Examenstof NaSk2 vmbo 2008

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Examenstof NaSk2 vmbo 2008"

Transcriptie

1 Examenstof NaSk2 vmbo Mens en omgeving: verbranding Warmtebronnen Verschillende soorten brandstoffen De productie van koolwaterstoffen Aardgas Wat is er voor een verbranding nodig? Volledige en onvolledige verbranding Hoe bestrijden we brand? Blusmiddelen Vervuiling door verbranding Zure regen en smog Aantasting van de ozonlaag Alles wat je wilt weten over de verbranding Water in en om het huis De kringloop van water Hard en zacht water Alles wat je wilt weten over water Zuren en basen in en om het huis Zure oplossingen Voorbeelden van zure oplossingen met de formules Basische oplossingen Voorbeelden van basische oplossingen en hun formules Zuur-base reacties Zuur-base indicatoren De zuurgraad of de ph Alles wat je wilt weten over zure, neutrale en basische oplossingen Stoffen en hun eigenschappen Stofeigenschappen Zuivere stoffen en mengsels Oplossingen Samenstelling van enkele mengsels Samenstelling van enkele legeringen Bouw van de materie Het Periodiek Systeem Moleculen Ionen Eigenschappen en bouw van zouten De molecuulformule van zouten Zouten en neerslagreacties Toepassingen van neerslagreacties Ontleedbare en niet-ontleedbare stoffen Moleculen en faseovergangen Namen van scheikundige symbolen Formules van enkele stoffen Chemische reacties De coëfficiënten in chemische reacties De snelheid waarmee reacties verlopen Rekenen aan reactievergelijkingen

2 1 Mens en omgeving: verbranding Een verbranding is de reactie tussen zuurstof en een andere stof, waarbij vuurverschijnselen waarneembaar zijn. Bij een verbrandingsreactie komt warmte vrij. We gebruiken verbrandingsreacties dan ook vaak om iets te verwarmen. De energie die opgeslagen is in de moleculen komt dan vrij als warmte. De energie in moleculen noem je chemische energie. Bij een verbrandingsreactie wordt dus chemische energie omgezet in, voornamelijk, warmte-energie. 1.1 Warmtebronnen Als je iets wilt verwarmen, heb je een warmtebron nodig: een kachel, een gasstel, een waterkoker etc. Een warmtebron is een energieomzetter waarmee je chemische of elektrische energie kunt omzetten in warmte. Net als alle andere vormen van energie druk je de warmte uit in de eenheid Joule (J). In je eigen lichaam vindt een verbrandingsproces plaats. Je lichaam zet de chemische energie in je voedsel om in warmte. Zo wordt je lichaamstemperatuur constant gehouden. De meeste warmtebronnen doen iets vergelijkbaars: ze leveren warmte door een brandstof te verbranden. Denk bijvoorbeeld aan geisers, cv-ketels en gasfornuizen. Doorgaans zijn de warmtebronnen zijn slechts geschikt voor één brandstof. Op een fornuis kun je alleen koken met aardgas en niet met, bijvoorbeeld, benzine. Er zijn allerlei verschillende soorten brandstoffen: gasvormige brandstoffen, zoals aardgas vaste brandstoffen, zoals steenkool en cokes vloeibare brandstoffen, zoals stookolie (dat voornamelijk uit koolwaterstoffen bestaat) We gaan deze wat nader bekijken. 1.2 Verschillende soorten brandstoffen Brandstoffen zoals methaan, butaan, propaan, benzine en kerosine noem je koolwaterstoffen. De naam geeft aan dat het verbindingen zijn van koolstof en waterstof. Bij de verbranding van koolwaterstoffen ontstaan altijd koolstofdioxide en waterdamp. Benzine is een mengsel van koolwaterstoffen, met als hoofdbestanddeel hexaan. Bij de verbranding van benzine vindt de volgende reactie plaats: 2 C 6 H 14 (l) + 19 O 2 (g) 12 CO 2 (g) + 14 H 2 O (l) Steenkool is een mengsel van allerlei verschillende soorten verbindingen. Die verbindingen bevatten vooral veel koolstof (C), maar ook waterstof (H), stikstof (N), zwavel (S) en zuurstof (O) komen voor. Bij de verbranding van steenkool ontstaan niet alleen koolstofdioxide en waterdamp, maar ook allerlei schadelijke stoffen. De lucht kan daardoor flink verontreinigd worden. Het is mogelijk om steenkool voor de verbranding te zuiveren. Dat gebeurt in cokesfabrieken. In zo n fabriek wordt de steenkool zeer sterk verhit, zonder dat er lucht bij kan komen. Er ontwijken dan allerlei gassen uit de steenkool. De gassen worden 2

3 gezuiverd en gebruikt in de chemische industrie. De vaste stof die overblijft wordt cokes genoemd. Cokes is een schonere brandstof dan steenkool. 1.3 De productie van koolwaterstoffen De grondstof voor de productie van de meeste koolwaterstoffen is aardolie. Aardolie is een mengsel is van duizenden verbindingen, waaronder veel koolwaterstoffen. In een raffinaderij worden deze koolwaterstoffen uit de aardolie gehaald. Dit gebeurt door middel van destillatie. De belangrijkste koolwaterstoffen die je door destillatie van aardolie krijgt, zijn: Koolwaterstof Toepassing LPG Benzine kerosine Diesel stookolie Nafta autobrandstof en campinggas autobrandstof vliegtuigbrandstof brandstof voor vrachtwagens en auto s brandstof voor de verwarming van huizen grondstof voor kraken Nafta is een stof die geen toepassing heeft in ons dagelijks leven. Het bestaat uit koolwaterstoffen met maximaal 10 koolstofatomen. Deze nafta moet eerst bewerkt worden: dit noem je het kraken van nafta. De nafta wordt dan zo sterk verhit, dat de grote koolwaterstofmoleculen uiteenvallen in kleinere koolwaterstofmoleculen, bijvoorbeeld benzine. Naast benzine ontstaan bij het kraken van nafta stoffen als etheen en propeen: dit zijn weer de grondstoffen voor de bereiding van kunststoffen. Met de koolwaterstoffen uit de destillatie, en het kraken van nafta, kunnen dus weer andere producten gemaakt worden: Product Toepassing asfaltbeton smeerolie kunststoffen medicijnen harde toplaag bij de aanleg van wegen soepel laten lopen van motoren etc. computers, tassen, kogelwerende vesten etc. verbeteren gezondheid mens en dier Verdere informatie over het destilleren van aardolie kun je vinden in deze korte film van Schooltv. 3

4 1.4 Aardgas Voor de meeste huishoudens in Nederland is aardgas de belangrijkste brandstof. Het aardgas dat bij je thuis uit de gaskraan komt, is een mengsel van methaangas en stikstofgas. Methaan is het brandbare bestandsdeel van dit mengsel. Methaan en stikstof zijn kleurloos en geurloos. Daarom wordt aan een aardgas een beetje reukstof toegevoegd. Als er gas vrijkomt door een gaslek, dan ruik je dat meteen. Methaan is een verbinding van koolstof (C) en waterstof (H). De molecuulformule is CH 4. Als je methaan verbrandt, krijg je koolstofdioxidegas en waterdamp. De reactievergelijking luidt als volgt: CH 4 (g) + 2 O 2 (g) CO 2 (g) + 2 H 2 O (g) Bij deze reactie wordt chemische energie omgezet in warmte. Bij de verbranding van 1 m³ aardgas komt ongeveer 32 Mj warmte vrij. Daarmee kun je ongeveer 100 liter water aan de kook brengen. Koolstofdioxide en waterdamp zijn reukloos en kleurloos: je ziet en ruikt ze niet. Je kunt deze twee gassen wel aantonen met behulp van speciale stoffen. Waterdamp kun je aantonen met wit kopersulfaat: dit kleurt blauw als het in contact komt met waterdamp. Koolstofdioxidegas kun je aantonen met kalkwater: dit wordt troebel als je er koolstofdioxidegas doorheen leidt. 1.5 Wat is er voor een verbranding nodig? Om een verbrandingsreactie te laten plaatsvinden, moet aan drie voorwaarden voldaan zijn: Er moet brandstof aanwezig zijn. Onder brandstof verstaan we een brandbare stof, bijvoorbeeld hout of kaarsvet. Bij een verbranding kunnen er meerdere verschillende brandstoffen aanwezig zijn. Het is wel vereist dat er minimaal 1 brandstof aanwezig is. Er moet zuurstof aanwezig zijn. Zuurstof komt voor in de lucht, maar je kunt niet zeggen dat er lucht nodig is voor een verbranding, want lucht bevat veel meer bestanddelen dan alleen zuurstof. De temperatuur moet voldoende hoog zijn. Je moet een stof eerst verhitten, voordat hij gaat branden. De temperatuur waarbij de brandstof gaat branden, noem je ontbrandingstemperatuur. Deze temperatuur is per brandstof verschillend. Iedere stof heeft zijn eigen ontbrandingstemperatuur. Indien aan één van deze drie voorwaarden niet voldaan is, kan er geen verbranding plaatsvinden. Schooltv heeft ook nog een korte film over de drie voorwaarden voor een verbranding. 4

