De Belgische Defensie van de toekomst: Horizon 2030

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "De Belgische Defensie van de toekomst: Horizon 2030"

Transcriptie

1 De Belgische Defensie van de toekomst: Horizon 2030 Evolutie naar een gemiddelde defensie-inspanning van de Europese NAVO-lidstaten of ongewijzigd budgettair beleid Definitieve versie 06 Mar

2 Inleiding... 4 De huidige regeerperiode... 5 Basispremissen voor alle vormgevingen De grote programme's Deel I: Een Defensie gebouwd met een budget gestabiliseerd op 2,15 miljard na Algemene beschrijving Eerste vormgeving: Een Defensie van met structureel 2,15 Mia De operationele dimensie - Land De operationele dimensie - Air De operationele dimensie - Marine De operationele dimensie - Cyberspace De steun inlichtingen en veiligheid De operationele medische steun Deelbesluit Tweede vormgeving: een Defensie van met structureel 2,15 Mia met beperkte expeditionaire luchtgevechtscapaciteit De operationele dimensie - Land De operationele dimensie - Air De operationele dimensie - Marine De operationele dimensie - Cyberspace De steun inlichtingen en veiligheid De operationele medische steun Deelbesluit Derde vormgeving: een Defensie van met structureel 2,15 Mia met beperkte expeditionaire land- en marinegevechtscapaciteit De operationele dimensie - Land De operationele dimensie - Air De operationele dimensie - Marine De operationele dimensie - Cyberspace De steun inlichtingen en veiligheid De operationele medische steun Deelbesluit Bijkomende impact geldig voor de drie mogelijke vormgevingen met structureel 2,15 Mia Vorming

3 Het overgangstraject Besluit vormgevingen met structureel 2,15 Mia Deel II: Een Defensie gebouwd met een budget dat in ,36% van het Bruto Binnenlands Product bereikt Algemene beschrijving De operationele dimensie - Land De operationele dimensie - Air De operationele dimensie - Marine De operationele dimensie Cyberspace In het Joint domein De steun inlichtingen en veiligheid De operationele medische steun Vormingen Het overgangstraject Besluit Bijlage A: Historiek van de evolutie van de Defensie begroting Bijlage B: Gevolgen van het niet investeren in de periode Bijlage C: De investeringen en werkingskosten in de vormgevingen Bijlage D: De wervingsbehoefte per vormgeving Bijlage E: De 'Search and Rescue' taak Bijlage F: De lichte A109 Helikopter Bijlage G: Verduidelijkingen in het domein "vorming van de kaders" Bijlage H: De medische ondersteuning Bijlage I: Levensverlengende maatregelen Bijlage J: Tweedehandsaankopen Bijlage K: De Land aspecten in de vormgevingen van het scenario 2,15Md Bijlage L: De Air-aspecten in de vormgevingen van het scenario 2,15 Mia Bijlage M: De Marine in de vormgevingen van het scenario 2,15 Mia Bijlage N: Pilootprojecten in het inlichtingen -en veiligheidsdomein Bijlage O: Relatie tussen de defensie inspanning en het defensiebudget

4 Inleiding In het federaal regeerakkoord heeft de regering opgedragen een lange termijnvisie voor de Belgische Defensie voor te stellen. Binnen de gegeven contouren is het uittekenen van een Belgische Defensie met 2030 als horizon bijzonder uitdagend. De keuzes die de regering hierbij zal moeten maken met betrekking tot de toekomstige vormgeving hebben een intergenerationele dimensie. Dit onderbouwd dossier moet dan ook de nodige elementen aanleveren voor de te nemen beslissingen met betrekking tot de toekomst van de Belgische Defensie. Het dossier omvat een studie van de toekomst van Defensie gebaseerd op twee uiteenlopende budgettaire toekomstscenario's. Het eerste scenario gaat uit van de hypothese dat de beperkingen die werden opgelegd aan Defensie in de huidige budgettaire notificatie, na de huidige regeerperiode (post 2019) integraal van toepassing blijven. Hierdoor wordt het budget vastgelegd op 2,15 miljard euro (constant 2015). Dit vertegenwoordigt 0,76% van het BBP. Het tweede scenario gaat uit van de politieke ambitie om te streven naar een defensiebudget dat evolueert naar het gemiddelde van de Europese NAVO-lidstaten, exclusief de twee nucleaire mogendheden. Hierbij stijgt de defensieinspanning 1 na 2019 om te eindigen in 2030 op 1,36% van het BBP. Vooraleer de analyse aan te vatten van de beide scenario's worden twee essentiele voorwaarden belicht. Vooreerst moet een algemeen kader worden vastgelegd dat de noodzakelijke voorwaarden creeert om de inspanningen van Defensie maximaal te richten op de inzetbare militaire capaciteiten. Indien dit kader niet kan worden gerealiseerd dringen zich onvermijdelijk bijkomende keuzes op die de output van de capaciteiten zal reduceren. Daarnaast wordt beschreven welke de uitdagingen zijn die specifiek in de huidige regeerperiode moeten worden aangegaan. De beperkingen opgelegd in de budgettaire notificatie zijn diepgaand en hypothekeren de haalbaarheid van een lange termijn visie. Het is dan ook van kapitaal belang om nu de juiste keuzes te maken of de capaciteiten dreigen op korte termijn niet meer inzetbaar te zijn. Deel I van dit dossier beschrijft drie vormgevingen die binnen het beperkt budgettair canvas van 2,15 miljard nog net zouden kunnen. Het definieert in de verschillende operationele dimensies- land, lucht, zee en cyber - de opties die aan de regering kunnen worden geboden en de beperkingen die ontstaan op het vlak van de inzetbare militaire capaciteiten alsook de wijzigingen in de steun die Defensie aan de natie kan aanbieden in andere domeinen. Het beschrijft de beperkingen die ontstaan op het vlak van de binationale en internationaal aangegane engagementen maar ook in het kader van de NAVO en de EU en de daaruit voortvloeiende mogelijke politiek-militaire implicaties. Deel II definieert een Defensie gebouwd met de budgettaire middelen die evolueren na 2019 naar 1,36% BBP teneinde te streven naar de gemiddelde defensie-inspanning van de Europese NAVOlanden. Het omschrijft de mogelijkheden die worden aangeboden aan de autoriteiten om met militaire middelen deel te nemen aan de beheersing van de veiligheidsbedreigingen en de mogelijkheden die Defensie kan bieden aan de natie. 1 De defensieinspanning omvat naast de uitgaven voor defensie ook de ermee verbonden pensioenuitgaven - 4 -

5 De huidige regeerperiode Het opgelegd begrotingstraject en de impact bij ongewijzigd beleid Voorafgaand aan de notificatie Begroting bedroeg het budget 2 ongeveer Mio per jaar: In Mio Cte budget 'post bilaterale' Tabel 1 Onderstaande 'Grafiek 1' toont aan dat het aandeel van het budget voor personeel ongeveer 66% bedroeg. Naast 25% werkingsmiddelen vertegenwoordigt het aandeel investeringen 9%. In deze bedragen werden conform de richtlijnen van de Regering, behoudens de beperkte middelen voor een klein investeringsplan 2015, geen middelen opgenomen voor grote investeringen in de periode Grafiek 1: Budget 'post bilaterale' - samenstelling en situering van de begrotingsnotificaties 15/10/2014 Bovenstaande bedragen werden met de begrotingsnotificaties van 15 oktober 2014 verminderd met de volgende respectievelijke bedragen: 2 Budget "post-bilaterale" aan vereffeningsmiddelen (=betalingscapaciteit) - 5 -

6 In Mio Cte budget 'post bilaterale' begrotingsnotificaties huidige Bg prognose (in deze bedragen zit 29 Mio /jaar t.w.a. een indexsprong die niet als besparing dient te worden beschouwd) Tabel 2 Het gevolg hiervan is dat, bij ongewijzigd beleid, de aangegane schuld niet meer kan afbetaald worden, er geen plaats meer is voor nieuwe investeringen, de internationale bijdrage in investeringsprogramma's (vb. NATO Security & Investment Program - NSIP) onmogelijk wordt en zelfs de werking van de organisatie wordt aangetast (rode lijn in bovenstaande 'Grafiek 1'). Zelfs met inbegrip van de interdepartementale provisie (100 Mio, rode stippenijn) is de betaling van de schuld niet mogelijk. Bovenop de opeenvolgende herzieningen van het budgettair traject voor Defensie en de herhaalde coupures in het verleden, zoals uitvoerig uiteengezet in bijlage B, trekt de impact van de begrotingsnotificaties de verhoudingen nog verder scheef. Het budgetaandeel voor personeel stijgt naar 73%. Dit vormt een onhoudbare evolutie die noch kadert in goed bestuur voor een organisatie noch beantwoordt aan de defensie- en veiligheidsuitdagingen van de toekomst. Bovendien, in het licht van de evolutie van de laatste vijftien jaar voor andere beleidsdomeinen van de overheid en, in het bijzonder, de andere federale departementen, komt de begrotingsnotificatie voor Defensie, dat in de vorige jaren substantieel meer bespaarde, permanent reorganiseert en haar inzet steeds optimaliseert bijzonder hard aan, niet in het minst voor het personeel dat zich nog steeds zeer loyaal blijft inzetten 3 4. Bijsturing in 2015 Defensie heeft binnen het opgelegd budgettair kader de volgende drastische maatregelen 4 genomen : - In het domein van het personeel: De aanwerving werd meer dan gehalveerd en bedraagt thans 700 personen, waarvan bijna de helft vrijwilligers. Daarnaast werden de middelen voor nieuwe personeelsinitiatieven geschrapt en werden bijkomende besparingen gerealiseerd, o.a. ten gevolge van de vermindering van de permanenties met een verminderde beschikbaarheid als gevolg. - Op vlak van werking: De trainingsplannen van de operationele eenheden en de onderhoudsplannen voor de operationele wapensystemen werden drastisch gereduceerd. De werkingsbudgetten in het algemeen ondersteunend gedeelte werden verder ook drastisch verminderd met impact op o.a. infrastructuur (die reeds bijzonder onder druk stond), medische kosten, communicate en informatie systemen, zendingen, vorming, public relations, support systems. 3 Zie bijlage A -historiek van de evolutie van de Defensiebegroting De gevolgen zijn in detail beschreven in bijlage B

7 - Op vlak van investeringen: Alle geplande investeringen in materieel en infrastructuur werden geschrapt. Enkel door beroep te doen op de integraliteit van de provisie van 100 M is de afbetaling van de bestaande schuld op het PIDV mogelijk en kan een minimaal en dringend overlevingsinvesteringspakket gerealiseerd worden. Voorafname voor de periode Op het vlak van training en operaties blijft het niveau van 2015 als referentie aangehouden. Een minimaal investeringspakket in het domein van materieel en infrastructuur dient verder gegarandeerd te worden. Dit is alleen mogelijk indien: - tot en met 2019 jaarlijks integraal beroep kan gedaan worden op de interdepartementale provisie van 100 Mio. - de besparingen van 2015 in het domein van de werkingsuitgaven en de trainingsplannen worden voortgezet. Deze besparingen hebben natuurlijk een rechtstreekse impact op de eenheden. Onvoldoende training brengt de veiligheid van het personeel en de inzetbaarheid op korte termijn in gevaar. Het ondermijnt tevens de motivatie van het personeel in het algemeen en de jongere personeelsleden in het bijzonder. Het aanbieden van soepel en snel inzetbare capaciteiten is echter net een van de hoofdkenmerken van een moderne en relevante Defensie. Tijdens deze regeerperiode zal dus slechts in zeer beperkte mate aan deze ambitie kunnen beantwoord worden. De keuze is hier de training al of niet te focussen op een gering aantal capaciteiten of de beschikbare trainingsdagen te spreiden over alle resterende capaciteiten. Het gevaar voor een Defensie met meerdere snelheden, met implicaties naar motivatie en veiligheid, is, naargelang de keuze, reeel. Het wordt dus tevens duidelijk dat het hierdoor veroorzaakte gebrek aan motivatie de retentie in de eenheden aantast. Steeds meer jonge mensen verlaten Defensie vroegtijdig waardoor de inspanningen en de kosten van de vorming onvoldoende renderen en de efficientie daalt. Bovendien zijn vele jonge militairen aangetrokken door het vooruitzicht van een operationele inzet. Het opgelegde budgettaire traject maakt de inzet van Defensie gedurende de ganse regeerperiode steeds moeilijker. In combinatie met de beperkingen in de training tast dit opnieuw de motivatie van de militairen en de aantrekkingskracht van het militair beroep aan. Zo bestaat het gevaar dat een belangrijk aantal waardevolle medewerkers Defensie verlaten. Buiten deze rechtstreekse impact op de eenheden, wordt de multinationale samenwerking sterk onder druk gezet. De Belgische Defensie, die reeds vele jaren als een benchmark wordt aanzien binnen de NAVO en EU in het domein van de multinationale samenwerking, dreigt door de besparingen in niet meer aanzien te worden als een interessante partner. De recente 'vingerwijzing' van onze Nederlandse partner is een eerste teken aan de wand. Zonder een minimaal investeringspakket zal Belgie niet meer in staat zijn om de bestaande multinationale samenwerking in stand te houden, laat staan nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan. De inherente gevaren zijn dat het later (her)aanhaken aan reeds lopende programme's een meerkost met zich meebrengt, dat windows of opportunity voor internationale samenwerking zich definitief kunnen sluiten of dat reeds gedane investeringen verloren gaan

8 - de personeelsuitgaven verder naar beneden worden gebracht, waarbij naakte ontslagen niet in aanmerking komen. Dit kan op korte termijn alleen door in te grijpen in de werving en deze op het niveau van 2015 te houden (700 aanwervingen in 2016 en 2017, nadien licht oplopend: 900 in 2018 en 1100 in 2019) 5. De verdere verhoging zal functie zijn van de keuzes met betrekking tot de strategische visie. Deze aanpak omvat een aantal zeer belangrijke risico's. Het kleine aantal jonge mensen die de eenheden vervoegen, zal onvoldoende zijn om zelfs een sterk afgeslankte Defensie te voeden aan de basis. Het is juist deze basis die de inzetbare capaciteiten wezenlijk aanlevert. Daarnaast zal door de wet van de kleine getallen het aantal te vormen militairen dermate dalen dat dit de continui'teit en daardoor de expertise in de vorming zal uithollen. Het risico bestaat bovendien dat dit zich zal vertalen in enerzijds een onevenwicht tussen de kaders en de vrijwilligers waardoor de weerhouden structuren niet werkbaar zullen zijn en het anderzijds niet mogelijk zal zijn om al het nodige personeel in vakken met specifieke technicooperationele skills en competenties te voorzien. Het is dan ook nodig om structurele maatregelen in het personeelsdomein te definieren om de leefbaarheid van de organisatie tijdens en na deze regeerperiode te garanderen. Onderstaande grafiek geeft een budgettaire vertaling van de maatregelen (o.a. door het bijgestuurd wervingspeil). Hierdoor zakt het personeelsbudget in 2019 en vertegenwoordigt het 63% in het totaalbudget van Defensie in Grafiek 2: Budget 'post bilaterale' - samenstelling en situering van de begrotingsnotificaties 15/10/ Zie bijlage D "De personeelsevolutie en wervingsbehoefte per vormgeving" - 8 -

9 Uit bovenstaande blijkt dat, zelfs rekening houdend met de geciteerde maatregelen, bij het niet toekennen van de interdepartementale provisie, Defensie niet bij machte is haar schuld volledig te betalen en dat zelfs broodnodige courante investeringen totaal niet realiseerbaar zijn 6. Tevens zorgt de zeer beperkte ruimte voor nieuwe investeringen voor een ophoping van investeringen na de huidige regeerperiode (in alle scenario's die verder besproken worden). Het deel van de schuld dat niet betaald zal kunnen worden, bedraagt: totaal Schuld die niet zal betaald worden In het geval geen beroep kan gedaan worden op de bijkomende middelen uit de provisie, dienen tijdens deze regeerperiode dus bijkomende drastische besparingsmaatregelen genomen te worden in het personeelsdomein en in het domein van de werkingsuitgaven. In het personeelsdomein dienen tijdens deze regeerperiode dan bijkomende structurele maatregelen te worden genomen en zullen mechanismen in plaats gesteld moeten worden die het versneld afvloeien van het bestaande personeel bewerkstelligen. In het domein van de werkingsuitgaven betekent dit nog minder training, bijkomende beperkingen op de mogelijke inzet van capaciteiten, nog minder kunnen voldoen aan onze internationale verplichtingen (o.a. bijdragen NAVO), verder afbouwen van de ondersteunende activiteiten in een context van vergrijzing van het personeel zonder budgettaire middelen voor uitbesteding van taken, 6 De gevolgen van het niet investeren werden opgelijst in bijlage B "gevolgen van het niet investeren in de periode "

10 Belgie zal geen geloofwaardige bijdrage meer kunnen leveren aan de snelle reactiecapaciteit van de NAVO (NATO Response Force), waar ze permanent aan deelgenomen heeft met lucht-, land- en marinecapaciteiten sinds de oprichting ervan in het begin van deze eeuw. Op een geloofwaardige manier deelnemen aan de snelle reactiecapaciteit van de Europese Unie (European Union Battle Group) of er de leiding van nemen, zoals in 2009 en in 2014, zal eveneens niet meer mogelijk zijn. Defensie zal dus in dat geval niet meer de continuiteit van haar opdracht kunnen garanderen. Outsourcing van de ondersteunende taken De aankomende pensioneringsgolf zal zich het eerst laten voelen en dus de grootste impact hebben op de ondersteunende activiteiten die hoofdzakelijk worden uitgevoerd door gespecialiseerd (technisch) personeel. Defensie is niet in staat dit personeel op korte termijn te vervangen. Outsourcen van de activiteiten die geen militaire expertise of ervaring vereisen, is hierbij de enige realistische oplossing. Door de bijkomend opgelegde budgettaire coupures daalt het budget sneller dan de daling van de personeelskost in de periode tot Er kan dus geen budgettaire ruimte worden gevonden voor de outsourcing. In tegenstelling tot het regeerakkoord, zal de uitbesteding van taken dus niet kunnen ingezet worden. Daardoor dreigen bepaalde ondersteuningsactiviteiten met directe impact op de inzetbare capaciteiten volledig stil te vallen. Alternatieve financiering Om de impact van de coupures enigszins te reduceren wordt er naar mogelijke alternatieve financieringsmiddelen gezocht. Defensie meent dat deze hoofdzakelijk in het domein van de investeringen in de infrastructuur een oplossing kunnen bieden. Een aantal kwartieren die niet meer passen in de toekomstvisie van Defensie zouden kunnen overgedragen worden aan privaat of publieke partners, die als tegenprestatie nieuwe gebouwen optrekken, bestaande renoveren in de behouden kwartieren of ze desgevallend voor een bepaalde termijn blijven onderhouden. Dit concept zou de klassieke, langdurige verkoopprocedures kunnen vervangen en ervoor zorgen dat de middelen rechtstreeks naar Defensie terugvloeien. Deze piste dient het akkoord te krijgen van de Minister van Financien, gezien enkel deze FOD bevoegd is om Militaire domeinen te verkopen. De ontwikkeling van plannen binnen publiek-private samenwerking (PPS) biedt mogelijkheden om specifieke projecten te financieren. Zo kan er bijvoorbeeld voor het uitbouwen van een cybercapaciteit, die ook zal bijdragen aan de bescherming van de nationale economie, gedacht worden aan vormen van cofinanciering uit de economische en financiele sector. In de domeinen waarin Defensie een zekere gespecialiseerde capaciteit moet behouden, kan het zijn diensten aanbieden aan andere partners, prive of publiek, en daarmee bijkomende middelen verwerven. Waar nodig kan verzelfstandiging van bepaalde entiteiten (bvb. Militair Hospitaal, Koninklijk Leger Museum,...) opgestart of verder gezet worden met de gepaste rechtspersoonlijkheid teneinde de nodige alternatieve financiering mogelijk te maken en te zorgen voor de nodige bestuurlijke transparantie

11 Tot vandaag worden de militaire operaties gefinancierd vanuit het budget Defensie. Indien het binnen de budgettaire enveloppe voorziene aandeel wordt overschreden, worden door de regering bijkomende middelen toegekend. In het budgettair traject dat nu is bepaald voor de periode bestaat een ernstig risico dat dergelijke methode niet meer houdbaar is. Het moet daarom worden overwogen om de inzet in operaties te financieren met middelen die niet in de begroting van Defensie zijn voorzien. Dit plaatst tevens de politieke autoriteit voor de verantwoordelijkheid om de noodzakelijke financiele middelen vrij te maken voor de opdrachten waarvoor zij Defensie wenst in te zetten. 7 Besluit : Het gecumuleerd resultaat van de bovengenoemde effecten genereert een negatieve spiraal en leidt tot een Defensie die "om te overleven" gedurende de periode van 2015 tot 2019 gedwongen is zich steeds dieper in een vorm van 'winterslaap modus' te plaatsen. Dit tast natuurlijk de inzetbaarheid van de capaciteiten aan waardoor, reeds op korte termijn, het risico bestaat dat in geval van een regeringsbeslissing tot een deelname aan een operatie, Defensie niet met de gepaste middelen zal kunnen antwoorden. Door het schrijnend gebrek aan investeringen gedurende de lopende legislatuur, 2015-'19, is het risico reeel dat capaciteiten voorgoed zullen verloren gaan. Bovendien, door gebrek aan toekomstperspectief is de kans reeel dat kwalitatief en dynamisch jong personeel vroegtijdig de organisatie verlaat. Door het niet kunnen investeren in voorziene programma's in de periode komt de internationale samenwerking in tal van domeinen in het gedrang. Het belangrijkste gevolg is het verlies aan geloofwaardigheid als betrouwbare partner omdat een billijke win-win situatie ten opzichte van onze partnerlanden niet gehandhaafd kan worden. Dit alles kan alleen worden vermeden indien tijdens deze regeerperiode bijkomende budgettaire middelen worden vrijgemaakt, inclusief om meer te rekruteren. 7 Werkwijze is te kaderen binnen de bepalingen van de begrotingswetgeving, wat dus zal leiden tot complexere procedures en besluitvorming

12 Basispremissen voor alle vormgevingen De analyse die in Deel I en Deel II wordt beschreven gaat uit van een aantal basispremissen die absoluut moeten worden vervuld. Deze premissen vormen het algemeen kader waarbinnen de inzetbare capaciteiten in het domein land, lucht, marine en cyber zich kunnen ontwikkelen. De ingrepen die nodig zijn om dit algemeen kader te realiseren zijn zeer ingrijpend en vormen op zich een bijzondere afzonderlijke uitdaging. De uitdagende basispremissen zijn: - de Defensiestaf en zijn steun worden grondig hervormd en gereduceerd (personeelsreductie >50%) - rationalisatie van de ondersteuning in de domeinen materieel en infrastructuur door taken en activiteiten waarvoor geen militaire expertise en ervaring zijn vereist zoveel mogelijk uit te besteden (personeelsreductie 60%) - vormingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in de civiele sector of in een internationaal samenwerkingsverband (personeelsreductie > 60%) - het aantal kwartieren wordt gerationaliseerd rekening houdend met een evenwichtige spreiding over het land (reductie aantal kwartieren met minstens 35%) - de werking van het militair hospitaal wordt grondig hervormd: ofwel wordt een nieuw aangepast werkingsmodel toegepast om de kosten in personeel en werking te drukken, ofwel wordt er voor de medische steun een oplossing gezocht zonder een eigen hospitaal - sommige activiteiten worden gereduceerd of zullen volledig afgestoten moeten worden, of kunnen een ander statuut krijgen: muziekkapellen, Koninklijk Leger Museum,... - mogelijke outsourcing SAR(Search And Rescue) 8 - gedeeltelijke uit dienstname A109 helikopter 9 Het is duidelijk dat het aantal en de diepte van de voorgestelde basispremissen een aanzienlijk aantal risico's inhoudt. Er zal dus een uitvoerige studie rond risicobeheersing van al de voorgestelde maatregelen dienen uitgevoerd te worden. De defensiestaf Bijna 15 jaar na de invoering van de eenheidsstructuur is het noodzakelijk om de bedrijfsprocessen opnieuw te stroomlijnen, ze sterker toe te spitsen op de kernactiviteiten van Defensie (paraatstelling en inzet in operaties) en de werking van deze structuur opnieuw te hervormen. De omvang van de Defensiestaf en zijn steun dient te worden gereduceerd met 50%. 8 9 De gedetailleerde uitleg omtrent deze premisse is te vinden in bijlage E De gedetailleerde uitleg omtrent deze premisse is te vinden in bijlage F

13 De steun De ondersteuning van de werking van de eenheden en organismen van Defensie in Belgie op het vlak van mobiliteit, distributie van kledij en uitrusting, communicatie en informatiesystemen, infrastructuur gebonden diensten (technisch onderhoud, groenonderhoud, horeca, wacht) wordt maximaal uitbesteed, behalve wanneer een synergie met (de ondersteuning van) de operationele capaciteiten nodig blijft. Defensie blijft in elk geval de regie van deze uitbestede activiteiten in eigen beheer verzekeren. - In het domein van de horeca worden alle diensten uitbesteed, behalve in een zeer beperkt aantal kwartieren gezien de nood aan een minimale pool aan operationeel inzetbaar horeca personeel te behouden binnen Defensie. - In het domein wacht worden klassieke bewakingstaken mits de nodige risicobeheersingsmaatregelen uitbesteed, behalve in enkele kwartieren met zeer specifieke vereisten in dit domein. - Ook in het domein van de infrastructuur-ondersteuning van de kwartieren zal een maximum aan taken worden uitbesteed. - In het domein van stockage en distributie van materieel, kledij en uitrusting betekent dit dat de activiteiten van het Competentiecentrum Materieel en Producten en het Distributiecentrum Wisselstukken grotendeels worden uitbesteed. De activiteiten die toch blijvend binnen Defensie worden uitgevoerd, worden verder gerationaliseerd en gelokaliseerd in bestaande kwartieren, waar maximaal synergien worden gezocht met de resterende transportcapaciteit. Gezien de leeftijdspiramide van het actueel in het Competentiecentrum Materieel en Producten en het Distributiecentrum Wisselstukken tewerkgesteld personeel, zal om de continuiteit van de noodzakelijke ondersteunende activiteiten te verzekeren de vereiste outsourcing reeds in deze regeerperiode, meer bepaald vanaf 2016, noodgedwongen moeten opgestart worden. Hiervoor dienen de nodige budgettaire middelen nog vrijgemaakt te worden. - In het domein van de communicatie en informatie systemen kiest Defensie voor het uitbesteden van het ontwerp en de ontwikkeling (Design and Build) van IT-toepassingen en eventueel, mits de nodige risicobeheersingsmaatregelen, de stockage van niet geclassificeerde gegevens. In elk geval streeft Defensie in dit domein naar maximale synergie met andere overheidsdiensten voor systemen die niet Mission Critical zijn. De activiteiten in het Competentiecentrum Vliegend Materieel en Communicatie en Informatie Systemen worden in deze zin gerationaliseerd. Ondersteuning in het domein van de communicatie en informatie systemen van de eenheden en kwartieren worden verder gerationaliseerd. Naast een centraal netwerk management, wordt het aantal Regional Support Service Centers gerationaliseerd. - Het onderhoud en de technico-logistieke ondersteuning van wapensystemen op industrieel niveau (depot-level) wordt verder en grotendeels uitbesteed. Een eigen beperkte en specifieke fabricage- en prototyperingscapaciteit binnen Defensie blijft noodzakelijk om snel en flexibel militaire noden in te vullen waarvoor in de civiele sector geen waardig alternatief aanwezig is. Een basislaag van militairen blijft nodig om de onderhoudsactiviteiten, die nodig zijn om inzet in de operaties te ondersteunen, uit te voeren, het behoud van expertise en competentie te borgen, het uitbestede onderhoud te beheren en de nodige doorstroming naar het geintegreerd materieelbeheer te vrijwaren. In deze optiek worden de activiteiten van het huidige Competentiecentrum Rollend Materieel

14 en Bewapening ingeperkt en gerationaliseerd. Het depot-level onderhoud en grote productiereeksen gebeuren in een PPS 10 kader. Activiteiten van "uitzonderlijk transport" en het beheer en het onderhoud van ontplooibare containers stopgezet. Indien in 2020 de activiteiten betreffende de vernietiging van munitie niet beeindigd zijn, wordt uitgegaan van een Government Owned Contractor Operated publiek-privaat partnerschap. Het personeel van Defensie in Competentiecentrum Rollend Materieel en Bewapening wordt herleid tot +/- 30% van de actuele bezetting met bijhorende infrastructuurrationalisatie. Om de continuiteit van de noodzakelijke ondersteuning aan wapensystemen te verzekeren, betekent dit dat vanaf 2016 een aanvang zal moeten worden genomen met bovenvermelde outsourcing (onder vorm van PPS, Government Owned Contractor Operated partnerschap en / of zuivere uitbesteding). Hiervoor dienen de nodige budgettaire middelen nog beschikbaar te worden gesteld. De vorming Waar Defensie tot op heden een zeer groot deel van de vormingen zelf verleent, zal in de toekomst maximaal gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande vormingen in de civiele sector of via internationale samenwerkingen. Indien haalbaar wordt er binnen de budgettaire mogelijkheden aan de Koninklijke Militaire School (KMS) nog een aangepaste academische vorming verleend, waarbij het aantal academische richtingen coherent is met de toekomstige capacitaire keuzes en het specifiek militair karakter ervan. Hierbij beogen we maximale internationale en interdepartementale samenwerking. De vorming in de masterjaren wordt nog enkel in het Engels verstrekt. De technische vormingen voor onderofficieren worden ingekapseld in de activiteiten van de KMS 11. Als de besparingen in personeel binnen het beschikbare budget onvoldoende blijken, zal de academische vorming aan de KMS noodgedwongen volledig moeten verdwijnen en worden vervangen door een doorgedreven vorming in uitsluitend het militaire domein. De officieren zullen dan louter gerekruteerd worden op basis van een diploma bachelor of master. Voor professionele opleidingen in niet-militaire beroepen zal samengewerkt worden met VDAB, FOREM en ACTIRIS. Zo zal bijvoorbeeld de vorming tot chauffeur binnen Defensie enkel worden toegespitst op het rijden met de militaire operationele voertuigen in tactische omstandigheden. De basisopleiding voor alle militairen wordt gerationaliseerd en ingekort en het aantal locaties zal worden verminderd en gelokaliseerd in de toekomstige sleutelkwartieren. De vorming van de militaire sportmonitoren zal buiten Defensie verlopen. Enkel de vorming voor specifiek militaire sportactiviteiten wordt nog door Defensie uitgevoerd. De vorming aan de binationale commissariaatsschool die opleidingen tot kok en zaalpersoneel verstrekt aan Belgische en Nederlandse militairen zal worden gestopt. Al deze maatregelen moeten ertoe leiden dat in de vorming het huidige personeelsbestand verminderd wordt met meer dan 60% PPS: Publiek Private Samenwerking 1 Details worden beschreven in bijlage G

15 De kwartieren Door de sterk gereduceerde omvang van Defensie moet de bezettingsgraad van de kwartieren herbekeken worden en wordt een aantal kwartieren overbodig. Hierdoor kan er bijkomend worden bespaard door verminderingen van de dagelijkse exploitatiekosten en geinvesteerd worden in de noodzakelijke steun en het op norm brengen en houden van de infrastructuur. Het hospitaal Het militair hospitaal wordt actueel deels ingezet voor de gezondheidszorg ten gunste van de burgerbevolking. Een van de doelstellingen hierbij is aan de militaire specialisten de mogelijkheid te bieden de nodige expertise in militair relevante gespecialiseerde geneeskunde te onderhouden, waarbij de finaliteit is dat deze kan worden aangewend ten voordele van militaire patienten in het kader van een inzet in operaties. De beperkingen in het budget laten echter niet meer toe de nodige investeringen te verrichten om de infrastructuur op peil te houden en de apparatuur aan te passen teneinde medisch handelen conform de geldende normen ('lege artis') toe te laten. Overleg met externe nationale en regionale instanties zal daarom noodzakelijk zijn om na te gaan hoe en binnen welk model en met welke financiering, het militair hospitaal aan de verwachtingen van Defensie en de Natie kan voldoen. Hierbij moet dan de bijdrage van het militaire personeel worden afgelijnd op de specifieke behoeften aan vorming en training vereist voor operationele inzet. Indien de curatieve activiteiten niet kunnen worden bestendigd in een nieuw aangepast model, rest enkel de optie, mogelijks op een andere locatie, een centrum voor medische expertise te behouden noodzakelijk voor de selectie van de sollicitanten en de vereiste periodieke medische keuringen van het militair personeel. In dit geval dienen activiteiten zoals het brandwondencentrum, de bloedbank, de MUG... noodgedwongen stopgezet te worden en dienen de verantwoordelijkheden te worden overgenomen door andere hospitalen. De vorming en training van het medisch technisch personeel zal dan noodgedwongen op een alternatieve wijze in burgerhospitalen of bij internationale partners moeten gebeuren 12. De overige activiteiten Organisaties die activiteiten uitvoeren die niet behoren tot de kerntaken van Defensie worden afgebouwd. - De steun aan het Koninklijk Leger Museum onder vorm van het militair personeel dat er tewerkgesteld is, wordt stopgezet, hetgeen resulteert in een reductie van 219 FTE. De verzelfstandiging wordt verdergezet met het aanboren van nieuwe alternatieve financieringsbronnen. - De muziekkapellen worden gerationaliseerd en mogelijks gecentraliseerd (reductie tot maximaal 100 FTE). - De territoriale structuur en de eraan verbonden provinciecommando's worden gerationaliseerd teneinde een reductie van 120 personeelsleden te realiseren. 12 Details over de gevolgen zijn vervat in Bijlage H

16

17 - De laatste twee weerhouden opties bieden noch de nodige soepelheid noch lenigheid die van een geloofwaardige en hoogtechnologische luchtgevechtscapaciteit verwacht worden binnen een partnerschap. Het gebrek aan deze basisvereisten zal tevens een onmiddellijke nefaste invloed hebben op de mogelijke internationale samenwerking en houdt het reele risico in dat ons land geisoleerd raakt. Duurzame "samen-werking" is immers enkel mogelijk indien de individuele leden mits voldoende eigen inbreng de nodige meerwaarde genereren. In het laatste scenario, is er zelfs geen sprake meer van een luchtgevechtscapaciteit, maar enkel nog van een 'luchtpolitie'. Voor de vervanging van de M-fregatten wordt er steeds gerekend op de aanschaf van twee nieuwe vaartuigen. Een verdere reductie tot slechts een fregat wordt als niet werkbare oplossing verworpen. Het biedt een te sporadisch beschikbare capaciteit, gekoppeld aan een hoog kostenplaatje en is niet conform de aangegane afspraken binnen de Belgisch-Nederlandse samenwerking (BENESAM). Om samen met Nederland gegarandeerd continu minimaal een M-fregat operationeel inzetbaar te hebben, wordt binationaal een vierslag gerealiseerd, twee Nederlandse samen met de twee Belgische schepen. Om aan dit gezamenlijk ambitieniveau te kunnen blijven voldoen, moet de capaciteit van twee Belgische fregatten dus worden behouden. De nodige investeringsruimte wordt geschat op ongeveer 780 miljoen euro. Voor de vervanging van de actuele mijnenjacht (5+(1)) en het logistiek steunschip wordt gerekend op vier vaartuigen met een geschatte investering van ongeveer 690 miljoen euro. De Marine beschouwt de werking met een kleinere mijnenbestrijdingsvloot als niet realistisch omdat een geloofwaardige mijnenbestrijdingscapaciteit voor onze partners inhoudt dat gelijktijdig zowel in de eigen wateren als expeditionair kan opgetreden worden. Dit kan enkel met minimaal vier platformen gegarandeerd worden. Om een kost-effectieve en multinationaal geloofwaardige Landcomponent te behouden, worden in het Joint en Land domein volgende dringende en cruciale programma's voorzien die niet enkel ten gunste zijn van de Landstrijdkrachten, maar in een breder kader alle componenten voorzien van de noodzakelijke assets voor hun dagelijkse werking in het binnenland en in operatie: - de verwerving en modernisering van individuele uitrusting van de intergeconnecteerde soldaat van de toekomst (BEST 15 ), van obsolete individuele bewapening (waaronder het geweer FNC), precisiewapens en optieksystemen (nacht, thermisch,...) - de vervanging op termijn van commando- en liaisonvoertuigen (LYNX) - de noodzakelijke verlenging van de levensduur van de bestaande, beschermde operationele platformen van de Landcomponent (DINGO, PIRANHA, PANDUR), zoniet de vervroegde vervanging van deze platformen vanaf 2025 door obsolescentie van hun vetronics - het vervolledigen van het DINGO patrimonium - het vervolledigen van de materiele uitrusting van de expeditionaire, parachuteerbare capaciteiten en Special Forces met onder meer de verwerving van RRV en LTTV 16 voertuigen BEST : Belgian Soldier Transformation 6 RRV en LTTV : Rapid Reaction Vehicle en Light Tactical Transport Vehicle

18 - de vervanging van de luchttransporteerbare, indirecte vuursteun in hoofdzaak ter ondersteuning van de expeditionaire, parachuteerbare capaciteiten, vervolledigd met algemene vuursteun uitgerust met precisiemunitie - de verwerving van Route Clearance Package (IED 17 dreiging) en EOD 18 robotten en detectie- en stand off materieel die DOVO/EOD in staat stelt opnieuw op een veilige wijze te werken - de vervanging van het obsolete transport-, bergings- en evacuatiepark door beschermde platformen en van de obsolete zware werktuigen- en werftransportplatformen, mobiele brugslag en zware bulldozer -en graafmachines. - de vervanging (door verwerving of huur) van het obsolete, algemene steunmaterieel zoals trucks en aanhangwagens, generatoren, vorkheftrucks, containermanipulatie en legeringsmaterieel Bij deze toekomstgerichte projecten en gemeenschappelijke programma's kiest de Landcomponent resoluut voor een maximale Europese verankering en integratie door middel van gezamenlijke platformen en gemeenschappelijke programma's waar mogelijk. De nodige investeringsenveloppe wordt geschat op ongeveer miljoen euro. Genetwerkte operaties zijn in het multinational militair lucht- en maritieme domein sinds tientallen jaren de norm. De laatste vijftien jaar vonden zij ook hun ontwikkeling op het vlak van de land operaties, mede door een verbeterde integratie met de andere domeinen, de steeds complexere omstandigheden en de verhoogde noodzaak aan effectiviteit en nauwkeurigheid van de al maar schaars wordende militaire middelen. Ook op het vlak van inlichtingen, observatie en verkenning (Intelligence, Surveillance and Reconnaissance of ISR) ter ondersteuning van deze operaties, is een verdere samenwerking en/of genetwerkte integratie meer dan ooit onontbeerlijk om in de toekomst nog multinationaal gezamenlijke operaties te kunnen voeren. In deze context zijn Remotely Piloted Aircraft (RPA) een essentieel onderdeel van de Land-based Intelligence, Surveillance, Target Acquisition and Reconnaissance (ISTAR) middelen voor de inlichtingenvergaring, doelverwerving in uitgestrekte en/of bewoonde verantwoordelijkheids-zones en voor 24/7 verkenning of bewaking nodig bij de typische inzet van een compagnie of battle group. Dezelfde type toestellen ingescheept aan boord van Surface Combattant Ships, al dan niet aangevuld met specifieke maritieme ISR-middelen aan boord van de toekomstige mijnenbestrijdingseenheden, leveren eveneens een belangrijke bijdrage tot het maritieme omgevingsbeeld en het verzamelen van een veelheid aan inlichtingen op zee of in de nabije kustgebieden. Het gaat hier dus vooral om onbemande verkenningstoestellen die toelaten tot 12uur lang of meer en op afstanden tot meer dan 50km real time genetwerkte informatie te verschaffen. Ook bij luchtoperaties zijn genetwerkte vliegende ISR middelen (aerial ISR) van groot belang. Aerial Joint ISR-sensoren aan boord van de gevechtsvliegtuigen, de toegang tot Alliance Ground Surveillance (AGS) tewerkgesteld door NAVO en medium altitude long endurance (MALE) Remotely Piloted Aircraft (RPA), kunnen verzekerd worden in ruil voor deelname in de financiering van Improvised Explosive Device 8 Explosive Ordnance Disposal

19 betrokken programma's en de levering van bemanningsleden, gespecialiseerd personeel en ter beschikkingstelling van infrastructuur. Belgie kan met deze aanpak en inzet op doorgedreven multinationale samenwerking met gezamenlijk platform de lange jaren ervaring met integratie van onbemande vliegtuigen in een complex luchtruim en de ontwikkeling van real time genetwerkte operaties met troepen aan de grond, gevechtsvliegtuigen of interventies in de kuststreek op zee (integratie van UAV operaties in Maritiem Informatie Kruispunt) benutten en verder uitbouwen. Deze geintegreerde aanpak draagt tevens bij tot het behoud van expertise op het vlak van real-time beeldanalyse en ondersteuning van tactische situational understanding, Air-Land ISR-integratie, Close Air Support en de praktische inwerkingstelling van RPA's in een complex operationeel luchtruim. Hij biedt bovendien een bijkomend toekomstperspectief en springplank voor Belgische toeleveringsbedrijven in het domein van communicatie-, luchtvaart- en ruimtetechnologie, meer bepaald in het kader van de op til zijnde ontwikkelingen in het domein van Single European Sky. Een bescheiden doch uitdagende invulling hiervan, waarbij maximaal wordt ingezet op multinationale samenwerking op basis van gezamenlijke platformen, met deelname van Belgie aan de investering, inzet van militairen voor het operationeel gedeelte en uitbesteding voor de technico- logistieke ondersteuning waar mogelijk, wordt geraamd op een investering van 100 a 125 miljoen euro

