Zitting Verslag van de Algemene Rekenkamer betreffende haar werkzaamheden over het jaar 1971

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Zitting 1972-11 835. Verslag van de Algemene Rekenkamer betreffende haar werkzaamheden over het jaar 1971"

Transcriptie

1 Zitting Verslag van de Algemene Rekenkamer betreffende haar werkzaamheden over het jaar 1971 VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR DE RIJKSUITGAVEN Nr. 3 (De vroegere stukken zijn gedrukt in de zitting ) Het op 25 mei aan de Tweede Kamer toegezonden verslag van de Algemene Rekenkamer over 1971 werd in handen gesteld van de vaste commissie voor de rijksuitgaven. Deze heeft in afwijking van de procedure in vorige jaren de vragen waartoe de verschillende punten haar aanleiding gaven op 12 juni rechtstreeks aan de bewindslieden gezonden, die vrijwel allen binnen de gestelde termijn (5 september) hebben geantwoord. De commissie heeft de eer hierbij mededeling te doen van de vragen en antwoorden, weergegeven in dezelfde volgorde als in het verslag van de Rekenkamer. Zij betreffen de volgende departementen: Buitenlandse Zaken: punt 48 Justitie: punt 64 Binnenlandse Zaken: punten 4, 15, 24, 37, 48 en 81 Onderwijs en Wetenschappen: punten 26, 29 (tweemaal), 35, 49, 76, 86, 87, 89 en 93 Financiën: punten 1, 10, 36, 58, 62 en 102 Defensie: punten 18, 22, 40, 59, 71, 72 en 79 Verkeer en Waterstaat: punten 23, 27, 41, 43, 69b en 88 Economische Zaken: punten 54, 60, 91 en 97 Sociale Zaken: punt 42 CRM: punten 16, 39, 53 en 83 Volksgezondheid en Milieuhygiëne: punten 29c, 51, 56 en 66. De vaste commissie zal zich nog beraden over de vraag of zij naar aanleiding van de ontvangen antwoorden nadere stappen dient te zetten. Zij vestigt de aandacht van de diverse vaste commissies uit de Kamer op de mogelijkheid om naar aanleiding van het Rekenkamerverslag en naar aanleiding van dit verslag in overleg te treden met de Regering. 1. Verwerping van het ontwerp voor een nieuwe comptabiliteitswet De vaste commissie voor de Rijksuitgaven stelt zich geheel achter de wens van de Rekenkamer dat het mogelijk zal zijn op korte termijn de oude comptabiliteitswet te vervangen. Kan de Minister mededelen wanneer de indiening van een wetsontwerp te verwachten is? Antwoord van de minister van financiën: Indiening door het huidige Kabinet van een nieuw wetsontwerp tot wijziging van de comptabiliteitswet is niet te verwachten. 4. Verschrijvingen in de administratie van de N.V. Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij Vraag van de commissie: De vaste commissie nam er met veel belangstelling kennis van dat de Rekenkamer - hoewel de comptabiliteitswet dat niet meebrengt - een onderzoek verrichtte ten behoeve van een provinciale instelling. Het interesseerde haar te vernemen (5 vel)

2 of de kosten van dit onderzoek ten laste komen van de begroting van de Rekenkamer, d.w.z. ten laste van de schatkist, dan wel of deze in rekening zijn gebracht aan de hier bedoelde provinciale vennootschap. Antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken: Het onderzoek bij de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij N.V. (PZ.E.M.) is door de Algemene Rekenkamer verricht op grond van een door mijn ambtsvoorganger, met instemming van de Ministerraad gedaan verzoek. Aangezien de Kamer aan dit verzoek heeft voldaan ten dienste van het openbaar belang, achtte zij het niet juist de kosten van het onderzoek aan de P.Z.E.M. in rekening te brengen. Als bijkomende overweging heeft nog gegolden, dat de Kamer ook dit onderzoek in volledige vrijheid en onafhankelijkheid wenste te verrichten. Een discussie over de hoogte van de kosten - welke uiteraard rechtstreeks verband houden met de omvang van het onderzoek meende zij daarom bij voorbaat te moeten uitsluiten. 10. Verevening van uitgaven Het verheugt de vaste commissie voor de Rijksuitgaven dat in meer gevallen dan in het verleden tijdig de wettige grondslag gereed is voor de salarisuitgaven. Aan welke categorieën van rijksuitgaven ontbrak deze wettelijke basis in 1971? Antwoord van de minister van financiën: Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de categorieën van in 1971 gedane rijksuitgaven, waarvan medio 1972 nog de wettelijke basis ontbrak: - De trenduitkering-1971 aan het rijkspersoneel (burger-, politie- en militair personeel). - De uitgaven als gevolg van de verhoging van het minimumloon per 1 juli 1971 (burger- en militair personeel). - De uitgaven als gevolg van de verhoging per 1 juli 1971 van het percentage en van het minimum-bedrag van de vakantieuitkering (burger-, politie- en militair personeel). - De wijzigingen als gevolg van de in 1971 getroffen algemene salarismaatregelen in de z.g. Nederlandse salarissen" van de ambtenaren van de Buitenlandse Dienst. - De verhoging van de bezoldiging van leerling-verplegenden als gevolg van de in 1971 getroffen algemene salarismaatregelen. - De verhoging van de bezoldiging van het personeel bij het lager onderwijs als gevolg van de in 1971 getroffen algemene salarismaatregelen. - De uitgaven ter zake van de salarisregeling voortvloeiende uit de Wet op het Voortgezet Onderwijs. - De uitgaven ter zake van de rijksstudiesteunregeling voortvloeiende uit de Wet op het Voortgezet Onderwijs. - De verlengde ziekengelduitkeringen op de voet van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke vooruitlopend op een wijziging van de Verlofbesluiten L.O. en K.O., de Regeling Ontslaguitkering L.O./K.O en hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit W.V.O. zijn toegekend. - De wachtgelden toegekend aan gewezen onderwijzers in de periode 29 april 1969 tot 7 augustus 1971 voor zover deze uitgaan boven de normen welke zijn neergelegd in de Regeling Ontslaguitkering L.O./K.O De uitgaven ter zake van de salarisregeling van de docenten van de Rijksarchiefschool. - De verhogingen als gevolg van de in 1971 getroffen algemene salarismaatregelen voor wat betreft de bezoldiging van het politiepersoneel en van het militaire personeel. - De verhoging per 1 juli 1971 van en de trenduitkering-1971 op de pensioenen betaald door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, de militaire pensioenen, de pensioenen van 2 de oud-leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal alsmede van hun weduwen en wezen, de pensioenen van de gewezen gouverneurs van Suriname en de Nederlandse Antillen en hun nagelaten betrekkingen en de pensioenen van gewezen Ministers en Staatssecretarissen alsmede hun weduwen en wezen. - De algemene verhogingen in 1971 van en de trenduitkering op de pensioenen betaald door de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. - De algemene verhogingen in 1971 van en de trenduitkering op de uitkeringen krachtens titel III van de Wet op de Noodwachten. 15. Automatisering van de rijksadministraties Vraag van de commissie: Het verbaast de vaste commissie dat een groot aantal automatiseringsprojecten werd opgezet zonder dat het nodige overleg met andere beheerders van computers plaatsvond en dat in één geval kennelijk - zelfs na aandrang van de Rekenkamer bezwaar werd gemaakt tegen verbeteringen in de coördinatie. Heeft de Minister ooit één voor elk onderdeel van de riksadministratie bindende richtlijn doen uitgaan inzake de plicht tot medewerking aan integratie en coördinatie bij automatisering? Antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken: De uiteenlopende aard der automatiseringsprojecten maakt overleg met beheerders van computers schier onuitvoerbaar. Voor zover het gelijksoortige projecten betreft ligt dit overleg overigens meer op de weg van de daarvoor verantwoordelijke leiding dan wel van de leiding van het betrokken departement. Ook al zijn projecten gelijksoortig - in de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gevallen betrof het hoofdzakelijk financiële administraties dan nog is een integratie niet altijd mogelijk of zelfs wenselijk. Immers, de informatiebehoefte binnen een project is afhankelijk van de doelstelling, de aard, de organisatie en de werkwijze van het departement, de instelling of de dienst waaronder een project ressorteert. Uiteraard wordt getracht waar mogelijk integratie en samenwerking te bereiken. Inzake de procedures bij de realisatie van de automatisering bij de rijksdienst heeft mijn ambtsvoorganger richtlijnen doen uitgaan, welke in de Ministerraad zijn goedgekeurd. Ter zake wordt verwezen naar bijgaand boekje Automatisering, procedures en taken", *) waarin ook is vermeld de taak van de Commissie Automatisering Rijksdienst. Momenteel vindt overleg plaats over de wijze, waarop een plan op lange termijn kan worden ontwikkeld, mede ten behoeve van een nieuw automatiseringsbeleid voor de overheid. 16. Onderzoek naar de doelmatigheid van de financiële controle in de rijksdienst (departement van C.R.M.) Vraag van de commissie: Is de nodig geachte aanvulling van de controle-instructie wat betreft de afdeling Verificatie en Interne Controle intussen gereed gekomen? Is het niet mogelijk de urgent geachte controlewerkzaamheden uit te besteden en intussen aan de hand van een stringent werkschema de door de Rekenkamer nodig geachte aanvullingen op de controleprogramma's te laten samenstellen door de tijdelijk vrijgekomen ambtenaren? De commissie betreurt het met de Rekenkamer dat wegens gebrek aan personeel in een groot aantal gevallen geen onderzoek kan plaatsvinden naar de juistheid van de gegevens op grond waarvan subsidies worden vastgesteld. Het beeld dat in sommige kringen bestaat over het door C.R.M, gevolgde subsidiebeleid zou naar de mening van de commissie kunnen verbeteren indien grotere prioriteit werd gegeven aan deze controle. Kan de Minister precies aangeven aan welk tijdschema hij denkt voor de uitbreiding van de centrale afdeling organisatie en efficiency met 13 personeelsleden? ) Ter inzage bij de bibliotheek der Kamer.

3 Het verbaast de commissie dat de accountantsrapporten als regel niet alle gegevens bevatten die voor de bepaling van de grootte van het subsidie nodig zijn. Het komt haar voor dat dit probleem op eenvoudige wijze kan worden opgelost door in de subsidievoorwaarden zo exact mogelijk aan te geven aan welke voorwaarden de rapporten van degene, die de stukken controleert - accountant of niet - moeten voldoen wil de subsidie toegekend worden. De commissie kan zich niet voorstellen dat het een inbreuk zou zijn op de onafhankelijkheid van de instellingen, als de Minister een bepaalde rubricering van de controlerapporten zou voorschrijven. Kan de Minister enige voorbeelden geven van op dit moment in subsidievoorwaarden opgenomen voorschriften ten aanzien van deze rapporten? Antwoord van de Minister van CRM: Op de controle-instructies van de afdeling Verificatie en Interne Controle zijn enkele aanvullingen verschenen. Deze aangelegenheid heeft de voortdurende aandacht van het betreffende dienstonderdeel. Het is niet mogelijk controlewerkzaamheden ten behoeve van de vaststelling van het subsidiebedrag uit te besteden, omdat voor de te verrichten controle een specifieke kennis vereist is van subsidieregelingen en de interpretatie daarvan. Het maken van controle-programma's is het werk van hoog gekwalificeerde krachten (eigenlijk accountantswerk), zodat het weinig zin heeft hiervoor lager gekwalificeerde medewerkers vrij te maken. De vermelde personeelsuitbreiding betreft niet de centrale afdeling organisatie en efficiency, doch de afdeling accountantsonderzoek en niet met 13 doch met ten minste 15 man. Gedacht werd deze uitbreiding in 3 jaren te realiseren, in tranches van 5. De personeelsstabilisatie heeft de tranches voor 1972 en voor 1973 teruggebracht tot elk 3. Enkele voorbeelden van hetgeen in subsidievoorwaarden geregeld is over accountantsverklaringen zijn de volgende. In de contactgroep Subsidieregelingen die ten departemente werkzaam is, wordt gewerkt aan grotere uniformiteit ook van bepalingen als deze. Rijksregeling subsidiëring volksontwikkelingswerk in internaatsverband De landelijke organisatie is verplicht er voor te zorgen, dat vóór 1 april van het lopende kalenderjaar bij de Minister een accountantsrapport wordt ingediend, waarin opgenomen een uitvoerig toegelichte rekening van baten en lasten over het afgelopen kalenderjaar met de bijbehorende balans, met betrekking tot haar centraal apparaat en elk van de bij haar aangesloten en door de Minister voor subsidiëring in aanmerking gebrachte instellingen. Rijkssubsidieregeling Jeugd- en Jongerenwerk Het financiële verslag dient te zijn voorzien van een accountantsverklaring, afgegeven door de accountant die door het bestuur met de controle van de administratie is belast, mede inhoudende dat de verantwoording van inkomsten en uitgaven is geschied in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling. Rijksregeling dagverblijven gehandicapten De controle van de administratie en van de jaarstukken moet door het bestuur van de instelling worden opgedragen aan een te goeder naam en faam bekend staande accountant. De accountant mag geen andere taak of functie bij de instelling vervullen. De accountant moet vermelden van welke accountantsorganisatie hij lid is. Rijkssubsidieregeling voor werkzaamheden en voorzieningen met betrekking tot de samenlevingsopbouw. 1. De instelling dient vóór 1 april een verslag in drievoud in van de financiële resultaten van het afgelopen boekjaar, bevattende de vermogenspositie per ultimo boekjaar, alsmede de exploitatierekening over dit boekjaar, gesteld op het daartoe voorgeschreven formulier, voorzien van een toelichting Het financieel verslag dient te zijn voorzien van een accountantsverklaring afgegeven door de accountant, die door de instelling met de controle van de administratie is belast, mede inhoudende, dat de verantwoording van inkomsten en uitgaven is geschied in overeenstemming met de bepalingen van deze regeling. 18. Personeelsgebrek bij de accountantsdienst van het Ministerie van Defensie. De vaste commissie nam met grote zorg kennis van de moeilijkheden die zich de laatste jaren hebben voorgedaan. Zij zou gaarne vernemen of het personeelsgebrek bij de accountantsdienst van Defensie ernstiger is dan dat bij de verschillende andere accountantsdiensten van rijksinstanties en zo ja - hoe dit te verklaren is. Kan de Minister van Defensie een overzicht geven over de laatste 5 jaren, gespecificeerd voor de verschillende rangen, inzake formatie, feitelijke sterkte en langdurige zieken bij zijn accountantsdienst? De centrale accountantsdienst heeft het voorbehoud dat moest worden gemaakt wat betreft de juistheid van de verstrekte gegevens voor 1970 gekwantificeerd. Hierbij is gebleken dat dit voorbehoud betrekking heeft op 63 pet. van de plafonduitgaven. De vaste commissie concludeert hieruit dat de controle ook in andere sectoren dan de Marine niet naar behoren kon plaatsvinden. Kan het percentage van 63 pet. gespecificeerd worden voor wat betreft de belangrijkste onderdelen ervan? De commissie ontving tenslotte gaarne enige toelichting op de besluiten die de Minister heeft medegedeeld aan de Rekenkamer in zijn brief van 17 december Zij vraagt zich af, of de bijlagen bij de voorgeschreven financiële verslaglegging op een andere wijze dan officieel" zullen worden gepubliceerd en zo ja hoe. Kan de aard van deze bijlagen wat nader worden aangegeven? Welke voorschriften ten aanzien van de financiële verslaggeving zijn hier bedoeld? Laten deze voorschriften het toe dat de controlerapporten over bepaalde bedrijven over 1971 geheel achterwege blijven en dat het fiat van de accountants voor 1972 slechts op de balansgegevens betrekking heeft? Antwoord van de Minister van Defensie: Uit het verslag van de Algemene Rekenkamer over 1971 blijkt, dat bij de accountantsdiensten van de Departementen van Onderwijs en Wetenschappen, van Defensie, van Justitie, van Economische Zaken en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de controledienst van de Departementen van Sociale Zaken en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne met een gezamenlijke formatiesterkte van 360 personeelsleden het aantal vacatures 43 beloopt, derhalve 12 pet. Ultimo 1971 was het aantal vacatures bij de accountantsdienst van het Departement van Defensie 13 bij een formatie van 78 personeelsleden. Hieruit blijkt dat het personeelsgebrek bij deze dienst inderdaad ernstiger is dan gemiddeld bij de andere accountantsdiensten. Een verklaring hiervoor kan niet worden gegeven, mede omdat een vergelijkingsbasis ontbreekt ter beoordeling van het verloop bij andere ministeries, het grote verloop in de personeelsbezetting in de afgelopen jaren van diegenen die elders zowel buiten het ministerie als binnen het ministerie positieverbetering konden bereiken op grond van beschikbare diploma's en bij de dienst opgedane ervaring, terwijl rangsverbetering binnen de dienst op grond van de richtlijnen - samengesteld door Binnenlandse Zaken in overleg met de hoofden van de accountantsdiensten van de diverse ministeries - inzake opleidings- en ervaringseisen voor accountantspersoneel niet mogelijk was. Een afwijking van deze regels kan bij uitzondering geschieden, doch niet als algemene regel worden gehanteerd zonder geweld te doen aan de opzet van deze regels, al. het beschikken over bepaalde voorgeschreven schoolopleiding en aanvullende diploma's voor de verschillende rangen. Een overzicht van de formatie en de stand aan het eind van het jaar van de werkelijke bezetting over de afgelopen 5 jaren geeft het volgende beeld.

