2p 2. Leg uit hoe, in de periode vóór 2010, een koersstijging van de dollar de inflatie in de GCClidstaten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "2p 2. Leg uit hoe, in de periode vóór 2010, een koersstijging van de dollar de inflatie in de GCClidstaten"

Transcriptie

1 Examentraining A6 1

2 Globalisering OPGAVE 1 Oman twijfelt aan dollar en dinar Een zestal olieproducerende Golfstaten, waaronder Oman, heeft in 1981 de Gulf Cooperation Council (GCC) opgericht. Twee jaar later leidde dit tot afschaffing van de onderlinge handelsbelemmeringen. In 2003 besloten de GCC-lidstaten tot invoering van gemeenschappelijke tarieven op importgoederen. Uit een krant: Sinds 1981 hebben de GCC-lidstaten hun valuta, via een systeem met een spilkoers en een bandbreedte, aan de Amerikaanse dollar gekoppeld. Het doel van de koppeling is de invoering van een gemeenschappelijke munt in 2010; de Golf-dinar waarmee ook de olie betaald kan worden. Een gevolg van deze koppeling is dat bij depreciatie van de dollar, interventie op de valutamarkt kan leiden tot het veranderen van de valutareserve van de GCC-lidstaten. Oman twijfelt over verdere deelname, omdat dit land slechts beschikt over een kleine oliereserve. Oman heeft alleen belang bij een koppeling aan de dollar indien de dollar deprecieert en een regeringsadviseur stelt dat Oman beter af kan zien van invoering van de Golf-dinar. 1p 1. Vormen de GCC-lidstaten, na invoering van gemeenschappelijke tarieven op importgoederen, een vrijhandelsgebied, een monetaire unie, een douane-unie of een economische unie? 2p 2. Leg uit hoe, in de periode vóór 2010, een koersstijging van de dollar de inflatie in de GCClidstaten kan afremmen. De dollar deprecieert in de periode vóór 2010 ten opzichte van de munten van de GCC-lidstaten. Dit leidt tot interventie op de valutamarkt. 2p 3. Zal in dit geval de valutareserve van de GCC-lidstaten groter of kleiner worden? Verklaar het antwoord. 2p 4. Leg uit hoe een koppeling van de munteenheid van Oman aan de dollar, bij een depreciërende dollar, de export van Oman naar niet-dollarlanden bevordert. OPGAVE 2 Koersen moeten flexibeler uit een krant van januari 2003: De landen van de G8 1) roepen op tot méér wisselkoersflexibiliteit tussen enerzijds de Japanse yen en anderzijds de Amerikaanse dollar. De Japanse monetaire autoriteiten proberen al jarenlang, door interventies op de valutamarkt, de koersschommelingen van de yen te dempen. Mede hierdoor zijn de dollarreserves van de Japanse centrale bank fors gestegen. Deze reserves zijn echter ook het product van jarenlange overschotten op de betalingsbalans van Japan met de Verenigde Staten van Amerika. noot 1) Verenigde Staten, Canada, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan en Rusland In de figuur wordt, in de periode voorafgaand aan de oproep van de G8, een beeld gegeven van de koersschommelingen van de yen. 2

3 Koers yen (per ) in dollars 2p 1. Is er in de periode 1 juli-1 november 2001 sprake van appreciatie, depreciatie, devaluatie of revaluatie van de yen ten opzichte van de dollar? Verklaar het antwoord met behulp van de tekst en de figuur. 2p 2. Leg uit hoe de Japanse monetaire autoriteiten op de valutamarkt hebben geïntervenieerd direct na 1 november Maak gebruik van bovenstaande figuur. 2p 3. Leg uit hoe de oproep van de landen van de G8 zou kunnen leiden tot een verdere stijging van de koers van de yen in dollars. OPGAVE 3 Chinese mix De handelsstromen tussen de Verenigde Staten (VS) en China zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen, maar hebben zich ongelijk ontwikkeld. De VS importeren steeds meer producten uit China, terwijl China nauwelijks producten uit de VS importeert. Dit zorgt voor een opwaartse druk op de yuan, de Chinese munt. China heeft echter de koers van de yuan gekoppeld aan de dollar. Deze koppeling wordt door de Chinese Centrale Bank (CCB) gehandhaafd. De CCB gebruikt dollars om Amerikaanse staatsobligaties te kopen. De World Trade Organization oefent druk uit op China om de koppeling van de yuan aan de dollar op te heffen. Hiermee kan worden bereikt dat de koers van de yuan, zonder ingrijpen van de CCB, volledig door de markt wordt bepaald. 2p 1. Leg het verband uit tussen de beschreven handelsstromen tussen de VS en China en de vraag naar Amerikaanse staatsobligaties van de CCB. 2p 2. Leg uit dat door het aankopen van Amerikaanse staatsobligaties door de CCB een koersstijging van de yuan ten opzichte van de dollar wordt tegengegaan. 3