5 1.6 Volledige en onvolledige verbranding Een onvolledige verbranding herken je aan het feit dat er een zwarte aanslag te zien is op het verbrande materiaal. Deze aanslag noemen we roet. Je kunt het ook zien aan de verbrandingsreactie zelf: de vlammen hebben dan een oranje kleur. Je krijgt een onvolledige verbranding als de temperatuur van de verbranding te laag is, zodat niet al het aanwezige materiaal verbrand kan worden. Als er bijvoorbeeld twee verschillende brandstoffen zijn, dan kan de ene brandstof wel verbranden bij een bepaalde temperatuur, maar de andere stof niet. Iedere stof heeft namelijk zijn eigen ontbrandingstemperatuur. De brandstof die niet helemaal verbrand is, krijgt een zwart laagje om zich heen. Een onvolledige verbranding krijg je ook als er niet voldoende zuurstof aanwezig is. Aan de hand van de reactievergelijking kun je bepalen hoeveel zuurstof er nodig is. Is deze hoeveelheid niet aanwezig, bijvoorbeeld door slechte ventilatie of een verstopte schoorsteen, dan is de verbranding ook onvolledig. Bij onvolledige verbrandingen ontstaat niet alleen koolstof(roet). Er vormt zich ook het, gasvormige, en erg giftige, koolstof-mono-oxide. Hier merk je niets van, want koolstofmono-oxide heeft geen geur of kleur. Bij een volledige verbranding is er geen materiaal meer overgebleven. De brandstof is helemaal verbrand. Dit kan ook gebeuren als je twee of meer brandstoffen hebt. In dit geval is de temperatuur van de brand hoog genoeg geweest, zodat beide brandstoffen geheel verbrand zijn. Bij volledige verbranding van koolwaterstoffen ontstaan waterdamp en het, kleur- en geurloze, koolstofdioxide. 1.7 Hoe bestrijden we brand? Hierboven is vermeld wat er nodig is om een verbrandingsreactie plaats te laten vinden. Deze kennis heb je nodig om met verstand van zaken branden te kunnen blussen. Je moet er voor zorgen dat er geen verbrandingsreactie meer kan plaatsvinden. Dit doe je door er voor te zorgen dat één, of meerdere, van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf 1.5, weggenomen worden. Als eerste kun je de brandbare stof verwijderen. Als je eten aan het koken bent, heb je het gas aan. Wil je het vlammetje bij de gaspit uit doen, dan moet je de gaskraan dichtdraaien. Je zorgt ervoor dat je geen brandstof meer toevoegt aan de brand. Ten tweede kun je de temperatuur verlagen. Als een huis in brandt staat, dan zie je wel eens gebeuren dat het huis ernaast ook nat gemaakt wordt. Het tweede huis blijft zo koel, de temperatuur stijgt niet tot boven de ontbrandingstemperatuur en het tweede huis kan niet in brand vliegen. Bij het brandende huis gebeurt hetzelfde. Door water op de brand te spuiten ben je de temperatuur aan het verlagen. De temperatuur daalt hierdoor tot onder de ontbrandingstemperatuur, de brandstof stopt met branden, en de brand wordt geblust. Als laatste kun je de toevoer van zuurstof verhinderen. Als je bijvoorbeeld de vlam in de pan hebt, kun je er snel een deksel op doen. Dit voorkomt dat er nog meer zuurstof bij de vlam komt. Het brandje zal dan nog een tijdje doorbranden, maar in felheid afnemen. Je moet dus niet te snel het deksel weer van de pan tillen, want dan gaat het weer harder branden. 5

6 Probeer maar eens op een waxinelichtje een glas te zetten. Je zult zien dat het lichtje snel dooft. Een andere manier om bij bijvoorbeeld een grote brand de zuurstof weg te nemen is: blussen met schuim. Het laagje schuim dat dan over de brand gespoten wordt, zorgt ervoor dat er geen zuurstof meer bij de brand kan. Zodoende zal het vuur gedoofd worden. 1.8 Blusmiddelen Niet alle branden blus je op dezelfde manier. Veel brandende stoffen kunnen niet met water worden geblust. Bijvoorbeeld stoffen die op water drijven, zoals olie, benzine en vet. Er zijn ook stoffen die met water kunnen reageren. Verder mag ook nooit water worden gebruikt in ruimtes met elektrische hoogspanning. In al deze gevallen gebruikt men bluspoeders of schuimen. Die dekken de brandende stof af, zodat er geen zuurstof meer bij kan komen. Als een persoon in brand staat, dan kun je deze persoon het beste in een blusdeken wikkelen. De zuurstoftoevoer wordt op deze manier gestopt en het vuur zal doven. Ook is de nooddouche een optie, indien de persoon de kans ziet om er op een veilige manier naar toe te lopen. Een klein brandje is ook te doven met zand, vandaar dat in het scheikundelokaal een emmer met zand te vinden is. Als laatste kun je een brand ook blussen met koolstofdioxide, maar dan in vaste vorm. Dit heeft een dubbele werking: de temperatuur wordt verlaagd en de zuurstoftoevoer wordt afgesloten. 1.9 Vervuiling door verbranding Voor de opwekking van (elektrische) energie worden grote hoeveelheden brandstof gebruikt. Als deze brandstoffen worden verbrand, ontstaan er schadelijke stoffen. Bij de verbranding van aardolie, steenkool en aardgas ontstaat koolstofdioxide (CO 2 ). De koolstofdioxide mengt zich met de gassen in de lucht. Koolstofdioxide heeft als eigenschap dat het goed warmte kan vasthouden. Als er veel koolstofdioxide in de lucht zit, warmt de atmosfeer rond de aarde op. Dit noemen we het versterkte broeikaseffect. Door het broeikaseffect wordt het op aarde warmer, waardoor het ijs gaat smelten op de Noordpool en de Zuidpool. Het water van de zee verdampt makkelijker, waardoor er meer waterdamp in de lucht komt en het vaker zal gaan regenen Zure regen en smog Lucht is een mengsel van gassen. Een van die gassen is stikstof. Bij het verbranden van brandstoffen verbindt stikstof zich ook met zuurstof. De verbindingen van stikstof met zuurstof heten stikstofoxiden. Bij deze reactie ontstaat niet één stof, maar verschillende soorten stikstofoxiden. Er is dan ook geen eenduidige molecuulformule: de stikstofoxiden worden aangeduid als NO x. Deze stikstofoxiden zijn gasvormig. Stikstofoxiden veroorzaken zure regen en smog. In steenkool komt veel zwavel (S) voor. Bij de verbranding van zwavel ontstaan SO 2 en SO 3. Ook SO 2 en SO 3 veroorzaken zure regen. 6

7 Zure regen is slecht voor het milieu. De kwaliteit van bomen en planten gaat achteruit door zure regen. Het oppervlaktewater verzuurt, wat weer slecht is voor de vissen en waterplanten. Smog ontstaat vooral bij windstil weer. In de winter ontstaat smog als het mistig is. De luchtvervuiling wordt dan niet weggeblazen door de wind. In de zomer kan smog ontstaan als het erg warm is. Smog is heel slecht voor de gezondheid. Als er veel smog is, merk je dat: Je ogen voelen branderig aan. Je krijgt keelpijn en merkt dat ademen moeilijker gaat. Bij erge smog kunnen je luchtwegen en slijmvliezen worden aangetast. Vooral mensen met astma hebben veel last van smog. Smog kan zo ernstig zijn dat mensen gasmaskers gaan dragen Aantasting van de ozonlaag De ozonlaag wordt aangetast door Cfk s welke als drijfgas in spuitbussen worden gebruikt. Deodorant bijvoorbeeld zit in spuitbussen. De deodorant zal niet vanzelf uit een spuitbus stromen: hiervoor worden drijfgassen gebruikt. Deze gassen worden in de spuitbus geperst. Bij het naar buiten stromen nemen ze de deodorant mee, maar komen ook in de atmosfeer terecht. De drijfgassen (Cfk s) tasten vervolgens de ozonlaag aan. De ozonlaag beperkt de hoeveelheid UV-straling die de aarde bereikt; krijg je te veel UVstraling op je huid, dan kun je huidkanker krijgen. Dit wordt ook uitgelegd in deze korte film van Schooltv. Inmiddels is het gebruik van Cfk s drastisch verminderd: de ozonlaag is zich dan ook langzamerhand aan het herstellen Alles wat je wilt weten over de verbranding Als je een vlam ziet, dan kijk je naar een gloeiend gas. In een kaarsvlam zit ook een gloeiend gas. Als je in een kaarsvlam een dun buisje steekt, gaat een beetje gas dat nog net gloeit door het buisje. Dit gas kun je aansteken. Alleen gasvormige stoffen, en/of stoffen waarvan de verbrandingsproducten gasvormig zijn, kunnen met een vlam verbranden. De kleur van de vlam zegt iets over de temperatuur van het gas. Een vrijwel kleurloze vlam heeft een hoge temperatuur. Een gele vlam is juist niet erg heet. Bij een verbranding kun je het volgende waarnemen: warmte, licht, rook, gloeien, brandgeur en reststukjes van as. Je ziet bij een verbranding licht doordat bepaalde deeltjes niet helemaal verbranden, maar wel gaan gloeien. Behalve gassen ontstaan bij verbrandingen ook vaak vaste stoffen. Deze kennen we als vonken, rook en as. Vonken zijn kleine vaste deeltjes die door de hitte van de verbranding makkelijk gaan gloeien. Als deze deeltjes daarbij zweven of wegspatten, spreken we van vonken. Heel bekend zijn de vonken die van kerststerretjes afspringen. Rook bestaat uit heel kleine zwevende vaste deeltjes. Deze deeltjes gloeien niet. As ontstaat als er bij een verbranding vaste stoffen verdwijnen. As is een vast reactieproduct dat niet zo fijn verdeeld is als rook. As kan ook een niet-brandbaar deel van de brandstof zijn. 7