4 4 Formatie 1966 a. hoofd, hoofdacc, ace. Ie kl., accountants b. adj.-accountants Ie klas 7 4 c. adj.-accountants, hfd. cs.a, hfdcommiezen d. commies A, commies e. adj."commies A, adj.-commies Gedurende de betreffende 5 jaren overleed 1 adjunct-accountant, ging 1 accountant met pensioen en verlieten 22 personeelsleden de dienst en wel 1 accountant, 2 adjunct-accountants Ie kl., alsmede 3 uit categorie c, 8 uit categorie d en 8 uit categorie e. Door interne promoties op basis van verkregen diploma's en ervaring en het aantrekken van voornamelijk jonge krachten in de lagere rangen heeft gedeeltelijk aanvulling plaatsgevonden. De vele mutaties veroorzaakten kwalitatief een achteruitgang, terwijl directe vervanging niet mogelijk was en de aangetrokken jonge krachten in verband met de inwerkingstijd niet direct rendabel zijn. Verder moet nog rekening worden gehouden met langdurige zieken welke gemiddeld hebben bedragen voor 1967 en 1968: 1, 1969: 3, 1970: 2, 1971: 3. De door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde voorbehouden hebben betrekking op de volgende objecten van de begroting: - militaire bezoldigingen van de drie krijgsmachtdelen ca 33 pet - militaire pensioenen 7 pet. - burgersalarissen 15 pet. - uitgaven door officieren van administratie van de Kon. marine en door de Korpsadministrateurs van de Kon. landmacht en de Kon. luchtmacht 7 pet. - uitgaven door de burgercomptabelen van de Kon. Marine 1 pet. 63 pet. Het voorbehoud van de accountantsdienst betekent niet, dat de onderwerpelijke uitgaven in het geheel niet zijn gecontroleerd, doch dat het hier betreft niet afgeronde objecten, waardoor de mogelijkheid ontbreekt om bedragen te vermelden waarvoor wel kan worden ingestaan. Overigens betreft de opmerking van de Algemene Rekenkamer de controle door de accountantsdienst van het Ministerie van Defensie. Daaraan voorafgaand worden alle mutaties in de militaire wedden en burgersalarissen, die vastgesteld zijn door organen van het ministerie zoals directie burgerpersoneel gecontroleerd vanwege de hoofdafdeling comptabiliteit. Hetzelfde geldt voor de uitgaven door de militaire en burgercomptabelen. Bij de controle van de accountantsdienst wordt in belangrijke mate de controle vanwege de hoofdafdeling comptabiliteit als een essentieel bestanddeel aanvaard. Wat betreft de brief aan de Algemene Rekenkamer van 17 december 1971 wordt medegedeeld, dat deze betrekking heeft op de accountantscontrole bij de marir.eonderhoud 1 bedrijven. Voor deze bedrijven zijn bij de marine interne richtlijnen uitgevaardigd om tot uniforme jaarverslagen te komen (richtlijnen, jaarverslagen dd. 26 november 1969 nr ). Een onderdeel van het jaarverslag bestaat uit een financieel gedeelte. Voorschriften ten aanzien van de controle komen hierin niet voor. Het ligt nu in de bedoeling om jaarlijks tot een goedkeurende accountantsverklaring te komen bij de in dit financiële gedeelte gepubliceerde balans en resultatenrekening. Daar echter een accountant bij zijn verklaring mede verantwoordelijk is voor de juistheid van de toegevoegde bijlagen, worden voorshands enkele bijlagen, die niet van essentieel belang zijn voor het totaalbeeld, doch zeer tijdrovende controle vergen, niet bij dit financiële gedeelte gevoegd, doch afzonderlijk gepubliceerd. Het betreft met name een zeer gedetailleerd overzicht in de mutaties van de aktiva, onderhanden werk en een gedetailleerd overzicht van percentages indirecte uren over een aantal categorieën. 22. Onderzoek bij de dienst van het loodswezen in het 3e district Kan de Minister iets mededelen over de resultaten van de landelijke reorganisatie in de andere districten? Antwoord van de Minister van Defensie: Aan de reorganisatie is thans een formele basis gegeven bij het Koninklijk besluit van 10 april 1972, houdende wijziging van het Algemeen Reglement op de Loodsdienst (Stb ). In genoemd Koninklijk besluit komt tot uitdrukking, dat het bestuur in de districten is gecentraliseerd bij de directies. Het aantal districten is van zes teruggebracht tot vier en de benamingen zijn aangepast, te weten: district Noord, IJmond, Rijnmond en S;heldemond. De directeuren der districten beschikken thans over de volgende secties: operaties en nautische zaken - personeel - financiële en comptabele zaken en een secretariaat. Deze nieuwe organisatie is thans doorgevoerd. Hierbij is de functie commissaris van het loodswezen, enz., tevens ontvanger der loodsgelden" vervallen en opgedeeld in de bovenomschreven functionele secties. De zo nodig geachte communicatieverbetering is bereikt door het aanstellen van 9 nieuwe inspecteurs, die geselecteerd werden uit de loodsen der Ie klasse. Vervolgens werd de rang van senior-loods ingesteld; aan deze functie zijn ook bestuurlijke aspecten verbonden. Door deze maatregelen is bereikt, dat de grote kennis en ervaring van het loodsencorps ten volle wordt benut en de eenheid van de dienst is versterkt. De concentratie in de directies Rijnmond en Scheldemond is voltooid. De directies Noord en IJmond zullen binnen afzienbare tijd worden verplaatst naar resp. Delfzijl en Umuiden, waarmede de reorganisatie is tot stand gebracht. 23. De taken van de afdeling vaartuigen Om welke reden achtte de Minister van Verkeer en Waterstaat de inkrimping van de taken van deze afdeling - waartoe de Rekenkamer reeds in 1960 adviseerde en die ook door de afdeling organisatie van het Ministerie in 1969 overwegenswaard werd geacht - midden 1971 niet opportuun vanwege de pensionering per 1 januari 1972 van het hoofd van die afdeling? Welke maatregelen zijn nu genomen?

5 Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: De inkrimping van taken - hetgeen impliceerde het overdragen van bepaalde werkzaamheden aan andere instanties - werd medio 1971 niet opportuun geacht, omdat dit aan de vooravond van de pensionering van het betrokken hoofd weinig elegant zou zijn geweest, alsmede ondoelmatig omdat een wijziging van de afdeling vaartuigen niet vooruit diende te lopen op een verdergaande integratie met overeenkomstige diensten. De pensionering van het voormalige hoofd van de afdeling vaartuigen was het logische tijdstip om een reorganisatie door te voeren, omdat dit tijdstip praktisch samenviel met het van kracht worden van het Besluit toezicht rijksvaartuigen (Koninklijk besluit van 18 november 1971, Stb. 672) betreffende de taak van de dienst vaartuigen. De afdeling vaartuigen werd daarom per 31 december 1971 opgeheven en haar resterende taken werden met die van de Rijksvaartuigendienst en de afdeling technische zaken van het directoraat-generaal van de scheepvaart geïntegreerd in de nieuwe dienst vaartuigen. 24. Bewaking van rijksgebouwen Vraag van de commissie: Heeft de Minister inmiddels van al zijn ambtgenoten bericht ontvangen over de wijzigingen in de wijze waarop de bij hun departementen in gebruik zijnde panden worden beveiligd? Is er al in enig geval uitvoering gegeven aan de reeds in juli 1969 door de desbetreffende interdepartementale werkgroep aanbevolen vervanging van beveiliging middels bewakingspersoneel door een automatisch beveiligingssysteem? Antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken: Alle Ministeries hebben inmiddels mededeling gedaan van de wijzigingen in de wijze waarop de in gebruik zijnde panden worden beveiligd. Bij enige departementen werd fysieke bewaking geheel of gedeeltelijk vervangen door mechanische of bestaat het voornemen daartoe. Elders bleek het opportuun de fysieke bewaking uit te breiden. Aangenomen mag worden, dat de bewindslieden - elk voor zich verantwoordelijk zijnde voor de doelmatige beveiliging van het departement - in de overwegingen welke tot op beveiliging gerichte maatregelen hebben geleid mede de aanbevelingen van de interdepartementale werkgroep hebben betrokken. 26. Interuniversitaire samenwerking op het gebied van de doelmatigheidsverhoging Hebben alle of enkele niet deelnemende universiteiten en/ of hogescholen intussen ook dergelijke onderlinge commissies in het leven geroepen, zoals geadviseerd door de reeds bestaande commissie waarin de 3 rijksuniversiteiten en de universiteit van Amsterdam samenwerken? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: In de brief van 1 maart 1972, DGW/FBW , gericht aan de Algemene Rekenkamer, is medegedeeld dat van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs, welke niet aan het overleg van de interuniversitaire commssie doelmatigheidsverhoging (Cie. Unidoel) deelnemen, geen bericht is ontvangen dat hunnerzijds initiatieven tot interuniversitaire samenwerking op het gebied van de doelmatigheidsverhoging zijn ontwikkeld. Sedertdien is gebleken dat deze instellingen een dergelijke commissie onderling niet in het leven hebben geroepen. Bij de bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs alsmede de rijkshogescholen bestaat klaarblijkelijk niet de behoefte zich in de Cie. Unidoel te doen vertegenwoordigen, aannemende dat deze commissie hiertoe de bereidheid zou hebben. De Algemene Rekenkamer is er eveneens van in kennis gesteld dat de commissie niet is benaderd door één der in de vorige alinea bedoelde instellingen De uitvoering van de taak van het Rijk ten aanzien van de drinkwatervoorzieningen Is een tijdschema opgesteld voor het interdepartementaal overleg over de samenvoeging van de rijksagrarische afvalwaterdienst met het rijksinstituut voor de zuivering van afvalwater, tot welke samenvoeging bij de kabinetsformatie in 1971 is besloten? Zo ja, op welke termijn zal deze integratie dan zijn tot stand gekomen? Is de formatie van beide diensten in afwachting van deze integratie bevroren en wordt ook de voorziening in vacatures uitgesteld? Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: Over de samenvoeging van de rijksagrarische afvalwaterdienst (R.A.A.D.) met het rijksinstituut voor zuivering van afvalwater (R.I.Z.A.) is, zoals reeds eerder medegedeeld, overleg geopend met het Ministerie van Landbouw en Visserij. Gebleken is, dat het nodig zal zijn de tot dusver door de R.A.A.D. verrichte taken te verdelen in die, welke typisch in de landbouwsfeer thuis behoren en die, welke beter bij het R.I.Z.A. kunnen worden ondergebracht; terzake worden nog voorstellen van de zijde van het Ministerie van Landbouw en Visserij ingewacht. Een bepaald tijdschema voor het effectueren van de overgang van taken en het daaraan verbonden opheffen van de R.A.A.D. is nog niet afgesproken, alhoewel uiteraard de realisering van bedoelde hergroepering niet te lang op zich mag laten wachten. De formatie van het R.I.Z.A. is in afwachting daarvan niet bevroren. Afgezien van de omstandigheid, dat met de incorporatie. van (een deel van) het personeel van de R.A.A.D. óók het daardoor tot dusver verrichte werk wordt overgenomen zouden, gelet op de snel toenemende taak van het R.I.Z.A. in de strijd tegen het milieubederf, een bevriezing van de formatie en het niet vervullen van vacatures ten enen male onverantwoord moeten worden geacht. 29. Verslag 1968 punt 28 ad b Jelgersmakliniek te Oegstgeest Is het waar dat een commissie is ingesteld om een oplossing voor de gerezen bezwaren te vinden en zo ja door wie is deze commissie dan ingesteld en is zij aan een lijdschema gebonden? Er bestaat duidelijk behoefte aan een instantie of een persoon die in deze sinds 1958 lopende kwestie knopen doorhakt. Is de Minister bereid dit te doen? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: In september 1970 heeft de gemeente Leiden zich bereid verklaard mede te werken aan de wijziging van het contract 1950 en in dat verband vertegenwoordigers aangewezen om naast vertegenwoordigers van o.m. de universiteit, zitting te nemen in een commissie - de Jelgersmacommissie - aan wie in december 1970 als taak werd opgedragen afzonderlijke regelingen voor te bereiden ter zake van: a. het gebruik van gebouwen en tereinen; b. de verpleging van patiënten en in samenhang daarmede, de regeling van de exploitatie van de Jelgersmakliniek, waaronder tevens te verstaan een goede vorm van toerekening van kosten v^u Endegcest aan de Jelgersmakliniek; c. een samenwerking tussen de faculteit der geneeskunde en Endegeest, ter zake van onderwijs en onderzoek. De werkzaamheden van de bedoelde commissie zijn echter in de loop van 1971 opgeschort ten gevolge van de volgende omstandigheden. 1. De gemeente Leiden heeft zich genoodzaakt gezien de status van het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest in overweging te nemen. Ter zake is een advies uitgebracht door een commissie onder voorzitterschap van prof. dr. J. de Koek van Leeuwen in november In aansluiting daarop wordt thans door een commissie ex artikel 62 gemeentewet onderzocht

6 welke taak Endegeest in de toekomst in de Leidse regio zal hebben te vervullen en welke bestuursvorm daarbij het beste zou passen. In die commissie zijn o.a. de hoofdinspectie voor de geestelijke volksgezondheid, het academisch ziekenhuis, de medische faculteit en de directie van de Jelgersmakliniek vertegenwoordigd. Zij zal vermoedelijk in september haar rapport uitbrengen. Het is waarschijnlijk dat daarin geadviseerd zal worden Endegeest in de vorm van een stichting verder te exploiteren. 2. De faculteit der geneeskunde heeft zich intussen beraden over de plaats die de psychiatrie, in de opleiding zoals die in Leiden voor artsen en specialisten wordt verzorgd, zal innemen en over de faciliteiten die daartoe, in het kader van het academisch ziekenhuis of daarbuiten, ter beschikking zouden moeten staan. Een rapport ter zake, door een commissie onder leiding van prof. dr. A. Querido opgesteld, is in april 1972 door de faculteitsraad aanvaard en dient de vertegenwoordigers van de faculteit in de onder punt 1 genoemde commissie tot richtsnoer. Eerst nadat ter zake van de status en de beheersvorm van Endegeest duidelijkheid zal zijn verkregen, zullen de besprekingen in de z.g. Jelgersmacommissie kunnen worden voortgezet, ten einde de sinds 1958 lopende kwestie op te lossen. 29c. Aanpassing van de tarieven voor het gebruik van de outillage van de consultatiebureaus voor de t.b.c.- bestrijding. De Rekenkamer voert twee motieven aan voor een negatieve beantwoording van de vraag of het causale verband met de te treffen rechtspositionele maatregelen zodanig is, dat het een verder uitstel van de reeds in 1961 nodig geachte tariefsaanpassing rechtvaardigt. Hoe denkt de Minister over deze beide motieven? Zijn de vergoedingen intussen volgens plan bijgesteld nu een pensioenreglement tot stand is gekomen? Antwoord van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne: Naar de mening van de ondergetekende heeft de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid in 1971 hangende de besprekingen over een verbetering van de rechtspositie van de consultatiebureau-artsen - waarop reeds lang door betrokkenen werd aangedrongen - terecht verband gelegd tussen de dienaangaande te treffen voorzieningen en de optrekking van de tarieven. Nu met terugwerkende kracht tot 1 januari 1972 een verbetering van de pensioenvoorziening voor bedoelde artsen tot stand is gebracht acht hij, niettegenstaande het feit dat deze verbetering niet gepaard is gegaan met een verhoging van de subsidiabele pensioenpremie, thans termen aanwezig om tot bijstelling van de tarieven over te gaan. Hieromtrent is overleg binnen het departement van de ondergetekende gaande en het ligt in de lijn der verwachting dat binnenkort nieuwe tarieven zullen kunnen worden vastgesteld. 6 29b. Verslag 1970 punt 12 ad d. Overdracht van onroerende zaken aan de Universiteit van Amsterdam. De vaste commissie ontving gaarne enige motivering voor het ook dit jaar nog uitblijven van genoemde overdracht. Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: De behartiging van zijn omvangrijke taak heeft de afgetreden Minister zonder Portefeuille, belast met de aangelegenheden betreffende het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderwijs, verhinderd een beslissing te nemen ten aanzien van de door het gemeentebestuur van Amsterdam opgestelde ontwerplijst van onroerende zaken die op 1 januari 1961 zijn overgegaan op de Universiteit van Amsterdam. Inmiddels heb ik bij brief van 7 augustus 1972, DGW/FBW , gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verklaard akkoord te gaan met het 6de ontwerp inzake de vaststelling van de lijst van onroerende zaken, bedoeld in artikel XVI van de overgangsbepalingen van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs. 35. Normering van bij onderwijsinstellingen in gebruik zijnde leermiddelen Vraag van de vaste commissies: De vaste commissie nam er kennis van dat de stichting voor onderzoek van het onderwijs vanwege haar overbezette programma niet op korte termijn een uitspraak zal kunnen doen over het leerboekenprobleem. Zij zou gaarne vernemen of de Stichting ook naar het oordeel van de Staatssecretaris terecht een hogere prioriteit geeft aan het onderzoek van andere kwesties en zo ja of er onder die andere kwesties ook zijn waarvan het onderzoek kan leiden tot een besparing op de uitgaven die uiteindelijk ten laste van de schatkist komen. Maakt de verhouding van de Stichting tot het Rijk het niet mogelijk om een bepaalde termijn te stellen aan het hier bedoelde onderzoek? Welke wettelijke bepaling maakt het onmogelijk om aan de besturen van lagere technische scholen de verplichting op te leggen om zich bij hun aanschaffingsplan te houden aan de merken en typen voorgesteld door de outillagecommissie of om tenminste de door hen zelf gekozen merken en typen aan te schaffen via het rijksinkoopbureau? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: Met betrekking tot de in de eerste alinea vervatte vraag wordt opgemerkt, dat het hier niet gaat om een onderzoek, maar om een advies betreffende een onderzoek. Deze kwestie is inmiddels aanhangig gemaakt bij het bestuur van de stichting voor onderzoek van het onderwijs en vormt een punt van bespreking in het regelmatig overleg tussen het stichtingsbestuur en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Dit overleg vormt een middel om tot een juiste coördinatie van het werk van de genoemde stichting en van het ministerie te geraken. Voor wat betreft het gestelde in de tweede alinea wordt erop gewezen, dat in artikel 208, zesde lid, van de Grondwet wordt bepaald, dat de vrijheid van het bijzonder onderwijs ten aanzien van de keuze der leermiddelen dient te worden geëerbiedigd. Een eenzijdige regeling, waarbij aan schoolbesturen ten aanzien van de aanschaffing van leermiddelen verplichtingen zouden worden opgelegd, zou dan ook in strijd zijn met de terzake geldende grondwettelijke vrijheid. Gezien echter de grote behoefte aan het toepassen van normen bij de aanschaffing van machines ten behoeve van het technisch onderwijs, is er uitgebreid overleg geweest met de betrokken schoolbesturen om tot een meer bevredigende regeling te komen. Dit overig heeft geresulteerd in het instellen van een outillagecommissie, waarin de bonden van besturen en leerkrachten zijn vertegenwoordigd. Van de door deze outillagecommissie goedgekeurde fabrikaten en typen zullen de betrokken schoolbesturen slechts dan moaen afwijken, indien een uitvoerige motivering wordt verstrekt. Met betrekking tot de wettelijke regelingen voor aankonen via het rijksinkoopbureau wordt verwezen naar het besluit Regeling werking R.I.B. 1967". In artikel 5 van dit besluit wordt alleen aan rijksinstellingen de plicht opgelegd om de goederen, die zij voor de uitoefening van de dienst nodig hebben, te doen aanschaffen via het rijksinkoopbureau. Het treffen van een maatregel, waarbij de schoolbesturen dwingend wordt voorgeschreven gebruik te maken van de diensten van het rijksinkoopbureau. wordt gezien als een inbreuk op de in de Grondwet verankerde autonomie van deze besturen. 36. Vorderingen van het departement van Verkeer en Waterstaat Heeft de Minister van Financiën een telkens bijgewerkt overzicht van de uitstaande vorderingen van het Rijk op de ge-

