Eerste Kamer der Staten-Generaal

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Eerste Kamer der Staten-Generaal"

Transcriptie

1 Eerste Kamer der Staten-Generaal Zitting Nr. 88h V Beleidsdebat over het onderdeel Ontwikkelingssamenwerking van het Departement van Buitenlandse Zaken MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 15 april De vraag is voorgelegd aan de Minister, belast met Nederlands-Antilliaanse Zaken. Het antwoord zal later worden toegezonden. 2 Uitgangspunt is dat de ontwikkelingssamenwerking met Suriname zal worden gecontinueerd zolang Suriname de verdragsverplichtingen nakomt (hetgeen momenteel nog steeds het geval is). Heroverweging van de relaties met Suriname op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking is echter denkbaar, indien bij voorbeeld in Suriname ernstige en structurele schendingen van de mensenrechten plaatsvinden (hetgeen momenteel gelukkig niet het geval is). 3 Er is sprake van een stagnerende dialoog. Vele Westerse landen richten zich primair op interne sociaal-economische problemen en hebben daardoor minder aandacht voor de grote problemen der ontwikkelingslanden. Een vertragende factor is daarnaast de tijd die gemoeid is met het vorm krijgen van het Noord-Zuidbeleid van de nieuwe Amerikaanse administratie. Ten slotte is aan de kant van de OPEC-landen slechts geringe bereidheid te bespeuren om de zo cruciale olieproblematiek in de dialoog ter discussie te stellen. Tegelijkertijd zijn Westerse landen nauwelijks bereid om hun relatief machtige positie op monetair terrein tot inzet van onderhandelingen te maken. Tegen deze achtergrond is het nog niet gelukt om de voorbereidingen van de Nieuwe Ronde van Globale Onderhandelingen, de meest omvattende uiting van de huidige Noord-Zuiddialoog, tot een succesvol einde te brengen. Voor wat betreft de ontwikkelingsstrategie voor het derde ontwikkelingsdecennium (DD III), kan worden opgemerkt dat de tekst daarvan op 5 december 1980 door de Algemene Vergadering werd aanvaard. De uiteindelijke tekst werd reeds eerder aan de vaste commissie toegezonden. Door verschillende landen zijn bij de aanvaarding evenwel een aantal belangrijke reserves of interpretatieve verklaringen uitgesproken. a. Zoals bekend is de Mexicotop een uitwerking van één van de suggesties uit het rapport van de commissie-brandt «A programme for survival». 7 vel Eerste Kamer, zitting , V, nr. 88h 1

2 Het initiatief tot de feitelijke organisatie van deze bijeenkomst is uitgegaan van de Mexicaanse President Lopez-Portillo en de Oostenrijkse Bondskanselier Kreisky. Ter voorbereiding van de top hebben inmiddels in Wenen twee bijeenkomsten op het niveau van Ministers van Buitenlandse Zaken plaatsgevonden, waarvan de laatste op 13 maart Aan deze bijeenkomsten die onder voorzitterschap stonden van Bondskanselier Kreisky, werd deelgenomen door Algerije, Canada, Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, India, Mexico, Nigeria, Oostenrijk, Tanzania, Joegoslavië en Zweden. Besloten werd dat de top, aanvankelijk voorzien voor medio juni 1981, zal plaatsvinden op 22 en 23 oktober Op 1 en 2 augustus 1981 zal in Mexico nog een derde voorbereidende bijeenkomst worden gehouden, waarvoor alle aan de top deelnemende landen zullen worden uitgenodigd. b. In principe zullen Uitnodigingen worden verzonden aan de staats- of regeringsleiders van Algerije, Bangladesh, Brazilië, Canada, China, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Guyana, India, Ivoorkust, Japan, Joegoslavië, Mexico, Nigeria, Oostenrijk, Philippijnen, Saoedie-Arabië, Tanzania, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Venezuela en Zweden. Van deze landen staat inmiddels ook vast dat zij een uitnodiging zullen aanvaarden. Voorts zal aan de Sovjet-Unie, waarvan tot dusverre geen reactie op het initiatief werd verkregen, kenbaar worden gemaakt dat haar deelname op hoge prijs zal worden gesteld. Hoewel het er enige tijd naar uit heeft gezien dat Nederland wellicht aan de lijst van deelnemers zou worden toegevoegd (waarvoor door Nederland uitdrukkelijk belangstelling is getoond), is daarvan uiteindelijk afgezien en is vastgehouden aan het oorspronkelijk voorziene beperkt aantal landen. Deelname van Nederland zou deelname van verschillende andere landen uit Noord en Zuid hebben geïmpliceerd. c. Een vaste agenda is tot dusverre niet opgesteld. Binnen het brede kader van samenwerking tussen Noord en Zuid en ontwikkelingsproblematiek zullen de voornaamste te behandelen onderwerpen evenwel bestaan uit voedsel en landbouw, energie (mede in relatie tot kwesties betreffende milieu, bevolking en urbanisatie), en financiële en monetaire vraagstukken. Een nadere uitwerking zal zo nodig plaatsvinden tijdens het voortgezette voorbereidende overleg op 1 en 2 augustus d. en e. De bijeenkomst heeft niet het karakter van een onderhandelingsconferentie en er zullen dan ook geen bindende afspraken worden gemaakt. Zij is eerder gericht op een algemene politieke gedachtenwisseling tussen een beperkt aantal belangrijke politieke leiders, van wie invloed op de dialoog tussen Noord en Zuid kan worden verwacht of van wie (gezien de betekenis van het land dat zij vertegenwoordigen) grotere betrokkenheid bij deze dialoog wenselijk wordt geacht. Het gesprek zou moeten leiden tot een groter besef en beter begrip van de nauwe verwevenheid tussen de landen van Noord en Zuid en de implicaties die deze zgn. interdependentie met zich meebrengt. Juist in een tijd van mondiale recessie en stagnerende dialoog is dat van het grootste belang. Hoewel de Mexicotop geen formele band heeft met de Nieuwe Ronde van Globale Onderhandelingen (NRGN) kan een positief verloop een gunstige invloed hebben op deze NRGN (of op de voorbereidingen daarvan), alsook op onderhandelingen in andere fora. 4 De voorbereidingen van de Nieuwe Ronde van Globale Onderhandelingen (NRGN) zijn op dit moment nog niet afgerond. Na het uitblijven van overeenstemming tijdens de 11de Speciale Zitting van de Verenigde Naties (waarvoor verwezen wordt naar de aan de Kamer toegezonden verslaggeving) is tijdens de daaropvolgende 35ste, reguliere, zitting van de Algemene Vergadering tevergeefs getracht tot een compromis te komen, al zijn de onderhandelende partijen op vele punten (met name voor wat betreft de agenda van de NRGN) dichter tot elkaar gekomen. Een belangrijke rol om een compro- Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 2

3 mis tot stand te brengen wordt vervuld door de President van de 35ste Algemene Vergadering, de heer Von Wechmar. Deze heeft op 14 december 1980 nieuwe tekstvoorstellen voor de procedures en de agenda voor de NRGN opgesteld waarover hij zowel collectief als met individuele landen consultaties voert. De tekst van deze voorstellen is als bijlage toegevoegd. Voor wat betreft de procedure is het belangrijkste probleem het - door de meeste westelijke landen gewenste - voorzien in een adequate bescherming van de competentie van gespecialiseerde organisaties als het IMF en het GATT. Voor wat betreft de agenda doen de voornaamste moeilijkheden zich voor op de terreinen energie en financieel-monetaire zaken, waar enerzijds de OPEC-landen, anderzijds een aantal westelijke landen grote terughoudendheid in het bespreekbaar maken van cruciale problemen laten zien. Het is moeilijk te voorspellen of de geïntegreerde aanpak van urgente mondiale economische problemen, zoals die met de NRGN wordt beoogd, uitzicht biedt op bevredigende resultaten. Het besef groeit evenwel dat vele van deze problemen (zeker geldt dat voor energie en financieel-monetaire zaken) nauw met elkaar verbonden zijn en slechts in relatie met elkaar op voor alle landen aanvaardbare wijze kunnen worden opgelost. Een oplossing is niet onmogelijk, maar vereist de nodige politieke bereidheid van de deelnemende landen en het bewustzijn dat verder uitstel van een dergelijke oplossing voor alle landen, en zeker voor de armere ontwikkelingslanden, uiteindelijk catastrofale gevolgen met zich mee kan brengen. Van deze bereidheid is in het huidige internationale politieke en economische klimaat helaas in geringe mate sprake. Vandaar ook het belang dat aan de onder vraag 3 vermelde Mexicotop moet worden gehecht. 5 De omvang van ontwikkelingshulp dient in de allereerst plaats te worden afgestemd op de omvang van de problematiek van de Derde Wereld. De aanhoudend sterke groei van het aantal arme mensen in de wereld, dat het moet stellen zonder mogelijkheden om in een aantal elementaire levensbehoeften te kunnen voorzien en de toename van de financiële problemen van een groot aantal ontwikkelingslanden maken duidelijk dat in de achter ons liggende periode de omvang van de problematiek in de Derde Wereld niet af-, maar is toegenomen. Ook wat betreft de verwachtingen voor de toekomst dienen zich weinig lichtpunten aan en zelfs bij zeer optimistische veronderstellingen over de wereldeconomie lijkt de situatie in de Derde Wereld niet op korte termijn fundamenteel te verbeteren. Ook in de nabije toekomst zal derhalve een ruimhartig bepaalde omvang van de hulp noodzakelijk blijven. Dit geldt te meer gegeven de onzekere vooruitzichten van het hulpvolume zoals dat door de Westerse landen in de toekomst naar verwachting ter beschikking zal worden gesteld. Twee van de grootste donors i.c. de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk heben bezuinigingsmaatregelen aangekondigd. Daartegenover staat dat van landen als Canada, Finland, Frankrijk, Italië, Japan, Oostenrijk en Zwitserland het hulpvolume als percentage van het Bruto Nationaal Produkt naar verwachting zal toenemen. Met uitzondering van Canada en Frankrijk betreft dit echter landen met relatief kleine hulpprogramma's die nog ver beneden het gemiddelde liggen zoals dat door de Westerse landen in het verleden werd gerealiseerd. Ondanks de ook door tweede ondergetekende niet onderschatte nationale economische problemen, is naar zijn mening de capaciteit van de Nederlandse economie om een ruimhartige hulpomvang te kunnen opbrengen niet aangetast. Primair zullen de belangen van ontwikkelingslanden met de Nederlandse hulpinspanning moeten worden gediend. Aan een ruimhartig hulpbeleid zijn echter ook positieve gevolgen voor de Nederlandse economie verbonden. Bij het bepalen van de prioriteit voor ontwikkelingssamenwerking zal ook dit laatste een rol kunnen spelen. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 3

4 Het vaststellen van omvang van en prioriteit voor ontwikkelingssamenwerking in de nabije toekomst zal een taak worden van het nieuwe kabinet dat na 26 mei zal optreden. De richting, die verkiezingsprogramma's van de Nederlandse politieke partijen voor zover bekend aanduiden, sterkt tweede ondergetekende in het vertrouwen dat het mogelijk is het beleid zoals dat tot nu toe gevoerd is in de toekomst voort te zetten. 6 Hoewel in persberichten veelvuldig wordt gespeculeerd over gewijzigde Amerikaanse opvattingen met betrekking tot het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en ook uitspraken van individuele Amerikaanse bewindslieden daar wellicht aanleiding toe geven, zij in dit stadium benadrukt dat de beleidsbepaling in Washington ten aanzien van de Noord-Zuidbetrekkingen nog niet is afgerond. Onder die omstandigheden geeft tweede ondergetekende er de voorkeur aan met beoordeling van het beleid te wachten tot de Amerikaanse regering haar beleid ten aanzien van de Noord-Zuidrelatie heeft bepaald. Een van de zaken die echter nu reeds opvalt en zou kunnen duiden op gewijzigde Amerikaanse opvattingen met betrekking tot het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, is de voorgenomen sterk gereduceerde omvang van het totale hulpvolume en specifiek van de allocaties aan de multilaterale instellingen. Dit betekent voor een aantal multilaterale instellingen dat er een sterke rem op de groei van hun beschikbare middelen zal optreden. Bovendien is het zeer wel mogelijk dat deze reducties in het Congres in versterkte vorm zullen worden overgenomen tijdens het proces van appropriation en authorization. Voor een deel zijn deze reducties in de Amerikaanse multilaterale hulp terug te voeren op een relatief grotere nadruk op bilaterale hulp gebaseerd op commerciële en veiligheidsoverwegingen. De nieuwe VS-administratie heeft na een geslaagde démarche van de Nederlandse Ambassadeur te Washington namens de Europese Gemeenschap, besloten haar eerder beleidsvoornemen de bijdrage aan de zesde middelenaanvulling van IDA met de helft te verlagen, niet uit te voeren. Wel stelt de regering-reagan zich voor in de jaren 1981 en 1982 belangrijk minder bij te dragen dan aanvankelijk was afgesproken. Dit verschil zal vervolgens aan de bijdrage voor 1983 worden toegevoegd. In 1983 zal circa 54% van de VS-bijdrage ad 3,24 mld. moeten worden betaald. Het vertragen van de beschikbaarheid van de VS-bijdrage zal in bepaalde periodes leiden tot een vertraging in de ondertekening van nieuwe kredietovereenkomsten. Tijdens een IDA-VI Deputies vergadering op 30 en 31 maart jl. te Parijs zijn de mogelijke consequenties voor de andere donorlanden aan de orde geweest. Daar is besloten met eventuele acties te wachten totdat de VS conform de verwachting in juli a.s. het IDA-VI wetsontwerp zal hebben geratificeerd. Aan de donorlanden die nog geen (volledige) bijdrage hebben geleverd aan de vooruitbetaling van de eerste termijn van de zesde middelenaanvulling, wordt intussen wel verzocht dit alsnog te doen. Daarmee wordt het mogelijke nadeel voor de continuïteit van IDA geminimaliseerd. Zodra een voor het in werking treden van IDA-VI voldoende aantal landen, waaronder de VS, het betreffende wetsontwerp zal hebben goedgekeurd, zullen de Deputies opnieuw bijeenkomen om zich te beraden over de dan te nemen maatregelen (naar verwachting zal deze vergadering in juli a.s. plaatsvinden). Uitgangspunt daarbij zal zijn dat de belangen van IDA, en daarmee van de armste ontwikkelingslanden, zo weinig mogelijk zullen worden geschaad door de Amerikaanse houding. 7 De OPEC-landen besteedden in % van hun totale ODA aan multilaterale ontwikkelingsfondsen, waarvan 10 procentpunt aan Arabische OPECinstellingen. (Bron: Development cooperation; efforts and policies of the members of the Development Assistance Committee; OESO, Parijs 1980, blz. 127). Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h

