VETERINAIR BEROEPSCOLLEGE
|
|
|
- Margaretha Boender
- 7 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 VB 2010/11 ECLI:NL:TDIVBC:2011:11 VETERINAIR BEROEPSCOLLEGE Beslissing in de zaak onder nummer van: VB 2010/11 Veterinair Beroepscollege Uitspraak van 13 september 2011 in de zaak VB 10/11 van X, dierenarts te A, beklaagde in eerste aanleg, appellant van een uitspraak van 29 september 2010 van het Veterinair Tuchtcollege (2009/69), hierna te noemen: appellant tegen Y, wonende te B klaagster in eerste aanleg, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: verweerster 1 De procedure Het Veterinair Tuchtcollege heeft bij uitspraak van 29 september 2010, verzonden op 1 oktober 2010, gegrond verklaard het onderdeel van de klacht van verweerster, dat appellant in het keuringsrapport van het paard van verweerster van zijn bevindingen en het besprokene tijdens de keuring te summier en niet naar behoren verslag heeft gedaan. Het Veterinair Tuchtcollege heeft op die grond aan appellant de maatregel van een waarschuwing, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (hierna: WUD), opgelegd. Appellant heeft bij beroepschrift van 19 november 2010, ingekomen op 23 november 2010, en bij aanvullend beroepschrift van 22 december 2010, ingekomen op 27 december 2010, bij het Veterinair Beroepscollege beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak. Verweerster heeft bij brief van 20 januari 2011 een verweerschrift ingediend. De behandeling ter openbare zitting van het Veterinair Beroepscollege heeft plaatsgevonden op 26 juli Bij die gelegenheid heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht. Verweerster heeft bij brief van 15 juli 2011 meegedeeld wegens privé-omstandigheden niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn. 1/7
2 2 De uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege 2.1 Het Veterinair Tuchtcollege is uitgegaan van de volgende feiten: 3.1 Beklaagde heeft op 28 augustus 2008 in opdracht van klaagster een destijds 14- jarig paard met de naam Mac Guyver klinisch en röntgenologisch gekeurd met het oog op een mogelijke aankoop. Volgens de stamboekgegevens en de verkoper ging het om een ruin (gecastreerde hengst). Onbestreden is gebleven dat klaagster het paard als leerpaard wilde gebruiken en er af en toe wedstrijden mee wilde rijden in een lagere klasse (B / L1) en dat zij van de verkoper voor de keuring reeds had vernomen dat het paard cornage had Op het keuringsrapport is aangegeven dat de keuring is verricht met het oog op gebruik in de sport. Als conclusie heeft beklaagde geschreven: cornage, overige in orde. T.a.v. conditie goed voeren evt. bloedonderzoek. Onder het kopje Opmerkingen onderaan de laatste pagina van het keuringsrapport staat vermeld maakt fors cornagegeluid. Kan probleem zijn bij zwaardere vormen van sport. Geen castratielittekens gevoeld. Beklaagde heeft geen negatief aankoopadvies gegeven Niet in geschil is dat tijdens de keuring ook is gesproken over het feit dat het paard, naar klaagster via via had gehoord, in het voorjaar afwijkend gedrag vertoonde en dan door omheiningen wilde breken om bij merries te kunnen komen. Beklaagde heeft dit gedrag geduid als passend bij een zogeheten klophengst (d.w.z. een hengst waarbij één of beide testikels niet zijn ingedaald maar in de buikholte is of zijn blijven zitten) en aangegeven dat via bloedonderzoek een testostoronbepaling kon worden gedaan. Vast staat ook dat klaagster met een dergelijk bloedonderzoek heeft ingestemd. De lezingen lopen uiteen waar het gaat om de vraag wat hierover tijdens de keuring verder over en weer is gezegd. De uitslag van het bloedonderzoek is door klaagster evenwel niet afgewacht en zij heeft het paard gekocht nog voordat de uitslag bekend was. Ook de keuringsbeslissing is door beklaagde op de dag van de keuring genomen en niet uitgesteld in afwachting van de uitkomst van het bloedonderzoek Uit de bloedonderzoeken na de keuring werd duidelijk dat klaagster een klophengst had gekocht. Partijen hebben hierover en over een eventuele operatie een gesprek gevoerd op de praktijk van beklaagde. Klaagster heeft besloten het paard te laten opereren en is vooraf met de verkoper in discussie geraakt over de vraag wie de kosten daarvan zou moeten dragen. De verkoper was bereid om het paard tegen de koopprijs terug nemen, maar niet om de operatiekosten en eventuele gevolgen voor zijn