8 2 Water in en om het huis 2.1 De kringloop van water Driekwart van het aardoppervlak is bedekt met zeeën en oceanen. Hieruit verdampt voortdurend water. Uit die waterdamp ontstaan wolken. Een wolk kunnen we beschouwen als een verzameling van heel kleine waterdruppeltjes. De wolken verplaatsen zich zowel boven zee als boven land. Als de waterdruppeltjes van een wolk zijn aangegroeid tot grotere druppels, gaat het regenen. Als de wolken in koude luchtlagen terechtkomen, gaat het sneeuwen. Regen en sneeuw komen terecht in rivieren, sloten meren en vennen. Van daar uit stroomt het water weer terug naar de zee. Of het regenwater komt terecht op het land. Daarin zakt het water weg en stroomt via beken en rivieren uiteindelijk ook weer terug naar zee. Dit wordt de kringloop van water genoemd. Dit wordt nog eens uitgelegd in deze korte film van Schooltv over de waterkringloop. 2.2 Hard en zacht water In grote delen van de wereld komt kalk voor in het drinkwater. Hoe meer kalk er in het water zit, hoe harder het drinkwater is. Als je hard drinkwater laat opdrogen, verdampt alleen het water. De kalk blijft achter. Dat veroorzaakt een witte aanslag op de tegels van de douchecel, de kranen, het bad en de wastafel. Als je hard drinkwater kookt, komt de kalk als een vaste stof tevoorschijn. Bijvoorbeeld in de vorm van ketelsteen in een fluitketel. Of als een witte vaste stof die de gaatjes van een stoomstrijkijzer verstopt. Ook het verwarmingselement van een koffiezetapparaat wordt na verloop van tijd ook bedekt met een witte vaste stof. Zure reinigingsmiddelen worden gebruikt om kalkaanslag te verwijderen. Hoe hardnekkiger de kalkaanslag, des te zuurder moet het reinigingsmiddel zijn. Schoonmaakazijn, mierenzuur, ontkalkingmiddelen en zoutzuur zijn voorbeelden van zure reinigingsmiddelen. De ph van deze reinigingsmiddelen ligt onder de 7. Hard water heeft verder als nadeel dat je meer zeep of wasmiddel moet gebruiken om je handen, of de was, schoon te krijgen. Gebruik je een natuurlijke zeep, dan reageert de zeep met het kalk in het water. Er vormt zich dan een grijze, vettige aanslag die kalkzeep genoemd wordt. Je kunt de kalk ook uit het drinkwater verwijderen. Hiervoor gebruik je waterontharder of een ionenwisselaar. Deze wisselen de kalk-ionen (calcium-ionen) om voor ionen die geen ketelsteen of kalkaanslag vormen. 8

9 2.3 Alles wat je wilt weten over water De stoffen die de lucht verontreinigingen kunnen oplossen in regenwater. Je spreekt dan van zure regen. Het water dat zich in de rivieren, sloten, vennen en meren bevindt, noemen we oppervlaktewater. Drinkwater is de belangrijkste toepassing van water. Drinkwater wordt doorgaans gemaakt door water uit rivieren te zuiveren. Het overige oppervlaktewater is te onzuiver om drinkwater van te maken. Diep in de grond is ook water te vinden, dit noemt men grondwater. Grondwater is vrij zuiver water. De enige verontreiniging die er in zit is ijzer. Door er lucht doorheen te blazen reageert het ijzer in het grondwater met de zuurstof, en slaat neer als een vaste stof. Na filtratie is het grondwater dan bruikbaar als drinkwater. Zeewater is zout water. Het water van de zee verdampt wel, maar de zouten niet. Hierdoor blijft de zee altijd zout. In drinkwater mogen, in geringe hoeveelheden, verontreinigingen voorkomen. De hoeveelheid verontreiniging die mag voorkomen, hangt af van de giftigheid van de betreffende stof. Van een zeer giftige stof mag slechts kleine hoeveelheid aanwezig zijn in het drinkwater. Water vormt het hoofdbestanddeel van heel veel levensmiddelen. Water is nodig bij het bereiden van voedsel. Het wordt gebruikt als spoelmiddel om groenten te wassen. Het wordt gebruikt als oplosmiddel bij de bereiding van thee, soep, enzovoorts Stoffen kunnen goed of slecht oplossen in water. Voorbeelden van goed oplosbare stoffen zijn suiker, keukenzout, alcohol en ammoniak. Slecht oplosbaar zijn krijt, olie, vet en zuurstof. In de industrie gebruikt men water als koelmiddel, schoonmaakmiddel, oplosmiddel en om stoom te maken. 9

10 3 Zuren en basen in en om het huis 3.1 Zure oplossingen Smaak is een stofeigenschap. Eén van de meest opmerkelijke smaken is de zure smaak. Yoghurt, azijn en citroensap smaken zuur. Dat komt omdat deze producten zuren bevatten. Zuren hebben enkele gemeenschappelijke eigenschappen. Dit zijn: Ze geleiden de stroom als ze in water opgelost worden. Metalen kunnen er in oplossen: met een zuur kun je dus metalen etsen. Bij elektrolyse vormt zich waterstofgas aan de negatieve elektrode. Basische zouten, zoals kalksteen, lossen er goed in op. Al deze eigenschappen worden veroorzaakt door de aanwezigheid van één deeltje. Dit is het H + deeltje. In alle zure oplossingen komen H + -ionen voor. Dit ion is afkomstig van het zuur. Bij het oplossen in water, geeft het zuur een H + -ion af. Een zuur is dan ook een deeltje dat H + -ionen kan afstaan. 3.2 Voorbeelden van zure oplossingen met de formules Naam zuur Formule zuur Aanwezige deeltjes Waterstoffluoride HF H + (aq) en F - (aq) Waterstofchloride HCl H + (aq) en Cl - (aq) Waterstofbromide HBr H + (aq) en Br - (aq) Waterstofjodide HI H + (aq) en I - (aq) Waterstofsulfide H 2 S H + (aq) en S 2- (aq) Zwavelzuur H 2 SO 4 H + (aq) en SO 2-4 (aq) Salpeterzuur HNO 3 H + (aq) en NO 2-3 (aq) Koolzuur H 2 CO 3 H + (aq) en CO 2-3 (aq) Fosforzuur H 3 PO 4 H + (aq) en PO 3-4 (aq) Azijnzuur CH 3 COOH / HAc H + (aq) en CH 3 COO - (aq)/ac - Waterstofchloride wordt ook vaak zoutzuur genoemd. 10

11 3.3 Basische oplossingen Basische oplossingen hebben, net als zuren, een paar gemeenschappelijke eigenschappen. Dit zijn: De ph is groter dan 7 Ze maken je vingers glibberig (de huid raakt geïrriteerd) De smaak is zeepachtig Ze kleuren rood lakmoes blauw Ze geleiden geen stroom Ze hebben een ontvettende werking Net als bij zure oplossingen nemen we aan dat deze eigenschappen worden veroorzaakt door een gemeenschappelijk deeltje. Bij zure oplossingen was dat zoals gezegd H +. Voor basische oplossingen is dat OH -, het hydroxide ion. Een base is in feite een antizuur, Het gedrag van een base is precies tegenovergesteld dan die van een zuur, daarom geldt voor een base: Een base is een stof die H + -ionen kan opnemen. De base doet dit door met het H + -ion te reageren. Met bijvoorbeeld het OH - -ion wordt water gevormd: OH - (aq) + H + (aq) H 2 O (l) Hydroxide-ionen zijn aanwezig in alle basische oplossingen. De twee bekendste zijn: Een oplossing van natriumhydroxide in water (natronloog). Een oplossing van calciumhydroxide in water (kalkwater). 3.4 Voorbeelden van basische oplossingen en hun formules Naam base Formule base Aanwezige deeltjes Natronloog NaOH Na + (aq) + OH - (aq) Kaliloog KOH K + (aq) + OH - (aq) Kalkwater Ca(OH) 2 Ca 2+ (aq) + 2OH - (aq) Barietwater Ba(OH) 2 Ba 2+ (aq) + 2OH - (aq) Ammoniak NH 3 + NH 4 (aq) + OH - (aq) Het carbonaat ion, Na 2 CO 3 2- CO 3 (aq) bijv. natriumcarbonaat Het oxide ion, bijv. calciumoxide CaO O 2- (aq) 11