5 De bijdragen van de EG-lid-staten aan multilaterale ontwikkelingsfondsen uitgedrukt als het gemiddelde percentage van de totale ODA over de jaren zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tussen haakjes zijn vermeld de percentages inclusief de bijdragen aan de EG. België 26,3 (36,3) Denemarken 39,6 (44,4) Duitsland 26,3 (34,7) Frankrijk 9,2 (16,1) Griekenland ï Groot-Brittanniè en Nr. Ierland 33,3 (42,8) Ierland 39,0 (66,5) Italië 57,0 (93,1) Luxemburg 1 Nederland 26,5 (29,3) Bron: Development Cooperation; efforts and policies of the members of the Development Assistance Committee; OESO, Parijs 1980, blz Cijfers niet beschikbaar. 8 Het externe toezicht op de besteding van de fondsen van de multilaterale financieringsinstituten wordt uitgeoefend door de raad van bewindvoerders. De raad bespreekt ieder projectvoorstel dat voor een lening in aanmerking komt. Deze procedure bevordert een gedegen projectvoorbereiding. Voorts kennen de meeste multilaterale financieringsinstellingen tijdens de uitvoering van ieder project een zesmaandelijks bezoek van een supervisiemissie. De Wereldbankgroep, de Aziatische Ontwikkelingsbankgroep, de lnter-amerikaanse Ontwikkelingsbankgroep en IFAD hebben bovendien een systeem doorgevoerd van postevaluatiestudies, die in vrijwel alle gevallen in de raad van bewindvoerders worden besproken. Tot slot is er de normale accountantscontrole. Op de bestedingen van de VN-fondsen bestaat toezicht enerzijds door de interne raad van accountants van de VN wiens rapporten tijdens de Algemene Vergadering der VN worden behandeld en anderzijds door overlegging van bestedingsoverzichten door de betrokken instelling aan de donorlanden individueel wanneer het multi-bi-hulp betreft (dat wil zeggen bilaterale hulp via een multilaterale instelling). Voorts wordt in de diverse beheerslichamen in het systeem der VN-instellingen uitgebreid aandacht besteed aan de besteding van de financiële middelen van deze instellingen. Met name geschiedt dit tot in detail in de beheersraad van het ontwikkelingsprogramma der VN (UNDP) en de Uitvoerende Raad van UNICEF. 9 De Nederlandse Regering stelt geen specifieke voorwaarden met betrekking tot controle op en evaluatie van de aanwending van de middelen van de betrokken instellingen. Wel vindt voortdurende evaluatie plaats van de doelmatigheid van de bestedingen in het kader van de normale beleidsvoering via de participatie in de respectieve beheersraden en via onze vertegenwoordigingen bij de betrokken organisaties, terwijl ook de Nederlandse ambassades, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, een groeiende rol vervullen. In het najaar van 1980 werd in dit kadereen evaluatie uitgevoerd van eenaantal multilaterale fondsen (te weten het UNDP, UNCDF, UNICEF, UNF- PAen WFP). 10 Tal van niet-olieprocucerende ontwikkelingslanden, met name de armste onder hen, ondervinden ernstige problemen bij de financiering van hun betalingsbalanstekorten en hun ontwikkelingsproces. Van een financiële noodtoestand die iedere ontwikkeling van die landen onmogelijk zou maken kan naar het oordeel van de Regering nog niet gesproken worden, al is de situatie wel uitermate ernstig te noemen. Eerste Kamer, zitting ,16 400V, nr. 88h 5

6 De Regering doet al het mogelijke om een duurzame oplossing van ditfinancieringsvraagstuk dichterbij te brengen. De dialoog tussen de EG-lid-staten over de met de financieringsproblematiek verband houdende internationale vraagstukken, blijft onder Nederlands voorzitterschap de volle aandacht behouden. Het overleg dient in belangrijke mate ter voorbereiding van (internationaal) overleg in andere fora, waaronder de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Bretton-Woodsinstellingen, de speciale Conferentie van de Verenigde Naties voor de Minst Ontwikkelde landen, enz. Binnen de Gemeenschap wordt ruime aandacht besteed aan de coördinatie van standpunten gericht op een actieve opstelling ter oplossing van deze vraagstukken. Dergelijk overleg vindt bij voorbeeld plaats in de ECOFIN (De Raad van de Ministers van Economische Zaken en Financiën). In dit verband zij overigens opgemerkt dat de Europese Gemeenschap niet tot taak heeft ten behoeve van de niet-lidstaten de activiteiten van de Bretton-Woodsinstellingen op het terrein van de betalingsbalansfinanciering te dupliceren. 11 Zoals uit de nota «EG-beleid en Ontwikkelingssamenwerking», hoofdstuk III paragraaf 1, moge blijken is tweede ondergetekende inderdaad van mening dat er een relatie bestaat tussen het gemeenschappelijke landbouwbeleid en de positie van de ontwikkelingslanden, omdat het EG-landbouwbeleid invloed heeft op de wereldmarktverhoudingen. De Europese Commissie werkt op dit moment naar aanleiding van de resolutie van het Europese Parlement over «honger in de wereld» aan een studie inzake de effecten van het gemeenschappelijke landbouwbeleid op de internationale handel in voedingsmiddelen en inzake de gevolgen van landbouwexporten van de Gemeenschap voor de wereldmarkten en voor de ontwikkelingslanden. Voor de verdere besprekingen over de problematiek van de «honger in de wereld» in de Raad van Ministers voor Ontwikkelingssamenwerking zal deze studie een nuttige leidraad kunnen zijn. Bij het optreden binnen de Europese Gemeenschap als Voorzitter van de Raad van Ministers zal tweede ondergetekende zich ervoor inzetten dat aan de invalshoek van de ontwikkelingssamenwerking een groter gewicht gehecht gaat worden en dat er een duidelijke coördinatie tot stand komt tussen het landbouw- en het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Nederland heeft zich bovendien op het standpunt gesteld, dat de Commissie bij het doen van haar voorstellen tot wijziging van het landbouwbeleid aan de problemen van de Derde Wereld de nodige aandacht moet schenken. 12 Al moet Nederland in EG-verband inderdaad steeds met negen andere lidstaten ten aanzien van het te voeren beleid tot overeenstemming komen, hetgeen onvermijdelijk tot een proces van geven en nemen aanleiding geeft, kan toch wel gesteld worden, dat Nederland op het onderhavige terrein een wezenlijke inbreng heeft. Verwezen moge hier worden naarde nota «EG-beleid en Ontwikkelingssamenwerking» en naar het op basis daarvan opgestelde werkdocument, waarmee Nederland een concrete bijdrage aan de discussie over ontwikkelingssamenwerking in EG-kader heeft willen leveren. Van de ene kant kan het streven naar EG-samenwerking op ontwikkelingssamenwerkingsgebied uiteraard soms de noodzaak van compromissen impliceren ten aanzien van na te streven doelstellingen. Elke lid-staat moet hier bij tijd en wijle de ruimte voor geven. Van de andere kant kunnen in samenwerking de gemeenschappelijke doelstellingen met veel meer kracht worden nagestreefd: Nederland werkt in EG-verband mee aan een ontwikkelingssamenwerkingsprogramma dat veel omvangrijker is dan hetgeen het ooit bilateraal op touw zou kunnen zetten. De fundamentele doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid blijven daarbij overigens onaangetast. Verdere beleidscommunautarisering geschiedt op basis van overeenstemming over de uitgangspunten van het te voeren beleid. Ook de prioriteitstelling ten aanzien van de vraag aan wie en hoe de ontwikkelingshulp gegeven dient te worden moet in dat verband aan de orde komen. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr.88h 6

7 13 Het Multi Vezel Accoord is een overeenkomst tussen een aantal importerende en exporterende landen, die onder meer tot doel heeft de internationale handel in tectielprodukten ordelijk te laten verlopen. In dit verband zijn als uitvloeisel van het MVA Bilaterale Accoorden gesloten tussen een groot aantal importerende landen en exporterende landen. Inderdaad wordt in deze akkoorden de invoer uitsluitend vanuit ontwikkelingslanden en enkele staatshandellanden gereguleerd, resp. beperkt voor zover deze invoer zou leiden tot (dreigende) marktverstoring bij een onbelemmerde toegang. De invoer uit geïndustrialiseerde landen is niet aan beperkingen onderhevig afgezien uiteraard van de mogelijkheid om krachtens de desbetreffende bepalingen van GATT (bij voorbeeld vrijwaring, anti-dumping) actie te ondernemen. Daarnaast heeft een aantal minder ontwikkelde landen (met name MZ-landen) op grond van hun preferentiële relatie met de EG kunnen profiteren van een ruimere groei van hun export van kleding en textiel naar de EG dan de MVA-landen. Verlenging van het huidige MVA lijkt ook vanuit ontwikkelingsperspectief het minste van twee kwaden, omdat enkele grote importerende landen reeds te kennen hebben gegeven, bij een niet-verlenging over te gaan tot het eenzijdig beperken van textielinvoer uit ontwikkelingslanden. Een verlenging van het MVA houdt de weg van overleg tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden open. Met de aanpassing op onderdelen van het «MVA», doelt de nota «EG-beleid en Ontwikkelingssamenwerking» op enkele hoofdlijnen waarlangs Nederland in EG-verband zal opereren bij de onderhandelingen over een «hernieuwd MVA» (huidige akkoord loopt eind 1981 af). Hierbij zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de differentiatie in het handelsbeleid ten aanzien van textielinvoer uit ontwikkelingslanden. Deze aandacht sluit aan bij het gestelde in de motie-aarts c.s. ( XIII, nr. 27) van 20 oktober Overigens is de laatste tijd een duidelijke ongerustheid waar te nemen bij een aantal EG-lid-staten over de invoer van kleding en textiel uit de z.g. preferentiële partnerlanden en uit de ontwikkelde landen met name door de opvallende exportgroei vanuit de Verenigde Staten. In dit verband moge worden opgemerkt dat het voornaamste criterium dat de EG hanteert bij het autonoom dan wel conventioneel beperken van de invoer van goederen in het algemeen en textiel in het bijzonder, de marktverstoring is die zo'n invoer veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. In het recente verleden heeft de hantering van dit criterium er bij voorbeeld ook toe geleid dat de invoer van synthetische vezels uit de VS in het Verenigd Koninkrijk aan een maximum werd onderworpen. Er is voorshands geen reden om aan te nemen dat dit criterium niet de leidraad zal zijn bij het formuleren van het handelspolitieke beleid met betrekking tot textielprodukten ongeacht de herkomst ervan. 14 In de afgelopen periode zijn een aantal maatregelen genomen of in voorbereiding ter verbetering van de kwaliteit van de bilaterale hulpverlening die onder meer gericht zijn op een doelmatiger begeleiding van activiteiten die in het kader van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking in ontwikkelingslanden worden gerealiseerd. Zo wordt een ingrijpende aanpassing van de organisatie van de bilaterale hulpverlening gerealiseerd, onder meer met het doel de behandeling van de bilaterale financiële en technische hulpverlening aan een regio c.q. land binnen één en dezelfde organisatorische eenheid te doen plaatsvinden. De betrokken functionarissen van het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking werken inmiddels in een aangepaste organisatorische samenstelling. De formalisering van deze structuur zal naar verwacht medio 1982 haar beslag kunnen krijgen. Parallel aan de aanpassing van de organisatie wordt de nodige aandacht besteed aan de uitwerking van doelgerichte procedures, methoden en instrumenten ter ondersteuning van een effectief beheer van de bilaterale hulpverlening. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 7