rekening te nemen Op 4 november 2008 is de operatie door beklaagde uitgevoerd en is er chirurgisch een testikel uit de buik van het paard verwijderd. Hierbij zijn geen complicaties opgetreden en het paard voldoet sindsdien aan de verwachtingen van klaagster. Klaagster en de verkoper van het paard zijn nadien in een juridisch conflict geraakt over de betaling van de operatiekosten. Op verzoek van de verkoper heeft beklaagde in een brief van 6 april 2009 verslag gedaan van zijn bevindingen en het besprokene tijdens de keuring, welke brief naar de verkoper is gestuurd, met afschrift aan klaagster. Klaagster heeft de inhoud van die brief uitdrukkelijk bestreden. 2/7
3 2.2 De uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege berust op de volgende overwegingen: 5.1. Ter beoordeling staat de vraag of beklaagde terzake van de keuring van het paard en daarna veterinair juist heeft gehandeld, in overeenstemming met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts mag worden verwacht Het college overweegt dat bij de aankoopkeuring van een paard mag worden verwacht dat een keuringsrapport door een dierenarts naar waarheid wordt opgemaakt, dat het rapport juist en volledig is en dat daarin alle relevante bevindingen tijdens de keuring worden opgenomen. Gelet hierop valt voor het college niet goed te begrijpen waarom beklaagde op het (circa 7 maanden na de keuring gedane) verzoek van de verkoper om een verslag van zijn bevindingen en het besprokene tijdens de keuring niet heeft volstaan met een verwijzing naar het keuringsrapport. In plaats daarvan heeft beklaagde op eigen initiatief en zonder klaagster daarin vooraf te kennen, in een brief aan de verkoper (opnieuw) verslag van de keuring gedaan, welk verslag afwijkt van en veel uitgebreider is dan hetgeen in het keuringsrapport staat vermeld, terwijl klaagster stelt dat de keuring geheel anders verlopen is dan in de brief wordt beschreven. Het college zal allereerst beoordelen of het keuringsrapport voldoet aan de eisen die daar in redelijkheid aan mogen worden gesteld Partijen hebben verschillende lezingen gegeven over hoe de keuring is verlopen. Volgens beklaagde is de keuring verlopen zoals hij in de bewuste brief aan de verkoper van het paard heeft geschetst. Beklaagde stelt dat hij tijdens de keuring de sterke verdenking heeft geuit dat het paard geen ruin maar een klophengst was en dat hij met klaagster uitvoerig heeft gesproken over de nadelen, kosten en risico s van een eventuele operatie, waarbij zo heeft beklaagde ter zitting nog toegelicht- is gerefereerd aan de leeftijd van het paard, het feit dat het dier cornage had en het feit dat een testikel in de buik na verloop van tijd atrofiëert en bij een eventuele operatie mogelijk lastig te vinden zou zijn. Beklaagde stelt dat vanwege die verdenking met toestemming van klaagster is besloten een bloedonderzoek in te stellen, maar dat klaagster de uitslag daarvan niet heeft willen afwachten Klaagster heeft een ander verloop van de keuring geschetst. Zij stelt dat tijdens de keuring het afwijkende gedrag van het paard in het voorjaar even aan de orde is geweest en dat kort is gesproken over de mogelijkheid dat het paard een klophengst was. Beklaagde had bij palpatie geen testikels gevoeld, noch castratielittekens, maar ten aanzien van het ontbreken van die littekens opgemerkt dat die na zoveel jaren vervaagd konden zijn. Klaagster stelt dat beklaagde de situatie heeft gebagatelliseerd, dat weliswaar is besloten een bloedonderzoek in te stellen, maar dat beklaagde geenszins verwachtte dat het paard een klophengst was, waarbij als argumenten werden genoemd dat het paard arm bespierd was, dat het zich tijdens de keuring braaf en rustig gedroeg en niet reageerde op merries in een aangrenzend gelegen weiland. Klaagster heeft tevens aangevoerd dat beklaagde haar tijdens de keuring heeft gerustgesteld met de mededeling dat, mocht het paard toch een klophengst zijn, de schade op de verkoper kon worden verhaald en dat zij vanwege de opstelling van beklaagde de uitslag van het bloedonderzoek niet heeft afgewacht. Klaagster stelt dat beklaagde haar ook niet heeft geadviseerd dat wel te doen. Volgens klaagster was beklaagde naderhand ook zelf hogelijk verbaasd toen de uitslag van het bloedonderzoek uitwees dat zij een klophengst had gekocht. Klaagster heeft er tevens op gewezen dat er door beklaagde geen negatief of terughoudend aankoopadvies is gegeven. Klaagster erkent dat er tussen partijen 3/7