7 7 meenten? Hebben ook andere departementen dan Verkeer en Waterstaat achterstallige vorderingen van meer dan 1 miljoen op bepaalde gemeenten? Antwoord van de Minister van Financiën: Een telkens bijgewerkt overzicht van de vorderingen, welke het Rijk op de gemeenten heeft uitstaan, is niet bij mijn ministerie aanwezig; elk departement administreert namelijk zelf zijn vorderingen (en schulden). De vraag of ook andere departementen dan Verkeer en Waterstaat achterstallige vorderingen van meer dan 1 miljoen op bepaalde gemeenten hebben, kan ontkennend worden beantwoord. 37. Liquidatie van,,de Kroonduif" N.V. Vraag van de commissie: Heeft de Minister een datum vastgesteld waarop het overleg met de KLM over deze sinds 1964 lopende kwestie moet zijn afgesloten? Antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken: Het streven is erop gericht het overleg nog in 1972 af te ronden. 39. Salaris personeel gesubsidieerde instellingen Vragen van de vaste commissie: De vaste commissie is ernstig bezorgd over de hier gerapporteerde feiten, die het subsidiebeleid van de Minister van C.R.M, een slechte naam kunnen geven. De meer dan normale stijging van de salarissen van de leidinggevende functionarissen van de hier bedoelde gesubsidieerde stichting en het meer dan normale grote aantal van die functionarissen, zullen immers niet alleen de aandacht van de Rekenkamer en van de desbetreffende beleidsafdeling van het departement hebben getrokken, maar waarschijnlijk al in een eerder stadium over de tong zijn gegaan in een ruime kring van personen die ambtshalve of privé met deze functionarissen te maken kregen. Al gauw wordt op grond van een dergelijke ontwikkeling geconcludeerd tot een algemeen verschijnsel bij de door C.R.M, gesubsidieerde instellingen. De vaste commissie zou gaarne vernemen of met een meer dan normale salarisstijging bedoeld wordt een meer dan trendmatige stijging en - zo ja - op welke grond de Minister meende ook voor deze extra stijging subsidie te moeten verlenen. Met ambtenaren van welke rang kunnen de algemeen directeur en de beide andere leidinggevende functionarissen van de hier bedoelde stichting worden gelijkgesteld? Hoe groot was de totale subsidie ten laste van het Rijk aan deze stichting in de jaren 1969, 1970 en 1971? Naar de vaste commissie aanneemt wordt de personeelsformatie voor deze stichting vastgesteld door haar bestuur. Hoeveel leden telt dat bestuur en hoeveel hiervan worden benoemd door de Minister van C.R.M., een andere minister of een andere overheidsinstantie? In welke jaren vonden de benoemingen van de 3 leidinggevende functionarissen plaats? Betrof het bij één of meer van die benoemingen interne bevorderingen? Zijn deze 3 functionarissen eerder rijksambtenaar geweest en - zo ja - wanneer en bij welk departement? Acht de Minister deze gang van zaken mede te wijten aan de in punt 16 gerapporteerde omstandigheid dat in een groot aantal gevallen geen onderzoek wordt verzocht naar de juistheid van de gegevens op grond waarvan subsidie wordt toegekend? Is de samenwerking met de beide andere stichtingen reeds gerealiseerd en - zo neen - is hiervoor dan een tijdschema opgesteld? Hoe groot was de totale subsidie ten laste van het Rijk aan die beide andere stichtingen in de jaren 1969, 1970 en 1971? Antwoord van de Minister van C.R.M.: Met betrekking tot de door Uw commissie gestelde vragen en gemaakte opmerkingen betreffende de subsidiëring van de stichting filmcentrum te Hilversum deel ik u vooreerst mede, dat ik met u van oordeel ben dat het te betreuren is dat bepaalde ontwikkelingen, in dit geval op het gebied van de salariëring van gesubsidieerde functionarissen, niet in een eerder stadium gesignaleerd werden. Personeelsgebrek, zowel op de betrokken beleidsafdeling als bij de afdeling accountantsonderzoek, dwingt tot een werkwijze waarbij bepaalde zaken later dan wenselijk moet worden geacht meer gedetailleerd kunnen worden onderzocht en geanalyseerd. Dat aan de grotere instellingen, die grotendeels met rijkssubsidie werken, voor wat controle en onderzoek betreft, vaak prioriteit gegeven wordt boven instellingen waar dit niet het geval is, is begrijpelijk. Dit laatste is met de stichting filmcentrum het geval, welke voor 40 pet. van de kosten rijkssubsidie ontvangt en 60 pet. van de benodigde gelden zelf opbrengt. Overigens is de gang van zaken deze geweest, dat de bedoelde salarisstijging in eerste instantie door de afdeling accountantsonderzoek van dit ministerie is gesignaleerd. Van de zijde van de betrokken beleidsafdeling waren naar aanleiding daarvan reeds maatregelen genomen bevriezing salaris directeur en het stellen van een maximum voor de beide andere functionarissen - toen een en ander achteraf nog de aandacht van de Algemene Rekenkamer trok. Voor de beantwoording van de door Uw commissie gestelde vragen moge het volgende dienen. 1. Met een meer dan normale salarisstijging wordt bedoeld dat de jaarlijks toegekende periodieke salarisverhogingen naar ambtelijke maatstaven gemeten aan de ruime kant waren, terwijl niet bleek dat de salariëring van de bedoelde functionarissen aan een bepaald maximum gebonden was. De hoofdoorzaak van het feit, dat enige tijd bij de subsidievaststelling aan de salarisontwikkeling onvoldoende aandacht is gegeven, is reeds eerder genoemd. De salariëring van de directeur kan worden gelijkgesteld met die van hoofdadministrateur; die van de beide andere functionarissen ligt op het niveau van referendaris. Het rijkssubsidie voor de stichting filmcentrum bedroeg in 1969 ƒ ƒ ƒ Dit laatste subsidie betreft een voorlopige vaststelling, de definitieve afrekening moet nog plaatsvinden. 2. Het bestuur van de stichting filmcentrum telt 17 leden. De stichting is een particuliere instelling en de rijksoverheid heeft bij de benoeming van de leden geen stem in het kapittel. De huidige directeur is op 15 augustus 1949 bij de stichting filmcentrum in dienst getreden en de beide andere functionarissen op respectievelijk 1 maart 1952 en 1 december Bevordering van eerstgenoemde geschiedde per 1 iuli 1961 en van de beide laatstgenoemde per 1 januari Geen van de drie functionarissen is in het verleden bij het rijk werkzaam geweest. 3. Twijfel aan de juistheid van de verstrekte gegevens is nimmer gerechtvaardigd gebleken. De door personeelsgebrek beperkte mogelijkheid van onderzoek bij de vele door dit ministerie gesubsidieerde instellingen is reeds eerder genoemd. 4. Voor wat de stand van zaken met betrekking tot de bedoelde samenwerking betreft wordt verwezen naar bijgaand overzicht *). Het is de afdeling organisatie en efficiency van dit ministerie, gezien het vele en meer direct met dit ministerie verband houdende werk, niet mogelijk geweest uitvoering te geven aan het aanvankelijke voornemen, de bedoelde herstructurering te begeleiden. 5. Voor de beantwoording van de laatste vraag moge het volgende dienen: Nederlands Filminstituut Film en Jeugd 1969 : ƒ ƒ : ƒ ƒ : ƒ ƒ x ) Ter inzage bij de bibliotheek der Kamer.

8 40. Kosten van het maandblad voor de interne voorlichting der Koninklijke Marine Alle Hens" Heeft de Marine in zodanige mate zijn traditionele aantrekkingskracht op de Nederlander verloren, dat kleurenillustraties onmisbaar zijn om het marinepersoneel voldoende voor zijn taak te motiveren? Verschijnen de vergelijkbare bladen voor de 2 andere delen van de krijgsmacht met eenzelfde frequentie en eveneens met kleurenillustraties? Hoe groot waren de totale kosten van elk van deze 3 bladen? Antwoord van de minister van defensie: Het antwoord op de vraag of de Koninklijke marine in zodanige mate zijn traditionele aantrekkingskracht op de Nederlander verloren heeft, dat kleurenillustraties nodig zijn om het marine-personeel voldoende voor zijn taak te motiveren, luidt ontkennend. Alle Hens" heeft niet alleen ten doel de marineman zelf, maar daarnaast vooral ook zijn gezin te informeren over het wel en wee der Koninklijke marine. Door de aard en de taak van de Koninklijke marine als varend bedrijf moeten marinegezinnen het vaak lange tijd stellen zonder echtgenoot en/of vader. Hierdoor krijgt het grote belang van goede informatie als bindend element met het bedrijf voor het gezin van de marineman nog een extra accent. Uit een recent gehouden lezersonderzoek, waaraan ook door gezinsleden van het marinepersoneel werd deelgenomen, bleek dat de band tussen Alle Hens" en het marinegezin bijzonder hecht is. Nagenoeg de gehele genoemde cr.tegorie kwalificeerde het blad als goed" tot zeer goed". Grote waardering werd uitgesproken voor zowel uitvoering als inhoud van het blad. Het verstrekken van deze motiverende interne voorlichting - met een belangrijk extern wervingselemcnt - werd aangepast aan de veranderende typografische opvattingen. Het sinds drie jaar gebruikte kleur-offset procédé schiep de mogelijkheid om op verantwoorde wijze te voldoen aan de toenemende vraag (vide veranderende fotofilm- en televisietechniek) naar kleurillustraties. Ten onrechte kan de indruk gewekt worden, dat kleurenreprodukties in Alle Hens" in ernstige mate kostenverhogend werken. Een nadere beschouwing en zorgvuldige vergelijking wijst uit dat de voordelen van het gebruik van kleur niet alleen voor Alle Hens" van belang zijn. Als maandblad voor de interne voorlichting der koninklijke marine van de hoofdafdeling personeel valt dit blad onder het bureau interne voorlichting. Dit bureau draagt ook zorg voor de vervaardiging van voorlichtings- en wervingsboekjes, brochures, kalenders, etc. Door een zorgvuldige planning en onderling samenspel worden voor Alle Hens" foto's en dia's uitgezocht en aangemaakt, die na kortere of langere tijd weer gebruikt worden voor de andere voornoemde uitgaven van het bureau interne voorlichting. De kosten van de belangrijkste post in het kleuren-procédé, nl. de aanmaak van 4-kleuren litho's, worden op deze manier bij het vervaardigen van de andere drukwerken terugverdiend". De drukkerij beschikt inmiddels over een grote collectie kleurenlitho's, welke telkenmale opnieuw worden gebruikt. Een voorbeeld van dit samenspel mag het wervingsboekje Werken bij de Koninklijke marine" worden genoemd, waarbij nagenoeg alle kleurenlitho's van één jaargang Alle Hens" werden gebruikt als illustratie. Dit betekende een aanzienlijke besparing op de drukkosten van het wervingsboekje. Een exemplaar van dit boekje gaat als bijlage hierbij. *) Bij de overgang naar het kleuren-offset-procédé is mede bepalend geweest het feit, dat advertenties in vierkleurenlitho's een aanzienlijk hogere opbrengst hebben. De opdrachtgever betaalt bovendien de aanmaakkosten van de litho. Door de teruggang in de economie en de daarmee samenhangende inkrimping van de advertentiebudgets van de bedrijven bleef de acquisitie van deze advertenties beneden de verwachting. Sinds kort is echter een duidelijke verandering in deze situatie opgetreden. De acquisitie van zowel kleuren- als zwartwit-advertenties geeft een stijgende opbrengst te zien. Het lijkt 8 niet onmogelijk, dat in de toekomst de opbrengst van de kleurenadvertenties de kosten der kleurenillustraties volledig zal compenseren. De vergelijkbare bladen voor de twee andere delen van de krijgsmacht verschijnen met eenzelfde frequentie. Deze bladen - De Legerkoerier" en De Vliegende Hollander" - maken thans naast enkelvoudig steunkleur ook gebruik van vier-kleuren-afbeeldingen. Ter informatie zijn bij deze nota exemplaren van de julinummers van de drie bladen gevoegd. *) Ten aanzien van de kosten van elk van genoemde bladen moge onderstaande informatie dienen. Produktiekosten 1971: Alle Hens": Kleurenomslag, kleurenillustraties in binnenwerk en steunkleuren d.w.z. tekst en koppen in andere kleuren: ƒ ,79 Legerkoerier": Zwart-wit voorplaat; zwart-wit illustraties en steunkleur: ƒ ,72 De Vliegende Kleurenomslag, zwart-wit Hollander": illustraties en steunkleuren: ƒ ,57 Terug ontvangen voor advertenties e.d. Alle Hens" ex. Legerkoerier" ex. De Vliegende Hollander" ex. ƒ181831,79 f ,72 ƒ ,57 ƒ ,84 adv. ƒ ,50 adv. ƒ ,75 adv. ƒ ,95 ƒ ,22 ƒ ,82 Hierbij dient opgemerkt te worden dat Alle Hens" en De Vliegende Hollander" in tegenstelling tot de Legerkoerier" geen personeelsadvertenties opnemen. Voor deze personeelsadvertenties ontving de Legerkoerier" ƒ ,95. De werkelijke kosten in verhouding tot de oplage geven als eindresultaat de kosten per exemplaar: Voor De Vliegende Voor Alle Hens" Voor Legerkoerier" Hollander" ƒ 0,57 ƒ 0,51 ƒ0,44 De lagere prijs voor de Legerkoerier" wordt beïnvloed door de inkomsten uit de personeelsadvertenties. 41. Administratieve onregelmatigheden bij een dienstkring van de Rijkswaterstaat Kunnen aannemers die opdrachten ontvangen van dienstkringhoofden, op enigerlei wijze zelf vaststellen of de vereiste voorafgaande goedkeuring en krediettoewijzing van de centrale directie van de Rijkswaterstaat gegeven zijn? Wat was de taxatiewaarde waarvoor één der beide noodwoningen werd overgenomen? Waarom kwam de andere niet in aanmerking voor overneming? Waren beide woningen direct na gereedkomen verhuurd? Welk voordeel konden deze beide woningen in de nabijheid van waterstaatswerken verschaffen aan de ambtenaren die de aannemer tot levering en plaatsing opdracht gaven? Meer nog dan over de plaats gehad hebbende onregelmatigheden is de vaste commissie teleurgesteld over de moeilijkheden die de Rekenkamer ondervond bij het verkrijgen van inlichtingen. ") Ter inzage bij ds bibliotheek der Kamer.