20 Deel I: Een Defensie gebouwd met een budget gestabiliseerd op 2,15 miljard na 2019 Algemene beschrijving Dit budgettair scenario brengt de uitgaven voor Defensie voor Belgie tegen 2030 op 0,76% van het BBP wat ons brengt naar de absolute staart van de landen van de NAVO. De uitdaging in dit budgettaire scenario is het vinden van voldoende budgettaire ruimte om toch een aantal investeringen toe te laten. Naast het nemen van een reeks ingrijpende maatregelen (beschreven in het deel 'algemeen kader') heeft Defensie als enige hefboom het doen dalen van de personeelskosten. Deze eerder uitgelegde basispremissen moeten daarom absoluut vervuld worden. Ze vormen het kader waarbinnen de inzetbare capaciteiten in de vier operationele domeinen zich kunnen ontwikkelen. Om overdreven optimistische of nog niet uitgewerkte denkpistes te vermijden, worden in deze analyse geen voorafnemingen genomen op mogelijke verminderingen van de personeelskost zoals die zouden kunnen ontstaan door vrijwillige vertrekken, aanbieden van voordelen bij het onderbreken van de prestatie of andere maatregelen die de kosten drastisch zouden kunnen reduceren. Voor de daling van het personeelsbudget wordt hier dus enkel uitgegaan van een natuurlijke afvloeiing van het bestaande personeel. Hierdoor komt slecht mondjesmaat ruimte voor de grote investeringen vrij in de periode na De vormgevingen die worden uitgewerkt, trachten binnen de beperkingen van het opgelegd budgettaire scenario een zo gebalanceerd mogelijke Defensie over te houden, indien mogelijk in de vier operationele dimensies (land, lucht, zee en cyberspace). Dit om in te kunnen spelen op een complexe, onzekere en snel evoluerende veiligheidsomgeving. Voor alle vormgevingen wordt uitgegaan van de opbouw van het budget van Defensie als volgt: 19 - personeelskosten en de kosten gebonden aan de activiteiten van het personeel (onder andere vergoedingen bij oefening en operationele inzet) - werkingskosten en kosten gebonden aan de outsourcing van ondersteuningsactiviteiten die geen militaire ervaring of expertise vereisen - kleine investeringen en infrastuctuurskosten waarmee de kwartieren worden onderhouden en kleinere aankopen van militair materieel worden uitgevoerd (Het bedrag dat hiervoor wordt uitgetrokken is geraamd op 100 miljoen euro/jaar) - de betaling van de reeds eerder aangegane schuld - het bedrag dat vrij blijft voor de betalingen van de grote investeringen Dit deel bestaat uit de beschrijving van drie verschillende vormgevingen, telkens binnen de budgettaire beperking van 2,15 miljard. Hierbij wordt een vormgeving uitgewerkt gebaseerd op een Defensie met een grootorde van FTE en twee vormgevingen gebaseerd op een omvang van FTE. Een Belgische Defensie van FTE betekent een inkrimping tot nog slechts 0,39% van de actieve bevolking. Dit vertegenwoordigt het laagste niveau van de lidstaten van de NAVO. 1 9 Voor de drie vormgevingen bevinden de grafieken zich in bijlage C

21 Voor elke vormgeving wordt de invulling in vier operationele dimensies, land, lucht, zee en cyber beschreven. Hierbij wordt bijkomend een bijzondere aandacht verleend aan de domeinen inlichtingen en veiligheid en operationele medische ondersteuning. Nadien worden de gemeenschappelijke impacten beschreven o.a. wat betreft het domein vorming. Eerste vormgeving: Een Defensie van met structureel 2,15 Mia Om een minimum marge te creeren voor de betaling van de grote investeringen is het vereist de omvang van de personeelskost te doen dalen tot een niveau van militairen en burgers binnen Defensie. Grotere aantallen laten helemaal niet toe de investeringsruimte van enig groot programma te overwegen. Een daling van het personeel naar in de periode tussen 2019 en 2030 maakt een investeringsruimte vrij van maximaal 2,53 miljard euro. Defensie zou dan tussen 2015 en 2030, om en bij de personeelsleden verliezen, wat een daling met meer dan 37% vertegenwoordigt. Grafiek Binnen deze beperkte budgettaire ruimte is de enige optie die enigszins een balancering binnen de vier domeinen mogelijk maakt: - een enveloppe van 780 miljoen euro aan de marine toe te kennen waardoor ze de multi- inzetbare fregatcapaciteit kan vervangen - een enveloppe van 1,6 miljard te voorzien voor de inplaatsstelling van een beperkte en niet expeditionaire luchtpolitiecapaciteit - de overblijvende 150 miljoen euro aanwenden om een minimum aan investeringen in het domein land te realiseren. - in het cyberdomein kan Cyber Security worden gegarandeerd maar wordt gezien Defensie, in dit scenario, zo goed als niet expeditionair inzetbaar is, de verdere ontwikkeling van ontplooibare

22

23 vervoer. Alle investeringsprogramma's m.b.t. de gemotoriseerde capaciteit doven uit wegens een gebrek aan investeringsruimte, zoals goed beschermde gevechtsvoertuigen, individuele uitrusting voor de soldaat van de toekomst (bescherming en communicatie), vuursteun, luchtverdediging, tactische inlichtingen, geniesteun (inclusief brugslagmiddelen, ontmijning en Chemische Biologische Radioactieve & Nucleaire bescherming), logistiek transport- en hefmiddelen, beschermde bergingsen evacuatiemiddelen (niet exhaustieve lijst daar het alle capaciteiten en subcapaciteiten treft). Voor de gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten betekent dit dat tussen 2020 en 2030 deze definitief uitdoven ten gevolge van obsoleet geworden materieel. Indien pas vanaf 2020 een bijkomende instroom van personeel kan gerealiseerd worden, bestaat het gevaar dat de bestaande tekorten, ten gevolge van een zeer beperkte rekrutering in de periode , in die mate zijn opgelopen dat er een inhaalbeweging zal moeten gebeuren om de vooropgestelde doelstructuur te bereiken binnen een aanvaardbare termijn. Door het gebrek aan operationele inzet, trainingsmogelijkheden, materieel en toekomstperspectief is te verwachten dat een groeiend aantal personeelsleden Defensie zal verlaten. Door dit cumulatief effect zal de instroombehoefte sterk groeien en mogelijks het rekruteringspotentieel en de basisvormingscapaciteit van defensie overstijgen. Omwille van de beperkte rekrutering in de periode evolueert de Landcomponent vermoedelijk naar een personeelsenveloppe die aanzienlijk lager zal liggen dan de vooropgestelde enveloppe van Full Time Equivalents. Dit tekort kan opgelost worden door transfers van personeel tussen de krijgsmachtdelen. Door het verlies van de gemotoriseerde en goed beschermde capaciteit, inclusief nagenoeg alle gevechtssteun- als ondersteunende capaciteiten wegens het ontbreken van het nodige materieel, verdwijnt de landbijdrage aan de collectieve verdediging en beperkt het expeditionair karakter van de Landcomponent zich tot de Special Forces en de Paracommandocapaciteit. Het verlies van de goed beschermde gemotoriseerde capaciteit en het tekort aan gevechtssteun en de ondersteunende capaciteiten verhindert de inzet, de overleving en het voortzettingsvermogen van Landformaties in een vijandige omgeving. Bijgevolg kan de Landcomponent tegen de horizon 2030 op een totaal effectief van Full Time Equivalents, naast de capaciteit om EEN parachuteerbare gevechtsgroep van 810 militairen op zeer korte termijn (72 uur) voor een korte periode in te zetten, slechts EEN compagnie Paracommando doorlopend expeditionair inzetten. De Landcomponent komt het merendeel van zijn NATO en andere internationale verbintenissen niet na (geen risk noch burden sharing) en is niet meer in staat om nog steun aan de andere componenten te verzekeren: ontplooiing in buitenland, luchtverdediging, Explosive Ordnance Disposal, Chemische Biologische Radioactieve & Nucleaire bescherming, transport,... De Landcomponent is slechts beperkt inzetbaar voor nationale veiligheidstaken. De bestaande samenwerkingsinitiatieven in het kader van de NAVO, EU, BENELUX alsook de bilaterale samenwerkingsverbanden die voornamelijk zijn terug te vinden in het veelzijdige gamma aan land-based niche capaciteiten zullen uitdoven, tenzij voor de Special Forces. Slechts 25% van de NAVO capaciteitsobjectieven kunnen gerealiseerd worden. De Landcomponent wordt dus een irrelevante partner door gebrek aan performant materieel, een tekort aan training, het ontbreken van operationele ervaring en het gebrek aan investeringsmarge om zich in te schrijven in multinationale programma's

24 Besluit: in deze vormgeving beschikt de Landcomponent over totaal onvoldoende investeringsmiddelen wat leidt tot een zeer beperkte, expeditionaire kern met daarnaast een nietmobiele, niet operationele en slechts elementaire uitgeruste troepen, met dus een verhoogd veiligheidsrisico. De operationele dimensie - Air 22 In deze vormgeving behouden we in het luchtgevechtsdomein een zeer beperkte vloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat en niet het onderhouden van een trainingsprogramma dat alle aspecten van een volwaardige multidisciplinaire luchtverdediging afdekt. Er is een fundamenteel verschil tussen de kenmerken van luchtverdediging en luchtpolitie, waarbij dit laatste concept zich beperkt tot een inzet in vredestijd en uitsluitend boven bevriend grondgebied. De lage, vanaf het begin kritische, massa van platformen heeft bovendien geen absorptievermogen in geval van een verlies van vliegtuigen door onvoorziene omstandigheden. De numerieke beperking van deze vormgeving leidt, ab initio, onvermijdelijk tot het wegvallen van alle expeditionaire capaciteit, gelet op de permanente binnenlandse beveiligingsverplichting die de aanwezigheid van de grootste Europese en NAVO-instellingen voor ons land impliceert. De afwezigheid van een expeditionaire capaciteit zal een nadelig effect teweeg brengen door het verlies van een krachtige en heel zichtbare militaire capaciteit, die door de politieke beleidsmakers in het verleden op een flexibele wijze aangewend kon worden. Bijkomende zware politieke gevolgen van deze vormgeving vloeien voort uit de noodzaak tot stopzetting van de Belgische deelname aan de strategische ontrading, door het gebrek aan expeditionaire capaciteit. Alle hoger vermelde elementen in acht genomen, zou de implementatie van deze vormgeving niet alleen het einde betekenen van de Belgische luchtgevechtscapaciteit maar ook ronduit rampzalige gevolgen hebben voor onze internationale operationele en strategische output, het verlies van een krachtige en heel zichtbare militaire capaciteit die de beleidsmakers de voorbije 20 jaar permanent hebben aangewend om de Belgische buitenlandse politiek te ondersteunen, het hypothekeren van internationale samenwerkingsverbanden, de teloorgang van een jarenlange politiek belangrijke inbreng in de hoeksteen van de collectieve verdediging en bijgevolg voor onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid als volwaardige EU- en NAVO-partner. Daarnaast is de negatieve economische impact op de luchtvaartgebonden technologische en industriele activiteiten aanzienlijk. In deze vormgeving blijft de luchttransportcapaciteit en de helikoptercapaciteit behouden, rekening houdend met de opmerkingen uit het algemeen kader. 2 2 Zie bijlage L paragraaf 3.b. voor gedetailleerde beschrijving van alle impacten

25 De operationele dimensie - Marine 23 In deze vormgeving wordt Defensie gedwongen om te kiezen tussen het behoud van de fregatten- of de mijnenbestrijdingscapaciteit. Het is door onvoldoende budgettaire marge en personeel onmogelijk de drie kerncapaciteiten in stand te gehouden. Defensie opteert in dergelijk scenario, naast het voortzetten van de kustwacht, steeds voor het behouden van haar multifunctionele fregatten en wel om volgende redenen: - Het is een flexibele kerncapaciteit aangeboden aan de Regering, inzetbaar in gevechtsopdrachten, politionele operaties en in de diplomatieke rol, in elke fase van het conflict inzetbaar, ook voorafgaand aan een conflict, daar waar een mijnenbestrijdingsvaartuig vrijwel uitsluitend kan worden ingezet, meestal a posteriori, voor het opruimen van mijnen. Mijnenbestrijding is slechts een ondersteunende capaciteit. - Fregatten en hun opvolgers, de 'surface combatant', zijn door hun aanvaardbare investerings -en werkingskost gekoppeld aan een brede waaier aan inzetmogelijkheden een zeer kost-efficiente kerncapaciteit van defensie. - De 2 Belgische fregatten maken samen met 2 Nederlandse fregatten deel uit van een vierslag. Nederland rekent dus, ook in de toekomst, bij de samenstelling van een evenwichtige vloot op de 2 Belgische 'surface combatants'. - De fregattencapaciteit laat ons land toe om een gevoelig grotere bijdrage te leveren aan het veiligheidsbeleid via de NAVO en de EU dan met de mijnenbestrijding. - De overweging kan gemaakt worden, dat bij het behouden van de 'surface combattant' gevechtscapaciteit, er kan voorzien worden om een zeer gedeeltelijke (modulaire) capaciteit aan 'naval mine warfare' in te schepen (met onbemande systemen) op deze platformen, waardoor nog deels aan de vereisten van de NAVO en EU mijnenbestrijding (MCM)-prioriteit kan worden voldaan, hoofdzakelijk in de zelfbescherming. Een volwaardige organieke MCM capaciteit is dit zeker niet. Omgekeerd, met behoud van de MCM-capaciteit, kan niet meer aan de NAVO en EU prioriteiten voor de fregattencapaciteit worden voldaan. - De fregattencapaciteit vraagt zeer professionele competenties. Ze ligt daardoor mede aan de basis van de kwaliteit van onze mijnenbestrijding. Zonder deze competentieoverdracht is het door ontwikkelen van onze mijnenbestrijding niet mogelijk. Het verlies van de fregattencapaciteit betekent aldus op termijn ook het verlies van onze leidende rol in de mijnenbestrijding. Een gevechtscapaciteit zoals de fregatten is niet voorradig op de civiele markt. Dit is deels wel het geval voor de mijnenbestrijdingscapaciteit waarvoor een aantal civiele oplossingen, tegen betaling, aanwezig zijn 24. De beschreven vormgeving zal er in het maritieme domein dan als volgt uitzien. De Marine is nu al volledig ingericht rond interdepartementale en binationale partners in een minimale configuratie, waardoor een zekere wederzijdse afhankelijkheid gecreeerd is. Elke vermindering van de huidige maritieme kerncapaciteiten en hun ondersteuning leidt dus tot een onbalans, en de facto het beeindigen van samenwerking met onze strategische partners Zie bijlage M paragraaf 3 voor de gedetailleerde beschrijving van alle impacten BACTEC, IDPL en DRAFINSUB zijn slechts enkele internationale voorbeelden van civiele bedrijven die mijnenbestrijding en vernietiging van springtuigen op zee, in aanlooproutes en in havens verzorgen

26 We evolueren in deze vormgeving naar een defensie die in de maritieme dimensie enkel fregatten en een kustwacht overhoudt. Ons land zal hierdoor op het eerste zicht in staat blijven om haar veiligheidsbelangen op grote afstand langsheen onze handelsroutes en ook in haar nabije omgeving te beschermen. Maar de bescherming van de maritieme toegangen tot onze havens tegen reguliere zeemijnen of terroristische onderwaterdreiging is niet langer mogelijk. Deze vormgeving verstoort bovendien grondig een internationaal gerenommeerd voorbeeld van militaire samenwerking waardoor deze dreigt uiteindelijk spaak te lopen. Bovendien verdwijnt de expertise van het in Belgie gesitueerde 'Mine Warfare Centre of excellence'. Op personeelsvlak zakt het krijgsmachtdeel onder haar kritieke drempel. Daarnaast is de negatieve economische impact op de maritieme - technologische activiteiten aanzienlijk. De operationele dimensie - Cyberspace De Cybercapaciteit bestaat enerzijds uit Cyber Security die zorgt voor de bescherming van de militaire netwerken en wapensystemen, met malware analyse als expertise domein bijdrage binnen de nationale cyber strategie. Binnen het huidig wettelijk kader wordt binnen de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (ADIV) deze capaciteit ontwikkeld. In deze vormgeving wordt de Cyber Security binnen de nationale Cyber Strategie gegarandeerd. Een ander aspect van de Cybercapaciteit is de Cyber-gevechtscapaciteit. Deze capaciteit kan autonoom worden tewerkgesteld of in steun aan de operaties van de verschillende componenten en bestaat uit een defensieve, een inlichtingen en een offensieve pijler. De defensieve pijler is gericht op het beschermen van de eigen netwerken en wapensystemen in het theater. De offensieve pijler is gericht op het aanvallen van infrastructuren en wapensystemen van mogelijke tegenstanders. De offensieve en defensieve pijlers doen een beroep op de inlichtingenpijler voor kennis en inlichtingen over de vijandige infrastructuren, netwerken en wapensystemen. Binnen het budgettair scenario van 2,15 miljard is het onmogelijk om de Cyber gevechtscapaciteit te ontwikkelen. Alhoewel er in deze vormgeving met FTE in principe voldoende potentieel zou moeten zijn aan personeel, is de relevantie hiervan nihil aangezien er geen budgettaire ruimte is en Defensie zo goed als niet expeditionair inzetbaar is. In elke expeditionaire operatie zijn de netwerken en wapensystemen van Defensie dus niet beschermd. De steun inlichtingen en veiligheid De Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (ADIV) is binnen zijn wettelijk kader enerzijds verantwoordelijk voor de ondersteuning van de nationale en militaire beslissingsprocessen en anderzijds voor de steun aan de militaire operaties. Hiervoor beschikt ze over haar eigen middelen en, binnen een virtuele inlichtingenomgeving, de opsporings- en analyse middelen die bij de andere delen van Defensie beschikbaar zijn. Hiermee verzekert ze, in samenwerking met de veiligheid van de staat, de noodzakelijke inlichtingensteun aan de regering en levert ze de nodige steun aan de inzetbare capaciteiten van Defensie. In deze vormgeving wordt de ADIV toch verder gemoderniseerd door een verhoging naar ongeveer 760 functies en een jaarlijks investeringsbudget van gemiddeld 3 Mio euro. Deze investeringen zijn onontbeerlijk voor de modernisering van de satelliet capaciteit, de verdere operationalisering van de

27 Open sources intelligence (OSINT) en de analyse capaciteiten, de uitbouw van de Signal intelligence (SIGINT) capaciteit en de modernisering van het informatie management. De optimalisering van de ADIV wordt verder gerealiseerd door enerzijds de uitdieping van de samenwerking met de Veiligheid van de Staat - Securite de l'etat (VSSE) en de andere nationale veiligheidsactoren en anderzijds de ontwikkeling van structurele relaties met internationale partners. Hiervoor werden verschillende samenwerkingsvormen reeds geidentificeerd. De inlichtingen- en veiligheid capaciteit in steun aan operaties bestaat uit elementen van de ADIV en de inlichtingen- en veiligheidsactoren binnen de verschillende componenten zoals het ISTAR bataljon 25 en het Unmanned Aerial Vehicle Squadron. De vormingscapaciteit in het domein inlichtingen en veiligheid voor deze gemeenschap bevindt zich in de Inlichtingen en Veiligheid School (IVS), waarvan de Belgian Intelligence Academy (BIA) deel uit maakt. De ISTAR capaciteit draagt bij tot de invulling van een NAVO Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (JISR) niche capaciteit en kan een bijdrage leveren tot het toekomstig NAVO Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) concept. Ze dient dan uitgerust te worden met een moderne sensormix (ground Recce, Human Intelligence (HUMINT), Unmanned Aerial Systems (UAS) en SIGINT) om de ambitieniveaus van de verschillende componenten te ondersteunen. Bovendien kan deze capaciteit binnen een structureel partnerschap met onze strategische partnerlanden evolueren naar een geintegreerde capaciteit. De ADIV kan binnen deze vormgeving de organisatie van de inlichtingen- en veiligheidssteun aan operaties niet meer garanderen. Er is geen budgettaire ruimte om de ontplooibare capaciteiten te moderniseren. Deze capaciteit, inclusief vorming, wordt gereduceerd tot ongeveer 600 functies. De componenten beschouwen binnen hun investeringsbehoeften de modernisering van de sensoren niet als prioritair. Enkel de minimale inlichtingen- en veiligheidscapaciteit wordt binnen de verschillende componenten behouden en de Electronic Warfare (EW)-capaciteit in ondersteuning van de verschillende wapensystemen kan worden gegarandeerd. In deze vormgeving blijft de ISTAR een niet gemoderniseerde capaciteit waarin enkel de HUMINT operationeel is. Het PANDUR verkenningsvoertuig wordt niet gemoderniseerd en de slagveldbewaking wordt afgestoten. Het verder zetten van de bestaande UAV expertise en capaciteit via deelname aan internationale projecten is niet meer mogelijk buiten de verwerving van zeer beperkte (korte dracht hand-launch) mini UAS toestellen. Een moderne sensormix in het kader van het toekomstig NAVO VJTF 26 concept is niet mogelijk. In het domein van de inlichtingen riskeert de Belgische Defensie haar positie als betrouwbare partner te verliezen en de opportuniteit te verliezen om in het kader van een NAVO VJTF een gei'ntegreerde BENELUX ISTAR capaciteit aan te bieden ISTAR: Intelligence, Surveillance, Target acquisition and reconnaissance VJTF : Very High Readiness Joint Task Force

28 De operationele medische steun De medische steun voor landoperaties Het expeditionair karakter van de Landcomponent beperkt zich tot een parachuteerbare gevechtscapaciteit. De medische steun in dit scenario dient met licht en compact materieel uitgerust te zijn opdat het medisch personeel de te steunen troepen met dezelfde transportmiddelen en binnen dezelfde inzettermijnen als die van de te steunen troepen met performante, maar beperkte (in gewicht en volume) middelen, kan volgen. De medische steun voor deze parachuteerbare gevechtscapaciteit bestaat uit een lichte Role 1 met aangepaste evacuatiemiddelen per compagnie en enkele bijkomende lichte medische middelen indien er met een Forward Mounting Base (=FMB) gewerkt wordt in het kader van een NEO of aanverwante operatie. Aangezien men in het inzetscenario, waarbij we de een parachuteerbare capaciteit gebruiken in een evacuatie -en beschermingsoperatie, er van uit kan gaan dat de evacuatietermijnen naar Belgie vrij lang kunnen worden en men in een vijandige omgeving ingezet kan worden, wordt hier een lichte chirurgische capaciteit (Forward Surgical Element = FSE) voorzien om de patienten chirurgisch te kunnen stabiliseren voorafgaande aan hun tactische/strategische evacuatie. Voor dit scenario wordt eveneens een beperkt verbindingselement voorzien dat de coordinate van de inzet van de medische middelen verzekert alsook optreedt als medisch raadgever voor het commando. Voor de medische steun t.v.v. de Special Forces (SF) bestaat de medische steun uit lichte middelen die zeer snel kunnen ingezet worden om in de voor SF specifieke omstandigheden te kunnen functioneren. Zowel materieel als personeel dienen aan deze bijzondere inzetmodus aangepast te zijn. De inzet van medische middelen omvat niet enkel de eerstelijnshulpverlening, maar voorziet eveneens zeer lichte chirurgische middelen (FSE). De medische steun voor luchtoperaties In deze vormgeving behoudt de Luchtcomponent een beperkte vloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat. Door het behoud van een beperkte luchtvloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat en er geen expeditionaire vloot beschikbaar is, wordt de medische steun ten voordele van de luchtcomponent beperkt tot de ondersteuning van luchttransport en een territoriaal element dat op elke luchtmachtbasis gelokaliseerd wordt. De medische steun voor marine operaties In deze vormgeving behoudt de Marinecomponent enkel de fregatcapaciteit. De medische steun wordt volledig geent op de modus operandi van de Belgische fregatten waarbij de minimale medische steun steeds uit een eerstelijnshulpverlening aan boord bestaat. Aangezien de evacuatietermijnen in volle zee de operationele timelines ruim overschrijden, dient in sommige omstandigheden de eerstelijnshulpverlening aangevuld te worden met een lichte chirurgische capaciteit (Forward Surgical Element)

29 Deelbesluit De budgettaire enveloppe in deze vormgeving geeft onvoldoende ruimte om in de vier operationele dimensies een relevante capaciteit aan te bieden. De landcomponent kan enkel nog een zeer beperkt aantal en licht beschermde troepen doorlopend expeditionair inzetten. De dimensie Air verliest haar actueel frequent ingezette expeditionaire gevechtscapaciteit. De Marine is verplicht haar expertise in het domein van de mijnenbestrijding op te geven. In het cyberdomein is het niet mogelijk om een offensieve capaciteit te ontwikkelen. Defensie is dus niet langer een geloofwaardige partner binnen de bestaande samenwerkingsverbanden

30 Tweede vormgeving: een Defensie van met structureel 2,15 Mia met beperkte expeditionaire luchtgevechtscapaciteit Om meer financiele ruimte te vinden rest er slechts de keuze om verder te dalen in de uitgaven voor het personeel. Hierdoor groeit de vrijgemaakte ruimte voor investeringen tot 3,38 miljard euro. Om dit te bereiken is een reductie in het personeel tussen 2015 en 2030 vereist van personeelsleden wat bijna de helft (43%) van het personeelsbestand van Defensie vertegenwoordigt. Grnfiek Mia 2019-> 2030 Budgettair traject (in constante20l5) Investeringsmarge voor de grote programma's: 3,38 Grote lnv>2015 Infra + Kleine Inv Mat ^ Schuld Werking Werking (outsourcing) Personeel (activiteit gebonden) Personeel - - Notificatie Okt2014 +Prov (100 Mio ) Notificatie Okt Bg prognose >2019 Teneinde toch minstens in een vormgeving een expeditionaire luchtgevechtscapaciteit te bewaren wordt 2,8 miljard hierin geinvesteerd. Binnen deze beperkte budgettaire ruimte zijn de volgende opties onderzocht - de marine wordt beperkt tot een kustwachtcapaciteit. De Marine houdt dus in feite op te bestaan. - een enveloppe van 2,8 miljard te voorzien voor de luchtgevechtscapaciteit met een beperkt expeditionair karakter - de overblijvende 580 miljoen euro aanwenden om investeringen in het domein land te realiseren - in het cyberdomein kan Cyber Security worden gegarandeerd maar wordt de ontplooibare Cyber gevechtscapaciteit niet ontwikkeld wegens gebrek aan personeel en budgettaire ruimte

31

32 Indien pas vanaf 2020 een bijkomende instroom van personeel kan gerealiseerd worden, bestaat het gevaar dat de bestaande tekorten, ten gevolge van een zeer beperkte rekrutering in de periode , in die mate zijn opgelopen dat er een moeilijk te realiseren inhaalbeweging zal moeten gebeuren om de vooropgestelde doelstructuur te bereiken binnen een aanvaardbare termijn. Door het gebrek aan operationele inzet, trainingsmogelijkheden, materieel en toekomstperspectief is te verwachten dat een groeiend aantal personeelsleden Defensie zal verlaten. Door dit cumulatief effect zal de instroombehoefte sterk groeien en mogelijks het rekruteringspotentieel en de basisvormingscapaciteit van defensie overstijgen. Omwille van de beperkte rekrutering in de periode evolueert de Landcomponent vermoedelijk naar een personeelsenveloppe die mogelijks lager zal liggen dan de vooropgestelde enveloppe van Full Time Equivalents. De Landcomponent verliest ook in deze vormgeving de gemotoriseerde en goed beschermde capaciteit. Het expeditionair karakter van de Landcomponent beperkt zich tot de Special Forces, de Paracommandocapaciteit en een lichte infanterie capaciteit 27. De beperkte investeringsruimte en personeelsenveloppe volstaan eveneens niet voor het invullen en het uitrusten van de gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten. Het verlies van de goed beschermde gemotoriseerde capaciteit en het tekort aan gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten hypothekeert de inzet, de overleving en het voortzettingsvermogen van Landformaties in een vijandige omgeving. Met Full Time Equivalents kan de Landcomponent, naast de capaciteit om met EEN parachuteerbare gevechtsgroep van 810 militairen op zeer korte termijn (72 uur) voor een korte periode in te zetten, tegen de horizon 2030 nog slechts EEN compagnie Paracommando en EEN compagnie lichte Infanterie doorlopend expeditionair inzetten. De Landcomponent kan, in plaats van die doorlopende inzet van een compagnie lichte Infanterie, EENMALIG EEN lichte gevechtsgroep van 810 militairen inzetten op korte termijn (10 dagen) en voor een periode van maximaal 12 maanden. De Landcomponent komt het merendeel van zijn NAVO en andere internationale verbintenissen niet na (geen risk noch burden sharing) en is niet meer in staat om nog steun aan de andere componenten te verzekeren: ontplooiing in buitenland, de luchtverdediging, Explosive Ordonance Disposal, bescherming tegen CBRN gevaren en besmettingen, transport,... De grotere samenwerkingsinitiatieven in het kader van de NAVO, EU, BENELUX worden afgebouwd of toch sterk gereduceerd. Voornamelijk in NAVO verband, waar ook slechts 25% van de NAVO capaciteitsobjectieven kunnen gerealiseerd worden, zijn immers enkel lichte expeditionaire strijdkrachten zonder de noodzakelijk steunelementen geen gevraagde capaciteit en door het afkalven van onze niche capaciteiten worden we ook op dit vlak een irrelevante partner, met uitzondering van Special Forces en de Paracommandocapaciteit. Anderzijds, door het eigen tekort aan steuncapaciteiten, wordt de Landcomponent quasi volledig afhankelijk van internationale partners voor het verzekeren van die noodzakelijke steun en installatie bij expeditionaire inzet en zijn we dus in feite aangewezen op samenwerkingsverbanden in die niche capaciteiten. Gezien de Landcomponent echter weinig te bieden heeft en deze niche capaciteiten bovendien internationaal sterk bevraagd zijn, valt het sterk te betwijfelen of deze externe steun zal gegarandeerd worden. 27 Op te merken is het feit dat de al bestaande lichte infanteriecapaciteit (een bataljon) niet gevraagd wordt door de NAVO en als dusdanig niet in aanmerking komt voor de BEL bijdrage aan de Alliantie

33 Besluit: In deze vormgeving is de toegekende personeelsenveloppe te klein en laten de investeringsmiddelen niet toe om de goed beschermde, gemotoriseerde capaciteit en haar steun te behouden, waardoor zij verplicht wordt omgevormd tot een lichte capaciteit. De parachuteerbare capaciteit wordt beperkt in omvang en op het vlak van de steun. De operationele dimensie - Air 28 Deze vormgeving laat toe om een minimale expeditionaire capaciteit met vier gevechtsvliegtuigen onbeperkt te genereren en luchtpolitie te verzekeren met twee vliegtuigen. Het aantal gelijktijdige ontplooiingslocaties, ook gekend als Deployed Operating Bases (DOB's), wordt in deze vormgeving automatisch teruggeschroefd van twee naar een. Het huidige ambitieniveau laat toe om permanent tien vliegtuigen te ontplooien op twee DOB's en staat dus in scherp contrast met de beperkte opties die deze vormgeving toelaat. Sinds het oprichten van de NATO Response Force (NRF) in het begin van deze eeuw en tot op heden, hebben de Belgische F-16's ononderbroken met zes toestellen deelgenomen aan de stand by-rol voor deze snelle reactiemacht. In deze vormgeving zal de Belgische NRF-bijdrage met gevechtsvliegtuigen, die sinds 2004 stabiel is, sowieso met 33% afnemen. Dit impliceert dus het verlies van de politieke en operationele flexibiliteit om kort op de bal te spelen bij plots opduikende behoeften. Deze ingrijpende verlaging van de operationele output staat evenmin in verhouding tot de gerealiseerde budgettaire besparing. De lage massa van platformen genereert in geval van onvoorziene attritie gelijkaardige bezorgdheden als bij de overige vormgevingen, zij het minder uitgesproken. Ten slotte, resulteert deze vormgeving eveneens in het feitelijke einde van de Belgische deelname aan de strategische ontradingscapaciteit. Samenvattend kan gesteld worden dat de notie Dual Capable" de facto gereduceerd wordt naar Single Capable" in de optiek dat met dit aantal toestellen de combinatie van een conventionele met een niet-conventionele paraatheid en ontplooiing niet langer mogelijk, noch geloofwaardig is. Alle elementen in acht genomen, zou de implementatie van deze vormgeving ingrijpende gevolgen hebben voor onze internationale operationele en strategische output en bijgevolg voor onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid als volwaardige EU- en NAVO-partner. In deze vormgeving blijft de luchttransportcapaciteit en de helikoptercapaciteit behouden, rekening houdend met de opmerkingen uit het algemeen kader. De operationele dimensie - Marine 29 De Marine is nu al volledig ingericht rond interdepartementale en binationale partners in een minimale configuratie, waardoor een grote afhankelijkheid gecreeerd is. Elke vermindering van de maritieme kerncapaciteiten en hun ondersteuning leidt dus tot een onbalans, het beeindigen van samenwerking en plaatst een serieuze wissel op de leefbaarheid van onze marine. 28 Zie bijlage L paragraaf 3.c. voor gedetailleerde beschrijving van alle impacten. 29 Zie bijlage M paragraaf 4 voor de gedetailleerde beschrijving van alle impacten

34 We evolueren in deze vormgeving naar een defensie die in de maritieme dimensie enkel een kustwacht overhoudt. Ons land zal niet meer in staat zijn om haar veiligheidsbelangen waar dan ook te beschermen. Een marine met enkel een beperkte kustwachtcapaciteit kan niet zelfstandig functioneren en dus is een overdracht van de kustwachtmiddelen naar een andere Federale Overheidsdienst of naar de Vlaamse overheid de enige realistische oplossing. In deze vormgeving kan de marine dus niet overleven en verdwijnt ze beter uit de waaier aan capaciteiten van defensie. De operationele dimensie - Cyberspace De Cyber Security wordt door de ADIV in deze vormgeving, naar analogie van de eerste vormgeving, binnen de nationale Cyber Strategie gegarandeerd De Cyber gevechtscapaciteit kan niet ontwikkeld worden wegens gebrek aan personeel en budgettaire ruimte. In elke expeditionaire operatie zijn de netwerken en wapensystemen van Defensie dus niet beschermd. De steun inlichtingen en veiligheid Naar analogie met de eerste vormgeving kan ADIV in deze tweede vormgeving, in samenwerking met de Veiligheid van de Staat de nodige inlichtingensteun aan de regering blijven leveren. Net zoals in de eerste vormgeving, kan de inlichtingen steun aan operaties niet worden gegarandeerd. Alhoewel er in deze vormgeving budgettaire ruimte is om de ISTAR capaciteit slechts beperkt te moderniseren, is een moderne sensormix (Ground Recce, HUMINT, UAS, SIGINT, UGS) in het kader van het toekomstig NAVO VJTF concept niet mogelijk. Het PANDUR verkenningsvoertuig wordt niet vervangen of krijgt geen mid life extension update vanaf Investeringen in moderne nieuwe sensoren zijn niet voorzien. Het verder zetten van de bestaande UAV expertise en capaciteit via deelname aan internationale projecten is niet meer mogelijk buiten de verwerving van zeer beperkte (korte dracht hand-launch) mini UAS toestellen. In het domein van de inlichtingensteun aan operaties riskeert de Belgische Defensie haar positie als betrouwbare partner te verliezen en de opportuniteit te verliezen om in het kader van een NAVO VJTF een ISTAR capaciteit aan te bieden. De operationele medische steun De medische steun voor landoperaties Het expeditionair karakter van de Landcomponent beperkt zich tot de Special Forces, de Paracommandocapaciteit en een lichte infanterie capaciteit. De medische steun in dit scenario dient met licht en compact materieel uitgerust te zijn opdat het medisch personeel met dezelfde transportmiddelen en binnen dezelfde inzettermijnen als die van de te steunen troepen met performante, maar beperkte middelen, kan volgen. De medische steun voor deze parachuteerbare gevechtscapaciteit bestaat uit een lichte Role 1 met aangepaste evacuatiemiddelen per compagnie en enkele bijkomende lichte medische middelen

35 indien er met een Forward Mounting Base (=FMB) gewerkt wordt in het kader van een NEO of aanverwante operatie. Aangezien men in het inzetscenario, waarbij we de een parachuteerbare capaciteit gebruiken in een evacuatie -en beschermingsoperatie, er van uit kan gaan dat de evacuatietermijnen naar Belgie vrij lang kunnen worden en men in een vijandige omgeving ingezet kan worden, wordt hier een lichte chirurgische capaciteit (Forward Surgical Element = FSE) voorzien om de patienten chirurgisch te kunnen stabiliseren voorafgaande aan hun tactische/strategische evacuatie. Voor dit scenario wordt eveneens een beperkt verbindingselement voorzien dat de coordinate van de inzet van de medische middelen verzekert alsook optreedt als medisch raadgever voor het Comdo. Voor de medische steun t.v.v. de Special Forces (SF) bestaat de medische steun uit lichte middelen die zeer snel kunnen ingezet worden om in de voor SF specifieke omstandigheden te kunnen functioneren. Zowel materieel als personeel dienen aan deze bijzondere inzetmodus aangepast te zijn. De inzet van medische middelen omvat niet enkel de eerstelijnshulpverlening, maar voorziet eveneens zeer lichte chirurgische middelen (FSE). De lichte battle group wordt gesteund met middelen die een gelijke bescherming bieden als deze die de te steunen troepen gebruiken (vooral voertuigen). De eerstelijnshulpverlening wordt in tweevoud voorzien om in een scenario van vuur en beweging de vereiste medische steun te kunnen verlenen. De medische steun voor luchtoperaties Deze vormgeving laat een minimale expeditionaire capaciteit van de Luchtcomponent toe. Naast de luchtmachtbasissen op het nationale grondgebied kan EEN Deployed Operating Base ontplooid worden. Naast de nodige medische steun aan de luchttransportcapaciteit en de territoriale middelen die noodzakelijkerwijze op elke luchtmachtbasis moeten ontplooid worden, dient een bijkomende Role 1 "Air" met grondevacuatiemiddelen voorzien te worden om de medische steun van het ontplooide detachement te waarborgen. De medische steun voor navyoperaties Aangezien er GEEN mijnenbestrijding NOCH surface combat capaciteit voorzien is voor de Marine, wordt de medische steun t.v.v. de Marine overbodig en niet langer voorzien. Deelbesluit Door de vermindering in de personeelsuitgaven (18.000) wordt de budgettaire ruimte vergroot. De daaruit volgende reducties in het personeel zijn voornamelijk voelbaar in de operationele dimensie 'Land'. Het wordt met de beperkte budgettaire middelen onmogelijk om de goed beschermde gemotoriseerde capaciteit en haar steun te behouden. Door de volledige afbouw van de Marine wordt het mede mogelijk een beperkte expeditionaire luchtgevechtscapaciteit te behouden en volstaat niet om verder deel te nemen aan de strategische ontrading. In het cyberdomein is het niet mogelijk om een offensieve capaciteit te ontwikkelen. Defensie is niet langer een geloofwaardige partner binnen de bestaande samenwerkingsverbanden

36 Derde vormgeving: een Defensie van met structureel 2,15 Mia met beperkte expeditionaire land- en marinegevechtscapaciteit Om meer financiele ruimte te vinden rest er slechts de keuze om te dalen in de uitgaven voor het personeel. Hierdoor groeit de vrijgemaakte ruimte voor investeringen tot 3,38 miljard euro. Om dit te bereiken is een reductie in het personeel tussen 2015 en 2030 vereist van personeelsleden wat bijna de helft (43%) van het personeelsbestand van Defensie vertegenwoordigt. Grafiek Binnen deze beperkte budgettaire ruimte is de enige optie die enigszins een balancering binnen de vier domeinen mogelijk maakt: - Land ontvangt een enveloppe van 1 miljard euro om zich uit te rusten. - een enveloppe van 780 miljoen euro aan de marine toe te kennen waardoor ze de multi- inzetbare fregatcapaciteit kan vervangen - een enveloppe van 1,6 miljard te voorzien voor de inplaatsstelling van een beperkte en niet expeditionaire luchtpolitiecapaciteit - in het cyberdomein kan Cyber Security worden gegarandeerd maar wordt de ontplooibare Cyber gevechtscapaciteit niet ontwikkeld wegens gebrek aan personeel en budgettaire ruimte

37

38 operationele inzet, trainingsmogelijkheden, materieel en toekomstperspectief is te verwachten dat een groeiend aantal personeelsleden Defensie zal verlaten. Door dit cumulatief effect zal de instroombehoefte sterk groeien en mogelijks het rekruteringspotentieel en de basis vormingscapaciteit van defensie overstijgen. Omwille van de beperkte rekrutering in de periode evolueert de Landcomponent naar een personeelsenveloppe die mogelijks lager zal liggen dan de vooropgestelde enveloppe van Full Time Equivalents. Het expeditionair karakter van de Landcomponent is ook in dit scenario beperkt. Een coherente inzet van de gemotoriseerde capaciteit in een vijandige omgeving noodzaakt een aangepaste dimensionering van de gevechtssteun en de ondersteunende capaciteiten. Binnen de gegeven personeelsenveloppe is dit slechts mogelijk mits het halveren van de gemotoriseerde en het halveren de parachuteerbare capaciteit en dan nog stelt zich binnen het gegeven budget een probleem om de gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten volledig uit te rusten. De permanent beschikbare snelle en lichte interventiecapaciteit wordt herleid tot slechts EEN compagnie in plaats van EEN bataljon. Dit houdt een beperking in van de politieke keuzemogelijkheden en de nationale soevereiniteit (strategische reserve). Met Full Time Equivalents kan de Landcomponent tegen de horizon 2030 nog slechts EEN compagnie Paracommando gedurende 12 maanden en EEN interwapencompagnie op basis van gemotoriseerde Infanterie doorlopend expeditionair inzetten. De Landcomponent kan, in plaats van die doorlopende inzet van een interwapencompagnie, EENMALIG EEN kleine gemotoriseerde gevechtsgroep van 810 militairen inzetten op korte termijn (10 dagen) en voor een periode van maximaal 12 maanden. Meer dan 50% van de NATO capaciteitsobjectieven kan niet ingevuld worden daar het beschikbare volume aan expeditionaire en gemotoriseerde troepen te beperkt is. De bestaande multinationale en bilaterale samenwerkingsinitiatieven, die voornamelijk zijn terug te vinden in de land-based niche capaciteiten, worden verdergezet. Ze dalen echter in volume en kwaliteit omdat de werkingsbudgetten niet mee evolueren, wat op zijn beurt een weerslag heeft op de internationale samenwerking (te kleine partner). Voor expeditionaire inzet is er nochtans nood aan internationale partners om de Landcomponent Joint support te garanderen. Verder wordt een snelle interventie (Rapid Reaction Operations) onmogelijk op basis van louter nationale middelen. Of deze externe steun te allen tijde gegarandeerd is, valt echter sterk te betwijfelen (risk en burden sharing). Besluit: In deze vormgeving is de toegekende personeelsenveloppe te klein en leidt de uitbouw van een gehalveerde gemotoriseerde capaciteit tot een beperking van de strategische reserve door een verdere inkrimping van de parachuteerbare capaciteit. De operationele dimensie - Air 30 In deze vormgeving behouden we in het luchtgevechtsdomein een zeer beperkte vloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat en niet het onderhouden van een trainingsprogramma dat alle aspecten van een volwaardige multidisciplinaire luchtverdediging afdekt. Er is een fundamenteel verschil tussen de kenmerken van luchtverdediging en luchtpolitie, waarbij dit laatste concept zich beperkt tot een inzet in vredestijd en uitsluitend boven bevriend grondgebied. De lage, vanaf het 30 Zie bijlage L paragraaf 3.b. voor gedetailleerde beschrijving van alle impacten