12 3.5 Zuur-base reacties Zuren en basen kunnen met elkaar reageren. Dit wordt een zuur-base reactie genoemd. Zo kun je een zure oplossing ontzuren door een juiste hoeveelheid base toe te voegen. Dit wordt neutraliseren genoemd. Voeg je minder base toe, dan wordt de oplossing niet neutraal, maar wat minder zuur. Omgekeerd kun je een basische oplossing neutraal of minder basisch maken door een zure oplossing toe te voegen. Bij deze zuur-base reacties ontstaan zouten. Meestal ontstaan deze zouten in opgeloste vorm. Een voorbeeld van een zuur-base reactie is de reactie van zoutzuur met natronloog: H + (aq)+ Cl - (aq) + Na + (aq) + OH - (aq) H Cl - (aq) + Na + (aq) Bij de reactie van zoutzuur (HCl) en natronloog (NaOH), ontstaat dus een oplossing van keukenzout (NaCl) Soms ontstaat een slecht oplosbaar zout. Dit wordt een neerslag genoemd. Er zijn ook stoffen die geen OH - -ionen bevatten en toch een base zijn. Dit is het geval als de ionen CO 3 2- of O 2- aanwezig zijn in de vaste stof. Een aantal van deze zouten lost slecht op in water. Door zuur toe te voegen aan het water, reageren de ionen met het zuur en lost de vaste stof wel goed op. Dit wordt toegepast bij het verwijderen van kalkaanslag. Het zuur lost dan de kalkaanslag (dit is een base) op, door er mee te reageren. Bij het ontkalken met zoutzuur treedt, onder andere, de volgende reactie op: 2 H + (aq)+ 2 Cl - (aq) + CaCO 3 (s) H Ca 2+ (aq) + 2 Cl - (aq)+ CO 2 (g) 3.6 Zuur-base indicatoren Er zijn veel stoffen bekend die in een zure oplossing een andere kleur hebben dan in een oplossing die niet zuur is. Deze stoffen worden indicatoren genoemd. Het woord indicator betekent aanwijzer. Een indicator wijst aan of in een oplossing een zuur of een base aanwezig is. Vier bekende indicatoren zijn: 1) Lakmoespapier. Dit kleurt in een zure oplossing rood en in een basische oplossing blauw. In een neutrale oplossing behoudt lakmoespapier zijn eigen kleur. 2) Fenolftaleïen. Dit is een vloeistof die in een zure of neutrale oplossing kleurloos blijft. In een basische oplossing kleurt hij paars. 3) Universeel indicatorpapier. Dit neemt bij elke ph-waarde een bepaalde kleur aan. Deze kleuren met de bijbehorende ph-waarden staan op het doosje van het universeel lakmoespapier afgebeeld. Door de kleur die het indicatorpapiertje krijgt (nadat men dit papiertje in de oplossing heeft gehouden) te vergelijken met de kleur die op het doosje staat, kan men aflezen welke ph hoort bij de desbetreffende kleur. 4) Rodekoolsap neemt in een zure oplossing de rode kleur aan. In een basische oplossing is rodekoolsap blauw van kleur en soms groen. Dit is afhankelijk van de ph. In een neutrale oplossing is het sap paars. 12

13 In het Binas-boek staat een tabel met een lijst met nog meer van dergelijke indicatoren. Laten we als voorbeeld de indicator fenolrood nemen. In een oplossing waarvan je de ph wilt weten, doe je een druppel fenolrood. Neemt de indicator een gele kleur aan, dan is de ph van de oplossing kleiner dan 6,8. Kleurt de indicator rood, dan is de ph van de oplossing groter dan 8,4. Als de indicator oranje wordt, dan ligt de ph van de oplossing tussen de ph-waarden 6,8 en 8,4. In dit gebied verandert de indicator van kleur. Hierdoor ontstaat een mengkleur van rood en geel, namelijk: oranje. Het ph-gebied waarin een indicator van kleur verandert, noemt men het omslagtraject van de indicator. 3.7 De zuurgraad of de ph Een oplossing kan in meer of mindere mate zuur zijn, helemaal geen zuur of base bevatten of basisch zijn. Dit noemen we een verschil in zuurgraad. Omdat we de zuurgraad in een getal weer willen geven, maken we gebruik van de ph. De ph van de meeste oplossingen ligt tussen de 0 en de zuur neutraal basisch Van een zure oplossing ligt de Ph lager dan 7. Naarmate de Ph lager wordt, neemt de concentratie H + ionen toe, en wordt de oplossing zuurder. Verdun je een zure oplossing, dan wordt concentratie H + ionen kleiner, en de Ph dus groter ( dichter bij 7). Van een basische oplossing ligt de Ph hoger dan 7. Naarmate de Ph hoger wordt, neemt de concentratie OH - ionen toe, en wordt de oplossing sterker basisch. Verdun je een basische oplossing, dan wordt concentratie OH - ionen kleiner, en de Ph dus lager ( dichter bij 7). 3.8 Alles wat je wilt weten over zure, neutrale en basische oplossingen. Een zeer zure oplossing: ph < 2 Een zure oplossing: ph < 7 Een neutrale oplossing: ph = 7 Een basische oplossing: ph > 7 Een zeer basische oplossing: ph > 12 Zuiver water is een neutrale vloeistof. De ph van zuiver water is 7. Naarmate een oplossing zuurder is, zal de ph lager zijn. Maar altijd kleiner dan 7. Naarmate een oplossing meer basisch is, zal de ph hoger zijn. Maar altijd groter dan 7. Je kunt de ph van een oplossing nauwkeurig meten met behulp van een elektrisch instrument, namelijk een ph-meter. Hoe groter de concentratie van H + ionen, hoe zuurder de oplossing. Hoe groter de concentratie van OH - ionen, hoe basischer de oplossing. 13

14 4 Stoffen en hun eigenschappen 4.1 Stofeigenschappen Stofeigenschappen zijn eigenschappen waaraan een stof herkend kan worden. Verschillende stoffen kunnen een aantal dezelfde stofeigenschappen hebben, maar ze lijken nooit in alle stofeigenschappen op elkaar. Iedere stof heeft zijn eigen combinatie van stofeigenschappen. Iedere combinatie komt maar één keer voor. Voorbeelden van stofeigenschappen zijn: Kleur, geur, smaak Oplosbaarheid in water (goed of slecht) Kookpunt, smeltpunt (zuivere stoffen) Kooktraject, smelttraject (mengsels) Geleidingsvermogen voor elektrische stroom Geleidingsvermogen voor warmte Giftigheid Corrosiebestendigheid Afbreekbaarheid Brandbaarheid Fase bij normale druk (1 bar) en kamertemperatuur (25 graden Celsius) Elke stof kan in principe voorkomen in drie fasen: de vaste fase, aangeduid als (s) de vloeibare fase, aangeduid als (l) de gasvormige fase, aangeduid als (g) Deze symbolen komen uit het Engels, namelijk de s staat voor solid, de l staat voor liquid en de g staat voor gas. Van de stof water zijn deze drie fasen algemeen bekend: namelijk ijs, water en waterdamp. Bij kamertemperatuur is water een vloeistof. Als we water verhitten tot 100 graden Celsius, dan gaat de stof van de vloeibare fase over naar de gasvormige fase. Een andere fase treedt er op als we water afkoelen tot 0 graden Celsius. Dan verandert het van een vloeistof in een vaste stof. Het water gaat dan van de vloeibare fase over naar de vaste fase. Water in de vaste fase en in de gasvormige fase komen zeer vaak voor, waardoor men er aparte namen voor bedacht heeft, namelijk ijs en waterdamp/stoom. We hebben verschillende namen voor water, maar toch blijft het steeds dezelfde stof. 14

15 Voor alle zuivere stoffen geldt: De temperatuur waarbij een stof overgaat van de vaste fase in de vloeibare fase, heet het smeltpunt van de stof. Het omgekeerde is ook mogelijk: de vloeibare fase gaat dan over in de vaste fase. Dit heet het stolpunt van de stof. Omdat smelten en stollen van zuivere stoffen bij dezelfde temperatuur gebeurt, is het smeltpunt gelijk aan het stolpunt. Denk maar aan water: dit smelt bij 0 C, maar stolt (bevriest) ook bij 0 C. De temperatuur waarbij een stof overgaat van de vloeibare fase in de gasvormige fase heet het kookpunt van de stof. Bij het kookpunt vormen er zich dampbellen in de vloeistof. De waarden van het kookpunt en het smeltpunt bepalen in welke fase een stof zich op dat moment verkeert, hiervoor geldt het volgende: Een stof is gasvormig bij een temperatuur die hoger is dan het kookpunt. Een stof is vloeibaar bij een temperatuur die tussen het smeltpunt en het kookpunt in ligt. Een stof is vast bij een temperatuur die lager is dan het smeltpunt. 4.2 Zuivere stoffen en mengsels Een zuivere stof bestaat uit één enkele soort moleculen. Een mengsel bestaat uit verschillende soorten moleculen. Het scheiden van een mengsel komt dus neer op het scheiden van verschillende soorten moleculen. De stoffen die samen een mengsel vormen, noemen we de componenten van dat mengsel. Een mengsel kan voor een groot deel uit één component bestaan en voor een klein deel uit andere componenten. Dit wordt dan meestal geen mengsel genoemd, maar een verontreinigde stof. Men kan aan het uiterlijk van een stof niet zien of de stof een zuivere stof of een mengsel is. Het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel kan men wel zien als men kijkt naar het kookpunt of smeltpunt van de stoffen. Hiervoor geldt het volgende: Zuivere stoffen hebben een vast kookpunt of smeltpunt. Denk maar aan zuiver water: dit smelt bij 0 C, en kookt bij 100 C. Een mengsel heeft een kooktraject of een smelttraject. Het smelten, of koken, vindt dan niet plaats bij één temperatuur, maar bij verschillende temperaturen. De stof kookt dan, bijvoorbeeld, bij 98 graden C al, maar bij 103 C ook nog. 15

