Milieuhandhavingscollege
|
|
|
- Bram Verbeek
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-14/52-VK van 25 augustus 2014 In de zaak van De heer [ ] wonende te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Raoul KERSTENS, advocaat, met kantoor te 8310 ASSEBROEK, Dhoorestraat 17, bij wie keuze van woonplaats is gedaan, hierna de verzoekende partij te noemen, tegen het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor en namens wie optreedt mr. Dirk ABBELOOS, advocaat, met kantoor te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84, bij wie keuze van woonplaats is gedaan, hierna de verwerende partij te noemen, ingeschreven in het register van de beroepen op 19 november 2013 onder nummer 13/MHHC/89-M, MHHC-14/52-VK 25 augustus
2 heeft het Milieuhandhavingscollege het volgende overwogen: 1. Voorwerp van het beroep Het beroep is gericht tegen de beslissing 12/AMMC/1475-M/BVB van 9 oktober Met deze beslissing legt de gewestelijke entiteit aan de verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van euro, vermeerderd met de opdeciemen die ten tijde van het plegen van de feiten van toepassing waren voor de strafrechtelijke geldboeten, aldus gebracht op euro, dit wegens het niet-naleven van de milieuvergunningsplicht en van verschillende milieuvergunningsvoorwaarden. 2. Verloop van de rechtspleging 2.1. Op 5 december 2012 beslist de procureur des Konings te Kortrijk om de milieumisdrijven niet strafrechtelijk te behandelen. Met een brief van 13 februari 2013 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen en nodigt zij de verzoekende partij uit om schriftelijk haar verweer mee te delen. Met een brief van 15 maart 2013 bezorgt de verzoekende partij haar verweer aan de gewestelijke entiteit Op 9 oktober 2013 legt de gewestelijke entiteit de voormelde bestuurlijke geldboete op. De kennisgeving van deze beslissing aan de verzoekende partij gebeurt op 16 oktober Met een aangetekende brief van 15 november 2013 stelt de verzoekende partij beroep in tegen de beboetingsbeslissing. Het verzoekschrift bevat een inventaris van de overtuigingsstukken. De geïnventariseerde stukken zijn eraan toegevoegd. De verwerende partij dient op 22 november 2013 bij de griffie een dossier in met een kopie van de bestreden beslissing en de stukken op grond waarvan de gewestelijke entiteit haar beslissing heeft genomen. De verwerende partij dient op 6 januari 2014 een memorie van antwoord in. De verzoekende partij dient op 17 februari 2014 een memorie van wederantwoord in. De verwerende partij dient op 10 maart 2014 een laatste memorie in Bij beschikking 13/MHHC/89-M/B1 van 26 maart 2014 heeft de kamervoorzitter de behandeling van het beroep vastgesteld op de zitting van 8 mei De verzoekende partij is vertegenwoordigd door mr. Tanja GHEERAERT die optreedt loco mr. Raoul KERSTENS, haar raadsman. De verwerende partij is vertegenwoordigd door mr. Patrick VANDENDAEL die optreedt loco mr. Dirk ABBELOOS, haar raadsman. Bestuursrechter Ludo DE JAGER brengt verslag uit. De partijen worden gehoord. MHHC-14/52-VK 25 augustus
3 De debatten worden gesloten en de zaak wordt voor uitspraak in beraad genomen. 3. Ontvankelijkheid 3.1. Onder verwijzing naar artikel 2, 1, en artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 2011 houdende vaststelling van de rechtspleging voor het Milieuhandhavingscollege (hierna Procedurebesluit), zoals van toepassing op het moment van het indienen van het beroep, werpt de verwerende partij op dat het beroep onontvankelijk is omdat het niet is ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing. Zij houdt voor dat de kennisgeving van de bestreden beslissing dateert van woensdag 16 oktober 2013 en dat de termijn om beroep in te dienen aldus verstreek op vrijdag 15 november De stempel ter ontvangst bij het Milieuhandhavingscollege vermeldt maandag 18 november Artikel 6 Procedurebesluit, zoals van toepassing op het moment van het indienen van het beroep, bepaalt: Op straffe van onontvankelijk wordt het beroep bij verzoekschrift en binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing ingesteld. Luidens artikel 2, 1, Procedurebesluit, zoals van toepassing op het