9 9 De onregelmatigheden zijn immers naar alle waarschijnlijkheid van incidentele aard, terwijl de moeilijkheden die de Rekenkamer ondervond kunnen doen denken aan een vaste gewoonte ten departemente om zoveel mogelijk te voorkomen dat de Rekenkamer en daarmee het parlement en de publieke opinie op de hoogte geraken van interne problemen. Is het rapport van de interne controledienst betreffende de uitvoering van een onderhoudsbestek voor in het jaar 1968 verrichte werken, met medeweten van de Minister aan de Rekenkamer onthouden tot hierom gevraagd werd en - zo neen - heeft de Minister dan zijn afkeuring hierover doen blijken aan de hoogste ambtenaar die hiervan wel op de hoogte was? Is de van dit rapport kennelijk ten onrechte gescheiden gehouden briefwisseling met medeweten van de Minister aan de Rekenkamer onthouden, toen deze om het rapport gevraagd had? Was de Minister ervan op de hoogte dat hij in zijn brief van medio december 1970 een aantal essentiële vragen van de Rekenkamer onbeantwoord liet en - zo neen - heeft hij dan zijn afkeuring doen blijken aan de ambtenaar die zijn antwoordbrief had voorbereid? Waarom is ten slotte de brief van de Rekenkamer van 1 februari 1971 pas in de laatste week van 1971 beantwoord, zulks ondanks herhaalde mondelinge en schriftelijke rappels? Heeft de Minister nu een regeling getroffen om te bereiken dat brieven van de Rekenkamer volgens een bepaald tijdschema worden beantwoord? Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: De vraag of aannemers, die opdrachten ontvangen van dienstkringhoofden, op enigerlei wijze zelf kunnen vaststellen of de vereiste voorafgaande goedkeuring en krediettoewijzing van de centrale directie van de Rijkswaterstaat gegeven zijn, kan ontkennend worden beantwoord. Geen der beide in de vraag bedoelde woningen is tot op heden overgenomen; de woningen zijn niet getaxeerd. Uit gevoerde correspondentie kan worden afgeleid, dat medio februari 1971 een overnameprijs van f ,26 voor deze woningen in principe acceptabel werd geacht. De woning te Hoek van Holland komt niet voor overname in aanmerking, omdat daaraan als dienstwoning geen behoefte bestaat. De betrokken woningen werden direct na het gereedkomen door de aannemer verhuurd aan ambtenaren van de Rijkswaterstaat. Hierbij kan worden opgemerkt, dat deze woningen geen enkel persoonlijk voordeel konden verschaffen aan de ambtenaren, die de aannemer opdracht gaven tot levering en plaatsing daarvan. Het voordeel van de dienst bestond daarin, dat de onderhavige woningen de mogelijkheid, boden tegemoet te komen aan de eis een tweetal ambtenaren zo spoedig mogelijk in hun standplaats te vestigen. Wat betreft de beantwoording van vragen van de Rekenkamer in de brief van medio december 1970 merkt de ondergetekende op, dat de Rekenkamer wel een voor haar blijkens haar brief van 1 februari 1971 onbevredigend antwoord heeft ontvangen, doch dat de ondergetekende van een opzettelijk onbeantwoord laten van essentiële vragen niet is gebleken. Zeker is naar zijn overtuiging dat zijn toenmalige ambtsvoorganger van een eventueel opzettelijke onvolledigheid niet op de hoogte was. In tegenstelling tot de mogelijke indruk, dat aan de Algemene Rekenkamer slechts met terughoudendheid inlichtingen zouden worden verstrekt zij medegedeeld, dat steeds de grootst mogelijke openheid wordt betracht. In het onderhavige geval was er echter de bijzondere omstandigheid, dat het desbetreffende hoofd van dienst, die op grond van hem ter ore gekomen geruchten onregelmatigheden in het desbetreffende dienstonderdeel vermoedde, uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid bij het onderzoek had gevraagd om te voorkomen dat onnodige onrust in de dienst zou worden veroorzaakt. Toen het rapport was uitgebracht en gebleken was, dat er inderdaad onregelmatigheden waren voorgekomen, heeft de desbetreffende functionaris ten onrechte gemeend het vertrouwelijk karakter van het rapport te moeten handhaven. Hij heeft daarin evenwel - ook van de zijde van de Algemene Rekenkamer bestaat daarover geen twijfel - geheel te goeder trouw gehandeld. Mijn toenmalige ambtsvoorganger was van een en ander niet op de hoogte. Later is de desbetreffende functionaris op de onjuistheid van zijn handelwijze gewezen. Om de vraag over de kennelijk ten onrechte van het rapport gescheiden gehouden briefwisseling, zoals de vraag het formuleert, te beantwoorden diene, dat het onderzoek naar de onregelmatigheden betrekking had op de uitvoering in 1968 van een onderhoudsbestek. Bij dat onderzoek kwamen door opmerkingen, tegenover de controlerend ambtenaar gemaakt, nog twee andere zaken aan de orde, t.w. de aankoop van dienstwoningen in 1966 en werkzaamheden, welke een ambtenaar door rijkspersoneel in 1969 had laten verrichten aan zijn eigen woning. Deze twee kwesties hadden geen relatie tot het onderzoek naar de onregelmatigheden bij de uitvoering van het bestek en zijn daarom van het desbetreffende rapport gescheiden gehouden. Van een kennelijk ten onrechte gescheiden gehouden briefwisseling kan dan ook niet worden gesproken. De scheiding vloeide voort uit het verschil in onderwerp. Wisseling in de leiding van onderscheidene dienstonderdelen bij de Rijkswaterstaat en het gebrek aan voldoende mankracht hebben geleid tot vertraging van de beantwoording van de brief van de Algemene Rekenkamer van 1 februari Het ontmoet praktische bezwaren een regeling te treffen, dat de brieven van de Algemene Rekenkamer volgens een bepaald tijdschema worden beantwoord; de aard van de aangelegenheden en daarmede de omvang van de vereiste behandeling kunnen namelijk sterk uiteenlopen. Uiteraard wordt steeds gestreefd naar afdoening op zo kort mogelijke termijn en wordt de ondergetekende regelmatig op de hoogte gehouden van de nog niet beantwoorde brieven. 42. Overheidspremiespaarregelingen Vraag van de vaste commissie voor de rijksuitgaven: Vindt nu een onderzoek plaats naar de doelmatigheid van de ambtenarenspaarregeling en van de jeugdspaarregeling? Zo ja, is dan voor dit onderzoek een tijdschema opgesteld? Zo neen, waarom blijft dit onderzoek dan achterwege? Antwoord van de Minister van Sociale Zaken: De vraag van uw commissie of nu een onderzoek plaatsvindt naar de doelmatigheid van de ambtenarenspaarregeling en van de jeugdspaarregeling kan ik bevestigend beantwoorden. Wat het karakter van dit onderzoek betreft deel ik u mede, dat het - zoals ik ook in mijn schrijven van 24 november 1971 aan de Algemene Rekenkamer heb bericht - hier gaat om een wetenschappelijk onderzoek naar spaarmotieven en spaargedrag, waarbij ook aan de effectiviteit van de maatregelen die de overheid op het gebied van de bezitsvorming heeft getroffen ruime aandacht zal worden besteed. Ter nadere toelichting voor uw commissie moge dienen clat niet alleen de invloed van de ambtenarenspaarregeling en van de jeugdspaarregeling maar ook bijv. de invloed van de algemene premiespaarregeling en van de bedrijfsspaarregelingen in het algemeen in dit onderzoek zullen worden betrokken. Bij de voorbereiding van het onderzoek is overigens inmiddels gebleken, dat het niet mogelijk is de effectiviteit van de verschillende regelingen nauwkeurig te meten aan de hand van de omvang der addiüonele besparingen die als gevolg van de maatregelen tot stand kwamen. Wel valt te verwachlen dat een antwoord kan worden verkregen op de vraag of het individu meer heeft gespaard onder invloed van de verschillende maatregelen. Met betrekking tot het gehele complex van initiatie, additionaliteit, en verschuivingen in het spaargedrag zal daartoe een groot aantal vragen worden gesteld. Het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen de voor dit onderzoek ingestelde begeleidingscommissie en het instituut dat het onderzoek voorbereidde, heeft reeds het vorige jaar geresulteerd in een uitgewerkte opzet voor het onderzoek. De beslissing of het onderzoek definitief doorgang zou vinden ondervond aanvankelijk vertraging onder invloed van de kabinetswisseling. Vervolgens hebben budgettaire overwegingen ertoe geleid om met het bankbedrijf en het verzekeringsbedrijf, dat (2)

10 10 voor deelneming aan het onderzoek belangstelling toonde, overleg Ie voeren, teneinde door financiële deelneming van die zijde in het onderzoek de hieraan voor de overheid verbonden kosten te drukken. Dit heeft voor de reeds gereed gekomen opzet van het onderzoek in zoverre zekere konsekwenties dat hierin alsnog ook bepaalde wensen die ter zake bij de bank- en verzekeringswereld leven, zullen moeten worden verdisconteerd. Wanneer het overleg dat hierover thans gaande is, op bevredigende wijze kan worden afgesloten - hetgeen uiteraard alleen het geval is wanneer de primaire doelstelling van het onderzoek, te weten het verkrijgen van gegevens die van belang zijn voor het door de overheid op dit terrein te voeren beleid, kan worden gehandhaaf d - zou het onderzoek omstreeks februari 1973 kunnen starten. De resultaten zouden dan tegen het einde van dat jaar beschikbaar kunnen komen. 43. Onderhoud dienstwoningen Wanneer precies zullen de desbetreffende wijzigingen tot stand komen? Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: De instructies inzake het onderhoud van dienstwoningen zijn conform de wens van de Algemene Rekenkamer gewijzigd bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 maart 1972, nr. Z/ Financieel nadeel als gevolg van een ten onrechte toegezegde vergoeding van reis- en verblijfkosten huishoudelijk personeel. Kon de beleidsafdeling van het departement van Buitenlandse Zaken die de vergoeding toezegde worden beschouwd als een bevoegde instantie" terzake? Is voor het doen van toezeggingen met financiële gevolgen niet de medewerking van de afdeling comptabiliteit of een andere dergelijke instantie nodig? Antwoord van de Minister van Buitenlandse Zaken: 1. Het tweede deel van de betreffende vraag kan in bevestigende zin zijn beantwoord. Voor het doen van toezeggingen met financiële gevolgen voor den Lande dient inderdaad de voorafgaande medewerking van de hoofdafdeling comptabiliteit en financiële zaken van mijn ministerie te worden verkregen. 2. Wat betreft de beantwoording van het eerste deel van de vraag, diene dat - voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 119, lid 4 van het reglement van de buitenlandse dienst, krachtens welk artikel de Minister van Buitenlandse Zaken de interpretatie van bijzondere gevallen" ter zake van verlofreizen is voorbehouden door de betrokken beleidsdirectie, de directie buitenlandse dienst, die de bevoegde instantie" is voor de uitvoering van bedoeld reglement - op grond van destijds redelijk geachte motieven namens mijn ambtsvoordrager een toezegging in gunstige zin werd gedaan ten aanzien van de verlangde reisvergoeding. Aangezien het evenwel naar de opvatting van de hoofdafdeling comptabiliteit en financiële zaken slechts mogelijk was de kosten van een enkele reis naar Nederland - bij wijze van vervroegde repratriëring - voor rijksrekening te nemen, werd zijdens genoemde hoofdafdeling aanvankelijk geen medewerking verleend aan de volledige uitvoering van de terzake gedane toezegging. Mijn ambtsvoorganger heeft daarop, gezien de voorgeschiedenis alsook mede met het oog op het feit dat door de belanghebbende ambtenaar van de buitenlandse dienst aan de indertijd gedane toezegging rechten konden worden ontleend, alsnog besloten de reis- en verblijfkosten van de betrokken huishoudsters geheel voor rijksrekening te nemen. Gezien het voorgevallene en ter voorkoming van soortgelijke controverses die uit het onderhavige geval zijn voortgevloeid, zijn inmiddels door ondergetekende nadere interne aanwijzingen verstrekt in die zin, dat met name op vragen inzake de interpretatie van de bepalingen van het reglement van de buitenlandse dienst die financiële consequenties met zich medebrengen, voortaan niet meer mondeling zal worden gereageerd. In voorkomende gevallen zal de afdoening van deze vragen schriftelijk geschieden, waarbij het antwoord via de hoofdafdeling comptabiliteit en financiële zaken getoetst zal worden aan de terzake bestaande voorschriften. Vraag van de commissie: Verdient het geen aanbeveling in het ambtenarenreglement of andere regelingen van de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren een clausule op te nemen waaruit blijkt dat ambtenaren geen rechten kunnen ontlenen aan mondelinge toezeggingen inzake salariëring of vergoeding van bepaalde kosten? Wellicht zou een dergelijke waarschuwing ook eens per jaar kunnen worden afgedrukt op het loonstrookje. Antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken: De vraag, of het aanbeveling verdient in de ambtelijke rechtspositieregelingen een clausule op te nemen, dat ambtenaren geen rechten kunnen ontlenen aan mondelinge toezeggingen inzake salariëring of vergoeding van bepaalde kosten, moet naar mijn oordeel ontkennend worden beantwoord. Het opnemen van zo'n bepaling zou er immers vermoedelijk toe leiden, dat voortaan dergelijke toezeggingen in het geheel niet meer worden gedaan, ook niet wanneer de bevoegdheid tot het doen van de toezegging aanwezig zou zijn. Bovendien mag verwacht worden, dat dan meer dan tot nu toe schriftelijke toezeggingen zullen worden uitgelokt en gedaan, die aan hetzelfde euvel kunnen lijden als de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde toezeggingen. Dit laatste bezwaar zou kunnen worden ondervangen door de bepaling ook op schriftelijke toezeggingen betrekking te doen hebben. Hierdoor zou echter het eerste bezwaar nog worden versterkt, in die zin, dat het ook zou gaan gelden voor bevoegdelijk gedane schriftelijke toezeggingen. Dit bezwaar kan niet worden weggenomen door de bepaling te beperken tot onbevoegdelijk gedane toezeggingen. Een dergelijke bepaling zou immers, naar het voorkomt, zowel voor de administratie als voor de ambtenaar zoveel onzekerheid kunnen opleveren, dat men geheel en al voor het doen van toezeggingen zal terugdeinzen. Het lijkt alleen reeds daarom de voorkeur te verdienen, de zaak van een andere kant te benaderen, door het tegengaan van situaties als door de Algemene Rekenkamer bedoeld, van de zijde van de administratie zelf te doen geschieden. De administratie zelve zal ervan doordrongen dienen te zijn, dat niet lichtvaardig toezeggingen behoren te worden gedaan, te meer omdat ook ter zake van de nakoming van ten onrechte gedane toezeggingen behoedzaamheid geboden is. Het ligt in mijn voornemen deze aangelegenheid onder de aandacht van mijn ambtgenoten te brengen, met het verzoek op het stuk van het doen en nakomen van toezeggingen aan ambtenaren de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten en te doen betrachten. 49. Subsidiëring studiereizen voor docenten naar Japan en Thailand. Vraag van de vaste commissie. Betreft het hier een overheidsstichting? Uit welk begrotingsartikel werd de susidie in de extra kosten voldaan? Is het op dit artikel uitgetrokken bedrag in 1970 voldoende geweest of is het bij aanvullende begroting verhoogd? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: De stichting voor educatieve reizen, correspondentie en uitwisseling (stichting RQ") is geen overheidsstichting. Deze stichting ontvangt een aanmoedigingssubsidie. Deze subsidie is en blijft ook in de komende jaren uitsluitend bestemd voor een gedeeltelijke dekking van de bureaukosten van de stichting.

11 11 De subsidie over 1970 is, in het kader van de bijscholing van docenten, ten laste gebracht van artikel 110 van hoofstuk VIII van de rijksbegroting voor het dienstjaar Het op dit artikel uitgetrokken bedrag was hiertoe toereikend. 51. Subsidie in de bouw- en restauratiekosten van kasteel De Oosterhoff" te Ryssen. Wie is verantwoordelijk voor de aanvankelijke raming van de kosten op f ? Wanneer vond deze aanvankelijke raming plaats? Wat waren de niet-voorziene extra kosten die tengevolge hadden dat deze raming met meer dan 100 pet. is overschreden? Lag het niet voor de hand om deze overschrijding geheel toe te rekenen aan hoofdstuk XVI van de rijksbegroting (CRM)? Ten laste van welk dienstjaar en ten laste van welk artikel van zijn begrotingshoofdstuk is de extra bijdrage van f door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid gebracht? Is het binnen dit artikel voor investeringssubsidies aan opleidingscentra voor kraamverzorgsters uitgetrokken bedrag in dat jaar uitgeput, c.q. overschreden? Moesten andere plannen worden getemporiseerd in verband met de extra bijdrage van f aan de restauratie van het kasteel? Antwoord van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne: In eerste instantie heeft een particulier architect voor de bouw en restauratie van bovengenoemd kasteel een kostenraming opgesteld tot een bedrag van f De rijksgebouwendienst, welke, zoals ten deze gebruikelijk is, van advies diende achtte deze raming aan de lage kant en stelde voor, een bedrag van f aan te houden. Omdat te verwachten viel, dat de rijksdienst voor de de monumentenzorg (C.R.M.), het provinciaal en het gemeentebestuur belangrijke bijdragen in de (restauratie-) kosten zouden leveren, kon er aanvankelijk van worden uitgegaan, dat een bedrag van rond f (een voor de bouw van een kraaminternaat normaal te achten bedrag) ten laste van de opdrachtgever en derhalve van het toenmalige departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid zou komen. Dit bedrag kon worden geput uit de toentertijd in het kader van het z.g. C.E.G.-programma ter bevordering van de werkgelegenheid ter beschikking gekomen gelden. De niet voorziene omstandigheden, welke tot een aanzienlijke kostenstijging hebben geleid, betreffen het instorten (tijdens de restauratie) van een deel van de voorgevel en het dak. De rijksgebouwendienst en monumentenzorg hielden in verband met deze tegenslag nader rekening met een raming van f Het extra-benodigde bedrag kwam voor f eveneens ten laste van de C.E.C.-gelden (f aandeel C.R.M, en f aandeel Sozavo) en voor f ten laste van provincie en gemeente. Uiteindelijk hebben de kosten - voornamelijk als gevolg van loon- en prijsstijgingen - f ,92 belopen, welk bedrag als volgt over de participanten is verdeeld: Departement van sociale Zaken en Volksgezondheid ƒ , Departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk , Provincie Overijssel , Gemeente Rijssen , Stichting kraaminternaten van het Oranje- Groene Kruis" ,92 Voor de financiering van het aandeel van het departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid behoefde niet te worden geput uit het voor de bouw van kraaminternaten beschikbare budget. Het bedrag van f kwam geheel ten laste van de in 1967 en 1968 extra beschikbaar gestelde z.g. werkgelegenheidsgelden; verdere verschuiving van de extra-kosten naar C.R.M, had derhalve geen zin. 53. Drukkosten jaarverslag Raad voor de Kunst Vraag van de commissie: Wat acht de Minister een aanvaardbaar niveau voor de drukkosten van een dergelijk jaarverslag? Antwoord van de Minister van C.R.M.: Een bedrag van ongeveer f is een aanvaardbaar niveau voor de drukkosten van het jaarverslag. 54. Beëindiging van een subsidie Hoe heeft het vermogen van de stichting zich sedert 1966 ontwikkeld? Wenst de Minister tegen deze achtergrond vast te houden aan een subsidie ook voor 1973? Antwoord van de Minister van Economische Zaken: Het vermogen van de stichting kwaliteitsdienst voor de industrie is van f in 1966 gestegen tot f in 1970 en in 1971 teruggelopen tot f In dit laatste jaar ontstond een nadelig exploitatiesaldo van f De voorlichtingsactiviteiten leveren uiteraard verlies op. De reserves van de stichting zijn tot stand gekomen uit de opbrengsten van de cursusactiviteiten. Hierbij dient ermede rekening te worden gehouden dat de reserves nodig zijn om de cursuspakketten aan de nieuwe bedrijfsorganisatorische en technologische ontwikkelingen aan te passen. Overigens blijken de kostenstijgingen van de laatste jaren reeds in 1971 zoals hierboven vermeld tot een negatief resultaat te hebben geleid, zodat in 1971 al weer op de reserve werd ingeteerd. De stijgingen van de loonkosten maken het voor Nederland des te noodzakelijker sterker kwaliteitsbewust te zijn. Het kwaliteitsbewustzijn van de ondernemers moet door voorlichting worden verbeterd. Deze mentaliteitsdoorbreking gaat langzaam, maar het proces is zéér beslist in gang gezet. Het bedrijfsleven geeft méér en méér respons op de activiteiten van de stichting. De stichting is zich bewust dat men op eigen benen zal moeten staan. Het voor de laatste maal in 1973 toekennen van een subsidie van f (1971 f , 1972 f ) zal de stichting de gelegenheid moeten geven maatregelen te treffen om door verdere bezuinigingen en door het verkrijgen van meer inkomsten tot een sluitende begroting te komen. Een beëindiging van het reeds aflopende subsidie zonder meer zou echter tot ernstige financiële moeilijkheden bij de stichting leiden. 56. Kosten van in het buitenland opgeleide mondhygiënistes Hoe groot was het einde 1971 uitstaande bedrag van nog niet terugbetaalde inverdieningstoelagen? Wordt over de vorderingen rente in rekening gebracht? Antwoord van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne: Het in de boekhouding van het departement van de ondergetekende openstaande saldo van de terug te betalen studietoelagen bedroeg per 31 december 1971 f ,35. Inmiddels is van de stichting opleiding mondhygiënistes - welke stichting de invordering van de terug te betalen toelagen verzorgt - op de postrekening van het departement een som van in totaal f ,67 overgemaakt, waardoor de uitstaande totaalschuld per ultimo juni 1972 is teruggebracht tot f ,68. Het is niet gebruikelijk - ook niet voor andere studietoelagen, welke dit departement verstrekt - om over de uitstaande, achterstallige, vorderingen rente te berekenen. 58. Tariefopbouw van door het rijk aan derden bewezen diensten Hoe ver is de Minister gevorderd met de realisering van aanbevelingen van de werkgroep? Kan hij de resultaten reeds enigszins kwantificeren?