39 begin kritische, massa van platformen heeft bovendien geen absorptievermogen in geval van een verlies van vliegtuigen door onvoorziene omstandigheden. De numerieke beperking van deze vormgeving leidt, ab initio, onvermijdelijk tot het wegvallen van alle expeditionaire capaciteit, gelet op de permanente binnenlandse beveiligingsverplichting die de aanwezigheid van de grootste Europese en NAVO-instellingen voor ons land impliceert. De afwezigheid van een expeditionaire capaciteit zal een nadelig effect teweeg brengen door het verlies van een krachtige en heel zichtbare militaire capaciteit, die door de politieke beleidsmakers in het verleden op een flexibele wijze aangewend kon worden. Bijkomende zware politieke gevolgen van deze vormgeving vloeien voort uit de noodzaak tot stopzetting van de Belgische deelname aan de strategische ontrading, door het gebrek aan expeditionaire capaciteit. Alle hoger vermelde elementen in acht genomen, zou de implementatie van deze vormgeving niet alleen het einde betekenen van de Belgische luchtgevechtscapaciteit maar ook ronduit rampzalige gevolgen hebben voor onze internationale operationele en strategische output, het verlies van een krachtige en heel zichtbare militaire capaciteit die de beleidsmakers de voorbije 20 jaar permanent hebben aangewend om de Belgische buitenlandse politiek te ondersteunen, het hypothekeren van internationale samenwerkingsverbanden, de teloorgang van een jarenlange politiek belangrijke inbreng in de hoeksteen van de collectieve verdediging en bijgevolg voor onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid als volwaardige EU- en NAVO-partner. Daarnaast is de negatieve economische impact op de luchtvaartgebonden technologische en industriele activiteiten aanzienlijk. In deze vormgeving blijft de luchttransportcapaciteit en de helikoptercapaciteit behouden, rekening houdend met de opmerkingen uit het algemeen kader. De operationele dimensie - Marine 31 In deze vormgeving wordt Defensie gedwongen te kiezen tussen het behoud van de fregatten- of de mijnenbestrijdingscapaciteit. Het is door onvoldoende budgettaire marge en personeel onmogelijk de drie kerncapaciteiten in stand te gehouden. Defensie opteert in dergelijk scenario, naast het voortzetten van de kustwacht, steeds voor het behouden van haar multifunctionele fregatten en wel om volgende redenen: - Het is een flexibele kerncapaciteit aangeboden aan de Regering, inzetbaar in gevechtsopdrachten, politionele operaties en in de diplomatieke rol, in elke fase van het conflict inzetbaar, ook voorafgaand aan een conflict, daar waar een mijnenbestrijdingsvaartuig vrijwel uitsluitend kan worden ingezet, meestal a posteriori, voor het opruimen van mijnen. Mijnenbestrijding is slechts een ondersteunende capaciteit. - Fregatten en hun opvolgers, de 'surface combatant', zijn door hun aanvaardbare investerings -en werkingskost gekoppeld aan een brede waaier aan inzetmogelijkheden een zeer kostefficiente kerncapaciteit van defensie. - De 2 Belgische fregatten maken samen met 2 Nederlandse fregatten deel uit van een vierslag. Nederland rekent dus, ook in de toekomst, bij de samenstelling van een evenwichtige vloot op de 2 Belgische 'surface combatants'. 31 Zie bijlage M paragraaf 3 voor de gedetailleerde beschrijving van alle impacten

40 - De fregattencapaciteit laat ons land toe om een gevoelig grotere bijdrage te leveren aan het veiligheidsbeleid via de NAVO en de EU dan met de mijnenbestrijding. - De overweging kan gemaakt worden, dat bij het behouden van de 'surface combattant' gevechtscapaciteit, er kan voorzien worden om een zeer gedeeltelijke (modulaire) capaciteit aan 'naval mine warfare' in te schepen (met onbemande systemen) op deze platformen, waardoor nog deels aan de vereisten van de NAVO en EU mijnenbestrijding (MCM)-prioriteit kan worden voldaan, hoofdzakelijk in de zelfbescherming. Een volwaardige organieke MCM capaciteit is dit zeker niet. Omgekeerd, met behoud van de MCM-capaciteit, kan niet meer aan de NAVO en EU prioriteiten voor de fregattencapaciteit worden voldaan. - De fregattencapaciteit vraagt zeer professionele competenties. Ze ligt daardoor mede aan de basis van de kwaliteit van onze mijnenbestrijding. Zonder deze competentieoverdracht is het doorontwikkelen van onze mijnenbestrijding niet mogelijk. Het verlies van de fregattencapaciteit betekent aldus op termijn ook het verlies van onze leidende rol in de mijnenbestrijding. Een gevechtscapaciteit zoals de fregatten is niet voorradig op de civiele markt. Dit is deels wel het geval voor de mijnenbestrijdingscapaciteit waarvoor een aantal civiele oplossingen, tegen betaling, aanwezig zijn 32. De beschreven vormgeving zal er in het maritieme domein dan als volgt uitzien. De Marine is nu al volledig ingericht rond interdepartementale en binationale partners in een minimale configuratie, waardoor een zekere wederzijdse afhankelijkheid gecreeerd is. Elke vermindering van de huidige maritieme kerncapaciteiten en hun ondersteuning leidt dus tot een onbalans, en de facto het beeindigen van samenwerking met onze strategische partners. We evolueren in deze vormgeving naar een defensie die in de maritieme dimensie enkel fregatten en een kustwacht overhoudt. Ons land zal hierdoor op het eerste zicht in staat blijven om haar veiligheidsbelangen op grote afstand langsheen onze handelsroutes en ook in haar nabije omgeving te beschermen. Maar de bescherming van de maritieme toegangen tot onze havens tegen reguliere zeemijnen of terroristische onderwaterdreiging is niet langer mogelijk. Deze vormgeving verstoort bovendien grondig een internationaal gerenommeerd voorbeeld van militaire samenwerking waardoor deze dreigt uiteindelijk spaak te lopen. Bovendien verdwijnt de expertise van het in Belgie gesitueerde 'Mine Warfare Centre of excellence'. Op personeelsvlak zakt het krijgsmachtdeel onder haar kritieke drempel. Daarnaast is de negatieve economische impact op de maritieme - technologische activiteiten aanzienlijk. De operationele dimensie - Cyberspace De Cyber Security wordt door de ADIV in deze vormgeving, naar analogie van de eerste en de tweede vormgeving, binnen de nationale Cyber Strategie gegarandeerd. De Cyber gevechtscapaciteit kan eveneens niet ontwikkeld worden wegens gebrek aan personeel en budgettaire ruimte. In elke expeditionaire operatie zijn de netwerken en wapensystemen van Defensie niet beschermd. BACTEC, IDPL en DRAFINSUB zijn slechts enkele internationale voorbeelden van civiele bedrijven die mijnenbestrijding en vernietiging van springtuigen op zee, in aanlooproutes en in havens verzorgen

41 De steun inlichtingen en veiligheid Naar analogie met de eerste en de tweede vormgeving kan ADIV in deze vormgeving, in samenwerking met de Veiligheid van de Staat de nodige inlichtingensteun aan de regering blijven leveren. In deze vormgeving kan de inlichtingen steun aan operaties enkel worden gegarandeerd indien de nodige investeringsprioriteiten worden bepaald voor de verwerving van een moderne sensormix (Ground Recce, HUMINT, UAS, SIGINT, UGS). De PANDUR ondergaat een Mid Life Update en kan gebruikt worden tot 2030, de slagveldbewaking kan vervangen worden, en een beperkt aantal Unmanned Aerial Systems kunnen aangeschaft worden. Een investering is echter slechts mogelijk vanaf 2020 hetgeen impliceert dat de opportuniteit om in het kader van een NAVO VJTF een ISTAR capaciteit aan te bieden een groot risico loopt om verloren te gaan. De operationele medische steun De medische steun voor landoperaties Het expeditionair karakter van de Landcomponent bestaat uit een beperkte parachuteerbare gevechtscapaciteit en een gemotoriseerde gevechtscapaciteit. De medische steun in dit scenario dient met licht en compact materieel uitgerust te zijn opdat het medisch personeel de te steunen troepen met dezelfde transportmiddelen en binnen dezelfde inzettermijnen als die van de te steunen troepen met performante, maar beperkte (in gewicht en volume) middelen, kan volgen. De medische steun voor deze parachuteerbare gevechtscapaciteit bestaat uit een lichte Role 1 met aangepaste evacuatiemiddelen per compagnie en enkele bijkomende lichte medische middelen indien er met een Forward Mounting Base (=FMB) gewerkt wordt in het kader van een NEO of aanverwante operatie. Aangezien men in het inzetscenario, waarbij we de een parachuteerbare capaciteit gebruiken in een evacuatie -en beschermingsoperatie, er van uit kan gaan dat de evacuatietermijnen naar Belgie vrij lang kunnen worden en men in een vijandige omgeving ingezet kan worden, wordt hier een lichte chirurgische capaciteit (Forward Surgical Element = FSE) voorzien om de patienten chirurgisch te kunnen stabiliseren voorafgaande aan hun tactische/strategische evacuatie. Voor dit scenario wordt eveneens een beperkt verbindingselement voorzien dat de coordinate van de inzet van de medische middelen verzekert alsook optreedt als medisch raadgever voor het Commando. Voor de medische steun t.v.v. de Special Forces (SF) bestaat de medische steun uit lichte middelen die zeer snel kunnen ingezet worden om in de voor SF specifieke omstandigheden te kunnen functioneren. Zowel materiaal als personeel dienen aan deze bijzondere inzetmodus aangepast te zijn. De inzet van medische middelen omvat niet enkel de eerstelijnshulpverlening, maar voorziet eveneens zeer lichte chirurgische middelen (FSE). De medische steun ten voordele van de gemotoriseerde gevechtscapaciteit bestaat uit meer performante middelen met dezelfde bescherming als deze van de te steunen troepen. Naast de eerstehulpverlening wordt een uitgebreide en zwaardere chirurgische capaciteit voorzien met

42 diagnostische ondersteuning en hospitaalcapaciteit. Deze worden in een Role 2 installatie gegroepeerd om over de nodige autonomie te beschikken en soeverein operaties te kunnen ondersteunen. De medische steun voor luchtoperaties In deze vormgeving behoudt de Luchtcomponent een beperkte vloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat. Door het behoud van een beperkte luchtvloot die enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toelaat en er geen expeditionaire vloot beschikbaar is, wordt de medische steun ten voordele van de luchtcomponent beperkt tot een aangepaste medische steun aan de luchttransportcapacteit en tot een territoriaal element dat op elke luchtmachtbasis gelokaliseerd wordt. De medische steun voor navyoperaties In deze vormgeving behoudt de Marinecomponent enkel de fregatcapaciteit. De medische steun wordt volledig geent op de modus operandi van de Belgische fregatten waarbij de minimale medische steun steeds uit een eerstelijnshulpverlening aan boord bestaat. Aangezien de evacuatietermijnen in volle zee de operationele timelines ruim overschrijden, dient in sommige omstandigheden de eerstelijnshulpverlening aangevuld te worden met een lichte chirurgische capaciteit (Forward Surgical Element). Deelbesluit Door de vermindering in de personeelsuitgaven (18.000) wordt de budgettaire ruimte vergroot. De daaruit volgende reducties in het personeel zijn voornamelijk voelbaar in de operationele dimensie 'Land'. Hoewel een substantiele investeringsruimte wordt toegekend aan de landcomponent, wordt door de belangrijke beperkingen in personeelsaantallen de mogelijkheid voor snelle reactie operaties afgebouwd door de sterke inkrimping van de parachuteerbare capaciteit. Tevens wordt de gemotoriseerde capaciteit slechts voor de helft uitgebouwd. De dimensie Air verliest haar actueel frequent ingezette expeditionaire gevechtscapaciteit. De Marine is verplicht haar expertise in het domein van de mijnenbestrijding op te geven. In het cyberdomein is het niet mogelijk om een offensieve capaciteit te ontwikkelen. Defensie is niet langer een geloofwaardige partner binnen de bestaande samenwerkingsverbanden. Bijkomende impact geldig voor de drie mogelijke vormgevingen met structureel 2,15 Mia Vorming In deze vormgevingen is het niet meer rendabel een eigen academische vorming te voorzien. De officieren worden integraal gerekruteerd op diploma en krijgen enkel een louter militaire vorming

43 binnen een volledig herdachte KMS. Hierbij verdwijnt eveneens de technologische ondersteuning aan Defensie. De onderofficieren met een technische functie worden eveneens op diploma geworven waardoor de technische vormingen in de Koninklijke School voor Onderofficieren (KSOO) kunnen worden afgestoten. De vorming van de onderofficieren zal zich ook concentreren op het militair luik waardoor deze taak kan worden overgenomen door de bestaande competentiecentra. Wat het gevolg van deze keuzes in praktijk zal zijn op de kwaliteit van de kaders, hun voortgezette vorming, alsook op de attractiviteit van Defensie is onbekend en vormt zeker een potentieel risico. Het overgangstraject Er wordt, voor de drie bovengenoemde vormgevingen, geopteerd om de transitie snel aan te vatten. In het domein van de capaciteiten kan een snelle transitie naar de nieuwe vormgeving bijkomende middelen vrijmaken door bijvoorbeeld snel een aantal werkingskosten te reduceren. Dit houdt natuurlijk in dat de realiseerbare ambitie ook in verhouding snel zal dalen. In het domein van het personeel wordt de prioriteit gelegd op de invulling van de inzetbare capaciteiten. Door een snelle overgang naar een nieuwe structuur in de beleids-, beheer- en ondersteunende entiteiten, zoals voorzien in het algemeen kader, wordt het mogelijk het personeel ook langer in de relevante gevechtscapaciteiten te behouden en de doorstroming naar de hogergenoemde entiteiten te beperken. De overtallen aan personeel, die in deze vormgevingen op korte termijn zullen ontstaan, worden, na reconversie, ingezet om een aantal ondersteunende activiteiten, waarvoor de budgettaire ruimte voor outsourcing nog niet voorhanden is, (blijvend) in te vullen. Het zal een moeilijke taak zijn personeelsleden die geen functie meer kunnen vervullen binnen Defensie op een aanvaarbare wijze te laten overgaan naar andere overheidsdiensten of de prive sector. Door de sterke inkrimping van het personeelsbestand zal ook het aantal militaire kwartieren in verhouding dalen met een directe sociale impact voor een groot aantal personeelsleden en een indirecte impact op de toekomstige werving in functie van de weerhouden geografische inplanting van Defensie. Hoewel we ook opteren voor een snelle inkrimping van de Defensiestaf wordt de gestructureerde en geordende aanpassing aan de nieuwe vormgeving voor deze kleinere staf een bijzondere uitdaging

44 Besluit vormgevingen met structureel 2,15 Mia Het is niet mogelijk om binnen een budget van 2,15 miljard binnen elk van de operationele dimensies Land, Lucht, Marine en Cyberspace een volwaardige gevechtscapaciteit te behouden en te ontwikkelen. In deze oplossing is het bijgevolg onmogelijk om een voldoende brede waaier aan defensiecapaciteiten aan te bieden aan de Regering om beleidskeuzes te maken inzake de bijdragen aan de nationale en internationale veiligheid. Belgie zal niet meer kunnen deelnemen aan de snelle reactiecapaciteiten van de NAVO (NATO Response Force, inclusief VJTF) en van de Europese Unie (European Union Battle Group) en zal op termijn binnen deze internationale organisaties irrelevant worden. Onze huidige partnerlanden vragen zich nu reeds af in hoeverre Belgie, gezien de belangrijke reducties in het budget, als een solidaire partner kan worden beschouwd in de gezamenlijke inspanning voor de opbouw van veiligheid en stabiliteit. Dit is nog meer van toepassing wanneer we nieuwe partners trachten te zoeken om mee samen te werken. Als men vermoedt dat de Belgische Defensie geen faire bijdrage kan leveren, kan men niet verwachten dat onze initiatieven tot samenwerking positief zullen worden beantwoord. Meer samenwerking om het rendement van de geinvesteerde middelen te vergroten en door binationale of multinationale oplossingen meer "bang for the buck" te genereren, wordt in dit budgettair scenario dus onmogelijk. De bijdrage die Defensie daarenboven levert aan de veiligheid binnen de nationale grenzen, op basis van de exclusiviteit van de militaire expertise of bij ontoereikende civiele middelen, wordt hier ook aangetast. De precieze impacten zullen een gevolg zijn van de uiteindelijke keuzes die worden gemaakt in een aantal niche domeinen. Dit budgettair traject leidt tot unilateralisme, de ondermijning van de Europese solidariteit en de geloofwaardigheid van het Belgisch lidmaatschap van de NAVO en uiteindelijk tot het verdwijnen van de Belgische Defensie

45 Deel II: Een Defensie gebouwd met een budget dat in ,36% van het Bruto Binnenlands Product bereikt Algemene beschrijving Indien Belgie als voortrekker van de Europese gedachte in het domein van Defensie een evenwaardige inspanning wenst te leveren moet het streven naar een gemiddelde inspanning binnen de Europese naties van de NAVO. Om dit gemiddelde te bepalen werd geen rekening gehouden met de twee nucleaire mogendheden binnen Europa waardoor het doel 1,36 % BBP wordt en niet 1,6% BBP. Om vanuit de hypothese van een 1,36% BBP de omvang van de budgettaire middelen die Defensie zelf kan uitgeven te berekenen, moeten enkele economische hypothesen worden gebruikt. Vooreerst werd, gebaseerd op de gegevens van het planningsbureau, de groei boven de inflatie op 1,5% geplaatst. Als inflatie werd tot en met ,6% als hypothese gebruikt en daarna 2%. Uit de budgetten die hieruit kunnen worden berekend, werden dan de pensioenen verwijderd. 33 Het objectief van 1,36% wordt bereikt in De stijging van het budget post 2019 naar dit objectief werd niet lineair genomen maar met een grotere stijging in de eerste jaren om over voldoende middelen te beschikken teneinde snel vereffeningen uit te voeren voor de vastleggingen die in de voorgaande jaren werden uitgevoerd. Dit moet daarnaast de marge vormen om te kunnen starten met de noodzakelijke outsourcing en de stijging van de werkingskosten gebonden aan de nieuwe hoogtechnologische wapensystemen te bekostigen. Grafiek 1,36% BBP (deze grafiek is een voorspelling waarin de effectieve, toekomstige pensioenuitgaven werden Budgettair traject (in c constante 2015) meegerekend maar niet afgebeeld) Grote lnv>2015 Infra + Kleine Inv Mat ^ Schuld Werking Werking (outsourcing) Personeel (activiteit gebonden) Personeel Notificatie Okt Prov (100 Mio ) Notificatie Okt Bg prognose >2019 Investeringsmarge voor de grote programma's: 12,14 Mia > Details hierover zijn hernomen in bijlage O

46

47 De eisen die Defensie zal moeten stellen aan zijn personeel liggen hoger en de verloning moet marktconform worden aangepast. Door deze verhoging bemachtigt Defensie een attractieve positie op de arbeidsmarkt die moet toelaten de nodige (technisch) gevormde personeelsleden aan te trekken en daarnaast ook het personeel dat voldoet aan de nodige mentale, fysische en medische normen om de inzetbare capaciteiten te bemannen. Om de capaciteiten op NAVO-norm te brengen wordt het trainingsniveau voor de militairen verhoogd, waardoor het budget voor activiteiten gebonden kosten moet worden opgetrokken. Gezien het hoogtechnologische karakter van de capaciteiten van Defensie, de bijkomende investeringen en de gevoelig verhoogde training, stijgt de werkingskost met 50%. Teneinde meer militairen in te zetten in de gevechtscapaciteiten worden bijkomende taken uitbesteed en worden de middelen voorzien voor de outsourcing dus verhoogd. Op die manier wordt in 2030 het budget van Defensie verdeeld over 32% personeelskost, 29% werking en outsourcing en 39% in investeringen. De operationele dimensie - Land Premisse De Rwandacommissie heeft aan de toenmalige Regering een nota opgedragen aangaande de algemene politiek inzake ' de Belgische deelname aan vredesoperaties' op te stellen (n Kamer 1394/& - 97/98, Brussel, 1998). Hierin zijn ondermeer volgende aspecten opgenomen: veiligheid van de eigen troepen en voldoende militaire capaciteit. Voortgaande op dit algemene principe van 'garanderen van de veiligheid van de troepen op het terrein', voorziet deze nota onder andere dat 'de maximale garantie van de veiligheid van de troepen op het terrein een fundamentele voorwaarde is voor de deelname aan een vredesondersteunende operatie, alsook zijn eventueel vervolg...'. Dit impliceert dat de materieelinvulling voor landwapensystemen steeds dient te beschikken over een hoge graad aan beschermingsniveau conform internationale (NAVO) standaarden. Waar voorgaande herstructureringen gewag maken van de 'transformatie van de Landcomponent' en voorzagen in uitrustingsprogramma's die aan deze voorwaarden voldoen, kunnen we stellen dat deze transformatie nooit beeindigd werd. Niet enkel de kwantiteit aan operationele gevechtsvoertuigen bleef in gebreke, maar bovendien werden door opeenvolgende besparingen telkenmale de hernieuwing van de noodzakelijke uitrusting voor de gevechtsondersteunende en ondersteuningscapaciteiten geschrapt. Inleiding Het personeel is het menselijk kapitaal van de Landcomponent en bepaalt het succes van de toekomstige Landoperaties. Tegelijkertijd zal modern, technologisch en kwalitatief hoogwaardig materieel, voldoende in kwantiteit en met een hoge beschikbaarheidsgraad, onmisbaar zijn om succesvol te opereren. Dit geldt zowel voor de persoonlijke uitrusting en individuele bewapening van

48 de soldaat, als voor de grote landwapensystemen, de 'gevechts'voertuigen, de commandovoerings- en informatiesystemen en de grote diversiteit aan ondersteunende en specifieke systemen. Het scenario 1,36% gaat uit van de hypothese dat de Landcomponent kan beschikken over Full Time Equivalents en een investeringsbudget van om en bij 2 Mia over een tijdsperiode van Enkel dit scenario laat de Landcomponent toe om de bepalingen van het Regeerakkoord te bereiken met coherente, intergeconnecteerde en internationaal verankerde capaciteiten, mits voldoende rekrutering. De Landcomponent kan opnieuw mee evolueren met haar omgeving en zo opnieuw een weliswaar kleine, maar werkelijk betrouwbare expeditionaire partner voor NATO, EU en BENELUX worden en een relevante bijdrage leveren aan de binnenlandse veiligheid beantwoordend aan de noden van vandaag en morgen. Wil de Belgische Landcomponent echter een werkelijk "equal share" van de "risks and burdens" op zich nemen en daarmee aantonen dat Belgie als een van de rijkste NATO-landen een collegiale bijdrage aan de gemeenschappelijke veiligheid wil leveren, dan volstaat het niet langer om enkel partieel te investeren in lichter materieel dat de deelname aan alle types operaties beperkt. Om daarentegen ook in voldoende mate bij te dragen en ook zelf actief deel te nemen aan de meest brede waaier aan operaties, dient enerzijds geinvesteerd te worden in hedendaagse Command & Control en anderzijds overwogen te worden om op termijn de gemotoriseerde capaciteit opnieuw om te vormen tot een internationaal verankerde en erkende gemechaniseerde capaciteit met een hogere mobiliteit, autonomie en reactiviteit. De Landcomponent van de toekomst wordt gekenmerkt door een zeer groot adaptief vermogen, in staat om op zeer korte reactietermijnen een zeer brede waaier aan 'interwapen' gevechtscapaciteiten te kunnen aanbieden. Dit vereist dat de component naast zeer goed getraind personeel, te allen tijde dient te kunnen beschikken over technologisch up-to-date kwalitatief hoogwaardig materieel. Hierbij dient de Landcomponent te kunnen inspelen op de evolutie van de technologische trends, dit zowel op het vlak van de technologische evoluties qua tactische mobiliteit, actieve en passieve bescherming, vuurkracht en geleide stand-off capaciteiten, misleiding en continue ontwikkeling op het vlak van communicatie, vetronics en interconnectiviteit. Om de Landcomponent in staat te stellen om enerzijds op deze technologische sneltrein op evolutieve wijze te kunnen inspelen en anderzijds het materieel luik aan investerings- en wederuitrustingsprogramma's budgettair betaalbaar te houden is de enige uitweg een fundamentele verdieping van internationale samenwerkingsverbanden met onze NAVO/EU strategische partners. De Belgische Landcomponent van de toekomst is geen stand-alone gevechtscapaciteit. De interoperabiliteit en de interconnectiviteit vormen de sleutel van toekomstige intergeallieerde landgevechtsformaties met onze strategische partners (NAVO, EU, BENELUX en bilateraal). Scenario 1,36% Op vlak van material resources, stelt de Landcomponent voor om te herinvesteren in een multidisciplinaire capaciteit samengesteld uit onmiddellijk inzetbare Paracommando en Special

49 Forces enerzijds en snel inzetbare gemotoriseerde capaciteiten anderzijds die op termijn kunnen evolueren naar mobielere en sterk beschermde, gemechaniseerde capaciteiten. De verdieping van de internationale samenwerking met onze strategische partners (het is niet noodzakelijk om alle capaciteiten te verbinden aan een partner) moet leiden tot een internationale verankering en integratie van de Landcomponent. Vanuit een material resources standpunt, dient de Landcomponent zich in te schrijven in internationale investeringsprogramma's. In functie van de keuze van de strategische partner kunnen de gevechtscapaciteiten opgebouwd worden rond een internationaal gezamenlijk platform. Deze doorgedreven vorm van integratie biedt de Belgische Landcomponent tal van voordelen op het vlak van de schaalvoordelen bij verwerving, het continu bijsturen van gezamenlijke technologische updates, het gebruik van gezamenlijk moderne trainingsfaciliteiten en verregaande synergiemogelijkheden door onder andere de organisatie van de vorming van de kaders en operatoren, de organisatie van gezamenlijke logistieke ondersteuning (zowel in het domein van stockage van wisselstukken, de distributie als het (evolutief) onderhoud), waarbij de Landcomponent de actueel kritische ondersteunende personeelsenveloppe drastisch kan beperken en zo het volume aan operationele output van interwapen gevechts- en gevechtsondersteunende formaties kan optimaliseren en maximaliseren. Om internationaal te kunnen deelnemen aan de meest brede waaier aan operaties en in de meest diverse omgevingen, stelt de Landcomponent in het domein van Command & Control voor om opnieuw te evolueren naar TWEE inzetbare, tactische en mobiele hoofdkwartieren, die zich in korte termijnen kunnen verplaatsen zonder onderbreking van commando. Deze hoofdkwartieren beschikken over een volledig gedigitaliseerde C4I (Command, Control, Communication, Computers & Intelligence), die in een bereik van minstens 50 km intergeconnecteerd zijn met alle platformen in het terrein. Zij beschikken over een passieve en actieve 4D bescherming, inclusief CYBER. Dit laat Belgie toe om in de toekomst nog steeds de leiding te nemen van een internationale, bijvoorbeeld Europese, Battle Group. Voor de gemotoriseerde, op termijn mogelijks evoluerend naar gemechaniseerde, capaciteit kiest de Landcomponent resoluut voor multinationaal, gezamenlijk verankerde platformen dat de nodige bescherming biedt aan troepen die in een zeer brede waaier aan operaties worden ingezet. Dergelijke platformen laten toe om in gezamenlijke operaties met de partnerlanden ingezet te worden in zowel Oostelijke als Zuidelijke richting tegen de meest diverse dreigingen waarbij een maximale samenwerking tot zelfs integratie mogelijk wordt. De lichte en Paracommandocapaciteiten worden uitgerust met lichte, beschermde aeromobiele platformen van het type RRV (Rapid Reaction Vehicle) en LTTV (Light Tactical Transport Vehicle). Daarnaast wordt deze capaciteit op middellange termijn aangevuld met GPS gestuurde parachutes voor materieeldroppingen en moderne luchttransportteerbare middelen in het domein van luchtverdediging en indirecte vuursteun met hoge precisie. Teneinde volledig interoperabel en intergeconnecteerd te zijn met de mobiele platformen en de commandoketen, wordt de individuele uitrusting van de soldaten getransformeerd volgens het reeds lopende BEST programma (Belgian Soldier Transformation), ofwel de "soldaat van de toekomst"

50 Dit scenario biedt ook als enige de mogelijkheid om de gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten gradueel opnieuw volledig coherent te dimensioneren en uit te rusten zodat zij in staat zijn om de gevechtseenheden in hun volledige training en inzet te ondersteunen. Dit is noodzakelijk om te kunnen deelnemen aan de operaties van vandaag en het hoofd te bieden aan de grote diversiteit aan dreigingen in het binnenland en buiten onze grenzen. In het domein van Information en Intelligence, kan de Intelligence Surveillance & Reconnaissance (ISR) capaciteit op korte termijn vervolledigd worden om ook Target Acquisition (TA) uit te voeren. Alle huidige systemen worden op termijn vervangen teneinde een datalink te kunnen realiseren met het C4I systeem en een onmiddellijk tactische uitbating van de verkregen gegevens te verzekeren. Verder wordt een aankoop voorgesteld van Unmanned Aerial Systems (UAS) en mini-uas in directe steun van de troepen in contact. Op de middellange ( ) termijn is een aanvulling van de tactische radarsystemen voor slagveldbewaking met Unattended Ground Sensors nodig en wordt deze capaciteit internationaal verankerd op een gemeenschappelijk platform ter vervanging van de PANDUR. In het domein Vuursteun stelt de Landcomponent voor om op middellange ( ) termijn de Ground Based Indirect Fire capaciteit volledig uit te breiden tot een volwaardig systeem. Voor een inzet mogelijk te maken in een zeer brede waaier aan operaties en de vereiste steun te kunnen leveren op een continue wijze aan de gemotoriseerde/gemechaniseerde troepen, wordt er overgegaan tot de aankoop van een mobiel en beschermd vuursysteem, met een lange dracht en een hoge precisie. Ook hier wordt resoluut voor een internationaal gezamenlijk platform gekozen. De vooruitgeschoven waarnemers worden uitgerust met een digitaal systeem die een automatisch vraag tot vuursteun kan initieren in het C4I systeem, joint vuursteun kan deconflicteren en integreren, en een voldoende nauwkeurigheid biedt voor de vereiste precisie. Op lange termijn wordt deze capaciteit eveneens uitgerust met een bijkomende actief detectiemiddel voor indirect vuur, kleine mortieren kalibers inclusief, ter beveiliging van de eigen commando posten en geintegreerd in het C4I/vuuraanvraag systeem. In het domein van de Mobiliteit wordt op korte termijn de aankoop voorgesteld van een mobiele Route Clearance Package waarmee in een Improvised Explosive Devices (IED) omgeving de belangrijke wegen kunnen worden veilig gesteld. Daarnaast wordt de Explosive Ordnance Disposal (EOD) en de geniecapaciteit uitgerust met de nodige robotten en detectiematerieel zodat zij zowel in operatie als in het binnenland op een veilige wijze hun taken kunnen uitvoeren. Op korte termijn wordt ook het obsolete werktuigen- en transportpark vervangen, inclusief een pakket lichtere expeditionaire (luchttransporteerbaar en/of parachuteerbaar) alternatieven. Op middellange termijn stelt de Landcomponent voor om de tactische brugslagcapaciteit en zware bulldozer -en graafcapaciteit te laten evolueren naar een internationaal gezamenlijk platform. In het domein van de Bescherming wordt de vervanging voorzien van het kantonnementsmaterieel dat Belgie in staat stelt om volledig expeditionair te zijn en dit ook over langere periodes vol te houden en te ondersteunen. De gespecialiseerde CBRN verdedigingscapaciteit wordt internationaal verankerd (BENELUX, DEU) en uitgerust conform de evolutie van de CBRN bedreiging en het internationaal terrorisme. De passieve bescherming van deze legeringsplaatsen wordt op de middellange termijn vervolledigd met actieve maatregelen (zoals CRAM). In dit domein en gelinkt aan de mobiliteit is tot

51 slot ook de aankoop van beschermde Transport (brandstof en munitie inclusief), Recovery en Evacuatie platformen noodzakelijk om de operaties ook buiten de beveiligde kantonnementen logistiek te kunnen ondersteunen. Om de Landcomponent toe te laten het vereiste trainingsniveau en operationele paraatstelling te verzekeren, evolueren de werkingsmiddelen (brandstof, munitie en evolutief onderhoud) voldoende mee. In dit scenario staan internationale verankering, polyvalentie en evolutie centraal. Een stabiele personeelsenveloppe van Full Time Equivalents laat toe om een relevante en coherente Landcomponent uit te bouwen die voldoet aan de in het regeerakkoord gestelde ambities, de internationale verwachtingen en aangegane verbintenissen. Een dergelijke Landcomponent biedt bovendien opnieuw perspectief en attractiviteit aan haar personeel, ook op de lange termijn. Indien pas vanaf 2020 een bijkomende instroom van personeel mag gerealiseerd worden, bestaat echter het gevaar dat de reeds bestaande tekorten, ten gevolge van een onvoldoende rekrutering in de periode , in die mate zijn opgelopen dat er een inhaalbeweging moet gebeuren om de vooropgestelde doelstructuur te bereiken binnen een aanvaardbare termijn. Deze bijkomende behoefte (inhaalbeweging) kan oplopen tot enkele honderden extra aan te werven militairen per jaar en dit exclusief voor de Landcomponent. Zonder de geschatte bijkomende aanwerving in de periode evolueert de Landcomponent vermoedelijk naar een personeelsenveloppe die lager kan liggen dan de vooropgestelde enveloppe van Full Time Equivalents. In dit scenario wordt de Landcomponent omgevormd tot een toekomstgerichte multidisciplinaire, robuuste expeditionaire capaciteit die in de meest brede waaier aan operaties inzetbaar en relevant is voor NATO, EU en BENELUX (daadwerkelijke burden & risk sharing). Alleen dit scenario laat toe de afspraken na te komen vooropgesteld in het regeerakkoord. Het ambitieniveau bestaat uit de inzet van enerzijds een Paracommando en Special Forces capaciteit in het kader van Immediate en Rapid Response Operations, NEO inclusief, in nationaal of multinationaal kader. Anderzijds is de inzet van een gemotoriseerde capaciteit, tot het niveau battlegroup, mogelijk in de meest brede waaier aan operaties. Door de coherente en state-of-the-art invulling blijft de Landcomponent in staat om de steun aan de andere Componenten en inzet in het kader van de uitvoering van nationale veiligheidstaken te garanderen. Een coherente - kwantitatieve en kwalitatieve - invulling van de gevechtssteun en ondersteunende capaciteiten garandeert een verhoogde autonomie en duur voor de inzet van de expeditionaire troepen. Alternatieve verwervingspistes in een internationaal partnerschap Internationale gezamenlijke verwervingsprogramma's behouden steeds het respect voor zowel nationale als Europese regelgeving met betrekking tot overheidsopdrachten. Dergelijke verwervingstrajecten sluiten echter niet uit dat voor de Land wapensystemen steeds alle mogelijke kanalen kunnen onderzocht worden, gaande van klassieke aankopen van nieuw materieel, over de aanschaffing van tweedhandsuitrusting, de huur van uitrusting en installaties (bijvoorbeeld voor tijdelijke compounds), tot het leasen van materieel waardoor een snellere vervanging en technologische opvolging in de tijd kan gegarandeerd worden zonder grote, punctuele investeringen

52 De overbruggingsperiode In alle scenario's is echter ook de overbruggingsperiode essentieel om onomkeerbare gevolgen te vermijden. Bovendien voorzag deze periode in het opstarten van "Life extension Programs" voor de operationele platformen van de mediane en gemotoriseerde capaciteit (PIRANHA, DINGO, PANDUR, LYNX). De zware besparingsmaatregelen opgelegd aan Defensie door toepassing van de begrotingsnotificatie van oktober 2014 impliceren onder meer ook drastische besparingen op de werkingsmiddelen voor het onderhoud van de wapensystemen 'land', de munitie en de brandstof voor landsystemen. Geen investeringsmarge in combinatie met een te sterk gereduceerde budgettaire massa aan werkingsmiddelen leiden tot een structurele beperking van het onderhoud en een drastische beperking op de trainingsmogelijkheden voor de Landcomponent. In deze kritieke periode is er zo goed als geen budgettaire ruimte voor evolutief onderhoud, zelfs niet van de recentst verworven wapensystemen voor de Landcomponent. Conclusie Mits voldoende en tijdige rekruteringsinspanning, is het laatste scenario op basis van 1,36% BBP en Full Time Equivalent de enige manier om aan het regeerakkoord te voldoen, een relevante internationale partner te blijven en een waardige bijdrage te leveren, zowel internationaal als nationaal (risk en burden sharing). In dit scenario kan de Landcomponent meestappen in een toekomstgericht verhaal van binnenlandse en internationale verankering. Een multidisciplinaire, lerende en evolutieve Landcomponent biedt de beste waarborg tegenover de diverse dreigingen waar Belgie in de wereld, maar ook thuis, mee te geconfronteerd wordt. In alle scenario's is echter ook de overbruggingsperiode essentieel om onomkeerbare gevolgen te vermijden door een gebrek aan werving en investeringen. De operationele dimensie - Air In deze vormgeving blijft de Luchtcomponent 2030 actief in het domein "Air Power" met drie kerncapaciteiten teneinde politieke beleidsmakers toe te laten te beschikken over een krachtig, zichtbaar en flexibel inzetbaar instrument dat zowel het nationaal grondgebied kan verdedigen als kan deelnemen aan luchtoperaties met een hoog internationaal profiel. Dankzij de technologische en conceptuele vooruitstrevendheid van de platformen situeert het risico bij deelname zich op een politiek aanvaardbaar niveau en kunnen de capaciteiten daarom ook effectief ingezet worden in een zeer brede waaier aan operaties. De operationele inzet van de kerncapaciteiten is niet globaal dimensionerend voor de aantallen van materieel en personeel. De paraatstelling daarentegen is dat wel, niet in het minst wat de totale vereiste aan personeel betreft. Om die paraatstelling en de operationele inzet van de kerncapaciteiten afdoend te kunnen onderbouwen dient immers een specifiek gamma van air- gerelateerde steuncapaciteiten beschikbaar te zijn. Sommige van de hierna opgesomde steuncapaciteiten hebben

53 zelfs een component-overschrijdend belang; luchtverkeersleiding, luchtgevechtsleiding, niet-tactisch luchttransport - de zogenaamde "witte vloot", de vliegopleiding, Air Command & Control en Air C3 ISR 35. In deze context onderscheiden we bijkomend tevens een robuuste, uitermate gespecialiseerde en gediversifieerde groep van eigen steuncapaciteiten. Hieronder verstaan we: het ondersteunen van elektronische oorlogsvoering, het behandelen van inlichtingen, het voorzien van adequate meteorologische steun en een onafhankelijke entiteit voor de supervisie van de vliegveiligheid. Dit werkingsprincipe vereist eveneens een voldoende gedimensioneerd operationeel commando. Een commando dat over de nodige hefbomen dient te kunnen beschikken om alle betrokken capaciteiten op een coherente wijze paraat te stellen en dat daarom vanuit een Defensie-breed perspectief als een supported organisme moet beschouwd worden. Portfolio en ambitieniveau De luchtgevechtscapaciteit De luchtgevechtscapaciteit is opgebouwd rond de multi-role fighter F-16 en zijn toekomstige vervanger. Het kunnen beschikken over een moderne luchtgevechtscapaciteit laat toe om een geloofwaardige lasten- en risicodeling te etaleren ten aanzien van onze bondgenoten. Deze gevechtscapaciteit is immers modulair, snel projecteerbaar en inzetbaar, interoperabel en integreerbaar met onze voornaamste partners. Ze laat toe het volledige spectrum van luchtoperaties te bestrijken binnen een niet-permissief luchtoperatietoneel. Dit palet aan inzetopties bestrijkt een gamma dat strekt van steun aan humanitaire operaties en Defence Diplomacy over passieve conventionele ontrading tot actieve gewapende tussenkomst met een beheersbaar risico op collaterale schade. Gelijktijdig is het mogelijk om op een geloofwaardige wijze deel te nemen aan de strategische ontradingspolitiek van de NAVO, die de voorbije jaren evolueerde van een statisch naar een expeditionair concept met diverse paraatheidscategorieen. Het personeel, de structuren en de commandovoering laten toe om een geloofwaardige capaciteit te ontplooien dewelke kan aangehouden worden in de tijd. Het paraatstellen en inzetten van de luchtgevechtscapaciteit is een van de hoofdprocessen van de luchtcomponent en is zeer complex. Door de specifieke kenmerken van het luchtwapen is dagelijkse training noodzakelijk, hetgeen resulteert in een continue paraat stelling. De nood aan dagelijkse training wordt veroorzaakt door het behoud van sterk varierende vaardigheden in het multi-role concept, de hoge paraatheidsvereisten, verhoogde kost-efficientie bij dagelijkse inzet van personeel en materieel en, ten slotte, vliegveiligheid. De eigenschappen van de nieuwe platformen laten de introductie toe van een gedifferentieerde en gerationaliseerde onderhoudsorganisatie gebaseerd op Performance Based Logistics, waarbij de twee thuisbasissen niet langer spiegelbeelden hoeven te zijn. Deze capaciteit is snel inzetbaar in zowel nationaal als internationaal verband, garandeert een autonome vrijwaring van de integriteit van het nationale luchtruim en zijn periferie en beschikt over uitgesproken expeditionaire eigenschappen. Ze garandeert het behoud van een gelijkwaardig 35 Air C3 ISR = Air Command, Control and Communication - Intelligence, Surveillance and Reconnaissance