moment van het indienen van het beroep, nemen de termijnen die volgen op een kennisgeving aanvang daags na de kennisgeving ( ) met dien verstande dat de dag die het uitgangspunt is van de termijn er niet in begrepen wordt Te dezen stelt het Milieuhandhavingscollege vast dat de aangetekende brief door middel waarvan het beroep werd ingediend, gedateerd is op 15 november 2013, en de datumstempel van de post op de verzendingsenveloppe eveneens 15 november 2015 vermeldt. De opgeworpen exceptie is ongegrond Het beroep dat op 15 november 2013 is ingesteld met een aangetekende brief, is tijdig en regelmatig naar vorm. Er stellen zich geen problemen met betrekking tot andere aspecten van de ontvankelijkheid ervan en de verwerende partij werpt desbetreffend geen bijkomende excepties op. Het beroep is ontvankelijk. 4. Feiten De feiten die vaststaan en relevant zijn voor de beoordeling van het beroep kunnen als volgt worden samengevat De verzoekende partij exploiteert een herstellingwerkplaats voor autovoertuigen te [ ]. De verzoekende partij deed hiervoor, luidens het hierna vermelde proces-verbaal van 13 juli 2012, op 10 oktober 2007 een melding als klasse 3-inrichting aan de stad Brugge Op 12 juli 2012 voert een gemeentelijk toezichthouder van de stad Brugge (hierna verbalisant), vergezeld door een tweede toezichthouder en een technisch medewerker, een controle uit op het bedrijf van de verzoekende partij. Er worden meerdere inbreuken vastgesteld op de sectorale milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting. Onder meer staan er binnenin de garage meer dan tien afgedankte voertuigen, en buiten, op onverharde bodem, ruim twintig. De inrichting beschikt niet over een lekdicht afwateringssysteem dat is aangesloten op een koolwaterstofafscheider. Her en der verspreid op de grond liggen er afgedankte accu s en staan er olievaten en andere recipiënten met gevaarlijke producten, niet altijd geïdentificeerd, soms op lekbakken maar meestal niet. Er zijn geen keuringsattesten voorhanden voor de bovengrondse mazouttank, de MHHC-14/52-VK 25 augustus
4 compressor en de brandblusapparaten. De werkplaats oogt heel erg rommelig, slordig en vuil. Verder wordt vastgesteld dat de inrichting niet over de vereiste milieuvergunning klasse 2 beschikt. Van dit alles wordt lastens de verzoekende partij proces-verbaal opgesteld op 13 juli Het proces-verbaal maakt ook melding van de reeds lang aanslepende historiek. Op 31 augustus 2007 werd een milieuvergunning klasse 2 geweigerd door de vergunningverlenende overheid omdat ondanks herhaalde proefvergunningen de reeds jaren aanslepende situatie niet verbeterde. Op 22 april 2010 werd een proces-verbaal opgesteld voor vergelijkbare inbreuken. Verhoord door een inspecteur van de lokale politie verklaart de verzoekende partij op 30 oktober 2012 dat de milieureglementen niet [zijn] uitgevoerd omwille van budgettaire beperkingen, tijdsgebrek en de moeilijkheid om alles op te volgen. ( ) Er zijn reeds 10 voertuigen verwijderd van de site, de banden zijn ook reeds weg. Uit een navolgend proces-verbaal van 8 februari 2013, opgesteld naar aanleiding van een terreinbezoek op 5 februari 2013, blijkt dat reeds een gedeelte werd opgeruimd en meerdere voertuigen werden afgevoerd, maar ook dat aan diverse inbreuken nog niet was geremedieerd. 5. Beoordeling 5.1. De gewestelijke entiteit kwalificeert de vastgestelde feiten als een milieumisdrijf overeenkomstig artikel , 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM), meer bepaald als een schending van artikel 4, 1 en 2 en artikel 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna Milieuvergunningsdecreet), van artikel 43, 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna VLAREM I) en van de artikelen 5BIS , 5BIS , 1, 5BIS , 5BIS , 1, 5BIS , 4, 5BIS , 2, 5BIS , 5BIS , 2, 3 en 4 en 5BIS van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna VLAREM II). Krachtens voormelde artikelen is de exploitant verplicht over een milieuvergunning of melding te beschikken, en moet hij de daaraan gekoppelde exploitatievoorwaarden naleven. Zij legt met toepassing van de artikelen tot en met DABM en artikel 76 