8 Het aantal concentratielanden voor de bilaterale financiële en technische hulpverlening is, zoals bekend, verminderd, mede met het doel een ondoelmatige versnippering van hulpverlening te voorkomen. In dit kader past ook het streven om de hulpverlening binnen een land zoveel mogelijk te concentreren op specifieke sectoren en regio's. De introductie van de programmatische benadering als methode ter verbetering van de kwaliteit van de bilaterale hulpverlening gericht op de sociaal en economisch minder bedeelde groeperingen in de ontwikkelingslanden, biedt tevens een kader voor een meer verantwoorde begeleiding van deze activiteiten (vide Nota inzake de Verbetering van de Kwaliteit van de Bilaterale Hulpverlening, memorie van toelichting 1980, Tweede Kamer, zitting , hoofdstuk V, nr. 3, paragraaf 2a). Voorts ligt het in het voornemen een aantal taken en bevoegdheden met betrekking tot beslissingen over en uitvoering van de bilaterale hulpverlening te delegeren van het ministerie in Den Haag naar de Nederlandse vertegenwoordiging ter plaatse. Omtrent de uitvoeringsmodaliteiten hiervan vindt momenteel overleg plaats. De achteruitgang van de economische situatie in Nederland beklemtoont de noodzaak tot optimale samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven. In dit verband zij verwezen naar het antwoord van tweede ondergetekende op vragen van de leden der Tweede Kamer, de heren Van lersel en Van den Broek. 15 De met Cuba vóór het moment van afvoering van de lijst van concentratielanden overeengekomen projecten naderen thans hun voltooiing. Additionele fondsen zijn voor deze afbouw niet beschikbaar gesteld en ook niet nodig gebleken. Vooreen verantwoorde afbouw van projecten in Jamaica was aanvankelijkf 12 min. voor een periode van driejaar uitgetrokken. Op grond van mijn eind 1979 genomen besluit om de samenwerking met Jamaica voor drie a vijf jaar voort te zetten, werd in 1980f 14 min. financiële hulp en f 35 min. betalingsbalanshulp aan Jamaica aangeboden. Het totale bedrag van f 49 min. werd uiteindelijk voor betaling van essentiële importen aangewend. Voor 1981 is f 3 min. technische hulp en f 14 min. financiële hulp beschikbaar. Voor een verantwoorde afbouw van de projecten in Peru werd voor de jaren 1979, 1980 en 1981 in totaal f 16 min. beschikbaar gesteld. Een aanvulling daarop van f 8,5 min. voor 1982 en volgende jaren is inmiddels noodzakelijk gebleken en metterdaad gereserveerd. Aan Tunesië werd voor de afrondingsfase van de overeengekomen projecten in 1979 f 5 min. technische hulp en f 12,5 min. financiële hulp beschikbaar gesteld. Een aantal van de projecten is inmiddels afgerond, en de voltooiing van de overige projecten verloopt grotendeels overeenkomstig de planning. Naar verwachting zal de Nederlandse betrokkenheid bij de laatste projecten medio 1983 worden beëindigd. 16 Alhoewel tweede ondergetekende op de suggestie van de V.V.D.-fractie om een prijsvraag uit te schrijven inzake de opwekking en toepassing van zonne-energie in met name de Sahellanden in principe een niet afwijzend standpunt heeft ingenomen bleken bij nader inzien onvoldoende argumenten aanwezig te zijn voor een dergelijke prijsvraag. Hierbij is vooral uitgegaan van de zorg van de V.V.D.-fractie dat bezien zou moeten worden hoe zonne-energie in de Sahellanden praktisch aan te wenden is. Zonne-energie is voor veel technologische toepassingen geschikt en voor vele daarvan is de technologie reeds commercieel verkrijgbaar. (Zie bijlage). Diverse van deze toepassingen van zonne-energie worden dan ook reeds (soms reeds lang) toegepast in de Sahellanden. De reden waarom de reeds beschikbare technologie niet op grote schaal wordt toegepast is niet gelegen in het feit dat men niet op de hoogte zou zijn van deze mogelijkheden. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 8

9 De oorzaak van nauwelijks gebruiken van zonne-energie ligt veeleer in de economische en infrastructurele sfeer. De kosten van de diverse beschikbare systemen zijn namelijk vaak nog niet concurrerend met andere energiebronnen en dit geldt in het bijzonder voor de door de V.V.D.-fractie genoemde toepassingen. Daar waar toepassingen van zonne-energie economisch wel concurrerend zijn (warmwaterproduktie voor huiselijk gebruik, kassen voor gewassen) worden deze niet toegepast, omdat er van overheidswege in betrokken landen nog te weinig stimulans in de vorm van o.m. een energiebeleid uitgaat om deze toepassingsmogelijkheden te bevorderen. Daarnaast is een belangrijk struikelblok het ontbreken dan wel bestaan van een gebrekkig functionerend voorlichtingsapparaat en een grotendeels analfabete (soms) nomadiserende) bevolking, die zich voorzichtig opstelt ten aanzien van de introductie van nieuwe technologieën. Dit neemt niet weg, dat daar waar een toepassing van zonne-energie een belangrijke bijdrage kan leveren er ook toepassingen van enige omvang plaatsvinden, zoals bij voorbeeld een door Philips aangelegd ruraal telefoonnet, dat gevoed wordt met foto-voltaische cellen (Boven-Volta). Door de regeringen van betrokken landen wordt ook in toenemende mate aandacht besteed aan de toepassingsmogelijkheden van zonne-energie getuige de aandacht welke deze energiebron in het beleid en onderzoek van die landen krijgt. 17 De door de leden van de V.V.D.-fractie gesignaleerde mogelijke gevaren van verwaarlozing van landbouw en voedselvoorziening als gevolg van een voorkeur voor het doen van investeringen in de industriële sector is niet zonder meer te onderschrijven, daar het ontwikkelingsproces complexer van aard is dan het gesignaleerde keuzeprobleem doet vermoeden. Eén en ander heeft te maken met de structurele veranderingen welke optreden in het ontwikkelingsproces, die maken dat de interne vraag naar agrarische produkten sneller toeneemt dan het interne aanbod. Gedurende het vroege ontwikkelingsstadium is de bevolkingsgroei in het algemeen bescheiden, terwijl het per capita inkomen niet of slechts langzaam groeit. Dit geldt vooral voor de armen die potentieel veel vraag naar voedsel hebben. De vraag naar voedsel wordt in dit stadium van ontwikkeling echter bepaald door het aanbod. In de meeste ontwikkelingslanden woont het merendeel van de bevolking op het platteland. Deze bevolking is voor zijn inkomen van de landbouw afhankelijk. Een trage groei van de landbouw resulteert in een trage groei van de per capita inkomens, welke in belangrijke mate de per capita vraag naar voedsel bepaalt. Indien in zulke lage inkomenslanden de bevolking plotseling snel toeneemt als gevolg van bij voorbeeld betere gezondheidsmaatregelen dan zal de toename van rurale arbeid zich vertalen in de grotere landbouwproduktie als gevolg van intensievere bewerking van de grond. Hoewel de groei van de landbouwproduktie tendeert om achter te blijven bij de bevolkingsgroei is er toch sprake van een redelijk evenwicht tussen vraag en aanbod van voedsel. Bij verdere ontwikkeling van de economie beginnen de per capita inkomens snel te groeien en mede als gevolg hiervan en de hoge inkomenselasticiteit van de vraag, zal ook de vraag naar agrarische producten snel toenemen. Wat men in feite kan waarnemen is, dat de vraag naar voedsel in stijgende mate bepaald gaat worden door activiteiten welke zich in de niet-agrarische sector afspelen en dus in hoge mate onafhankelijk van de agrarische productie, dat wil zeggen de relatie tussen vraag en aanbod wordt indirecter. Zulk een ontwikkeling is mede mogelijk door een snelle groei in de industriële sfeer, waar middels export de mogelijkheid van import van agrarische produktie ontstaat. Hierdoor wordt de afhankelijkheidsrelatie tussen (nationale) vraag en aanbod nog minder direct dan deze reeds was. Doordat in zulk een geval een groot, zo niet het grootste deel van de nationale middelen in de industriële ontwikkeling geïnvesteerd wordt blijft slechts een gering deel over voor de modernisering van de landbouw, welke nodig is om aan de nationale vraag naar agrarische producten te voldoen. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 9

10 De oplossing lijkt in zulk geval te zijn, zoals de vraag van de leden van de V.V.D.-fractie ook impliceert, om meer kapitaal in de landbouw te investeren. Dit zou echter een koopkrachtdaling in de niet-agrarische sector tot gevolg kunnen hebben, hetgeen leidt tot minder vraag naar agrarische produkten en wellicht politieke problemen. Van vitaal belang hierbij is in welke mate de nationale overheid de lage inkomensgroepen wil laten delen in de toename van het nationale inkomen als gevolg van economische groei. Lagere inkomensgroepen besteden immers relatief een groter deel van hun inkomen dan hogere inkomensklassen en zijn numeriek talrijker. Een toename van de inkomens van de hogere inkomensklassen zal leiden tot een minder sterke vraag naar voedsel dan in het geval van de lagere inkomensklassen. De mate waarin de nationale overheid de lagere inkomensklassen in de inkomensgroei wil laten meedelen, en de mate waarin deze prioriteit wil geven aan de ontwikkeling van de landbouw hangt overigens niet alleen van interne factoren af. Naast nationaal politieke overwegingen en belangen speelt de internationale context hierbij ook een zeer belangrijke rol. Zo zal de mate en voorwaarden waarop hulp, zowel economisch als voedselhulp op termijn ter beschikking wordt gesteld een belangrijke medebepalende factor zijn in de nationale politiek. Men bedenke voorts, dat vanuit nationaal politieke overwegingen een actief industriebeleid gericht op export niet persé nadelig hoeft te zijn voor de landbouwontwikkeling. De Europese landen welke de industriële revolutie doormaakten kenden namelijk ook een sneller toenemende vraag naar voedsel dan de groei van de landbouwproduktie. Een zelfde ontwikkeling deed zich voor bij landen als Japan, Zuid-Korea en Taiwan. Het probleem van vele ontwikkelingslanden nu is om een goed evenwicht te vinden tussen besteding van kapitaal in de industriële en agrarische sector. Dit keuzeprobleem is evenwel geen eenvoudige zaak en wordt door vele factoren, externe en interne, bemoeilijkt. Hoewel tweede ondergetekende ook van mening is, dat ontwikkelingslanden meer moeten investeren in de landbouw, moet men daarbij bedenken, dat zulke processen slechts geleidelijk kunnen worden geëntameerd gezien de hierboven genoemde interne en externe factoren zoals in het verleden o.m. het hulpbeleid bevorderd heeft, dat ontwikkelingslanden zich sterk op industrialisatie toelegden, zo kan extra hulp aan de landbouwsector deze landen helpen bij het aanpassen van hun nationaal investeringsbeleid ten gunste van de landbouwsector. 18 Een samenvattend overzicht met de kerngegevens van de evaluaties die sinds juli 1979 van projecten ex categorie 1a zijn gerealiseerd, is momenteel in voorbereiding. Het ligt in de bedoeling dit overzicht op korte termijn aan de leden van de vaste commissie voor Ontwikkelingssamenwerking ter vertrouwelijke informatie toe te zenden. 19 De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking te Velde heeft de opdracht om, onafhankelijk van de operationele dienstonderdelen, de kwaliteit van de Nederlandse bilaterale ontwikkelingssamenwerking te helpen optimaliseren door in de ontwikkelingslanden, ter plaatse, het functioneren van het Nederlandse overheidsaandeel in de samenwerking te onderzoeken en daarbij vastte stellen - of de algemene en specifieke lijnen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid metterdaad in het veld tot gelding worden gebracht, - hoe doelmatig en doeltreffend dat toegaat, - welke uitwerking het heeft voor de doelgroepen in de bilaterale samenwerking, en - waar verbetering van de beleidsvorming, de beleidsdetaillering en/of de beleidsuitvoering reëel mogelijk is. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 10

11 In concreto komt dit er op neer, dat de Inspectie de beleidsmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van Nederlandse samenwerkingsactiviteiten via eigen waarnemingen onderzoekt. Zij hanteert hierbij maatstaven die uit het vastgestelde Nederlandse beleid met betrekking tot de bilaterale ontwikkelingssamenwerking voortvloeien. Zij bestrijkt het gehele verloop van de onderzochte activiteit, doordat haar onderzoek betrekking heeft op het totale proces vanaf de allereerste voorstellen tot en met het effect dat de activiteit in feite blijkt te hebben enige jaren na afronding van de samenwerkingskwestie. Na grondige voorbereiding door dossierstudie, interviews met projectverantwoordelijken en andere uitvoeringsbetrokkenen, correspondentie, literatuurstudie e.d., ligt het zwaartepunt van de inspectie-onderzoeken uiteraard in de ontwikkelingslanden zelf. Op basis van een algemeen (maar voor elk geval afzonderlijk gespecificeerd) patroon van punten van aandacht tracht zij zo objectiverend en deskundig mogelijk de betreffende activiteit op zich zelf en in haar context te observeren en te beoordelen. Het resultaat hiervan legt zij neer in een aan tweede ondergetekende gericht rapport dat waar nodig vergezeld gaat van adviezen. Zie verder antwoord 21. De eerste, nog sterk experimentele inspectiemissies gingen uit in het voorjaar van Zij is in feite echter eerst eind 1978 actief geworden, toen de eerste ervaringen waren verwerkt en de vorming van een inspectiestaf een aanvang had genomen. Inmiddels omvat de Inspectie vijf vaste en twee tijdelijke onderzoekers. Dezen hebben in 31 missies veldbezoeken gebracht aan 27 landen. Zij brachten tot dusver in 84 rapporten bij mij verslag uit van hun bevindingen omtrent circa 130 grote en kleine afzonderlijke activiteiten uit een aantal begrotingscategorieën. Een 40- tal rapporten is in bewerking. 20 De formele relatie Inspectie-Rekenkamer verschilt niet van die welke de AIgemene Rekenkamer onderhoudt met andere onderdelen van het overheidsapparaat. Er zijn wel trekken van overeenkomst tussen de Inspectie en met name Afdeling VII van de Rekenkamer, die de beleidsmatigheid van het handelen van de Nederlandse overheid als geheel onderzoekt. Opmerkingen van de Algemene Rekenkamer hebben destijds een belangrijke stoot gegeven tot instelling van de Inspectie. Medio 1980 heeft de Rekenkamer de lnspectie doorgelicht. Hoewel de hierbij opgedane bevindingen mondeling zijn besproken, kon door omstandigheden de in uitzicht gestelde schriftelijke vastlegging nog niet geschieden. Alle inspectierapporten worden aan de Rekenkamer toegezonden. Deze kan de rapporten in hun gezamenlijkheid gebruiken als vooronderzoek voor haar beoordeling van het functioneren van de bilaterale ontwikkelingssector binnen Buitenlandse Zaken. 21 Tot dusver heeft de Inspectie zich voornamelijk bezig gehouden met het onderzoek van afzonderlijke projecten en programma's, zoals aangegeven in antwoord 19. Deze benadering berust op de wenselijkheid, in een kort tijdsbestek in een groot aantal landen (het accent ligt op concentratielanden) en sectoren een eerste, globaal inzicht te krijgen in lopende en voltooide projecten en programma's respectievelijk in behaalde of verwachtbare effecten daarvan. Het ligt in de bedoeling, de onderzoeken naar afzonderlijke projecten en programma's voort te zetten. Naarmate de ervaring bij de Inspectie toeneemt, komt zij echter in een positie om grotere of moeilijk waarneembare gebieden te onderzoeken, zoals bij voorbeeld onderdelen van importsteun, voedselhulp of de op een programmatische benadering teruggaande samenwerkingsprocessen. Nu het aantal onderzochte projecten groeit, komt Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 11