54 capacitair niveau ten aanzien van onze natuurlijke en geprefereerde partners. Bovendien is ze zeer geschikt voor internationale samenwerking dankzij een hoge interoperabiliteit, dit zowel tijdens operaties als doorheen de volledige levenscyclus van het materieel. Om een geloofwaardige voortzetting van de huidige lasten- en risicodeling ten aanzien van onze partners mogelijk te maken, is een vloot van minimum 40 toestellen nodig in 2030 (geschat op 4,0 Mia euro). In die configuratie kunnen 10 toestellen, met een waarschuwingstermijn van 5 a 10 dagen wereldwijd ingezet worden doorheen de meest brede waaier aan operaties en dit verspreid over twee verschillende ontplooiingslocaties waarvan er minstens een het niveau "Host Nation Support - High" aanbiedt. Voor een eerste formatie van 06 toestellen is de inzetduur onbeperkt, voor de eventuele tweede formatie dient de inzetduur beperkt te worden tot maximaal een jaar omwille van de recuperatie en paraatstelling van personeel en materieel. Dit ambitieniveau stemt overeen met de daadwerkelijke inzet genoteerd tijdens de voorbije twintig jaar, tijdens dewelke de luchtgevechtscapaciteit in 17 kalenderjaren effectief expeditionair en multi-role werd ingezet. De voorbije zeven jaar werden zelfs 6 tot 12 F-16's ononderbroken ingezet, vaak op twee locaties. Ter info: het actuele ambitieniveau laat toe om 10 vliegtuigen onbeperkt in de tijd in te zetten op twee ontplooiingslocaties. In dit scenario, wordt ook voorzien de stocks aan Precisie Geleide Wapens (PGMs) en Lucht-Lucht bewapening op te trekken naar het door de NATO gevraagde stockniveau. Aanvullend aan het expeditionaire ambitieniveau, wordt de voortzetting van onze bijdrage aan de vrijwaring van de integriteit van het nationale en van het NAVO-luchtruim bij wijze van de Quick Reaction Alert (QRA) gegarandeerd. Deze operationele inzet met volledig bewapende toestellen en zeer korte reactietijden wordt sinds de aanslagen van 11 september 2001 opnieuw onafgebroken verzekerd. De berekening voor het benodigd aantal platformen gaat uit van een binationale verdeling van de QRA-rol met Nederland. Dit scenario is het enige dat een volwaardige voortzetting van onze langjarige bijdrage aan de strategische ontradingspolitiek van de NAVO toelaat. De nucleaire politiek van de Alliantie, die ons land mee goedkeurde, vereist immers een geloofwaardige invulling van de paraatheids- en ontplooiingsvereisten, waarvan echter de details het classificatieniveau van dit document overstijgen. Bij voorkeur en indien mogelijk worden deze nationale gevechtsformaties geintegreerd in een multinationaal detachement of zelfs een Expeditionary Air Wing. Indien niet voorzien door het gastland of een partnernatie, is aanvulling met een bescheiden medische ondersteuning en de benodigde steunelementen van de landstrijdkrachten noodzakelijk. Afsluitend kan gesteld worden dat dit ambitieniveau een maximale efficientie en flexibiliteit toelaat, afgestemd op een realistisch geschat personeelskader dat wordt tewerkgesteld in een slanke organisatiestructuur. Het is een redelijke en aanvaardbare vermindering van het huidige ambitieniveau zonder verregaande operationele of politieke implicaties. De luchttransportcapaciteit De luchttransportcapaciteit is opgebouwd rond de A400M "Atlas" die eind dit decennium zijn intrede zal doen. De A400M verschaft een unieke efficiente combinatie van strategisch en tactisch

55 luchttransport. Het is een geloofwaardig nieuw instrument met veel potentieel en met een breed maatschappelijk draagvlak. Dit platform wordt in werking gesteld in een multinationaal BELUXverband - de vloot is samengesteld uit 1 Luxemburgs en 7 Belgische toestellen - en is integreerbaar met enkele van onze voornaamste partners, waaronder Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Door de interoperabiliteit met deze partners schetst dit platform gunstige perspectieven voor een veelzijdige internationale samenwerking, mede dankzij de geoptimaliseerde dagelijkse aansturing door het European Air Transport Command (EATC) in Eindhoven. Gelet op het prille introductiestadium waarin dit toestel zich momenteel nog bevindt, zijn diverse samenwerkingsvormen, in hoofdzaak toegespitst op simulatie- en operationele training, nog in volle ontwikkeling. De inzetmogelijkheden van de Atlas, met bijna de dubbele cargo-capaciteit van de C-130, zijn legio omwille van zijn snelle projectiemogelijkheden over grote afstand in combinatie met zijn geschiktheid voor parachutage en voor operaties op geimproviseerde landingsbanen in een vijandige omgeving. Dit toestel garandeert onze nationale expeditionaire autonomie door de operationele en logistieke ondersteuning van buitenlandse opdrachten. Het kan echter ook autonoom operationeel ingezet worden in een breed gamma van scenario's - waaronder humanitaire - en ten voordele van diverse organisaties zoals de VN, het Rode Kruis, B-FAST, etc. De A400M kan mits een korte waarschuwingstermijn expeditionair ingezet worden met een onbeperkt voortzettingsvermogen in een configuratie van 01 tot en met 04 toestellen. In geval van de noodzaak tot ontzetting van landgenoten in het buitenland kan deze inzetformatie overschreden worden voor een beperkte piekperiode. Om redenen van efficientie en kostenbesparing opereert de vloot van "witte" regeringsvliegtuigen bij voorkeur van op dezelfde locatie als de A400M. Het rationalisatieproces van deze witte vloot is deels al in uitvoering onder invloed van de budgettaire context. Onder voorbehoud van een formele beslissing, zal ze evolueren naar een kern opgebouwd uit de 04 relatief jonge en betrouwbare Embraer Regional Jets (ERJ), aangevuld met chartercontracten voor specifieke ad hoc behoeften. Hieronder verstaan we: VVIP-zendingen, piekmomenten die meer dan vier platformen noodzaken, trans-atlantische (V)VIP-vluchten, vluchten met kleine groepen, etc. De evolutie van het huidig leasing contract voor een strategisch transporttoestel van een commercieel type naar de deelname aan een project Multi Role Tanker Transport wordt verder in een aparte paragraaf besproken. De helikoptercapaciteit De helikoptercapaciteit is opgebouwd rond de multifunctionele, hoogtechnologische en robuuste NATO Helicopter for the 90's, de NH90, die werd aangekocht in twee varianten: de NATO Frigate Helicopter (NFH) voor de uitvoering van de maritieme opdrachten ten voordele van de Marine (MAR) of voor Search And Rescue (SAR) en de Medium Transport Helicopter (MTH) voor luchtmobiele operaties, ten voordele van landeenheden. De NH90 laat tevens de invulling toe van een divers intercomponenten takenpakket. Naast de operationele hoofdopdrachten kan tevens een panoplie van neventaken uitgevoerd worden die het maatschappelijk draagvlak van dit platform aanzienlijk verbreden. Hieronder verstaan we, onder andere, medische evacuatie, humanitaire hulp, hulp aan de natie boven het nationale grondgebied, de SAR-opdracht, etc

56 Door de doorgedreven en onderhouden interoperabiliteit met de ons omliggende natuurlijke partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Nederland schetst dit platform gunstige perspectieven voor een veelzijdige internationale samenwerking, mede dankzij de gecentraliseerde ondersteuning door het NATO Helicopter Management Agency (NAHEMA). Gelet op het prille introductiestadium waarin dit toestel zich momenteel nog bevindt, zijn diverse samenwerkingsvormen nog in volle ontwikkeling. Dankzij een hoog niveau van standaardisatie zijn er gunstige perspectieven voor een doorgedreven internationale samenwerking op het vlak van technische ondersteuning, vorming, simulatie- en operationele training, evaluatie en zelfs operationele inzet. De MTH kan mits een korte waarschuwingstermijn expeditionair worden ingezet voor luchtmobiele operaties en kan daarbij uitgerust worden met een boordschutter. Een inzetformatie van twee toestellen kan gedurende een jaar onafgebroken ontplooien naar een rudimentaire Forward Operating Base met een lokaal ondersteuningsniveau van "Host Nation Support - Low". Daarna moet deze operationele inzet gedurende een jaar onderbroken worden voor de recuperatie van het betrokken personeel en materieel. Een zelfde inzetperiode met een gelijkaardige recuperatie- periode van telkens een jaar is mogelijk voor de NFH in een MAR-opdracht, waarbij een toestel, ontplooid op een M-fregat met een ploeg van tien personen, een integraal deel uitmaakt van de Surface Combattant capaciteit van de Marine. De overige drie toestellen zijn nodig in Belgie voor het verzekeren van de SAR-continuiteit en voor trainings- of onderhoudsdoeleinden. De uitvoering van en de rationale voor het behoud van de SAR-opdracht wordt uitvoerig beschreven in bijlage E. Deze capaciteit wordt gekenmerkt door een zeer korte reactietijd van 15 a 30 minuten gekoppeld aan een onbeperkt inzetvermogen van een toestel doorheen het ganse jaar. Om redenen van optimaal vlootbeheer en van operationele efficientie is het aangewezen om dit unieke uithangbord van Defensie een plaats te blijven geven in onze structuur. De NH90-vloot wordt ondersteund door de capaciteit A-109 Light Utility Helicopter ter absorptie van bepaalde trainingsaspecten, "domestieke opdrachten" en taken. Het hoofdobjectief van de gerationaliseerde en gemoderniseerde vloot van acht A-109's is de optimalisatie van de operationele beschikbaarheid van de schaarse NH-90 platformen. Het zogenaamde "downloaden" van bepaalde trainingsvereisten, de transfer van bepaalde inzetopties en de overbrugging van de trainingskloof voor jonge heli-piloten die net hun basisopleiding afwerkten, zijn allemaal taken die perfect volwaardig, aan een veel lagere kost 36 en met een hogere efficientie door een LUH kunnen geabsorbeerd worden. Hieronder verstaan we, bijvoorbeeld; lokale verbindingsvluchten, medische evacuatie bij (schiet)oefeningen, initiele training van Special Forces, continuiteitstraining inzake nacht- en instrumentvliegen, etc. Een uitgebreider pleidooi voor het behoud van deze ondersteuningscapaciteit bevindt zich in bijlage F. Nabeschouwing Kerncapaciteiten Deze vormgeving belichaamt voor de Luchtcomponent geen utopie maar sluit eenvoudigweg aan bij het voorafgaand beleid van continue rationalisatie dat verder wil bouwen op efficiente Recente maar voorlopige c jfers tonen aan dat de werkingskost per vlieguur van een NH90 kan oplopen tot het zes- a negenvoud van de uurkost van een A

57 investeringsbeslissingen uit het verleden en op deze wijze geoptimaliseerd wordt. Ten opzichte van de huidige vormgeving betekent dit concreet: een evolutie van 54 gevechtstoestellen naar 40 exemplaren van een nieuwer type een evolutie van 11 C-130's naar 07 A400M transporttoestellen de uit omloop name van de Seaking & Alouette helikopters met rationalisatie naar 1 nieuw gemeenschappelijk helikopterplatform de rationalisatie van 20 A109's naar 08 gemoderniseerde versies voor diverse steunopdrachten de initiele rationalisatie, inclusief verdere voorstellen tot outsourcing, van de witte vloot de herorientatie van het luchtgevechtsleidingcentrum CRC Glons naar een geintegreerd onderdeel van het platform Vliegbasis Beauvechain het opgeven van het luchtverkeersleidingcentrum ATCC Semmerzake als onafhankelijke eenheid en deze te integreren in een burger verkeersleidingcentrum het nastreven van een publiek-publieke samenwerking voor SAR op een minimaal gedimensioneerde Deployed Operating Location met een optie op recuperatie van de kosten voor niet-militaire interventies De som van de orientaties onder deze vormgeving impliceert dus sowieso een ingrijpende rationalisatie, waarbij het zwaartepunt ligt op het behoud van een geloofwaardig operationeel inzetniveau. Ze laat eveneens toe om de schaarse beschikbare middelen te configureren voor een maximale efficientie. Inzake personeel realiseert deze vormgeving nog steeds een vermindering van 22% van de FTE van de luchtcomponent, hetgeen proportioneel past in de globale directieve van de vormgeving 1,36% BBP om van FTE naar te evolueren. Budget Deze vormgeving vereist een investeringsbudget van ongeveer 4,0 miljard euro voor de vervanging van de F-16 en dit na bijna 50 jaar trouwe dienst met operationele relevantie tot op het einde. Er dienen tevens investeringsmiddelen voorzien te worden voor de progressieve evoluties inherent aan het in stand houden van de verschillende wapensystemen, zoals NH90, A400M, etc. Dergelijke tussentijdse opwaarderingen waken erover dat de betrokken systemen te allen tijde operationeel relevant blijven en tevens dat hun levensduur zo optimaal mogelijk bestendigd wordt. Verder worden er bijkomende investeringsmiddelen voorzien voor de aankoop van de nodige precisiebewapening, alsook voor het in stand houden, samen met onze NAVO-partners, van het AWACS vliegend radarplatform. Ten slotte, kan in deze vormgeving de aankoop van onbemande vliegtuigen opgenomen worden, alsook de investering in een multi-role tanker transport vliegtuig (MRTT). De totale investeringsoppervlakte voor de Luchtcomponent, met inbegrip van de aanschaf van de opvolger van de F-16, bedraagt dan 5,05 miljard euro, exclusief 300 miljoen euro voorzien voor 'fixed and rotary aircraft' ter ondersteuning van de Special Forces (zie Joint deel). In de diverse toekomstige vormgevingen, dus ook in deze, zal wegens doorgedreven rationaliseringsoverwegingen voor de voortzetting van bepaalde capaciteiten niet langer de steevaste verwerving van eigen middelen beoogd worden. In bepaalde specifieke dossiers, bijvoorbeeld de vliegopleiding voor piloten, de Alliance Ground Surveillance of de ad hoc noden aan (V)VIP luchttransport, zal een gegarandeerde toegang tot die capaciteit verdrags- of contractmatig vastgelegd

58 worden. Deze benaderingswijze impliceert qua budgettaire inschrijving een transfer van investeringskosten naar (veelal) lagere werkingskosten. Personeel De aangehaalde portfolio van kern- en steuncapaciteiten ter ondersteuning van het ambitieniveau van de Luchtcomponent zoals hierboven beschreven, blijft voor de vormgeving "1,36% BBP" beperkt tot een ordegrootte van FTE (en 150 FTE uit de beschikbare reserve). Dit is op zich een effectieve vermindering ten opzichte van de huidige slagorde met 22% en past in deze zin proportioneel binnen de beoogde totale enveloppe van FTE. Voor deze portfolio is het aandeel van het "Air-personeel" maximaal afgeslankt, coherent en kost efficient. Het is technisch en operationeel op niveau, gemotiveerd, veelzijdig, internationaal flexibel inzetbaar en toch duurzaam leefbaar. Met dit personeelsbestand kan de Luchtcomponent op representatieve wijze voldoen aan de gestelde ambities, de internationale verwachtingen en aangegane verbintenissen. Aangezien de kleine getallen verdeeld worden over de verschillende hooggespecialiseerde activiteiten vraagt het efficient beheer van deze populatie om continui'teit en stabiliteit. Met de oorspronkelijke geplande rekruteringen, a rato van FTE per jaar, in gedachte paste dit scenario voor de specifieke vakrichtingen "Air" ook binnen de voorziene uitstroom door pensionering. De inkrimping in werving voor de periode 2015 tot 2019 kan dit echter op de helling zetten. Het overgrote deel van de vakrichtingen "Air" worden vanwege hoge technische of operationele specialisatie immers gekenmerkt door een langdurige vorming met hoge attritie. Elke onderbreking van het regime instroom voor de diverse kleine - maar hoog gespecialiseerde - populaties heeft een historisch bewezen en onmiddellijk verstorend effect op de kwetsbare leeftijd- en ervaringspiramides. Bijsturing achteraf is moeilijk, niet alleen omdat een verhoogde rekrutering voor deze gespecialiseerde functies op de arbeidsmarkt niet voor de hand ligt, maar ook omdat de vormingscapaciteit voor deze intensieve en langdurige specialisaties geen onverwachte en tijdelijke verhogingen kan verwerken. Bovendien ligt de hoofduitdaging voor het "Air-personeel" in de transitiefases naar de nieuwe wapensystemen voor elk van de 3 kerncapaciteiten: NH90 - nog tot 2020, A400M - tussen 2019 en 2022 en de vervanging F-16 tussen 2023 en In de vormgeving werving wordt het objectief van FTE in 2020 beoogd, midden in de transitie van C-130 naar A400M en enkele jaren voor de start van de transitie voor de vervanging van de F-16. In de kritische periode tussen nu en 2023 is de uitstroom door pensionering onder de hoog gespecialiseerde technische - maar oude - populatie met ervaring maximaal. Alleen werving en vorming van technisch personeel op korte termijn kan de beheersing van dit probleem gedeeltelijk realiseerbaar maken. Er kan met andere woorden niet tot 2019 gewacht worden om de rekruteringsenveloppe te verhogen. Het aanhouden van een ambitieniveau "Air" dat vergelijkbaar is met het huidige vraagt om een efficient personeelsbeheer, met maximale continui'teit en stabiliteit, gecombineerd met minimale bijsturing. Dat is de enige optie voor het behoud van het broze evenwicht tussen de schaarse beschikbare middelen enerzijds en de optimale operationele efficientie anderzijds, zonder hierbij enige toegeving te kunnen aanvaarden aan de strenge veiligheidsvereisten die gepaard moeten gaan met het genereren van deze specifieke capaciteiten

59 Samenwerkina De bestendiging of uitbreiding van de huidige internationale samenwerking is een existentiele voorwaarde voor het voortbestaan van de Belgische Luchtmacht. Alle kerncapaciteiten en het merendeel van de steuncapaciteiten binnen de component kunnen immers enkel verworven, geexploiteerd en onderhouden worden mits ze deel uitmaken van een internationaal samenwerkingsverband. Deze eigenschap maakt sinds lange tijd inherent deel uit van het DNA van de Belgische en van de meeste van de ons omringende luchtmachten, het is dus een beproefd en efficient organisatieschema dat schaalvergroting in de hand werkt. Het beschikken over een gemeenschappelijk platform met gemeenschappelijke exploitatie- en onderhoudsprincipes brengt de respectieve luchtmachten op natuurlijke wijze bij elkaar en genereert diverse voordelen, niet in het minst op budgettair vlak. Samenwerking kan echter enkel duurzaam zijn indien ze een meerwaarde genereert voor alle deelnemers, die bijgevolg elk de nodige inbreng moeten kunnen garanderen. Dit scenario biedt alvast gunstige perspectieven om een geloofwaardige en betrouwbare Belgische inbreng te realiseren. Dankzij de systematische internationale benadering kan de huidige Belgische luchtgevechtscapaciteit al bijna 40 jaar meedraaien aan de top van dit unieke hoogtechnologische segment van Defensie. De vervanging van de huidige luchtgevechtscapaciteit dient daarom in ruime mate rekening te houden met de perspectieven op een gelijk(w)aardige voortzetting van de huidige formules of varianten daarvan om zo opnieuw de volgende 40 a 50 jaar met eenzelfde weloverwogen aankoop te kunnen overbruggen. De voldoende gedimensioneerde vloot die dit scenario kan garanderen zal meer samenwerking genereren dan enkel de binationale Quick Reaction Alert. In eerste instantie wordt de voortzetting beoogd van de samenwerking inzake intensieve operationele training, de gemeenschappelijke aankoop van precisiemunitie, de ontwikkeling en realisatie van ontplooiingsconcepten, etc. Deze lijn kan in dit scenario zo goed als identiek doorgetrokken worden voor de luchttransport- en de helikoptercapaciteit, met bijzondere aandacht voor de Belgische inbreng in het European Air Transport Command (EATC), die voldoende substantieel kan blijven om relevant te zijn. Al deze vaststellingen in acht genomen, ligt het voor de hand dat de bestaande internationale samenwerkingsvormen van de kerncapaciteiten maximaal worden verder gezet en uitgebreid waar mogelijk. Inzake steuncapaciteiten krijgen twee onderdelen specifieke aandacht: de vliegopleiding van piloten en Air C3 ISR 37. Wegens de uitfasering van onze Alpha-Jets in 2018 komt de gesloten-beursovereenkomst met Frankrijk voor de diverse pilootopleidingen tot een feitelijk einde. De nieuwe financieringsformules voor een eventuele blijvende verankering in Frankrijk, al dan niet aangevuld met of compleet vervangen door samenwerking met andere luchtmachten dienen de komende maanden en jaren verder uitgewerkt te worden, zij het met de notie dat investeringen voor de aankoop van eigen systemen in principe niet beoogd worden. Dit concept wordt ook wel Power by the hour' genoemd. Voor Air C3 ISR wordt hoofdzakelijk de voortzetting van de deelname aan en toegang tot multinationale projecten beschouwd, zoals de NATO Airborne Early Warning en de Alliance Ground Surveillance, zonder te investeren in eigen systemen. De verwerving van kleinere platformen komt in 37 Air C3 ISR = Air Command, Control and Communication - Intelligence, Surveillance and Reconnaissance

60 dit scenario wel binnen bereik, doch deze zullen hoofdzakelijk door hun voogdij-component geexploiteerd worden. Zo ontstaat er voor Air C3 ISR-specialisten een grote competentiecluster met zicht op een stevig onderbouwd loopbaantraject en die, boven alles, ook inspeelt op de noden van moderne luchtgevechtsleiding en informatievergaring. NAVO en EU doelstellingen inzake defensieplanning Binnen het NATO Defense Planning Process (NDPP) van de NAVO zal Belgie op deze manier vrijwel aan alle doelstellingen beantwoorden die haar werden toegewezen door de Bondgenoten in het Aerospace" domein, inclusief de aanverwante activiteiten. De talrijke doelstellingen die ons opgelegd werden binnen het NDPP voor wat betreft de expeditionaire multi-role" luchtgevechtscapaciteit, worden binnen deze vormgeving zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak op bevredigende wijze ingevuld. Aan de invulling van de MRTT-capaciteit, waarbij het verwerven van 3 tanker vliegtuigen tegen 2025 de door NAVO opgelegde doelstelling is, wordt via de deelname aan de multinational MRTT eenheid slechts deels voldaan. Om het hoofd te bieden aan de gevraagde inspanningen binnen het domein Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance" (JISR) zijn enkele mogelijkheden voorhanden. Een meer uitgebreide deelname aan het Alliance Ground Surveillance programma, hetzij onder de vorm van een financiele bijdrage aan het programma, hetzij door een deelname in het Medium Altitude Long Endurance" (MALE) programma behoort hier tot de opties om onze verplichtingen na te komen. Ook andere vormen van deelname in het domein van de Unmanned Aerial Systems" (UAS) of van de "Intelligence, Surveillance, Target Acquistion and Reconnaissance" (ISTAR) kunnen de Belgische bijdrage-score opkrikken. Binnen het Europees Capability Development Plan (CDP) beschikt Belgie over capaciteiten die invulling geven aan de zogenaamde priority shortfalls" zoals deze door de EU geidentificeerd werden. De deelname aan de multinationale MRTT eenheid evenals de deelname aan het MALE programma betekenen in dit kader een bijdrage aan de door de EU bedoelde capaciteiten van respectievelijk multirole tanker transport en Remotely Piloted Aircraft Systems" (RPAS) voor observatie opdrachten. In deze vormgeving behoudt Belgie tevens haar luchtgevechtscapaciteit waardoor vermeden wordt dat nieuw tekortkomingen zouden ontstaan binnen de EU. Overige elementen De diverse luchtcapaciteiten vormen niet enkel een bewezen vruchtbare voedingsbodem voor een doorgedreven internationale samenwerking maar tevens voor technologische innovatie. Het staat buiten kijf dat zowel de kern- als de steuncapaciteiten die binnen deze vormgeving verworven en geexploiteerd worden een interessante meerwaarde kunnen genereren voor de Belgische luchtvaartindustrie en voor aanverwante economische activiteiten. Deze, vaak hoogtechnologische, activiteiten concentreren zich niet in een bepaald landsdeel maar zijn in het algemeen communautair evenwichtig verdeeld. Het F-16 aankoopprogramma wordt in dit kader terecht naar voor geschoven als een succesverhaal. De bijkomende werkgelegenheid die dit programma creeerde, is bovendien veelal van blijvende aard gebleken omdat het Belgische bedrijven heeft toegelaten om zich te positioneren in de (civiele) luchtvaartsector. Aangezien het in stand houden van de luchtgevechtscapaciteit een zware budgettaire inspanning vergt, dient het programma het publiek belang maximaal te dienen. Naast de invulling van

61 de zuiver militaire behoeften moet het vervangingsprogramma ook een positieve sociaaleconomische return voor de Belgische maatschappij mogelijk maken. Deze return dient in een zo breed mogelijke context bekeken te worden. Behalve de directe en indirecte industriele return moet ook worden ingezet op technologietransfer naar competentiecentra en vormingsinstituten en activiteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Beoogde bijkomende investeringen Multi-Role Tanker Transport (MRTT) De MRTT is een multi-role" toestel dat toelaat om tot 266 personen plus cargo te vervoeren, en gelijktijdig de mogelijkheid biedt om eveneens de gevechtstoestellen die overvliegen naar hun ontplooiingsbasis in de lucht te herbevoorraden met brandstof. In deze vormgeving neemt Belgie via investerings- en werkingsmiddelen deel aan het Strategic Tanker Capability project binnen het Europees Defensie Agentschap (EDA). Middels dit initiatief wordt een multinational eenheid opgericht waarbij vliegtuigen van het type Airbus A330 MRTT opereren vanop de vliegbasis van Eindhoven in Nederland vanaf In november 2012 werd dit project met de ondertekening van de Letter of Intent (LOI) getiteld European Strategic Multi-Role Tanker Transport Initiative geinitieerd. Bij minimale deelname zou Belgie kunnen beschikken over 13,64% van de totale capaciteit van deze vloot wat overeenkomt met +/- A MRTT. Dankzij deze deelname zou een minimale toegang tot de MRTT capaciteit verzekerd worden waardoor een belangrijke bijdrage geleverd wordt aan het expeditionaire aspect van Defensie. Echter in dit scenario, om beter te voldoen aan de NATO requirements, en zodoende bij te dragen aan het invullen van de grote capacitaire gap die in het domein Air-to-Air refueling binnen de alliantie bestaat, wordt deelname met een MRTT aan de pool voorzien. Precisie Geleide Munities (Lucht-Grond en Lucht-lucht) In dit scenario, wordt ook voorzien de stocks aan Precisie Geleide Wapens (PGMs) en Lucht-Lucht bewapening op te trekken naar het door de NATO gevraagde stockniveau. De operationele dimensie - Marine In deze vormgeving evolueren we naar een defensie die in het domein van de marine, evenwichtig opgebouwd is uit drie kerncapaciteiten, t.t.z. een 'surface combatant' gevechtscapaciteit, een mijnenbestrijdingscapaciteit en een kustwachtcapaciteit. De Marine is volledig ingericht rond interdepartementale en binationale partners in een minimale configuratie, waardoor een grote afhankelijkheid gecreeerd is. Eens de drie kerncapaciteiten vernieuwd zijn, zal de marine duidelijk de stap naar de 21 ste eeuw zetten. Met moderne bemanningsconcepten, hoogtechnologische platformen, modulair uitgerust en ondersteund door onbemande sensoren wordt een trendbreuk gerealiseerd. Door gerichte bijkomende

62 investeringen (ASW/ASuW 38 suite voor de NH90 boordhelikopter, een tankercapaciteit, UAV voor beeldopbouw, robuuste MCM modules,...)zal tegemoet worden gekomen aan de verdere integratie met Nederland en aan de NAVO en EU-objectieven en kan ons land weer meerwaarde scheppen in beide organisaties. De integratie met Nederland zal duurzaam bestendigd zijn en doorgetrokken in alle geledingen van het krijgsmachtdeel. Via de verdere outsourcing van het onderhoud zal ook het economisch weefsel van ons land haar voordeel doen bij een moderne marine. Ook de innovatieve bedrijven in de maritieme industriele cluster zullen hun graantje kunnen meepikken bij de ontwikkeling en realisatie van de 'surface combatant', de nieuwe mijnenbestrijdingsschepen, de noodzakelijke operationele modules en de infrastructuur. Dit scenario (1,36% BBP) heeft in de marine operationele dimensie volgende kenmerken: Portfolio en ambitieniveau De Surface Combatant gevechtscapaciteit, opgebouwd rond de Multipurpose-Fregatten en hun toekomstige vervangers, uitgerust met een Nato Frigate Helicopter NH90, is een veelzijdige, snel ontplooibare en robuuste gevechtscapaciteit, die kan ingezet worden in het volledige spectrum van de maritieme operaties, op grote afstand en in multinationaal verband. Na hun vervanging zullen de platformen een verhoogde rentabiliteit bieden door een gevoelig kleinere basisbemanning, een verhoogde modulariteit en een grotere veelzijdigheid. Deze capaciteit laat een grote verscheidenheid aan opdrachten toe, gaande van maritieme aanwezigheid en humanitaire bijstand over Defence Diplomacy en het bestrijden van illegale activiteiten, tot het afdwingen en behouden van de vrijheid van navigatie op zee (Sea Control) en het beschermen van andere schepen tegen onderwater-, oppervlakte- en luchtdreigingen. Deze capaciteit, bestaande uit minimaal twee platformen, kan met een inzettermijn van 10 dagen gedurende een periode van maximum een jaar wereldwijd ingezet worden in elk geweldsspectrum. Deze inzet moet voor materiele en personele recuperatie onderbroken worden gedurende maximum een jaar. Ze moet waar nodig worden aangevuld met een beperkte medische ondersteuning en gepaste steunelementen uit de landstrijdkrachten. Ze zijn een essentieel deel van de vierslag die ze samen met de twee multifunctionele fregatten uit de vloot van de Nederlandse Koninklijke Marine, vormgeven. De Miinenbestrijdingscapaciteit opgebouwd rond de Tripartite Mijnenjagers, het Commando- en Steunschip en hun toekomstige vervangers, is een robuuste capaciteit die onmiddellijk inzetbaar is voor het opsporen en vernietigen van mijnen, onderwater Improvised Explosive Devices (IED) en onontplofte tuigen op zee door de inzet van duikers en/of remotely controlled or autonomous vehicles. De toekomstige platformen zullen overigens een betere strategische mobiliteit bieden en een verhoogde autonomie. Een betere zelfbescherming en het gebruik van onbemande modules zal bijdragen tot een verhoogde bescherming van de bemanning. Vrij gebruik van de zee, het vrijwaren van de wereldwijde maritieme aanvoerlijnen en het open blijven van de vaarroutes naar de Europese wereldhavens waaronder Antwerpen en 38 ASW/ASuW : Anti Submarine Warfare / Anti Surface Warfare

63 Zeebrugge is vitaal voor een ongestoorde goederenvoorziening en dus ook van levensbelang voor de Europese en Belgische economie. Zeemijnen, onderwater IED of de dreiging ermee, kunnen dit in het gedrang brengen. Het veilig stellen van maritieme aanvoerlijnen en doorgangspunten draagt ook bij tot de inzetautonomie van andere capaciteiten in het geval van crisisbeheersingsoperaties maar ook in het kader van interventies aan land vanuit zee. Deze capaciteit is volledig binationaal gei'ntegreerd met de Nederlandse Mijnenbestrijdingscapaciteit, zowel op het vlak van operationeel commando, paraatstelling, materieelbeheer als logistieke ondersteuning. Ze omvat bovendien een commando- en controlecapaciteit die toelaat om de leiding te nemen over een multinationale mijnenbestrijdingsoperatie. Deze capaciteit kan met een inzettermijn van 48 uur voor het eerste platform en 10 dagen voor een tweede schip onbeperkt wereldwijd ingezet worden in elk geweldsspectrum enkel indien voldoende beschermd in een gei'ntegreerd vlootverband. Deze inzet moet voor materiele en personele recuperatie niet onderbroken worden daar ze na het nieuwbouwprogramma zal bestaan uit een vierslag. Ze moet waar nodig worden aangevuld met een beperkte medische ondersteuning. Ze wordt ondersteund door de Belgisch-Nederlandse school voor mijnenbestrijding op zee EGUERMIN, erkend als NATO Centre of Excellence, voor de opleiding en training van scheepbemanningen, en voor advies aan de operationele commando- en controle organen in het domein van de mijnenbestrijding binnen de NAVO. De Kustwachtcapaciteit staat in voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Marine in de Belgische wateren en vormt daarnaast een essentiele bijdrage aan de interdepartementale kustwachtstructuur. Ze is daartoe uitgerust met recent verworven performante patrouillevaartuigen die zeer snel inzetbaar zijn en beschikken over een grote zeewaardigheid gecombineerd met de nodige snelheid. De patrouilleschepen hebben een onbeperkt voortzettingsvermogen met een inzettermijn van twee uren voor 24/7 maritiem toezicht op het Belgische zeegebied (de territoriale wateren en de exclusief economische zone) en leveren de permanentie voor een adequate en tijdige interventie in het geval van maritieme incidenten die onze nationale maritieme belangen of onze kritieke kustinfrastructuur kunnen bedreigen. Ze worden in hun acties aangestuurd en ondersteund door het Maritiem Informatie Kruispunt (MIK). De patrouilleschepen worden ook ingezet voor militaire operaties in onze kustwateren, waaronder het verzekeren van Maritime Situational Awareness (MSA), voor het begeleiden en opvolgen van vreemde schepen in de Belgische wateren, en voor een breed gamma aan specifiek militaire veiligheids-interventies. Het hier beschreven nagestreefde ambitieniveau voor 2030 is gelijk aan het huidige in 2015 voor alle capaciteiten, die in dit scenario wel een merkelijk grotere capacitaire veelzijdigheid vertonen. Verder in de tekst zullen een aantal nodige bijkomende investeringen worden voorgesteld die dit ambitieniveau nog gevoelig zullen verbeteren. Budget Deze vormgeving vraagt een investeringsbudget van ongeveer 1,6 miljard euro voor de noodzakelijke vervanging van de de M-fregatten en de mijnenbestrijding

64 De huidige twee M-fregatten, waarvan het ontwerp en de technologie dateert uit de tweede helft jaren 80, zijn in 1990 en 1991 in dienst gekomen en zijn vergevorderd in hun levensduur. Hun einde levenstermijn is voorzien in de periode en Defensie schat in dat vervanging van de M-fregatten moet plaatsvinden vanaf Door het recente instandhoudingsprogramma zijn de twee MFF operationeel weer relevanter gemaakt en verzekeren hierdoor de multifunctionele maritieme gevechtscapaciteit van Defensie in de komende jaren. De vastlegging van dit programma, dat volledig gesynchroniseerd moet verlopen met Nederland, is noodzakelijk in Het binationaal akkoord hierover met Nederland zal deze legislatuur moeten gesloten worden. De Tripartite Mijnenjagers werden gebouwd in de jaren 80. Door intens gebruik en ouderdom zullen deze schepen uit materieeloogpunt hun 'End of Life' bereiken tegen 2025 met stijgend risico op hoge kosten als gevolg van obsolescentie. In vergelijking met recentere platformen en rekening houdend met de evolutie van de technologie, kampen de huidige mijnenjagers bovendien met beperkingen op het vlak van transitsnelheid, uitvoeringsduur van mijnenbestrijdingsoperaties, ruimte voor stafcapaciteit, en zelfbeschermingsmiddelen. Door aan boord van minstens een van de nieuwe mijnenjagers de nodige commando- en controlecapaciteit te voorzien, kan vermeden worden dat ook het Commando- en Steunschip Godetia moet vervangen worden. Gezien de voorziene levensduur van de Godetia reeds ruim overschreden is (bouw 1965, normale levensduur 30 jaar) en gezien de toestand waarin het schip zich vandaag bevindt, wordt men in de komende jaren immers geconfronteerd met problemen van obsolescentie die de ondersteuningskosten aanzienlijk kunnen doen oplopen en is het voortstuwingssysteem in geval van defect niet langer herstelbaar. De vervanging van de Tripartite mijnenjagers wordt voorzien samen met Nederland en in het kader van een internationaal programma dat gecoordineerd wordt door het Europees Defensie Agentschap (EDA). De totale kostprijs van het programma, de verwerving van vier nieuwe platformen, inclusief de voorziene voorafgaandelijke studie, wordt geraamd op ongeveer 690 miljoen constante 2015 Euro. De vastlegging van dit programma is noodzakelijk in Voor de werking van alle marinecapaciteiten wordt gerekend op maximaal 50 miljoen Euro per jaar (inclusief een budget van 8 miljoen euro voor brandstof)(constante euro 2015). Personeel In de voorbije decennia is de aanzienlijke reductie in personeel ten koste gegaan van de adaptiviteit, borging van expertise in de diepte en daarmee van de toekomstbestendigheid. Onze scheepsbemanningen zijn 'lean and mean' en modulair aangepast aan hun opdracht. Er is geen redundantie meer waardoor kleine verstoringen direct grote gevolgen hebben en dreigingssituaties niet meer voor langere tijd het hoofd kunnen worden geboden. Tegelijkertijd is de belasting van bemanningen op verouderende schepen erg toegenomen. De rationalisatie van opleidingen heeft er bovendien toe geleid dat meer 'on the job' training plaatsvindt. Hoewel dit een zeer verdedigbare rationele keuze is, komt het behoud van expertise daardoor nog verder onder druk te staan. De kritieke personele ondergrens is hiermee bereikt en in sommige onderdelen van onze organisatie reeds overschreden

65 Een volgehouden jaarlijkse instroom van circa 130 kwaliteitsvolle marinemensen moet zuurstof brengen in de organisatie. Met de aangroei van jong en inzetbaar personeel worden nieuwe bemanningsrecepten mogelijk, waardoor de operationele ondersteuning en output nog kan stijgen, terwijl bemanningen volgens een moderne work life" balans ingezet worden en ze een uitdagende en evenwichtige loopbaan kunnen uitbouwen. Zo is voor de, in deze vormgeving beschreven, marine ruim 500 aan boord geplaatste mensen nodig. Het marinepersoneel moet dan, omwille van de gezonde boord-wal verhouding van 1 tegen 4, bestaan uit 2200 personen (inclusief ongeveer 200 toekomstige burgerplaatsen in de onderhoudsinstallaties te Zeebrugge) waarvan er ongeveer 1500 mensen (inclusief boordpersoneel) in de component benodigd zijn. Daardoor kunnen 700 marinemensen (inbegrepen de nodige leerlingen) geplaatst worden in de aansturende defensiestaf en overkoepelende structuren. Dit marine aandeel binnen onze defensie is coherent, opnieuw duurzaam leefbaar, betaalbaar, kostefficient, veelzijdig inzetbaar en daarom realistisch ook al blijft dit aandeel aan zeestrijdkrachten nog steeds gevoelig kleiner dan in vergelijkbare Europese landen. Samenwerking De afgelopen decennia hebben de Belgische-Nederlandse marines zich eigenlijk al verregaand gespecialiseerd in complementaire niches en in de ondersteuning. De eerstvolgende logische stap zou de gezamenlijke verwerving van de nieuwe platformen, fregatten en mijnenbestrijding, moeten zijn om zowel voordeel te halen uit de schaalvergroting bij aankoop, als het reduceren van de Life Cycle Cost. Om het bereikte niveau van de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische marines in de toekomst te waarborgen, moeten de regeringen van beide landen de lopende investeringsplannen volledig op elkaar afstemmen en een gezamenlijke behoeftestelling opstellen die resulteert in een gezamenlijk investeringsplan. Een belangrijk doel van dit plan moet zijn om gezamenlijk bij te dragen aan de versterking van het Europese maritieme vermogen. Bijkomende samenwerkingsverbanden in het maritieme domein zijn verder de duikopleidingen, de medische keuring van het marinepersoneel en de opleiding, training, aansturing en onderhoud van zowel de toekomstige onbemande vliegtuigen als de marineversie van de NH90 die zowel Belgie als Nederland in dienst heeft. In al deze domeinen zijn nog interessante optimalisaties en diepgaande binationale integraties mogelijk. Infrastructuur In deze vormgeving met drie kerncapaciteiten is het noodzakelijk om de bestaande infrastructuur duurzaam te moderniseren en aan te passen aan de nieuwe platformen en gewijzigde regelgevingen. Hiervoor is een versnelde uitvoering van het bestaande masterplan noodzakelijk. Op die manier kan de in de afgelopen decennia opgelopen achterstand in meerdere domeinen, zoals hygiene, trainingsfaciliteiten, werkomstandigheden, beveiliging vanuit zowel de land- als de zeezijde en toegang voor de schepen, worden weggewerkt. NAVO en EU defensieplanningsdoelstellingen