16 Opmerkingen: Mengsels kunnen vast, vloeibaar of gasvormig zijn. Mengsels kun je op verschillende manieren maken. Het kunnen mengsels van vloeistoffen, gassen of vaste stoffen zijn, maar een combinatie van vaste stoffen met een vloeistof is ook mogelijk. Iedere mogelijke combinatie is uitvoerbaar. Elk mengsel heeft zo zijn eigen benaming, namelijk: o Suspensie: kleine deeltjes vaste stof in een vloeistof. Bijvoorbeeld: modder, verf, tandpasta. o Emulsie: kleine druppeltjes vloeistof in een vloeistof. Bijvoorbeeld: boter, crème, melk. o Schuim: kleine belletjes gas in een vloeistof. o Rook: kleine deeltjes vaste stof in een gas. o Nevel: kleine druppeltjes vloeistof in een gas. o Mist: nevel van waterdruppeltjes in de lucht. Bovenstaande mengsels zijn troebel: je kunt er niet doorheen kijken. De bovengenoemde mengsels kunnen zich ontmengen als zij een tijd lang stil staan. Er vormen zich dan twee lagen boven op elkaar, waarbij iedere laag een andere stof bevat. Voor een emulsie geldt dat de ene vloeistof boven op de andere vloeistof gaat drijven, zoals olie boven op water blijft drijven. 4.3 Oplossingen Een oplossing is een speciale vorm van een mengsel. De stoffen zijn zo goed verdeeld, dat je ze niet meer van elkaar kunt onderscheiden. Het zijn de moleculen zelf die gemengd zijn. Een oplossing van suiker in water bevat dus watermoleculen met hier suikermoleculen doorheen gemengd. Ter vergelijking: een suspensie als modder bevat watermoleculen waarin de zandkorrels fijn verdeeld zitten. Iedere zandkorrel bestaat nog steeds uit miljarden zandmoleculen. Een oplossing is altijd helder: je kunt er doorheen kijken. Oplossingen kunnen gekleurd of kleurloos zijn. In een oplossing kun je de opgeloste stof en het oplosmiddel niet apart zien. De opgeloste stof is als losse moleculen of als losse ionen verspreid tussen de watermoleculen. De oplosbaarheid van een stof is de hoeveelheid stof die maximaal in een volume oplosmiddel kan oplossen. De oplosbaarheid wordt vaak aangegeven in gram stof per liter water. In een verzadigde oplossing is de concentratie van de opgeloste stof maximaal. In een onverzadigde oplossing is minder stof opgelost dan mogelijk is. Is de oplosbaarheid van een stof heel klein, dan spreken we van een slecht (oplosbare) stof. Enkele vloeistoffen zijn onbeperkt oplosbaar in water, bijvoorbeeld alcohol. De oplosbaarheid van een stof is meestal afhankelijk van de temperatuur. Met de oplosbaarheid bedoelen we meestal de oplosbaarheid bij kamertemperatuur, dus een temperatuur van 25 graden Celsius. Het oplossen kan snel, of langzaam, gaan. Hiervoor geldt dat hoe hoger de temperatuur, hoe hoger de oplossnelheid is. 16

17 4.4 Samenstelling van enkele mengsels Melk Water, vet, eiwitten, mineralen (calcium) Limonade Water, suiker, koolstofdioxide Wijn Water, alcohol (~12%), geur en smaakstoffen Shampoo Water, synthetische zeep, keukenzout, geur- en kleurstoffen Lucht Stikstof (78%), waterdamp, koolstofdioxide, zuurstof (21%), Bier Water, alcohol (~5%), geur en smaakstoffen Jenever Water, alcohol (~35%), geur en smaakstoffen Spiritus alcohol (~85%), water (~10%), methanol (3%) Water, schuurmiddelen, Tandpasta smaak- en zoetstof, detergent Azijn Water, azijnzuur 4.5 Samenstelling van enkele legeringen Een legering is een mengsel van verschillende metalen. De metalen worden gemengd omdat een legering de eigenschappen bevat van de metalen waaruit ze bestaan. Door de juiste metalen te mengen, kun je een legering maken die enkele goede eigenschappen combineert. Enkele voorbeelden zijn: Het amalgaam van de tandvulling. Dit is een legering van kwik, tin en zilver. Vaak wordt ook nog koper toegevoegd Het brons van medailles. Dit is een legering van koper en tin. Messing: dit is een legering van koper en zink. Soldeertin: ook wel soldeer genoemd. Deze legering bestaat voornamelijk uit tin; soms wordt een beetje zilver toegevoegd. In soldeertin zit een kern van hars: deze vergemakkelijkt het uitvloeien. 17

18 5 Bouw van de materie 5.1 Het Periodiek Systeem In het periodiek systeem vind je alle elementen terug die er bestaan. Een element is een stof die je niet verder kunt ontleden. Je kunt het ook omdraaien: de elementen zijn dus weer de bouwstenen van alle stoffen die er bestaan. Het kleinste deeltje van een element noem je een atoom. De getallen die in het Periodiek Systeem bij de elementen staan, geven het atoomnummer aan. Je noemt de horizontale regels de perioden en de verticale kolommen de groepen. Niet alle perioden zijn even lang. Van de periode 6 en 7 heeft men een aantal elementen onder het systeem geplaatst. Dat heeft men gedaan, omdat het systeem anders te breed zou worden. Het systeem kan ingedeeld worden in metalen en niet-metalen. De atoomsoorten van de metalen zijn links in het systeem te vinden (behalve waterstof). De atoomsoorten van de niet-metalen zijn rechts in het systeem te vinden. In de groepen staan de elementen van de stoffen die chemisch op elkaar lijken. De groepen zijn als volgt opgebouwd: De atoomsoorten uit groep 1 vormen de alkalimetalen. De niet-metalen uit groep 17 noemen we de halogenen. De atoomsoorten uit groep 18 noemen we de edelgassen. In de tabellen 39 en 104 van Binas kun je een afbeelding vinden van het Periodiek Systeem. 5.2 Moleculen Als twee, of meer, elementen met elkaar reageren, ontstaat een nieuwe stof. Als het element waterstof reageert met element zuurstof, ontstaat een nieuw deeltje: water. Omdat het waterdeeltje uit twee verschillende elementen bestaat, noem je de kleinste deeltjes van water niet meer atomen, maar moleculen. Een watermolecuul bestaat uit één atoom zuurstof, en twee atomen waterstof. Moleculen zijn heel klein. In 1 mm 3 water bevinden zich bijvoorbeeld 3,3 * (33 miljard miljard) moleculen. De molecuulformule geeft aan uit welke elementen een molecuul bestaat. Als je koolstof (C) en zuurstof (O 2 )met elkaar laat reageren, kunnen er twee stoffen ontstaan: CO en CO 2. Het is dus niet voldoende om alleen aan te geven welke elementen er in het molecuul zitten. Er zal ook nog duidelijk moeten worden hoeveel atomen er van elk element in het molecuul aanwezig zijn. Hiervoor gebruik je de volgende aanduidingen: 1) mono als er maar 1 atoom aanwezig is. CO heet dus kool-mono-oxide. 2) di als er twee atomen aanwezig zijn. CO 2 heet dus kooldioxide. 3) tri als er drie atomen aanwezig zijn. SO 3 heet dus zwavel-trioxide. 4) tetra als er vier atomen aanwezig zijn. CCl 4 heet dus koolstof-tetrachloride. 18