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het DABM de voormelde alternatieve bestuurlijke geldboete op De verzoekende partij betoogt dat zij een aanzienlijke vermindering van de opgelegde boete beoogt Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij volgende bezwaren aan. - Zij houdt voor dat zij nooit klasse 2-milieuvergunningsplichtig was. - Tevens betwist zij de proportionaliteit van de opgelegde boete nu er onvoldoende rekening werd gehouden met de ernst van de misdrijven (zij betwist in dit verband oneerlijke concurrentie te hebben gepleegd) en met de omstandigheden waarin ze werden gepleegd (ze wijst op haar slechte gezondheidstoestand en het gegeven dat ze er alleen voorstond) en beëindigd. Ook de frequentie werd volgens haar fout ingeschat nu het volgens haar één enkele inbreuk [betreft] waarvoor op verschillende tijdstippen vaststellingen werden gedaan. In verband met de proportionaliteit van de boete wijst ze ook op haar precaire financiële toestand In haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij tevens dat haar een bijkomende termijn zou worden geboden om inzage te krijgen van het volledige dossier, en de mogelijkheid zou worden geboden om aanvullende stukken over te maken, bij toepassing van artikel om vervolgens te handelen zoals bepaald in artikel Het Milieuhandhavingscollege stelt ten deze vast dat de artikelen en DABM zijn opgeheven door de artikelen 70 en 71 van het decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur van 23 december 2010, en dat deze MHHC-14/52-VK 25 augustus
5 bepalingen overigens niet in de mogelijkheid voorzagen een bijkomende inzagetermijn toe te staan. Het Milieuhandhavingscollege vermag derhalve niet aan dit verzoek tegemoet te komen Wel kan de verzoekende partij in toepassing van artikel 9, 1, Procedurebesluit na het indienen van het verzoekschrift aanvullende stukken aan het dossier toevoegen op voorwaarde dat deze haar op het ogenblik van het indienen van het beroep ( ) niet bekend waren. In casu heeft de verzoekende partij tijdens de zitting een op 5 mei 2014 door gerechtsdeurwaarder Geert DERMAUX opgesteld proces-verbaal van vaststellingen neergelegd, bevattende een verslag van de huidige toestand van de garage en het omliggende terrein. Dit verslag werd voor de zitting eveneens overgemaakt aan de verwerende partij, die ter zitting de kans heeft gekregen hieromtrent repliek te formuleren. Nu het aanvullende stuk beantwoordt aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 9, 1, Procedurebesluit, wordt het bij het dossier gevoegd In haar eerste bezwaar werpt de verzoekende partij op dat zij nooit activiteiten heeft uitgeoefend die tot een milieuvergunning klasse 2 konden leiden. Een 12-tal van de voertuigen die zij stalt, zouden immers verzamelobjecten zijn, en als dusdanig geen afgedankte voertuigen De verwerende partij repliceert hierop door te verwijzen naar de vaststellingen in het procesverbaal van 13 juli 2012 waarin sprake is van meer dan 10 afgedankte voertuigen in het magazijn en meer dan 20 afgedankte voertuigen in open lucht, voertuigen die waarschijnlijk nooit zullen worden afgewerkt. In hun verdere memories hernemen de partijen hun standpunt Het bezwaar dient te worden begrepen als een schending van artikel , tweede lid, DABM. Luidens deze bepaling kan een alternatieve bestuurlijke geldboete uitsluitend worden opgelegd voor milieumisdrijven vermeld in de artikelen tot en met septies DABM. Een beslissing waarin de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt zonder dat het bestaan van een of meer milieumisdrijven zoals bepaald in de artikelen tot septies DABM is bewezen, is dan ook onwettig want met schending van de beboetingsbevoegdheid genomen Het Milieuhandhavingscollege stelt vast dat rubriek van de indelingslijst, opgenomen in bijlage I van het VLAREM I, standaardgarages en -carrosseriebedrijven indeelt als (meldingsplichtige) klasse 3-inrichtingen, en daarbij een aantal drempelwaarden bepaalt beneden dewelke deze rubriek van toepassing is. Onder meer kunnen overeenkomstig rubriek 15.5.g) bij een standaardgarage maximaal 25 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen worden gestald mits