66 De NAVO heeft doelstellingen ('targets') opgelegd op 3 niveaus, t.t.z. zuiver nationale, multinationale en doelstellingen die via NAVO gemeenschappelijke financiele bijdrage zullen worden nagestreefd omdat deze op geen andere manier te verwezenlijken zijn. Wij focussen ons voornamelijk op de doelstellingen op de eerste twee niveaus. Het 'NATO Defence Planning Proces' NDPP heeft de eerder door de NAVO gei'dentificeerde prioritaire capacitaire tekortkomingen gebruikt om de nationale en multinationale maritieme doelstellingen te definieren. Er werden doelstellingen opgelegd in vier brede domeinen. De detectie van onderzeeboten dient verbeterd te worden, met inbegrip van de verdediging ertegen. In het kader van mijnenbestrijding dient in diverse waterdieptes, inclusief ondiepe gebieden, de detectie en identificatie van mijnen verbeterd te worden en moeten 'covert' operaties mogelijk zijn. Er dient een maritieme expeditionaire logistieke steuncapaciteit te worden ontwikkeld en ten slotte is er nood aan een expeditionaire module voor havenbescherming. We merken dus dat wanneer we de beide beschreven vervangprogramma's realiseren alle door de NAVO gestelde nationale (en multinationale) doelstellingen grotendeels zullen worden afgedekt. Ook het ontwikkelen van capaciteiten voor maritieme beeldopbouw in het maritiem informatiekruispunt en met moderne boordsensoren, de beeldopbouwcapaciteiten van de helikopter en 'drones' vanaf de toekomstige fregatten zijn zeer waardevolle bijdragen. Door de verwerving van een ASW/ASuW uitrusting voor de NH90 helikopters en een expeditionaire havenbescherming, alles in samenwerking met de Nederlandse zeestrijdkrachten, komen we volledig tegemoet aan de NAVO doelstellingen en hernemen we onze plaats als betrouwbare partner te midden van de Europese NAVO lidstaten. De EU van haar kant heeft, in het maritieme domein via het 'capability development proces' CDP naar haar lidstaten twee prioriteiten naar voor geschoven. Enerzijds vraagt de EU om in een eerste domein, het domein van maritieme gevechtscapaciteit, patrouille en escorte, volgende 4 activiteiten uit te werken: harmoniseren van de behoeften en zich voor te bereiden op de volgende generatie expeditionaire schepen - fregatten voor 'blue water' operaties die het hoofd kunnen bieden aan een lucht-, oppervlakte- asymmetrische- en onderzeedreiging, samenwerken in maritieme logistiek en de verwerving van een maritieme tankercapaciteit, het ontwikkelen van een volgende generatie van modulaire zee wapensystemen en tenslotte het verbeteren van de maritieme mijnenbestrijdingscapaciteit in overeenstemming met de NAVO. Anderzijds in een tweede domein, het domein van maritieme bewaking, vraagt de EU om de 'Maritime Surveillance' MARSUR door te ontwikkelen, verder in te zetten op onbemande maritieme systemen, ook in het domein van de mijnenbestrijding, dit om een antwoord te kunnen bieden aan de nieuwe soorten mijnen en ten slotte om na te gaan hoe luchtondersteuning kan geleverd worden voor maritieme beeldopbouw. In de hier voorliggende vormgeving, bestaande uit fregatten, mijnenbestrijdingseenheden en kustwacht, kan de door de EU gestelde behoeften volledig worden afgedekt. Door met onbemande surveillance vliegtuigjes beeldopbouw te gaan uitvoeren vanaf de nieuwe schepen wordt bovendien tegemoet gekomen aan de 'MARSUR' doelstellingen. Overige elementen Deze vormgeving met drie moderne kerncapaciteiten is een enorme troef voor de lokale tewerkstelling in de kustregio voor vele bedrijven en toeleveranciers. De samenwerking met de

67 firma CLEMACO zal toenemen door de verdere outsourcing van onderhoudstaken en bijkomende opdrachten voor de nieuwe mijnenbestrijdingsvaartuigen van beide landen. Dit zal leiden tot een substantiele groei aan arbeidsplaatsen. Daarnaast mag ook de bredere economische impact op de maritieme - technologische activiteiten in ons land niet onderschat worden. Tenslotte is er voor ons land een belangrijke winst aan betrouwbaarheid en geloofwaardigheid in een veelheid aan internationale fora. Beoogde bijkomende investeringen De noodzakelijke verbetering van het voortzettingsvermogen van de vloot Voortzettingsvermogen is in belangrijke mate afhankelijk van beschikbaarheid van onderdelen, munitie en onderhoudscapaciteit. Omdat hieraan in de afgelopen jaren onvoldoende aandacht is besteed, bestaat er na vele jaren van besparing de noodzaak tot verbetering. Het is daarom noodzakelijk om de voorraden aan kapitale munitie, van vooral de fregatten maar ook de mijnenbestrijdingseenheden, duurzaam op peil te brengen en ook de broodnodige voorraad aan wisselstukken aan te vullen. Hiervoor is zo een 88 miljoen euro ( cte 2015) aan werkingskredieten nodig. Op peil brengen van de gevechtscapaciteiten Zoals in de NAVO en EU doelstellingen aangegeven dienen de landen de maritieme gevechtscapaciteiten te verbeteren zowel op sensor- als op wapengebied. Ook voor de beeldopbouw werden objectieven geformuleerd en shortfalls geidentificeerd. Ons land kan deze doelstellingen relatief eenvoudig invullen, en aldus haar ambitieniveau opkrikken, door de noodzakelijke investeringen te doen in de 'NATO Frigate Helicopter' NH90. De boordhelikopter wordt zo in de eerste plaats gebruikt als vooruitgeschoven sensor voor de beeldopbouw in de onderwaterdreiging en de bestrijding van deze dreiging (ASW wapendrager). In de tweede plaats kan de helikopter dan worden ingezet als vooruitgeschoven sensor voor de beeldopbouw m.b.t. oppervlaktedreiging en de bestrijding hiervan. De tactische onbemande vliegtuigjes (UAV), dag & nacht inzetbaar, dient ter ondersteuning van de surveillance capaciteiten van zowel de 'surface combatant' als de nieuwe mijnenbestrijdingsplatformen. De UAV heeft ook middelen voor realtime surveillance. Voor deze investeringen is zo een 15 miljoen euro ( cte 2015) nodig voor het op peil brengen van de NH90 helikopter en 5 miljoen euro ( cte 2015) voor de aanschaf van maritieme 'drones'. De nodige verbetering van de miinenbestrijdingscapaciteiten (MCM) Zoals in de NAVO en EU doelstellingen aangegeven, dient ons land inspanningen te leveren om technische innovaties door te voeren in hun mijnenbestrijdingsmiddelen. Ons land kan deze doelstellingen relatief eenvoudig invullen, door een robuustere MCM toolbox te verwerven en een uitgebreidere mijnenveegcapaciteit. Voor deze investeringen is zo een 100 miljoen euro ( cte 2015) nodig. Het verbeteren van de Maritime Security Awareness/Maritime Security Operations

68 Door een beperkt aantal investeringen te doen in voornamelijk de hardware en software van ons Maritiem Informatie Kruispunt kan aan deze NAVO en EU doelstelling voldaan worden en kan de beveiliging van onze maritieme belangen verbeteren. Voor deze investering is zo een 5 miljoen euro ( cte 2015) nodig. De verwerving van een schip voor maritieme logistieke ondersteuning De EU heeft tekorten geidentificeerd in de varende tankercapaciteit. Ons land kan deze doelstelling invullen door, samen met onze strategische partner Nederland, dat nu over slechts een steunschip (Joint Support Ship JSS) beschikt, over te gaan tot de verwerving van een steunschip met tankercapaciteit. Uitgaande van een tweeslag voor ABNL is een tweede bevoorradingsschip noodzakelijk. Alleen dan kan de beschikbaarheid van deze essentiele maritiem-logistieke capaciteit worden gegarandeerd. Ook hier is sprake van het voldoen aan een EU en NATO-shortfall en dus de gevoelige verbetering van ons ambitieniveau. Voor deze investering is zo een 160 miljoen euro ( cte 2015) nodig. Een dergelijk schip vraagt maximaal 70 bemanningsleden. De verwerving van twee platformen voor de opleiding Het zeer beperkte aantal toekomstige platformen (2 'Surface Combatants', 4 mijnenbestrijdingsvaartuigen, 2 kustpatrouillevaartuigen) laat niet toe om in een voldoende opleiding en training te voorzien van het benodigde personeel. Het aantal vaardagen nodig voor opleiding en vorming zou een te grote hap nemen uit het operationele potentieel van onze kerncapaciteiten en dus hun inzetbaarheid ernstig reduceren. Bovendien is vorming verrichten op operationele schepen niet-kostefficient. Dit moet opgevangen worden door de aanschaf van 2 bijkomende kleine patrouillevaartuigen die voor vorming en training uitermate geschikt zijn. Gezien het om gelijkaardige platformen als de actuele patrouillevaartuigen gaat kan het onderhoud en de werking ervan maximaal geoptimaliseerd worden. Voor deze investering is zo een 30 miljoen euro ( cte 2015) nodig. Investeringen voor het op peil brengen van de Marinebasis Zeebrugge In dit domein is de verbetering van de operationaliteit van de marinebasis in Zeebrugge het belangrijkste aandachtspunt. De integraliteit van het masterplan infrastructuur moet gefaseerd gerealiseerd worden. Dit omvat: een veiligheidsgebouw, het op norm brengen van de horecainstallaties, de in stand houding van de het zwembad(onontbeerlijke trainingsinfra voor de duikschool), de verdieping van de tijdokken, de verbetering van de fysieke en militaire veiligheid en de verbetering van de werkomgeving. Een bijdrage aan de betere havenbeveiliging beantwoordt tevens de NAVO-objectieven in dit domein. Voor deze investering is gespreid zo een 80 miljoen euro ( cte 2015) nodig. De operationele dimensie Cyberspace De Cyber Security wordt door de ADIV in deze vormgeving, binnen de nationale Cyber Strategie gegarandeerd en verder uitgebouwd

69 De volledige Cyber gevechtscapaciteit, zowel de offensieve, defensieve als inlichtingen pijler, kan volledig ontwikkeld en ontplooid worden. In elke expeditionaire operatie kunnen de netwerken en wapensystemen van Defensie beschermd worden en vijandige netwerken en wapensystemen geanalyseerd en aangevallen worden. De Cyber gevechtscapaciteit kan in deze vormgeving uitgebouwd worden naar een capaciteit met ongeveer 100 leden. Om deze Cyber capaciteiten te leiden en te coordineren is de oprichting van een Cyber Command wenselijk en een doorgedreven internationale samenwerking met geprivilegieerde partners noodzakelijk. In het Joint domein Expeditionary Support to SOF-heavier Defensie/Land Component De voorgestelde uitrusting op het vlak van infrastructuur en luchttransport kadert in het Light Footprint Ops-concept. Lichte, eenvoudige uitrusting, die grotendeels zelfvoorzienend is op energetisch vlak, biedt de volgende voordelen: eenvoudige en dus goedkope strategische inplaatsstelling, gemakkelijker verplaatsing van de compound bij veranderend dreigingsniveau met dus een verhoogde veiligheid voor het ingezette personeel, alsook energetisch zuiniger en dus goedkoper en minder afhankelijk van lange logistieke lines of communication. Het precisie parachuteer-systeem alsook het lichte vliegtuig van het type air caravan vullen een actuele leemte ten opzichte van de A400M, waarvan de omvang, de minimum cargo om rendabel te worden ingezet, de kost per vlieguur en de beperking qua mogelijke rollen te groot zijn om nog verantwoord ingezet te worden voor de steeds kleiner wordende Belgische operationele detachementen. Een air caravan (STOL) 39 is multifunctioneel vanwege de mogelijkheid tot het droppen van personeel, het vervoeren van kleine vrachten, zijn technische mogelijkheid om te opereren van geimproviseerde vliegvelden met zeer korte landings- en opstijgafstanden, alsook het verzekeren van lange afstand verbindingsopdrachten voor autoriteiten. Vanwege zijn COTS 40 - afkomst is hij goedkoop, outsourcebaar en wereldwijd gemakkelijker en goedkoper te onderhouden. De precisie aansturing van geparachuteerde cargo laat aan het leverende vliegtuig toe om vanop hogere hoogtes en dus veiliger een lading te droppen met toch een garantie op aankomst op de bedoelde droppingpunten. Voor de troepen op de grond is de kans op een succesvolle bevoorrading verhoogd. Om onze special forces capaciteit verder op te lijnen met de NAVO standaarden is er ook een special forces helikopter capaciteit noodzakelijk. Vier speciaal daarvoor uitgeruste helikopters zouden de autonomie en mobiliteit van onze special forces aanzienlijk verbeteren. Deze helikopters zijn uitgerust met zeer specifieke technologie om verrassing en veiligheid te optimaliseren. Naast de klassieke eigenschappen van de doorsnee helikopters bieden ze o.a. night vision capability, adverse weather capability, fast rope en rappel mogelijkheden, beveiligde communicatie, electronic countermeasures, landen op onvoorbereide landingsstrips, precisie navigatie, extended range, etc. Het beschikken over deze tuigen is ook een van de ons toegekende NAVO capaciteitsdoelstellingen. De communicatiemiddelen voor de Combined-SpecOpsCompComd (C-SOCC) laten toe de aan Belgie gevraagde NAVO capaciteitsobjectief te bereiken en geven aan Def de mogelijkheid om deel te nemen op het commandoniveau aan de aansturing van de ingezette Belgische SOF-ploegen. De specifiek beoogde apparatuur is ook nodig in de trainings- en voorbereidende fase van de SOF 39 STOL : Short Take-Off and Landing 40 COTS : Commercial Of the Shelf

70

71

72

73 beschikken en de daarbij horende potentieel gezamenlijke ondersteuning, training en opleiding alsook zo nodig inzet. Joint Tactical Air Control (JTAC) teams op de grond met de nodige interoperabiliteit staan dan o.a. in, naast voorwaartse waarneming en coordinate van nauwkeurige grond-grond vuursteun en de coordinate van helikopter ondersteuning voor de coordinate van luchtgrond vuursteun (Close Air Support) en de ter beschikkingstelling aan de commandant van tactische formaties op het terrein van genetwerkte en real time informatie die bijdraagt tot een verhoogde situational awareness via de toegang tot de beschikbare aerial ISR-sensoren in zijn operatiezone. Deze Air-Land integratie vormt geen nieuwigheid op zich, maar verder uitgebouwd in een multinational context, met als catalysator Special Operations, rond doorgedreven ontwikkeling van procedures en het aanbieden van de trainings- en opleidingsmogelijkheden in deze context, vormt ze wel een specifieke opportuniteit om de bestaande, soms versnipperde hoogstaande expertise in deze domeinen te bundelen in een toekomstig NAVO/EU Training Center met land-lucht trainingszone in de brede regio tussen de basissen van Florennes en Marche-en-Famenne. Belgie kan met deze aanpak en inzet op doorgedreven multinationale samenwerking met gezamenlijk platform de lange jaren ervaring met integratie van onbemande vliegtuigen in een complex luchtruim en de ontwikkeling van real time genetwerkte operaties met troepen aan de grond, gevechtsvliegtuigen of interventies in de kuststreek op zee (integratie van UAV operaties in Maritiem Informatie Kruispunt) benutten en verder uitbouwen. Deze geintegreerde aanpak draagt tevens bij tot het behoud van expertise op het vlak van real-time beeldanalyse en ondersteuning van tactische situational understanding, Air-Land ISR-integratie, Close Air Support en de praktische inwerkingstelling van RPA's in een complex operationeel luchtruim. De steun inlichtingen en veiligheid De inlichtingen- en veiligheidscapaciteit groeit in deze vormgeving uit tot een moderne capaciteit zowel als nationale militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, als in steun aan de operaties van de componenten. De evolutie van de personeelseffectieven zal afhankelijk zijn van de nieuwe dreigingen en de vernieuwde ambitieniveaus van de componenten. Binnen de Inlichtingen en Veiligheidsgemeenschap worden verschillende projecten ontwikkeld om de (militaire) inlichtingenpositie van Belgie te behouden en te verbeteren, gestoeld op nationale en internationale samenwerkingsverbanden en optimalisatie van de processen en structuren 43 : - Reorganisatie van de posten Defensie Attaches - Opvolging HELIOS - Project MUSIS - Joint SIGINT eenheid - Joint Cyber eenheid - Joint ISTAR capaciteit - HUMINT (Source Operations) - Intelligence Oriented Ground Recce (Non-Source Operations) - Battlefield Surveillance Radar (BSR) - Unmanned Aireal Systems (UAS) 43 Zie voor de duiding van deze projecten bijlage N

74 - Tactical SIGINT - Future Sensors - Competentie Centrum Inlichtingen (CC Int) - Centre of Excellence Open Source Intelligence (COE OSINT) De verdere investeringen moeten zich concentreren op het in stand houden van de bestaande capaciteiten, de verwerving van ondersteuningstools om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. De capaciteit moet hierbij ook gebruik maken van de Outreach naar de academische en industriele wereld. De operationele medische steun In de vormgeving 1,36 % kan de kwaliteit van de medische dienstverlening verzekerd worden en kan het volledig spectrum van medische steun gewaarborgd worden. Er zullen een aantal belangrijke investeringen nodig zijn in het centrum voor medische expertise, in de hospitaalcapaciteit gebruikt voor de training van het medisch personeel en in de vernieuwing van de medische steun waar men chirurgische capaciteit vindt om een patient chirurgisch te stabiliseren in afwachting van verdere evacuatie naar achter waar meer gespecialiseerde hulp kan geboden worden (Role 2). Dit omvat een 1 ste en 2 de lijnsgeneeskunde evoluerend in functie van de op dat moment geldende normen, met aandacht voor de evacuatiemiddelen van de toekomst en voor de moderne technologieen waarbij de nodige R&D middelen worden vrijgemaakt op het vlak van (micro)robotica, telemedecine, biosensoring, nanotechnologie,... Vormingen Waar Defensie tot op heden een zeer groot deel van de vormingen zelf verleent zal in de toekomst maximaal gebruik worden gemaakt van de bestaande vormingen in de civiele sector of via internationale samenwerkingen. Binnen deze budgettaire mogelijkheden wordt aan de Koninklijke Militaire School (KMS) nog een aangepaste academische vorming verleend, waarbij het aantal academische richtingen coherent is met de toekomstige capacitaire keuzes en het specifiek militair karakter ervan. De vorming in de masterjaren wordt nog enkel in het Engels verstrekt. Hierbij beogen we maximale internationale en interdepartementale samenwerking. De technische vormingen voor onderofficieren worden ingekapseld in de activiteiten van de KMS. De KMS zal in dit scenario ook een noodzakelijke bijdrage kunnen leveren in de domeinen van technologisch onderzoek en 'cyberwarfare'. Voor professionele opleidingen in niet-militaire beroepen zal samengewerkt worden met VDAB, FOREM en ACTIRIS. Zo zal bijvoorbeeld de vorming tot chauffeur binnen Defensie enkel worden toegespitst op het rijden met de militaire operationele voertuigen in tactische omstandigheden. De basisopleiding voor alle militairen wordt gerationaliseerd en ingekort en het aantal locaties zal worden verminderd en gelokaliseerd in toekomstige sleutelkwartieren

75 De vorming van de militaire sportmonitoren verloopt buiten Defensie, enkel de vorming voor specifiek militaire sportactiviteiten wordt nog door Defensie uitgevoerd. De vorming aan de binationale commissariaatsschool die opleidingen tot kok en zaalpersoneel verstrekt aan Belgische en Nederlandse militairen wordt gestopt. Het overgangstraject De strenge besparingen tussen 2015 en 2019 die leiden tot minimale investeringen en zeer beperkte werkingsmiddelen zullen Defensie ertoe noodzaken een tijdelijke structuur en processen uit te werken gericht op het overleven van de organisatie. Nadien opnieuw een geloofwaardige Defensie opbouwen vergt aangepaste efficiente structuren en de daaraan gebonden processen. De overgang van de overlevingsstructuur naar deze efficiente structuur post 2019 geeft aanleiding tot een aantal specifieke uitdagingen. Om het objectief van FTE te bereiken moet de werving opnieuw worden verhoogd naar een niveau van gemiddeld 2400 rekruten per jaar van 2021 tot Dit niveau van rekrutering is naar Belgische normen uitzonderlijk hoog en zal een grote druk uitoefenen op de, zoals beschreven in het algemeen kader, gerationaliseerde vormingscapaciteit alsook op de selectiecapaciteit. Indien pas na 2020 een bijkomende instroom aan personeel mag gerealiseerd worden, bestaat echter het gevaar dat de reeds bestaande tekorten, ten gevolge van een onvoldoende rekrutering in de periode , in die mate zijn opgelopen dat er een inhaalbeweging moet gebeuren om de vooropgestelde doelstructuur van de Landcomponent te bereiken binnen een aanvaardbare termijn. De uitstroom tussen nu en 2023 van het oudere hoog gespecialiseerde technische personeel van de Luchtcomponent zal niet kunnen opgevangen worden indien er gewacht wordt met rekruteren tot Ook in het domein van de verwerving van het materieel moet de organisatie een plotse verhoging van aankoopdossiers en de ontwikkeling van de overeenkomstige inzetconcepten aankunnen. De snelle wissel in de verschillende types materieel als gevolg van de nieuwe investeringen leidt bovendien tot het organiseren van het operationeel testen en evalueren van het nieuwe materieel en nadien tot een snelle aanpassing van de operationele concepten en de trainingsbehoeften van de verschillende componenten. In deze overgangsperiode moet dus rekening gehouden worden met een verminderd aantal inzetbare capaciteiten. In het domein van de infrastructuur zal, zoals beschreven in het algemeen kader, onder meer het aantal kwartieren gerationaliseerd moeten worden. De verhoogde rekrutering noodzaakt het behoud van een bepaald niveau van infrastructuur, onder meer in de logementscapaciteit van de jonge rekruteren tijdens hun basisvorming. De desinvesteringen van de afgelopen jaren vergen een versneld investeringsplan voor de kwartieren die overblijven. De hiermee gepaarde inspanning zal aanzienlijk zijn. In een sterk gekrompen Defensiestaf en gerationaliseerde vormingscapaciteit, zoals beschreven in het algemeen kader, zal het zeer moeilijk zijn al deze aanpassingen te verwerken. Het lijkt dan ook aangewezen in deze vormgeving een minder uitgesproken reductie van de Defensiestaf en vormingscapaciteit te voorzien

76 Besluit Wanneer de budgettaire middelen voor Defensie naar de horizon 2030 evolueren naar een niveau van de gemiddelde inspanningen van de Europese lidstaten van de NAVO (1,36% BBP) kan een brede waaier aan defensiecapaciteiten worden aangeboden om de regering voldoende beleidskeuzes te geven inzake de bijdrage aan de nationale en de internationale veiligheid. De Belgische Defensie wordt dan opnieuw een betrouwbare en geloofwaardige partner in de internationale scene. Door de investeringen in de nieuwe capaciteiten kan in alle domeinen met een aanvaardbaar risiconiveau aan operaties worden deelgenomen. Zodoende dragen we op correcte wijze ons deel van de lasten en de risico' en worden we een actieve verstrekker van veiligheid. Omwille van de kwalitatief hoogstaande systemen worden we daarenboven een attractieve partner om deel te nemen aan de diverse samenwerkingsvormen. Hierdoor kunnen door de juiste keuzes kostenbesparende maatregelen worden genomen waardoor de investeringen nog meer rendabel zijn. De bijdrage die Defensie levert aan de veiligheid binnen de nationale grenzen, op basis van de exclusiviteit van de militaire expertise of bij ontoereikende civiele middelen, wordt hier bovendien duurzaam verzekerd. De ambities die in het regeerakkoord werden bepaald worden volledig waargemaakt. Defensie is dan gewapend voor het brede spectrum aan bedreigingen ten opzichte van onze nationale en Europese veiligheid. Bovendien kunnen we eindelijk bijdragen met nieuwe capaciteiten die onze partners al jarenlang aan ons vragen. Nochtans zal omwille van de voorafgaandelijke periode van schaarse middelen bij de overgang naar deze vormgeving een reeks bijkomende uitdagingen moeten worden overwonnen en moeten er in het personeelsdomein tijdens deze regeerperiode bijkomende structurele maatregelen genomen worden

77 Bijlage A Bijlage A: Historiek van de evolutie van de Defensie begroting Het verlies aan economische draagkracht van de begroting van Defensie, die het gevolg is van de opeenvolgende bijdragen van het departement aan de sanering van de overheidsuitgaven, komt evenzeer tot uiting in de volgende grafiek, die de evolutie weergeeft van de budgettaire middelen aangewend voor Evolutie van de budgettaire middelen aangewend voor Defensie Defensie in procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Tussen 2000 en 2014 is de begroting van Defensie gedaald van 0,99 % van het BBP naar 0,66 % van het BBP. De evolutie van de begroting van Defensie uitgedrukt in procent van de totale overheidsuitgaven van ons land, maakt bovendien zichtbaar dat de sanering van de overheidsfinancien een beduidend grotere impact 65% 60% 55% 50% 45% 40% 35% 30%

78 Bijlage A heeft gehad op Defensie dan op de andere beleidsdomeinen en overheidsniveaus. Tussen 2000 en 2013 is de begroting van Defensie gedaald van 2 % van de totale overheidsuitgaven naar 1,28 %, terwijl de totale overheidsuitgaven in hun geheel gestegen zijn van 49,1 % van het BBP naar 54,7 %. Ook de historiek van de federale begroting toont dit aan: - de initiele begroting 2014 van Defensie lag nominaal bijna 8 % onder het niveau van 2009; - de primaire uitgaven stegen over de periode met 30,7 %, terwijl het aandeel van Defensie in de primaire uitgaven daalde van 7,46 % tot 5,26 %; - binnen de 'Autoriteitcel' 44, waarvan de uitgaven over de periode met 9,1 % stegen, daalde het aandeel van Defensie van 24,66 % naar 20,84 %. Ten slotte, leverde Defensie een grote bijkomende inspanning in het kader van de blokkering van kredieten die begin 2014 door de Regering werd opgelegd aan alle federale departementen. Alle hogervermelde cijfers en grafieken tonen aan dat Defensie over de periode systematisch heeft bijgedragen aan de sanering van de overheidsuitgaven en daarbij, in verhouding tot haar budget, veruit de grootste impact heeft ondergaan van alle federale departementen. Mocht een dergelijke evolutie zich verderzetten dan zou dit de geloofwaardigheid van het Belgisch veiligheids- en defensiebeleid en de continmteit van de opdrachten van Defensie ondermijnen. 44 Autoriteitscel = Dotaties, Kanselarij van de Eerste Minister, FOD Budget en Beheerscontrole, Personeel en Organisatie, Fedict, Justitie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking, Defensie, Politie, Financien en Regie der Gebouwen

79 Bijlage B: gevolgen van het niet investeren in de periode Bijlage B 1. In de operationele dimensie - Land De kritieke overbruggingsperiode : 1. Hoe zal de Landcomponent er in 2019 op personeels- en materieel vlak voor staan bij ongewijzigd budgettair en wervingsbeleid? 2. Welke budgettaire middelen en werving heeft de Landcomponent nodig om een enveloppe van Full Time Equivalent in voldoende operationeel toestand te houden? Human Resources. Vertrekkende van de situatie en bij onveranderd rekruteringsbeleid zal een structuur groter dan Full Time Equivalent niet leefbaar zijn. Voor een doelstructuur van is een percentuele toename van het aandeel Landcomponent in de totale werving voor Defensie nodig en/of zullen transfers tussen de krijgsmachtdelen plaats moeten vinden. Binnen een vaste globale enveloppe gaat dit ten koste van de andere componenten. Indien de rekrutering aan het huidige lage ritme tot 2019 wordt volgehouden, dan stevenen we af op nog grotere tekorten (ten opzichte van huidige situatie) in de categorieen van Onderofficieren en Vrijwilligers, zowel in de technische als niet-technische basisfuncties. Om die reden wordt de klemtoon gelegd op het beschermen van de wervingsenveloppe, het verkleinen van de attritie tijdens de loopbaan en langsheen vorming en selectie bij Onderofficieren en Vrijwilligers. Material Resources. Bij ongewijzigd budget en wervingsbeleid verliest de Landcomponent vanaf 2017 de capaciteiten Very Short Air Defense (MISTRAL) en Slagveldbewaking. Vanaf 2019 kent de Landcomponent een sterke terugval in mobiliteit en communicatie door het niet verwerven van de Rapid Reaction Vehicle en Light Tactical Transport Vehicle platformen ter vervanging van ILTIS en UNIMOG, het te laat opstarten van de Life Extension Programs voor de platformen PIRANA, DINGO, LYNX, het ontbreken van beschermde Recovery voor gemotoriseerde inzet, de obsolescentie van materieel voor het verzekeren van de mobiliteit en bescherming in operatie en het niet verwerven van nieuwe tactische radiocommunicatie. Dit zal Rapid Reaction Operations en gemotoriseerde inzetvormen gaandeweg meer beperken. Om in 2019 een Landcomponent te verzekeren van Full Time Equivalent zonder verlies van capaciteiten is nog tijdens deze legislatuur 385 Mio nodig (individuele uitrusting soldaat van de toekomst - BEST - exclusief). Bovendien dienen de werkingsmiddelen voor Landsystemen (munitie, brandstof en onderhoud) dan met ongeveer 20 Mio per jaar verhoogd te worden (exclusief middelen voor outsourcing). Operationele inzet. Waar vandaag 1 op 5 van het ontplooibare Pers niet correct kan trainen, wordt dit vanaf 2018 bijna 1 op 4, ondanks een eventuele personeelsvermindering van naar Dit heeft een negatieve impact op de operationele paraatstelling, de motivering, retentie en uiteindelijk op de rekrutering. Daarom mogen de maneuverdagen voor de Landcomponent niet onder de komen. Bij ongewijzigd wervingsbeleid zal de Landcomponent evolueren naar ZES kleine Maneuverbataljons en verkleinde gevechtssteun- en ondersteuningseenheden. Dit resulteert in VIER kleine Interwapencompagnies per vector (parachuteerbaar, DINGO, PIRANA) echter ZONDER enige reserve in personeel. Beperkte/bedreigde subcapaciteiten kunnen bij ongewijzigd investeringsbeleid enkel worden ingezet op basis van obsolete/onveilige uitrusting. Het ambitieniveau blijft macroscopisch analoog, maar met 25% minder effectieven en meer beperkingen. De delta met de door NATO gevraagde bijdrage en BENELUX-projecten wordt daarmee zeer groot

80 Bijlage B 2. In de operationele dimensie - Air Het dient benadrukt te worden dat het niet beschikbaar zijn van investeringsmiddelen voor 2021, voor de Air Component verstrekkende (internationale) gevolgen heeft gelet op onze doorgedreven internationale samenwerking. Hierbij een overzicht: - Het dossier Air Combat Mission Center voor F-16 is niet meer realiseerbaar aangezien het te laat wordt om nog een redelijke return on investment te verzekeren. - De volgende stap van het internationaal F-16 Commonality and Interoperability Consolidation Program - dat gemeenschappelijk ondersteund wordt door de leden van het F-16 MNFP - moet naar 2020 (vastlegging) en 2021 (ordonnancering) doorgeschoven worden. Dit zal een uitermate moeilijke onderhandeling noodzaken met onze partnerlanden aangezien deze upgrade vroeger in de tijd ontwikkeld zal worden. Wij zetten dus eenzijdig dit moderniseringsprogramma op de helling, met alle gevolgen van operationele irrelevantie van de betrokken F-16 vloot van dien. Zonder overdrijven, riskeert dit de oorzaak te zijn van het vroegtijdig beeindigen van het 40 jaar durende partneriaat en dit in absolute mineur. In voorkomend geval zal het label van "onbetrouwbare partner" ons ongetwijfeld op gekleefd worden. - Het programma Small Diameter Bomb, onontbeerlijk in het streven naar betere precisie, minder collaterale schade en een hogere stand-off capaciteit voor de F-16 grond-lucht gevechtscapaciteit, moet ook worden uitgesteld naar 2021/ Het begin van de betalingen voor het F-16 vervangingsprogramma moet doorgeschoven worden naar Dit creeert echter een hogere budgettaire boeggolf, resulterend in een hogere initiele aanbetaling. - Voor de block-update NH90 zal een moeilijke onderhandeling volgen met de internationale partners van het NH90-programma, omdat we dit onderdeel naar ten vroegste 2021 moeten doorschuiven. Dit heeft mogelijk extra kosten voor Belgie tot gevolg, aangezien we pas laat in het programma onze bijdrage zullen kunnen betalen. - In scenario 1.36% BBP: Small (en later desgevallend MALE) UAV systemen moeten naar 2021 worden doorgeschoven hetgeen deze capaciteiten een stuk later dan noodzakelijk ter beschikking zal stellen en de continuiteit van expertise in dit domein ernstig in het gedrang kan brengen zonder de nodige aandacht voor toewijzing van voldoende werkingsmiddelen om het bestaande systeem tot dan te kunnen tewerkstellen en/of het voorzien van een interim-oplossing

81 Bijlage B 3. In de operationele dimensie - Marine Het dient benadrukt te worden dat het niet beschikbaar zijn van investeringsmiddelen voor 2021, voor de Naval Component een belangrijk (internationaal) gevolg heeft. In deze legislatuur zijn de beslissingen en vastleggingen in beide vernieuwingsprogramma's, fregatten en mijnenbestrijding, noodzakelijk. Ze moeten daarenboven synchroon verlopen met Nederland om zo de samenwerking succesvol te kunnen verderzetten. Deze vastleggingen zijn ook onontbeerlijk om de signalen van onze nauwste partner, waarbij Belgie als betrouwbare partner in vraag wordt gesteld, te ontkrachten en de integratie met Nederland duurzaam verder te laten gaan. De Godetia, commando -en logistiek steunschip voor de mijnenbestrijding Concreet gevolg is dat de onbeschikbaarheid van budgettaire marge ervoor zorgt dat de functionaliteiten actueel aangeboden (binationaal en NAVO) met de het commando -en logistiek steunschip voor mijnenbestrijding Godetia, wegens haar te laattijdige vervanging, gedurende jaren onbeschikbaar zullen zijn in de capacitaire waaier. Dit heeft een negatieve impact op onze aan bijdrage aan NAVO en binationaal. 4. In het Medisch domein Operationele dimensie Om in alle omstandigheden een adequate medische steun te kunnen leveren, ook in deze waar men niet op HNS of een internationale partner kan terugvallen, moet ook de Medische Dienst van een afgeslankte Defensie over performante materiele en personele middelen kunnen beschikken, een noodzakelijke autonomie behouden en moeten er inspanningen gedaan worden om de "capability gaps" weg te werken. Het niet beschikbaar zijn van investeringsmiddelen heeft tot gevolg dat de gangbare "standard of care" niet langer kan gewaarborgd worden, hetgeen niet alleen gevolgen heeft op vlak van het medisch materiaal maar ook voor de infrastructuur van de Role 2. Statuut MTK Het realiseren van een aangepast statuut voor de vakrichting MT is essentieel binnen een model waarin een militair hospitaal behouden blijft, maar wordt een absolute conditio sine qua non indien men andere modellen in overweging neemt. Indien men bij het voornemen blijft om de training van het medisch technisch personeel in MHKA stop te zetten, is het gevaar reeel dat dit korps, dagelijkse tewerkgesteld in een civiel werkveld, daar het statuut en de werkomstandigheden van die omgeving zal opeisen. Het in het verleden van toepassing zijnde activiteitenprofiel van het MTK binnen Defensie alsook haar verloning boden onvoldoende garanties om via aangepaste vorming en training tot een verwerving en behoud van de nodige competenties te komen. Het heeft de Medische Component, in het vooruitzicht van een aangepast statuut, bijna tien jaar gekost om de juiste ingesteldheid bij de jonge, nieuw gerekruteerde technici te creeren. Indien er binnen heel afzienbare tijd geen nieuw statuut komt, zal het niet lang duren tot deze nieuwe generatie progressief zal ontsporen. Een gelijkaardige problematiek zal meer en meer relevant worden voor andere beroepen, zoals bij voorbeeld de verpleegkundigen, laboranten, kinesisten,... Hospitaalactiviteiten Zonder zich uit te spreken over het model waarbinnen de actuele medische "hospitaalactiviteiten" zich in de toekomst moeten situeren, activiteiten die voor Defensie en de natie belangrijk zijn, tonen analyses aan dat deze activiteiten op de een of andere manier moeten geborgd worden

82 Bijlage B Vermits de militaire geneeskunde niet los kan beschouwd worden van de civiele gezondheidszorg is het goed om vast te stellen dat het sinds jaren noodzakelijk geachte overleg tussen Defensie en Volksgezondheid recent werd opgestart. Boven op de specifieke operationele militaire geneeskunde zal d it proces mee bepalend zijn voor het uittekenen van de militaire Medische Dienst van de toekomst. 5. Communicatie -en informatiesystemen Domein Air Traffic Management In het domein Air Traffic Management vergt het samengaan met een partner en het op niveau brengen van de radiomiddelen bepaalde investeringen. Het ontbreken van deze investeringsmiddelen beperkt de samenwerkingsmogelijkheden en verhindert de realisatie van synergie in dit domein. De gebrekkige werking van de grond-lucht radio's en het ontbreken van de nodige middelen om het controlesysteem te laten evolueren, zullen een impact hebben op de operationele beschikbaarheid en de veiligheid van de militaire luchtverkeersleiding. KIM(Kleine Investeringen Materieel) In het snel evoluerende domein van CIS en Intel zijn continu investeringen nodig. Een basislaag van 9 Mio is noodzakelijk om zowel de corporate als de operationele systemen in stand te houden. Daarboven is er 4 Mio per jaar nodig om Defensie te voorzien van de nodige crypto's, de capaciteit om SIGINT te kunnen doen en om de analysetools van ACOS-IS te laten evolueren. Zonder deze systemen verliest de militaire inlichtingen het merendeel van haar sensoren. De basisbehoefte voor minimale investeringen in het CIS en Intel domein is dus 13 Mio. HELIOS / MUSIS De opvolger van HELIOS, het project MUSIS, vraagt een minimale participatie van 75 Mio. Belgie heeft via BELSPO in het MUSIS project reeds 42 Mio geinvesteerd die terug gevloeid zijn naar de Belgische industrie. Op dit ogenblik is het project in een beslissende fase waarbij ten laatste in 2016 moet gestart worden met de investering van 8 Mio in het grondstation. Binnen dit project zijn er verregaande gesprekken en informele engagementen van 2 andere partners om mee te investeren teneinde de participatie van 75 Mio te delen. Deze opportuniteit betekent dat aan de Belgische behoefte kan voldaan worden tegen een gereduceerde kostprijs. Zonder MUSIS zal Belgie niet meer kunnen beschikken over eigen satellietbeelden. Bij ontstentenis zal toevlucht gezocht moeten worden tot de commerciele sector. De satellietbeelden op de commerciele markt voldoen niet aan de kwalitatieve vereisten en is tot 5 keer duurder, hetgeen niet gebudgetteerd is in de werkingsmiddelen. De facto betekent dit dus dat de IMINT capaciteit van Belgie komt te vervallen vanaf ten vroegste 2018 Verder doet de stopzetting van dit project schade aan de internationale reputatie als loyale partner. Radiomiddelen Defensie kan voorlopig de BAMS radio's niet vervangen door moderne radio's waardoor de interoperabiliteit en de inzetbaarheid in coalitieverband van onze troepen in het gedrang komt. Bovendien is er geen ruimte om de datacommunicatie verder uit te bouwen (de BAMS radio's kunnen de datacommunicatie niet leveren). Wanneer er dan ook niet kan geinvesteerd worden op korte termijn in de

83 Bijlage B vervanging van de computers aan boord van de voertuigen voor het Battlefield Management Systeem impliceert dit het stopzetten van de digitalisatie van de Land Component. Jammers Zonder investeringen in de komende vijf jaar zullen de jammers die bescherming bieden tegen Radio Controlled Improvised Explosive Devices (RC-IED) niet gemoderniseerd kunnen worden. Dit betekent dat de ingezette troepen een bijkomend risico lopen

84 Bijlage C Bijlage C: De investeringen en werkingskosten in de vormgevingen In vormgeving 1 Het investeringsbeeld Het werkingsbeeld

85 Bijlage C In vormgeving 2 Het investeringsbeeld Het werkingsbeeld

86 Bijlage C In vormgeving 3 Het investeringsbeeld Het werkingsbeeld

87 Bijlage C In de vormgeving voor het scenario 1,36% BBP Het investeringsbeeld Het werkingsbeeld

88

89 Bijlage D In de vormgeving In een mogelijke vormgeving

90 Bijlage D In de vormgeving

91 Bijlage E Bijlage E: De 'Search and Rescue' taak Outsourcing van de Search And Rescue (SAR) Sinds de ondertekening van het Verdrag van Chicago in 1944 is Belgie verantwoordelijk voor de assistentie aan vliegtuigen in nood boven zijn grondgebied en zijn territoriale wateren en dit zowel voor burger- als militaire vliegtuigen. In principe draagt voor ons land de FOD Mobiliteit deze federale verantwoordelijkheid. Door een interdepartementale overeenkomst heeft Defensie deze taak sinds 1951 op zich genomen wegens het hoofdzakelijk militaire karakter van de destijdse interventies. Vandaag liggen de verhoudingen opmerkelijk anders; tijdens de voorbije vijf jaar hadden slechts 11 van de ongeveer 600 interventies een militair karakter, dat is minder dan twee procent. Het aantal interventies gerelateerd aan de luchtvaart vormt eveneens een kleine minderheid. Door de langdurige uitvoering van de SAR-opdracht in al zijn vormen heeft Defensie een uitzonderlijke expertise en (inter)nationale waardering kunnen opbouwen. Deze capaciteit speelde al meermaals een beslissende interventierol bij nationale rampen zoals de Switel-brand, het kapseizen van de Herald of Free Enterprise, de gasramp in Ghislenghien, etc. Dit is een uniek, alom gekend en geliefd uithangbord van Defensie. Nederland besliste recent om haar SAR-opdracht uit te besteden aan een Belgische burgerfirma, waardoor er vrij nauwkeurige en betrouwbare referentiekosten beschikbaar zijn. De uitbesteding of outsourcing van de SAR-opdracht, met een vergelijkbaar dienstverleningsniveau als dat van Belgie, kost Nederland grosso modo 10 miljoen euro per jaar. Het is onduidelijk welk Belgisch departement, in voorkomend geval, deze factuur zou moeten betalen, een onderwerp dat ongetwijfeld deel zou moeten uitmaken van interdepartementale onderhandelingen. Het stopzetten van de SAR-opdracht door de Belgische Defensie zou in theorie een van de vier NH-90 helikopters van de variant NATO Frigate Helicopter (NFH) overbodig maken. De drie overige toestellen zijn de minimale vereiste voor de aparte voortzetting van de maritieme ondersteuningsopdracht (MAR), maar impliceren tevens een suboptimaal gebruik ten aanzien van de combinatie SAR plus MAR met vier toestellen. Daarenboven hebben de huidige economische omstandigheden geleid tot een overaanbod van deze helikopters waardoor de perspectieven voor het aanbieden van een NFH op de tweedehandsmarkt met een billijke return-on-investment erg onduidelijk, zo niet ronduit ongunstig, zijn. De geanticipeerde besparingen inzake personeels- en infrastructuurkosten zouden eveneens erg beperkt zijn. De meest efficiente perspectieven worden, volgens de gegevens vandaag bekend, geboden door een publiek-publieke-samenwerking 46 (PPS) op de basis van Koksijde. De ontwikkeling en de analyse van deze optie bevinden zich weliswaar nog in een zeer pril stadium maar ze lijkt alvast alle andere betrokken partijen te interesseren. In ruil voor de waarde van de terreinen zou Defensie voor een eigen voortgezette uitvoering van de SAR-opdracht gedurende meerdere decennia kunnen beschikken over de nodige terreinen en infrastructuur zonder kosten. Ook de personeelskosten zouden hierdoor supplementair gedrukt kunnen worden, al zij het in geringe mate. Gelet op de reeds erg slanke personeelsstructuur van het momenteel in ontwikkeling zijnde werkingsconcept van de Deployed Operating Location Koksijde zou de besparing op personeelskosten bij totale outsourcing verhoudingsgewijs eveneens beperkt zijn. 46 De besprekingen tussen Defensie, de provincie West-Vlaanderen en de gemeente Koksijde zijn momenteel lopende