4 een uitvoerige discussie heeft plaatsgevonden, onder meer over de risico s van een operatie, maar eerst nadat de uitslag van het bloedonderzoek bekend was Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over het verloop van de keuring en hetgeen er is besproken op twee punten overeenstemmen. Beide partijen zijn het erover eens dat er tijdens de keuring (kort dan wel uitgebreid) over de mogelijkheid is gesproken dat het paard een klophengst was en dat klaagster in dat verband met een bloedonderzoek heeft ingestemd. Voor het overige stemmen de lezingen niet overeen. Met betrekking tot de lezing van beklaagde moet het college echter constateren dat voor het in de bewuste brief door hem beschreven verloop van de keuring geen steun is te vinden in het keuringsrapport, waar dit wel had mogen worden verwacht. Hierdoor en mede gelet op de betwisting daarvan door klaagster en bij gebreke van ander aanvullend bewijs is niet komen vast te staan dat de keuring is verlopen zoals beklaagde in de bewuste brief heeft geschetst Hoewel hiermee anderzijds nog niet zonder meer vast staat dat beklaagde in de brief een onjuiste of niet waarheidsgetrouwe lezing heeft gegeven, valt het beklaagde naar het oordeel van het college wel te verwijten dat er onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan, nu hij met betrekking tot zijn verslaglegging in het keuringsrapport tekort is geschoten. In het rapport wordt slechts vermeld dat beklaagde geen castratielittekens heeft gevoeld en voor het overige zijn alleen ten aanzien van de conditie van het paard en de cornage enige bemerkingen gemaakt. Beklaagde heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat tijdens de keuring en nog voor het röntgenologisch onderzoek over de verdenking dat het paard een klophengst was en de daaraan verbonden nadelen en risico s zo uitgebreid tussen partijen is gediscussieerd, dat hij het niet nodig vond daarvan nog melding te maken in het rapport, maar dit verweer wordt verworpen. Het college benadrukt hier echter nog eens dat alle relevante bevindingen die bij een keuring gedaan worden eenvoudigweg in het keuringsrapport dienen te worden vermeld. Beklaagde heeft er nog op gewezen dat klaagster na de keuring gedurende nog meer dan een half jaar zijn praktijk heeft bezocht en in die periode nimmer klachten over de keuring heeft geuit, maar ook dit verweer houdt geen stand. Duidelijk is dat de onvrede bij klaagster eerst is ontstaan toen zij kennis nam van de inhoud bewuste brief -circa 7 maanden na dato- die haar heeft verrast en waarvan de inhoud in haar visie niet met de werkelijkheid overeenstemt Opmerkelijk is ook dat beklaagde in zijn keuringsrapport niet heeft vermeld dat tijdens de keuring is besloten tot een onderzoek naar het testostorongehalte in het bloed, terwijl partijen het erover eens zijn dat in overleg tot een dergelijk onderzoek is besloten. Beklaagde heeft niet aannemelijk weten te maken dat de woorden evt. bloedonderzoek die bij de conclusie op het voorblad van het keuringsrapport staan geschreven betrekking hebben op een onderzoek naar het testostorongehalte. Naar de overtuiging van het college zien die woorden, gelezen in de context van de gehele conclusie die is genoteerd, veeleer op een eventueel in de toekomst nog te verrichten onderzoek ten aanzien van de conditie van het paard. Verder overweegt het college dat de uitslag van het bloedonderzoek naar het testostorongehalte essentieel kon zijn voor de aankoopbeslissing, nu een klophengst nu eenmaal minder geschikt is voor de sport dan een ruin, althans dat zonder operatie problemen te verwachten zijn. In dat opzicht is ook niet helder geworden waarom beklaagde de keuringsbeslissing niet heeft uitgesteld in afwachting van de uitslag van het bloedonderzoek dan wel waarom hij geen voorbehoud heeft gemaakt, waar hij ten aanzien van de cornage wel heeft opgemerkt dat dit bij zwaardere 4/7