12 het voorts binnen het bereik van de Inspectie, haar bevindingen te bundelen in rapporten van meer algemene strekking. Inderdaad beginnen deze bevindingen te zamen hier en daar representatief te worden voor bepaalde (sub)- sectoren van ontwikkelingsactiviteiten of voor het pakket van samenwerkingsactiviteiten met bepaalde (concentratie)landen. Het ligt in het voornemen, nog in het lopende kalenderjaar een begin te maken met het samenstellen van dergelijke samenvattende rapporten met betrekking tot een tweetal subsectoren en een tweetal landen. Het programma van de Inspectie is zowel daarop als op samenvattende rapporten in de komende jaren gericht. Het zijn deze rapporten die tweede ondergetekende bij uitstek geschikt acht om de Staten-Generaal op de hoogte te stellen van de resultaten van de Inspectie. 22 De uitvoering van adviezen van de Inspectie welke door tweede ondergetekende werden overgenomen, behoort tot het taakterrein van de operationele organen van het departement. Deze ontvangen daartoe opdracht van de directeur-generaal Internationale Samenwerking. Het komt echter meer en meer voor, dat aan de adviezen reeds gevolg wordt gegeven voordat de formele opdracht is gegeven. De follow-up is overigens nog niet geheel bevredigend geregeld. De operationele eenheden zijn gehouden om, uiterlijk een halfjaar na bedoelde opdracht, verslag uit te brengen aan de directeur-generaal, omtrent de uitvoering daarvan. Tot dusverre is hieraan in nog niet alle gevallen voldaan. Het staat de Inspectie vrij, zelfstandig veldonderzoek te doen naar het effect dat de door haar uitgebrachte adviezen op de projectuitvoering hebben gehad. Daartoe heeft zij in haar korte bestaan en gegeven haar beperkte bezetting echter nog slechts eenmaal de gelegenheid gehad. In het algemeen bestaat de indruk, dat de inspectie-adviezen in zeer bevredigende mate worden opgevolgd. De gevolgen van de uitvoering van inspectie-adviezen voor de gang van zaken zijn wel merkbaar maar moeilijk aantoonbaar. Op de in de adviezen aangegeven punten doen zich inderdaad verbeteringen voor respectievelijk blijven zich aankondigende tegenslagen uit, door tijdig bijstellen van de projectwerkzaamheden. Tweede ondergetekende zou echter aan de projectverantwoordelijken in het departement op de ambassade, in het veld en bij de counterparts tekort doen als hij zulks uitsluitend aan de Inspectie toeschreef. Het komt juister voor, te stellen dat de Inspectie in het geheel van de projectbemoeiingen en nuttige, kritisch-constructieve functie vervult, die goed aansluit bij de inspanningen van de operationele verantwoordelijken. 23 In het afgelopen jaar (1980) is een aantal medefinancieringsprojecten door de Inspectie onderzocht, met inachtneming van enkele afspraken tussen tweede ondergetekende en de Medefinancieringsorganisaties met betrekking tot de te volgen werkwijze. Die afspraken trachten recht te doen enerzijds aan het eigen karakter van deze vorm van samenwerking en anderzijds aan de wens, mede door de tot het taakterrein van de Inspectie behorende onafhankelijke observaties op de hoogte te blijven van de medefinancieringsprojecten en aldus in staat te zijn tot het dragen van politieke verantwoordelijkheid. Deel van de afspraak is dat, na afloop van het z.g. proefjaar 1980, in goed overleg tussen tweede ondergetekende en de MFO's zal worden vastgesteld, op welke wijze medefinancieringsprojecten het best kunnen worden geïnspecteerd. Dit overleg wordt thans voorbereid. Het is tweede ondergetekende bekend, dat van MFO-zijde bij die gelegenheid de vraag aan de orde zal worden gesteld, of inderdaad de door hen bemiddelde activiteiten door de Inspectie kunnen worden onderzocht. Tot een gesprek daarover is tweede ondergetekende uiteraard bereid. Eerste Kamer, zitting , V, nr. 88h 12

13 Tweede ondergetekende stelt zich voor, dat de keuze van de te inspecteren medefinancieringsprojecten in sterke mate zal worden bepaald door het programma van landen - en (sub)sectorrapporten die de Inspectie denkt uit te brengen. Die rapporten beogen representatieve indrukken van de Nederlandse samenwerking met het betreffende land c.q. in de betreffende (sub-) sector over te brengen. Medefinancieringsactiviteiten maken daarvan deel uit. Door toezending van bedoelde samenvattende rapporten vertrouwt tweede ondergetekende de Staten-Generaal mede omtrent die activiteiten te informeren. 24 In de nieuwe regeling voor het Medefinancieringsprogramma is voorzien in twee soorten evaluaties, te weten projectevaluaties uit te voeren onder verantwoordelijkheid van de betreffende MFO, en de programma-evaluaties welke plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van tweede ondergetekende en de betreffende MFO. Een overzicht van de gehouden projectevaluaties alsmede de resultaten van die studies voor zover van meer algemeen belang zullen door de MFO's gegeven worden in het door hen aan de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te bieden jaarverslag. Als bekend worden de jaarverslagen vervolgens aan beide vaste kamercommissies toegezonden. De resultaten van de programma-evaluaties (6 per jaar) zullen opgenomen worden in de beschouwing van tweede ondergetekende over het Medefinancieringsprogramma dat aan de vaste kamercommissie toegaat te zamen met evengenoemde jaarverslagen. 25 Ten behoeve van een meer systematische terugkoppeling van beleids- en ervaringsgegevens is een z.g. Master Checklist in ontwikkeling ter ondersteuning van de identificatie, voorbereiding en begeleiding van projecten. In deze Master Checklist worden gegevens opgenomen zoals vervat in beleidsnota's, evaluatierapporten (zowel van Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten als van anderen), inspectierapporten, studies e.d. De Master Checklist verkeert momenteel in een laatste stadium van voorbereiding en zal in eerste instantie bestemd zijn voor intern gebruik. 26 Ter voorbereiding op de uitzending naar ontwikkelingslanden wordt naast de talenopleiding ten behoeve van deskundigen een voorbereidingscursus van twee weken georganiseerd. Een week is gewijd aan de voorbereiding van de deskundigen op het werken in andere culturen. Gedurende de tweede week worden verschillende aspecten van de ontwikkelingsproblematiek behandeld, waarbij ook wordt ingegaan op concrete ervaringen in de Nederlandse bilaterale hulpverlening. Tijdens de uitzendperiode worden voor teamleiders van Nederlandse bilaterale projecten cursussen van een week georganiseerd. Deze cursussen richten zich in algemene zin op projectkunde; daarbij wordt ingegaan op het eigen functioneren als leider van het projectteam en op het beheren van projecten in een bredere maatschappelijke context. Soortgelijke cursussen worden eveneens georganiseerd voor de overige deskundigen, die deel uitmaken van projectteams. Daarbij ligt het accent vooral op uitwisselen van ervaringen met het functioneren als deskundige in ontwikkelingsprojecten. 27 Met de verzorging van de documentatie in de ruime zin van dit woord, ten behoeve van zowel het ministerie als de vertegenwoordigingen in het buitenland, is in eerste instantie de hoofdafdeling Onderzoek en Documentatie belast. Het gaat hierbij onder meer om de aanschaffing en verspreiding van boeken, tijdschriften, couranten, brochures, rapporten, parlementaire stukken enz. Voorts wordt enerzijds voor persartikelen, anderzijds voor tijdschrift- Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 13

14 artikelen, beide op het brede terrein van de internationale betrekkingen inclusief onder meer de ontwikkelingssamenwerking een documentatiesysteem verzorgd, aan de hand waarvan meer gerichte en gespecificeerde informatie wordt verstrekt, deels op meer permanente basis, deels op aanvraag. Op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking heeft deze documentatieverzorging een globaal en beperkt karakter, in die zin dat vooral aandacht aan de algemene ontwikkelingen en gedachtenvorming op dit terrein wordt gewijd, uiteraard met name voor zover deze voor Nederland van belang kunnen worden geacht. Vermelding verdient nog dat door het bureau Literatuurdocumentatie van genoemde hoofdafdeling eens in de veertien dagen onderde naam Wereld in Ontwikkeling een literatuuroverzicht wordt samengesteld, waarin excerpten van artikelen over ontwikkelingssamenwerking uit Nederlandse en buitenlandse tijdschriften worden opgenomen. Dit blad wordt zowel binnen het ministerie verspreid alsook aan de vertegenwoordigingen in het buitenland en leden van Nederlandse ontwikkelingsteams in de Derde Wereld toegezonden. Terwijl aldus aan meergenoemde hoofdafdeling een meer globale taak op het onderhavige terrein is toevertrouwd, valt een meer gespecialiseerde taak toe aan het bureau Documentatie dat, binnen de sector Ontwikkelingssamenwerking van het ministerie, onder het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking ressorteert. Dit bureau is ontstaan uit een directe behoefte bij de toenmalige Directie Internationale Technische Hulp aan snel voorhanden zijnde, gespecialiseerde documentatie. Op het ogenblik beperkt het in de loop der tijd uitgegroeide bureau zich wat zijn service betreft, al lang niet meer tot de eigen directie. Er wordt op ruime schaal informatie verstrekt met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking, zowel binnen het eigen ministerie als naar buiten toe: ambassades, andere departementen en instellingen, bedrijfsleven en studenten. Het bureau bestaat uit de secties Bibliotheek en Landeninformatie. Wat de Bibliotheek betreft: deze richt zich hierbij voornamelijk op de eigen DGIS-medewerkers. Het hier aanwezige documentatiemateriaal bestaat uit een uitgebreide collectie boeken, rapporten, brochures en tijdschriften met betrekking tot de ontwikkelingsproblematiek in de ruimste zin. Aanschaf geschiedt op aanvraag van de gebruikers, dan wel op eigen initiatief. Daarnaast wordt veel materiaal ontvangen van binnen- en buitenlandse instanties, werkzaam op hetzelfde terrein. Aanvulling hierop vormt de alleen voor intern gebruik bestemde projectinformatie. Bij de Landeninformatie ligt het accent meer op de informatieverstrekking naar buiten, met name aan uit te zenden (assistent-)deskundigen naar ontwikkelingslanden. Deze zijn voornamelijk geïnteresseerd in «praktische» informatie, die bij deze sectie dan ook grotendeels bestaat uit gegevens over de lokale levensomstandigheden. Eén van de voornaamste bronnen hiervoor vormen de door het bureau aan de deskundigen toegezonden en ingevuld terug ontvangen halfjaarlijkse enquêtelijsten. Aan literatuurdocumentatie wordt nauwelijks iets gedaan, gezien de taak van de hoofdafdeling Onderzoek en Documentatie hierin (Wereld in Ontwikkeling). Wel beschikt het bureau over een tamelijk uitgebreide en recente collectie artikelen uit binnen- en buitenlandse dag- en weekbladen, gericht op de politieke en economische situatie in de ontwikkelingslanden. Archivering De onder bovenstaande benaming onder te brengen werkzaamheden worden - zowel voor wat betreft Buitenlandse Zaken als voor de sector Ontwikkelingssamenwerking - in eerste instantie verricht door de Centrale Afdeling Post- en Archiefzaken. Het betreft hier dus het registreren, dirigeren en tot dossiers ordenen en opbergen van stukken, het bijhouden van verblijfs- en rappeladministratie, het verstrekken van dossiers en stukken op aanvraag, het geven van inlichtingen uit of over de stukken, het bijhouden van kaartsystemen en andere ingangen op de stukken en de dossiers, het Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 14