92 Bijlage E Gelet op bovenstaande rationale, lijkt het aangewezen om, aan vergelijkbare kost, in eerste instantie de PPS-piste verder te ontwikkelen om alzo een win-win situatie voor alle betrokken partijen in de hand te werken. Deze win-win zou nog substantieel aangedikt kunnen worden indien Defensie een deel van de SAR- kosten die buiten haar eigenlijk takenpakket vallen zou kunnen recupereren, zij het bij de FOD Mobiliteit of bij de begunstigden die zich niet kunnen beroepen op heirkracht

93 Bijlage F Bijlage F: De lichte A109 Helikopter Uit omloop name van de A-109 Light Utility Helicopter (LUH) De helikopter-kerncapaciteit is opgebouwd rond de twee varianten van het NH-90 platform, aangevuld met een capaciteit A-109 Light Utility Helicopter ter absorptie van bepaalde trainingsaspecten, "domestieke opdrachten" en taken. Het hoofdobjectief van het behoud van een beperkte gemoderniseerde A-109 vloot is de optimalisatie van de operationele beschikbaarheid van de schaarse NH-90 platformen. Het zogenaamde "downloaden" van bepaalde trainingsvereisten, de transfer van bepaalde inzetopties en de overbrugging van de trainingskloof voor jonge heli-piloten die net hun basisopleiding afwerkten, zijn allemaal taken die perfect volwaardig, aan een veel lagere kost en met een hogere efficientie door een LUH kunnen geabsorbeerd worden. Hieronder verstaan we, bijvoorbeeld; lokale verbindingsvluchten, medische evacuatie bij (schiet)oefeningen, initiele training van Special Forces, continuiteitstraining inzake nacht- en instrumentvliegen, etc. Deze LUH-capaciteit is vrij goedkoop inzake werkingskosten en alle investeringsschuld - ook die van de modernisering - is op dit moment budgettair geabsorbeerd. Bovendien is ze vandaag al onderhevig aan een ingrijpend rationalisatieproces met aanzienlijke reducties als gevolg. Bij schrapping van deze capaciteit zal daarom de winst op investeringskosten nihil zijn en de besparing op de reeds lage infra- en personeelskosten marginaal. Een dergelijke schrapping impliceert eveneens dat het vluchtplan van de veel duurdere NH-90 aanzienlijk zal toenemen om de verhoogde trainingsbehoefte te kunnen dragen. Om redenen van efficientie en van rationeel materieelbeheer gaat de voorkeur bijgevolg uit naar het behoud van 08 gemoderniseerde A-109's ter ondersteuning van de paraatstelling van de kerncapaciteit NH- 90 en voor ondersteuningsopdrachten

94 Bijlage G Bijlage G: Verduidelijkingen in het domein "vorming van de kaders" De huidige vorming van de Officieren beantwoordt aan de behoeftes van Defensie maar is in de huidige context zeer duur. De personeelskost Koninklijke Militaire School (KMS), met inbegrip van de verloning van de leerlingen, bedroeg in 2012 (laatste volledige cijfers) ongeveer 52 Mio. De werkgroep heeft een aantal opties onderzocht, waarvan de volgende werden weerhouden 47. Optie A: een hertekende KMS met sterk afgeslankte bachelor- en mastervormingen militaire ingenieur en sociale en militaire wetenschappen (geschatte personeelskost anno 2015: 29 Mio ) Optie B: een hertekende KMS met enkel een sterk afgeslankte bachelor- en mastervorming sociale en militaire wetenschappen (geschatte personeelskost anno 2015: 24 Mio ) Optie C: rekrutering met diploma gevolgd door een militaire vorming (geschatte personeelskost anno 2015: 19 Mio ) Bij deze laatste optie (C) is het de bedoeling kandidaten met een willekeurig bachelor- of masterdiploma te rekruteren en ze vervolgens om te vormen tot officieren via een aangepast programma van 18 maanden. Dit programma omvat naast een zuivere militaire basisopleiding tot officier, een aantal cursussen om elementaire commandovaardigheden te ontwikkelen. Ook zal de nodige aandacht besteed moeten worden aan het taalonderricht in de 2 de landstaal (mogelijk via een outsourcing) en het Engels. Hoewel deze optie goedkoper is dan beide andere, gevoelig korter is in opleidingsduur en de diversiteit van het officierenkorps bevordert, heeft ze tal van inherente nadelen. Bij deze optie bestaat er geen garantie dat de Belgische Defensie over het noodzakelijke officierenkader zal kunnen beschikken voor het uitvoeren van haar kerntaken, noch op kwantitatief, noch op kwalitatief gebied. Enerzijds zal Defensie de concurrentie moeten aangaan met andere FOD's, overheidsbedrijven en de privesector op de arbeidsmarkt van universitairen. Hierbij vertrekt Defensie vanuit een verschillende positie door de onzekere toekomstperspectieven, de militaire specificiteit van de job (fysiek gevaar, gebrek aan comfort, impact buitenlandse opdrachten op priveleven, vereiste mobiliteit,...) en het feit dat de reeds gediplomeerde kandidaat nog een 18-maanden durende intensieve vorming moet ondergaan alvorens aan de slag te gaan in de functie waarvoor hij gepostuleerd heeft. Zeker voor de talrijke technische functies noodzakelijk in een moderne Defensie, is het helemaal niet gegarandeerd dat deze optie de behoefte aan kandidaten zal kunnen dekken. Dit wordt bevestigd door de cijfers van de huidige rekrutering op diploma. Het gebrek aan technische know-how brengt de operationaliteit van Defensie in het gedrang. Anderzijds hebben deze mensen zich wel al bewezen op academisch vlak, maar dit geeft geen enkele indicatie over hun andere noodzakelijke competenties om officier te worden zoals onder andere fysieke paraatheid en mentale weerbaarheid. Het rekruteren van kandidaten met diploma impliceert het verdwijnen van de Koninklijke Militaire School als militaire universitaire instelling. Hierdoor zal zij haar rol als het enige kenniscentrum van Defensie niet meer kunnen vervullen. Dit zal onherroepelijk leiden tot een verhoogde kost door het verplicht uitbesteden van technische expertises en het hypothekeren van de uitbouw van technische capaciteiten zoals cyberdefence. Het ontbreken van een defensie-kenniscentrum leidt tot problemen bij de voortgezette vorming: enerzijds een verlies aan capaciteit voor de verdere vorming van de kaders (officieren en onderofficieren) gedurende De instroom op lange termijn, functie van de mogelijke scenario's van Defensie (18 K, 20 K, 25 K), heeft geen rechtstreekse invloed op de voorgestelde opties

95 Bijlage G hun volledige loopbaan en anderzijds de verplichting voor Defensie om de noodzakelijke militairacademische vorming van de hogere kaders uit te besteden aan buitenlandse militaire instellingen. Naast de financiele implicaties moet men er rekening mee houden dat deze instellingen hun nationale programma's niet zullen aanpassen aan de typisch Belgische noden, met als gevolg dat de Belgische Defensie haar doctrine en de algemene werking van haar staven zal moeten aanpassen in functie van het land waar haar officieren de cursussen gevolgd hebben. Om de coherentie van de werking van de Belgische Defensie niet in gevaar te brengen is het noodzakelijk een bepaald land uit te kiezen. Deze keuze zal op het vlak van taal, geografische nabijheid en politieke gezindheid zeker geen sinecure zijn. Belgie is in dit scenario zeker geen betrouwbare partner meer: het ontbreken van een eigen vormingscapaciteit betekent dat alle huidige, bestaande, wederzijdse samenwerkingsverbanden herleid zullen worden tot unilaterale. In tegenstelling tot de voorgaande optie, vormen de opties A en B geen sprong in het duister. In deze laatsten blijft de huidige filosofie van de opleiding van de Belgische officieren behouden, met dezelfde kwalitatief hoogstaande output. In optie A worden bachelor- en mastervormingen militaire ingenieur en sociale en militaire wetenschappen aangeboden terwijl in optie B enkel de opleiding sociale en militaire wetenschappen voorzien is. In beide opties is een uitstroom als officier niveau B mogelijk voor bachelors Sociale en Militaire Wetenschappen. De masteropleidingen worden in het Engels gegeven en de master Sociale en Militaire wetenschappen wordt beperkt tot een jaar. Het aanbod van de academische vormingen wordt sterk gereduceerd ten opzichte van de huidige situatie en volledig opgelijnd met de door Defensie gedefinieerde competenties. In tegenstelling tot optie C waarin de kandidaat officieren onmiddellijk hun volle wedde krijgen, wordt in optie A en B voorzien in een beperkte verloning tijdens de bachelor jaren. Deze aanpassingen zullen de efficientie en de flexibiliteit verhogen zonder afbreuk te doen aan de unieke kenmerken van de huidige opleiding: de integratie van een sportieve, militaire en karakteriele vorming, een academisch niveau en een minstens driejarige onderdompeling in de waarden van de Belgische Defensie. Bovendien is een gefaseerd taalonderricht over de drie bachelor jaren voorzien wat garanties biedt op een betere talenkennis van de Officieren in vergelijking met het gecondenseerde en beperkte taalonderricht in optie C. De vernieuwde academische opleiding laat ook toe de bestaande synergieen met de voortgezette vorming te behouden en zelfs uit te diepen. Hierdoor kunnen ook in deze laatste belangrijke besparingen verwezenlijkt worden, zowel in personeel als in tijd. Bovendien kan een officier niveau B tijdens zijn voorgezette vorming, mits het volgen van een aantal modules van de master Sociale en Militaire Wetenschappen, een masterdiploma behalen en zodoende alsnog in de voorwaarden komen om Hoger Officier te worden en dit in een beperkte tijdspanne. De hoge flexibiliteit laat ook synergieen toe met andere FOD's (denken we hierbij aan brandweer, civiele bescherming, Veiligheid van de Staat en politie) en met buitenlandse Defensies. Tenslotte bieden beide opties de mogelijkheid om bepaalde technische of wetenschappelijke aspecten van de vorming onderofficieren te integreren. Tevens kan de voortgezette vorming van de onderofficieren geheel of gedeeltelijk samenvallen met deze van de officieren. Een belangrijk nadeel van optie B t.o.v. optie A is het wegvallen van een eigen, typisch militair getinte, ingenieursopleiding. Dit heeft verschillende gevolgen. De aanwerving van ingenieurs, die toch noodzakelijk is in een Defensie die zelf steeds technischer wordt maar ook geconfronteerd wordt met steeds technischer wordende dreigingen zoals cyberattacks, zal enkel kunnen gebeuren op diploma. De huidige cijfers van de werving op diploma tonen aan dat het voor Defensie moeilijk is om afgestudeerde ingenieurs aan te trekken. En dit is ook te begrijpen: Defensie zal de concurrentie moeten aangaan met andere FOD's,

96 Bijlage G overheidsbedrijven en de privesector op de arbeidsmarkt van de technisch gevormde universitairen. Hierbij vertrekt Defensie vanuit een zwakke positie door de onzekere toekomstperspectieven, de militaire specificiteit van de job (fysiek gevaar, gebrek aan comfort, impact buitenlandse opdrachten op priveleven, vereiste mobiliteit,...). Hier zullen attractiviteit verhogende maatregelen op pecuniair -en professioneel vlak noodzakelijk zijn. Om het onderwijs in de technische vakken in de vorming Sociale en Militaire Wetenschappen te verzekeren zullen ook nog extra professoren (ingenieurs) aangetrokken moeten worden aangezien deze taak niet meer vervuld kan worden door het onderwijzend personeel van de militaire ingenieursopleiding. Bovendien betekent het verdwijnen van de militaire ingenieursopleiding ook dat de KMS haar rol van technisch kenniscentrum van Defensie niet meer zal kunnen invullen. Dit zal onherroepelijk leiden tot een verhoogde kost door het verplicht uitbesteden van technische expertises en het mogelijks hypothekeren van de uitbouw van technische capaciteiten zoals cyberdefence. Besluit: Hoewel optie C budgettair aantrekkelijk is, geeft ze geen garantie om de gestelde objectieven te bereiken. Dit is wel het geval voor de opties A en B aangezien zij de zekerheid bieden om over voldoende en kwalitatief hoogstaande officieren te beschikken. Bovendien behoudt Defensie de nodige flexibiliteit om in te spelen op mogelijke veranderingen in de behoeftes in aantallen en niveau van officieren. Het is evident dat de optie A duurder is dan optie B. Het verschil is echter beperkt en is van dezelfde orde van grootte als de ingeschatte meerkost voor het uitbesteden van de technische expertises die in deze optie noodzakelijk zal zijn door het verlies aan technische know-how

97 Bijlage H Bijlage H: De medische ondersteuning Toelichting bij de ondersteunende dimensie Algemeen Bij de analyse van de behoefte aan medische steun vertrekt de Medische Component steeds van een risicoanalyse om de noodzakelijke voorafgaande medische paraatstelling en het restrisico te kunnen bepalen. Het restrisico dat het commando bereid is te aanvaarden, zal bepalend zijn voor de te voorziene medische steun. De bepaling van de operationele medische steun houdt rekening met volgende principes: Quality of medical care Timeliness of treatment Continuity of care Compatibility of the medical support system Multinationality De medische steun voor omvat in elk scenario - De Role 0 steun, m.a.w. in geval van verwonding start de medische hulpverlening steeds met buddy aid en de tussenkomst van de hulpbieders / aidmen van de ingezette eenheid. - De Role 1 steun, niveau waarop meer gespecialiseerde hulp geboden wordt door een arts, verpleegkundige(n) en ambulanciers - De Role 2 steun waar men chirurgische capaciteit vindt om een patient chirurgisch te stabiliseren in afwachting van verdere evacuatie naar achter waar meer gespecialiseerde hulp kan geboden worden. - Aangepaste medische evacuatiemiddelen tussen de plaats van verwonding (point of wounding = POW) en de verschillende medische installaties - Strategische evacuatiemiddelen om de patient finaal naar Belgie te evacueren om de definitieve behandeling en revalidatie te ondergaan Gezamenlijk aan alle scenario's Voor elke vorm van expeditionaire inzet wordt nu in Belgie op permanente basis een medische ploeg in stand by gehouden voor het verwezenlijken van strategische evacuaties van patienten met fixed wing middelen. In een scenario zonder curatieve geneeskunde binnen het MHKA 48 stelt zich de vraag of en hoe Defensie in de toekomst nog zal kunnen participeren in een multinationaal verband (EATC) indien men de beschikbaarheid van gespecialiseerde medische begeleidingsteams niet vanuit eigen rangen kan garanderen. Voor deze teams wordt immers vandaag de dag, ad hoc, geput uit het gespecialiseerd personeel van het MHKA. Voor elke vorm van expeditionaire inzet wordt eveneens een medische capaciteit voorzien om een aeromedische evacuatie met rotary wing te organiseren. De Structuur Aangezien de volledige structuur van Defensie in Belgie nog niet werd uitgetekend, heeft deze studie zich nog niet gebogen over de structuur van de Medische Component. Het spreekt voor zich dat de lokalisatie van de EMI 49 zich steeds zo dicht mogelijk bij de "klant" zal bevinden om de medische ondersteuning van de klant tijdens zijn paraatstelling zo adequaat mogelijk te kunnen realiseren MHKA: Militair Hospitaal Koningin Astrid EMI : Elementen Medische Interventie

98 Men mag er van uitgaan dat in de eindfase van de studie de volgende types formaties noodzakelijk zijn: Een commando-element voor de aansturing van de operationele medische middelen Bijlage H Een centrum voor medische keuring en expertise met een medisch-technisch platform ter ondersteuning van de medische onderzoeken Een vormingseenheid die verantwoordelijk is voor de militaire medisch-technische vorming van het personeel van de Medische Component en de hulpbieders en "emergency medical technicians" van de andere componenten Een trainingsinstallatie voor het hoog gekwalificeerd medisch-technisch personeel van de Medische Component (bij schrapping van het MHKA de novo te creeren) Trainingseenheden voor het lager gekwalificeerd medisch-technisch personeel van de Medische Component. Deze eenheden worden bij de "klant" gelokaliseerd teneinde de tactische integratie van de medische middelen te maximaliseren. Deze eenheden kunnen al dan niet gedelokaliseerde antennes bevatten om verwijderde klanten beter te kunnen bedienen De GEVOLGEN van de afstoting van het militair hospitaal Een Medische Dienst ZONDER Militair Hospitaal in zijn huidige vorm, zal leiden tot: - Effecten op de operationele inzetbaarheid van Role 2 capaciteiten en de functie van MHKA als reachback capaciteit - Effecten op de beschikbaarheid en de kwaliteit van zorgen op maat - Effecten op de medische training van het personeel - Effecten op de beschikbaarheid van medische data - Effecten m.b.t. de resterende CME-capaciteit - Effecten op de aantrekkelijkheid als partner - Effecten op de aantrekkelijkheid als werkgever - Effecten op de dienstverlening t.v.v. derden - Budgettaire effecten voor andere departementen - Effecten op budgettair-financieel vlak Men kan zich de vraag stellen in hoe verre er nog sprake kan zijn van een onmiddellijk inzetbare Role 2 capaciteit vermits het personeel uit civiele ziekenhuizen dient losgeweekt te worden. De ervaring heeft aangetoond dat de bereidheid van specialisten om medische activiteiten te ontplooien in specifieke, vaak precaire, militaire omstandigheden afneemt ten gevolge van een permanente tewerkstelling in comfortabele hoogtechnologische civiele omgeving. In afwezigheid van een forum waar militair medisch technisch personeel samen kan werken (trainen), gebruik makend van operationeel materieel, zal het opwerkingstraject van de Role 2-capaciteit in ieder geval verlengd en bemoeilijkt worden. Momenteel fungeert het MHKA, naast haar andere functies, ook nog als een reach back capacity voor het personeel dat ontplooid is in een operatie. Wanneer dit personeel geconfronteerd wordt met een specifiek militair medisch probleem waarvoor een advies nodig is, kan het in ALLE omstandigheden en op ELK tijdstip contact nemen met het MHKA. Het sluiten van het MHKA zal dit onmogelijk maken door het verdwijnen van "in house" expertise en competentie. Effecten op de beschikbaarheid en de kwaliteit van zorgen op maat Het spreekt voor zich dat we ons in de eerste instantie op de impact voor Defensie focussen. Het schrappen van de gespecialiseerde militaire tweedelijnsgeneeskunde zal leiden tot een verarming van de geneeskunde "op maat" die aan de militairen vandaag kan aangeboden worden en waarbij bijvoorbeeld bijzondere aandacht wordt besteed aan de fysieke conditie, specifieke pathologieen (bij voorbeeld: aandoeningen van het locomotorisch apparaat en de psychische belasting voortvloeiend uit ontplooiingen in het buitenland)

99 Bijlage H Gespecialiseerde activiteiten, ontwikkeld omwille van hun operationele relevantie, zijn "as such" niet beschikbaar in de civiele sector (bijvoorbeeld: het herconditionneringsprogramma MeNuFit of de militaire crisispsychologie) of zijn niet afgestemd op de militaire behoefte (bijvoorbeeld: ontwikkeling van specifieke protocols in het domein van travel medicine). Naast het inhoudelijke, kwalitatieve aspect van deze gespecialiseerde, militaire geneeskunde, zal de patient, indien het zorgaanbod niet meer "in house" beschikbaar is, in bepaalde specialiteiten bijkomend geconfronteerd worden met lange wachttijden. Verder zal de rechthebbende van Defensie m.b.t. behandelingen waarvoor geen tussenkomst voorzien is door het RIZIV de kosteloosheid van verzorging verliezen vermits er niet kan van uit gegaan worden dat Defensie over de nodige budgetten zal beschikken om deze kosten ten laste te nemen. Zo zouden bij voorbeeld in een scenario zonder MHKA meer dan consultaties in het domein van de geestelijke gezondheidszorg ten laste van de patient vallen. Beschikbaarheid van bloedproducten voor Defensie In het specifieke geval van de Militaire Dienst voor Bloedtransfusie dienen er drie aspecten in acht genomen te worden. Het eerste heeft betrekking op het kwalitatieve aspect verbonden aan het militaire fabricageproces dat veel strenger is dan voor de producten uit de civiele sector (minder ongevallen met transfusies van militaire producten zoals bevestigd door burger instanties die bevoorraad worden door MHKA). Bepaalde producten die in de MDBT van MHKA worden voorbereid, worden daarentegen niet geproduceerd in Belgie. Het tweede aspect is verbonden aan het kwantitatieve: de bloedtransfusiecentra zullen hun producten stockeren en pas uitgeven aan een voorschrijver op het moment dat de oudste producten geleverd zijn. Tijdens een schaarste van donoren (zoals tijdens vakanties) lijden deze centra vaak stockbreuk waardoor niet alleen oproepen via de Belgische media gedaan worden maar waardoor vooral geplande ingrepen die veel bloedtransfusies vereisen, worden uitgesteld. Hetzelfde geldt voor traumatische chirurgie tijdens zendingen waar recente evoluties aantonen dat de overlevingskansen van oorlogsslachtoffers sterk afhangen van de massieve bloedtransfusie. Het derde gevaar schuilt in de geldigheidsduur van de bloedzakken gaande van 7 tot 14 dagen naargelang het bloedproduct. Gezien de onbestaande stock in Belgie, zal de logistieke flux nog ingewikkelder worden om de noodzakelijke producten in tijd en ruimte te verwerven. De drie bovenstaande redenen tonen aan dat elke afhankelijkheid in dit domein ervoor zal zorgen dat defensie NOOIT meer de garantie zal hebben dat ze over kwalitatief bloed zal kunnen beschikken in de nodige hoeveelheden noch binnen de noodzakelijke termijnen, met verstrekkende gevolgen voor de ontplooiing van een chirurgische capaciteit. Effecten op de medische training van het personeel Voor elk lid van het MTK wordt een eenduidig vormings- en loopbaanpad uitgetekend. Binnen dit kader dient betrokken arts, apotheker,... na de vereiste vorming gevolgd te hebben, zijn/haar competenties te onderhouden door een speciaal voor hem/haar uitgeschreven training te volgen. Het MHKA biedt hierin een onmiskenbare meerwaarde. Het behoud van de basiscompetenties kan gedeeltelijk in een civiele omgeving georganiseerd worden, doch aangezien het beroep van militair aan elk individu bijkomende eisen stelt, is het onontbeerlijk dat deze basiscompetenties aangevuld worden met militaire medische vaardigheden. Voor een deel van de training kan beroep gedaan worden op internationale partners maar dit soort samenwerking is slechts duurzaam voor zover men in het kader van burden sharing ook een gelijkwaardige tegenprestatie kan leveren. Effecten op de beschikbaarheid van medische data Elke afschaffing van hospitaalactiviteiten binnen Defensie zal een verlies van therapeutische relatie inhouden tussen de zorgverstrekker en de patient, zoals bepaald in de deontologische principes van de verschillende gezondheidsberoepen. Dit verlies zal er systematisch toe leiden dat de zorgverstrekker vanuit

100 Bijlage H Defensie de toegang ontzegd wordt om medische informatie te krijgen van een civiele zorgverstrekker aangaande een patient van Defensie. Dit verlies aan informatie heeft verstrekkende gevolgen voor de zieken en gewonden. Het leidt er onvermijdelijk toe dat artsen in Trg en Ops geen toegang meer zullen hebben tot de medische gegevens van hun patienten en dat het CME bij gebrek aan medische gegevens van een militaire patient meer bijkomende onderzoeken zal moeten aanvragen (RX, Labo, expertises,...). Effecten m.b.t. de resterende CME-capaciteit De kracht van een goed werkende CME ligt in het feit dat de artsen die er tewerkgesteld zijn over een stevige militaire bagage beschikken naast hun medisch technische bagage,. Het is ontegensprekelijk zo dat een arts die over een stevige operationele bagage beschikt, over fundamentele troeven beschikt in het oordeel dat hij moet vellen over de medische geschiktheid van de militair om in operaties ingezet te worden. Technische expertise vloeit voort uit curatieve activiteit. Aangezien we de specifieke militaire geneeskunde zonder Militair Hospitaal niet kunnen beoefenen, zal deze expertise met de tijd verdwijnen, met als gevolg dat het CME na verloop van tijd niet meer over de juiste expertise zal beschikken voor de medische keuring van de kandidaat-militairen en het medisch onderzoek in het kader van de operationele keuring van de uitzendbare militair in het algemeen en de piloten, duikers, enz.. in het bijzonder. Naast het personeelsprobleem, ontstaat er eveneens een materieelprobleem. De medische uitrusting die nodig is om het medisch technisch platform voor de werking van het CME uit te rusten, zal zeker aan rendement verliezen. Daar waar dit materieel nu eveneens in het kader van de gespecialiseerde militaire curatieve geneeskunde gebruikt wordt, zal het in een Defensie zonder curatieve hospitaalcapaciteit bijkomende maatregelen vragen om de restcapaciteit te benutten en zodoende de kost per prestatie aanvaardbaarte houden. Effecten op de aantrekkelijkheid als partner Uitmuntendheid of bijzondere expertise in specifieke domeinen, zoals vandaag aanwezig in het MHKA (brandwondenzorg, hyperbare zuurstoftherapie, tissue banking,...), is een belangrijke troef om aantrekkelijk te zijn als partner zowel op nationaal alsook op internationaal vlak. Het reduceren van de activiteiten in het MHKA tot expertise activiteiten (CME) zou ook het einde betekenen van alle R&D-activiteiten. Naast het belang van research voor de kwaliteit van de zorgen, zou het verlies van researchactiviteiten ook het einde betekenen van tal van partnerschappen in dit domein. De grote lijnen van de R&D programma's zijn hetzij gelinkt aan de "Human Factors and Medicine", hetzij in het kader van nationale programma's met academische Belgische instellingen (UGent, KU Leuven, VU Brussel, ITG, ISP-WIV,...) of met militaire onderzoeksentiteiten (KMS, KHID, ACOS Ops&Trg), hetzij in het kader van internationale militaire of academische samenwerkingen (NATO-STO, EU-FP7, DG SANCO, European Medical Association, University Exeter, Centre Brules SAN ANTONIO, TX USA, Centre Brules HIA PERCY,...). Naast de R&D programma's ontwikkeld door zorgverstrekkers van het MHKA zijn de onderzoekers van het Labo voor moleculaire en cellulaire technologie (LabMCT) een van de wereldleiders in het domein van human tissue Banks (huid en keratinocyten) en voor de strijd tegen infecties dmv bacteriofagen. Deze technieken maken deel uit van een groot NAVO project in het kader van medisch regeneratieve geneeskunde en in de strijd tegen ernstige infecties die de militaire patienten besmetten in operatietheaters. Elke stopzetting van R&D activiteiten zal leiden tot een verplichte terugbetaling van de financiele middelen toegekend aan deze R&D projecten waarvoor MHKA een partner is (bvb tot voor het project FP7 PhagoBurn (EU)). Aangezien zo goed als alle R&D projecten zich in de schoot van MHKA bevinden, zal de stopzetting van de R&D activiteiten gelinkt aan curatieve activiteiten leiden tot het einde van onze inbreng in het kader van NAVO-STO

101 Effecten op de aantrekkelijkheid als werkgever Bijlage H De rekrutering van medisch technisch personeel zal een probleem worden indien de curatieve activiteiten in het MHKA geschrapt worden. Jongeren voelen zich eerder aangetrokken tot een job met uitstraling in een kwalitatief hoogstaande omgeving en met wetenschappelijke en/of technische uitdagingen. Effecten op de dienstverlening t. v. v. derden Het MHKA verricht actueel tal van prestaties ten voordele van derden. Diverse departementen zullen deze dienstverlening verliezen bij stopzetting van de hospitaalactiviteiten waaronder meer dan een derde van de brandwondencapaciteit van Belgie, de MUG-activiteiten (protocollaire MUG, specifieke CBRN-orientatie), de hyperbare zuurstoftherapie (als enige centrum in Groot Brabant), de activiteiten als referentielaboratorium (anaplasma), diverse taken in het kader van rampenmanagement (buffercapaciteit, noodmortuarium, steun in het domein van de crisispsychologie,...), de werking van de weefselbanken (huid, grootste producent van keratinocyten in Belgie), de productie van kwalitatief unieke bloedproducten gevraagd door andere ziekenhuizen,. Effecten voor op budgettair-financieel beheersvlak Het afschaffen van curatieve capaciteit in het MHKA heeft tot gevolg dat voor consultaties bij bijvoorbeeld orthopedie en chirurgie (> per jaar) de patient zich dient te wenden tot een burgerspecialist. Hij/zij dient hiervoor een doorverwijzing te krijgen van de eerstelijnsarts (aangenomen geneesheer) met als gevolg dat - een consultatie bij een specialist in MHKA vervangen zal worden door TWEE consultaties (een bij de verwijzende aangenomen geneesheer en een bij de civiele specialist); - de werklast voor DG BudFin-Sec Terugbetaling zal stijgen; - het remgeld voor deze consultaties dient gedragen te worden door Defensie (DG BudFin) indien het principe van gratis zorgen gehandhaafd wordt; - voor de prestaties ten voordele van AMT of in het kader van expertise de volledige kost ten laste van Defensie zal zijn. Budgettaire effecten voor andere departementen Een afbouw van curatieve capaciteit in het MHKA (brandwondencapaciteit, hyperbare zuurstoftherapie,...) of het niet meer beschikbaar stellen van militaire medische capaciteiten voor derden, zal onvermijdelijk leiden tot het creeren van een equivalente capaciteit elders en mogelijks tot redundantie. Dergelijke evolutie zal gepaard gaan met kwaliteitsverlies en met kostenverschuiving en kostenverhoging, wat lijnrecht ingaat tegen de objectieven voor Volksgezondheid vastgelegd in het Regeerakkoord: o.a. het streven naar een betaalbare, toegankelijke kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg en concentratie van expertise

102 Bijlage I Bijlage I: levensverlengende maatregelen In domein Land Levensduurverlengende maatregelen voor hoofdwapensystemen Land, zoals bijvoorbeeld de gevechtsvoertuigen PIRANHA en DINGO en de commando- en liaisonvoertuigen LYNX, hebben voornamelijk tot doel de complexe technologie van deze wapensystemen doorheen de tijd op peil te houden. De noodzakelijke technologische aanpassingen en ingrepen situeren zich hier in hoofdzaak in het bestrijden van obsolescentie in het domein van de elektronica en de systronica en het evolutief aanpassen van de wapensystemen in het domein van de actieve en passieve bescherming. Enerzijds zijn de industriele ondersteuningstermijnen voor de bestaande systeemcomponenten heel beperkt in de tijd en anderzijds evolueert de technologie zo dat de wapensystemen snel obsoleet zijn om ingezet te worden. De timing van de levensduurverlengende maatregelen voor operationele platformen dienen echter juist ingeschat te worden en de hiermee gepaard gaande niet onbelangrijke kosten dienen goed afgewogen te worden in functie van de restwaarde van het wapensysteem en de resterende rendementsperiode na uitvoering van de levensduurverlengende maatregelen. Bij ongewijzigd budgettair beleid, zonder grote investeringen in de regeerperiode tot 2019, is het niet meer opportuun om de levensduurverlengende maatregelen voor de operationele platformen PIRANHA en DINGO en de commando- en liaisonvoertuigen LYNX pas op te starten vanaf Dergelijke programma's vastleggen in 2020 impliceert in het geval van de PIRANHA een uitvoering (en vereffening) tot De spreiding van de uitvoeringstijd is noodzakelijk om enerzijds rekening te houden met de industriele verwerkingscapaciteit en anderzijds een absoluut minimum aan operationele platformen continu te kunnen garanderen voor de gevechtseenheden van de Landcomponent. Het is dus financieel-economisch niet verantwoord gezien de 'return on investment' bijzonder laag zou zijn: deze levensduurverlengende investeringsprogramma's voor de PIRANHA en de DINGO-vloot worden immers geraamd op ongeveer 200 Mio. De uitvoeringstijd zou voor de DINGO tot in lopen en voor de PIRANHA-vloot zouden de laatste voertuigen pas afgewerkt zijn tegen 2030 (zonder rekening te houden met onderbrekingen en/of vertragingen in het programma). Het is dus niet meer mogelijk om na uitvoering van deze programma's een rendementsperiode van minimaal 10 jaar te doorlopen, gezien de basisvoertuigen dan veel te oud (30a35jaar) zijn om operationeel ingezet te worden. In domein Air Het aspect "verlenging van de levensduur" dient opgevat te worden als een effectieve verhoging van de huidige structurele levensduurlimiet van de vliegtuigen en als een bestendiging van de operationele relevantie van het platform doorheen de verlengingsperiode door actieve technologische ingrepen. Een louter passieve, kunstmatige verlenging van de levensduur (lees: inzetperiode) door een acute vermindering van het jaarlijks aantal gevlogen vlieguren per toestel schetst immers valse perspectieven. Ten eerste zou deze laatste benadering een onmiddellijke negatieve impact hebben op de operationele output en leiden tot de hoger uitgewerkte vormgevingen of variaties daarvan. Ten tweede creeert een dergelijke verlenging van de inzetperiode die enkel gebaseerd is op een verlaagd gebruiksprofiel op termijn een aanzienlijk verlies aan operationele relevantie die zelfs exponentieel toeneemt doorheen

103 Bijlage K de verlengingsperiode. Alle elementen in beschouwing genomen, zal een verlaging van het gebruiksritme trouwens slechts een verwaarloosbaar uitstel van de vervanging genereren. Vanaf midden volgend decennium brengt eender welke verlengingsingreep ons land sowieso in een geisoleerde positie ten opzichte van onze huidige F-16 partners waardoor eventuele noodzakelijke moderniseringskosten niet langer onder partners gedeeld kunnen worden. De uitfasering van de vloot van onze overige Europese partners (Nederland, Noorwegen, Denemarken) zal na 2025 resulteren in een zeer kleine gebruikersgroep waardoor het verdere behoud van de operationele relevantie en de technischlogistieke ondersteuning zal resulteren in economisch onverantwoorde uitgaven. Gezien de relatief 'jonge' vloot heeft Portugal actueel nog geen plannen voor de vervanging van hun F-16's. De eventuele verlenging van de levensduur van de Belgische F-16 vloot dient benaderd te worden vanuit een ruimer denkkader, ook wel het uitfaseringsvraagstuk genoemd. Het uitfaseringsvraagstuk van de Belgische F-16 wordt in hoofdzaak bepaald door volgende samenstellende elementen: de F-16 levensduur, de toekomstige operationele relevantie van het vliegtuig, de technico-logistieke ondersteunbaarheid en de maturiteit van de vervangingsmarkt. Al deze verschillende aspecten spelen immers een rol in het bepalen van het optimale tijdskader en de meest efficiente benaderingswijze voor de introductie van een nieuw wapensysteem voor het behoud van een relevante luchtgevechtscapaciteit. Van de actuele Belgische F-16 vloot hebben alle 54 vliegtuigen, inclusief de vijf reservetoestellen, de helft van hun design life van 8.000u overschreden, het merendeel zelfs ruimschoots. De marge voor een passieve verlenging in tijd van de gebruiksperiode wordt daardoor steeds krapper. Ook de destijdse beslissing om het overtallig geachte deel van de oorspronkelijke vloot te verkopen of te verschroten heeft de optie ontnomen om passief te verlengen zonder impact op de operationele output. Vanaf 2019 zal de huidige vloot normaliter verkleinen rekening houdend met de attritie, dewelke niet meer opgevangen kan worden met de operationele reserve. In 2019, indien de nu gestockeerde vliegtuigen nog niet terug in gebruik genomen zouden zijn wegens lagere attritie, zullen deze immers al 8 jaar geimmobiliseerd zijn en bovendien zullen ze niet meer op economisch verantwoorde wijze aangepast kunnen worden aan de configuratie van de operationele vloot. Het vliegplan, en bijgevolg het ambitieniveau, kan evenwel gehandhaafd worden met de bestaande vloot door het aantal uren per vliegtuig per jaar licht te doen stijgen. Op termijn is daarom een verhoging van het gebruiksprofiel eerder aan de orde dan een verlaging. In de loop der jaren waren er verscheidene moderniseringen en modificaties nodig om de F-16 als een modern en operationeel inzetbaar toestel te behouden. Het wordt steeds complexer om het vliegtuig, dat begin jaren '70 al op de ontwerptafel lag, in de toekomst verder te laten evolueren om een gepast antwoord te blijven bieden op de toenemende dreigingen zoals betere vijandelijke gevechtsvliegtuigen en luchtverdedigingssystemen die performanter worden in het domein van de elektronische oorlogsvoering. Om te voldoen aan de vereisten voor lucht-grond operaties worden de limieten bereikt van de mogelijkheden om doelen met grote precisie uit te kunnen schakelen en - tegelijkertijd - nevenschade te vermijden. Voor een positieve identificatie van de doelen zijn performante sensoren nodig die toelaten om dergelijke identificatie zowel overdag als bij nacht, bij goed en bij slecht weer uit te voeren. Verder leggen de inzetregels, ook gekend als Rules Of Engagement, meer en meer onmiddellijke terugkoppeling op met de operationele commandoketen duizenden kilometers verder. Dit vereist moderne communicatiemiddelen met hoge bandbreedte die veelal enkel via speciaal versleutelde netwerkcommunicatie kan verzekerd worden. Enkel de nieuwe generaties vliegtuigen zijn uitgerust met geintegreerde en gefuseerde computersystemen om de hoger vermelde opdrachten na 2025 in een complexe operationele omgeving te kunnen blijven

104 Bijlage K verzekeren. De F-16 beschikt dan niet meer over dergelijke capaciteiten en is tevens niet uitgerust om dergelijke systemen op economisch verantwoorde wijze te implementeren. Dit zal in de toekomst aanzienlijke operationele beperkingen tot gevolg hebben die meer en meer als tekortkomingen zullen ervaren worden waardoor de F-16's hoe langer hoe minder inzetbaar zullen zijn en op termijn operationeel irrelevant worden. Theoretisch bestaat evenwel de optie om door actieve structurele en technologische maatregelen de levensduur van eender welk platform te verlengen. De kosten van een dergelijk Service Life Extension Program kunnen verhoudingsgewijs echter hoog oplopen en varieren sterk in functie van de definitie van de verlengingsobjectieven. Belgie zou bovendien deze financiele lasten alleen moeten dragen. In domein Navy Levensverlengende ingrepen op onze actuele platformen, zowel mijnenjagers als fregatten, zijn een nefaste keuze. Het is een dure ingreep op platformen van nu al 25 jaar oud, die elk al een levensverlengend programma ondergingen. Een levensverlengend programma heeft een zeer negatieve impact op de operationele inzetbaarheid. Het zal wat jaren later resulteren in een nieuwe noodzaak tot vervanging en het brengt de samenwerking opnieuw grote schade toe wanneer dit zonder overleg met Nederland zou gebeuren

105 Bijlage J Bijlage J: tweedehandsaankopen In domein Land Het verwerven van tweedehands platformen binnen het domein Land is een optie die zeker beschouwd en verder onderzocht wordt. Rekening houdend met de evoluties in de ons omringende landen bestaat immers de kans dat bepaalde systemen op de tweedehandsmarkt beschikbaar zullen gesteld worden. Uiteraard moeten deze systemen beschikken over voldoende rest- en groeipotentieel en moeten ze beantwoorden aan de hoogtechnologische standaarden en de behoeften van de huidige en toekomstige operaties. De mogelijkheden zullen dus eerder beperkt zijn maar concreet wordt hierbij in eerste instantie gedacht aan de verwerving van een tweedehands indirect vuursteun wapensysteem (WFS-Wheeled Fire Support) voor de lange dracht en de aankoop van tweedehands missiles voor de bestaande grondluchtdoelverdedigingscapaciteit (VSHORAD) om de kritieke periode te overbruggen tot de vernieuwing van deze capaciteit. In domein Air Het vervangen van de huidige Belgische F-16 vloot door geschikte tweedehands toestellen is een optie die niet werd uitgesloten door het projectteam belast met de vervangingsprocedure. Tot op heden kon er echter geen tweedehands markt - en bijgevolg geen geschikte toestellen - geidentificeerd worden. Een dergelijk "geschikt" en voldoende capabel toestel dient in toereikende aantallen te beschikken over een resterend vliegpotentieel dat een aanvaardbare voortzetting in de tijd toelaat (horizon 2040, bij voorkeur 2050), over een coherente configuratie die een homogeen beheer van de vloot toelaat en over een technologisch potentieel dat voldoet aan de operationele vereisten van de komende decennia. Hoe dan ook impliceren bepaalde tweedehands-pistes dat na tien a vijftien jaar een nieuwe grote investering vereist is, dus met risico op dubbele uitgaven. Gelet op de evoluties in de ons omringende landen is het bovendien onwaarschijnlijk dat Belgie een regionale partner vindt voor een dergelijk tweedehands-piste indien het een ander toestel beoogt dan de vijf momenteel beschouwde. Mocht op termijn binnen deze groep van vijf een mature en adequate tweedehandsmarkt ontstaan, dan zal die optie zeker mee in rekening genomen worden. In domein Navy Het verwerven van tweedehands platformen lijkt voor beide capaciteiten niet realistisch daar er in de komende periode geen recente platformen met voldoende groeipotentieel beschikbaar zullen komen op de markt. Het aanschaffen van tweedehands schepen van een verder afgelegen marine zou bovendien een groot exploitatienadeel inhouden en opnieuw een grote stap achteruit zijn in de binationale samenwerking