12 Antwoord van de Minister van Financiën: De realisering van de aanbevelingen, welke de werkgroep tariefopbouw van door het rijk aan derden bewezen diensten" in zijn op 10 mei 1971 uitgebrachte verslag heeft gedaan, bevindt zich in een gevorderd stadium. In september 1971 is het verslag besproken met de chefs comptabiliteit van de departementen; deze konden zich met de daarin neergelegde beginselen verenigen. In aansluiting hierop is met betrekking tot een aantal belangrijke ontvangstposten door de desbetreffende chefs comptabiliteit en ambtenaren van mijn ministerie nagegaan welke consequenties toepassing van de richtlijnen voor de hoogte van de tarieven heeft. Voorts heb ik ter gelegenheid van de voorbereiding van de begroting-1973 mijn ambtgenoten verzocht de daarvoor in aanmerking komende tarieven zoveel mogelijk op de grondslagen van vorengenoemd verslag te baseren. De daarbij te hanteren normen zijn aan de departementen toegezonden. Uit een eerste onderzoek is gebleken, dat de bedoelde kwantificering niet mogelijk is, aangezien de resultaten van de nieuwe richtlijnen niet te scheiden zijn van de normale ontwikkeling van de ontvangsten. 59. Keuringstarief bij het nationaal luchtvaartgeneeskundig centrum Heeft de Minister van Defensie inmiddels geantwoord op de brief van de Rekenkamer van 8 november 1971 en - zo ja - hoe? Antwoord van de Minister van Defensie: Bij brief van 16 maart 1972, nr /16 V is aan de voorzitter van de Algemene Rekenkamer bericht dat de kwestie van de onderwerpelijke keuringsprijs opnieuw kritisch wordt bezien en dat, aangezien hierover op interdepartementaal niveau overleg zal moeten plaatsvinden, hiermee wel enige tijd gemoeid zal zijn. Dit departementaal overleg heeft intussen plaatsgevonden. Een voorstel aan het bestuur van de stichting om gedifferentieerde tarieven te hanteren en wel zodanig, dat de totaalopbrengsten kostendekkend zullen zijn, is thans in een vergevorderd stadium van voorbereiding. 60. Vaststelling tarieven bij de rijks geologische dienst Is het onderzoek inmiddels beëindigd? Zo neen, wanneer zal dat dan kunnen geschieden? Antwoord van de Minister van Economische Zaken: Het onderzoek werd in 1971 afgesloten. Het resultaat was een herziening van de berekening der jaarlijks beschikbare arbeidsuren en de daaruit voortvloeiende manuurtarieven, zoals ook in het verslag is vermeld. De onderhandse mededeling aan de Algemene Rekenkamer van dit resultaat werd met een brief van 17 februari 1972 schriftelijk bevestigd. 62. Verhuur mosselpercelen in de Waddenzee In hoeverre zijn de huurprijzen thans verhoogd? Antwoord van de Minister van Financiën: De huurprijzen van deze percelen zijn met ingang van 15 juni 1972 verhoogd van f 300 tot f 500 per perceel per jaar. Deze huurprijsvaststelling geldt tot uiterlijk 15 juni Kosten van maatregelen van kinderbescherming Vraag van de vaste Commissie: Heeft de Minister de benodigde adviezen inderdaad vóór 1 mei ontvangen en - zo neen - heeft hij hiervoor dan een nieuwe termijn gesteld? Heeft hij een tijdschema voor zijn eigen besluitvorming vastgesteld en - zo ja - kan hij zijn standpunt dan nog dit jaar bepalen? 12 Antwoord van de Minister van Justitie: De adviezen die naar aanleiding van het door de commissie-wiarda uitgebrachte rapport Jeugdbeschermingsrecht" aan verschillende instanties zijn gevraagd, hebben - op één na - inmiddels het departement van justitie bereikt. Het is de nationale federatie voor kinderbescherming met mogelijk gebleken zich aan de gestelde termijn te houden. Zij heeft een half jaar uitstel voor het uitbrengen van haar advies gevraagd, aan welk verzoek tegemoet gekomen is. In verband met dit verleende uitstel komt het de ondergetekende niet waarschijnlijk voor dat hij in staat zal zijn nog dit jaar zijn standpunt te kunnen bepalen. 66. Doorberekening van kosten verbonden aan door districtskinderartsen ten behoeve van plaatselijke kraamverenigingen verrichte werkzaamheden. Heeft de Minister een tijdschema vastgesteld voor de overweging van de bezwaren van belanghebbenden? Tot welke datum zal de opschorting van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling - die de Rekenkamer reeds einde 1969 nodig achtte en die de Minister aanvankelijk op 1 juli 1971 had gesteld - zich uitstrekken? Had de Minister in eerste instantie geen rekening gehouden met de bezwaren van belanghebbenden? Is het soms één van de problemen dat het wegvallen van rijkssubsidies resulteert in aanmerkelijke stijging van de contributies dan wel in subsidies van plaatselijke verenigingen, in welk laatste geval de nieuwe regeling voor de overheidsuitgaven als geheel niets zou uitmaken? Antwoord van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne: Met betrekking tot het bovenstaande deelt de ondergetekende mede, dat de aanvankelijk per 1 juli 1971 in te voeren nieuwe regeling zal worden opgeschort tot uiterlijk 1 juli De Algemene Rekenkamer is hieromtrent inmiddels ingelicht, alsmede omtrent de wijze waarop getracht zal worden aan de gerezen bezwaren tegemoet te komen. Naar aanleiding van uw vraag of in eerste instantie geen rekening is gehouden met de bezwaren van belanghebbenden moge de ondergetekende opmerken dat deze bezwaren achteraf bezien meer ingrijpend bleken dan aanvankelijk op grond van de beschikbare gegevens mocht worden aangomen. Het eventueel ten dele wegvallen van rijkssubsidies zal uiteraard de betrokken kruisverenigingen voor grotere financiële moeilijkheden plaatsen. Hangende het ter zake lopende overleg met de kruisorganisaties kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de vraag, of de nieuwe vast te stellen regeling zal (moeten) resulteren in een stijging van de contributies en/of verhoging van subsidies voor plaatselijke kruisverenigingen, doch gelet op de budgettaire situatie van het Rijk is eventuele verhoging van de subsidies naar de mening van de ondergetekende niet waarschijnlijk te achten. 69b. Schadevergoeding aan de aannemer van de Van Brienenoordbrug Hoe verklaart de Minister van Verkeer en Waterstaat dat de tweede declaratie van de aannemer te hoog was? Onderhoudt het rijk nog relaties met deze aannemer? Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: Bij het onderzoek naar de verklaring van het feit, dat de tweede declaratie van de aannemer te hoog was, is duidelijk geworden, dat de aannemer in deze zelf geen blaam treft. Een en ander heeft zich als volgt toegedragen. Reeds in 1963 wees de aannemer de betrokken directie op het ongunstige verloop van het werk en deed hij het verzoek een tegemoetkoming te mogen ontvangen in de voor hem daaruit voortvloeiende hogere kosten. Op grond van de daarvoor aangevoerde motieven moest dit evenwel worden afgewezen, hetgeen de betrokken dienst bij brief van 18 juni 1964 werd medegedeeld. Geruime tijd later stelde de bedoelde

13 13 dienst de kwestie in een bespreking ter hoofddirectie van de waterstaat andermaal aan de orde, hetgeen heeft geleid tot een nieuw schadevergoedingsvoorstel van de aannemer aan de betrokken dienst, gedateerd 7 april 1966; daarbij werd tegemoetkoming verzocht in de gevolgen van een viertal punten uit de oorspronkelijke schadeclaim van de aannemer. In afwachting van de beslissing op dit voorstel stelde de aannemer een request (gedateerd 30 mei 1967) aan de Minister van Verkeer en Waterstaat op, waarin nogmaals alle bij de uitvoering ondervonden moeilijkheden uitvoerig werden belicht en het verzoek om tegemoetkoming werd herhaald. Met de toekenning van een schadevergoeding ad f ,91 op de hierboven bedoelde vier punten heeft de Algemene Rekenkamer instemming betuigd bij haar brief van 15 juli 1969, nr. 1696R. In deze vergoeding was begrepen een bedrag van f voor vertraging in verband met de wijziging in de volgorde van uitvoering. Dit feit is over het hoofd gezien toen ongeveer anderhalf jaar later aan de Algemene Rekenkamer het voorstel werd gedaan de aannemer een vergoeding wegens de langere uitvoeringsduur van het werk toe te kennen op grond van het door hem ingezonden request. De Algemene Rekenkamer heeft dan ook bij haar instemmend antwoord op dit voorstel (bij brief van 19 april 1971, nr. 808R) erop gewezen, dat bij het toekennen van de voorgestelde schadevergoeding rekening moest worden gehouden met hetgeen de aannemer ter zake reeds had ontvangen. De onderbouw van de Van Brienenoordbrug werd aangenomen door een tijdelijke aannemerscombinatie bestaande uit de Hollandse Beton Mij N.V. en de N.V. Annemingsmij voorheen de firma H. F. Boersma; beide staan goed aangeschreven en komen voor opdrachten zeker in aanmerking. 71. Aanschaffing van ketelpijpen Kan de Minister mededelen waarom - naar de Rekenkamer aan het slot van haar opmerkingen bericht - naar het zich helaas laat aanzien in deze aangelegenheid op dit ogenblik geen stappen meer kunnen worden ondernomen"? Antwoord van de Minister van Defensie: In 1968 heeft de Koninklijke marine opnieuw een opdracht geplaatst voor een hoeveelheid ketelpijpen op basis van een gehouden onderhandse inschrijving. Indien bij bedoelde inschrijving de bij de vorige bestelling betrokken leverancier een aanvaardbare prijsaanbieding zou hebben gedaan en hem deswege de nieuwe opdracht zou zijn verleend, dan zou dit een gerede aanleiding zijn geweest om met enige kans op succes met de leverancier te onderhandelen over een redelijke tegemoetkoming in de door de Koninklijke marine ten gevolge van de vorige opdracht geleden bijkomende schade. Hierbij zij opgemerkt, dat de leverancier de destijds geleverde pijpen op zijn kosten in de kortst mogelijke tijd reeds had vervangen om de schade voor de Koninklijke marine zoveel mogelijk te beperken. Het resultaat van de gehouden inschrijving wees echter uit, dat de meerbedoelde leverancier niet de laagste prijsaanbieder was. Een andere gerenommeerde buitenlandse leverancier had een prijsaanbieding gedaan, welke f lager was. Besloten werd de opdracht aan laatstbedoelde leverancier te gunnen. Hierbij werd onderkend, dat onderhandelingen met de vorige leverancier over een mogelijke tegemoetkoming in de voorheen door de Koninklijke marine geleden schade nooit zouden leiden tot een situatie waarbij deze tegemoetkoming het prijsverschil zou overtreffen, te meer niet omdat de betrokken leverancier reeds had laten weten, op contractuele gronden niet tot een tegemoetkoming verplicht te zijn. Aangezien de Koninklijke marine in de nabije toekomst geen aanschaffing van ketelpijpen overweegt, wordt het gelet op het vorenstaande weinig zinvol geacht op dit moment alsnog stappen tot onderhandeling te nemen. 72. Inhouding op de bezoldiging van militairen wegens huisvesting en voeding van rijkswege Met welk percentage of welke percentages zijn de inhoudingsbedragen voor burgerlijke rijksambtenaren sinds medio 1967 verhoogd? Welke maatstaven hebben daarbij gegolden? Waarom zijn deze maatstaven niet toegepast voor militairen? Wat zou het budgettair belang zijn geweest van navolging van de percentages bedoeld in de eerste vraag? Op welke maatstaven is de verhoging van slechts 3,4 pet. per 1 januari 1972 gebaseerd? Heeft de Minister reeds tot een verdere verhoging besloten? Antwoord van de Minister van Defensie: De eerst gestelde vraag kan in de verzochte vorm niet worden beantwoord, daar de voor het burgerlijk overheidspersoneel toegepaste systematiek van de kortingsregelingen voor het genot van kost en inwoning per 1 januari 1971 algeheel structureel werd herzien. Zo werd - wat het zgn. element kost" betreft - aansluiting gezocht bij de waardering ter zake volgens de tabellen geldende voor de coördinatiewet sociale verzekering, doch werd met betrekking tot de korting wegens inwoning" een dergelijke aansluiting niet passend geacht. Voorts werd onder meer een einde gemaakt aan de situatie, dat voor het verplegend personeel een kortingsregeling werd gehanteerd, welke afweek van die welke ten aanzien van het overige personeel van toepassing was. Uit het vorenstaande moge blijken, dat, gezien de nieuwe opzet van de kortingsregelingen voor de burgerlijke rijksambtenaren, een aangelegenheid welke overigens geheel mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken regardeert, niet zonder meer kan worden gesproken van verhoging van de tot dan bestaande kortingsbedragen met een bepaald percentage dan wel percentages. Met inachtneming van de per 1 april 1972 doorgevoerde verhoging ten aanzien van het element inwoning" wordt voor het huidige ingevolge artikel 24, eerste lid, van het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1948 voor het burgerlijk overheidspersoneel in voorkomend geval op de bezoldiging een korting toegepast, welke voor kost bedraagt 12 pet. van de wedde met een minimum van f 110 en een maximum van f 153 per maand en voor inwoning 8 pet. van de wedde met een minimum van f 75 en een maximum van f 107 per maand. Ten aanzien van degenen die - ongeacht hun leeftijd - een bezoldiging genieten, welke ligt beneden het minimum-loon geldt een van het vorenstaande afwijkende regeling. Wat de militaire ambtenaren betreft is - gelet op het eigen karakter en de eigen systematiek van de voor dat personeel geldende regeling inhouding wegens huisvesting en voeding van rijkswege - getracht steeds zo verantwoord mogelijk aansluiting te zoeken bij de voor de burgerlijke ambtenaren terzake bestaande regelingen. Over deze materie is met de Algemene Rekenkamer een uitvoerige briefwisseling gevoerd. Ter bekorting moge hiervoor v/orden verwezen naar de bij dit antwoord gevoegde fotokopieën van de brieven van de A1- gemene Rekenkamer van 10 mei 1971 en 17 januari 1972, alsmede naar mijn brieven van 13 oktober 1971 onderscheidenlijk 29 maart 1972*). Hierbij wordt nog opgemerkt, dat inmiddels behalve de verhoging per 1 januari 1972 van het minimum- en maximumbedrag van de betrekkelijke inhouding met 3,4 pet., per 1 juli 1972 een verdere verhoging van de bedoelde bedragen heeft plaatsgevonden, zodat deze thans f 101 onderscheidenlijk f 202 belopen. Zoals uit het vorenstaande en met name uit de met de Algemene Rekenkamer gevoerde briefwisseling moge blijken, betreft het i.c. een aangelegenheid van zeer complexe aard. In verband hiermede en mede naar aanleiding van de door de Algemene Rekenkamer op dit stuk gemaakte opmerkingen en de door enige in het militair georganiseerd overleg verte- *) Ter inzage bij de bibliotheek.

14 genwoordigde belangenverenigingen ten aanzien van de laatstelijk doorgevoerde verhogingen uitgebrachte afwijzende adviezen heb ik besloten, zoals ik bij mijn brief van 7 augustus 1972, nr /23Q, ook reeds aan de vaste commissie voor defensie van de Tweede Kamer heb bericht, het gehele vraagstuk van de verstrekking van huisvesting en voeding van rijkswege aan het militair personeel, alsmede in voorkomend geval de ter zake op de bezoldiging in te houden bedragen, aan een algeheel onderzoek te doen onderwerpen en te doen bezien of, en zo ja in hoeverre, structurele herzieningen op dit gebied gewenst zijn. 76. Vacatiegelden (toenmalige) inspecteurs V.H.M.O. De commissie zou gaarne vernemen hoe het mogelijk is dat 2 inspecteurs beiden gedurende meer dan de helft van het jaar niet beschikbaar waren voor hun normale werk. Betekent dat niet dat het formatiebestand te ruim is? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: Naar de mening van de ondergetekende dient in de desbetreffende passage uit het verslag van de Algemene Rekenkamer, t.w. Geconstateerd werd dat in dat jaar (1970) aan 22 inspecteurs voor 1000 dagen ca. f51000 was betaald (hieronder bevond zich één declaratie van f 9030 voor 144 dagen en één van f 8835 voor 152 dagen)", onder dagen verstaan te worden vacaties". Een vacatie - in de zin van: tijd aan een examen of vergadering van een examencommissie besteed - behoeft niet een gehele dag te beslaan en zal het in vele gevallen niet doen. Dat geldt in ieder geval ook voor de declaraties van de onderhavige inspecteurs, die behalve dat zij als gecommitteerden bij eindexamens aan scholen voor v.h.m.o. zijn opgetreden, ook lid zijn van commissies belast met het afnemen van examens voor m.o.-akten. De werkelijk door hen voor deze nevenwerkzaamheden beschikbaar gestelde tijd zal derhalve aanzienlijk korter zijn dan de bovenaangehaalde passage doet vermoeden. Er is geen reden aan te nemen, dat het formatiebestand van de inspectie te ruim zou zijn Onjuiste declaraties inzake het gebruik van eigen vervoermiddelen bij verlof en bewegingsvrijheid van militairen De commissie zou gaarne vernemen of de nieuwe regeling inmiddels is tot stand gekomen dan wel wanneer zij zal tot stand komen. Wordt naar de grootst mogelijke eenvoud gestreefd, bij voorbeeld door toepassing van forfaits? Verdient het overigens, ter wille van de bevordering van het openbare vervoer en ter wille van de administratieve eenvoud, geen aanbeveling de gehele regeling af te schaffen? Wijkt zij af van die welke geldt voor niet-militairen en - zo ja - in hoeverre en waarom? Antwoord van de Minister van Defensie: De gewijzigde regeling verkeert in een vergevorderd stadium van voorbereiding; er wordt naar gestreefd deze uiterlijk 1 oktober 1972 van kracht te doen worden. De wijziging beoogt slechts het wegnemen van enige bij de Koninklijke land- en luchtmacht gesignaleerde fraudemogelijkheden en niet een totaal nieuwe opzet van de bestaande regeling. Het toepassen van forfaitbedragen wordt voor de toekomst - mede gelet op de voordelen die zulke biedt voor een geautomatiseerde berekening en betaling - niet bij voorbaat uitgesloten geacht; hierover kunnen thans evenwel nog geen nadere mededelingen worden gedaan. Het afschaffen van de gehele regeling zou op grote bezwaren van rechtspositionele aard stuiten. De regeling voor militairen wijkt af van die voor niet-militairen en wel hoofdzakelijk op het punt van de hoogte van het te vergoeden bedrag. Militairen ontvangen 95 pet. van het voor burgers geldende tarief van het openbare middel van vervoer; zulks vindt zijn oorzaak in het feit dat voor militairen zgn. vrijvervoerbewijzen bestaan, waarvoor defensie aan de N.V. Nederlandse Spoorv/egen gemiddeld 95 pet. van het normale tarief verschuldigd is. 81. Algemeen burgerlijk pensioenfonds, sub i: bijdrage in de stichtingskosten van een woningcomplex Vraag van de commissie: Welke afdeling bij het fonds is verantwoordelijk voor de te lage taxatie van het door de beheermaatschappij reeds genoten rentevoordeel, welke taxatie wellicht tot een nadeel van 0,5 a 0,75 min. gulden voor het fonds zal leiden? Wie heeft het onderhandelingsmandaat indertijd opgesteld? Werd hierop toezicht uitgeoefend door een instantie van buiten het fonds? Heeft de Minister een termijn gesteld waarbinnen de door hem gevraagde inlichtingen moeten worden verstrekt? Antwoord van de Minister van Binnenlandse Zaken: De eerste vraag kan, zoals hij gesteld is, niet worden beantwoord, aangezien niet kan worden gesproken van een te lage taxatie van het rentevoordeel. Het bedrag van de bijdrage is niet berekend als uitvoering van tussen N.V. Huizenbezit Breesaap en het algemeen burgerlijk pensioenfonds (A.B.P.) gemaakte afspraken, waarin de berekeningswijze van de bijdrage zou zijn vastgelegd. De hoogte zelf is de basis geweest, waarop tussen N.V. Huizenbezit Breesaap en het fonds overeenstemming is bereikt, en op grond waarvan de centrale beleggings raad heeft besloten tot verwerving van het onderhavige complex over te gaan, aangezien met deze bijdrage een goed rendement bij aanvaardbare huurprijzen kon worden verkregen. Krachtens de beleggingswet is de centrale beleggings raad verantwoordelijk voor de besluiten tot belegging van de gelden van het fonds. Medewerkers van de afdeling beleggingen van het fonds voeren ter voorbereiding van deze besluiten de daaraan voorafgaande onderhandelingen. Er wordt geen speciaal onderhandelingsmandaat opgesteld. De medewerkers van de afdeling beleggingen voeren met inachtneming van de criteria, welke door de centrale beleggings raad voor de belegging van gelden zijn gesteld, begin-besprekingen, waarbij wordt bezien of de mogelijkheid tot belegging in principe aanwezig moet worden geacht. Indien hierop bevestigend kan worden geantwoord, wordt aan de directie van het fonds toestemming gevraagd de onderhandelingen voort te zetten. Deze toestemming wordt uits'uitend verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud, dat de definitieve beslissing genomen zal worden door de centrale beleggings raad. Momenteel komt het meer en meer voor, dat medewerkers van de afdeling beleggingen vrijblijvend in zogenaamde bouwteams plaatsnemen om in samenspel met de diverse betrokkenen, - gemeente, stedebouwkundige, architect, bouwer, enz. - tot aanvaardbare projecten te komen. Ook hierbij gelden bovengenoemde gedragslijnen. Indien de onderhandelingen zover zijn gevorderd, dat de criteria, welke door de centrale beleggings raad zijn opgesteld, realiseerbaar zijn, wordt aan de centrale beleggings raad een voorstel gedaan om tot een bepaalde belegging over te gaan. In het onderhavige geval is bij het voorstel aan de centrale beleggings raad uitdrukkelijk gesteld, dat met N.V. Huizenbezit Breesaap een bedrag van plm. f 3000 per woning was afgesproken als bijdrage van N.V. Huizenbezit Breesaap ter vermindering van de investeringskosten van het complex. De door Uw commissie bedoelde inlichtingen zijn inmiddels onder dagtekening van 29 juni 1972 door de directie van het ABP verstrekt.