deze geen vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen bevatten en enkel afkomstig van erkende centra. Betreft het afgedankte voertuigen die wel nog vloeistoffen en/of andere gevaarlijke onderdelen bevatten, dan mogen er maximaal 5 voertuigen worden gestald. Worden deze respectieve drempels overschreden, dan betreft de opslag van de wrakken of afgedankte voertuigen overeenkomstig rubriek 2.2.d, 2, een klasse 2-inrichting. Luidens artikel van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna VLAREMA) moet elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afgedankte voertuigen depollueert of moet depollueren overeenkomstig artikel , 2, VLAREM II, erkend zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of een beroep doen op een erkend centrum. Artikel van het voordien geldende besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer (VLAREA), bevatte een analoge bepaling. Luidens artikel , 2, VLAREM II moet de demontage van voertuigwrakken steeds voorafgegaan worden door een depollutie, met uitzondering van opslagplaatsen voor maximaal 5 voertuigwrakken behorend bij garages. Het Milieuhandhavingscollege stelt vast dat de bewering van de verzoekende partij, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 13 juli 2012, dat zij de voertuigen eigenhandig van gevaarlijke vloeistoffen en MHHC-14/52-VK 25 augustus
6 gevaarlijke onderdelen heeft ontdaan, niet volstaat om er toe te besluiten dat deze adequaat gedepollueerd zouden zijn, laat staan enkel afkomstig van erkende centra Het Milieuhandhavingscollege stelt derhalve vast dat, en rekening houdend met de bewering dat een 12-tal gestalde voertuigen verzamelobjecten of oldtimers zouden zijn, de geviseerde opslag van afgedankte voertuigen en autowrakken wel degelijk als een klasse 2-inrichting is ingedeeld, nu er op het ogenblik van de vaststelling minstens 18 afgedankte, niet-reglementair gedepollueerde voertuigen gestald waren. De bestreden beslissing besluit dan ook terecht tot een schending van artikel 4, 1, Milieuvergunningsdecreet, een milieumisdrijf strafbaar op grond van artikel DABM. Het eerste bezwaar is derhalve ongegrond In haar tweede bezwaar betwist de verzoekende partij de proportionaliteit van de opgelegde boete. Ze werpt op dat ze nooit oneerlijke concurrentie heeft gepleegd, wat ze staaft met de bewering dat ze geen beroep heeft ingesteld tegen de bestuurlijke maatregel middels dewelke de burgemeester haar bevel gaf tot stopzetting van alle activiteiten. Hieruit kan begrepen worden dat de verzoekende partij meent dat de ernst van de milieumisdrijven te hoog is ingeschat. Verder relativeert ze de omstandigheden waarin de milieumisdrijven werden gepleegd, waarbij ze wijst op haar slechte gezondheidstoestand (hartproblemen en gebroken ribben ten gevolge van een val) en op het gegeven dat ze er alleen voorstond om aan de inbreuken te remediëren. De aangescherpte reglementering die gepaard ging met administratieve complexiteit heeft volgens haar tot verwarring geleid. Ook de inspanningen die ze leverde om de milieumisdrijven te beëindigen, benadrukt ze. Ze wijst daartoe op de vaststellingen in navolgende pv s waarin sprake is van waarneembare verbeteringen, onder meer het afvoeren van meerdere afgedankte voertuigen, de zandstraalmachine en de autobatterijen, het plaatsen van een koolwaterstofafscheider en het uitrusten van de volgens haar nooit gebruikte mazouttank met een goedgekeurde afsluitdop. Verder werd volgens de verzoekende partij de frequentie fout ingeschat nu haar dossier volgens haar één enkele inbreuk [betreft] waarvoor op verschillende tijdstippen vaststellingen werden gedaan. In verband met de proportionaliteit van de boete wijst ze tenslotte ook op haar precaire financiële toestand waardoor het opleggen van een hoge boete in die omstandigheden onverantwoord lijkt. Ze staaft haar financiële toestand door bij haar verzoekschrift een kopie van haar aanslagbiljet personenbelastingen voor het aanslagjaar 2012 te voegen, waaruit blijkt dat haar bedrijfsresultaat een negatief saldo van euro vertoonde De verwerende partij weerlegt deze argumenten. Vooreerst wijst ze op de lange staat van dienst van