19 5.3 Ionen Een ion is een atoom of atoomgroep met een positieve of een negatieve lading. De grootte van een lading is meestal 1, 2, 3 of 4. De lading van een ion wordt altijd rechtsboven het symbool van het betreffende deeltjes genoteerd. Uit metaalatomen worden altijd positieve ionen gevormd. Dat betekent dat uit atomen van niet-metalen meestal negatieve ionen worden gevormd. Hieronder volgen notaties en benamingen van een aantal ionen: notatie benaming notatie benaming Ag + Zilver-ion Br - Bromide-ion Al 3+ Aluminium-ion Cl - Chloride-ion Ba 2+ Barium-ion I - Jodide-ion Ca 2+ Calcium-ion F - Fluoride-ion Cu 2+ Koper-ion 2- CO 3 Carbonaat-ion Fe 2+ /Fe 3+ IJzer-ion - NO 3 Nitraat-ion H + Waterstof-ion 2- NO 3 Nitriet-ion K + Kalium-ion O 2- Oxide-ion Mg 2+ Magnesiumion OH - Hydroxide-ion Na + Natrium-ion 3- PO 4 Fosfaat-ion Pb 2+ Lood-ion Zn 2+ Zink-ion S 2- Sulfide-ion Sn 2+ Tin-ion + NH 4 Ammoniumion 2- SO 4 Sulfaat-ion Je ziet dat een ion een + of een lading heeft. Dit herken je wellicht van een batterij of accu. Ook deze hebben een + en een pool. Er is dan ook een verband tussen elektrische stroom en ionen. Als er een elektrische stroom gaat lopen, zijn het in feite geladen deeltjes die gaan lopen. Deze geladen deeltjes verplaatsen zich, bij een batterij of accu, van de + naar de pool. In het geval van een zure oplossing verplaatsen zich de H + -ionen. Door het verplaatsen van de positief geladen H + -ionen, verplaatst zich lading door de oplossing. Hierdoor geleidt een zure oplossing de stroom. In zuiver water zijn nagenoeg geen ionen aanwezig! Er zijn zo weinig ionen aanwezig, dat zuiver water de elektrische stroom niet geleidt! 19

20 5.4 Eigenschappen en bouw van zouten Zouten zijn stoffen die opgebouwd zijn uit positieve en negatieve ionen. De positieve en negatieve ionen die in zouten aanwezig zijn, zijn de geladen deeltjes van die zouten. We nemen als voorbeeld het zout: NaCl. Natriumchloride is opgebouwd uit natrium-ionen en chloride-ionen. De natrium-ionen hebben een lading +1, de chloride-ionen hebben een lading -1. Natriumchloride bestaat dus uit Na + -ionen en Cl - -ionen. Zouten kunnen alleen in de vloeibare fase stroom geleiden (metalen kunnen dit overigens zowel in de vloeibare als in de vaste fase) De molecuulformule van zouten Om de molecuulformule van een zout te bepalen, moet je ervoor zorgen dat de ladingen van de positieve en negatieve ionen, gelijk zijn. We nemen als voorbeeld aluminiumoxide. Aluminiumoxide is een samenstelling van het aluminium-ion en het oxide-ion. Aluminium heeft de lading: 3+, oxide heeft de lading 2-. De positieve lading van aluminium-ion is niet gelijk aan de negatieve lading van het oxide-ion. Om er voor te zorgen dat de totale lading van het aluminium-oxide neutraal (0) is, moet je twee aluminium-ionen combineren met drie oxide-ionen. De positieve lading is dan 6 +, en de negatieve lading wordt dan 6 -. Aluminiumoxide bevat dus twee aluminium-ionen, en drie oxide-ionen. Dit noteer je als volgt: Al 2 O 3. Het aluminium-ion heeft als lading altijd 3+. Van sommige elementen, zoals ijzer, bestaan echter meerdere ionen. IJzer bijvoorbeeld kan zowel een 2+ als een 3+ lading hebben. Als een ion meerdere ladingen kan hebben, geef je de lading aan met een Romeins cijfer: I als de lading 1+ bedraagt II als de lading 2+ bedraagt III als de lading 3+ bedraagt IV als de lading 4+ bedraagt Het S-ion heeft altijd een 2- lading. Zo noem je FeS dus ijzer(ii)sulfide; en Fe 2 S 3 wordt ijzer(iii)sulfide Zouten en neerslagreacties Als je twee zouten tegelijkertijd in oplossing brengt, kunnen de ionen met elkaar gaan reageren. Het positieve deel van het ene zout kan met het negatieve deel van het andere zout een verbinding aangaan. Zo wordt een nieuwe stof gevormd. De nieuw gevormde stof kan slecht oplosbaar zijn in water. Je ziet dan dat het water troebel wordt: er vormt zich een neerslag. We nemen als voorbeeld loodsulfaat, met molecuulformule PbSO 4, en kaliumjodide dat als molecuulformule KI heeft. In de oplosbaarheidtabel van je binas kun je vinden dat beide zouten goed oplossen in water. 20

21 Als PbSO 4 oplost in water splitst het zich in de ionen waaruit het is opgebouwd: Pb 2+ en SO Met de letters (aq) geef je aan dat het betreffende ion is opgelost in water. Ook KI splitst zich in zijn ionen bij het oplossen: K + en I -. Meng je beide oplossingen, dan zijn er 4 ionen in het water aanwezig: Pb 2+, SO 4 2-, K + en I -. In 4 stappen kun je nagaan of alle ionen in oplossing blijven of dat er een neerslag ontstaat. Stap 1: opgelost in water krijgen we de volgende beginproducten. K + (aq) + I - (aq) Pb 2+ (aq) + SO 4 2- (aq) x2 Het KI moet keer zo veel ionen krijgen, omdat de anders de positieve en negatieve ladingen niet gelijk zijn aan die van het PbSO 4. Stap 2: nu ga je na of positieve deel van het eerste zout met het negatieve deel van het tweede zout kan reageren. In het binas boek staat dan in de oplosbaarheidtabel vermeldt dat het zout slecht, aangeduid met s, of matig, aangeduid met m, oplosbaar is. Je zoekt dus op of K+ met SO 4 2- reageert. Dit is niet het geval: want het zout K 2 SO 4 is goed oplosbaar. Stap 3: vervolgens ga je na of negatieve deel van het eerste zout met het positieve deel van het tweede zout kan reageren. Je zoekt nu op of het I - met Pb 2+ reageert. Dit reageert wel, want het zout PbI 2 is slecht oplosbaar. Stap 4: de reactievergelijking van de twee samengevoegde zouten luidt als volgt: 2 K + (aq) + 2 I - (aq) + Pb 2+ (aq) + SO 4 2- (aq) PbI 2 (s) + 2 K + (aq) + SO 4 2- (aq) Het K + en het SO 4 2- staan zowel voor als na de pijl: deze hebben dus niet mee gereageerd. Eventueel kunnen deze ionen weggelaten worden bij het opschrijven van de neerslagreactie. Deze wordt dan: 2 I - (aq) + Pb 2+ (aq) PbI 2 (s) Feitelijk hebben de ionen zich na de reactie anders gegroepeerd. Voor de reactie zaten: de K + ionen bij het I - de Pb 2+ ionen bij het SO 4 2- Na de reactie zitten: de K + ionen bij het SO 4 2-, beide opgelost in water de Pb 2+ ionen vast aan het I -, als vaste stof 21

22 5.4.3 Toepassingen van neerslagreacties Neerslagreacties kun je gebruiken om water te zuiveren. De verontreinigende stof moet dan wel opgebouwd zijn uit ionen. Een stof opgebouwd uit moleculen, zoals suiker, kun je niet verwijderen met een neerslagreactie. Een bekend voorbeeld hiervan is het verwijderen van de, erg giftige, zware metalen. Lood, Pb 2+, is een zwaar metaal. Als lood opgelost is in het afvalwater van een fabriek, kun je het verwijderen door een oplossing van KI toe te voegen. Hierboven staat uitgelegd dat er zich dan een neerslag van PbI 2 vormt. Dit neerslag kun je verwijderen door te filteren, waarna je een oplossing over houdt waarin geen Pb 2+ meer aanwezig is. Het achtergebleven loodjodide wordt van de filter verwijderd en afgevoerd als chemisch afval. Zo komt het zware metaal lood niet in het rivierwater of drinkwater terecht. 5.5 Ontleedbare en niet-ontleedbare stoffen Een molecuul is een verbinding van twee, of meerdere, elementen. De verbindingen tussen de elementen kunnen verbroken worden. Het molecuul valt dan uiteen in verschillende andere stoffen. Dit noem je ontleden. Een stof kun je op verschillende manier ontleden: Een ontleding door middel van warmte (verhitten) noem je thermolyse. Een ontleding door middel van elektrische energie (stroom) noem je elektrolyse. Een ontleding door middel van licht noem je fotolyse. Als voorbeeld bekijken we de thermolyse van suiker: C 6 H 12 O 6 Verhitten we de suiker, dan ontleedt de suiker. Het suikermolecuul valt uiteen in twee andere stoffen: koolstof en water. De reactievergelijking is: C 6 H 12 O 6 (s) 6 C (s) + 6 H 2 O (g) De koolstof is de zwarte stof die achterblijft; de waterdamp stijgt op als gas. De koolstof kan niet verder ontleed worden omdat het koolstofatoom zelf niet nog verder uiteen kan vallen. Het watermolecuul bestaat uit waterstof en zuurstof en kan dus eventueel nog verder ontleedt worden. Eerst condenseer je het water. Het ontleden doe je door middel van elektrolyse: er vormt zich dan waterstof en zuurstof. De reactievergelijking is: 2 H 2 O (l) 2 H 2 (g) + O 2 (g) Het waterstof en de zuurstofmoleculen kunnen niet verder ontleed worden omdat de moleculen niet nog verder uiteen kunnen vallen. Stoffen die je niet verder kunt ontleden, noem je elementen. In dit geval worden dus, bij de ontleding van suiker en water, de elementen koolstof, waterstof en zuurstof gevormd. Op de beeldbank van Schooltv vind je een film over de elektrolyse van keukenzout. 22