5 vormen van sport problemen kan opleveren. Het college begrijpt de conclusie in het keuringsrapport aldus dat, niettegenstaande de cornageproblemen, het paard geschikt werd geacht voor gebruik in de sport, op de wijze zoals klaagster dat voorstond. In het rapport wordt met geen woord gerept over een geuite verdenking dat het paard een klophengst was en de nadelige gevolgen daarvan voor het gebruiksdoel waarvoor het paard werd gekeurd. Wat hier ook de redenen voor zijn geweest, feit blijft dat de verslaglegging van de bevindingen en het besprokene tijdens de keuring niet voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld, nu daarin essentiële zaken die bij de keuring zijn gesignaleerd en besproken niet zijn genoteerd. De klacht is in zoverre gegrond Met betrekking tot de vraag of beklaagde de betreffende brief zonder toestemming van klaagster aan de verkoper van het paard mocht toezenden, is het college van oordeel dat deze gedraging niet als diergeneeskundige handeling in de zin van artikel 14 van de WUD kan worden aangemerkt en dus buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht valt, zodat het college daar geen oordeel over zal vellen. Wel is het zo, daarbij in het midden latend of de inhoud van de bewuste brief juist of onjuist is, dat er in de wet zelf (WUD) in beginsel geen beroepsgeheim of geheimhoudingsplicht voor dierenartsen is opgenomen. Niettemin noopt deze gedraging het college tot de opmerking dat beklaagde er in de gegeven situatie beter aan had gedaan om terzake het verzoek van de verkoper te verwijzen naar klaagster en naar het keuringsrapport, dat alle relevante informatie over de keuring zou moeten bevatten. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan beklaagde gehouden zou zijn geweest nog een nadere toelichting op schrift te stellen, bijvoorbeeld omdat een gerechtelijke instantie daarom had verzocht. Een en ander laat onverlet dat deze kwestie buiten het bestek van deze procedure valt. Na te melden maatregel heeft dan ook alleen betrekking op het feit dat beklaagde in het keuringsrapport van zijn bevindingen en het besprokene tijdens de keuring te summier en niet naar behoren verslag heeft gedaan. 3 De beoordeling van het hoger beroep 3.1 Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling van deze zaak uit van de door het Veterinair Tuchtcollege vastgestelde feiten, hiervoor in 2.1 vermeld, aangezien partijen daartegen geen bezwaren hebben geuit. 3.2 Het Veterinair Beroepscollege stelt voorop, dat in het algemeen geldt dat het in het belang van het betrokken dier is dat degene aan wie het dier is toevertrouwd, op de juiste wijze wordt geïnformeerd omtrent de klinische conditie van dit dier, zodat de houder weet welke gezondheidsrisico s aan het gebruik daarvan zijn verbonden en voorkomen wordt dat het op een andere wijze wordt gebruikt dan waarvoor het geschikt is. Het is daarom van belang dat een ieder erop kan vertrouwen dat een dierenarts een keuringsrapport juist en volledig invult. In het verlengde daarvan geldt, dat een dierenarts dient in te staan voor hetgeen hij in zijn keuringsrapport omtrent de (gezondheids)toe- 5/7
6 stand van een dier vermeldt en dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, indien achteraf komt vast te staan dat in het rapport onjuistheden zijn vermeld die hem zijn toe te rekenen. De ratio van een juist en volledig keuringsrapport ligt derhalve bij het belang van een veterinair verantwoord gebruik van het betrokken dier. Buiten dit belang heeft het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder a, van de Wet op de Uitoefening van de diergeneeskunde 1990 niet in zijn algemeenheid de strekking het vertrouwen van belanghebbenden in de juistheid en volledigheid van een door een dierenarts verstrekt keuringsrapport te beschermen. 3.3 Het Veterinair Beroepscollege constateert, dat uit de verklaringen van partijen blijkt, dat bij gelegenheid van de keuring gesproken is over de mogelijkheid dat het paard een klophengst is, dat, waar in het keuringsrapport melding wordt gemaakt van een eventueel bloedonderzoek, dit onderzoek - dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden - erop was gericht om een antwoord te krijgen op de vraag of al dan niet sprake was van een klophengst, en dat verweerster de uitslag van dit onderzoek niet heeft afgewacht alvorens tot aankoop van het paard over te gaan. Het bloedonderzoek hield geen verband met de conditie van het paard. 