4 2p 3. Leg uit wat het effect op de ontwikkeling van de Chinese valutareserve zal zijn, indien de koers van de yuan volledig door de markt zou worden bepaald. Een journalist merkt over de handelsstromen tussen de VS en China op: Als de CCB de koppeling van de yuan aan de dollar opheft en de Amerikaanse staatsobligaties verkoopt tegen dollars, brengt ze de economische groei van China in gevaar. 2p 4. Leg uit op welke manier het verkopen van Amerikaanse staatsobligaties en het loslaten van de genoemde koppeling, de economische groei van China in gevaar kan brengen. Opgave 4 Met gelijke munt betalen Tussen 2003 en 2005 was er in het algemeen sprake van een dalende dollarkoers. De Verenigde Staten van Amerika (VS) besteden al jarenlang meer dan ze produceren, met als gevolg een omvangrijk tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans van de VS. Meestal leidt een daling van de wisselkoers tot hogere inflatie in het land waarvan de wisselkoers daalt. 2p 1. Leg uit hoe een wisselkoersdaling van de valuta van een land kan leiden tot een hogere inflatie in dat land. In de VS leidt de dalende dollarkoers niet tot hogere inflatie. Dit heeft te maken met het feit dat het grootste deel van de import van de VS in dollars gefactureerd wordt: dat wil zeggen dat de import van de VS in dollars geprijsd en ook in dollars betaald wordt. Veel exporteurs uit Europa en Japan passen deze dollarprijzen voor hun exportproducten niet of beperkt aan bij een verandering van de wisselkoers van de dollar. Onderstaande tabel illustreert dit. facturering van import en export en marktaandelen (1) percentage van de import gefactureerd in de valuta van het importerende land (2) percentage van de export gefactureerd in de valuta van het exporterende land (3) marktaandeel van het exporterende land (in procenten) VS ,0 1) Japan ,5 Nederland ,1 1) Het gewogen gemiddelde van de marktaandelen die de VS heeft op de binnenlandse markten van alle landen die producten importeren uit de VS. Op dezelfde manier dienen de percentages voor Japan en Nederland in kolom (3) gelezen te worden. 2p 2. Zal een daling van de dollarkoers leiden tot een stijging of een daling van de gemiddelde winstmarge in euro s van Nederlandse exporteurs naar de VS? Verklaar het antwoord op basis van bovenstaande tabel en uitgaande van een gelijkblijvende kostprijs in euro s. 2p 3. Verklaar met behulp van kolom (3) waarom de VS in kolom (2) een hoger percentage heeft dan Nederland. Een econoom is van mening dat er voor Nederlandse exportproducten minder substituten op buitenlandse markten zijn dan voor Japanse exportproducten. 2p 4. Leg uit hoe de econoom bovenstaande tabel kan gebruiken om zijn mening te ondersteunen. 4

5 Antwoorden Globalisering Correctiemodel opgave 1 (1) 1. Uit het antwoord moet blijken dat het gaat om een douane-unie. (2) 2. Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Door de koppeling van de valuta van de GCC-lidstaten aan een stijgende dollar dalen de prijzen in eigen valuta van importgoederen die niet in dollars geprijsd zijn. Door de koppeling van de valuta van de GCC-lidstaten aan een stijgende dollar zal ook de eigen valuta in koers stijgen, waardoor de export naar niet-dollar landen daalt en daarmee de bestedingen. (2) 3. Groter. Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Om de koers van de eigen valuta binnen de afgesproken bandbreedte te houden, moeten de centrale banken van de GCC-lidstaten hun eigen valuta verkopen (tegen dollars). 4. Een voorbeeld van een juist antwoord is: (1) Als de dollar in koers daalt, daalt ook de koers van de Omaanse valuta. (1) Daardoor daalt het prijspeil van de export uitgedrukt in een andere valuta dan de dollar en de Omaanse valuta. Correctiemodel opgave 2 1. Appreciatie. Uit de verklaring moet blijken dat (1) er sprake is van een stijging van de waarde van de yen in dollars (1) en dat interventies door de centrale bank duiden op (beperkt) zwevende koersvorming via de valutamarkt (2) 2. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een antwoord waaruit blijkt dat de koersstijging van de yen / koersdaling van de dollar is gestopt door het verkopen van yens tegen dollars. (2) 3. Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Op grond van de oproep verwachten speculanten een koersstijging van de yen ten opzichte van de dollar, hetgeen zal leiden tot een toename van (speculatieve) beleggingen in de yen en daarmee tot meer vraag naar de yen. De CB van Japan geeft gehoor aan de oproep en zal niet langer interveniëren om de koersstijging van de yen tegen te gaan. Correctiemodel opgave 3 5

6 (2) 1. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een antwoord waaruit blijkt dat indien de export groter is dan de import het saldo lopende rekening van China positief is, waardoor per saldo dollars naar China toestromen en de valutareserve toeneemt. Deze valutareserve wordt door de CCB belegd in Amerikaanse staatsobligaties. (2) 2. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een antwoord waaruit blijkt dat de aankoop van Amerikaanse staatsobligaties zorgt voor aanbod van yuan / vraag naar dollars, hetgeen de vraag naar yuan / aanbod van dollars als gevolg van het overschot op de lopende rekening compenseert. (2) 3. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een antwoord waaruit blijkt dat in dat geval de hoge vraag naar de yuan in combinatie met het lage aanbod ervan zal leiden tot een koersstijging van de yuan. Hierdoor zal de import toenemen en de export afnemen, waardoor per saldo de toestroom van valuta afneemt, zodat de valutareserve minder snel zal groeien / gelijk zal blijven. (2) 4. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een antwoord waaruit blijkt dat de verkoop van de staatsobligaties zal leiden tot een sterke toename van het aanbod van dollars, als China de ontvangen dollars op de wereldmarkt aanbiedt. Hierdoor zal, bij het ontbreken van een vaste koppeling, de koers van de dollar (ten opzichte van de yuan) dalen, hetgeen Chinese producten duurder maakt, waardoor de export (naar de VS) afneemt. Correctiemodel opgave 4 (2) 1. Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Een antwoord waaruit blijkt dat de importprijzen in eigen valuta stijgen, waardoor bij doorberekening in de verkoopprijzen de inflatie toeneemt. Een antwoord waaruit blijkt dat de exportprijzen in vreemde valuta dalen, hetgeen kan leiden tot een zodanige stijging van de export dat er door overbesteding inflatie kan ontstaan. (2) 2. Daling. Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Omdat het overgrote deel van die producten in dollars wordt gefactureerd (kolom 1) zal de (gemiddelde) verkoopprijs in euro s dalen (terwijl de kostprijs in euro s gelijk blijft). (2) 3. Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Omdat de VS op de binnenlandse markt van andere landen een groter marktaandeel heeft dan Nederland, kunnen de VS ook makkelijker eisen om in de eigen valuta betaald te worden. (2) 4. Een voorbeeld van een juist antwoord is: Nederland heeft ondanks een kleiner marktaandeel op de binnenlandse markt van andere landen toch een groter percentage in de eigen munt gefactureerde export. Dit kan wijzen op een sterkere concurrentiepositie 6