de verzoekende partij, waardoor deze toch vertrouwd zou moeten zijn met de betrokken regelgeving. Ze wijst er op dat de problematiek reeds bestond lang voordat er sprake was van gezondheidsproblemen, en ze citeert de bestreden beslissing om aan te tonen dat bij herhaling werd vastgesteld dat er nog steeds niet volgens de wetgeving werd uitgebaat, waardoor de wijze waarop de milieumisdrijven werden beëindigd volgens haar terecht niet als verzachtende omstandigheid werden meegenomen. Voor wat de frequentie betreft, wijst ze op de lange historiek van de feiten. De redenering van verzoekende partij omtrent (de afwezigheid van) concurrentievervalsing begrijpt verwerende partij niet. In ieder geval is het zo, stelt ze, dat door het niet tijdig investeren in milieuzorg, de concurrentie wordt vervalst ten aanzien van die bedrijven die wel de nodige inspanningen leveren om de milieuregels na te leven. De verwerende partij repliceert niet op de beweerde beperkte financiële draagkracht van de verzoekende partij In hun verdere memories hernemen de partijen in wezen hun standpunten. De verzoekende partij preciseert dat, doordat ze haar activiteiten stopte naar aanleiding van de opgelegde bestuurlijke maatregel, ze evident niet meer kan concurreren Het tweede bezwaar roept in wezen de schending in van artikel DABM, zoals gepreciseerd door artikel DABM. Luidens artikel DABM moet de gewestelijke entiteit er MHHC-14/52-VK 25 augustus
7 bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete voor zorgen dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de bestuurlijke geldboete ten grondslag liggen en de boetes die op grond van die feiten worden opgelegd. Artikel DABM preciseert dat wanneer de gewestelijke entiteit een bestuurlijke geldboete oplegt, de hoogte ervan wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf en dat tevens rekening wordt gehouden met de frequentie waarmee en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder het milieumisdrijf heeft gepleegd of beëindigd. Van een mogelijke schending van artikel DABM, samengelezen met artikel DABM, kan alleen dan sprake zijn indien de gewestelijke entiteit op kennelijk onredelijke wijze toepassing heeft gemaakt van de waarderingscriteria die in deze artikelen zijn bepaald Het Milieuhandhavingscollege stelt vooreerst vast dat in de voorliggende zaak de ernst van de feiten, en met name ook het gegeven dat ze in professioneel verband werden gepleegd en aldus concurrentievervalsend waren, aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Het Milieuhandhavingscollege merkt op dat zoals blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken de bedoelde opgelegde bestuurlijke maatregel dateert van 27 augustus 2013, dus ruim na de vastgestelde milieumisdrijven. Het Milieuhandhavingscollege oordeelt ten deze dat het loutere feit dat de verzoekende partij geen beroep heeft aangetekend tegen deze bestuurlijke maatregelen uiteraard niet betekent dat ze niet concurrentievervalsend gewerkt heeft door de milieuwetgeving gedurende meerdere jaren niet na te leven, en met name de vereiste investeringen niet uit te voeren. Het Milieuhandhavingscollege oordeelt derhalve dat de gewestelijke entiteit niet op een kennelijk onredelijke wijze tot de vaststelling is kunnen komen dat de verzoekende partij concurrentievervalsend werkte. Dit onderdeel van het tweede bezwaar is ongegrond Verder stelt het Milieuhandhavingscollege vast dat de frequentie een boeteverhogende impact heeft gehad. De verzoekende partij meent dat er sprake is van slechts één enkele inbreuk waarvoor op verschillende tijdstippen vaststellingen werden gedaan en ze verwijst naar drie controles in één jaar tijd, met name in juli 2012 en in februari en juli Vooreerst merkt het Milieuhandhavingscollege op dat het (blijven) uitbaten van een inrichting zonder de vereiste milieuvergunning wel degelijk aanleiding kan geven tot de vaststelling van verschillende misdrijven, nu de verzoekende partij op elk ogenblik de mogelijkheid had om aan de tekortkoming te remediëren, hetzij door een vergunning aan te vragen, hetzij door de niet-vergunde activiteiten stop te zetten. Het betreft dus wel degelijk