23 5.6 Moleculen en faseovergangen De moleculen in stoffen staan niet stil: ze bewegen. De manier van bewegen hangt af van de temperatuur en de fase (vast, vloeibaar of gas) van de stof. De kenmerken hiervan zijn: De moleculen van een stof veranderen niet als een stof van fase verandert: het zijn steeds dezelfde moleculen, of de stof nu vast, vloeibaar of gasvormig is. De moleculen van een stof bewegen. Ze bewegen sneller naarmate de temperatuur van een stof hoger wordt. De moleculen van een stof trekken elkaar aan. De aantrekkingskracht wordt sterker als de moleculen dichter bij elkaar in de buurt komen; de aantrekkingskracht wordt zwakker als de moleculen bij elkaar vandaan bewegen. Bij een faseovergang zijn de veranderingen ingrijpender. De moleculen gaan niet alleen sneller bewegen, maar de beweging zelf verandert ook. In een vaste stof trillen de moleculen rond een vaste evenwichtsstand; elk molecuul heeft een eigen vaste plaats op de evenwichtsstand. De afstand tussen de moleculen is klein, dus de onderlinge aantrekkingskracht is groot. De moleculen in een vloeistof bewegen langs elkaar heen; ze hebben geen vaste plaats meer. De onderlinge aantrekkingskracht is kleiner dan wanneer de stof vast is. Toch is die kracht nog wel groot genoeg om de moleculen bij elkaar te houden. De moleculen van een gas bewegen los van elkaar door de ruimte waarin het gas zich bevindt. De afstand tussen de moleculen is erg groot; de onderlinge aantrekkingskracht is heel erg klein. Op Schooltv wordt dit ook nog eens uitgelegd met behulp van een korte film over faseovergangen. 5.7 Namen van scheikundige symbolen Ag Zilver Cu Koper Ne Neon Al Aluminium F Fluor Ni Nikkel Ar Argon Fe IJzer O Zuurstof Au Goud H Waterstof P Fosfor Ba Barium He Helium Pb Lood Br Broom Hg Kwik Pt Platina C Koolstof I Jood S Zwavel Ca Calcium K Kalium Si Silicium Cd Cadmium Mg Magnesium Sn tin Cl Chloor N Stikstof Zn Zink Cr Chroom Na Natrium 23

5 Formules en reactievergelijkingen

5 Formules en reactievergelijkingen 5 Formules en reactievergelijkingen Stoffen bestaan uit moleculen en moleculen uit atomen (5.1) Stoffen bestaan uit moleculen. Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen. Een molecuul is een groepje

Nadere informatie

1) Stoffen, moleculen en atomen

1) Stoffen, moleculen en atomen Herhaling leerstof klas 3 1) Stoffen, moleculen en atomen Scheikundigen houden zich bezig met stoffen. Betekenissen van stof zijn onder andere: - Het materiaal waar kleding van gemaakt is; - Fijne vuildeeltjes;

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen

Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II Vmbo 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 3: Water, zuren en basen NaSk II 1. Bouw van materie 2. Verbranding 3. Water, zuren en basen 4. Basis chemie voor beroep

Nadere informatie

Rekenen aan reacties (de mol)

Rekenen aan reacties (de mol) Rekenen aan reacties (de mol) 1. Reactievergelijkingen oefenen: Scheikunde Deze opgaven zijn bedoeld voor diegenen die moeite hebben met rekenen aan reacties 1. Reactievergelijkingen http://www.nassau-sg.nl/scheikunde/tutorials/deeltjes/deeltjes.html

Nadere informatie

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,

Nadere informatie

Scheikunde Samenvatting H4+H5

Scheikunde Samenvatting H4+H5 Scheikunde Samenvatting H4+H5 Hoofdstuk 4 4.2 Stoffen worden ingedeeld op grond van hun eigenschappen. Er zijn niet-ontleedbare stoffen en ontleedbare stoffen. De niet-ontleedbare stoffen zijn verdeeld

Nadere informatie

THEORIE UIT EXPERIMENTEN TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE

THEORIE UIT EXPERIMENTEN TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE THEORIE UIT EXPERIMENTEN ONDERBOUW TABELLEN SCIENCE / NATUURKUNDE / SCHEIKUNDE TABEL 1 DICHTHEID (bij 25 C) gram per cm 3 = g cm -3 aardgas 0,00076 alcohol 0,8 aluminium 2,7 broom 3,1 butagas 0,0024 eikenhout

Nadere informatie

NASK1 SAMENVATTING VERBRANDEN EN VERWARMEN

NASK1 SAMENVATTING VERBRANDEN EN VERWARMEN NASK1 SAMENVATTING VERBRANDEN EN VERWARMEN Een verbranding is de reactie tussen zuurstof en een andere stof, waarbij vuurverschijnselen waarneembaar zijn. Bij een verbrandingsreactie komt warmte vrij.

Nadere informatie

5 Water, het begrip ph

5 Water, het begrip ph 5 Water, het begrip ph 5.1 Water Waterstofchloride is een sterk zuur, het reageert als volgt met water: HCI(g) + H 2 0(I) Cl (aq) + H 3 O + (aq) z b Hierbij reageert water als base. Ammoniak is een zwakke

Nadere informatie

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan.

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan. Basiskennis 4 chemie 2 de graad, 2 de jaar = 4avv & 4bav 1 1. Natuurwetenschappen I. Basiskennis De studie van de natuurverschijnselen kan je ruwweg onderverdelen in: Biologie: Studie van de levende materie.

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE

Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE Oefenopgaven CEMISCE INDUSTRIE havo OPGAVE 1 Een bereidingswijze van fosfor, P 4, kan men als volgt weergeven: Ca 3 (PO 4 ) 2 + SiO 2 + C P 4 + CO + CaSiO 3 01 Neem bovenstaande reactievergelijking over

Nadere informatie

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012

vrijdag 15 juni 2012 15:26:05 Midden-Europese zomertijd H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 H6 Zuren en basen 4havo voorjaar 2012 Toetsing in periode 4! 6 juni! DTM-T zuur/base t/m 6.6! Tabel 6.10,6.13,6.17 en ph-berekeningen (zoals in vragen 14,15,26 en 27)! Toetsweek einde periode! TW441 H1

Nadere informatie

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO

OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO OEFENTOETS Zuren en basen 5 VWO Gesloten vragen 1. Carolien wil de zuurgraad van een oplossing onderzoeken met twee verschillende zuur-baseindicatoren en neemt hierbij het volgende waar: I de oplossing

Nadere informatie

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,.

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. PARATE KENNIS CHEMIE 4 e JAAR SCHEMA ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,. MENGSEL bestaat uit meerdere zuivere stoffen, de kooktemperatuur,

Nadere informatie

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal Antwoorden deel 1 Scheikunde Chemie overal Huiswerk 2. a. Zuivere berglucht is scheikundig gezien geen zuivere stof omdat er in lucht verschillende moleculen zitten (zuurstof, stikstof enz.) b. Niet vervuild

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2006-I

Eindexamen scheikunde havo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Rood licht Maximumscore 1 1 edelgassen 2 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De (negatieve) elektronen bewegen zich richting elektrode A dus is elektrode A de positieve elektrode.

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2011 - I

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2011 - I Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één scorepunt toegekend. Chemische geesten 1 B 2 maximumscore 1 zoutzuur Wanneer het antwoord 'waterstofchloride-oplossing' is gegeven,

Nadere informatie

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde

Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Toets HAVO 4 Chemie Hfdst. 2 Schatkamer aarde Opgave 1 Op het etiket van een pot pindakaas staat als een van de ingrediënten magnesium genoemd. Scheikundig is dit niet juist. Pindakaas bevat geen magnesium

Nadere informatie

Scheikunde samenvatting H1 t/m H4

Scheikunde samenvatting H1 t/m H4 samenvatting H1 t/m H4 Hoofdstuk 1 Als je stoffen bij elkaar doet, kunnen er verschillende dingen gebeuren: 1) De vaste stof waarbij een vloeistof wordt gedaan, lost op oplossing helder. 2) Wanneer we

Nadere informatie

T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen

T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN 3(4) VMBO-TGK,

Nadere informatie

Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen. Examen VMBO-GL en TL 2014 tijdvak 1 dinsdag 13 mei 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Achter het correctievoorschrift is een aanvulling

Nadere informatie

5 a de gele vlam wappert, is minder heet en geeft roet af b vlak boven de kern c met de gasregelknop d de brander is dan moeilijk aan te steken

5 a de gele vlam wappert, is minder heet en geeft roet af b vlak boven de kern c met de gasregelknop d de brander is dan moeilijk aan te steken 3HV Antwoorden samenvatting onderouw scheikunde 1.6 Scheidingsmethoden 1 a stofnaam voorwerp c voorwerp d stofnaam e voorwerp f stofnaam 2 a goed slecht c goed d slecht e slecht f matig (zuurstof) tot

Nadere informatie

5-1 Moleculen en atomen

5-1 Moleculen en atomen 5-1 Moleculen en atomen Vraag 1. Uit hoeveel soorten moleculen bestaat een zuivere stof? Vraag 2. Wat is een molecuul? Vraag 3. Wat is een atoom? Vraag 4. Van welke heb je er het meeste: moleculen of atomen?