15 Stichting produktiefonds voor Nederlandse films Gaat de opbrengst van de vertoningen van gesubsidieerde films geheel terug naar het fonds, zolang de subsidie niet is terugverdiend? Zo ja, welke stimulans krijgt de producent dan nog om vertoning van de film te bevorderen? Is er enige instantie die tot taak heeft export van gesubsidieerde films te bevorderen en te zorgen voor de daartoe nodige nasynchronisatie? Welke criteria worden aangelegd om te beoordelen of een financiële bijdrage verantwoord is? Antwoord van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk: Inkomsten van de door het produktiefonds gesubsidieerde speelfilms gaan niet terug naar het fonds, maar naar de producent, tot alle particuliere investeringen zijn geamortiseerd. Verdere inkomsten worden door de producent en het produktiefonds verdeeld in een vooraf overeengekomen verhouding. Deze verhouding wordt per geval vastgesteld en is voornameiijk afhankelijk van het percentage van de produktiekosten dat door de particuliere investeringen wordt gedekt. Het de producent toekomende deel is in alle gevallen een voldoende stimulans om de exploitatie van de film krachtig te bevorderen. De exploitatie van de film in het buitenland wordt in eerste instantie tot de verantwoordelijkheid van de producent gerekend. Deze heeft groot belang bij vertoning van zijn film in het buitenland teneinde de opbrengst te vergroten, vaak zelfs reeds teneinde de eigen inbreng terug te verdienen. Verder kan worden medegedeeld, dat de afdeling film van het ministerie de inzending van Nederlandse films naar buitenlandse festivals en andere manifestaties verzorgt en als gevolg daarvan over (bescheiden) middelen beschikt om zo nodig de vervaardiging van vreemdtalige versies te bekostigen. Afgezien van de hierboven bedoelde vervaardiging van versies van een film ten behoeve van vertoningen op festivals (meestal door middel van het aanbrengen van voettitels) vindt de vervaardiging van (nagesynchroniseerde) vreemdtalige versies meestal pas plaats nadat de verkoop van rechten gerea!iseerd is. Een vervaardiging van een nagesynchroniseerde versie, zonder dat zekerheid bestaat over de verkoop van het auteursrecht, is uiterst kostbaar. Bovendien hebben distributeurs vaak specifieke wensen bij de vervaardiging van versies; indien vooraf reeds een versie gemaakt is, zou het niet mogelijk zijn aan dergelijke wensen tegemoet te komen. De vraag, of een filmplan subsidiabel is, hangt af van de volgende factoren: a. de verwachtingen die bestaan ten aanzien van de kwaliteiten van de film, zoals en voor zover die uit het scenario en/of draaiboek, alsmede uit de samenstelling van het filmteam kunnen worden vastgesteld; b. de capaciteiten van de regisseur en overige leden van het filmteam, alsmede van acteurs en actrices; c. de totale begroting, alsmede de mate waarin de totale produktiekosten door de particuliere investeringen worden gedekt; d. de verkregen zekerheden met betrekking tot de exploitatie van de film. Jaarlijks wordt een betrekkelijk groot aantal subsidieverzoeken ontvangen, die voldoen aan de gestelde eisen. Aangezien de beschikbare middelen onvoldoende zijn om op al deze verzoeken een positieve beslissing te kunnen nemen, is een selectie veelal noodzakelijk. 86. Regeling octrooi- en auteursrechten universiteiten en hogescholen Kan de Minister zonder portefeuille een termijn noemen waarbinnen de regeling zal tot stand komen? Is een tijdschema voor het te voeren overleg opgesteld? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: Gezien het feit dat het hier een complexe materie betreft, zoals de Algemene Rekenkamer zelf opmerkt, moet worden verwacht dat de behandeling daarvan in interdepartementaal overleg nog geruime tijd zal vergen. Het is dientengevolge niet wel mogelijk voor deze behandeling een tijdschema of een einddatum vast te stellen. 87. Technische Hogeschool Delft Beschikt de Minister over de gegevens ten aanzien van de schoonmaakkosten per vierkante meter bij de verschillende instellingen van wetenschappelijk onderwijs? Hanteert hij bij de goedkeuring van de begrotingen van exploitatie-uitgaven een schaal inzake de maximaal aanvaardbare tarieven? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: Van de verschillende instellingen zijn gegevens bekend over de schoonmaakkosten per vierkante meter. Deze gegevens zijn echter niet zeer recent. Bij de goedkeuring van de begrotingen van exploitatie-uitgaven wordt geen schaal inzake maximaal aanvaardbare tarieven gebruikt. Schoonmaakkosten worden bepaald door verschillende factoren, zoals: de geografische ligging, de ouderdom en de bestemming der gebouwen. In de vaststelling van de maximumbedragen van de begrotingsposten voor schoonmaakkosten ligt een begrenzing van deze kosten besloten. In het jaarlijks begrotingsoverleg, dat vanwege het ministerie met de universiteiten en hogescholen wordt gevoerd, wordt aan dit onderwerp regelmatig aandacht geschonken. 88. Aankoop dienstauto's Waar en wanneer zijn de Normen aankoop dienstauto's" gepubliceerd? Worden deze normen periodiek herzien? Worden ze geregeld onder de aandacht van alle instanties gebracht die over de aankoop van dienstauto's kunnen beslissen? Kunnen de normen aan de vaste commissie worden toegezonden? Antwoord van de Minister van Verkeer en Waterstaat: De normen aankoop dienstauto's worden niet gepubliceerd. In de Nota naar aanleiding van het verslag over de wijziging van Hoofdstuk III (Departement van Algemene Zaken) van de rijksbegroting voor het dienstjaar 1962 (zitting , nr. 7276) is op een desbetreffend verzoek aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van de destijds toegepaste normen. De normen worden herzien wanneer daartoe aanleiding bestaat, met name wanneer de adviescatalogusprijzen voor auto's, welke voor gebruik in de rijksdienst in aanmerking komen, aanmerkelijk worden gewijzigd. De gewijzigde normen worden terstond ter kennis gebracht van alle belanghebbende rijksdiensten. De normen zijn onderscheiden in die voor burgerambtenaren en die voor militairen. De normen voor burgerambtenaren ingegaan op 22 maart 1972 luiden als volgt: 1. Catalogusprijs max. f6100 voor ambtenaren, wier vaste of maximum wedde niet het maximum van schaal 97 van het bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1948 overschrijdt, met een ambtsgebied niet groter dan een provincie. De aard der werkzaamheden van de gebruiker kan ertoe nopen een auto met een catalogusprijs van max. f 7000 ter beschikking te stellen; 2. Catalogusprijs max. f7500 voor ambtenaren bedoeld onder 1, wier ambtsgebied groter is dan een provincie, als- I

16 16 mede voor ambtenaren wier vaste of maximum wedde het maximum van schaal 97, doch niet het maximum van schaal 149 van genoemd bezoldigingsbesluit overschrijdt. Indien de aard der werkzaamheden van de gebruiker dit nodig maakt, wordt een auto met een catalogusprijs van f 8750 ter beschikking gesteld; 3. Catalogusprijs van f voor ambtenaren, wier maximum wedde het maximum van schaal 149 van genoemd bezoldigingsbesluit overschrijdt; 4. Catalogusprijs max. f voor ambtenaren, bedoeld onder 3 met een vaste wedde; 5. Catalogusprijs max. f voor secretarissen-generaal en directeuren-generaal; 6. Catalogusprijs max. f voor Staatssecretarissen, en 7. Catalogusprijs max. f voor Ministers. De vorengenoemde bedragen zijn inclusief b.t.w. De normen voor militairen ingegaan op 17 april 1972 luiden als volgt: a. Groep A (auto's met een maximale cataloguswaarde van f ). Hiervoor komen in aanmerking: de voorzitter van het comité verenigde chefs van staven; de chef van de marinestaf; de chef van de generale staf; de chef van de luchtmachtstaf. b. Groep B (auto's met een maximale cataloguswaarde van f ). Hiervoor komen in aanmerking de niet in groep A genoemde vlag- en opperofficieren, die een functie vervullen waaraan de rang van vice-admiraal, respectievelijk luitenantgeneraal is verbonden. c. Groep C (auto's met een maximale cataloguswaarde van f ). Hiervoor komen in aanmerking vlag- en opperofficieren voor zover niet vallend onder de groep B, met de rang van: schout bij nacht; generaal-majoor; commandeur; brigade-generaal; commodore. d. Groep D (auto's met een maximale cataloguswaarde van f ). Hiervoor komen in aanmerking hoofdofficieren met de rang van kapitein ter zee c.q. kolonel aan wie uit hoofde van hun functie een dienstauto is toegewezen en voor wie op grond van deze functie een tot deze groep behorende auto nodig wordt geacht. Dit geldt mede voor de luitenant-kolonels die commandant zijn van een groep geleide wapens. d. Groep E (auto's met een maximale cataloguswaarde van f9400). Tot deze groep behoren in het algemeen de auto's voor poolgebruik en die welke worden toegewezen aan niet tot de groepen A t/m D behorende functionarissen die uit hoofde van hun taak over een dienstauto behoren te beschikken. Differentiatie binnen deze groep zal voor elke aanschaffing afzonderlijk worden bezien in overleg met de rijkshoofdinspecteur van het verkeer voor overheidsdiensten. De vorengenoemde bedragen zijn inclusief b.t.w. 89. Rijksuniversiteit van Utrecht De Minister heeft in februari aan het college van bestuur gevraagd om hem uiterlijk in september te berichten in welk stadium de afdoening verkeert van deze kwestie die reeds begin 1970 door de Rekenkamer werd aanhangig gemaakt. Ligt echter in september de begroting van de Universiteit niet reeds zo vast dat de invoering van een nieuwe regeling pas in een volgend jaar resultaten zal kunnen geven? Antwoord van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen: Zoals uit de opmerking van de commissie ook blijkt, heeft de inmiddels afgetreden minister zonder portefeuille, belast met de aangelegenheden betreffende het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderwijs,het college van bestuur verzocht hem in september te berichten in welk stadium de afdoening van deze kwestie verkeert. Gelet op het bijzonder complexe karakter van dit probleem wordt niet verwacht dat alsdan reeds een definitieve regeling is getroffen. De commissie legt naar het voorkomt een te nauwe relatie tussen de begroting en de invoering van een eventuele nieuwe regeling. Deze regeling kan op ieder moment, los van het stadium waarin een begroting verkeert, worden ingevoerd. Indien dit gebeurt op een tijdstip, dat hiermee bij het samenstellen van de begroting geen rekening meer kan worden gehouden, zullen de ontvangsten hoger zijn dan in de begroting is voorzien. Dit betekent dat er een saldo zal ontstaan dat, overeenkomstig het gestelde in artikel 105bis van de wet op het wetenschappelijk onderwijs, wordt ovegebracht naar een volgend jaar. 91. Kredietverlening aan hotelondernemingen Acht de Minister het aanvaardbaar dat een bedrag van f overeenkomende met 57 pet. van de totale door de hotels op zich genomen verplichtingen, moest worden afgeschreven? Betekent dit dat de kredietverlening in meer dan de helft van de gevallen slechts heeft geleid tot uitstel van het verdwijnen van onrendabele bedrijven of zijn er onder de bedrijven bij wie aflossing of rente werd kwijtgescholden ook die toch rendabel zijn voor de eigenaars? Kan aan de hand van enkele voorbeelden worden aangetoond waarom kwijtschelding nodig was? Antwoord van de Minister van Economische Zaken: Het betreft hier de kredieten, die in de jaren zijn verleend uit de tegenwaarderekening van het Europese Herstelplan (E.C.A.-kredieten) ten behoeve van de bouw, de herbouw, de uitbreiding of vernieuwing van hotels, die veelal door de oorlog getroffen waren. In het kader van het na-oorlogse herstel van de hotellerie was het uitgangspunt bij de keuze van de te financieren hotels de bevordering van het vreemdelingenverkeer en de daaruit direct of indirect te verwachten deviezeninkomsten, met name uit Amerika. Hoewel aanvankelijk de gedachte heeft voorgezeten het voor dit doel afgezonderde bedrag van f7 min. a fonds perdu ter beschikking te stellen van de daarvoor in aanmerking komende hotelondernemingen, is ten slotte de voorkeur gegeven aan een kredietverlening onder facilitaire voorwaarden. Deze kredietverlening bleef in beginsel beperkt tot maximaal 50 pet. van de investeringskosten, die voorts voor tenminste een derde deel met eigen middelen dienden te worden gefinancierd. De looptijd van de leningen bedroeg 15 jaar en de rente 4 pet. De per jaar minimaal verschuldigde aflossing was in het algemeen gesteld op 2 pet. van het kredietbedrag, overeenkomende met het afschrijvingspercentage op het onroerend goed. Telkens aan het einde van vijf achtereenvolgende perioden van drie jaar werd nagegaan in hoever de behaalde bedrijfsresultaten toereikend waren om de rente en aflossingen te betalen. Voor zover dit niet mogelijk was, vond kwijtschelding plaats. Aan het einde van de looptijd van het krediet werd aan de hand van de^over de gehele periode bereikte bedrijfsresultaten nagegaan welk deel van het restant der lening als onrendabel moest worden beschouwd, waarna dit deel werd kwijtgescholden. De voor deze verrekening in aanmerking komende exploitatieresultaten werden bepaald aan de hand van een in l