7 Modellen OPGAVE 1 Zoeken naar evenwicht Het gaat niet goed met de economie van Storland. De bezettingsgraad van de productiecapaciteit is gedaald tot 90% en de werkloosheid is gestegen. De overheid heeft een adviesbureau onderzoek laten doen naar een drietal maatregelen om de werkloosheid te bestrijden. Hierbij is gebruikgemaakt van het onderstaande vraagmodel van de economie van Storland. C = 0,8(Y B) + 12 C = particuliere consumptie B = 0,2Y 5 Y = nationaal inkomen I = 29,2 B = belastingontvangsten O = 52 I = particuliere investeringen E = 0,3G O = overheidsbestedingen G = Y E = export lopende rekening 100 Y* M = 0,5Y + 18 G = bezettingsgraad van de productiecapaciteit in % EV = C + I + O + E M Y* = nationaal inkomen bij volledig capaciteitsgebruik Y = EV M = import lopende rekening Y = W EV W = = effectieve vraag nationaal product Y* = A a apt A a = autonoom arbeidsaanbod in miljoenen personen apt = apt = 75 ap t = = arbeidsproductiviteit per persoon in duizenden geldeenheden A v = Y A v = arbeidsvraag in miljoenen personen apt A a = 4 A a = arbeidsaanbod in miljoenen personen U = A a A v U = werkloosheid in miljoenen personen - Alle grootheden luiden, tenzij anders aangegeven in miljarden geldeenheden. - De multiplier van de autonome overheidsbestedingen bedraagt 100/96. - De multiplier van de autonome belastingen bedraagt 5/6. - In de uitgangssituatie is sprake van evenwicht op de lopende rekening van de betalingsbalans. De onderzochte maatregelen om de werkloosheid te bestrijden zijn: 1 Verhoging van de autonome overheidsbestedingen met 6 mld. 2 Verlaging van de autonome belasting met 6 mld. 3 Verkorting van de werkweek met volledige herbezetting van de vrijgekomen uren door werklozen. De minister van Financiën is voorstander van maatregel 1, omdat deze maatregel een inverdieneffect van 1,25 miljard oplevert, hetgeen hoger is dan het inverdieneffect van maatregel 2. De minister van Arbeid is voorstander van maatregel 3. De minister van Financiën heeft kritiek op de mogelijke keuze voor maatregel 3. Het multipliereffect van de verhoging van de autonome overheidsbestedingen is groter dan dat van de verlaging van de autonome belastingen. 2p 1. Verklaar dit met behulp van de vergelijkingen van het model. 7

8 3p 2. Bereken met hoeveel procent de werkloosheid daalt bij het uitvoeren van maatregel 1. 2p 3. Laat met een berekening zien dat het inverdieneffect van maatregel 2 lager is dan dat van maatregel 1. De minister van Financiën stelt dat, gelet op het model, het werkgelegenheidseffect van deze maatregel tegenvalt, doordat als gevolg van deze maatregel de arbeidsproductiviteit daalt. 2p 4. Leg uit dat het werkgelegenheidseffect van maatregel 3 tegenvalt. Gebruik hierbij het model. Opgave 2 Sluitend stimuleren? De overheid in een land wil de werkloosheid terugdringen en tegelijkertijd een tekort op de overheidsbegroting vermijden. Het planbureau van dit land onderzoekt, met behulp van het onderstaande conjunctuurmodel, welke gevolgen het gelijktijdig verhogen van overheidsbestedingen en belastingen kan hebben voor de economie van dit land. (1) C = 0,8 (Y B) + 16 C = particuliere consumptie (2) B = 0,25Y + 20 B = belastingontvangsten (3) I = 0,2Oi + 27 I = particuliere investeringen (4) O = Oc + Oi O = overheidsbestedingen (5) Oc = 60 Oc = overheidsconsumptie (6) Oi = 40 Oi = overheidsinvesteringen (7) E = 131 E = export lopende rekening (8) M = 0,4Y + 10 M = import lopende rekening (9) EV = C + I + O + E M EV = effectieve vraag (10) W = EV W = nationaal product (11) Y = W Y = nationaal inkomen (12) Av = Y 50 Av = werkgelegenheid ( miljoen personen) Alle variabelen luiden in miljarden geldeenheden, tenzij anders vermeld. Aanvullende gegevens: in de uitgangssituatie geldt O = B; de multiplier van de autonome overheidsinvesteringen (Oi) bedraagt 1,5; de multiplier van de autonome belastingen bedraagt 1; het inkomen bij volledig gebruik van de productiecapaciteit bedraagt 350 miljard; de structurele werkloosheid bedraagt personen. De overheid stelt voor de autonome overheidsinvesteringen met 20 miljard te verhogen en tegelijkertijd de autonome belastingen met 16,7 miljard te verhogen. Randvoorwaarde bij dit voorstel is dat er geen tekort op de overheidsbegroting mag ontstaan. 2p 1. Bereken de omvang van de beroepsbevolking in dit land. 2p 2. Leg uit waardoor het multipliereffect van een verandering van de autonome belastingen kleiner is dan het multipliereffect van een verandering van de autonome overheidsinvesteringen. 8