verschillende milieumisdrijven. Verder stelt het Milieuhandhavingscollege vast dat zowel uit het proces-verbaal van vaststelling als uit het dossier blijkt dat reeds veel langer dan een jaar voordien vergelijkbare milieumisdrijven werden vastgesteld, en met name op 22 april 2010 hieromtrent procesverbaal werd opgesteld. Het Milieuhandhavingscollege oordeelt derhalve dat de gewestelijke entiteit niet op een kennelijk onredelijke wijze tot de vaststelling is kunnen komen dat de factor frequentie medebepalend was voor de hoogte van de boete. Dit onderdeel van het tweede bezwaar is ongegrond Ten slotte stelt het Milieuhandhavingscollege vast dat bij het bepalen van de hoogte van de geldboete geen bijzondere omstandigheden werden in acht genomen. In de bestreden beslissing wordt daaromtrent opgemerkt dat uit een navolgende controle bleek dat er nog steeds niet volgens de wetgeving werd uitgebaat, en dat de burgemeester overging tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel zodat in casu kan geconcludeerd worden dat er geen herstel werd waargenomen en er geen verzachtende omstandigheden kunnen meegenomen worden. Luidens het hoger geciteerde artikel DABM wordt bij het bepalen van de hoogte van de geldboete rekening gehouden, zowel met de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de milieu-inbreuken heeft beëindigd als met deze waarin hij ze heeft gepleegd. Het Milieuhandhavingscollege stelt vast dat uit het gehele dossier blijkt dat de verzoekende partij op een manifest afkeurenswaardige wijze heeft nagelaten en dit gedurende jaren en ondanks herhaald aandringen van de betrokken overheidsdiensten zich in regel te stellen met de op zijn activiteiten toepasselijke milieuwetgeving. De verwijzing van de verzoekende partij naar de vaststelling in een MHHC-14/52-VK 25 augustus
8 navolgend proces-verbaal van 5 februari 2013 dat een gedeelte werd opgeruimd doet hier niet aan af, temeer nu in hetzelfde proces-verbaal tal van nog bestaande onregelmatigheden werden vastgesteld. Pas nadat een stringente bestuurlijke maatregel werd opgelegd zo blijkt althans uit het ter zitting neergelegde aanvullende stuk kwam er uiteindelijk echt schot in de zaak. Het Milieuhandhavingscollege oordeelt dat de gewestelijke entiteit niet op een kennelijk onredelijke wijze tot de vaststelling is kunnen komen dat de wijze waarop een einde is gesteld aan de milieumisdrijven niet kon weerhouden worden als verzachtende omstandigheid. Het Milieuhandhavingscollege stelt evenwel ook vast dat blijkens het dossier de verzoekende partij reeds geruime tijd gewag maakt van haar gezondheidstoestand en van andere moeilijkheden die ze ondervindt om de problemen waarmee ze zich geconfronteerd ziet te beëindigen, en dat de gewestelijke entiteit over deze informatie beschikte. Onder meer laat de verzoekende partij in een navolgend proces-verbaal van verhoor op 30 oktober 2012 opnemen dat zij al sinds 2005 hartproblemen heeft, waardoor ze niet meer zo goed kan presteren. In haar schriftelijk verweer van 15 maart 2013 meldt ze aan de gewestelijke entiteit dat ze vroeger één arbeider had maar dat ze nu alles alleen moet doen gezien [ze] geen arbeiders meer kan betalen. Middels de bij het verzoekschrift gevoegde overtuigingsstukken worden de gezondheidsproblemen en de kwetsbare financiële positie van de verzoekende partij gestaafd. De overtuigingsstukken bevestigen de moeilijkheden waarmee de verzoekende partij zich geconfronteerd zag om een einde te stellen aan een voor haar blijkbaar onoverzichtelijk probleem. Het Milieuhandhavingscollege oordeelt dat de bestreden beslissing, door geen rekening te houden met de omstandigheden waarin de milieumisdrijven werden gepleegd, en met name de herhaaldelijk gesignaleerde problemen waarmee de verzoekende partij zich geconfronteerd zag, kennelijk onredelijk heeft geoordeeld en aldus artikel DABM heeft geschonden. Het is dan ook gepast het bedrag van de opgelegde bestuurlijke geldboete substantieel te verminderden. Het derde onderdeel van het tweede bezwaar is in de aangegeven mate gegrond De behandeling van het beroep door het Milieuhandhavingscollege heeft geen kosten met zich gebracht, zodat een beslissing over de kosten van het geding zonder voorwerp is. MHHC-14/52-VK 25 augustus
