de HEERE,

Maleachi en Gods liefde voor Israël. Hoe verwoordt God Zijn liefde voor Israël? Maleachi 1:2, eerste deel. Ik heb u. liefgehad, zegt de HEERE, Maleachi en Gods liefde voor Israël. Hoe verwoordt God Zijn liefde voor Israël? Maleachi 1:2, eerste deel Ik heb u 2 liefgehad, zegt de HEERE, Sinds wanneer heeft God Zijn kinderen lief gehad en wat is

Nadere informatie

Zondag 22 mei 2011 - Kogerkerk - 5e zondag van Pasen - kleur: wit - preek Deuteronomium 6, 1-9 & 20-25 // Johannes 14, 1-14

Zondag 22 mei 2011 - Kogerkerk - 5e zondag van Pasen - kleur: wit - preek Deuteronomium 6, 1-9 & 20-25 // Johannes 14, 1-14 Zondag 22 mei 2011 - Kogerkerk - 5e zondag van Pasen - kleur: wit - preek Deuteronomium 6, 1-9 & 20-25 // Johannes 14, 1-14 Gemeente van onze Heer Jezus Christus, Twee prachtige lezingen vanochtend. Er

Nadere informatie

De brief aan de Hebreeën. C. Noorlander

De brief aan de Hebreeën. C. Noorlander De brief aan de Hebreeën C. Noorlander Hebreeën: Oproep aan (Joodse) christenen: Volhard, val niet af. Toont de glorie van Christus vanuit het OT: Hoger dan engelen, Mozes, Abraham en hogepriesters Vergelijkt:

Nadere informatie

[C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6]

[C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6] [C5v] Hoe Floris metten korve vol bloemen opten toren ghedraghen wert. [6] Nu is ghecomen den meydach, ende doen quam Floris in root purper gecleed[t], om dat hi den rooden roose gelijken soude, ende dat

Nadere informatie

En waarom zegent Paulus onze God en Vader. De eerste reden is deze (Staten-Vertaling): Efeze 1

En waarom zegent Paulus onze God en Vader. De eerste reden is deze (Staten-Vertaling): Efeze 1 - 1 - Efeze 1 We gaan het woord van God lezen uit Efeze 1 vanaf vers 3: Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend

Nadere informatie

Uitvaart voorbede Voorbeeld 1.

Uitvaart voorbede Voorbeeld 1. Uitvaart voorbede Voorganger: Genadige en barmhartige God. U ziet ons hier bijeen in ons verdriet rond het sterven van N. Hij / zij was één van ons, wij zullen hem / haar missen. Geef ons de kracht samen

Nadere informatie

De rijkdom van het evangelie

De rijkdom van het evangelie 22 sep 07 20 okt 07 17 nov 07 15 dec 07 12 jan 08 23 feb 08 22 mrt 08 10 mei 08 De rijkdom van het evangelie De gerechtigheid van God God maakt levend Ik ervaar meer dood dan leven Gods Geest en het echte

Nadere informatie

GODS GEZIN. Studielessen voor 4-7 jarigen

GODS GEZIN. Studielessen voor 4-7 jarigen GODS GEZIN Studielessen voor 4-7 jarigen 2003 Geschreven door Beryl Voorhoeve en Judith Maarsen Oorspronkelijk bedoeld voor studie in kleine groepen in de Levend Evangelie Gemeente Gebruikte Bijbelvertaling

Nadere informatie

Thema: Gods leiding, en, misleiding. Gedachten over Gods leiding in ons leven.

Thema: Gods leiding, en, misleiding. Gedachten over Gods leiding in ons leven. Thema: Gods leiding, en, misleiding. Gedachten over Gods leiding in ons leven. 1) Leiding van God, het verhaal van heel de Bijbel! Genesis 24:26-27 26 Toen boog de man zijn knieën en wierp zich neder voor

Nadere informatie