3.4 Deze constateringen toetsend aan de hierboven onder 3.3 vermelde criteria komt het Veterinair Beroepscollege tot het oordeel, dat het weliswaar duidelijker zou zijn geweest als appellant in zijn keuringsrapport melding had gemaakt van de mogelijkheid dat sprake is van een klophengst maar deze hoedanigheid van het paard niet van belang is voor een veterinair verantwoord gebruik van het paard als leerpaard en voor het af en toe rijden van wedstrijden in een lagere klasse (B / L1), omdat dit gebruik, ongeacht de beantwoording van de vraag of het om een klophengst gaat, geen gezondheidsrisico voor het paard met zich brengt. Anders dan het Veterinair Tuchtcollege heeft overwogen behoefde appellant het bloedonderzoek niet af te wachten dan wel in zijn keuringsrapport een voorbehoud te maken. 3.5 Het voorgaande brengt met zich, dat appellant niet door enig handelen of nalaten te kort is geschoten in de zorg die hij in zijn hoedanigheid van dierenarts behoorde te betrachten ten opzichte van het paard van verweerster en hem het onderdeel van de klacht van verweerster, dat hij in het keuringsrapport van het paard van zijn bevindingen en het besprokene tijdens de keuring te summier en niet naar behoren verslag heeft gedaan, niet in tuchtrechtelijke zin kan worden verweten. 3.6 Op grond van het vorenoverwogene komt het Veterinair Beroepscollege tot de slotsom dat de in beroep bestreden beslissing van het Veterinair Tuchtcollege niet in stand kan blijven en derhalve dient te worden vernietigd en dat de klacht van verweerster dient te worden afgewezen. 4 De beslissing Het Veterinair Beroepscollege verklaart het beroep gegrond vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, met inbegrip van de maatregel welke bij deze uitspraak is opgelegd verklaart de klacht ongegrond. 6/7
7 Aldus gewezen door mr. W. Sorgdrager, voorzitter, en de leden mr. H.C. Cusell, mr. G. van der Wiel, drs. K. van Muiswinkel, dierenarts, en drs. L.A.J. Smeenk, dierenarts, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Lubbers, secretaris en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter te Den Haag op 13 september 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris. w.g. secretaris Voor eensluidend afschrift, w.g. voorzitter secretaris 7/7
De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van: de heer F. H. aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te H, beklaagde.
Onjuiste informatie: garage niet geïsoleerd. Verwijzing naar verkeerd artikel in koopakte en tekening in spiegelbeeld. Klager koopt een woning die bij beklaagde in verkoop was. Hij verwijt de makelaar
Beweerdelijk te lage taxatie. Verschil van 10 % tussen verschillende taxatie niet onaanvaardbaar.
Beweerdelijk te lage taxatie. Verschil van 10 % tussen verschillende taxatie niet onaanvaardbaar. In het kader van het uit elkaar gaan van klager en zijn partner moet de gemeenschappelijke woning getaxeerd
CR 12/2415 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM.
CR 12/2415 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM. Niet-ontvankelijkheid klager. Al eerder over feiten geoordeeld. Tijdsverloop van acht
ACCOUNTANTSKAMER. BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 15/352 Wtra AK van 20 juli 2015 van
ACCOUNTANTSKAMER BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 15/352 Wtra AK van 20 juli 2015 van mr. X, wonende en kantoorhoudende te [plaats1], K L A G E R,
Tot misverstand leidende informatie aan koper. Afwezigheid van berging. De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van:
Tot misverstand leidende informatie aan koper. Afwezigheid van berging. Klager bezichtigt een paar appartementen in een complex dat o.a. via beklaagde te koop wordt aangeboden. In dat kader wordt ook de
Beheerovereenkomst. Extra betaalde werkzaamheden vanouds verricht. De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van:
Beheerovereenkomst. Extra betaalde werkzaamheden vanouds verricht. Klager is sinds enige jaren eigenaar van een tweetal panden die voorheen eigendom van klagers vader waren. Beklaagde voert al sinds jaar
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE. Het College heeft het volgende overwogen over en beslist op de op 9 augustus 2012 ingekomen klacht van
G2012/87 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE Beslissing in de zaak onder nummer van: G2012/87 Rep. nr. G2012/87 26 februari 2013 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN Het College heeft het volgende
DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM 16 FEBRUARI 2011
CR 10/2355 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM 16 FEBRUARI 2011 Onjuiste samenstelling raad van toezicht. Oud en nieuw Reglement Tuchtrechtspraak
DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM.