15 toegankelijk maken van het oudere (z.g. semi-statische en statische) archief, voor het steeds meer voorkomende wetenschappelijk onderzoek, door middel van selectie, bewerking, vernietiging en het vervaardigen van inventarissen, alsmede ten slotte het gereedmaken van archiefdelen voor afstoting naar het Algemeen Rijksarchief. Eén en ander geschiedt met inachtneming van het Besluit Post- en Archiefzaken Rijksadministratie van oktober 1950, kortweg genoemd het K 425. Dit besluit schrijft onder andere voor, dat alle stukken welke op een zaak betrekking hebben, zowel gedurende als na afloop van de behandeling van die zaak verenigd blijven in een dossier. De onderwerpen in de stukken behandeld, worden stelselmatig ingedeeld volgens een decimaal registratuurplan, terwijl voor de inschrijving van de stukken gebruik wordt gemaakt van het fiche-doorschrijfsysteem. De bovengenoemde werkzaamheden worden bij de Centrale Afdeling Post- en Archiefzaken verricht door: 1. Een bureau Centrale Administratie, waar ± 2000 nieuwe stukken per dag worden gesorteerd op onderwerp en waar tevens diverse ingangen op de stukken worden bijgehouden. 2. Zestien zogenaamde sub-archieven, die elk één of meer onderwerpen of - indien een onderwerp zeer uitgebreid is - een gedeelte van een onderwerp archiveren. Vier van deze sub-archieven vallen geheel onder de sector ontwikkelingssamenwerking, terwijl drie andere gedeeltelijk werkzaam zijn in deze sector. Als gevolg van reorganisatie van beleidsafdelingen zal - zodra de ruimte dit toelaat - het aantal worden uitgebreid tot zes en drie. Verder bestaat de Centrale Afdeling Post- en Archiefzaken uit het bureau semistatische en statische archieven, het bureau Postkamer/Binnenpost en een steungroep coördinatoren registratuur, die zoals de naam reeds weergeeft, zorgt voor een goede coördinatie in de werkzaamheden van de onder 1 en 2 genoemde onderdelen. De posten in het buitenland vallen voor zover het de archieftechnische kant betreft eveneens onder de voorschriften van de Centrale Afdeling Posten Archiefzaken. Het personeel, bestemd voor archief of administratie bij de posten in het buitenland krijgt een archiefstage bij de Centrale Afdeling, alvorens te worden uitgezonden. Het K 425 zal over enige tijd worden vervangen door het Besluit Algemene Secretarie-aangelegenheden Rijksadministratie van 26 maart Dit nieuwe besluit schrijft onder andere in artikel 11 het volgende voor: Artikel Het hoofd van de Algemene Secretarie draagt er zorg voor, dat deinde archiefbescheiden voorkomende beleidsondersteunende gegevens door verwerking in een documentatiesysteem nader toegankelijk worden gemaakt. 2. Het beschrijven en indelen van de aan archiefbescheiden ontleende gegevens voor het documentatiesysteem worden zodanig verricht, dat hetgebruik van deze archiefdocumentatie in coördinatie met andere informatiebronnen van het ministerie mogelijk is. In hoeverre in de toekomst tot deze meer actieve archiefinformatieverstrekking zal kunnen worden overgegaan, hangt sterk af van de mogelijkheid tot het aantrekken van het voor deze werkzaamheden benodigde personeel. De Archiefwet 1962 en het Archiefbesluit 1968 ten slotte zijn medebepalend voor de werkzaamheden bij de Centrale Afdeling Post- en Archiefzaken. 28 Het Nederlands Documentatiecentrum voor Ontwikkelingssamenwerking (NEDO) heeft zich in de praktijk niet geheel ontwikkeld tot een knooppunt van informatie-uitwisseling omtrent onderzoek in ontwikkelingslanden dat geheel of gedeeltelijk uit openbare middelen wordt gefinancierd. De belangrijkste oorzaak voor de geringe ontwikkeling van het NEDO is gelegen in Eerste Kamer, zitting ,16400V, nr. 88h 15

16 het feit dat niet voldoende mankracht voor het centrum beschikbaar is geweest. Tweede ondergetekende stelt zich voor en marge van het voorgenomen systematisch onderzoek naar de werkzaamheden van enkele Afdelingen van het KIT tevens te doen bezien op welke wijze in het functioneren van het NEDO verbetering kan worden gebracht. 29 Het voornemen om te komen tot het opzetten van een programma van samenwerking via Nederlandse politieke partijen met politieke groeperingen in ontwikkelingslanden is nog voordat de gedachtenwisseling zowel intern als extern afgerond was in de publiciteit gekomen. Uit de reacties op die publiciteit heeft tweede ondergetekende afgeleid dat het voorgenomen programma vooralsnog niet op voldoende politieke steun in Nederland kan rekenen. Aangezien het overleg om te komen tot een voor alle betrokkenen aanvaardbare regeling geruime tijd zal vergen en niet afgerond kan worden in deze huidige kabinetsperiode acht tweede ondergetekende het weinig opportuun bedoeld overleg thans nog te openen. 30 A. Alvorens de door de G.P.V.-fractie gestelde vragen betreffende de NCO afzonderlijk te beantwoorden, meent tweede ondergetekende er goed aan te doen ter toelichting enkele opmerkingen van meer algemene aard te maken. - Uit de naam van de NCO mag niet worden opgemaakt dat het mandaat van deze Nationale Commissie zich beperkt tot voorlichting en bewustwording op het terrein van de Ontwikkelingssamenwerking in de enge zin van dat woord. Het beleid is er juist op gericht om, door middelvan subsidiëring van allerhande initiatieven, de Nederlandse bevolking in staat te stellen zich zelf een breder en dieper inzicht te verwerven in de problematiek van de Derde Wereld in de ruimste zin, het mondiaal ontwikkelingsproces en de maatregelen die in het bijzonder ook in de rijke wereld nodig zijn. - Uit het voorgaande volgt reeds dat de Regering het haar taak acht dergelijke initiatieven mogelijk te maken, ook indien de visies die in dat kader worden uitgedragen, niet overeenstemmen met die van de Regering zelf. Het is van belang dat de bevolking kennis kan nemen van allerlei visies, ten einde zich zelf een mening te kunnen vormen. Zelfs indien de aldus uitgedragen visies kritiek bevatten op het regeringsbeleid, mag dit naar de mening van tweede ondergetekende geen aanleiding vormen om de subsidieverlening te beëindigen. De ontwikkelingsproblematiek is in de kern een politiek probleem en over dit soort problemen mag men in Nederland van mening verschillen. Al eerder heeft tweede ondergetekende zich in de Kamer op het standpunt gesteld dat, indien de Plenaire Vergadering van de NCO, als pluriform platform van particulier initiatief tot de conclusie komt dat een bepaalde visie gehoord moet kunnen worden, zo'n uitspraak in beginsel moet worden gerespecteerd, tenzij sprake zou zijn van strijdigheid met de overeengekomen subsidievoorwaarden. - Het schijnt niet geheel duidelijk te zijn dat de NCO veelal subsidie toekent aan een organisatie, niet ter financiering van het totale activiteitenpakket, doch voor een gedeelte ervan. Het andere gedeelte wordt dan gefinancierd uit eigen inkomsten of door middel van subsidiëring zijdens bij voorbeeld onze ambtgenote van CRM of besturen van gemeenten of provincies. Tot subsidiëring door de NCO wordt dan besloten, omdat het desbetreffende deel van die activiteiten geacht wordt binnen het mandaat van de Nationale Commissie te vallen. - Ten aanzien van de ontwikkelingsrelevantie van de door de NCO gesubsidieerde projecten en de aandacht voor de eigen situatie diene het volgende. De tweede ondergetekende stelt zich op het standpunt, dat de te subsidiëren projecten in algemene zin de internationale ontwikkelingssamenwerking en/of de problematiek van de Derde Wereld en zijn bevolking tot onderwerp dienen te hebben. Onderkend wordt dat het, ten einde bij sommige groepen Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 16

17 van de bevolking uiteindelijk die problematiek aan de orde te krijgen, noodzakelijk kan zijn de eigen situatie van de doelgroep hier als methodische invalshoek te kiezen. Tweede ondergetekende is echter van mening, dat dan steeds sprake moet zijn van terugkoppeling van die eigen situatie naar voornoemde problematiek. Dat niet alle projecten, waarop het voorgaande van toepassing is, daarin even snel en duidelijk slagen, heeft zijn voortdurende aandacht. Zowel binnen de NCO zelf alsook in het Adviescollege Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking is dit onderwerp periodiek onderwerp van bespreking. In zijn brief NCO van 4 juli 1980 aan de Voorzitters van beide Kamers der Staten-Generaal, waarin tweede ondergetekende zijn beoordeling gaf van het Jaarplan 1980 van de NCO, heeft hij terzake ook een opmerking gemaakt. De ervaring leert, dat de NCO, wanneer geconcludeerd moet worden dat een project na enige tijd nog te veel blijft steken in die eigen situatie, dan ook besluit tot afbouw van de subsidiëring. Werkcentrum Internationale Solidariteit Den Haag (WIS) Tweede ondergetekende kan niet onderschrijven dat in het advies van de werkgroep Vorming over de subsidieaanvraag van WIS Den Haag staat, dat de door de NCO toegekende subsidiefondsen gebruikt worden voor bijstand aan illegale buitenlandse werknemers. De bedoelde passage geeft slechts een opsomming van de voornaamste activiteiten van het WIS. Subsidiëring van WIS door de NCO vindt plaats voor dat deel van de activiteiten, dat betrekking heeft op het tot stand brengen van meer begrip tussen de ter plekke wonende Nederlanders en buitenlanders. Gesteld kan worden dat de aanwezigheid van mensen, afkomstig uit andere landen en andere culturen aangegrepen wordt om in het kader van club- en buurthuiswerk ook de Nederlanders te confronteren met de cultuur van die mensen, hun gewoonten, de situatie in hun landen van herkomst en de ontwikkelingsproblematiek in het algemeen. Zo uitgaan van de eigen leefsituatie van de doelgroep is een veel gehanteerde methode in het vormingswerk. WIS Den Haag verricht daarnaast inderdaad serviceverlening aan buitenlandse werknemers en hun gezinnen, onder andere door middel van een zogenaamd spreekuur. In dit welzijnswerk wordt geen onderscheid gemaakt tussen categorieën buitenlandse werknemers. Voorop staat de mensen te heipen bij de oplossing van hun problemen. De illegale buitenlandse werknemers vormen echter geen afzonderlijke doelgroep van WIS Den Haag noch van de NCO. Bij verschillende gelegenheden is door de NCO, het Adviescollege Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking en door tweede ondergetekende zelf opgemerkt dat dergelijke projecten zich in feite bevinden in de marge van de NCO; subsidiëring ervan door mijn ambtgenote van CRM zou, uitgaande van een ruime invulling van het begrip welzijnswerk, zonder meer verdedigbaar zijn. Dat de NCO de activiteiten van WIS Den Haag overigens kritisch blijft volgen blijkt wèl uit voornoemd advies, waar wordt gesteld dat WIS zich toch nog meer moet gaan toeleggen op het vormings- en bewustwordingswerk onder Nederlanders. Gezien het voorgaande ziet tweede ondergetekende niet in dat de subsidiëring van het WIS het beleid van zijn ambtgenoot van Justitie zou bemoeilijken. Thans zal ook duidelijk zijn dat de subsidie van de NCO niet wordt aangewend voor humanitaire hulp. Vereniging Milieu Defensie (VMD)/Landelijk Energie Komitee (LEK) In 1977 is voor het eerst tot gedeeltelijke subsidiëring van de VMD besloten door de toenmalige Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, na overleg met de toenmalige Ministers van Economische Zaken en van Volksgezondheid. De toekenning van subsidie aan beide organisaties heeft steeds plaatsgevonden, omdat zij in hun activiteiten in toenemende mate de milieuen energieproblematiek in mondiaal verband aan de orde zijn gaan stellen. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 17

18 Bij zorgvuldige lezing van het aangehaalde advies had duidelijk kunnen zijn dat voor 1981 de subsidietoekenning aan de VMD met name heeft plaatsgevonden voor het zogenaamde voedselproject. Dit project handelt over de milieuvervuilende en energie- en grondstoffenverspillende produktiewijze van de voedingsindustrie, waartegenover de situatie in de Derde Wereld wordt gsteld. Het aandeel, dat de VMD in de brede maatschappelijke discussie zou willen nemen, is door de NCO expliciet uit de subsidieaanvraag gelicht. Het Landelijk Energie Komitee besteedt vooral aandacht aan de noodzaak van een energiebeleid, dat niet alleen rekening houdt met de belangen van de Nederlandse bevolking, maar ook die van de ontwikkelingslanden. Dat beide organisaties actief willen participeren in de brede maatschappelijke discussie over het vraagstuk van de kernenergie, valt slechts toe te juichen. Zij zullen vanuit hun optiek die discussie slechts kunnen verrijken, juist ook vanwege die mondiale dimensie en het belang van de ontwikkelingslanden, dat zij zouden kunnen inbrengen. Concluderend kan tweede ondergetekende stellen dat de subsidietoekenning niet heeft plaatsgevonden om wille van de discussie over de kernenergie. Slechts vanwege het mondiale verband, waarin beide groepen de milieu- en energieproblematiek aan de orde stellen, acht tweede ondergetekende hun activiteiten in overeenstemming met het mandaat van de NCO. Dat de NCO bij dit alles zorgvuldig volgt of en hoe deze organisaties daarin slagen, heeft zijn volledige instemming. Zo had de NCO de aanvraag voor 1980 aanvankelijk slechts voor een halfjaar goedgekeurd, ten einde druk op de VMD uit te oefenen. VMD is onder andere via het meergenoemde voedselproject veel bewuster met de ontwikkelingsproblematiek aan de slag gegaan. Op het moment van besluitvorming over de subsidieaanvragen voor 1981 was er nog geen Voorzitter van de Stuurgroep BMD benoemd, zodat overleg met hem niet had kunnen plaatsvinden. De brede maatschappelijke discussie is door de Regering ook uitdrukkelijk breed bedoeld. Het kan derhalve slechts in de bedoeling van het de Regering liggen dat zowel de argumenten voor als tegen de kernenergie gehoord kunnen worden. De subsidie die, zoals reeds aangegeven, oo andere gronden is toegekend, is naar het inzicht van tweede ondergetekende dan ook niet strijdig met het door de Regering gevoerde beleid. Stichting Onderzoek Bedrijfstak Electrotechniek (SOBE) Doordat de geciteerde zinnen uit het geheel van de aanvraag van SOBE zijn gelicht, is het grotere verband verloren gegaan. Reeds meermalen is benadrukt dat, wil men bij bepaalde geledingen van de bevolking meer begrip voor en een dieper inzicht in de ontwikkelingsproblematiek tot stand brengen, vaak een vergelijking met de eigen situatie de meest doeltreffende invalshoek is. Uit de citaten zou de indruk kunnen ontstaan, dat SOBE ook actief is op het gebied van de materiële belangenbehartiging van de werknemers. Niets is echter minder waar. De voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten van SOBE zijn erop gericht de arbeiders een ruimer inzicht te verschaffen in niet alleen hun eigen arbeidssituatie, maar ook die van hun collega's in andere landen. Men richt zijn activiteiten op georganiseerde en ongeorganiseerde werknemers. De activiteiten van SOBE en de vakbeweging vullen elkaar aan, hetgeen onder meer blijkt uit de intensieve samenwerking van SOBE met bij voorbeeld de industriebond FNV. De vertegenwoordigers van de vakbeweging in de plenaire vergadering van de NCO volgen de ontwikkelingen van SOBE en vergelijkbare projecten nauwlettend. Tijdens de projectronde 1981 is aan deze categorie projecten nog afzonderlijke aandacht besteed door de plenaire vergadering. Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 18