9 Om deze redenen beslist het Milieuhandhavingscollege: 1. Het door de verzoekende partij ingediende beroep is ontvankelijk en in de aangegeven mate gegrond. 2. De beslissing 12/AMMC/1475-M/BVB van 9 oktober 2013 van de gewestelijke entiteit wordt vernietigd in zoverre zij een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt van euro, vermeerderd met de opdeciemen die ten tijde van het plegen van de feiten van toepassing waren voor de strafrechtelijke geldboeten, aldus gebracht op euro. 3. De alternatieve bestuurlijke geldboete wordt verminderd tot 825 euro, vermeerderd met de opdeciemen die ten tijde van het plegen van de feiten van toepassing waren voor de strafrechtelijke geldboeten, aldus gebracht op euro. Dit arrest is uitgesproken in Brussel op de openbare zitting van 25 augustus 2014 door het Milieuhandhavingscollege, dat samengesteld is uit: Luk JOLY Carole M. BILLIET Ludo DE JAGER Josef NIJS Peter SCHRYVERS Johan CEENAEME voorzitter ondervoorzitter, kamervoorzitter bestuursrechter bestuursrechter bestuursrechter, wettig verhinderd bij de uitspraak plaatsvervangend bestuursrechter, wettig verhinderd bij de uitspraak bijgestaan door Xavier VERCAEMER griffier. De griffier, De ondervoorzitter, Xavier VERCAEMER Carole M. BILLIET MHHC-14/52-VK 25 augustus
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-13/35-VK van 18 april 2013 In de zaak van de BVBA [ ] met maatschappelijke zetel te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Albert COPPENS, advocaat, met kantoor te 9300
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC/M/1516/0030 van 26 november 2015 In de zaak van de bvba 10POND, met maatschappelijke zetel te 9770 Kruishoutem, Duifhuisstraat 21, voor en namens wie optreedt mr. Koen
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-13/41-VK van 30 april 2013 In de zaak van de heer [ ] wonende te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Kris DHAENE, advocaat, met kantoor te 9000 GENT, Sint-Lievenspoortstraat
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-15/10-K7 van 19 februari 2015 In de zaak van de NV [ ] met maatschappelijke zetel te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Mario DEKETELAERE, advocaat, met kantoor te
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-13/104-VK van 19 december 2013 In de zaak van de heer [ ] wonende te [ ] hierna de verzoekende partij te noemen, tegen het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST nr. MHHC/M/1516/0113 van 26 april 2016 in de zaak MHHC/1415/0065/M/0053 In zake: de nv AGROTECH BELGASIA, met zetel te 8870 Izegem, Gentse Heerweg 78 waar woonplaats wordt
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-14/86-VK van 2 december 2014 In de zaak van de heer [ ] wonende te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Filip Van BERGEN, advocaat, met kantoor te 2018 ANTWERPEN, Lange
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-13/97-VK van 21 november 2013 In de zaak van de heer [ ] wonende te [ ] voor wie optreedt de heer Frédérick VAN KERREBROECK, raadsman, hierna de verzoekende partij
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-15/29-K6 van 13 augustus 2015 In de zaak van de BVBA [ ] met maatschappelijke zetel te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Sabine WULLUS, advocaat met kantoor te 8630
Voorliggende publicatie bundelt dan ook de geanonimiseerde versies van de uitspraken van het Milieuhandhavingscollege in 2010:
Rechtspraak 2010 TER INLEIDING Artikel 16.4.65 van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voorziet een geanonimiseerde publicatie van de uitspraken van het Milieuhandhavingscollege
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. A/4.8.14/2014/0038 van 24 juni 2014 in de zaak 1314/0216/A/4/0183 In zake: de heer Daniël VANDERVELPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaat Geert DEMIN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST van 8 november 2016 met nummer RvVb/A/1617/0231 in de zaak met rolnummer 1314/0771/A/2/0738 Verzoekende partij 1. de heer Tom BELMANS 2. mevrouw Christ l MAES 3.