9 2p 3. Verklaar het positieve verband tussen de overheidsinvesteringen en de particuliere investeringen. Het door de overheid voorgestelde beleid voldoet aan de gestelde randvoorwaarde dat er geen tekort op de overheidsbegroting mag ontstaan. 2p 4. Toon dit aan met een berekening. 2p 5. Leg uit, zonder een berekening te maken, waarom hetzelfde beleid niet had voldaan aan de randvoorwaarde als in plaats van de overheidsinvesteringen de overheidsconsumptie met 20 miljard zou worden verhoogd. Opgave 3 Keynesiaanse shocktherapie Na een periode van economische groei kan in een economie een neergang optreden. Zo n neergang is soms het gevolg van een externe schok. In zo n situatie kan de overheid ingrijpen en proberen de economie weer in goede banen te leiden. Aan de hand van onderstaand kortetermijnmodel kunnen de gevolgen van deze externe schok en het effect van overheidsbeleid worden geanalyseerd: C = c(y B) + Co C (Co) = (autonome) particuliere consumptie I = Io I (Io) = (autonome) particuliere investeringen O = Oo O (Oo) = (autonome) overheidsbestedingen B = by B = belastingontvangsten E = Eo E (Eo) = (autonome) export lopende rekening M = my M = import lopende rekening EV = C + I + O + E M EV = effectieve vraag Y = EV Y = nationaal inkomen Alle bedragen luiden in miljarden euro s. b c m = marginale belastingquote = marginale consumptiequote = marginale importquote In tabel 1 staan voor de exogene en endogene grootheden van het model de waarden in drie situaties: de oorspronkelijke situatie, vóór de externe schok; variant 1, de veranderde situatie na de schok zonder ingrijpen van de overheid; variant 2, de veranderde situatie na de schok met ingrijpen van de overheid. tabel 1 oorspronkelijk variant 1 variant 2 overige gegevens C De inkomensmultiplier van de c 0,8 0,75 0,75 autonome bestedingen bedraagt Co oorspronkelijk 1,18 (afgerond). b 0,3 0,3 0,3 In variant 1 en variant 2 Io bedraagt deze multiplier 1,13 Oo (afgerond). In de Eo oorspronkelijke situatie zijn de M belastingontvangsten even hoog als de overheidsbestedingen. In m 0,41 0,41 0,41 variant 1 en variant 2 is er sprake Y van een overheidstekort. 9

10 2p 1. Geef een verklaring voor de lagere marginale consumptiequote én een verklaring voor de lagere autonome particuliere investeringen bij variant 1 in vergelijking met de oorspronkelijke situatie. 2p 2. Geef een economische verklaring voor de lagere waarde van de inkomensmultiplier in variant 1 in vergelijking met de oorspronkelijke situatie. 1p 3. Toon aan dat in variant 1 het evenwichtsinkomen 452 is. Over variant 2 zegt de minister van Financiën: Ingrijpen door de overheid prima, maar dan wel met een zodanige verhoging van de overheidsbestedingen dat het overheidstekort niet groter wordt dan 20 miljard euro. 3p 4. Is de verhoging van de autonome overheidsbestedingen, zoals die uit tabel 1 is af te leiden voor variant 2, aanvaardbaar voor deze minister? Verklaar het antwoord met een berekening. In een commentaar op dit overzicht van drie situaties wordt gesteld dat het ingrijpen van de overheid op langere termijn ook remmend kan werken op verder herstel van de economie na de externe schok. 2p 5. Geef voor deze stelling een argument. 10

11 Antwoorden modellen OPGAVE 1 1. Een voorbeeld van een juist antwoord is: De verhoging van de autonome overheidsbestedingen werkt volledig door op EV en daarmee op Y, terwijl de verlaging van de autonome belastingen via C en dus voor 80% doorwerkt op EV en Y. 2. Voorbeelden van een juiste berekening zijn: (1) G = 90 E = 153 E = M 153 = 0,5Y + 18 Y = 270 U = = 0,4 75 (1) ΔO o = 6 ΔY = = 6,25 96 ΔA v = 6,25 = 0, (1) % verandering werkloosheid = 0, % = 21% 0,4 of (1) E = M Y = C + I + O Y = 0,8(Y 0,2 Y + 5) , Y = 270 U = = 0,4 75 (1) ΔO o = 6 ΔY = = 6,25 96 ΔA v = 6,25 = 0, (1) % verandering werkloosheid = 0, % = 21% 0,4 (2) 3. Een voorbeeld van een juiste berekening is: ΔY = 5 6 = 5 6 Het inverdieneffect is 0,2 5 = 1 (mld). (2) 4. Een voorbeeld van een juist antwoord is: De lagere arbeidsproductiviteit leidt tot een lagere maximale productie (Y*), zodat de bezettingsgraad (G) hoger wordt. Een hogere bezettingsgraad (G) leidt tot een lagere export (E) en daardoor tot een lager nationaal inkomen (Y) en een lagere vraag naar arbeid (A v ). 11

12 Opgave 2 (2) 1. Een voorbeeld van een juiste berekening is: Av bij volledige benutting van de productiecapaciteit: 350 miljard = beroepsbevolking: = (2) 2. Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Een antwoord waaruit blijkt dat een verlaging / verhoging van de autonome belastingen door het spaarlek een minder grote toename / afname van de effectieve vraag tot gevolg heeft dan een even grote verhoging / verlaging van de overheidsinvesteringen. Een antwoord waaruit blijkt dat een verhoging / verlaging van de overheidsinvesteringen een dubbel effect heeft op de omvang van de effectieve vraag, doordat een verhoging / verlaging van de overheidsinvesteringen ook leidt tot een verhoging / verlaging van de particuliere investeringen (vergelijking (3)). (2) 3. Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Door een toename van de overheidsinvesteringen verbetert de infrastructuur, waardoor bedrijven zelf ook eerder geneigd / genoodzaakt zijn te investeren. (2) 4. Een voorbeeld van een juiste berekening is: ΔY = (1,5 20) + ( 1 16,7) = 13,3 ΔO = 20 ΔB = 0,25 13,3 + 16,7 = 20,025 (2) 5. Uit het antwoord moet blijken dat het multipliereffect van een verhoging van de autonome overheidsconsumptie (Oc) kleiner is dan van de autonome overheidsinvesteringen (Oi), omdat een verhoging van Oc alleen direct (via EV) doorwerkt op Y maar een verhoging van Oi ook indirect (via I). Opgave 3 (2) 1. Voorbeelden van juiste verklaringen zijn: Een verklaring waaruit blijkt dat een groter deel van het extra inkomen gebruikt zal worden om te sparen (vanwege de toegenomen onzekerheid), zodat de marginale consumptiequote kleiner wordt (1p) Een verklaring waaruit blijkt dat de investeringen zullen teruglopen omdat de winstvooruitzichten minder worden (vanwege de verslechterende economische situatie) (1p) (2) 2. Uit de verklaring moet blijken dat in variant 1 de marginale consumptiequote lager is, waardoor een zelfde toevoeging aan het inkomen zal leiden tot een kleinere toevoeging aan de bestedingen, zodat de hierop volgende toevoeging aan het inkomen ook kleiner zal zijn. (1) 3. Een voorbeeld van een juiste berekening is: Y = 0,75 0,7Y ,41Y 0,885Y = 400 Y = 452 (afgerond op miljarden euro s) 12