CR 11/2362 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM. Tijdig beroep op ontbindende voorwaarde? Klager/koper deed op de dag dat het financieringsbeding
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN
Rep.nr. G2008/29 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 24 april 2008 binnengekomen klacht van: MEVROUW A, wonende te
Beslissing d.d. 17 juli 2008 naar aanleiding van de op 17 september 2007 ingekomen klacht van
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE Beslissing d.d. 17 juli 2008 naar aanleiding van de op 17 september 2007 ingekomen klacht van A, wonende te B, k l a g e r -tegen- C, huisarts te D, gemachtigde: mr. L.
Reglement van het Veterinair Tuchtcollege
Reglement van het Veterinair Tuchtcollege Dit reglement geldt in aanvulling op het bepaalde in de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 c.q. in aanvulling op de Wet Dieren (nadat de daarin
1.2. Verweerster in beroep (hierna: de Bank) heeft op 20 januari 2015 een verweerschrift ingediend.
Uitspraak Commissie van Beroep 2016-004 d.d. 2 februari 2016 (mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. A. Bus, drs. P.H.M. Kuijs AAG, mr. A. Smeeing-van Hees en mr. R.J.F. Thiessen, leden, en mr. G.A. van de Watering,
ECLI:NL:GHAMS:2016:1333 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie
ECLI:NL:GHAMS:2016:1333 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 12-04-2016 Datum publicatie 14-04-2016 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 200.180.180/01
CENTRAAL TUCHTCOLLEGE
C2010.295 CENTRAAL TUCHTCOLLEGE voor de Gezondheidszorg Beslissing in de zaak onder nummer C2010.295 van: , wonende te , appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: R. Melchers,
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant,
Raad vanstate 200700246/1. Datum uitspraak: 6 juni 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, tegen de uitspraak in zaak
Optie en bod. Onderhandelen met meerdere gegadigden.
Optie en bod. Onderhandelen met meerdere gegadigden. Klager was geïnteresseerd in een woning. Hij verwijt de verkopend makelaar dat het appartement aan een derde is verkocht terwijl klager het eindbod
CR 09/2280 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM.
CR 09/2280 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM. Informatie aan niet-opdrachtgever. Verleggen van bemiddelingskosten naar de andere
Informatie aan niet-opdrachtgever. Onjuiste oppervlakte in verkoopdocumentatie.
Informatie aan niet-opdrachtgever. Onjuiste oppervlakte in verkoopdocumentatie. Klager heeft een woning gekocht die beklaagde in verkoop had. In de verkoopdocumentatie van beklaagde werd vermeld dat de
Meetinstructie. Geen informatie verstrekt over positie van medewerker van makelaarskantoor.
Meetinstructie. Geen informatie verstrekt over positie van medewerker van makelaarskantoor. Klagers kopen een appartement dat volgens de verkoopbrochure een woonoppervlak heeft van 71 m². De opmeting van
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens het onverantwoord verstrekken van een risicovolle lening
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens het onverantwoord verstrekken van een risicovolle lening Brondatum: 07-07-2015 Een bestuurder is aansprakelijk gesteld voor de niet afgedragen loonheffingen van een
Geschatte waarde veel hoger dan andere taxaties. Klacht te vroeg ingediend. Nog geen uitvoering rechterlijk vonnis.
Geschatte waarde veel hoger dan andere taxaties. Klacht te vroeg ingediend. Nog geen uitvoering rechterlijk vonnis. Klaagster is met haar broer en zus erfgenaam van een boedel waarin zich een recreatiewoning
CR 12/2424 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM.
CR 12/2424 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM. Onderhandelingsperikelen. Onjuiste beeldvorming over positie veroorzaakt. Vertrouwen
Ontvankelijkheid. Klacht over (nog) niet verrichte handeling. Tuchtrechtelijke laakbaarheid van handelwijze in gerechtelijke procedure.