106 Bijlage K Bijlage K: De Land aspecten in de vormgevingen van het scenario 2,15 Md Vormgeving 1 Command Geen Command, Control, Communication, Computers & Information (C4I) systeem dat nationale en internationale integratie toelaat. Geen structuren zijn inzetbaar op internationaal vlak zonder materieel in leen te krijgen (type Verenigde Naties) en op nationaal vlak niet hoger dan het niveau bataljon (geen grootschalige/nationale crisis management). Geen ontplooibare hoofdkwartieren ten gevolge aan gebrek van ondersteunend materieel. Information & Intellligence Information Surveillance Reconnaissance (ISR) : Door het obsoleet worden van de PANDUR in 2025, de slagveldbewaking in 2017, en het niet aankopen van Unmanned Aerial Systems, verdwijnt de ISR vanaf2025. Combat : De gemotoriseerde capaciteit verliest elke vorm van all weather informatie verzameling (nacht kijkers...) vanaf 2025 met het obsoleet worden van zijn ondersteunende platformen (DINGO en PIRANA). Artillerie : Forward Air Controllers (FAC) zullen niet meer voldoen aan internationale vereisten van communicatie en integratie. Ground Based Air Defense : MATIS wordt obsolete in Maneuver & Fire Combat: De gemotoriseerde capaciteit verdwijnt vanaf 2025 wegens het obsoleet worden van DINGO, PIRANA en LYNX (geen Mid Life Update). Enkel de parachuteerbare capaciteit wordt uitgerust met Rapid Reaction Vehicle (RRV) en Light Troop Transport Vehicle (LTTV). Fire power Indirecte vuursteun blijft een lichte capaciteit die zijn rol kan blijven vervullen ter ondersteuning van de parachuteerbare capaciteit maar met beperkte drachten en precisie zolang het materieel geen mechanische defecten vertoont en de vereiste communicatie voorhanden blijft. Het betreft verouderd materieel dat vanaf 2030 aan vervanging toe is. Protection Genie : De gemotoriseerde gevechtsgenie verdwijnt vanaf 2025 wegens het obsoleet worden van de ondersteunende platformen (PIRANA). Elke vorm van steun aan mobiliteit wordt volledig obsoleet in Algemene Steun verdwijnt vanaf 2020 wegens het niet vervangen van de werktuigen (graafmachines...), Explosive Ordnance Device (EOD) en Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleaire (CBRN) bescherming en ontsmetting verliezen elke vorm van relevantie vanaf 2020, Field

107 Bijlage K Accomodation heeft geen inzetmaterieel meer ter ondersteuning van de inzetbare troepen vanaf Ground Based Air Defense : Vanaf 2017 bereikt de Belgische MISTRAL zijn einde levensduur. Door behoud van personeel, voertuigen en schootsposten, blijft deze subcapaciteit echter in staat om met zijn Franse partner de GBAD capaciteit te voorzien van een effector (Bvb EUBG 2017). Combat Service Support Logistiek : Logistieke ondersteuning in alle klassen en transport verdwijnen tegen 2030, de vereiste recovery en evacuatie middelen worden niet aangekocht, RSOI capaciteit verdwijnt vanaf MP : Het niet vervangen van hun voertuigen park, moto inclusief, immobiliseert de capaciteit volledig vanaf2025. CIS : Het niet vervangen van BAMS en het niet invullen van communicatie behoeftes inzake satelliet verbindingen, maakt het onmogelijk om detachementen - met uitzondering van een beperkte steun aan de parachuteerbare en special forces capaciteit - te ontplooien in het buitenland. Information operations: Deze wordt volledig obsoleet op de planningscapaciteit na tegen 2025 wegens het niet vervangen van verouderd materiaal aangewend voor productie en disseminatie. Vormqevina 2 Command Geen modern C4I systeem wordt geimplementeerd ter ondersteuning van de parachuteerbare expeditionaire capaciteit met een internationale integratie mogelijkheden. Dit laat eveneens geen grootschalige/nationale crisis management toe. Information & Intelligence Information Surveillance Reconnaissance (ISR) : Door het obsoleet worden van de PANDUR in 2025, de slagveldbewaking in 2017, en het niet aankopen van Unmanned Aerial Systems, verdwijnt de ISR vanaf2025. Combat : De gemotoriseerde capaciteit verliest elke vorm van all weather informatie verzameling (nacht kijkers...) vanaf 2025 met het obsoleet worden van zijn ondersteunende platformen (DINGO en PIRANA). Artillerie : FAC zullen niet meer voldoen aan internationale vereisten van communicatie, integratie en doelsverwerving. Ground Based Air Defense : MATIS wordt obsolete in Maneuver & Fire Combat: De gemotoriseerde capaciteit verdwijnt vanaf 2025 wegens het obsoleet worden van DINGO, PIRANA en LYNX (geen Mid Life Update). De parachuteerbare capaciteit wordt onmiddellijk uitgerust met RRV en LTTV. Na het obsoleet worden van de ondersteunende platformen van de

108 Bijlage K gemotoriseerde capaciteit, worden RRV en LTTV platformen geintroduceerd teneinde de transformatie naar een lichte capaciteit met beperkte mobiliteit te bewerkstelligen. Fire power Indirecte vuursteun blijft een lichte capaciteit die zijn rol kan blijven vervullen ter ondersteuning van de parachuteerbare capaciteit maar met beperkte drachten en precisie zolang het materieel geen mechanische defecten vertoont en de vereiste communicatie voorhanden blijft. Het betreft verouderd materieel dat vanaf 2030 aan vervanging toe is. Protection Genie : De gemotoriseerde gevechtsgenie verdwijnt vanaf 2025 wegens het obsoleet worden van de ondersteunende platformen (PIRANA). Elke vorm van steun aan mobiliteit wordt volledig obsoleet in Algemene Steun verdwijnt vanaf 2020 wegens het niet vervangen van de werktuigen (graafmachines...), EOD en CBRN verliezen elke vorm van relevantie vanaf 2020, Field Accomodation heeft geen inzetmaterieel meer ter ondersteuning van de inzetbare troepen vanaf Enkel een beperkte lichte gevechtsgenie ter ondersteuning van expeditionaire capaciteit blijft behouden. Ground Based Air Defense : Vanaf 2017 bereikt de Belgische MISTRAL zijn einde levensduur. Door behoud van personeel, voertuigen en schootsposten, blijft deze subcapaciteit echter in staat om met zijn Franse partner de GBAD capaciteit te voorzien van een effector (Bvb EUBG 2017).Combat Service Support Logistiek Logistieke ondersteuning in alle klassen en transport verdwijnen tegen 2030, de vereiste recovery en evacuatie middelen worden niet aangekocht, RSOI capaciteit verdwijnt vanaf MP : Het niet vervangen van hun voertuigen park, moto inclusief, immobiliseert de capaciteit volledig vanaf2025. CIS Het niet vervangen van BAMS en het niet invullen van communicatie behoeftes inzake satelliet verbindingen, maakt het onmogelijk om detachementen - met uitzondering voor de expeditionaire parachuteerbare en special forces capaciteit - te ontplooien in het buitenland vanaf Vormaevina 3 Command Een modern C4I systeem wordt geimplementeerd ter ondersteuning van de parachuteerbare en gemotoriseerde expeditionaire capaciteit met een internationale integratie mogelijkheden tot op het niveau van bataljon. Dit laat echter geen grootschalige/nationale crisis management toe

109 Bijlage K Information & Intelligence Information Surveillance Reconnaissance (ISR) : De PANDUR ondergaat een Mid Life Update en kan gebruikt worden tot 2030, de slagveldbewaking kan vervangen worden, en een beperkt aantal Unmanned Aerial Systems kunnen aangeschaft worden. Artillerie : Forward Air Controllers (FAC) worden in aantal gereduceerd, zijn niet organiek in het bezit van een ondersteunend beschermd platform, maar zijn in staat te voldoen aan internationale vereisten van communicatie, integratie en doelsverwerving. Ground Based Air Defense : MATIS wordt obsolete in Maneuver & Fire Combat: De DINGO, PIRANA en LYNX ontvangen een Mid Life Extention en kunnen ingezet worden tot De gemotoriseerde capaciteit wordt echter wel gehalveerd in effectieven. De parachuteerbare capaciteit, eveneens gehalveerd in effectieven, wordt uitgerust met RRV en LTTV. Fire power Indirecte vuursteun blijft een lichte capaciteit die zijn rol kan blijven vervullen ter ondersteuning van de parachuteerbare capaciteit maar met beperkte drachten en precisie zolang het materieel geen mechanische defecten vertoont en de vereiste communicatie voorhanden blijft. Het betreft verouderd materieel dat vanaf 2030 aan vervanging toe is. Geen modern, mobiel en beschermd platform wordt aangeschaft waardoor de capaciteit slecht beperkt inzetbaar blijft. Protection Genie : Een kleinere lichte en gemotoriseerde capaciteit blijft behouden. Alle niche capaciteiten - DOVO, EOD... - blijven behouden. Ground Based Air Defense (GBAD) : Vanaf 2017 wordt de MISTRAL vervangen door een - al dan niet andere - opvolger. De GBAD wordt niet uitgerust met een specifiek ondersteunend beschermd platform. Combat Service Support Logistiek : Logistieke ondersteuning in alle klassen en transport worden vervangen. Slecht een beperkt aantal recovery en evacuatie middelen met de benodigde bescherming en mobiliteit worden aangeschaft. CIS : De transmissiemiddelen worden vervangen alsook expeditionaire vereisten (satelliet verbindingen) aangevuld

110 Bijlage L Bijlage L: de Air-aspecten in de vormgevingen van het scenario 2,15 Mia Algemeen Deze bijlage beschrijft hoofdzakelijk de impact van de gewijzigde taakstelling en de daaraan verbonden vormgevingen voor de luchtgevechtscapaciteit in geval van een constant defensiebudget van 2,15 miljard Euro. De analyses vertrekken van de bewezen behoefte aan een soepel, lenig, hoogtechnologisch en geloofwaardig instrument dat tevens internationale samenwerking toelaat en zelfs stimuleert. Door de talrijke besparingsrondes en herstructureringen, waarvan de recentste nog in uitvoering is, werd de Belgische Luchtmacht al gereduceerd tot haar essentie. Het concept van taakspecialisatie is daarom niet meer toepasbaar op de overgebleven capaciteiten zonder de lucht-tak van onze Defensie verder uit te hollen tot een niveau van ongeloofwaardigheid en irrelevantie. Geen enkel van de lager besproken vormgevingen biedt de nodige soepelheid noch lenigheid die van een geloofwaardige en hoogtechnologische luchtgevechtscapaciteit verwacht worden binnen een partnerschap. Het gebrek aan deze basisvereisten zal tevens een onmiddellijke nefaste invloed hebben op de mogelijke internationale samenwerking en houdt het reele risico in dat ons land geisoleerd raakt. Ook een passieve verlenging van de inzetperiode van onze huidige vloot zou leiden tot een dergelijk unilateralisme. Duurzame "samen-werking" is immers enkel mogelijk indien de individuele leden mits voldoende eigen inbreng de nodige meerwaarde genereren. Het beoogde toekomst-traject van de tactische luchttransportcapaciteit valt vooralsnog buiten het bereik van de gewijzigde orientaties. Het rationalisatieproces van de "witte vloot" werd vorig jaar bestudeerd en is deels al in feitelijke uitvoering onder invloed van de budgettaire context. Een snelle, formele beslissing voor een geconsolideerde benadering is aangewezen. Afsluitend worden twee opgelegde implicaties van "De Belgische Defensie van de toekomst" voor de helikoptercapaciteit in vraag gesteld; de outsourcing van de Search And Rescue en de uit omloop name van de Agusta A- 109 Light Utility Helicopter. Inleiding - het ruimere veiligheidskader Onze Europese en trans-atlantische Bondgenoten stellen belangrijke verwachtingen in ons land en zijn Defensie. Belgie heeft de taak om deze op een duurzame en geloofwaardige wijze in te lossen. Onze ultieme keuzes moeten gebaseerd zijn op transparante nationale principes en weldoordachte prioriteiten die aansluiten bij onze sterke reputatie en bij onze multilaterale verplichtingen en verwachtingen. Enkel zo kan Belgie een relevante en betrouwbare bondgenoot blijven. De pertinentie van bondgenootschappen zal richting horizon 2030 verder toenemen onder druk van een in toenemende mate onzekere veiligheidsomgeving en door de complexiteit van de hiermee gepaard gaande veiligheidsuitdagingen. Zo is de NAVO tot op heden, en allicht voor de voorzienbare toekomst, het meest succesvolle en meest krachtdadige politiek-militaire samenwerkingsverband ooit. Het Europese kader voor het defensie- en veiligheidsbeleid biedt vandaag, en voor de nabije toekomst, onvoldoende houvast noch perspectieven om de globale toekomstorientatie van onze operationeel inzetbare capaciteiten op te enten. Belgie zal dus zijn toekomst-strategie blijven inschrijven in die van de NAVO, met een groeiend Europees perspectief

111 Bijlage L Recent werd overeengekomen dat elke NAVO-Bondgenoot een rechtmatiger deel van de collectieve last zal moeten dragen om een geloofwaardige defensie te kunnen realiseren in de volatiele veiligheidsomgeving van vandaag en morgen. Defensie in het algemeen en de Luchtmacht in het bijzonder, moeten hun proportioneel aandeel van de collectieve inspanningen kunnen dragen om ook tegen een horizon 2030 de geloofwaardige en betrouwbare bondgenoot te blijven die we vandaag zijn. De Belgische Defensie moet alles in het werk stellen om deze appreciatie in 2030 nog steeds te laten gelden. De ontplooibaarheid en de daadwerkelijke inzetbaarheid van onze diverse luchtcapaciteiten voldeed de voorbije decennia immers ruimschoots aan de NAVO- normen. Naast de invulling van de operationele behoeften, streeft de NAVO ook specifieke strategische capaciteiten na, hoofdzakelijk ter invulling van een van haar drie kernopdrachten, met name de Collectieve Verdediging. De onmiddellijke en tastbare impact hiervan is vaak minder evident, het politieke belang daarentegen is des te groter. Sedert meer dan een halve eeuw levert de Belgische Luchtmacht personeel, vliegtuigen en infrastructuur ter ondersteuning van de strategische ontrading. In het kader van deze nucleaire solidariteitspolitiek wordt constant gezocht naar een zo breed mogelijke lastendeling onder Bondgenoten, maar die stuit op verdragsmatige en praktische beperkingen voor het merendeel van de lidstaten. Het is dus aangewezen dat Belgie haar langjarige en politiek belangrijke inbreng in deze hoeksteen van de collectieve verdediging op een geloofwaardige wijze blijft voortzetten. Kort na de investeringsgelofte voor Defensie door Staatshoofden en regeringsleiders op de NAVOtop van Wales in 2014, verklaarde ons land de alsnog doorgevoerde besparingen te zullen compenseren met een voldoende en volgehouden operationele output. Gelet op de hoge zichtbaarheid en de veelvuldige inzet van het luchtwapen, zal iedere toekomstige outputvermindering niet onopgemerkt blijven bij onze bondgenoten, noch door hen gewaardeerd worden. De luchtgevechtscapaciteit De luchtgevechtscapaciteit is sinds geruime tijd een unieke speerpunt van de Belgische Defensie. Ze wordt gekenmerkt door een hoge en bewezen inzetbaarheid doorheen de voorbije decennia. Na bijna veertig jaar dienst is de F-16 vandaag en voor het komend decennium, dankzij veelvuldige moderniseringsprogramma's in multinationaal verband, nog steeds een state-of-the-art platform met een hoge politieke en operationele zichtbaarheid. Deze hoogtechnologische capaciteit laat de beleidsmakers toe om deel te nemen aan militaire operaties aan een politiek aanvaardbaar risico, ook bij operaties van hoge intensiteit in een vijandige omgeving. Belgie beschikt dankzij de F-16 over een moderne luchtgevechtscapaciteit die het volledige spectrum van mogelijke luchtoperaties kan bestrijken gaande van steun aan humanitaire operaties en Defence Diplomacy tot gewapende tussenkomst met een beheersbaar risico op collaterale schade. Deze capaciteit fungeert eveneens als substantiele katalysator voor een doorgedreven Air- Land integratie. Daarenboven stellen deze Dual Capable Aircraft 0 (DCA) ons land in staat om een vooraanstaande rol te spelen in de strategische ontradings-politiek van de NAVO, met een niet te onderschatten positieve invloed op het politieke soortelijk gewicht dat ons hierdoor wordt toebedeeld Dual Capable Aircraft: vliegtuigen die zowel in een nucleaire als een conventionele rol flexibel kunnen ingezet worden

112 Bijlage L Het kunnen beschikken over een moderne luchtgevechtscapaciteit, die per definitie zeer snel inzetbaar is en projecteerbaar over grote afstand, laat toe om een geloofwaardige lasten- en risicodeling te etaleren ten aanzien van onze bondgenoten. Een capaciteit met historisch bewezen nut en hoge inzetbaarheid In eerste instantie dient vermeld te worden dat de oorsprong van onze huidige luchtgevechtscapaciteit zich situeert in de Koude Oorlog, waar ze gedurende het laatste decennium van deze Oost-West tegenstelling succesvol invulling gaf aan zowel de conventionele als aan de strategische ontrading. Vervolgens werden de Belgische F-16's tijdens de voorbije twintig jaar gedurende zeventien jaar effectief expeditionair ingezet, mede dankzij hun multi-role 51 mogelijkheden. De voorbije acht jaar waren zelfs zes tot twaalf F-16's permanent ontplooid op diverse locaties. Gelijktijdig met deze talrijke buitenlandse ontplooiingen staan er sinds 11 september 2001 opnieuw volledig bewapende F-16's onafgebroken klaar om de integriteit van het nationale en van het NAVO-luchtruim te vrijwaren. Ook de transitie van een statisch naar een expeditionair concept van strategische ontrading doorheen de voorbije jaren kon naadloos geadopteerd worden. Op te merken valt dat Belgie er steevast in slaagt om een hogere efficientie te behalen dan onze gelijk(w)aardige bondgenoten, zoals Nederland en Denemarken. Dankzij een vernuftige onderhoudspolitiek slaagt Belgie erin om een gebruiksprofiel 52 te genereren dat meer dan 30% boven hun gemiddelde ligt. Ook de Belgische detachementen produceren tijdens buitenlandse opdrachten een output die verhoudingsgewijs die van onze F-16 partners overstijgt. Al deze realisaties gebeuren vanzelfsprekend zonder enige afbreuk te doen aan de strenge vliegveiligheidsvereisten. De gevolgen van vormgeving 1 (idem aan vormgeving 3) Een investeringsoppervlakte van 1.600Mio doorheen de komende vijftien jaar laat enkel toe om een beperkte vloot van +/- 12 toestellen aan te kopen uit het gamma van vliegtuigen dat momenteel in het kader van het vervangingsproject F-16 beschouwd wordt. De geschatte kostprijs per aangekocht vliegtuig stijgt immers bij de verwerving van een kleine vloot door een groter aandeel van de vaste investeringskosten. Dergelijke lage aantallen zorgen ook voor een sterk verminderde participatie-opportuniteit bij de Belgische defensie-industrie. Behalve de vijf momenteel beschouwde types bestaan op de niet-westerse markten ongetwijfeld nog andere toestellen die een loutere luchtpolitietaak zouden kunnen uitvoeren. Zij zijn wellicht goedkoper maar tevens veel minder capabel, reden waarom ze vooralsnog niet in beschouwing genomen worden. Hun conceptuele geschiktheid is bovendien erg twijfelachtig wegens het gebrek aan perspectieven voor regionale partnerschappen en de onduidelijkheid inzake de mogelijke, maar noodzakelijke, integratie in het geclassificeerd luchtverdedigings-netwerk 53. Doorheen de levenscyclus van dergelijke toestellen zijn er ook diverse andere aspecten die erg onduidelijke perspectieven bieden: 51 Multi-role: de mogelijkheid om met eenzelfde platform zowel luchtverdedigings- en aanvalstaken uit te voeren, evenals grondaanvalstaken 52 Gebruiksprofiel aantal vlieguren per jaar per vliegtuig 53 In 2014 moest Turkije afzien van de aanschaf van een Aziatisch luchtverdedigingssysteem wegens een NAVO-veto op de transfer van de nodige geclassificeerde gegevens voor integratie in het luchtverdedigingsnetwerk, het NATO Integrated Air and Missile Defence System (NATINAMDS)

113 Bijlage L de technische ondersteuning, de onderhoudbaarheid op lange termijn, de regelmatige modernisering, etc. Een dergelijke beperkte vloot laat enkel de uitvoering van luchtpolitietaken toe, niet het onderhouden van een trainingsprogramma dat alle aspecten van een volwaardige multidisciplinaire luchtverdediging afdekt. Er is een fundamenteel verschil tussen de kenmerken van luchtverdediging en luchtpolitie, waarbij dit laatste concept zich beperkt tot een inzet in vredestijd en uitsluitend boven bevriend grondgebied. De lage, vanaf het begin kritische, massa van platformen heeft bovendien geen absorptievermogen in geval van een verlies van vliegtuigen door onvoorziene omstandigheden. Een niet denkbeeldig verlies van twee toestellen, bijvoorbeeld door een botsing in de lucht, zou een onmiddellijke nefaste impact hebben op de operationele output. Zelfs de statistisch in te calculeren attritie doorheen de jaren, ontneemt deze onder-gedimensioneerde capaciteit alle mogelijke veerkracht. Geschikte en identieke vervangingstoestellen zijn in de huidige conjunctuur namelijk niet vrij beschikbaar op de markt. De numerieke beperking van deze vormgeving leidt, ab initio, onvermijdelijk tot het wegvallen van alle expeditionaire capaciteit, gelet op de permanente binnenlandse beveiligingsverplichting die de aanwezigheid van de grootste Europese en NAVO-instellingen voor ons land impliceert. De afwezigheid van een expeditionaire capaciteit zal een nadelig sneeuwbaleffect teweeg brengen door: het verlies van een krachtige en heel zichtbare militaire capaciteit die de beleidsmakers toelaat om de Belgische buitenlandse politiek te ondersteunen, het wegvallen van partnerschappen wegens onvoldoende inbreng en meerwaarde van Belgische zijde, het verlies van internationale expertise hetgeen resulteert in een gebrek aan relevante inbreng in internationale staven, het verlies van de conceptuele knowhow en een dramatische vermindering van ons aandeel in de lasten- en risicodeling onder bondgenoten. Bovendien is het verlies van een expeditionaire capaciteit haast onomkeerbaar, na afstoting kan ze alleszins niet op korte termijn terug opgebouwd worden. Bijkomende zware politieke gevolgen van deze vormgeving vloeien voort uit de noodzaak tot stopzetting van de Belgische deelname aan de strategische ontrading. Het vernieuwde concept van de DCA-capaciteit is momenteel immers, naast een voldoende gedimensioneerde en geloofwaardige paraatheid op de thuisbasis, hoofdzakelijk gebaseerd op haar permanente beschikbaarheid voor expeditionaire operaties. Rekening houdend met de in de inleiding vermelde rationale, zouden de gevolgen van de keuze voor deze vormgeving zonder voorgaande zijn en een niet ondenkbeeldige bedreiging voor de cohesie binnen de Alliantie. Alle hoger vermelde elementen in acht genomen, zou de implementatie van de vormgevingen1 en 3 niet alleen het einde betekenen van de Belgische luchtgevechtscapaciteit maar ook ronduit rampzalige gevolgen hebben voor onze internationale operationele en strategische output en bijgevolg voor onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid als volwaardige EU- en NAVO-partner. De gevolgen van vormgeving 2 Deze vormgeving voorziet een investeringsoppervlakte van 2.800Mio doorheen de komende vijftien jaar en laat toe om een minimale expeditionaire capaciteit te genereren. De basisgevechtsformatie waarop alle internationale tactieken en procedures afgestemd zijn, is samengesteld uit vier vliegtuigen. Het absolute expeditionair minimum bestaat dus de facto uit een

114 Bijlage L ontplooiing van vier toestellen aangevuld met twee reserve-toestellen, zo met, kan de technische beschikbaarheid van de basisgevechtsformatie op de ontplooiingslocatie niet gegarandeerd worden. Het aantal gelijktijdige ontplooiingslocaties, ook gekend als Deployed Operating Bases (DOB's), wordt in deze vormgeving automatisch teruggeschroefd van twee naar een. Het huidige ambitieniveau laat toe om permanent tien vliegtuigen te ontplooien op twee DOB's en staat dus in scherp contrast met de beperkte opties die deze vormgeving toelaat. Deze vormgeving veroorzaakt een trendbreuk met onze kenmerkende soepelheid en beschikbaarheid en doorkruist dus het verwachtingspatroon bij onze bondgenoten. Doorheen het vrij recente verleden kon immers een daadwerkelijke behoefte aan twee gelijktijdige DOB's geconstateerd worden. Gedurende de zes jaar lange ontplooiing van zes Belgische F-16's in Afghanistan van 2008 tot 2014 werden gelijktijdig bijkomende vliegtuigen ontplooid ter ondersteuning van plots opduikende behoeften; de operatie Unified Protector (Libie, 2011) en de operatie Baltic Air Policing (Litouwen, 2013). Ook op dit moment combineert de Belgische Luchtmacht haar ontplooiing in Jordanie met zes F-16's ter ondersteuning van de anti- Daesh coalitie met een ontplooiing van vier F-16's in Polen ter versterking van het dispositief voor de Baltic Air Policing in het kader van de Oekraine-crisis. De noodzaak voor deze beide ontplooiingen kon amper een jaar geleden nog niet geanticipeerd worden, hetgeen de gelijktijdige behoefte aan snel en soepel inzetbare formaties op diverse locaties bevestigt. Sinds het oprichten van de NATO Response Force (NRF) in het begin van deze eeuw en tot op heden, zijn de Belgische F-16's de enige nationale capaciteit die ononderbroken met zes toestellen heeft deelgenomen aan de stand by-rol voor deze snelle reactiemacht. In de vormgeving 2 zal de Belgische NRF-bijdrage met gevechtsvliegtuigen, die sinds 2004 stabiel is, sowieso met 33% afnemen. Vormgeving 2 impliceert dus het verlies van de politieke en operationele flexibiliteit om kort op de bal te spelen bij plots opduikende behoeften. Deze ingrijpende verlaging van de operationele output staat evenmin in verhouding tot de gerealiseerde budgettaire besparing. Gelet op het dimensionerend aspect van de paraatstelling van uitzendbare luchtstrijdkrachten dient er immers een minimale overkoepelende structuur voorzien te worden, dewelke niet proportioneel toe- of afneemt bij een gewijzigd ambitieniveau. Er mag verwacht worden dat de Europese bondgenoten in de toekomst meer verantwoordelijkheid zullen moeten dragen voor conflicten die zich in hun periferie situeren. De Amerikaanse overheid liet dit in 2011 subtiel aanvoelen tijdens het conflict met Libie, een nieuwe geopolitieke orientatie die bekend staat als de "US-pivot to Asia" met een waarneembare koerswijziging voor alle conflicten aan de Europese buitengrenzen waar de Amerikaanse belangen niet onmiddellijk in het gedrang komen. Recente formele prognoses bevestigen daarenboven dat de Amerikaanse luchtmacht, vandaag nog steeds de grootste ter wereld, binnenkort de kleinste omvang sinds haar oprichting zal kennen, mede door de halvering van het aantal gevechtstoestellen. Bij de grootste Europese bondgenoten kan een gelijkaardige trend waargenomen worden. De lage massa van platformen genereert in geval van onvoorziene attritie gelijkaardige bezorgdheden als bij de vormgevingen 1 en 3, zij het minder uitgesproken. Bij de risicoanalyse voor de evolutie van een moderne vloot gevechtsvliegtuigen wordt voor het gebruiksniveau van Belgie rekening gehouden met een gemiddeld verlies van een toestel per drie jaar, een cijfer dat in de tweede helft van vorige eeuw nog vele malen hoger lag. Met een investeringsoppervlakte van

115 Bijlage L 2.800Mio is het mathematisch onmogelijk om de duur van de huidige F-16 gebruiksperiode van vijftig jaar te dupliceren, wetend dat de vrije beschikbaarheid van bijkomende toestellen op de markt niet gegarandeerd is. In de voorgaande vormgeving is deze vaststelling zelfs nog meer uitgesproken. Ten slotte, resulteert deze vormgeving eveneens in het feitelijke einde van de Belgische DCAcapaciteit. De nieuwe nucleaire politiek van de NAVO, die ons land in 2012 mee goedkeurde, vereist naast de eerder vermelde statische en expeditionaire criteria immers een inbreng die voldoende geloofwaardig en krachtdadig is. De inhoudelijke details van deze vereisten overstijgen echter het classificatieniveau van dit document. Samenvattend kan gesteld worden dat de notie Dual Capable" de facto gereduceerd wordt naar Single Capable" in de optiek dat met dit aantal toestellen de combinatie van een conventionele met een niet-conventionele paraatheid en ontplooiing niet langer mogelijk noch geloofwaardig is. Alle elementen in acht genomen, zou de implementatie van de vormgeving 2 ingrijpende gevolgen hebben voor onze internationale operationele en strategische output en bijgevolg voor onze betrouwbaarheid en geloofwaardigheid als volwaardige EU- en NAVO-partner. Conclusie voor de luchtgevechtscapaciteit Gevechtsvliegtuigen vormen de hoeksteen van een hoogwaardige en hoogtechnologische krijgsmacht die soepel inzetbaar is in het volledige spectrum van de operaties. Deze capaciteit is daarenboven een bewezen vruchtbare voedingsbodem voor technologische innovatie en voor een doorgedreven internationale samenwerking. In het kader van een internationaal georienteerde veiligheidsstrategie (VN, NAVO en EU) en gelet op de aanwezigheid van talrijke hoofdkwartieren en -zetels van deze instanties op ons grondgebied heeft Belgie er alle belang bij om zich te blijven profileren als een geloofwaardige en betrouwbare bondgenoot die een billijk aandeel van de lasten en de risico's wil en kan opnemen. Defensie dient daarom de ambitie aan te houden om te beschikken over een relevante en veelzijdig inzetbare luchtgevechtscapaciteit die twee gelijktijdige ontplooiingen aankan, indien nodig in een conventionele en in een niet-conventionele context, en die voldoende veerkrachtig is om onvoorziene omstandigheden te absorberen. Dit zal Defensie ook in de toekomst toelaten om haar verantwoordelijkheid te blijven nemen in het kader van de collectieve verdediging van het NAVObondgenootschap, in het kader van de verdediging van het nationale luchtruim en om snelle tussenkomsten ter verdediging van onze Belgische belangen en die van onze bondgenoten te verzekeren. Geen enkel van de hoger besproken vormgevingen biedt de nodige soepelheid noch lenigheid die van een geloofwaardige en hoogtechnologische luchtgevechtscapaciteit verwacht worden binnen een partnerschap. Het gebrek aan deze basisvereisten zal tevens een onmiddellijke nefaste invloed hebben op de mogelijke internationale samenwerking en houdt het reele risico in dat ons land geisoleerd raakt. Ook een passieve verlenging van de inzetperiode van onze huidige vloot zou leiden tot een dergelijk unilateralisme. Duurzame samen-werking" is immers enkel mogelijk indien de individuele leden mits voldoende eigen inbreng de nodige meerwaarde genereren

116 Bijlage L Door de talrijke besparingsrondes en herstructureringen, werd de Belgische Luchtmacht al gereduceerd tot haar essentie. Al deze vormgevingen impliceren dat de luchtgevechtscapaciteit wordt uitgehold tot een niveau van ongeloofwaardigheid en irrelevantie

117 Bijlage M Bijlage M: De Marine in de vormgevingen van het scenario 2,15 Mia De marine invulling van het regeerakkoord Wat zijn de dreigingen in het maritieme domein? Met haar open economie en hoog welvaartspeil is ons land zeer sterk afhankelijk van de vrije handel met haar internationale partners en van het onbelemmerd zeetransport voor de aan- en afvoer van grondstoffen, energie en afgewerkte producten 54. Open zeeroutes en een bereikbare maritieme infrastructuur zijn, naast een sterke internationale rechtsorde, voor ons land als handelsnatie daarom van levensbelang. Samen met de Belgische havens is onze maritieme sector, volgens de Nationale Bank, in zijn totaliteit goed voor ongeveer 10% van het bnp en nagenoeg 6% van de tewerkstelling in Belgie. De maritieme sector vormt daarenboven het fundament voor tal van andere economische activiteiten die afhankelijk zijn van de import en export van goederen en grondstoffen. Omwille van de onvoorspelbaarheid van de toekomst en het adaptief vermogen van potentiele tegenstanders moeten de marine capaciteiten, voor de bescherming van deze grote economische belangen en de eraan gekoppelde welvaart, bestaan uit flexibele en daadkrachtige elementen die een antwoord kunnen bieden in vredestijd, in tijden van toenemende spanning en in het geval van statelijke en niet- statelijke gewapende conflicten. Daarom is het dus in het belang van ons land om met onze strategische partner, de Nederlandse Marine, te investeren in maritieme capaciteiten die ons toelaten om op een gepaste wijze tussen te komen en dit zowel ter beveiliging van onze nabije omgeving als op grote afstand langsheen onze handelsroutes. Er bestaat een breed spectrum aan dreigingen ten opzichte van de Europese en onze nationale maritieme belangen, denken we maar aan de toenemende onstabiliteit langsheen deze handelsroutes, de aanhoudende dreiging van terrorisme en piraterij, de toenemende groeiende toe-eigening van de zee en de strategische spanningen nabij de cruciale doorvoerplaatsen, die de aanleiding vormen voor een toenemende proliferatie van onderzeeboten en zeemijnen. Een goed uitgebouwde Marine is in die zin voor ons geen luxe, maar een absolute noodzaak. Welke noodzakelijke waaier aan keuzes voor de Regering? De wereld is continu aan veranderingen onderhevig. Geopolitieke onrust en maritieme ontwikkelingen dwingen ons het maritieme ambitieniveau te herformuleren. Het hieronder beschreven ambitieniveau biedt gebalanceerde marine capaciteiten met groeimogelijkheden, adaptief vermogen en met voldoende beleidskeuzes om zowel onze grote nationale maritieme belangen te vrijwaren, het economische weefsel te ondersteunen als bij te dragen aan de internationale veiligheid. Ook bij de toekomstige omvang en samenstelling zullen volgende concepten van optreden leidend zijn. Langdurige inzet vergt een vierslag, gereedheid voor een inzetduur van een jaar vergt minimaal een tweeslag. Deze zullen moeten worden bereikt zonder afbreuk te doen aan de taken voor de kustwacht in onze wateren en op de nabije Noordzee. Onze havens vormen cruciale knooppunten in het mondiaal logistieke netwerk. Als kuststaat hebben we daardoor grote belangen te beschermen. Minder bekend is dat Belgie ook op de 7 de plaats komt van de Europese vlagstaten, uitgedrukt in tonnenmaat, ver voor Frankr jk, Nederland of andere grote landen. Meer schepen onder de Belgische vlag betekent meer inkomsten voor de overheid, maar ook meer maritieme veiligheidsverantwoordelijkheid

118 Bijlage M De voorgestelde noodzakelijke maritieme waaier bevat daarom: i. Enerzijds gevechtsschepen 'surface combatants', die in staat zijn om op grote afstand te intervenieren tegen allerlei bedreigingen; in staat zijn om zich aan te passen aan diverse scenario's, voornamelijk in een internationale context; met multidimensional beschermingsmiddelen, inclusief een bewapende ingescheepte helikoptercapaciteit. Het is de enige maritieme gevechtscapaciteit geschikt om zowel een militaire gevechtsrol, als een politionele rol en een diplomatieke rol te vervullen. Ze geeft de regering aldus een unieke waaier aan inzetmogelijkheden. Bovendien is het de meest kost-efficiente capaciteit waarover defensie beschikt. Met deze uit twee platformen bestaande capaciteit moet een voortzettingsvermogen van een jaar beoogd worden. Bovendien is een effectieve fregattencapaciteit met een robuuste onderzeebootbestrijdingscapaciteit, geplaatst op zowel het schip als de ingescheepte NH90 helikopter, een shortfall binnen NAVO en EU. De zeer verregaande en toch flexibele Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking strekt Europa tot voorbeeld - maar als Belgie zijn twee fregatten niet samen met Nederland vervangt zal ze in zeer woelig water terecht komen. ii. Anderzijds mijnenbestrijdingsmiddelen, die in staat zijn om zowel de toegang tot onze maritieme installaties, als verder van onze kust de vrije scheepvaart te garanderen en dit met aangepaste (zelf)beschermingsmiddelen. Deze capaciteit moet onbeperkt ingezet kunnen worden. Met vier platformen kan de Marine voorzien in een langdurige expeditionaire capaciteit zonder de eigen wateren en de toegang tot onze havens te veronachtzamen. Daarnaast is ook hier sprake van een shortfall binnen NATO. iii. Ten slotte in het domein van de kustwacht, patrouillevaartuigen en diverse middelen die in onze maritieme zones ingezet worden in samenwerking met de Douane, de Politie en andere interdepartementale diensten via o.a. het Maritiem Informatie Kruispunt (MIK). Deze laatste kerncapaciteit moet onbeperkt ingezet kunnen worden. Basispremissen voor de marine capaciteiten Taakspecialisatie in mijnenbestriiding; waarom is dit geen oplossing? Met betrekking tot taakspecialisatie tussen de BEL en NLD marines dringen volgende kritische beschouwingen zich op: Taakspecialisatie is niet goedkoper Beide landen overwegen de gezamenlijke vervanging van de huidige identieke mijnenjagers vloot a ratio van 4 schepen voor BEL en 6 tot 8 platformen voor NLD. Met een investering in een taakspecialisatie in mijnenbestrijding zou dit inhouden dat we een aankoop moeten overwegen van 4+6 a 8 schepen, voor een totaalbedrag van tussen de 1500 en 2400 MEuro (marktverkenning loopt). In vergelijking met de vervanging van de huidige BEL mijnenbestrijdingsvloot door 4 vaartuigen en 2 Surface Combatants, is de eventuele keuze voor een taakspecialisatie dus niet goedkoper. De inzetmogelijkheden voor onze marine zullen gevoelig dalen

119 Bijlage M Mijnenbestrijdingsschepen zijn noodzakelijke, maar tegelijk ook zeer gespecialiseerde platformen met een erg beperkt inzetprofiel. Het specialiseren in de niche van de mijnenbestrijding zal een negatieve impact hebben op de inzetmogelijkheden van de marine en, de facto, resulteren in een zeer lage 'return-oninvestment'. We zien hierdoor namelijk af van onze beste capaciteit als het aankomt op kost-efficientie. Beperking van de beleidskeuzes en inzetopties voor de regering Taakspecialisatie naar mijnenbestrijding zou inhouden dat ons land afstand doet van haar enige multifunctionele maritieme gevechtscapaciteit, de fregatten, die in een zeer brede waaier van operaties kunnen worden ingezet. Bovendien zou dit betekenen dat we voor de beveiliging van de internationale aanvoerroutes naar onze wereldhaven en voor de bescherming van onze handelsvloot, die in volume groter is dan de Nederlandse of de Franse, beroep moeten doen op een partner. Een waaier aan noodzakelijke opdrachten wordt hiermee uitgesloten. Denken we maar aan maritieme veiligheidsoperaties, zoals anti piraterij missies, maar ook counter drugs operaties en diplomatieke vertegenwoordiging zijn niet uitvoerbaar met mijnenbestrijdingsvaartuigen. Kortom, de regering zal niet meer kunnen inspelen op wijzigingen in de veiligheidsomgeving en dit op een moment dat de geopolitieke ontwikkelingen en strategische trends nopen tot meer multifunctionele fregatten. Wederkerigheid: It takes two to tango Het aantal potentiele partnerlanden is uiterst beperkt: het is immers zeer onwaarschijnlijk dat FRA of GBR het mijnenvrij houden van de toegang tot de bases van hun nucleaire onderzeeers aan ons zouden toevertrouwen. In de praktijk kan enkel met Nederland, onze strategische partner, een verregaande taakspecialisatie overwogen worden maar ook daar acht men het uitbesteden van een taak met een groot nationaal belang, denk maar aan het mijnenvrij houden van de toegang tot de wereldhaven van Rotterdam, niet denkbaar. We zouden dus alleen staan als we taakspecialisatie voorstellen, wat de keuze de facto onuitvoerbaar maakt. 'Surface combatants' behouden; waarom volstaan patrouilleschepen (OPV) niet? De grote verschillen tussen de beide platformen situeren zich in 3 domeinen. Ten eerste zijn er verschillen in middelen voor zelfverdediging. Hoe hoger het aantal gevechtssystemen, hoe breder inzetbaar het platform wordt (het platform kan zich beter beschermen tegen hogere geweldsdreiging). We kunnen dit samenvatten onder de wijze waarop een platform kan omgaan met escalatiedominantie. 'Surface combatants' beschikken dan ook over een veel hogere escalatie dominantie dan patrouilleschepen. Patrouilleschepen behoeven daarom een partner om te voorzien in hun volledige zelfbescherming. Ten tweede zijn er verschillen in de soort offensieve gevechtssystemen waarover deze platformen beschikken en de wijze waarop ze deze kunnen inzetten. 'Surface combatants' zijn inzetbaar tegen verschillende soorten gelijktijdig doelen in de lucht, op het water, onder water en vanaf het land. De 'surface combatant' is het kleinste type platform dat over een afdoende zelfbescherming beschikt in de drie dimensies (lucht, oppervlakte, onderwater) en over een offensieve capaciteit in een van de drie. patrouilleschepen beschikken over het algemeen niet over offensieve capaciteiten. Opnieuw een zeer duidelijke inzetbeperking