19 B. Venceremos In Cuba bestaat de facto slechts één politieke partij, de Partido Comunista de Cuba, welke in artikel 5 van de Grondwet wordt omschreven als «marxistisch-leninistische voorhoede van de werkende klasse». De Grondwet doet geen uitspraak over de mogelijkheid om andere politieke partijen daarnaast op te richten. Artikel 61 doet echter vermoeden dat het in de praktijk nagenoeg onmogelijk moet worden geacht andere politieke partijen dan bovengenoemde legaal op te richten. Omdat de NCO slechts subsidies verschaft voor voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten in Nederland kan niet worden geconcludeerd dat tweede ondergetekende, zij het op indirecte wijze, de dictatuur in Cuba zou bevorderen. Hij wijst erop dat Venceremos in het bijzonder het sociaal economische ontwikkelingsmodel, zoals in Cuba toegepast, als mogelijk voorbeeld bekend wil stellen. Vanuit het oogmerk van de sociaal-economische ontwikkeling zijn een aantal successen van dat model, met name op het gebied van de gezondheidszorg, onderwijs en voeding, internationaal erkend. In de adviezen van de werkgroepen Vorming en Onderwijs van de NCO zijn bij verschillende gelegenheden vragen en voorwaarden voor wat betreft Venceremos geformuleerd inzake de vraag hoe Venceremos met de uit Cuba ontvangen informatie omgaat, welke aandacht bij voorbeeld wordt besteed aan politieke gevangenen, etc. Bekend is dat bij voorbeeld de Cubaanse rol in Afrika en de recente uittocht van Cubanen, die zich niet met het systeem konden verenigen, op ruime schaal binnen Venceremos aan de orde zijn geweest. In algemene zin heeft de NCO in publieke stukken zoals jaarverslagen al enige malen gewezen op de ook door haar gesignaleerde spanning tussen enerzijds het solidair zijn met een bepaalde beweging en anderzijds de wenselijkheid van een zo objectief mogelijke informatieverschaffing. In zijn brief NCO van 4 juli 1980, sub 9, aan de Voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal is tweede ondergetekende zelf ook nader op dit punt ingegaan mede aan de hand van het advies van het Adviescollege Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking over het door de NCO gevoerde beleid. Van een nieuwe politieke ontwikkeling c.q. van een nieuw Nederlands politiek beleid is niet de minste sprake. Wel vormen, zoals de Kamer bekend is, overwegingen van buitenlandse politiek beleid van de Regering zelf geen afwijzingsgrond meer voor de bij de NCO ingediende subsidieaanvragen. Waar nodig worden deze subsidieaanvragen wel getoetst aan de overeengekomen subsidievoorwaarden van volkenrechtelijke aard. In zijn voornoemde brief aan de Voorzitters van beide Kamers heeft tweede ondergetekende geconcludeerd dat door de NCO geen aanvragen waren goedgekeurd, die strijdigheid vertoonden met deze overeengekomen subsidievoorwaarden. Het is een goed gebruik dat over dit soort zaken binnen een en hetzelfde ministerie overleg plaatsvindt. De uiteindelijke beslissing komt echter uitsluitend voor verantwoordelijkheid van tweede ondergetekende. Gezien het voorgaande behoefde deze vraag eigenlijk geen verdere beantwoording. In de praktijk van de laatste jaren is van schade in de veronderstelde zin niet gebleken. In dit verband moge nog eens uitdrukkelijk de subsidievoorwaarden van volkenrechtelijke aard en de toetsing daaraan van onder meer de aanvraag van Venceremos in herinnering worden gebracht. Polisario Komitee Naar de mening van tweede ondergetekende is het van groot belang dat visies van bepaalde bevolkingsgroepen ook ter kennis kunnen worden gebracht aan politieke partijen. De bewustwordingsactiviteiten van actiegroepen brengen dan ook in bepaalde gevallen met zich mee dat druk wordt uitgeoefend, ten einde zekere doelstellingen te realiseren. Het uitoefenen van dergelijke druk is naar het oordeel van tweede ondergetekende een aanvaard instrument in een moderne samenleving. Hij acht het derhalve niet onjuist dat de NCO subsidies verleent ten behoeve van dergelijke activiteiten. Eerste Kamer, zitting ,16400V, nr. 88h 19

20 Zoals reeds gememoreerd vormen overwegingen van buitenlands politiekbeleid zijdens de Regering geen afwijzingsgrond meer voor de bij de NCO ingediende subsidieaanvragen. Tweede ondergetekende moge er overigens ten overvloede op wijzen dat de Nederlandse Regering in deze het zelfbeschikkingsrecht van de Saharaanse bevolking steeds onderschreven heeft, zonder dat daardoor de aanspraken van het Frente Polisario, waarmee het Komitee zich solidair verklaart, worden onderschreven. De hierboven genoemde opmerkingen over de spanning tussen enerzijds het solidair zijn met een bepaalde beweging en anderzijds de wenselijkheid van een zo objectief mogelijke informatieverschaffing, lijkt ook hier ter zake. Tot dusver is ondergetekenden niet gebleken dat de bedoelde steunverlening de goede betrekkingen met Marokko heeft geschaad. Het is algemeen bekend dat het Frente Polisario bij zijn strijd in aanzienlijke mate gebruik maakt van wapens die in de Sovjet-Unie gefabriceerd zijn. Over de subsidieverlening aan het Polisario Komitee is tussen ons overleg gevoerd. De Koninklijke Bos-Kalis/Westminstergroep heeft het vorig jaar, zoals algemeen bekend, afgezien van de aanleg van een haven in El Ayoun. Het valt echter buiten de beoordeling van tweede ondergetekende of activiteiten van het Polisario Komitee op deze beslissing van invloed zijn geweest. De vraag kan in die zin bevestigend worden beantwoord dat de doelstelling van het beleid in deze is dat de Nederlandse bevolking een ruimer inzicht kan verwerven in de problematiek van de Derde Wereld in ruime zin. Zonder dat de door het Polisario Komitee uitgedragen boodschap kan worden onderschreven, kan wel worden gesteld dat voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten, zoals die ontwikkeld door het Komitee, in beginsel een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van die doelstelling. C. Kritische Gemeente Umond Tweede ondergetekende is bekend dat gedurende de laatste jaren de activiteiten van de Kritische Gemeente Umond met name gericht waren op de volgende onderwerpen: Zuidelijk-Afrika, Amnesty-groepen, vluchtelingen uit Latijns-Amerika, buitenlandse werknemers, kinderen in de Derde Wereld, Leprabestrijding in Thailand, interkerkelijke werkdagen over de ontwikkelingsproblematiek, Chili, Tanzania en India. Hij is niet van mening dat het voeren van politieke acties alleen op het terrein ligt van de politieke partijen. De Kritische Gemeente Umond is een kerkgemeente, die de maatschappelijke betrokkenheid, ook op individueel niveau, nadrukkelijk in zijn werk wenst te integreren. De problematiek van de Derde Wereld acht men een belangrijk onderdeel daarvan. Naast het financieel ondersteunen van projecten in de Derde Wereld, wordt door KGIJ als bijdrage van de leden gezien het bevorderen van het bewustwordingswerk in Nederland, maar ook het opkomen voor verdrukte groeperingen in de Nederlandse maatschappij, zoals vluchtelingen, buitenlandse werknemers, etc. De NCO-subsidie is toegekend juist vanwege de betrokkenheid van de activiteiten van KGIJ op de ontwikkelingsproblematiek, hetgeen de instemming van tweede ondergetekende heeft. Overigens is het goed er eens op te wijzen dat de NCO-subsidie slechts ca. 20% betreft van het totale budget van KGIJ, dat grotendeels door de leden zelf wordt opgebracht. In een recent onderzoek van het bisdom Haarlem over de maatschappelijke betrokkenheid van de kerken is de KGIJ ten voorbeeld gesteld. De bemoeienis van KGIJ met de genoemde groepen in Alkmaar en Beverwijk kwam voort uit de bovenvermelde maatschappelijke betrokkenheid. De ervaringen, die KGIJ met deze personen heeft opgedaan, hebben geleerd dat bewustwording bij dergelijke groepen in het algemeen moeilijk op gang te brengen is door personen, die buiten die groepen zelf staan. Uit de aanvraag van KGIJ en het advies daarover blijkt overduidelijk, dat het niet gaat om het verspreiden van een «Oostduitse visie». Het betreft wel Eerste Kamer, zitting , 16400V, nr. 88h 20

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST EN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST AF/EEE/BG/RO/DC/nl 1 BETREFFENDE DE TIJDIGE BEKRACHTIGING VAN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE

Nadere informatie

15414/14 van/mak/sv 1 DG D 2A

15414/14 van/mak/sv 1 DG D 2A Raad van de Europese Unie Brussel, 20 november 2014 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2012/0360 (COD) 15414/14 JUSTCIV 285 EJUSTICE 109 CODEC 2225 NOTA van: aan: het voorzitterschap het Comité van

Nadere informatie

1. Punt 43: Samenwerking in het kader van een gezamenlijk team waarbij functionarissen van Europol betrokken zijn

1. Punt 43: Samenwerking in het kader van een gezamenlijk team waarbij functionarissen van Europol betrokken zijn RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 5 april 2000 (17.04) (OR. en) 7316/00 LIMITE EUROPOL 4 NOTA van: Europol aan: de Groep Europol nr. vorig doc.: 5845/00 EUROPOL 1 + ADD 1 + ADD 2 + ADD 3 Betreft: Artikel

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.3.2003 COM(2003) 114 definitief 2003/0050 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de statistische gegevens die moeten worden gebruikt

Nadere informatie

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST 443 der Beilagen XXIII. GP - Staatsvertrag - 91 niederländische Erklärungen (Normativer Teil) 1 von 13 EN VAN DE HUIDIGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN EN DE NIEUWE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BIJ DE

Nadere informatie

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Controleverordening Randstedelijke Rekenkamer De Randstedelijke Rekenkamer besluit: overwegende dat: op grond van de wet van 2 juli 2003, Stb.

Nadere informatie

We willen na twee jaar wel bezien in hoeverre de doorgevoerde maatregelen het beoogde effect hebben gehad.

We willen na twee jaar wel bezien in hoeverre de doorgevoerde maatregelen het beoogde effect hebben gehad. 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.rijksoverheid.nl/venj

Nadere informatie

Conclusies van de Coördinatie Commissie voor Europese. De Coördinatie Commissie h e e f t op 29 maart de v o l g e n de onderwerpen "behandeld:

Conclusies van de Coördinatie Commissie voor Europese. De Coördinatie Commissie h e e f t op 29 maart de v o l g e n de onderwerpen behandeld: Conclusies van de Coördinatie Commissie voor Europese I n t e g r a t i e - en A s s o c i a t i e p r o b l e m e n van 29 maart 1976 De Coördinatie Commissie h e e f t op 29 maart de v o l g e n de onderwerpen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1981-1982 16 720 Verslag van de Algemene Rekenkamer over 1980 Nr. 22 ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Ontvangen 15 december 1981 De door de vaste

Nadere informatie

Reglement Raad van Bestuur

Reglement Raad van Bestuur Reglement Raad van Bestuur vergadering van 24 oktober 2005 Pagina 1 van 7 Inhoudsopgave: pagina Hoofdstuk 1 Bestuurstaak 3 Hoofdstuk 2 Verantwoording en Verantwoordelijkheid 3 Hoofdstuk 3 Besluitvorming

Nadere informatie

13395/2/01 REV 2 ADD 1 gys/hb/dm 1 DG I

13395/2/01 REV 2 ADD 1 gys/hb/dm 1 DG I RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 14 december 2001 (08.01) (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2000/0227 (COD) 13395/2/01 REV 2 ADD 1 ENV 528 CODEC 1098 Betreft: Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie Nr. 1474 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE

Nadere informatie

Standaard Eurobarometer 80. DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË

Standaard Eurobarometer 80. DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË Standaard Eurobarometer 80 DE PUBLIEKE OPINIE IN DE EUROPESE UNIE Najaar 2013 NATIONAAL RAPPORT BELGIË Opiniepeiling besteld en gecoördineerd door de Europese Commissie, Directoraat-generaal Communicatie.