Ontvankelijkheid. Klacht over (nog) niet verrichte handeling. Tuchtrechtelijke laakbaarheid van handelwijze in gerechtelijke procedure. De koper van een woning (klager) verwijt de verkopend makelaar (beklaagde)
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE. Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 7 juni 2011 binnengekomen
G2010/51 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE Beslissing in de zaak onder nummer van: G2010/51 Rep.nr. G 2010/51 6 december 2011 Def. 159 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN Het College heeft
de heer L., makelaar in onroerende zaken, kantoorhoudende te B, hierna te noemen beklaagde Zitting: donderdag 18 oktober 2012
RAAD VAN TOEZICHT HILVERSUM Optreden als makelaar of niet? Aan koper inlichtingen verstrekt over voormalige echtelijke woning. Doelbewuste poging om ex-echtgenote te beschadigen. Bij de echtscheiding tussen
vanstate /1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad vanstate 201108441/1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het
Uitspraak Veterinair Tuchtcollege
LNV Uitspraak Veterinair Tuchtcollege Dossiernummer: VB 03/18 Uitspraak in de zaak van drs. H.H. Verweij wonende te Houten, appellant van een uitspraak van 9 oktober 2003 van het Veterinair Tuchtcollege
ECLI:NL:GHAMS:2012:4344 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie
ECLI:NL:GHAMS:2012:4344 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 27-11-2012 Datum publicatie 16-08-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 200.096.974-01 NOT Civiel
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
Raad vanstatc 201105933/1/V2. Datum uitspraak: 6 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179 Instantie Datum uitspraak 04-01-2012 Datum publicatie 05-01-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 10-4246 WMO Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2000:AA7327
ECLI:NL:RBROT:2000:AA7327 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 23-08-2000 Datum publicatie 21-01-2002 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie WW 98/559-DOP WW 98/916-DOP
Meetinstructie niet nageleefd. Gering verschil opgegeven en werkelijke woonoppervlak.
Meetinstructie niet nageleefd. Gering verschil opgegeven en werkelijke woonoppervlak. Koper beklaagt zich erover dat het door hem gekochte appartement niet 105 m² groot is maar 100 m². De verkopende makelaar
Belangenverstrengeling. Aankoop door medewerker van verkopend makelaar. Onvoldoende belangenbehartiging.
18-21 RvT Amsterdam 203 ERECODE Belangenverstrengeling. Aankoop door medewerker van verkopend makelaar. Onvoldoende belangenbehartiging. De verkopers van een woning (klagers) verwijten hun makelaars (beklaagden)
ECLI:NL:CRVB:2013:2879
ECLI:NL:CRVB:2013:2879 Instantie Datum uitspraak 17-12-2013 Datum publicatie 19-12-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 13-211 WWB Socialezekerheidsrecht
Meetinstructie. Zolder met klein raam tot gebruiksoppervlak gerekend. Inmiddels gewijzigd criterium. Geen uitbreiding van de klacht in hoger beroep.
Meetinstructie. Zolder met klein raam tot gebruiksoppervlak gerekend. Inmiddels gewijzigd criterium. Geen uitbreiding van de klacht in hoger beroep. Klagers kopen in 2012 een woning waarvan het gebruiksoppervlak
12-53 RvT Utrecht RAAD VAN TOEZICHT TE UTRECHT VAN NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS IN ONROERENDE GOEDEREN NVM
12-53 RvT Utrecht RAAD VAN TOEZICHT TE UTRECHT VAN NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS IN ONROERENDE GOEDEREN NVM Gedeeltelijk onvoldoende belangenbehartiging bij verkoop. Geen onderzoek gedaan naar bijzondere
ECLI:NL:CRVB:2014:39. Uitspraak. Centrale Raad van Beroep. Datum uitspraak Datum publicatie
ECLI:NL:CRVB:2014:39 Instantie Datum uitspraak 15-01-2014 Datum publicatie 17-01-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 11-7549 WAJONG Socialezekerheidsrecht
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE EINDHOVEN
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE EINDHOVEN heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de klacht van: 1. A, in zijn hoedanigheid van hoofdinspecteur voor de geestelijke Gezondheidszorg