17 17 de kredietovereenkomst opgenomen exploitatieschema. De declarabele afschrijvingskosten waren daarin o.a. gelimiteerd tot 2 pet. voor het onroerend goed en 10 pet. voor de inventaris, een en ander voor zover niet gefinancierd met behulp van het E.C.A.-krediet. Naast de door de kredietnemers overgelegde accountantsrapporten vond in daartoe geëigende gevallen controle op de afrekeningen plaats door de herstelbank of door de accountantsdienst van het Ministerie van Economische Zaken. In gevallen waarin niet tot overeenstemming kon worden gekomen over de hoogte van het exploitatieresultaat, werd door een onpartijdige deskundige een bindende uitspraak gedaan. Op deze wijze waren waarborgen geschapen voor een uniforme toepassing van de kredietregeling en voor de controle op de aanwending van de verleende kredieten. Zoals uit het vorenstaande blijkt, vond een gehele of een gedeeltelijke kwijtschelding plaats in die gevallen, waarin het volgens een uniforme methode berekende exploitatieresultaat niet toereikend was om aan de rente- en aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen. De vraag waarom kwijtschelding nodig was, komt in feite neer op de vraag waarom het exploitatieresultaat niet hoger was. Het is echter praktisch niet mogelijk hierop aan de hand van enkele voorbeelden een zinvol antwoord te geven, omdat de grootte van het exploitatieresultaat per onderneming mede afhankelijk was van een complex van moeilijk grijpbare factoren, zoals o.a. de vestigingsplaats, de ervaring en de deskundigheid van de bedrijfsleiding en de efficiency in het bedrijf. Wel kan de volgende toelichting en aanvulling worden gegeven op de in het verslag van de Algemene Rekenkamer opgenomen gegevens. Gelet op het bijzonder karakter van de onderhavige kredietregeling, waarbij in het kader van het na-oorlogse herstel de totstandkoming van adequate logiesaccommodatie op korte termijn als bron voor de verwerving van voornamelijk Amerikaanse deviezen op de voorgrond stond en voor welk doel uit de tegenwaarderekening gelden ter beschikking waren gesteld, ware naar de mening van ondergetekende minder het accent te leggen op het kwijtgescholden bedrag dan op het feit, dat van de totale door de hotels op zich genoemen verplichtingen een bedrag van f 4,2 min. ofwel 43 pet. is terugontvangen. Overigens mag uit de kwijtschelding van 57 pet. van de rente- en aflossingsverplichtingen niet worden geconcludeerd, dat de kredietverlening in meer dan de helft van de gevallen slechts zou hebben geleid tot uitstel van het verdwijnen van onrendabele bedrijven. In dit verband kan worden medegedeeld, dat na de eindafrekening van de betrokken kredieten omstreeks 1967 van de 24 gefinancierde hotels de hotelexploitatie van 8 veelal kleinere hotels is beëindigd, zodat 16 hotelbedrijven in exploitatie zijn gebleven. Voorts had van het in totaal kwijtgescholden bedrag van f 5,6 min. slechts f 6 ton, met een gemiddeld kwijtscheu dingspercentage van 50, betrekking op de genoemde 8 projecten. 93. Het door het Staatsdrukkerij' en Uitgeverijbedrijf toekennen van een schrijvershonorarium Kan de Minister ook de vaste commisie nader informeren over de getroffen nieuwe regeling? Antwoord van de minister van onderwijs en wetenschappen: Het in het verslag bedoelde overleg met mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken heeft geleid tot het besluit aan belanghebbende, met toepassing van het gratificatiebesluit K 320, een uitkering bij wege van schadeloosstelling toe te kennen tot een bedrag van f 's j aars voor de duur dat hij in volledige dienstbetrekking verbonden zal zijn aan het door de rijksoverheid gefinancierde instituut, waarvan hij thans directeur is, en als zodanig werkzaam zal zijn aan de voltooiing van het in het verslag bedoelde wetenschappelijk werk, doch vooralsnog niet langer dan tot hij de 65-jarige leeftijd bereikt. Bij deze beslissing is overwogen dat in redelijkheid niet kan worden geabstraheerd van de overeenkomst die betrokkene had met het staatsdrukkerij" en uitgeverijbedrijf, doch dat daarvan als een gegeven moet worden uitgegaan, zodat de hem toe te kennen uitkering het karakter van schadeloosstelling dient te bezitten. 97. Direkte deelneming in naamloze vennootschappen (N.V. Nederlands Congresgebouw) Het verlies is gestegen van f 6,3 min. in 1969 tot f 9,3 min. in 1970? Wat denkt de Minister te doen aan ombuiging van deze zeer negatieve ontwikkeling? Hoe groot is het verlies in 1971 geweest? Antwoord van de Minister van Economische Zaken: Ik moge u verwijzen naar onderstaande samenvatting van de exploitatieresultaten over de jaren 1969, 1970 en Opbrengsten ƒ ƒ ƒ Kosten kosten/opbrengst ƒ ƒ ƒ Nadelig saldo Rente Afschrijvingen Erfpacht Nadelig exploitatie saldo ƒ ƒ ƒ Wat Uw vraag betreft naar wat ik denk te doen aan ombuiging van de negatieve ontwikkeling, moge ik allereerst er op wijzen dat van de stijging van het nadelig exploitatiesaldo van 1969 naar 1970 met rond f 3 min. het grootste deel namelijk ruim f 2 min. het gevolg is van het op de exploitatierekening volledig drukken van de rentelast. Tot 31 maart 1969 (het gebouw werd half maart geopend) is de rente nog bij de hoofdsom van de leningen geteld. Bovendien is de laatste lening ad f 20 min. eerst op 1 juli 1969 gestort. Voorts is er van 1969 op 1970 de introductie van de post afschrijvingen met f als gevolg van het besluit van de raad van commissarissen dat de afschrijvingen gelijk zullen zijn aan de aflossingen op de leningen. Het resterende verschil tussen de uitkomsten in 1969 en 1970 ten bedrage van f is mede beïnvloed doordat 1969 geen volledig exploitatiejaar was. Men kan derhalve niet spreken van een sterke stijging van het nadelig saldo in Genoemd jaar was het eerste jaar van een volledige exploitatie met volledige rente- en aflossingsberekening. Van 1970 op 1971 is er een stijging van het verliessaldo met f Hiervan komt f op rekening van de rentepost. De bijbehorende schuld aan de Staat der Nederlanden en aan de gemeente 's-gravenhage neemt namelijk ieder jaar toe met de betalingen welke zij verrichten aan de rijskpostspaarbank en de postcheque- en girodienst. Over deze schulden dient ook weer rente te worden betaald. Voor het overige moet onder meer worden gewezen op de gunstige invloed die 1970 ondervond van het uitzonderlijk grote tweede wereldvoedsel congres in juni. Mijn vertegenwoordiger in de raad van commissarissen werkt intensief mede aan het streven van deze raad en de directie om door verhoging van de efficiency van de organisatie en van de acquisitie- en werkmethodes alsmede door een nauwlettende kostenbewaking de omzet op te voeren en de kosten te drukken. De voortdurende stijging van lonen en prijzen is daarbij een tegenwerkende factor, terwijl de tariefsstelling rekening dient te houden met de concurrentie. Dit betekent dat niet mag worden verwacht dat op korte

18 18 termijn een spectaculaire daling van het verliescijfer zal optreden. Zelfs op langere duur mag bij de meest optimistische prognoses niet worden aangenomen dat het zal gelukken de (toenemende) rentelasten te dekken. Bij dit alles is wel te bedenken, dat het rendement" van een dergelijke instelling mede bepaald wordt door de niet in de boeken verschijnende bestedingen buiten het gebouw door de congresgangers (zie jaarverslag 1971, blz. 9) Afwikkeling uitkeringsjaren Gemeentefonds De staatssecretaris van Financiën spreekt voorkeur uit voor een termijn van afsluiting van ten minste vijf jaar, waarbij die termijn dan nog slechts zou gelden voor de vaststelling van het definitieve uitkeringspercentage en de definitieve factor sociale zorg. Kan deze voorkeur voor een vijfjarige termijn nader worden gemotiveerd? Welk effect heeft het instellen van een termijn van afsluiting wanneer hij slechts betrekking heeft op enkele onderdelen, en andere onderdelen overlet laat? Aan welke termijn denken de beide Ministers wanneer ze in hun kanttekening mededelen dat zij het overzicht voor de reeds afgesloten uitkeringsjaren binnen afzienbare tijd zullen toevoegen aan de rekeningen? Antwoord van de Minister van Financiën: Een voorkeur voor een bepaalde termijn van afsluiting van een uitkeringsjaar is van de zijde der bewindslieden niet uitgesproken. Zij hebben in hun briefwisseling met de Algemene Rekenkamer ten slotte een termijn van ten minste 5 jaar genoemd, omdat de praktijk leert (vide de eerste volle alinea van blz. 87, rechterkolom, zitting , nr. 2), dat het niet mogelijk is om een uitkeringsjaar binnen die termijn definitief af te sluiten. Volledigheidshalve zij vermeld, dat daaraan nog werd toegevoegd, dat het uiteindelijke saldo dan eventueel later extra comptabel kan worden bepaald, waarna de totaliteit van die saldi het overschot of tekort van het Gemeentefonds aangeeft, hetgeen meestal in de toelichting van de begroting van het fonds wordt medegedeeld. Na de definitieve vaststelling van het uitkeringspercentage en de factor sociale zorg zijn er geen andere onderdelen van de Gemeentefondsbegroting meer, die het saldo van het uitkeringsjaar kunnen beïnvloeden; met name de lager-onderwijsuitkeringen - die trouwens bij een ongewijzigde aanneming van wetsontwerp , met ingang van een nader te bepalen jaar, naar het departement van Onderwijs en Wetenschappen overgaan - hebben geen invloed op dat saldo. Het saldo kan wel achteraf nog worden beïnvloed, b.v. door beslissingen op beroepschriften tegen de definitieve vaststelling van de uitkeringen aan de individuele gemeenten, die uiteraard pas kan plaats vinden nadat uitkeringspercentage en factor sociale zorg definitief zijn bepaald. Het zal in dit verband duidelijk zijn, dat het afschaffen of inkorten van het beroepsrecht der gemeenten niet kan worden overwogen om een boekhoudkundige maatregel zoals het afsluiten van een uitkeringsjaar mogelijk te maken. De overzichten van de reeds afgesloten uitkeringsjaren zijn nagenoeg gereed en zullen thans vrij spoedig aan de rekeningen van het Gemeentefonds kunnen worden toegevoegd. Aldus vastgesteld 20 september VONDELING WEIJTERS FRANSSEN BAKKER VAN DER MEI JOEKES NOTENBOOM PORTHEINE WIEBENGA DE GOEDE VAN THIJN DOLMAN VAN DER GUN VAN DIS VAN AMELSVOORT SCHOUTEN DREES.

MID 30 oktober 2003 Verordening op basis van artikel 213 Gemeentewet

MID 30 oktober 2003 Verordening op basis van artikel 213 Gemeentewet Verordening op basis van artikel 213 Gemeentewet Heemstede, 21 oktober 2003 Aan de raad, Samenvatting In de Wet dualisering gemeentebestuur is opgenomen dat gemeenteraden drie verordeningen vaststellen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 637 Casinospelen Nr. 2 Het vroegere stuk is gedrukt in de zitting 1978-1979 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de heer Voorzitter

Nadere informatie

Bijlage behorende bij Eilandsverordering vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao (A.B. 2010 no. 87)

Bijlage behorende bij Eilandsverordering vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao (A.B. 2010 no. 87) Bijlage behorende bij Eilandsverordering vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao (A.B. 2010 no. 87) ---------------------------------------------------------------- LANDSVERORDENING

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1995 260 Besluit van 13 april 1995, houdende beëindiging van de salarisregeling voor burgerleerkrachten bij het Ministerie van Defensie, neergelegd

Nadere informatie

Door de intreding van de dualisering zijn er een aantal dingen veranderd op het gebied van de controle. De belangrijkste wijzigingen zijn:

Door de intreding van de dualisering zijn er een aantal dingen veranderd op het gebied van de controle. De belangrijkste wijzigingen zijn: gb03.103 1 RAADSVOORSTEL raadsvergadering: 5 november 2003 onderwerp: verordening ex art 213 Gw bijlage: ontwerpbesluit datum: 23 oktober 2003 gemeenteblad I nr.: 103 agenda nr.: 9 Aan de gemeenteraad,

Nadere informatie

Controleverordening gemeente Papendrecht 2015

Controleverordening gemeente Papendrecht 2015 Controleverordening gemeente Papendrecht 2015 Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Papendrecht Inhoudsopgave Controleverordening

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1996 378 Wet van 3 juli 1996, houdende algemene regels over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van

Nadere informatie

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de. inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Weert 2015

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de. inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Weert 2015 Zoek regelingen op overheid.nl Gemeente Weert Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl! Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de

Nadere informatie

Controle- en rapportageprotocol Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI- Bedrijfsverzamelgebouw 2002

Controle- en rapportageprotocol Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI- Bedrijfsverzamelgebouw 2002 Controle- en rapportageprotocol Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI- Bedrijfsverzamelgebouw 2002 1 ALGEMEEN 1.1 Doel en reikwijdte van het controle- en rapportageprotocol Dit controle- en rapportageprotocol

Nadere informatie

Reglement deelnemersraad BPF Bouw

Reglement deelnemersraad BPF Bouw Reglement deelnemersraad BPF Bouw Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: Stichting: Bestuur: Statuten: Pensioenreglement: Deelnemers: Pensioengerechtigden: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds

Nadere informatie

Postbus 948 4600 AX Bergen op Zoom. Stichting Sociaal Fonds Essent

Postbus 948 4600 AX Bergen op Zoom. Stichting Sociaal Fonds Essent Postbus 948 4600 AX Bergen op Zoom Stichting Sociaal Fonds Essent Reglement 2014 Algemeen Artikel 1 1. De Stichting Sociaal Fonds Essent heeft blijkens artikel 3 van de statuten ten doel financiële steun

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353

Rapport. Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353 Rapport Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353 2 Klacht Op 1 mei 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Zutphen, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Ondernemingen

Nadere informatie

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag.

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag. Algemene wet bestuursrecht Titel 4.1. Beschikkingen Afdeling 4.1.1. De aanvraag Artikel 4:1 Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 997 Machtiging van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tot oprichting van een stichting Fonds voor de scheppende toonkunst

Nadere informatie

Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht

Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht GEMEENTEBLAD Officiële uitgave van gemeente Maastricht. Nr. 99763 26 oktober 2015 Verordening organisatie griffie en ondersteuning raad gemeente Maastricht 2015 DE RAAD DER GEMEENTE MAASTRICHT, gezien

Nadere informatie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen Rolnummer: LPL 97.020 VERSLAG VAN BEVINDINGEN VAN DE BEDRIJFSCOMMISSIEKAMER VOOR DE OVERHEID VOOR LAGERE PUBLIEKRECHTELIJKE

Nadere informatie

Accountantsrapport Fonds Luchtverontreiniging Begrotingsjaar 2004

Accountantsrapport Fonds Luchtverontreiniging Begrotingsjaar 2004 Accountantsrapport Fonds Luchtverontreiniging Begrotingsjaar 2004 Uitgebracht aan: De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Op 3 juni 2005 AD2005120273 INHOUDSOPGAVE 1. Accountantsverklaring...

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2006 95 Wet van 9 februari 2006, houdende regels inzake de openbaarmaking van beloningen bij rechtspersonen of organisaties die deel uit maken van

Nadere informatie

Vast te stellen het volgende in artikel 14 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014 bedoelde SVR2014-subsidiecontroleprotocol.

Vast te stellen het volgende in artikel 14 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014 bedoelde SVR2014-subsidiecontroleprotocol. Bijlage bij Subsidieverordening Rotterdam 2014 Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam, Gelet op artikel 14 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014; Besluiten: Vast te stellen

Nadere informatie

jaar bijlagenr. commissie(s) categorie/agendanr. 2003 156 Bestuur en Middelen B 2 onderwerp

jaar bijlagenr. commissie(s) categorie/agendanr. 2003 156 Bestuur en Middelen B 2 onderwerp Raadsvoorstel jaar bijlagenr. commissie(s) categorie/agendanr. 2003 156 Bestuur en Middelen B 2 onderwerp Controleverordening gemeente Emmen Aan de raad De Wet dualisering gemeentebestuur heeft de functie

Nadere informatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met het verbeteren van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen alsmede de uniformering van enkele bepalingen

Nadere informatie

artikel 40, eerste en tweede lid van de Archiefwet 1995 en artikel 36 van de gemeenschappelijke regeling RUD Utrecht

artikel 40, eerste en tweede lid van de Archiefwet 1995 en artikel 36 van de gemeenschappelijke regeling RUD Utrecht Archiefverordening RUD Utrecht 2014 Het algemeen bestuur van de RUD Utrecht gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van RUD Utrecht Gelet op: artikel 40, eerste en tweede lid van de Archiefwet 1995

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 436 Wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende herijking van de verlening van rechtsbijstand door de raden voor rechtsbijstand en de

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1998 477 Besluit van 15 juli 1998, houdende regels ter uitvoering van artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet in verband met de vaststelling

Nadere informatie

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Controleverordening Randstedelijke Rekenkamer De Randstedelijke Rekenkamer besluit: overwegende dat: op grond van de wet van 2 juli 2003, Stb.

Nadere informatie

Controleverordening gemeente Wijk bij Duurstede

Controleverordening gemeente Wijk bij Duurstede Controleverordening gemeente Wijk bij Duurstede 2006 Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie: Officiële naam regeling: Citeertitel: Vastgesteld door: Onderwerp: Deze versie is geldig tot(als de vervaldatum

Nadere informatie

Het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Brabant-Noord, bijeen in vergadering d.d. 28 februari 2007; overwegende:

Het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Brabant-Noord, bijeen in vergadering d.d. 28 februari 2007; overwegende: Controle verordening Veiligheidsregio Brabant-Noord 2007 Het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Brabant-Noord, bijeen in vergadering d.d. 28 februari 2007; overwegende: 1. dat de Veiligheidsregio

Nadere informatie

Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING

Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING Huishoudelijk Reglement POOLS-NEDERLANDSE KULTURELE VERENIGING 1. Leden 1.01 Ieder lid heeft recht op: a. een uitnodiging voor toegang tot Algemene Vergaderingen en andere voor de leden georganiseerde

Nadere informatie

Voorstel van wet. Artikel I. De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3 komt te luiden:

Voorstel van wet. Artikel I. De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3 komt te luiden: Wijziging van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie betreffende de vereisten gesteld aan de beginseltoestemming, de leeftijdscriteria, de bijdrage in de kosten van het gezinsonderzoek, enige

Nadere informatie

Vergadering: Algemeen bestuur. Datum: 7 juli 2015. Agendapunt: 5. Rapporteur. A. J. Borgdorff

Vergadering: Algemeen bestuur. Datum: 7 juli 2015. Agendapunt: 5. Rapporteur. A. J. Borgdorff Vergadering: Algemeen bestuur Datum: 7 juli 215 Agendapunt: 5 Rapporteur A. J. Borgdorff Onderwerp: Zorg en beheer archief Voorstel/Besluit: 1. de archiefverordening vast te stellen. Toelichting In hoofdstuk

Nadere informatie

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015

Steunstichting SBWU. Boekjaar 2014. Steunstichting SBWU Utrecht. 2 april 2015 Steunstichting SBWU Boekjaar 2014 Steunstichting SBWU Utrecht 2 april 2015 Inhoud Blad Jaarrekeningverslag over boekjaar 2014 3 Jaarrekening 2014 4 Balans per 31 december 2014 5 Winst-en verliesrekening

Nadere informatie

Reglement Cliëntenraad Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant

Reglement Cliëntenraad Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant Reglement Cliëntenraad Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant 1 oktober 2011 Reglement Cliëntenraad van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant stelt conform

Nadere informatie

Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 23 september 2003;

Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 23 september 2003; Gemeente Ooststellingwerf De raad van de gemeente Ooststellingwerf; nr. A.6 Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 23 september 2003; gelet op artikel 213 van de gemeentewet;