Nadere informatie

Reglement van het Verantwoordingsorgaan

Reglement van het Verantwoordingsorgaan Reglement van het Verantwoordingsorgaan Per 3 december 2014 Inhoudsopgave Hoofdstuk I Algemene bepalingen 3 Artikel 1 Begripsbepalingen 3 Artikel 2 Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter 4 Artikel 3

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1974-1975 13 412 Protocol van de regeringsconferentie Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, van 20 en 21 mei te Paramaribo, en de conclusies van het

Nadere informatie

Reglement deelnemersraad BPF Bouw

Reglement deelnemersraad BPF Bouw Reglement deelnemersraad BPF Bouw Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: Stichting: Bestuur: Statuten: Pensioenreglement: Deelnemers: Pensioengerechtigden: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds

Nadere informatie

Associatie Raamwerk Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en MERCOSUR

Associatie Raamwerk Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en MERCOSUR Associatie Raamwerk Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en MERCOSUR De Argentijnse Republiek, de Federatieve Republiek Brazilië, de Republiek Paraguay, de Republiek ten oosten van de Uruguay, de

Nadere informatie

Reglement Raad van Toezicht. Stichting Hogeschool Leiden CONCEPT 140331 ALGEMEEN

Reglement Raad van Toezicht. Stichting Hogeschool Leiden CONCEPT 140331 ALGEMEEN Reglement Raad van Toezicht Stichting Hogeschool Leiden ALGEMEEN Artikel 1. Algemene bepalingen 1. Dit reglement is het Huishoudelijk Reglement van de Raad van Toezicht, bedoeld in artikel 15 van de Statuten

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag > Retouradres Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving Afdeling Wetgeving Staatsinrichting en Bestuur Turfmarkt

Nadere informatie

Convenant verhaalsrecht BSA en Verbond 2015 Convenant verhaalsrecht BSA en Verbond

Convenant verhaalsrecht BSA en Verbond 2015 Convenant verhaalsrecht BSA en Verbond Convenant verhaalsrecht BSA en Verbond 2015 Vertrouwelijk 1 Alleen voor intern gebruik Overwegingen: BSA pleegt voor werkgevers (waaronder de overheid) onder meer loonregres ex. artikel 2 Verhaalswet ongevallen

Nadere informatie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie ADVIES Rolnummer: RP 073 DE BEDRIJFSCOMMISSIEKAMER VOOR RIJK EN POLITIE, ADVISERENDE NAAR AANLEIDING VAN EEN VERZOEK OM BEMIDDELING INZAKE EEN

Nadere informatie

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: Besluit van de Raad tot toekenning van aanvullende macro-financiële bijstand aan Moldavië

WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: Besluit van de Raad tot toekenning van aanvullende macro-financiële bijstand aan Moldavië RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 13 juni 2000 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 99/0213 (CNS) 9028/00 LIMITE ECOFIN 137 NIS 66 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: Besluit van de Raad

Nadere informatie

Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst

Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst AAN: De Centrales van Overheidspersoneel, toegelaten tot het Sectoroverleg Rijkspersoneel De Voorzitter van het Sectoroverleg Rijkspersoneel Bijlagen 1 AAC/92.064

Nadere informatie

Reglement Auditcommissie Raad van Commissarissen MN

Reglement Auditcommissie Raad van Commissarissen MN Reglement Auditcommissie Raad van Commissarissen MN Dit reglement is op grond van artikel 8.3 het reglement van de Raad van Commissarissen vastgesteld door middel van een besluit van de Raad van Commissarissen

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 26 april 2002 (02.05) (OR. en) 8318/02 LIMITE PROCIV 16 FSTR 3

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 26 april 2002 (02.05) (OR. en) 8318/02 LIMITE PROCIV 16 FSTR 3 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 26 april 2002 (02.05) (OR. en) 8318/02 LIMITE PROCIV 16 FSTR 3 RESULTAAT BESPREKINGEN van: Groep civiele bescherming d.d.: 16 april 2002 nr. vorig doc.: 7573/02 prociv

Nadere informatie

Klachtenregeling. Directeur De directeur van Pool Management & Organisatie b.v.

Klachtenregeling. Directeur De directeur van Pool Management & Organisatie b.v. Klachtenregeling Inleiding Klachtenregeling Pool Management Academy inzake cursussen, trainingen, opleidingen, coaching of begeleidingstrajecten, uitgevoerd door Pool Management Academy in opdracht van

Nadere informatie

College voor geschillen medezeggenschap defensie

College voor geschillen medezeggenschap defensie ADVIES Dossiernr: Advies van het College voor geschillen medezeggenschap defensie aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten naar aanleiding van een verzoek om advies inzake een tussen: de Commandant Maritieme

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1993-1994 23 5O1 Wijziging van hoofdstuk IV (Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten

Nadere informatie

Convenant met BSA Schaderegelingsbureau B.V. inzake het standaardiseren van processen van werkgeversregres

Convenant met BSA Schaderegelingsbureau B.V. inzake het standaardiseren van processen van werkgeversregres Convenant met BSA Schaderegelingsbureau B.V. inzake het standaardiseren van processen van werkgeversregres Convenant tussen BSA en Verbond van Verzekeraars Overwegingen: BSA pleegt voor werkgevers (waaronder

Nadere informatie

PUBLIC RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 19 april 2006 (24.04) (OR. en) 8478/06 LIMITE VISA 109 FRONT 80 COMIX 383. NOTA het secretariaat-generaal

PUBLIC RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 19 april 2006 (24.04) (OR. en) 8478/06 LIMITE VISA 109 FRONT 80 COMIX 383. NOTA het secretariaat-generaal Conseil UE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 19 april 2006 (24.04) (OR. en) PUBLIC 8478/06 LIMITE VISA 109 FRONT 80 COMIX 383 NOTA van: aan: vorig doc. Betreft: het secretariaat-generaal de Raad 8277/06

Nadere informatie

Algemene voorwaarden

Algemene voorwaarden Algemene voorwaarden Partijen: Raadgevend bureau Borgdorff en opdrachtgever, Verder te noemen Raadgevend bureau Borgdorff en O, verklaren in het kader van het verlenen van een opdracht tot dienstverlening

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1980-1981 16815 Toelatingscriteria numerus fixus-studierichtingen voor het studiejaar 1981-1982 Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 13 maart 2000 (OR. en) 6485/00 Interinstitutioneel dossier: 99/0172 (CNS) LIMITE ECOFIN 56 NIS 30

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 13 maart 2000 (OR. en) 6485/00 Interinstitutioneel dossier: 99/0172 (CNS) LIMITE ECOFIN 56 NIS 30 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 13 maart 2000 (OR. en) 6485/00 Interinstitutioneel dossier: 99/0172 (CNS) LIMITE ECOFIN 56 NIS 30 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: Besluit van de Raad

Nadere informatie

Commissiereglement NBA

Commissiereglement NBA Commissiereglement NBA 1. Grondslag 1.1 Dit reglement kent als grondslag artikel 11, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep. Daarin is bepaald dat het bestuur de NBA bestuurt. 2. Overwegingen

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

WET OP HET OVERLEG HUURDERS- VERHUURDER

WET OP HET OVERLEG HUURDERS- VERHUURDER WET OP HET OVERLEG HUURDERS- VERHUURDER Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a) Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting,

Nadere informatie

2013, nr. 53. Gelet op artikel 158 van de Provinciewet en het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht;

2013, nr. 53. Gelet op artikel 158 van de Provinciewet en het bepaalde in afdeling 10.1.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht; Uitgegeven: 5 september 2013 2013, nr. 53 PROVINCIAAL BLAD VAN FRYSLÂN Mandaatbesluit Stelsel Natuur en Landschap 2013 Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân van 20 augustus 2013, nr.

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG. Datum 2 november 2009 Onderwerp Verkeersveiligheid landbouwverkeer

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG. Datum 2 november 2009 Onderwerp Verkeersveiligheid landbouwverkeer a > Retouradres: Postbus 2090, 2500 EX Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 253 AA DEN HAAG Plesmanweg -6 2597 JG Den Haag Postbus 2090 2500 EX Den Haag T 070 35 6

Nadere informatie

BESLUIT COLLEGE VAN BESTUUR

BESLUIT COLLEGE VAN BESTUUR BESLUIT COLLEGE VAN BESTUUR Nummer : 743 Paraaf: Onderwerp : Klachtenregeling en Reglement van orde klachtencommissie Besluit : Het College van Bestuur besluit tot vaststelling van de Klachtenregeling

Nadere informatie

Ontwerp van samenwerkingsakkoord

Ontwerp van samenwerkingsakkoord Ontwerp van samenwerkingsakkoord Tussen: de Franse Gemeenschap Vertegenwoordigd door Mevrouw Fadila LAANAN, Minister van Cultuur, Audiovisuele Zaken, Gezondheid en Gelijkheid van Kansen En: de Vlaamse

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 5 februari 2008 (07.02) (OR. en) 5952/08 JUR 25 COUR 1

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 5 februari 2008 (07.02) (OR. en) 5952/08 JUR 25 COUR 1 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 5 februari 2008 (07.02) (OR. en) 5952/08 JUR 25 COUR 1 BEGELEIDENDE NOTA van: de heer V. SKOURIS, Voorzitter van het Hof van Justitie d.d.: 4 februari 2008 aan: de heer

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011. Rapportnummer: 2011/233

Rapport. Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011. Rapportnummer: 2011/233 Rapport Rapport over een klacht over de directeur van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. Datum: 4 augustus 2011 Rapportnummer: 2011/233 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de directeur van Bureau Jeugdzorg

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 30 oktober 2003 (03.11) (OR. it) 11051/4/03 REV 4 CORDROGUE 66

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 30 oktober 2003 (03.11) (OR. it) 11051/4/03 REV 4 CORDROGUE 66 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 30 oktober 2003 (03.11) (OR. it) 11051/4/03 REV 4 CORDROGUE 66 NOTA van: aan: Betreft: het Italiaanse voorzitterschap de horizontale Groep drugs Ontwerp-resolutie van

Nadere informatie

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Datum: 22 april 2013 Betreft: Beleidsreactie op het advies "De

Nadere informatie

Convenant loonregres

Convenant loonregres Overwegingen: Aon pleegt voor werkgevers onder meer loonregres ex. artikel artikel 6:107a BW; Aon is van mening dat er op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW voor de zogenaamde buitengerechtelijke

Nadere informatie

Afspraken tussen de regeringen van Aruba en Nederland over de openbare financiën van Aruba.

Afspraken tussen de regeringen van Aruba en Nederland over de openbare financiën van Aruba. Afspraken tussen de regeringen van Aruba en Nederland over de openbare financiën van Aruba. De regering van Aruba, in deze vertegenwoordigd door de Minister President van Aruba, de heer M.G. Eman, evenals

Nadere informatie

Communicatieplan Energie- & CO 2

Communicatieplan Energie- & CO 2 Communicatieplan Energie- & CO beleid Versie 9 - Januari 013 Akkoord Directie: Inhoud: 1. Inleiding 1.1 Ambitie 1. Aansluiting op de marktontwikkelingen 1.3 Doelstellingen en voorgenomen acties in 01 1.4

Nadere informatie

CONCEPT. De Minister van Veiligheid en Justitie, Gelet op artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie: Besluit:

CONCEPT. De Minister van Veiligheid en Justitie, Gelet op artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie: Besluit: directoraat-generaal Veiligheid Personeel & Materieel CONCEPT Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van DGV Politie/Personeel en Materieel, houdende invoering van de Tijdelijke regeling functieonderhoud

Nadere informatie

Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet. van de RUD Zuid-Limburg

Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet. van de RUD Zuid-Limburg Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet van de RUD Zuid-Limburg Voorwoord Het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling RUD Zuid-Limburg (GR) dient volgens

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1981-1982 17 333 Voorstel van Wet van het lid Wilbers tot wijziging van de Omroepwet inzake de verdeelsleutel voor de verdeling van de zendtijd onder de omroeporganisaties

Nadere informatie

REGLEMENT PLEEGOUDERRAAD versie 01032004

REGLEMENT PLEEGOUDERRAAD versie 01032004 REGLEMENT PLEEGOUDERRAAD versie 01032004 VOORZIENING VOOR PLEEGZORG NOORDOOST-BRABANT/STICHTING OOSTERPOORT Artikel 1. In dit reglement wordt verstaan onder: a. de instelling de Stichting Oosterpoort te

Nadere informatie

Reglement voor de Raad van Commissarissen van Rentree

Reglement voor de Raad van Commissarissen van Rentree Reglement voor de Raad van Commissarissen van Rentree Artikel 1 Vaststelling en reikwijdte reglement 1. Dit reglement is vastgesteld en goedgekeurd in de vergadering van de Raad van Commissarissen d.d.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 23 432 De situatie in het Midden-Oosten Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 11 november 2010 (16.11) (OR. en) 15697/1/10 REV 1 ENER 301 CONSOM 100

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 11 november 2010 (16.11) (OR. en) 15697/1/10 REV 1 ENER 301 CONSOM 100 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 11 november 2010 (16.11) (OR. en) 15697/1/10 REV 1 ENER 301 CONSOM 100 NOTA van: aan: Betreft: het secretariaat-generaal van de Raad de delegaties Een energiebeleid voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 21 501-21 Jeugdraad Nr. 7 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

OORDEEL. De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008.