13 (3) 4. nee (niet aanvaardbaar) Voorbeelden van een juiste berekening zijn: Een berekening waaruit blijkt dat: Y = 0,75 0,7Y ,41Y Y - 0,115Y = 423 0,885Y = 423 Y = 478 (afgerond), hetgeen betekent dat (O - B) = 170-0,3 478 = 26,6 Een berekening waaruit blijkt dat in vergelijking met variant 1 het evenwichtsinkomen stijgt met 1,13 (20 + 3) = 26 (afgerond) = 478, hetgeen betekent dat (O - B) = 170-0,3 478 = 26,6 Voor het juist berekenen van het evenwichtsinkomen in variant 2 (1p) Voor het juist berekenen van het overheidstekort in variant 2 (1p) Voor de juiste conclusie bij de gemaakte berekening (1p) (2) 5. Voorbeelden van een juist argument zijn: Een argument waaruit blijkt dat het (grotere) tekort van de overheid op termijn kan leiden tot belastingverhoging, hetgeen kan leiden tot aantasting van de particuliere bestedingen. Een argument waaruit blijkt dat het (grotere) tekort van de overheid kan leiden tot een grotere vraag op de kapitaalmarkt, hetgeen de (lange) rente kan opdrijven en daarmee de particuliere investeringen kan verminderen/verdringen. 13

14 Overheid, Welvaart, Markten Opgave 1 Een econoom, die de ontwikkeling van de overheidsfinanciën onderzoekt, merkt op: 1 De staatsschuldquote is in 2007, ondanks een financieringstekort in 2007, gedaald. 2 Bij ongewijzigd belastingbeleid zal de belastingdruk toenemen in een periode van hoogconjunctuur. 2p 1. Geef de verklaring voor de daling van de staatsschuldquote in p 2. Leg opmerking 2 van de econoom uit. Opgave 2 Griekse tragedie De overheidsbegrotingen van de lidstaten van de Economische en Monetaire Unie (EMU) staan onder Europees toezicht. Voor het financieringstekort en de staatsschuld gelden in het verdrag van Maastricht vastgelegde normen. Het financieringstekort mag niet hoger worden dan 3% van het bruto binnenlands product (bbp) terwijl voor de staatsschuldquote een maximale hoogte van 60% geldt. De onderliggende grootheden worden voor alle lidstaten op dezelfde manier vastgesteld. Als de groei van het bbp lager uitvalt dan verwacht werd bij het opstellen van de overheidsbegroting, kan het noodzakelijk worden te bezuinigen om te kunnen voldoen aan de normen. Een streng toezicht op het handhaven van de normen kan ongewenste gevolgen hebben. Om bezuinigingen te vermijden stellen sommige lidstaten hun cijfers gunstiger voor dan ze in werkelijkheid zijn. Ook zijn er lidstaten die maatregelen nemen die op korte termijn het overheidsinkomen vergroten, maar hiervoor op langere termijn schadelijk kunnen zijn. 2p 1. Geef een voorbeeld van zo n overheidsmaatregel. Licht het antwoord toe. Voor één van de deelnemende landen gelden de volgende gegevens financieringstekort (in % van het bbp) staatsschuld (per 31-12, in % van het bbp) 55 index bbp ,16 2p 2. Toon met een berekening aan dat dit land in 2006 nog aan de norm voor de staatsschuldquote voldoet. 2p 3. Geef een andere reden, dan het voldoen aan de EMU-normen, voor het bezuinigen op de overheidsuitgaven in een periode waarin de groei van het bbp lager uitvalt dan verwacht tijdens het opstellen van de overheidsbegroting. 14

15 OPGAVE 3 De belastingstructuur voor de 21e eeuw Een van de problemen voor Nederland in de 21e eeuw is de vergrijzing. Deze vergrijzing zal leiden tot een groter beroep op de overheidsuitgaven. Deze groeiende overheidsuitgaven kunnen gefinancierd worden door verhoging van de belastingdruk, maar dit heeft nadelen. Zo gaat een hogere belastingdruk gepaard met vermijdingsgedrag van belastingplichtigen en remt de economische activiteit. Een andere mogelijkheid die de overheid ziet om de vergrijzingslasten te financieren, is een verhoging van de arbeidsparticipatie. Deze verhoging wil de overheid realiseren door het aanpassen van de schijftarieven in box 1. Daarbij wordt het tarief van de eerste en van de derde schijf verlaagd, terwijl het tarief van de beide andere schijven gelijk blijft. Er ontstaat dan een optimale tariefstructuur. Deze structuur zorgt voor voldoende belastingopbrengst om de vergrijzingslasten te financieren en voor verhoging van de arbeidsparticipatie. In de tabel worden deze optimale belastingtarieven vergeleken met de huidige. In deze opgave laten we heffingskortingen en aftrekposten buiten beschouwing. schijf belastbaar inkomen (in euro) huidige tarief optimale tarief 1 0 tot en met % 29% tot en met % 41% tot en met % 35% en hoger 52% 52% 2p 1. Leg uit hoe verhoging van de belastingdruk in Nederland kan leiden tot vermijdingsgedrag van belastingplichtigen. 2p 2. Leg uit hoe de verlaging van het tarief van schijf 1 kan leiden tot een verlaging van de p/a-ratio (personen / arbeidsjaren). Een van de factoren die de optimale tariefstructuur bepalen, is de mate waarin het arbeidsaanbod verandert als gevolg van een verandering van het te betalen (marginale) belastingtarief. In Nederland blijkt het arbeidsaanbod van vrouwen sterker te reageren op een verandering van de tarieven dan het arbeidsaanbod van mannen. Om in de toekomst de hogere vergrijzingslasten te kunnen opbrengen, zal het nodig zijn dat met name in de groep middeninkomens ( tot en met ) de deelname aan betaald werk van vrouwen wordt vergroot. 2p 3. Leg uit waarom, gelet op de positie van vrouwen, specifiek een verlaging van het tarief in schijf 3 van belang is om in de toekomst de hogere vergrijzingslasten te kunnen financieren. 15