120 Bijlage M Ten slotte, is er de verschillende autonomie van de platformen. 'Surface combatants' hebben een grotere autonomie dan patrouilleschepen. Deze laatsten worden voornamelijk ingezet in Exclusieve Economische Zones, waarbij de nodige ondersteuning meestal snel en in een permissieve omgeving, kan plaats vinden. Voortbouwend op deze elementen en nog eens benadrukkend dat Belgie als maritiem land hierdoor een aantal belangrijke niet los te koppelen directe en indirecte verplichtingen te vervullen heeft (defensief optreden waar het kan en offensief waar het moet om de belangrijke Belgische en internationale maritieme belangen te vrijwaren) moeten we besluiten dat de 'surface combatant' gedimensioneerd is op de Belgische realiteit en, in samenwerking met Nederland, het meest geschikte platform is om haar ambitie invulling te geven en al haar verplichtingen na te komen. Belgie zou met patrouilleschepen dus duidelijk over minder politieke en strategische flexibiliteit beschikken door het verminderde handelingsvermogen. We moeten ook beseffen dat de EU en de NAVO hun lidstaten en ook Belgie vragen om maritieme capaciteiten voor gevorderde maritieme interdictie operaties (belangrijk in het kader van het beveiligen van onze zeeroutes) met inbegrip van onderzeebootbescherming en beeldopbouw. Met een patrouilleschip kunnen we hier niet aan voldoen. Vandaar de logische keuze voor het behoud van de fregattencapaciteit en de vervanging ervan door gelijkaardige schepen, de 'surface combatants', in nauwe samenwerking met onze strategische partner, Nederland. Toelichting bij de vormgevingen in 1 en 3 waar in de dimensie zee enkel de surface combatant' gevechtscapaciteit als expeditionaire capaciteit wordt behouden In deze vormgeving evolueren we naar een defensie die in het domein van de marine, slechts opgebouwd is uit twee kerncapaciteiten, t.t.z. een 'surface combatant' capaciteit en een kustwachtcapaciteit omdat de mijnenbestrijdingscapacteit door onvoldoende budgettaire marge en personeel onmogelijk in stand kan worden gehouden. Ze heeft volgende kenmerken: Portfolio en ambitieniveau De Surface Combatant gevechtscapaciteit. opgebouwd rond de Multipurpose-Fregatten en hun toekomstige vervangers, uitgerust met een Nato Frigate Helicopter NH90, is een veelzijdige, snel ontplooibare en robuuste gevechtscapaciteit, die kan ingezet worden in het volledige spectrum van de maritieme operaties, op grote afstand en in multinationaal verband en onder internationale commandostructuur (NAVO, EU en VN). Na hun vervanging zullen de platformen een verhoogde rentabiliteit bieden door een gevoelig kleinere basisbemanning, een verhoogde modulariteit en een grotere veelzijdigheid. Deze capaciteit laat een grote verscheidenheid aan opdrachten toe, gaande van maritieme aanwezigheid en humanitaire bijstand over Defence Diplomacy en het bestrijden van illegale activiteiten, tot het afdwingen en behouden van de vrijheid van navigatie op zee (Sea Control) en het beschermen van andere schepen tegen onderwater-, oppervlakte- en luchtdreigingen. Deze capaciteit kan met een inzettermijn van 10 dagen gedurende een periode van maximum een jaar wereldwijd ingezet worden in elk geweldsspectrum. Deze inzet moet voor materiele en personele recuperatie onderbroken worden gedurende maximum een jaar. Ze moet waar nodig worden aangevuld met een beperkte medische ondersteuning en gepaste steunelementen uit de landstrijdkrachten. Ze zijn een essentieel deel van de vierslag die ze met de multifunctionele fregatten uit de vloot van de

121 Bijlage M Nederlandse Koninklijke Marine vormgeven. De Kustwachtcapaciteit staat in voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Marine in de Belgische wateren en vormt daarnaast een essentiele bijdrage aan de interdepartementale kustwachtstructuur. Ze is daartoe uitgerust met recent verworven performante patrouillevaartuigen. De patrouilleschepen hebben een onbeperkt voortzettingsvermogen met een inzettermijn van twee uren voor 24/7 maritiem toezicht op het Belgische zeegebied (de territoriale wateren en de exclusief economische zone) en leveren de permanentie voor een adequate en tijdige interventie in het geval van maritieme incidenten die onze nationale maritieme belangen of onze kritieke kustinfrastructuur kunnen bedreigen. Ze worden in hun acties aangestuurd en ondersteund door het Maritiem Informatie Kruispunt (MIK). Dit nagestreefde ambitieniveau voor 2030 is gelijk aan het huidige in 2015 voor de fregatten en kustwacht maar is door de stopzetting van de mijnenbestrijding in dat domein uiteraard niet vergelijkbaar. Budget Deze vormgeving vraagt een investeringsbudget van ongeveer 780 miljoen euro 55 voor de noodzakelijke vervanging van de M-fregatten. De huidige twee M-fregatten, waarvan het ontwerp en de technologie dateert uit de tweede helft jaren 80, zijn in 1990 en 1991 in dienst gekomen en zijn vergevorderd in hun levensduur. Hun einde levenstermijn is voorzien in de periode en Defensie schat in dat vervanging van de M-fregatten moet plaatsvinden vanaf Door het recente instandhoudingsprogramma zijn de twee MFF operationeel weer relevanter gemaakt en verzekeren hierdoor de multifunctionele maritieme gevechtscapaciteit van Defensie in de komende jaren. De vastlegging van dit programma, dat volledig gesynchroniseerd moet verlopen met Nederland, is ten laatste noodzakelijk in Voor de werking van de twee resterende marinecapaciteiten wordt gerekend op ongeveer 35 miljoen Euro per jaar (inclusief 3,6 M euro voor brandstof) (constante euro 2015). Het verwerven van tweedehands platformen lijkt niet realistisch daar er in de komende periode geen recente platformen met voldoende groeipotentieel beschikbaar zullen komen op de markt. Het aanschaffen van tweedehands schepen van een verder afgelegen marine zou bovendien een groot exploitatienadeel inhouden en opnieuw een grote stap achteruit zijn in de binationale samenwerking. Ook levensverlengende ingrepen op onze actuele fregatten zijn een nefaste keuze. Het is een dure ingreep op een recent aan een levensverlengend programma onderworpen platform van nu al bijna 25 jaar oud, het zal leiden tot onbeschikbaarheid voor inzet, enige jaren later resulteren in een nieuwe noodzaak tot vervanging en het brengt de samenwerking opnieuw grote schade toe wanneer het zonder overleg met Nederland zou gebeuren. Personeel In een marine met enkel een expeditionaire 'surface combatant' gevechtscapaciteit en een kustwachtcapaciteit zijn 270 mensen aan boord nodig. Het marinepersoneel moet omwille van de gezonde boord-wal verhouding van 1 tegen 3 (1 op 4) bestaan uit 1080 personen, verdeeld over de In Nederland en Belgie worden niet noodzakel jk dezelfde bedragen gehanteerd. Dit heeft te maken met verschillen in de manier van het berekenen van de kostprijs en het budgetteren ervan

122 Bijlage M Component enerzijds (geschat op ongeveer 750 personen, boordpersoneel inbegrepen) en de Defensiestaf en overkoepelende structuren anderzijds. Omdat NLD 'lead nation" is de 'surface combatant' is het aantal nuttige walplaatsen voor de aansturing en operationele ondersteuning in Belgie minimaal. Hoewel de behoefte aan walplaatsen in Nederland zal toenemen - niet in het minst om het verdwijnen van de tegenprestatie van Belgie als "lead nation" mijnenbestrijding enigszins te compenseren - zal het aantal walplaatsen in de Component in Belgie te klein zijn om een degelijk loopbaantraject uit te werken met het oog op behoud van expertise. Het is zeer onzeker of de marine op termijn kan overleven in deze vormgeving. Samenwerking Een vermindering van de marine capaciteiten door de stopzetting van de mijnenbestrijdingscapaciteit leidt tot een gevaarlijk onevenwicht in de BENESAM/ABNL samenwerking. Dit zal het bestaande akkoord zeer zwaar onder druk zetten en Nederland, EU en NAVO zullen niet begrijpen waarom ons land haar verantwoordelijkheid in de bescherming van de scheepvaartroutes en de toegangen tot onze havens niet meer wil dragen. Deze vormgeving zet vooral een internationaal gerenommeerd voorbeeld van militaire samenwerking op de helling. We missen de historische kans om samen met onze strategische partner de vloot toekomstgericht te vernieuwen en een antwoord te formuleren op de wereldwijd evoluerende dreigingen in de maritieme omgeving. Het leidt dan ook weinig twijfel dat deze onbetrouwbare houding op termijn zal leiden tot de stopzetting van de Belgisch/Nederlandse samenwerking. Trouwens, ook indien Defensie de fregattencapaciteit zou afstoten zal dit grote gevolgen hebben voor het bestaande evenwicht in de binationale samenwerking door de verstrengeling in domeinen zoals aansturing, vorming, onderhoud, training, enz. De schaalvergroting in het fregattendomein zou aldus verloren gaan wat uiteraard een belangrijke negatieve impact heeft voor Nederland dat met slechts 2 platformen overblijft. Dit brengt op termijn het voortbestaan van de marine in het gedrang en toont aan dat een vormgeving met slechts twee overblijvende kerncapaciteiten in de domeinen personeel, vloot en materieel, training, opleiding en infrastructuur onze marine onder de kritieke leefbaarheidsdrempel doet dalen. Infrastructuur Een marine die enkel bestaat uit een expeditionaire 'surface combatant' gevechtscapaciteit, waarvoor Nederland de steunende 'lead nation' is, en een kustwachtcapaciteit zal een ruim aantal ondersteunende faciliteiten niet meer gebruiken en daarom de eraan gebonden infrastructuur verlaten. Door de gedwongen stopzetting van de mijnenbestrijdingscapaciteit worden heelwat steunorganismen overbodig zoals: in Oostende sluiten: - de binationale mijnenbestrijdinsschool EGUERMIN - het 'NATO Mine warfare centre of excellence' in Brugge bij het competentiecentrum van de Marine (CC MAR) sluiten: - de technische school (ETS) - een groot deel van de nautische school (ENS) in Zeebrugge reduceren en op termijn verlaten: - het grootste gedeelte van de technico-logistieke ondersteuning NAVLOG - het overgrote gedeelte van de algemene walondersteuning NAVSUPPORT

123 Bijlage M - de 'Mine warfare Operational Sea Training' MOST - de duikschool en het hyperbaar centrum - een van beide tijdokken Hierdoor zullen de kazernes van Oostende en Sint-Kruis Brugge verlaten worden en kan de overblijvende marine samengebracht worden in een deel van de basis te Zeebrugge. Het is zeker niet uit te sluiten dat het volledig verlaten van de marinebasis in Zeebrugge de beste keuze zal blijken aangezien onze fregatten door langdurige vaarperiodes en de intensieve integratie met Nederland nu al slechts sporadisch in Belgie liggen. Voor twee patrouillevaartuigen is de militaire marinebasis veel te ruim bemeten. Ze kunnen in dit scenario hoogstwaarschijnlijk beter gelokaliseerd worden met ander kustwachtpartners bij voorbeeld in de haven van Oostende. Op termijn zal de marine dus via een centralisatie van haar middelen evolueren naar een de-lokalisatie van haar middelen en personeel in Nederland. NAVO en EU defensieplanningsdoelstellingen De NATO heeft doelstellingen ('targets') opgelegd op 3 niveaus, t.t.z. zuiver nationale, multinationale en doelstellingen die via NATO gemeenschappelijke financiele bijdrage zullen worden nagestreefd omdat deze op geen andere manier te verwezenlijken zijn. Wij focussen ons voornamelijk op de doelstellingen op de eerste twee niveaus. Het 'NATO Defence Planning Proces' NDPP heeft de eerder door de NATO geidentificeerde prioritaire capacitaire tekortkomingen gebruikt om de nationale en multinationale maritieme doelstellingen te definieren. Hierdoor krijgen we een goed zicht op de impact van de keuze van de hier besproken vormgeving. Er werden doelstellingen opgelegd in vier brede domeinen. De detectie van onderzeeboten dient verbeterd te worden, met inbegrip van de verdediging ertegen. In het kader van mijnenbestrijding dient in diverse waterdieptes, inclusief ondiepe gebieden, de detectie en identificatie van mijnen verbeterd te worden en moeten 'covert' operaties mogelijk zijn. Er dient een maritieme expeditionaire logistieke steuncapaciteit te worden ontwikkeld en ten slotte is er nood aan een expeditionaire module voor havenbescherming. We merken dus dat wanneer we de marine reduceren tot een expeditionaire 'surface combatant' gevechtscapaciteit en een 'homeland' kustwacht er slechts een deel van de door de NATO gestelde nationale (en multinationale) doelstellingen zal worden afgedekt en er geen invulling zal worden gegeven aan de doelstellingen in het domein van de mijnenbestrijding. Er blijft enige tegemoetkoming mogelijk door het bijkomend verder ontwikkelen van capaciteiten voor maritieme beeldopbouw in het maritiem informatiekruispunt en met moderne boordsensoren, de beeldopbouwcapaciteiten van de helikopter en 'drones' vanaf de toekomstige fregatten. Maar het is uitgesloten om al deze objectieven te realiseren door de te beperkte investeringsmarges. De EU van haar kant heeft, in het maritieme domein via het 'capability development proces' CDP naar haar lidstaten twee prioriteiten naar voor geschoven. Enerzijds vraagt de EU om in een eerste domein, het domein van maritieme gevechtscapaciteit, patrouille en escorte, volgende 4 activiteiten uit te werken: harmoniseren van de behoeften en zich voor te bereiden op de volgende generatie expeditionaire schepen - fregatten voor 'blue water' operaties die het hoofd kunnen bieden aan een lucht-, oppervlakte- asymmetrische- en onderzeedreiging, samenwerken in maritieme logistiek en de verwerving van logistieke steunschepen (tankers), het ontwikkelen van een volgende generatie van modulaire zee wapensystemen en tenslotte het verbeteren van de maritieme mijnenbestrijdingscapaciteit in overeenstemming met de NATO

124 Bijlage M Anderzijds in een tweede domein, het domein van maritieme bewaking, vraagt de EU om de 'Maritime Surveillance' MARSUR door te ontwikkelen, verder in te zetten op onbemande maritieme systemen, voornamelijk in het domein van de mijnenbestrijding, dit om een antwoord te kunnen bieden aan de nieuwe soorten mijnen en ten slotte om na te gaan hoe luchtondersteuning kan geleverd worden voor maritieme beeldopbouw. In de hier voorliggende vormgeving, bestaande uit uitsluitende fregatten en de kustwacht, kan slechts een deel van de door de EU gestelde behoeften worden afgedekt. De ontwikkelingen in het eerste domein van maritieme patrouille en escorte zijn mogelijk en aan deze prioriteiten zou kunnen beantwoord worden bij de verwerving van de nieuwe 'surface combatants', maar de prioriteiten in het domein van de mijnenbestrijding kunnen onmogelijk ingevuld worden. Er blijven ook nog wat mogelijkheden om deels tegemoet te komen aan de 'MARSUR' doelstellingen door het lichten van de optie om met onbemande surveillance vliegtuigjes beeldopbouw te gaan uitvoeren vanaf de nieuwe schepen. Het is uitgesloten dat de nodige budgettaire marge daarvoor aanwezig zal zijn. Overige elementen Deze vormgeving met enkel fregatten en een kustwacht brengt een grote slag toe aan de tewerkstelling in de brede kustregio. De samenwerking met de firma CLEMACO zal enorm afnemen door het verlies van de onderhoudsopdrachten voor de mijnenbestrijdingsvaartuigen. Maar ook andere bedrijven en toeleveranciers zijn nauw verbonden met de activiteiten van de marine. Dit zal leiden tot een substantieel verlies aan arbeidsplaatsen. Daarnaast mag ook de bredere economische impact op de maritieme - technologische activiteiten in ons land niet onderschat worden. Tenslotte is de impact van het verlies aan betrouwbaarheid en geloofwaardigheid in een veelheid aan internationale fora voor ons land onmogelijk te becijferen. Toelichting bij vormgeving 2 waar in de dimensie zee enkel kustwachtcapaciteit wordt behouden In deze vormgeving evolueren we naar een defensie die in het domein van de marine, uitsluitend opgebouwd is uit een kerncapaciteit, t.t.z. een kustwachtcapaciteit omdat de fregatten -en mijnenbestrijdingscapacteit door onvoldoende budgettaire marge en personeel onmogelijk in stand kunnen worden gehouden. Ze heeft volgende kenmerken: Portfolio en ambitieniveau De Kustwachtcapaciteit staat in voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Marine in de Belgische wateren en vormt daarnaast een essentiele bijdrage aan de interdepartementale kustwachtstructuur. Ze is daartoe uitgerust met recent verworven performante patrouillevaartuigen. De patrouilleschepen hebben een onbeperkt voortzettingsvermogen met een inzettermijn van twee uren voor 24/7 maritiem toezicht op het Belgische zeegebied (de territoriale wateren en de exclusief economische zone) en leveren de permanentie voor een adequate en tijdige interventie in het geval van maritieme incidenten die onze nationale maritieme belangen of onze kritieke kustinfrastructuur kunnen bedreigen. Ze worden in hun acties aangestuurd en ondersteund door het Maritiem Informatie Kruispunt (MIK). Dit nagestreefde ambitieniveau voor 2030 is in niets vergelijkbaar met het huidige van 2015 door de

125 Bijlage M stopzetting van elke expeditionaire capaciteit. Budget Deze vormgeving voorziet, door de keuze voor een beperkte expeditionaire luchtgevechtscapaciteit, geen investeringsbudget voor de kustwacht. Ze werd gemoderniseerd door de in gebruik name van twee moderne nieuwe patrouillevaartuigen. Uiteraard zal zonder enige vorm van investeringen het niet mogelijk zijn om de kustwacht op termijn te laten overleven. voor de werking van deze capaciteit (ong. 2 a 3 M euro, inclusief 800K euro voor brandstof) wordt niet gerekend op defensie, maar is overdracht naar een FOD of het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid de beste oplossing. Dit maakt een aansturing door en lokalisatie met het Maritiem Reddings- en Coordinatiecentrum in Oostende mogelijk. Personeel Voor een marine met enkel een kustwachtcapaciteit is een militair personeelsbestand (slechts 30 varende plaatsen) geen leefbare optie. Zo een kleine marine kan niet zelfstandig functioneren en dus is een overdracht van de capaciteit met inbegrip van het nodige personeel naar een andere Federale Overheidsdienst of het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid de enige realistische oplossing. Samenwerking De Kustwachtcapaciteit levert samenwerking en steun op het vlak van visserijcontrole en in het kader van de bestrijding of preventie van maritieme verontreiniging of de activatie van het Algemeen Nooden Interventieplan (ANIP) Noordzee. Daarnaast ondersteunt ze de interdepartementale activiteiten van partners zoals de Scheepvaartpolitie en de Douane. Deze samenwerking kan deels blijven bestaan na de overdracht aan een andere FOD of de Vlaamse overheid. In deze vormgeving overleeft de marine als krijgsmachtdeel, net als in 1862 en 1927, niet en dus kan de samenwerking met onze Nederlandse partner niet verdergezet worden. Infrastructuur Door de gedwongen stopzetting de marine worden haar installaties overbodig en dus kan de eraan gebonden infrastructuur verlaten worden. NAVO en EU defensieplanningsdoelstellingen Het spreekt voor zich dat een land dat enkel beschikt over twee kustvaartuigen geen aanspraak maakt op een marine in de gebruikelijke zin van het woord en dus ook geen bijdrage kan leveren aan de realisatie van NAVO of EU doelstellingen noch nationale noch multinationale. Overige elementen Deze vormgeving met enkel een kustwacht brengt uiteraard een mokerslag toe aan de lokale tewerkstelling in de kustregio. De samenwerking met de firma CLEMACO zal ophouden te bestaan en de ermee verbonden tewerkstelling zal verdwijnen. Maar ook andere bedrijven en toeleveranciers zijn nauw verbonden met de activiteiten van de marine. Daarnaast mag ook de bredere economische impact op de maritieme - technologische activiteiten in ons land niet onderschat worden

126 Bijlage M Tenslotte is de impact van het verlies aan betrouwbaarheid en geloofwaardigheid in een veelheid aan internationale fora voor ons land onmogelijk te becijferen. De beleidsmaatregelen nodig voor de transitie Rekrutering Onder invloed van de opeenvolgende herstructureringen van Defensie heeft de marine zich veelvuldig gereorganiseerd om haar operationele output op peil te houden. Daarbij is goed nagedacht over de eisen waaraan de resterende capaciteit, haar aansturing en haar ondersteuning moest voldoen. Deze inkrimpingen zijn bovendien samengegaan met de verdieping van de samenwerking met onze strategische partner, Nederland, en hebben geresulteerd in een binationaal geintegreerde marine in alle ontwikkelingslijnen. Binnen de marinecomponent zelf heeft dit geleid tot een werkelijk 'lean and mean' organisatie waar bijna alle mogelijke optimalisatiemaatregelen zijn genomen en de kritieke ondergrens is bereikt. In deze kleinere en goedkopere marine konden daardoor capaciteiten worden behouden. Om niet onder de kritieke drempel te zakken - en het voortbestaan van een kostenefficiente, doch doelmatige marine te hypothekeren - volstaat het om in deze legislatuur te starten met een jaarlijks volgehouden rekrutering van ongeveer 130 marinemensen voor het geval de 3 marine kerncapaciteiten worden behouden en met een aangepaste kleinere werving in de andere vormgevingen. Infrastructuur In dit domein is de instandhouding van de operationaliteit van de marinebasis in Zeebrugge het belangrijkste aandachtspunt. Alvorens de integraliteit van het masterplan infrastructuur gefaseerd te realiseren is het in de eerstvolgende jaren noodzakelijk om de fysieke en militaire veiligheid in en om het kwartier te vrijwaren en ook de noodzakelijke werken uit te voeren in de domeinen hygiene (normen voor het horeca complex), de trainingsfaciliteiten (het zwembad) en de werkomgeving (algemene toestand van de gebouwen en hun netheid voor het personeel dat er dagelijks werkt). Vastleggingen In deze legislatuur zijn de beslissingen en vastleggingen in beide vernieuwingsprogramma's, fregatten en mijnenbestrijding, noodzakelijk. Ze moeten daarenboven synchroon verlopen met Nederland om zo de samenwerking succesvol te kunnen verderzetten. Deze vastleggingen zijn ook onontbeerlijk om de signalen van onze nauwste partner, waarbij Belgie als betrouwbare partner in vraag wordt gesteld, te ontkrachten en de integratie met Nederland duurzaam verder te laten gaan. Concreet probleem is de onbeschikbaarheid van budgettaire marge voor investeringen voor 2021 dat ervoor zorgt dat de functionaliteiten actueel geboden door de Godetia, wegens haar te laattijdige vervanging, gedurende jaren onbeschikbaar zullen zijn in de capacitaire waaier. Dit heeft een negatieve impact op onze aan bijdrage aan NAVO en EU. Het verwerven van tweedehands platformen lijkt voor beide capaciteiten niet realistisch daar er in de komende periode geen recente platformen met voldoende groeipotentieel beschikbaar zullen komen op de markt. Het aanschaffen van tweedehands schepen van een verder afgelegen marine zou bovendien een groot exploitatienadeel inhouden en opnieuw een grote stap achteruit zijn in de

127 Bijlage M binationale samenwerking. Ook levensverlengende ingrepen op onze actuele platformen zijn een nefaste keuze. Het is een dure ingreep op platformen van nu al 25 jaar oud, die elk al een levensverlengend programma ondergingen. Een levensverlengend programma heeft een zeer negatieve impact op de operationele inzetbaarheid. Het zal wat jaren later resulteren in een nieuwe noodzaak tot vervanging en het brengt de samenwerking opnieuw grote schade toe wanneer dit zonder overleg met Nederland zou gebeuren. Inzet In de periode mogen de werkingsmiddelen toegewezen aan de training van het marinepersoneel en de schepen niet verder dalen. De huidige trainingsactiviteiten zijn minimaal vereist om de inzet van de drie kerncapaciteiten veilig en geloofwaardig te kunnen garanderen wanneer de regering er een beroep op doet. Inzetbaarheid is de conditio sine qua non om een marine, die naam waardig, te behouden

128 Bijlage N Bijlage N: Pilootprojecten in het inlichtingen -en veiligheidsdomein De hiernavolgende voorgestelde pilootprojecten kunnen verder uitgewerkt en gecoordineerd worden binnen de inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap. Reorganisatie van de posten Defensie Attaches Het netwerk van Defensie Attaches wordt gereoganiseerd naar een netwerk van Visiting Security Advisors (VSA), Non-Resident Defense Attaches (NDRA), residenten en Defensie Attaches waarbij voor deze laatste naar synergien met NDL wordt gezocht. Opvolging HELIOS - Project MUSIS Dit project wordt uitvoerig besproken in bijlage B. De investering in dit programma zal door internationale samenwerking Belgie in staat stellen te beschikken over eigen satellietbeelden van hoge kwaliteit tegen een verminderde kostprijs. Joint COMINT eenheid In dit project is het doel om op nationaal niveau gemeenschappelijke COMINT capaciteiten te verwerven met VSSE en FEDPOL, waarbij opleiding, training en gemeenschappelijke uitbating mogelijk zijn in functie van de operationele noodwendigheden en specifieke opdrachten van de respectieve Diensten. Hieruit vloeien schaalvoordelen, betere kennis en betere samenwerking tussen de Diensten. Joint Cyber eenheid Naar analogie met de Joint SIGINT eenheid is het doel van dit project om op nationaal niveau gemeenschappelijke Cyber capaciteiten te verwerven met VSSE, waarbij opleiding, training en gemeenschappelijke uitbating mogelijk zijn. Joint ISTAR capaciteit Voor inlichtingensteun aan operaties is een ISTAR capaciteit noodzakelijk die over een moderne mix aan sensoren beschikt die toelaat op een discrete en efficiente wijze in een complexe omgeving informatie te verzamelen, met hoog opgeleid personeel en voldoende Command and Control (C 2 ) en Analyse capaciteit. Er is bijvoorbeeld al een goede samenwerking met het NDL J-ISTARC en de LUX Verkenningseenheid. De opportuniteit bestaat om eventueel te evolueren naar een geintegreerde BENELUX ISTAR capaciteit die kan worden aangeboden in het kader van een NAVO Very High Readiness Joint Task Force (VJTF). Andere opties kunnen eveneens onderzocht worden. Hieruit zijn voordelen te halen door reductie van de "overhead", mogelijke gezamenlijke aankoop en standaardisatie van middelen en gemeenschappelijke vormingen. Dit impliceert echter ook "risk and burden sharing" en investeringen in een moderne sensormix. HUMINT (Source Operations) Bij HUMINT is de kwaliteit van het personeel de succesfactor voor efficiente informatievergaring. Er moet bijzondere aandacht worden besteed en voldoende middelen worden vrijgemaakt voor de vorming van de operatoren. In een BENELUX kader en/of met onze andere strategische partners, zal voornamelijk een standaardisatie van de opleiding en vorming voordelen opleveren. Omwille van taalaspecten kan hierbij zeker niet uitgesloten worden dat er ook met andere partners wordt samengewerkt

129 Bijlage N Intelligence Oriented Ground Recce (Non-Source Operations) Dit brengt de grondgebonden verkenning naar een hoger niveau en is voornamelijk gespecialiseerd in Non- Source Operations. Hiervoor is een investering in een zeer mobiel, licht, discreet en betrouwbaar platform met moderne observatie en communicatie middelen essentieel. Als platform voldoet de PANDUR (nog steeds) niet aan deze vereisten aangezien het niet ontworpen is voor verkenning of infiltratie. Bij de verwerving van een aangepast platform kan synergie en standaardisatie gezocht worden binnen projecten van Defensie of met onze strategische partners, ISTAR samenwerkingsverband. Battlefield Surveillance Radar (BSR) Deze capaciteit is hernomen in het NATO VJTF concept en is op BENELUX vlak een unieke capaciteit waarover de Belgische Defensie beschikt. Het systeem heeft in KOSOVO en AFGHANISTAN haar nut meer dan bewezen en heeft absoluut haar plaats in een moderne sensormix. Het personeel is zeer ervaren en is er in geslaagd het systeem te koppelen aan de observatiecamera van de PANDUR waardoor BSR kan geintegreerd worden in een netwerk van sensoren. Het huidige systeem is in afwachting van een vervanging. Het systeem draagt ook bij tot de bescherming van de kritische infrastructuur in Belgie tegen laag en traag vliegende objecten zoals bvb ULM en drones. Unmanned Aireal Systems (UAS) Hierbij wordt verwezen naar het gedeelte "genetwerkte operaties" in het Joint-domein, meer bepaald paragraaf 'Networked Aerial Joint ISR including Remotely Piloted Aircrafts (RPA)'. Remotely Piloted Aircraft (RPA) zijn een essentieel onderdeel van de Land-based Intelligence, Surveillance, Target Acquisition and Reconnaissance (ISTAR) middelen voor de inlichtingenvergaring, doelverwerving in uitgestrekte en/of bewoonde verantwoordelijkheidszones en voor 24/7 verkenning of bewaking. Tactical SIGINT In huidige conflicten is dit een onontbeerlijke inlichtingen capaciteit in steun aan operaties. Future Sensors In functie van de evoluties dienen nieuwe sensoren aangeschaft te worden om een plaats te blijven behouden in het tactische inlichtingenspectrum. Voorbeelden hiervan zijn Unattended Ground Sensors (UGS), Anti Intrusion Detection Systems, Airborn SIGINT Capaciteit,... Competentie Centrum Inlichtingen en Veiligheid(CC IV) Het CC Int garandeert alle vormingen voor de militaire Belgische inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap. Deze vormingen dienen te worden afgestemd op de capacitaire behoeften van de inlichtingen- en veiligheidsgemeenschap en zijn voornamelijk gesitueerd op het vlak van C 2, analyse, collecte en veiligheid. Een herstructurering van de instellingen binnen Defensie die deze opleidingen op dit ogenblik aanbieden naar een entiteit werkt optimalisatie, schaalvoordelen en standaardisatie in de hand. Hierbij dient de reeds bestaande samenwerking met nationale en internationale partners verder te worden uitgewerkt. Zo vormt het CC IV onder meer de militaire pijler van de BIA. Bepaalde vormingen kunnen worden opengesteld voor studenten buiten Defensie waarvoor een "course fee" kan gevraagd worden

130 Bijlage N Centre of Excellence Open Source Intelligence (COE OSINT) Er is een sterke (inter)nationale behoefte aan OSINT. Er is een opportuniteit om met een aantal experten in BENELUX configuratie in het hart van de internationale instellingen in Brussel een COE OSINT op te richten dat zich toelegt op Doctrine en Methoden, Vormingen, Research and Development en Outreach. Dit geeft niet alleen de mogelijkheid om via "course fees" het COE OSINT financieel rendabel te maken, maar ook de internationale uitstraling van de Belgische Defensie te promoten

131 Bijlage O Bijlage O: Relatie tussen de defensie inspanning en het defensiebudget Het Bruto Binnenlands Product Definitie Het bruto binnenlands product (BBP) is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een jaar. Evolutie De toekomstige waarden BBP zijn functie van de toekomstige inflatie en de ingeschatte groei. In onderstaande 'tabel 1' worden de toekomstige waarden berekend rekening houdend met de door MOD opgelegde groei van 1,5% bovenop de inflatie die gelijk gesteld wordt aan 1,6% t.e.m en vanaf % bedraagt. De vertrekwaarde in 2015 ( Mio ) is gebaseerd op informatie komende van het Planbureau (Economische begroting 2015 (september 2014)). Uitdrukking in ' Courant' of ' Constant 2015' ' constant 2015' ( Cst 2015) = in huidige prijzen 2015 ' courante' ( Crt) = Cst 2015 * inflator (o.b.v. inflatie - zie tabel) In dit document worden alle scenario's uitgedrukt in Cst 2015 Begroting Defensie in % van BBP NA TO-referentie - NATO rekent de pensioenen van militairen mee in het budget van Defensie = Bg Defensie (inclusief pensioenen) - NATO stelt als norm 2% van BBP = Bg Defensie (inclusief pensioenen) / BBP Begrotingreferentie - In de begroting van Defensie worden de pensioenen NIET meegeteld = Bg Defensie (exclusief pensioenen) - In dit document worden de scenario's voorgesteld in Bg Defensie (exclusief pensioenen) - Begrotingspercentage BBP = Bg Defensie (exclusief pensioenen) / BBP Om het budgettair traject dus te situeren ten opzichte van de statistieken en normen van de NAVO en het EDA met betrekking tot de globale defensie-uitgaven van hun lidstaten, dienen we bovenop de defensiebegroting ook rekening te houden met de voorziene pensioenuitgaven voor voormalig personeel van Defensie. Onderstaande tabellen en grafieken geven deze uitgaven en begrotingen weer voor beide scenario's (2,15 Mia euro constant & groei naar 1,36% van het BBP)

132

133

In het belang van Nederland

In het belang van Nederland In het belang van Nederland Inhoud Woord van de minister 5 Strategische omgeving 6 Militaire ontwikkelingen 7 Samenwerking in perspectief 8 Taken, strategische functies en vereiste capaciteiten 11 Het

Nadere informatie

Militair zijn. RogeR Housen

Militair zijn. RogeR Housen RogeR Housen Na een gevarieerd traject met wisselende functies in het operationele, personeels- en politiek-militaire domein was kolonel stafbrevethouder Roger Housen tussen 2009 en 2012 hoofd van de Task

Nadere informatie

INHOUDSTAFEL. 1. Meer jongeren tewerkstellen... 3

INHOUDSTAFEL. 1. Meer jongeren tewerkstellen... 3 HET GENERATIEPACT INHOUDSTAFEL 1. Meer jongeren tewerkstellen... 3 2. Actief ouder worden... 5 2.1. Inleiding... 5 2.2. Nieuwe houding en praktijk... 5 2.3. Vorming en opleiding... 7 2.4. Herstructureringen

Nadere informatie

GEWESTELIJKE BELEIDSVERKLARING

GEWESTELIJKE BELEIDSVERKLARING GEWESTELIJKE BELEIDSVERKLARING Meer nog dan voorheen staat Brussel voor een tweesprong. Sinds het 25 jaar geleden het levenslicht zag, is de eerste roeping van het Brussels Hoofdstedelijk gewest steeds

Nadere informatie

Geen leger, is onbetaalbaar

Geen leger, is onbetaalbaar No. 61 February 2015 Geen leger, is onbetaalbaar Jo Coelmont Het belang van het debat dat momenteel in ons land wordt gevoerd over de kerntaken van defensie verdient meer dan routine aandacht. De gemaakte

Nadere informatie

Ko Colijn Margriet Drent Kees Homan Jan Rood Dick Zandee Clingendael Rapport

Ko Colijn Margriet Drent Kees Homan Jan Rood Dick Zandee Clingendael Rapport Clingendael s visie op de krijgsmacht van de toekomst Ko Colijn Margriet Drent Kees Homan Jan Rood Dick Zandee Clingendael Rapport Clingendael s visie op de krijgsmacht van de toekomst Ko Colijn Margriet

Nadere informatie

Beveiliging van persoonsgegevens

Beveiliging van persoonsgegevens R e g i s t r a t i e k a m e r G.W. van Blarkom drs. J.J. Borking VOORWOORD Beveiliging van Achtergrondstudies en Verkenningen 23 G.W. van Blarkom drs. J.J. Borking Beveiliging van Achtergrondstudies

Nadere informatie

Uitbesteding, van strategie tot organisatorische werkelijkheid

Uitbesteding, van strategie tot organisatorische werkelijkheid Uitbesteding, van strategie tot organisatorische werkelijkheid F3010 1 Uitbesteding, van strategie tot organisatorische werkelijkheid Drs. J. de Bruijn Ontleend aan het boek Uitbesteding, Samsom bv, 1999.

Nadere informatie

Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding

Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal sociaal beleid een handleiding lokaal sociaal beleid Strategische planning voor het lokaal

Nadere informatie

Naar een snellere en betere besluitvorming over complexe projecten

Naar een snellere en betere besluitvorming over complexe projecten Naar een snellere en betere besluitvorming over complexe projecten Verslag van de Commissie Investeringsprojecten Voorzitter Cathy Berx (UA, Gouverneur provincie Antwerpen) Leden Marc Boes (KULeuven) Norbert

Nadere informatie

A. Nieuw Europees en Belgisch toezichtskader

A. Nieuw Europees en Belgisch toezichtskader A. Nieuw Europees en Belgisch toezichtskader 1. Inleiding In het deel Prudentiële regelgeving en prudentieel toezicht van het Verslag wordt met nieuwe bankwet bedoeld het grote project van hervorming van

Nadere informatie

Van school naar werk.

Van school naar werk. Van school naar werk. Samen werken aan een veilige en gezonde loopbaan Visies en ideeën voor een preventiecultuur bij jongeren Inhoud Inleiding... 4 Assuralia en de jongeren... 5 Deel I : Jongeren en

Nadere informatie

Voorstel van wet tot het geven aan gemeenten van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening)

Voorstel van wet tot het geven aan gemeenten van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) Voorstel van wet tot het geven aan gemeenten van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Nadere informatie

Advies bezuiniging cultuur 2013-2016. Noodgedwongen keuzen

Advies bezuiniging cultuur 2013-2016. Noodgedwongen keuzen Advies bezuiniging cultuur 2013-2016 Noodgedwongen keuzen 2 Inhoudsopgave Samenvatting advies 4 Vooraf 11 Uitgangspunten 13 Criteria 13 Rol van rijksoverheid, fondsen en andere overheden 16 Cultureel ondernemerschap

Nadere informatie

2014-2017. rd in registers. Het CIBG zet de standaard in registers. e standaard in registers. Het CIBG zet de standaard in regis

2014-2017. rd in registers. Het CIBG zet de standaard in registers. e standaard in registers. Het CIBG zet de standaard in regis 2014-2017 Het CIBG zet de standaard in registers. Strategisch Business Plan CIBG Het CIBG zet de standaa rd in registers. Het CIBG zet de standaard in registers. G zet de standaard in registers. e standaard

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 818 Wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en

Nadere informatie

Werken aan toekomst, een aanvullend beleidsakkoord bij samen werken, samen leven.

Werken aan toekomst, een aanvullend beleidsakkoord bij samen werken, samen leven. Werken aan toekomst, een aanvullend beleidsakkoord bij samen werken, samen leven. De mondiale economische crisis stelt de Nederlandse samenleving voor een grote opgave. De gevolgen zijn groot en acuut.

Nadere informatie

houdende de werk- en zorgtrajecten

houdende de werk- en zorgtrajecten stuk ingediend op 2442 (2013-2014) Nr. 1 31 januari 2014 (2013-2014) Voorstel van decreet van de heer Bart Van Malderen en de dames Sonja Claes, Goedele Vermeiren, Güler Turan, Katrien Schryvers en Helga

Nadere informatie

Advies van de Commissie Code Goed Bestuur voor

Advies van de Commissie Code Goed Bestuur voor Advies van de Commissie Code Goed Bestuur voor Advies voor een code voor de leden van de VFI juni 2005 colofon Commissie Code Goed Bestuur voor Goede Doelen In opdracht van de VFI, brancheorganisatie van

Nadere informatie

BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN. Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid

BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN. Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid BEWUST OMGAAN MET VEILIGHEID: RODE DRADEN Een proeve van een IenM-breed afwegingskader veiligheid

Nadere informatie

Van het oude werken De dingen Die voorbijgaan HET NIEUWE WERKEN BIJ HET RIJK. Drs. Marloes Pomp Dr. Anthon Klapwijk Gerbrand Haverkamp Anita Smit Msc

Van het oude werken De dingen Die voorbijgaan HET NIEUWE WERKEN BIJ HET RIJK. Drs. Marloes Pomp Dr. Anthon Klapwijk Gerbrand Haverkamp Anita Smit Msc Van het oude werken De dingen Die voorbijgaan HET NIEUWE WERKEN BIJ HET RIJK Drs. Marloes Pomp Dr. Anthon Klapwijk Gerbrand Haverkamp Anita Smit Msc Hoofdstuk 1 Inleiding 3 Hoofdstuk 2 De Hub 24 Hoofdstuk

Nadere informatie

EUROPESE AANBESTEDING BIJ PPS BIJ GEBIEDSONTWIKKELING

EUROPESE AANBESTEDING BIJ PPS BIJ GEBIEDSONTWIKKELING EUROPESE AANBESTEDING BIJ PPS BIJ GEBIEDSONTWIKKELING VOORWOORD Publiek-Private samenwerking Voor u ligt één van de handleidingen in de serie handleidingen over publiek-private samenwerking (PPS) bij gebiedsontwikkelingsprojecten

Nadere informatie

WERK MAKEN VAN WERK IN DE ZORGSECTOR

WERK MAKEN VAN WERK IN DE ZORGSECTOR Kabinet van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen Koolstraat 35, 1000 BRUSSEL Tel. 02 552 64 00 Fax 02 552 64 01 Email: communicatie.vandeurzen@vlaanderen.be WERK MAKEN VAN

Nadere informatie

Van collegialiteit tot partnerschap. Kwaliteit en doelmatigheid van interbestuurlijke Shared Service Centers

Van collegialiteit tot partnerschap. Kwaliteit en doelmatigheid van interbestuurlijke Shared Service Centers Van collegialiteit tot partnerschap Kwaliteit en doelmatigheid van interbestuurlijke Shared Service Centers J.M. (Stan) van de Laar juni 2006 Van collegialiteit tot partnerschap Kwaliteit en doelmatigheid

Nadere informatie

Het Nieuwe Werken in de zorg

Het Nieuwe Werken in de zorg Goed voor People, Planet en Profit? Onderzoek t.b.v. de Week van het Nieuwe Werken November 2012 2 Inhoud Samenvatting en conclusies 5 1 Inleiding 13 2 De zorg en het Nieuwe Werken 17 2.1 Wat is het Nieuwe

Nadere informatie

Opdrachtgever: Stuurgroep Doordecentralisatie Onderwijshuisvesting PO/SO Breda

Opdrachtgever: Stuurgroep Doordecentralisatie Onderwijshuisvesting PO/SO Breda Ruimte om te Leren Doordecentralisatie Onderwijshuisvesting Primair en Speciaal Onderwijs Breda Opdrachtgever: Stuurgroep Doordecentralisatie Onderwijshuisvesting PO/SO Breda Breda, 2 december 2013 Status

Nadere informatie

Toezicht op herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij het nietprofessionele

Toezicht op herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij het nietprofessionele Rapportage rentederivatendienstverlening aan het MKB Toezicht op herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij het nietprofessionele MKB Maart 2015 3333 Autoriteit Financiële Markten De AFM bevordert

Nadere informatie

Arbeid, een kwetsbaar sociaal goed in de strijd tegen armoede

Arbeid, een kwetsbaar sociaal goed in de strijd tegen armoede Arbeid, een kwetsbaar sociaal goed in de strijd tegen armoede In tegenstelling tot het beeld dat sommigen van de armen hebben, zijn de armen niet onproductief, maar zij hebben soms geen inkomen, geen werk,

Nadere informatie

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN HOOFDSTUK 1 ALGEMENE INLEIDING Met de AOW kent Nederland een oudedagsvoorziening die vrijwel iedere ingezetene het sociaal minimum garandeert. De vanzelfsprekendheid van

Nadere informatie

Perspectief voor een sociaal én ondernemend land: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020 Visie

Perspectief voor een sociaal én ondernemend land: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020 Visie Perspectief voor een sociaal én ondernemend land: uit de crisis, met goed werk, op weg naar 2020 Verantwoordelijkheid nemen én dragen, kansen creëren én benutten 1. Visie Herstel van vertrouwen Economisch

Nadere informatie