OORDEEL. De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008. Dossiernummer 38-2008 OORDEEL Verzoeker Mevrouw O. Hengelo Datum verzoek De klachtenbrief is gedateerd 6 mei 2008 en bij het secretariaat ingeboekt op 8 mei 2008 onder nummer 38-2008. Betreft Het verzoek

Nadere informatie

Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel ONTWERPVERSLAG

Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel ONTWERPVERSLAG PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING ACS-EU Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel ACP-UE/101.868/B 19.3.2015 ONTWERPVERSLAG over de financiering van de investeringen en de handel, met

Nadere informatie

Londen, 4 november 2004

Londen, 4 november 2004 Ref: lon-pa/031104/001 Londen, 4 november 2004 Mijnheer, Ik heb de eer te verwijzen naar de tekst van de voorgestelde Modelovereenkomst tussen de Regering van Anguilla en de Regering van het Koninkrijk

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 Den Haag Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag Postbus 20061 Nederland www.rijksoverheid.nl Uw Referentie 2015Z08639 Datum 27 mei 2015

Nadere informatie

TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER N E D ERLAND E N. JAARGANG 1961 Nr. 155

TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER N E D ERLAND E N. JAARGANG 1961 Nr. 155 31 (1946) Nr. 1 TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER N E D ERLAND E N JAARGANG 1961 Nr. 155 A. TITEL Protocol tot wijziging van de Overeenkomsten, Verdragen en Protocollen inzake verdovende middelen, gesloten

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 21459 31 juli 2014 Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Kansspelautoriteit, vastgesteld op grond van afdeling

Nadere informatie

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD EUROPESE COMMISSIE Brussel, 17.2.2014 COM(2014) 70 final 2014/0036 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst

Nadere informatie

ONDERHANDELINGEN OVER DE TOETREDING VAN BULGARIJE EN ROEMENIË TOT DE EUROPESE UNIE

ONDERHANDELINGEN OVER DE TOETREDING VAN BULGARIJE EN ROEMENIË TOT DE EUROPESE UNIE ONDERHANDELINGEN OVER DE TOETREDING VAN BULGARIJE EN ROEMENIË TOT DE EUROPESE UNIE Brussel, 31 maart 2005 (OR. en) AA 23/2/05 REV 2 TOETREDINGSVERDRAG: SLOTAKTE ONTWERP VAN WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE

Nadere informatie

Reglement College van Bestuur. Onderwijsstichting Esprit

Reglement College van Bestuur. Onderwijsstichting Esprit Reglement College van Bestuur Onderwijsstichting Esprit Amsterdam, vastgesteld, na goedkeuring door de Raad van Toezicht op 4 december 2015, door het College van Bestuur in haar vergadering van 7 december

Nadere informatie

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid AV/IR/2003/20105. Datum 10 maart 2003

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid AV/IR/2003/20105. Datum 10 maart 2003 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a DEN HAAG Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon (070) 333

Nadere informatie

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP. 5 MEI 2000. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de transactiesom inzake ruimtelijke ordening

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP. 5 MEI 2000. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de transactiesom inzake ruimtelijke ordening MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 5 MEI 2000. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de transactiesom inzake ruimtelijke ordening Advies van de Raad van State De raad van State, afdeling wetgeving,

Nadere informatie

11263/08 ADD 1 mak/gar/hd 1 DG I - 2 B

11263/08 ADD 1 mak/gar/hd 1 DG I - 2 B RAAD VA DE EUROPESE U IE Brussel, 13 oktober 2008 (21.10) (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2007/0163 (COD) 11263/08 ADD 1 EDUC 173 MED 39 SOC 385 PECOS 16 CODEC 895 O TWERP-MOTIVERI G VA DE RAAD Betreft:

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 234 Ontwikkelingssamenwerkingsbeleid voor de komende jaren Nr. 21 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWER- KING Aan de Voorzitter van

Nadere informatie

inachtneming van het bepaalde in artikel 4 voorlegt aan de geschillencommissie.

inachtneming van het bepaalde in artikel 4 voorlegt aan de geschillencommissie. Geschillenreglement VViN Artikel 1 - Definities In dit reglement gelden de volgende definities: 1. Eiser: de partij die een verzoek tot beslechting als bedoeld in lid 7 van dit artikel met inachtneming

Nadere informatie

196 der Beilagen XXIV. GP - Staatsvertrag - 44 Schlussakte samt Erklärungen - Niederländisch (Normativer Teil) 1 von 10 SLOTAKTE.

196 der Beilagen XXIV. GP - Staatsvertrag - 44 Schlussakte samt Erklärungen - Niederländisch (Normativer Teil) 1 von 10 SLOTAKTE. 196 der Beilagen XXIV. GP - Staatsvertrag - 44 Schlussakte samt Erklärungen - Niederländisch (Normativer Teil) 1 von 10 SLOTAKTE AF/CE/BA/nl 1 2 von 10 196 der Beilagen XXIV. GP - Staatsvertrag - 44 Schlussakte

Nadere informatie

BIJLAGE. bij het. Voorstel voor een besluit van de Raad

BIJLAGE. bij het. Voorstel voor een besluit van de Raad EUROPESE COMMISSIE Brussel, 5.3.2015 COM(2015) 103 final ANNEX 1 BIJLAGE bij het Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde

Nadere informatie

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen

Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Regeling met België inzake ontslaguitkeringen Besluit 22-06-2006 nr CPP2006-1404 Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling. Sector Ontwerp. Aspectgebied Internationaal belastingrecht

Nadere informatie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Rijk en Politie Rolnummer: RP98.041 DE BEDRIJFSCOMMISSIEKAMER VOOR RIJK EN POLITIE, ADVISERENDE NAAR AANLEIDING VAN EEN VERZOEK OM BEMIDDELING INZAKE EEN GESCHIL

Nadere informatie

Auteur. Onderwerp. Datum

Auteur. Onderwerp. Datum Auteur Stefan Nerinckx Onderwerp Het toepasselijk recht op verbintenissen voortvloeiend uit (internationale) arbeidsovereenkomsten: een nieuwe Europese verordening in de maak? Datum april 2005 Copyright

Nadere informatie

Beantwoording vragen Tweede Kamer bij rapport Financiering onderwijs vernieuwingen voortgezet onderwijs 1990-2007 (30 november 2007)

Beantwoording vragen Tweede Kamer bij rapport Financiering onderwijs vernieuwingen voortgezet onderwijs 1990-2007 (30 november 2007) Algemene Rekenkamer Lange Voorhout 8 Postbus 20015 2500 EA Den Haag T 070-3424344 BEZORGEN F 070-3424130 De Voorzitter van de Tweede Kamer E voorljchting@rekenkamer.ni der Staten-Generaal w www.rekenkamer.ni

Nadere informatie

Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING

Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING 1. Leden 1.01 Ieder lid heeft recht op: a. een uitnodiging voor toegang tot Algemene Vergaderingen en andere voor de leden georganiseerde

Nadere informatie

Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag

Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag Publicatieblad Nr. L 225 van 12/08/1998 blz. 0016-0021 DE RAAD VAN

Nadere informatie

INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal)

INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Blad 1 INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Heden, ***, verscheen voor mij, mr. **, notaris te **: **, te dezen handelend als schriftelijk

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten Generaal

Tweede Kamer der Staten Generaal Tweede Kamer der Staten Generaal Vergaderjaar 1988-1989 20 214 Hoger onderwijs en onderzoek plan Nr. 15 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

vrom030224 Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 11 april 2003

vrom030224 Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 11 april 2003 vrom030224 Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 11 april 2003 Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen d.d. 12 maart jl. gesteld door de commissie voor Volkshuisvesting,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1978-1979 15116 Wijziging van de Wet van 24 oktober 1973, Stb. 537, houdende machtiging tot deelneming van de Staat in het EG-mechanisme voor financiële bijstand

Nadere informatie

Gemeenschappelijke Raadszitting van donderdag 2 mei 2002 ----------------------------------------------------------------------------------

Gemeenschappelijke Raadszitting van donderdag 2 mei 2002 ---------------------------------------------------------------------------------- CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN NATIONALE ARBEIDSRAAD ADVIES Nr. 1.402 Gemeenschappelijke Raadszitting van donderdag 2 mei 2002 ----------------------------------------------------------------------------------

Nadere informatie

EUROPEES PARLEMENT. Zittingsdocument 11.1.2006 B6-0038/2006 ONTWERPRESOLUTIE. naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B6-0345/2005

EUROPEES PARLEMENT. Zittingsdocument 11.1.2006 B6-0038/2006 ONTWERPRESOLUTIE. naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B6-0345/2005 EUROPEES PARLEMENT 2004 Zittingsdocument 2009 11.1.2006 B6-0038/2006 ONTWERPRESOLUTIE naar aanleiding van vraag voor mondeling antwoord B6-0345/2005 ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het

Nadere informatie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen ADVIES Rolnummer: LPL 98.039 DE BEDRIJFSCOMMISSIEKAMER VOOR DE OVERHEID VOOR LAGERE PUBLIEKRECHTELIJKE LICHAMEN, ADVISERENDE

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1977-1978 15 099 Goudherwaardering Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage, 13juli 1978

Nadere informatie

REGLEMENT AUDIT, RISK & COMPLIANCE COMMISSIE PGGM N.V. 26 november 2013

REGLEMENT AUDIT, RISK & COMPLIANCE COMMISSIE PGGM N.V. 26 november 2013 REGLEMENT AUDIT, RISK & COMPLIANCE COMMISSIE PGGM N.V. 26 november 2013 Inhoudsopgave 1. Algemeen... 3 2. Taken en bevoegdheden... 3 3. Samenstelling... 6 4. De voorzitter... 7 5. De secretaris... 7 6.

Nadere informatie

Presentatie onderdirecteur Handel, Mw. Mr. H. Djosetiko voor de ASFA workshop op 20 oktober 2004. Lokatie: Ballroom Hotel Torarica

Presentatie onderdirecteur Handel, Mw. Mr. H. Djosetiko voor de ASFA workshop op 20 oktober 2004. Lokatie: Ballroom Hotel Torarica Presentatie onderdirecteur Handel, Mw. Mr. H. Djosetiko voor de ASFA workshop op 20 oktober 2004. Lokatie: Ballroom Hotel Torarica Voorzitter ASFA, dagvoorzitter Etc, Dames en heren,.. Goedemorgen, Met

Nadere informatie

Portefeuillehouder: M.A.P. Michels Behandelend ambtenaar J. van der Meer, 0595 447719 gemeente@winsum.nl (t.a.v. J. van der Meer)

Portefeuillehouder: M.A.P. Michels Behandelend ambtenaar J. van der Meer, 0595 447719 gemeente@winsum.nl (t.a.v. J. van der Meer) Vergadering: 11 december 2012 Agendanummer: 12 Status: Besluitvormend Portefeuillehouder: M.A.P. Michels Behandelend ambtenaar J. van der Meer, 0595 447719 E mail: gemeente@winsum.nl (t.a.v. J. van der

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 637 Casinospelen Nr. 2 Het vroegere stuk is gedrukt in de zitting 1978-1979 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de heer Voorzitter

Nadere informatie

Intentieverklaring. inzake onderwijssamenwerking tussen Nederland en Vlaanderen

Intentieverklaring. inzake onderwijssamenwerking tussen Nederland en Vlaanderen Intentieverklaring van de Nederlandse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dr. Jet Bussemaker en de Vlaamse minister van Onderwijs en viceministerpresident van de Vlaamse Regering, Hilde Crevits,

Nadere informatie

BEMIDDELINGSOVEREENKOMST. mr. [naam en achternaam], advocaat-scheidingsmediator, kantoorhoudende te [woonplaats], aan de [straat en huisnummer],

BEMIDDELINGSOVEREENKOMST. mr. [naam en achternaam], advocaat-scheidingsmediator, kantoorhoudende te [woonplaats], aan de [straat en huisnummer], BEMIDDELINGSOVEREENKOMST De ondergetekenden: mr. [naam en achternaam], advocaat-scheidingsmediator, kantoorhoudende te [woonplaats], aan de [straat en huisnummer], en de partners: [naam en achternaam],

Nadere informatie

2. OFFERTES, OPDRACHTBEVESTIGINGEN EN WIJZIGING IN GEGEVEN OPDRACHTEN

2. OFFERTES, OPDRACHTBEVESTIGINGEN EN WIJZIGING IN GEGEVEN OPDRACHTEN ALGEMENE VOORWAARDEN Bianca Moolman - Personal Organiser Den Haag, 1 oktober 2015 1. TOEPASSING Deze algemene voorwaarden, zijn, tenzij anders is overeengekomen, van toepassing op alle offertes en overeenkomsten

Nadere informatie

De Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken De heer Mr. F. Korthals Altes Postbus 20061 2500 EB Den Haag. Den Haag, november 2004

De Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken De heer Mr. F. Korthals Altes Postbus 20061 2500 EB Den Haag. Den Haag, november 2004 De Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken De heer Mr. F. Korthals Altes Postbus 20061 2500 EB Den Haag Den Haag, november 2004 Hierbij dank ik u mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Nadere informatie

OPENINGSTOESPAAK VAN DE MINISTER VAN HANDEL EN INDUSTRIE Z.E. DHR. DRS C. P

OPENINGSTOESPAAK VAN DE MINISTER VAN HANDEL EN INDUSTRIE Z.E. DHR. DRS C. P OPENINGSTOESPAAK VAN DE MINISTER VAN HANDEL EN INDUSTRIE Z.E. DHR. DRS C. P. MARICA BIJ DE OPENING VAN HET CONGRES DUURZAME ONTWIKKELING OP DONDERDAG 29 MEI 2008 Collega ministers, overige hoogwaardigheidsbekleders,

Nadere informatie

CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX.

CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX. CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX. Blz. 1 van 6 Controleverordening Avalex art 213 gemeentewet 2014 Inhoud Artikel 1 Definities... 3 Artikel 2 Opdrachtverlening

Nadere informatie

Overeenkomst vredes- en humanitaire operaties 2003

Overeenkomst vredes- en humanitaire operaties 2003 Overeenkomst vredes- en humanitaire operaties 2003 Overeenkomst vredes- en humanitaire operaties De ondergetekenden: a. De Staat der Nederlanden, gevestigd te s-grevenhage, in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd

Nadere informatie

Stichting Emda. Beknopt Jaarverslag 2014. Network for European Monitoring and Development Assistance EMDA. Voorwoord

Stichting Emda. Beknopt Jaarverslag 2014. Network for European Monitoring and Development Assistance EMDA. Voorwoord Stichting Emda Beknopt Jaarverslag 2014 Voorwoord De nieuwe publicatieplicht voor een ANBI-status geeft vooral bij kleinere NGO s, zoals de Stichting Emda, nogal extra administratieve en organisatorische

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 997 Machtiging van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tot oprichting van een stichting Fonds voor de scheppende toonkunst

Nadere informatie

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen?

2. Wat zijn per sector/doelgroep de algemene inzichten ten aanzien van de inhoud van de continuïteitsplannen? Samenvatting Aanleiding en onderzoeksvragen ICT en elektriciteit spelen een steeds grotere rol bij het dagelijks functioneren van de maatschappij. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Ministerie

Nadere informatie