Nadere informatie

Controleverordening DCMR Milieudienst Rijnmond 2014

Controleverordening DCMR Milieudienst Rijnmond 2014 Controleverordening DCMR Milieudienst Rijnmond 2014 DCMR Milieudienst Rijnmond Parallelweg 1 3112 NA Schiedam telefoon: (010) 2468 000 telefax : (010) 2468 283 Web: http://www.dcmr.nl/ 1 van 5 Het algemeen

Nadere informatie

Reglement voor de Audit Commissie Stichting WSW

Reglement voor de Audit Commissie Stichting WSW Reglement voor de Audit Commissie Stichting WSW Vastgesteld door de Raad van Commissarissen bij besluit van d.d. 27 maart 2013 Artikel 1 Vaststelling en reikwijdte reglement 1. Dit reglement is vastgesteld

Nadere informatie

nr.14.0008063 Klachtenregeling Veilig Thuis Gooi en Vechtstreek (AMHK Gooi en Vechtstreek)

nr.14.0008063 Klachtenregeling Veilig Thuis Gooi en Vechtstreek (AMHK Gooi en Vechtstreek) nr.14.0008063 Klachtenregeling Veilig Thuis Gooi en Vechtstreek (AMHK Gooi en Vechtstreek) Artikel 1 Wettelijke grondslag Deze klachtenregeling heeft betrekking op de behandeling van klachten in overeenstemming

Nadere informatie

Controleprotocol provincie Utrecht

Controleprotocol provincie Utrecht Controleprotocol provincie Utrecht Controleprotocol voor de accountantscontrole bij door de provincie Utrecht gesubsidieerde instellingen Januari 2010 Controleprotocol provincie Utrecht 1 van 7 Controleprotocol

Nadere informatie

2003. Nr. : 03.0120. Dnst. : Griffie

2003. Nr. : 03.0120. Dnst. : Griffie Nr. : 03.0120. Dnst. : Griffie 2003. Verordening op controle financieel beheer en op de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Leiden ex artikel 213 GW. Leiden, 9 september 2003. In de

Nadere informatie

VERORDENING voor de controle op het financieel beheer en op de. beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Lelystad

VERORDENING voor de controle op het financieel beheer en op de. beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Lelystad VERORDENING voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Lelystad Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie

Nadere informatie

Commissiereglement NBA

Commissiereglement NBA Commissiereglement NBA 1. Grondslag 1.1 Dit reglement kent als grondslag artikel 11, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep. Daarin is bepaald dat het bestuur de NBA bestuurt. 2. Overwegingen

Nadere informatie

pagina 1 van 5 15052014 Zoek regelingen op overheid.nl Gemeente Coevorden Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl! Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1996 303 Besluit van 30 mei 1996, houdende wijziging van het koninklijk besluit van 25 juni 1993, houdende vaststelling van regelen, bedoeld in de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1981-1982 16 720 Verslag van de Algemene Rekenkamer over 1980 Nr. 22 ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Ontvangen 15 december 1981 De door de vaste

Nadere informatie

REGLEMENT BEZWAARSCHRIFTEN PUBLIEKE OMROEP

REGLEMENT BEZWAARSCHRIFTEN PUBLIEKE OMROEP REGLEMENT BEZWAARSCHRIFTEN PUBLIEKE OMROEP Vastgesteld bij besluit van de Raad van Bestuur van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep, hierna de NPO, d.d. 12 januari 2010, herzien d.d. 12 februari 2013.

Nadere informatie

Besluit van de gemeenteraad

Besluit van de gemeenteraad Gemeenteblad 2005, nummer 19. Onderwerp Datum 5 april 2005. Verordening voor de controle op het financieel beheer en inrichting van de financiële organisatie Pagina 1 van 6 De raad van de gemeente Venray,

Nadere informatie

Controleprotocol subsidies Purmerend

Controleprotocol subsidies Purmerend Controleprotocol subsidies Purmerend B&W d.d. 10-2-2015 Pagina 1 van 5 Controleprotocol voor de verantwoording en de controle van subsidies die zijn verleend door de gemeente Purmerend op grond van de

Nadere informatie

Controleverordening Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds 2012.

Controleverordening Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds 2012. Controleverordening Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds 2012. Voor de vergadering van het Algemeen Bestuur d.d. 28 maart 2013 1 Verordening van.2012, betreffende de uitgangspunten voor de controle

Nadere informatie

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële Organisatie van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële Organisatie van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel k ~1"le, 4? Controleverordening Omgevingsdienst Veluwe IJssel Het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel, gelet op artikel 213 Gemeentewet; gelet op artikel 217 van de Provinciewet; gelet

Nadere informatie

27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN

27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN 27 BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN DOOR DE COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BEZWAARSCHRIFTEN PERSONELE AANGELEGENHEDEN Inhoudsopgave Onderwerp Artikel * Inleidende bepaling 27:1:1 * Begripsomschrijvingen 27:1:2

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag Aan partijen betrokken bij de Stichting Directie Uitvoeringstal

Nadere informatie

Gepubliceerd in Staatscourant 17 september 2007, nr. 179 / pag. 11

Gepubliceerd in Staatscourant 17 september 2007, nr. 179 / pag. 11 Gepubliceerd in Staatscourant 17 september 2007, nr. 179 / pag. 11 Klachtenregeling IGZ Artikel 1 1 Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de inspectie zich in een bepaalde aangelegenheid jegens

Nadere informatie

X wonende te Y, appellant, tegen het college van bestuur van de Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans verweerder,

X wonende te Y, appellant, tegen het college van bestuur van de Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans verweerder, Zaaknummer: 1995/155 Rechter(s): mr. Olivier Datum uitspraak: 21 december 1995 Partijen: X tegen het college van bestuur van de Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans Trefwoorden: Auditor, inschrijving,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2004 2005 28 170 Gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid)

Nadere informatie

Lid Financiële Commissie

Lid Financiële Commissie Badminton Nederland behoort met circa 50.000 leden tot de middelgrote sportbonden van Nederland. Badminton Nederland ontplooit activiteiten op de werkvelden Dienstverlening & Wedstrijdzaken, Topbadminton

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2012 279 Besluit van 18 juni 2012, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES in verband met de invoering van een nieuwe studiefaciliteitenregeling

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2009 50 Besluit van 21 januari 2009 houdende vaststelling van regels met betrekking tot de hoogte van de vergoeding voor adviescolleges en commissies

Nadere informatie

Ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de Pers

Ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de Pers Controleprotocol Ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de Pers April 2010 Dit rapport heeft 9 pagina s controleprotocol Inhoudsopgave 1 Algemeen 1 1.1 Inleiding 1 1.2 Uitgangspunten 2 1.3 Doel en

Nadere informatie

4. Bij voorkeur zal de raad van toezicht van Stichting P60 bij de werving van nieuwe toezichthouders buiten het eigen netwerk zoeken.

4. Bij voorkeur zal de raad van toezicht van Stichting P60 bij de werving van nieuwe toezichthouders buiten het eigen netwerk zoeken. REGLEMENT RAAD VAN TOEZICHT Opgesteld door de voorzitter op 25.03.2013 Vastgesteld door de raad van toezicht op: 27.05.2013 te Amstelveen HOOFDSTUK I. ALGEMEEN Artikel 1. Begrippen en terminologie Dit

Nadere informatie

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE MAASTRICHT 2015

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE MAASTRICHT 2015 ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE MAASTRICHT 2015 Algemene subsidieverordening gemeente Maastricht 2015 1 INHOUD Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen... 3 Artikel 1 Definities... 3 Artikel 2 Wettelijke

Nadere informatie

HEIJMANS N.V. REGLEMENT AUDITCOMMISSIE

HEIJMANS N.V. REGLEMENT AUDITCOMMISSIE HEIJMANS N.V. REGLEMENT AUDITCOMMISSIE Vastgesteld door de RvC op 10 maart 2010 1 10 maart 2010 INHOUDSOPGAVE Blz. 0. Inleiding... 3 1. Samenstelling... 3 2. Taken en bevoegdheden... 3 3. Taken betreffende

Nadere informatie

Verordening controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van Wetterskip Fryslân.

Verordening controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van Wetterskip Fryslân. Verordening controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van Wetterskip Fryslân. Het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân besluit, gelet op artikel 109 van de

Nadere informatie

Artikel 2 De Voorzitter stelt in overleg met de secretaris de agenda voor de vergaderingen van de Commissie op.

Artikel 2 De Voorzitter stelt in overleg met de secretaris de agenda voor de vergaderingen van de Commissie op. Bestuursreglement van de Technische commissie bodembeweging als bedoeld in artikel 121 juncto 109 van de Mijnbouwwet. Vergaderingen Plaats en tijd Artikel 1 De Voorzitter belegt na overleg met de secretaris

Nadere informatie

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting. organisatie van de gemeente Heemskerk 2008

Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting. organisatie van de gemeente Heemskerk 2008 Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Heemskerk 2008 Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1980-1981 Rijksbegroting voor het jaar 1981 16 400 Hoofdstuk XII Departement van Verkeer en Waterstaat Nr. 60 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Nadere informatie

Generale regeling voor stichtingen en besloten vennootschappen van de Protestantse Kerk in Nederland. als bedoeld in ordinantie 11-27-3

Generale regeling voor stichtingen en besloten vennootschappen van de Protestantse Kerk in Nederland. als bedoeld in ordinantie 11-27-3 Generale regeling voor stichtingen en besloten vennootschappen van de Protestantse Kerk in Nederland als bedoeld in ordinantie 11-27-3 Inhoudsopgave Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. Artikel 4. Artikel

Nadere informatie

REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016

REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016 REGLEMENT GESCHILLENCOMMISSIE DEFENSIE GENEESKUNDIGE ZORG Per 1 januari 2016 Begripsomschrijving Artikel 1. In dit reglement wordt verstaan onder: stichting : de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken;

Nadere informatie

Verordening Bezwarenprocedure Personele Aangelegenheden

Verordening Bezwarenprocedure Personele Aangelegenheden Verordening Bezwarenprocedure Personele Aangelegenheden Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie Officiële naam regeling Citeertitel Besloten door Deze versie is geldig tot

Nadere informatie

Het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden,

Het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden, Het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden, gezien het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 16 februari 2005, gelet op artikel 213 van de Gemeentewet, BESLUIT: vast te stellen de bijgevoegde:

Nadere informatie

De dagelijkse besturen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa s en Wetterskip Fryslân,

De dagelijkse besturen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa s en Wetterskip Fryslân, OPENBAAR LICHAAM OP GROND VAN DE WET GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN De dagelijkse besturen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa s en Wetterskip Fryslân, overwegende dat 1. de algemene besturen

Nadere informatie

Controleverordening gemeente Enschede 2014

Controleverordening gemeente Enschede 2014 Controleverordening gemeente Enschede 2014 De raad van de gemeente Enschede besluit; gelet op artikel 213 Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole decentrale overheden; vast te stellen: Verordening

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 Rapport Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 2 Klacht Het niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule conform artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht in de beslissing van 17 december 2003

Nadere informatie

Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327,

Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327, Provinciale Staten Vergadering d.d. 23 september 2009 Besluit nr. PS2009-658 PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 21 juli 2009, nr. 2009-013327, Gelet op

Nadere informatie

Verordening op de bezwaarschriften SNN

Verordening op de bezwaarschriften SNN Verordening op de bezwaarschriften SNN (geconsolideerde versie, geldend vanaf 21-6-2007) Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie provincie Drenthe Officiële naam regeling Verordening op de bezwaarschriften

Nadere informatie

1.1 persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon.

1.1 persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon. Vastgesteld door de Raad van Bestuur, november 2010 Artikel 1 Begripsbepalingen 1.1 persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon. 1.2 verwerking van persoonsgegevens:

Nadere informatie

De raad van de gemeente Koggenland; D14.001691. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 maart 2012.

De raad van de gemeente Koggenland; D14.001691. gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 maart 2012. RAADSBESLUIT De raad van de gemeente Koggenland; D14.001691 gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 maart 2012. OVERWEGENDE dat de "verordening voor de controle op het financiële beheer

Nadere informatie

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 Rapport Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gereageerd op zijn brieven waarin hij klachten

Nadere informatie

ARCHIEFVERORDENING VAN DE PROVINCIE LIMBURG BESLUIT van Provinciale Staten van Limburg d.d. 30 januari 2004 (Prov. Blad 2004, nr. 8).

ARCHIEFVERORDENING VAN DE PROVINCIE LIMBURG BESLUIT van Provinciale Staten van Limburg d.d. 30 januari 2004 (Prov. Blad 2004, nr. 8). ARCHIEFVERORDENING VAN DE PROVINCIE LIMBURG 2004 BESLUIT van Provinciale Staten van Limburg d.d. 30 januari 2004 (Prov. Blad 2004, nr. 8). Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 In deze verordening

Nadere informatie

Raadsvoorstel van de Commissie voor bezwaarschriften. Datum raadsvergadering / Nummer raadsvoorstel 22 december 2005 / 225/2005.

Raadsvoorstel van de Commissie voor bezwaarschriften. Datum raadsvergadering / Nummer raadsvoorstel 22 december 2005 / 225/2005. Datum raadsvergadering / Nummer 22 december 2005 / 225/2005 Onderwerp bezwaar Programma / Programmanummer Kunst en cultuur / 6310 Portefeuillehouder T. Hirdes Voorstel van het College van Burgemeester

Nadere informatie

Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet. van de RUD Zuid-Limburg

Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet. van de RUD Zuid-Limburg Controleverordening artikel 212/213 Gemeentewet en artikel 216/217 Provinciewet van de RUD Zuid-Limburg Voorwoord Het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling RUD Zuid-Limburg (GR) dient volgens

Nadere informatie

Klachtenreglement ActiefTalent

Klachtenreglement ActiefTalent Klachtenreglement ActiefTalent Algemene bepalingen Artikel 1 Definities a. ActiefTalent: Stichting ActiefTalent; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. Klacht: een bij de Klachtencommissie ingediend

Nadere informatie

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD. Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, LRGD Raad voor de Tuchtrechtspraak U I T S P R A A K Inzake de klacht van [Klaagster BV], gevestigd te [gemeente] aan de [adres], hierna te noemen klaagster,

Nadere informatie

Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. 1. Met de algemene zorg voor het statistiekwezen is belast het ABS.

Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. 1. Met de algemene zorg voor het statistiekwezen is belast het ABS. WET van 3 december 2002, houdende voorzieningen met betrekking tot het Statistiekwezen in Suriname (Statistiekwet 2002) (S.B. 2002 no. 97), zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B.

Nadere informatie

Rapport. Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347

Rapport. Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347 Rapport Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347 2 Klacht Verzoekster klaagt over de wijze waarop notaris X te Q bij gelegenheid van de afwikkeling van haar echtscheiding heeft gehandeld met een

Nadere informatie

http://wetten.overheid.n1/b WBR0003420/Hoofdstukl/Titelll/Afdelm.

http://wetten.overheid.n1/b WBR0003420/Hoofdstukl/Titelll/Afdelm. wetten.nl - Wet- en regelgeving printen - Wet op het primair onderwij. http://wetten.overheid.n1/b WBR0003420/Hoofdstukl/Titelll/Afdelm. Wet op het primair onderwijs, Artikel 17c Artikel 17c. Inhoud intern

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. RMC-wet 2001. Jaargang 2001 Staatsblad 2001 636 1

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. RMC-wet 2001. Jaargang 2001 Staatsblad 2001 636 1 RMC-wet 2001 636 Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de invoering van de verplichting

Nadere informatie

Rapport. Datum: 15 april 2005 Rapportnummer: 2005/121

Rapport. Datum: 15 april 2005 Rapportnummer: 2005/121 Rapport Datum: 15 april 2005 Rapportnummer: 2005/121 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: - bij de afhandeling van zijn klacht van 18 november 2002

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 8

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 8 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 8 Gegevens onderneming : De besloten vennootschap Compass Projects B.V., statutair gevestigd te Almere, gevestigd aan de Manuscriptstraat 32 te (1321 NN) Almere, ingeschreven

Nadere informatie

het college van gedeputeerde staten van Zeeland.

het college van gedeputeerde staten van Zeeland. . Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant A], [appellant B], wonend te [woonplaats], [appellant C], wonend te [woonplaats], [appellant

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1996 4 Besluit van 20 december 1995, houdende wijziging van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de Uitkeringsregeling 1966 Wij Beatrix, bij de gratie

Nadere informatie

Algemene Subsidieregeling 2008

Algemene Subsidieregeling 2008 Algemene Subsidieregeling 2008 Paragraaf 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. gemeentebestuur: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van besluiten betreffende

Nadere informatie

urn in ii inn inn ii ii

urn in ii inn inn ii ii urn in ii inn inn ii ii B15-022966 BIJLAGE 01 Uitvoeringsovereenkomst BIZ Centrum Bergen op Zoom Uitvoeringsovereenkomst BIZ Centrum Bergen op Zoom Gemeente Bergen op Zoom Ondernemersvereniging Stad En

Nadere informatie

Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV

Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV Vastgesteld in de Raad van Toezicht d.d. 12 september 2007 Reglement van de Auditcommissie van Stichting TBV 0. Inleiding 0.1. Dit reglement is opgesteld door de Raad van Toezicht ingevolge artikel 18

Nadere informatie

Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Wijziging van de Wet toezicht accountantsorganisaties, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten op het terrein van accountantsorganisaties en het accountantsberoep (Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties)

Nadere informatie

De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Doetinchem, gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet;

De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Doetinchem, gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet; De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Doetinchem, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; gelezen het voorstel van het college; gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht

Nadere informatie

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_/afdrukken Page 1 of 5 Wet financiering decentrale overheden (Tekst geldend op: ) Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het

Nadere informatie

CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX.

CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX. CONTROLE VERORDENING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REINIGINGSBEDRIJF AVALEX. Blz. 1 van 6 Controleverordening Avalex art 213 gemeentewet 2014 Inhoud Artikel 1 Definities... 3 Artikel 2 Opdrachtverlening

Nadere informatie

Kaderverordening subsidies provincie Groningen 1998. Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen en algemene bepalingen

Kaderverordening subsidies provincie Groningen 1998. Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen en algemene bepalingen Kaderverordening subsidies provincie Groningen 1998 Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen en algemene bepalingen Artikel 1 1. In deze verordening wordt verstaan onder provinciebestuur: het bevoegde orgaan van

Nadere informatie

Algemene subsidieverordening Texel 2016

Algemene subsidieverordening Texel 2016 Algemene subsidieverordening Texel 2016 ASV Texel 2016 Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2016 onder nummer 019 Gemeenteblad Texel 2016 nr 35 datum 24-03-2016 Algemene subsidieverordening

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 2 Datum: 2 februari 2015 Gegevens failliet: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. CENTRAAL BUREAU BOUWTOEZICHT (C.B.B.), statutair gevestigd en kantoorhoudende

Nadere informatie