16 OPGAVE 4 Arbeidsmarkt in perspectief In onderstaande tabel staat een aantal gegevens over de arbeidsmarkt van een land verhouding beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking 0,61 0,68 0,74 verhouding personen / arbeidsjaar 1,12 1,15 1,19 Een arbeidsmarktdeskundige wijst erop dat de groei van de beroepsgeschikte bevolking de komende jaren tot stilstand komt. Maar ook de veranderde opvattingen over de verdeling betaald / onbetaald werk, hebben een negatieve invloed op de groei van het arbeidsaanbod. Als de arbeidsvraag wel blijft groeien, zal de arbeidsmarkt verder verkrappen met forse loonstijgingen tot gevolg. 2p 1. Beschrijf het effect op de ruimte op de arbeidsmarkt van de, in de tabel gegeven, ontwikkeling van de verhouding beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking. 2p 2. Leg uit op welke manier een veranderde maatschappelijke opvatting over de verdeling betaald / onbetaald werk een kleiner aanbod van arbeid veroorzaakt. Met behulp van onderstaand pijlenschema laat de arbeidsmarktdeskundige zowel het conjuncturele als het structurele effect van hogere lonen op de ruimte op de arbeidsmarkt zien. Een plus geeft een positief verband aan; een min een negatief verband. 2p 3. Is er in het schema sprake van breedte- of diepte-investeringen? Licht de keuze toe met behulp van de loonhoogte en de ruimte op de arbeidsmarkt. 2p 4. Leg uit wat bij (1) moet worden ingevuld om het conjuncturele effect van hogere lonen op de ruimte op de arbeidsmarkt weer te geven. In dit land zijn de loonkosten per eenheid product hoger dan in land P, terwijl het inflatiepercentage in beide landen gelijk is. 2p 5. Leg voor zowel A als voor B uit of er sprake is van een positief of van een negatief verband. 16

17 OPGAVE 5 a Beschrijf hoe het proces van vrije marktwerking op de arbeidsmarkt wordt beperkt door het instellen van een minimumloon. b Kies daarna of je voor afschaffing of voor handhaving van het wettelijk minimumloon bent en beargumenteer je keuze aan de hand van de gevolgen voor drie van de volgende acht aspecten van de Nederlandse economie. 1 personele inkomensverdeling 2 structurele werkloosheid 3 conjuncturele werkloosheid 4 internationale concurrentiepositie 5 deelname aan betaalde arbeid 6 informele sector 7 innovatie 8 scholingsgraad beroepsbevolking Opgave 6 De crisis te lijf De gevolgen van de financiële crisis van 2008 zijn in Nederland pas goed merkbaar in De bestedingen dalen en de productie en de werkgelegenheid nemen in hoog tempo af. De regering overweegt maatregelen te nemen. Twee van deze maatregelen staan in de onderstaande tabel. Maatregel A Invoering van een deeltijdwerkloosheidswet. B Verhoging van het fictieve inkomen uit eigen woning*) waarover woningeigenaren inkomstenbelasting betalen. Toelichting Een werkgever kan een werknemer tijdelijk en gedeeltelijk ontslaan. De werknemer krijgt ter compensatie van het lagere loon een uitkering van 70% van het verschil tussen het loon voor en na gedeeltelijk ontslag. Verhoging van het fictieve inkomen van 0,55% tot 2,35% van de waarde van de woning. Dit geldt voor woningen vanaf 0,8 miljoen voor het bedrag dat de woning meer waard is dan 0,8 miljoen. De gemiddelde waarde van deze woningen bedraagt 1,2 miljoen en er zijn van dit soort woningen. De marginale belastingquote van de eigenaren van deze woningen bedraagt 52%. *) Het door de belastingdienst vastgestelde bedrag dat de eigenaar van een woning bij zijn belastbaar inkomen moet optellen. In een praatprogramma discussiëren twee politici, mevrouw Oudens en meneer Wijn, over deze maatregelen. Mevrouw Oudens is tegen maatregel A, omdat deze maatregel de werking van de arbeidsmarkt verstoort. Verder heeft ze als kritiek dat maatregel B op dit moment procyclisch kan werken. Meneer Wijn is juist een voorstander van maatregel A, omdat hij bang is dat zonder deze maatregel bedrijven hun personeelsbestand zullen inkrimpen als gevolg van de dalende productie. Hij merkt over maatregel B op dat het procyclisch effect ervan niet erg groot zal zijn, vanwege de relatief hoge spaarquote van de door de maatregel getroffen woningeigenaren. 17