RAAD VOOR VERKIEZINGSBETWISTINGEN ARREST
RAAD VOOR VERKIEZINGSBETWISTINGEN ARREST Nr. R.Verkb.2015/0001 van 31 maart 2015 in de zaak 1415/0001 In zake: de heer Steven APER, wonende te 9180 Moerbeke, Damstraat 159 verzoekende partij Belanghebbende
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST van 26 september 2017 met nummer RvVb/A/1718/0094 in de zaak met rolnummer 1617/RvVb/0579/SA Verzoekende partijen Verwerende partij 1. de heer William ROTTIERS
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 16 mei 2017 met nummer MHHC/M/1617/0076 in de zaak met rolnummer 1516/MHHC/0109/M Verzoekende partij de bvba JACQUES GHEYSENS vertegenwoordigd door advocaat Thomas BAILLEUL
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST nr. MHHC/M/1516/0042 van 14 januari 2016 in de zaak 14/MHHC/79-M In zake : de heer [ ] wonende te [ ] verzoekende partij tegen: het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. A/4.8.14/2015/0033 van 4 augustus 2015 in de zaak 1415/0262/A/2/0254 In zake: 1. de heer Marc DE SMET 2. de heer Marnix DECOCK beiden wonende te 8500 Kortrijk,
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. RvVb/A/1516/0901 van 5 april 2016 in de zaak 1213/0305/SA/1/0295 In zake: de heer Geert STANDAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaten Koen GEELEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST van 26 september 2017 met nummer RvVb/A/1718/0092 in de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0521-A Verzoekende partij de nv ASPIRAVI vertegenwoordigd door advocaat Gregory
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. A/2014/0287 van 22 april 2014 in de zaak 1213/0576/A/1/0539 In zake: mevrouw Martine VAN BOCXLAER, wonende te 9940 Evergem, Langerbrugsestraat 36 verzoekende
MHHC-11/ /5-VK. advocaat. hierna de. tegen. hierna de
Milieuhandhavingscollege Tussenbeslissing MHHC-11/5-VK van 300 maart 2011 In de zaak van de NV [ ] met vennootschapszetel te [ ] voor en namens wie optreedt de heer [ ], raadsman-niet advocaat met kantoor
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST
MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 28 maart 2017 met nummer MHHC/M/1617/0045 in de zaak met rolnummer 1516/MHHC/0097/M Verzoekende partij Verwerende partij Marc Broucke, met woonplaatskeuze te 8830 Hooglede,
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-14/15-VK van 20 februari 2014 In de zaak van de NV [ ] met maatschappelijke zetel te [ ] voor en namens wie optreden mrs. Johan DURNEZ en Erwin GOFFIN, advocaten, met
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN VOORZITTER VAN DE DERDE KAMER ARREST nr. A/2013/0075 van 19 februari 2013 in de zaak 2010/0528/SA/3/0681 In zake: de nv... bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaat
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen
Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen Zitting van 21 mei 2015 Beslissingen i.v.m. gelijkwaardigheid buitenlandse diploma s Rolnr. 2015/071-21 mei 2015... 2 Rolnr. 2015/073-21 mei 2015...
Hof van Cassatie van België
8 MEI 2012 P.11.1908.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.11.1908.N I R. L. M. P., inverdenkinggestelde. eiser, met als raadsman mr. Michaël Verstraeten, advocaat bij de balie te Gent. II M. G.
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. RvVb/A/1516/0697 van 1 maart 2016 in de zaak RvVb/1415/0538/SA/0518 In zake: het college van burgemeester en schepenen van de stad OUDENBURG bijgestaan en vertegenwoordigd
Milieuhandhavingscollege
Milieuhandhavingscollege Arrest MHHC-14/39-K2 van 13 juni 2014 In de zaak van de heer [ ] wonende te [ ] voor en namens wie optreedt mr. Geert AMPE, advocaat, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 38,
Hof van Cassatie van België
31 MAART 2015 P.14.0392.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.14.0392.N 1. M L E V U, beklaagde, 2. H R G V B, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Jaak Haentjens, advocaat bij de balie te Dendermonde.
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN ARREST nr. RvVb/A/1516/0601 van 16 februari 2016 in de zaak RvVb/1415/0481/A/0466 In zake: de heer Theodoor GORISSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaat Antoon
Hof van Cassatie van België
30 OKTOBER 2012 P.12.0423.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.12.0423.N I D P O R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Bockstaele, advocaat bij de balie te Oudenaarde, tegen Y B, burgerlijke
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN VOORZITTER VAN DE DERDE KAMER ARREST nr. S/2011/00007 van 9 februari 2011 in de zaak 2010/0401/SA/3/0363 In zake: 1.... 2.... bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaat
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN
RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN VOORZITTER VAN DE DERDE KAMER TUSSENARREST nr. S/2015/0029 van 24 maart 2015 in de zaak 1213/0772/SA/3/0732 In zake: 1. de stad TIELT, vertegenwoordigd door het college