18 2p 1. Leg uit op welke manier maatregel A de mobiliteit op de arbeidsmarkt verstoort. 2p 2. Bereken de toename van de belastingopbrengst, indien maatregel B wordt uitgevoerd. 2p 3. Leg de kritiek van mevrouw Oudens op maatregel B uit. 2p 4. Is de door meneer Wijn bedoelde werkloosheid conjuncturele of structurele werkloosheid? Licht het antwoord toe. 2p 5. Leg de opmerking van meneer Wijn over maatregel B uit. Opgave 7 Sociale partners In de periode groeit de productie van een land en verkrapt de arbeidsmarkt. Door een krimpende economie in 2009 vermindert de krapte op de arbeidsmarkt. Een onderzoeksbureau voorspelt in 2008 nog een teruggang van de werkgelegenheid van 3,3% voor 2009, maar constateert in 2010 dat de werkgelegenheid feitelijk maar met 2,0% is gedaald. Volgens de onderzoekers is de verklaring dat vanwege de krapte op de arbeidsmarkt in de periode de werkgevers, ondanks de daling van de productie in 2009, toch hun werknemers willen behouden. Dit zal volgens de onderzoekers leiden tot een daling van de arbeidsproductiviteit. Bij hun onderzoek maken ze gebruik van de kerngegevens uit de volgende tabel. Kerngegevens prognose 2009 feitelijk Veranderingen t.o.v. voorafgaand jaar in % Bruto binnenlands product (reëel) 3,4 3,6 2,0 3,5 4,7 Arbeidsproductiviteit 1,7 1,4 0,9 0,3 Werkgelegenheid 1,7 2,1 1,2 3,3 2,0 Niveaus in % Arbeidsinkomensquote 77,8 78,5 80,1 84,5 Overige inkomensquote winstquote 22,2 13,8 21,5 15,2 19,9 14,5 2p 1. Noem een kerngegeven uit de tabel dat wijst op een verkrapping van de arbeidsmarkt in de periode Licht de keuze toe. 2p 2. Leg uit dat in dit land de overige inkomensquote kan dalen, terwijl de winstquote stijgt. 2p 3. Bereken de verandering van de arbeidsproductiviteit in 2009 (feitelijk). 15,5 9,5 18

19 OPGAVE 8 De CPI gewogen Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meet de inflatie in Nederland door middel van de consumentenprijsindex (CPI). De CPI wordt berekend met behulp van wegingsfactoren en partiële prijsindexcijfers, zoals in een sterk vereenvoudigde versie voor 2001 is weergegeven in tabel 1. In tabel 2 staan voor de jaren 2002, 2003 en 2004 de CPI en de indexcijfers voor het nominale inkomen van een gemiddeld huishouden. tabel 1 consumentenprijsindexcijfer 2001 (2000 = 100) uitgavengroep wegingsfactor prijsindexcijfer voeding, dranken, kleding en schoeisel 25,0 105,4 huisvesting, vervoer en communicatie 44,6 104,0 recreatie, cultuur en overige.. 103,4 totaal CPI 100,0.. tabel 2 (2000 = 100) CPI 107,6 110,7 113,0 nominaal inkomen gemiddeld huishouden 112,9 115,0 116,0 De CPI kan gezien worden als een benadering van een index van de kosten van het levensonderhoud. Dat de CPI geen exacte maat is voor de index van de kosten van het levensonderhoud, heeft onder andere te maken met het bestaan van een substitutie-effect en een kwaliteitseffect. Het substitutie-effect ontstaat doordat in geval van prijsstijging de consument overstapt op een relatief goedkoper product. Het kwaliteitseffect ontstaat doordat de prijzen van sommige goederen weinig stijgen terwijl de kwaliteit wel sterk verbetert. Computers en mobiele telefoons zijn voorbeelden van dergelijke goederen. Het CBS voert nu bij de berekening van de CPI aanpassingen uit die zo goed mogelijk corrigeren voor deze twee effecten. 2p 1. Bereken de CPI voor p 2. Bereken met hoeveel procent de koopkracht van een gemiddeld huishouden in 2003 verandert ten opzichte van p 3. Leg aan de hand van het kwaliteitseffect uit waarom inflatie op basis van een niet-gecorrigeerd CPI hoger zou uitvallen dan de werkelijke stijging van de kosten van levensonderhoud. Bij de bepaling van de CPI was het vóór 2005 gebruikelijk elke vijf jaar een nieuw budgetonderzoek uit te voeren en het basisjaar te verleggen. In 2005 spreekt het CBS het voornemen uit dit elk jaar te doen. 2p 4. Leg uit dat door een jaarlijks budgetonderzoek het minder noodzakelijk wordt de CPI te corrigeren voor het substitutie-effect. 19

20 Opgave 9 Blik in de toekomst Het Centraal Planbureau (CPB) heeft met behulp van verschillende scenario s onderzocht hoe de economische toekomst van Nederland er uit zou kunnen zien. De scenario s verschillen van elkaar op het gebied van internationale samenwerking en privatisering van delen van de collectieve sector. Internationale samenwerking heeft betrekking op het tot stand komen van vrij verkeer van producten en productiefactoren. Twee van deze scenario s luiden: scenario 1 (SC1) Hierbij wordt uitgegaan van een geringe mate van internationale samenwerking en van het uitblijven van privatisering van delen van de collectieve sector. scenario 2 (SC2) Hierbij wordt uitgegaan van een hoge mate van internationale samenwerking en van privatisering van delen van de collectieve sector. In de onderstaande tabel en figuren wordt een aantal verschillen weergegeven die in de toekomst kunnen optreden bij de twee scenario s. macro-economische kengetallen in 2040 (2001 = 100) scenario 1 scenario 2 arbeidsproductiviteit (AP) bruto binnenlands product (bbp) bbp per hoofd van de bevolking beroepsbevolking (personen) collectieve uitgavenquote p 1. Geef, op basis van de tabel, een verklaring voor het verband tussen de ontwikkeling van de collectieve uitgavenquote en de daaruit voortvloeiende ontwikkeling van de beroepsbevolking. 2p 2. Zal het werkloosheidspercentage bij het scenario 1 in 2040 hoger of lager zijn dan in 2001? Verklaar het antwoord met behulp van een berekening van het indexcijfer van de werkgelegenheid. 2p 3. Geef een verklaring voor het verband dat blijkt uit figuur 1. 2p 4. Geef een verklaring voor het verband dat blijkt uit figuur 2. 20

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Opgave 1 Grenzeloze industrie In een lidstaat van de Europese Unie (EU) is in 2004 onderzoek gedaan naar het verplaatsen van een deel van de industriële productie naar lagelonenlanden. Deze verplaatsing

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2011 - I

Eindexamen economie vwo 2011 - I Opgave 1 Afscheid van ontslagbescherming? In een Europees land genieten werknemers een hoge mate van ontslagbescherming. Een politieke partij vindt de ontslagprocedure langdurig, ingewikkeld en duur en

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 22 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 22 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2011 tijdvak 2 woensdag 22 juni 13.30-16.30 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 61 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2009 tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.30 uur economie 1,2 Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 maandag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VWO 28 tijdvak 1 maandag 26 mei 13.3-16.3 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 woensdag 27 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VWO. economie 1,2. tijdvak 1 woensdag 27 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VWO 2009 tijdvak 1 woensdag 27 mei 13.30-16.30 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2

Examen VWO. economie 1,2 economie 1,2 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 30 mei 13.30 16.30 uur 20 05 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 26 vragen. Voor

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2013 tijdvak 2 woensdag 19 juni 13.30-16.30 uur economie Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie havo 2011 - I

Eindexamen economie havo 2011 - I Opgave 1 AWBZ-zorgen Havo-leerling Dick besluit voor economie een profielwerkstuk te maken over de stijgende uitgaven van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Hieronder staan drie delen van

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2012 2 tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.30 uur economie Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 61 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl)

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen; het examen bestaat

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2008-II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 1 (primaire) inkomensrekening 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De nieuwe productie-eenheid trekt ook toeleveringsbedrijven aan die zorgen

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 1 vrijdag 16 mei 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 1 vrijdag 16 mei 13.30-16.30 uur Examen VWO 2014 tijdvak 1 vrijdag 16 mei 13.30-16.30 uur oud programma economie Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II

Eindexamen economie 1 vwo 2004-II Opgave 1 Stoppen met roken!? In een land betalen rokers bij de aanschaf van tabaksproducten een flink bedrag aan indirecte belasting (tabaksbelasting)*. Dat vinden veel mensen terecht omdat de overheid

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.30 uur Examen VWO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.30 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Opgave 1 Sinds 1 juni 1998 maakt De Nederlandsche Bank (DNB) samen met de centrale banken van andere

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2011 tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Examen VWO. Economische wetenschappen I en recht

Examen VWO. Economische wetenschappen I en recht Economische wetenschappen I en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 24 mei 13.30 16.30 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 32 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2

Examen VWO. economie 1,2 economie 1,2 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 24 mei 13.30 16.30 uur 20 06 Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen; het examen bestaat uit 25 vragen. Voor

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja De prijselasticiteit

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1. tijdvak 1 vrijdag 25 mei 13.30-16.30 uur

Examen VWO. economie 1. tijdvak 1 vrijdag 25 mei 13.30-16.30 uur Examen VWO 2007 tijdvak 1 vrijdag 25 mei 13.30-16.30 uur economie 1 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten met een

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2004-I

Eindexamen economie 1 vwo 2004-I Opgave 1 Dollarisering in Latijns Amerika In veel landen in Latijns Amerika circuleert naast de eigen valuta de Amerikaanse dollar. De dollar is door de jaren heen in dit deel van de wereld de meest stabiele

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 18 juni 13.30-16.30 uur 20 03 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Het internationale economisch verkeer

Het internationale economisch verkeer Hoofdstuk 2 Het internationale economisch verkeer 2.29 2.30 2.31 2.32 2.33 2.34 2.35 2.36 D D C D A D C D 2.37 a. Als Aland zich specialiseert in dat product waarin het relatief goed is, kan het door internationale

Nadere informatie

Examen VWO. Economische wetenschappen 1 en recht

Examen VWO. Economische wetenschappen 1 en recht Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 33 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 29 mei 13.3 16.3 uur 2 2 Voor dit examen zijn maximaal 62 punten te behalen; het examen bestaat uit 31 vragen.

Nadere informatie

Correctievoorschrift VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Correctievoorschrift VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Correctievoorschrift VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs 20 03 Tijdvak 2 Inzenden scores Vul de scores van de alfabetisch eerste vijf kandidaten per school in op de optisch

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1 vwo 2005-II Opgave 1 Quartaire sector onder vuur In de periode 1998-2001 steeg de arbeidsproductiviteit in de Nederlandse economie. Die productiviteitsstijging was niet in iedere sector even groot, zoals blijkt uit

Nadere informatie

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang:

Voor de beoordeling zijn de volgende passages van de artikelen 41, 41a en 42 van het Eindexamenbesluit van belang: economie 1 Correctievoorschrift VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs 20 06 Tijdvak 1 Het correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2009 tijdvak 2 woensdag 24 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl)

Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Economie 1,2 (nieuwe stijl) en economische wetenschappen I en recht (oude stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen; het examen bestaat

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Opgave 1 Arbeidsmarkt in beweging De overheid wil de sociale zekerheid betaalbaar houden door de verhouding tussen het aantal inactieven en het aantal actieven, de i/a-ratio, te verlagen. De overheid wil

Nadere informatie

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie 1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2007 tijdvak 2 woensdag 20 juni 13.30-16.00 uur economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen. Voor elk

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen

Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen Voorbeeldcasussen workshop DELFI-tool t.b.v. de LWEO Conferentie 2016. Auteurs: Íde Kearney en Robert Vermeulen De voorbeelden in de casussen zijn verzonnen door de auteurs en komen niet noodzakelijkerwijs

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II

Eindexamen economie pilot vwo 2011 - II Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Examen VWO. economie 1,2

Examen VWO. economie 1,2 economie 1,2 Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 06 Voor dit examen zijn maximaal 58 punten te behalen; het examen bestaat uit 26 vragen. Voor

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 1 dinsdag 25 mei 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 26 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 56

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

Examen VWO. tijdvak 1 donderdag 27 mei 13.30-16.30 uur

Examen VWO. tijdvak 1 donderdag 27 mei 13.30-16.30 uur Examen VWO 21 tijdvak 1 donderdag 27 mei 13.3-16.3 uur oud programma economie 1 Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 59 punten te behalen. Voor elk vraagnummer staat hoeveel

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie

: Macro-economie voor Bedrijfseconomie TENTAMEN inclusief antwoorden Vaknaam : Macro-economie voor Bedrijfseconomie Vakcode : 330091 Datum tentamen : donderdag 16 mei 2013 Duur tentamen : 3 uur Docent : Dr. B.J.A.M. van Groezen ANR : 649627

Nadere informatie