Nadere informatie

Het spel: Rad van Fortuin

Het spel: Rad van Fortuin Het spel: Rad van Fortuin Spelregels: - iedereen draait om beurt aan het rad. - als het rad stopt, moeten ze een vraag beantwoorden. Goed antwoord: krijgen ze de punten waar het rad is gestopt en mogen

Nadere informatie

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen

Uitwerkingen. T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen Uitwerkingen T2: Verbranden en Ontleden, De snelheid van een reactie en Verbindingen en elementen 2008 Voorbeeld toets dinsdag 29 februari 60 minuten NASK 2, 2(3) VMBO-TGK, DEEL B. H5: VERBRANDEN EN ONTLEDEN

Nadere informatie

Stoffen, structuur en bindingen

Stoffen, structuur en bindingen Hoofdstuk 1: Stoffen, structuur en bindingen Scheikunde vwo 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2004-I

Eindexamen scheikunde havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Rookmelder 1 aantal protonen: 93 aantal neutronen: 144 naam van element X: neptunium aantal protonen: 93 1 aantal neutronen: 241 verminderen met het genoemde aantal protonen en verminderen

Nadere informatie

Bacteriën maken zwavel Vragen en opdrachten bij de poster

Bacteriën maken zwavel Vragen en opdrachten bij de poster Vragen en opdrachten bij de poster Bacteriën maken zwavel Vragen en opdrachten bij de poster 3 vwo Probleem: Zuur gas T1 Waterstofsulfide ontstaat bij de afbraak van zwavelhoudende organische stoffen.

Nadere informatie

Scheikundige begrippen

Scheikundige begrippen Scheikundige begrippen Door: Ruby Vreedenburgh, Jesse Bosman, Colana van Klink en Fleur Jansen Scheikunde begrippen 1 Chemische reactie Ruby Vreedenburgh Overal om ons heen vinden er chemische reacties

Nadere informatie

Examen VMBO-GL en TL 2005

Examen VMBO-GL en TL 2005 Examen VMBO-GL en TL 2005 tijdvak 2 dinsdag 21 juni 13.30-15.30 uur NATUUR- EN SCHEIKUNDE 2 CSE GL EN TL Gebruik zonodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 49 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. ijzeroxide 1 III 1

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. ijzeroxide 1 III 1 Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Hematiet 1 maximumscore 2 ijzer(iii)oxide ijzeroxide 1 III 1 2 B 3 maximumscore 1 (ijzer/het) geleidt stroom (ijzer/het

Nadere informatie

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN 1 OVERZICHT 1. Zuivere stof, moleculen en atomen 1. Moleculeformules 2. Elementen 3. Atoomtheorie 4. Atoommassa 5. Moleculemassa

Nadere informatie

LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007

LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007 LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007 docent: drs. Ruben E. A. Musson Het gebruik van uitsluitend BINAS is toegestaan. 1. Welk van de volgende processen

Nadere informatie

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken.

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken. Basiskennis 5 chemie 3 de graad, 1 ste jaar = 5avv, 5av, 5bv 1 1.1 Opbouw van de materie I. Basiskennis Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische

Nadere informatie

Cursus Chemie 3-1. Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING

Cursus Chemie 3-1. Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING Cursus Chemie 3-1 Hoofdstuk 3: Zuren, basen en zouten 1. INLEIDING Gedurende de geschiedenis van de scheikunde is er gepoogd om op allerlei manieren een classificatie van de verbindingen op te stellen.

Nadere informatie

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Examen VMBO-GL en TL 2009 tijdvak 2 dinsdag 23 juni 13:30-15:30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 47 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo

Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo Oefenopgaven ZUREN en BASEN havo OPGAVE 1 Men lost de volgende zouten op in water: (i) ammoniumnitraat (ii) kaliumsulfide (iii) natriumwaterstofsulfaat 01 Geef voor elk van deze zouten de oplosvergelijking.

Nadere informatie

Eindexamen natuurkunde/scheikunde 2 vmbo gl/tl 2010 - II

Eindexamen natuurkunde/scheikunde 2 vmbo gl/tl 2010 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Aardolie 1 C 2 B 3 C Tinnen lepels 4 maximumscore 2 Fe 3+ 1 S 2 1 5 B 6 maximumscore 3 2 Sn + O 2 2 SnO Sn en O

Nadere informatie

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het HAVO. versie mei 2013 ZUREN EN BASEN Samenvatting voor het HAVO versie mei 2013 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Algemeen 3. Zuren 4. Basen 5. Het waterevenwicht 6. Definities ph en poh 7. ph BEREKENINGEN 7.1. Algemeen 7.2. Water

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2003-II

Eindexamen scheikunde havo 2003-II 4 Antwoordmodel Superzwaar 1 Een juiste berekening leidt tot de uitkomst 50 (neutronen). opzoeken van het atoomnummer van krypton (36) 1 berekening van het aantal neutronen: 86 verminderd met het atoomnummer

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2008-I

Eindexamen scheikunde havo 2008-I Beoordelingsmodel Uraan 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal neutronen: 146 aantal protonen: 92 1 aantal neutronen: 238 verminderen met het aantal protonen 1 2 maximumscore 2 UO 2 + 4 HF UF 4 +

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-I

Eindexamen scheikunde havo 2001-I Eindexamen scheikunde havo -I 4 Antwoordmodel Nieuw element (in de tekst staat:) deze atomen zijn eerst ontdaan van een aantal elektronen dus de nikkeldeeltjes zijn positief geladen Indien in een overigens

Nadere informatie

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2014-I

Eindexamen vmbo gl/tl nask2 2014-I Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt 1 scorepunt toegekend. Natriumbrand 1 B 2 B 3 maximumscore 1 zand 4 A 5 C 6 maximumscore 3 2 Na + 2 H 2 O 2 Na + + 2 OH + H 2 uitsluitend Na en H 2 O

Nadere informatie

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M Hoofdstuk 8 Rekenen met de mol bladzijde 1 Opgave 1 n = m / M a 64,0 g zuurstofgas (O 2) = 2,00 mol (want n = 64,0 / 32,0) enz b 10,0 g butaan (C 4H 10) = 0,172 mol c 1,00 g suiker (C 12H 22O 11) = 0,00292

Nadere informatie

Stoffen en Reacties 2

Stoffen en Reacties 2 Stoffen en Reacties 2 Practicum Metalen Naam student 1. Naam student2..... Pagina 2 van 13 Inleiding Reageert metaal met zuurstof? Sinds de mensheid metalen kent worden ze voor allerlei toepassingen gebruikt

Nadere informatie

gelijk aan het aantal protonen in de kern. hebben allemaal hetzelfde aantal protonen in de kern.

gelijk aan het aantal protonen in de kern. hebben allemaal hetzelfde aantal protonen in de kern. 1 Atoombouw 1.1 Atoomnummer en massagetal Er bestaan vele miljoenen verschillende stoffen, die allemaal zijn opgebouwd uit ongeveer 100 verschillende atomen. Deze atomen zijn zelf ook weer opgebouwd uit

Nadere informatie

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen

7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.0 Enkele belangrijke groepen van verbindingen 7.1 Oxiden Vrijwel alle elementen kunnen, min of meer heftig reageren met zuurstof. De gevormde verbindingen worden oxiden genoemd. In een van de voorafgaande

Nadere informatie

CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE. datum : donderdag 29 juli 2010

CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE. datum : donderdag 29 juli 2010 CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE datum : donderdag 29 juli 2010 tijd : 14.00 tot 17.00 uur aantal opgaven : 6 Iedere opgave dient op een afzonderlijk vel te worden gemaakt

Nadere informatie

Scheikunde SE2. Hoofdstuk 8

Scheikunde SE2. Hoofdstuk 8 Scheikunde SE2 Hoofdstuk 8 Paragraaf 2 Indicatoren: stoffen waarmee je kunt bepalen of een oplossing zuur of basisch is. Zuur: als een oplossing een ph heeft van minder dan 7. Basisch: als een oplossing

Nadere informatie

13 Evenwichten. Hoofdstuk 13 Evenwichten. 13.1 Omkeerbare reacties. 13.2 Dynamisch evenwicht

13 Evenwichten. Hoofdstuk 13 Evenwichten. 13.1 Omkeerbare reacties. 13.2 Dynamisch evenwicht 13 Evenwichten 13.1 Omkeerbare reacties Hoofdstuk 13 Evenwichten Het is in de praktijk vrijwel onmogelijk om beide reacties tegelijk te laten verlopen. 7 a Roze + n H 2 O Blauw.n H 2 O 3 1 a Schrijf beide

Nadere informatie

3.1. 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie.

3.1. 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie. 3.1 1. In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie. 2. De pijl in een reactieschema (bijvoorbeeld: A + B C) betekent: - A en B reageren tot C of - Er vindt

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2001-II

Eindexamen scheikunde havo 2001-II Eindexamen scheikunde havo 00-II 4 Antwoordmodel Energievoorziening in de ruimte et (uiteenvallen van de Pu-38 atomen) levert energie dus het is een exotherm proces. er komt energie vrij aantal protonen:

Nadere informatie

Kolenvergasser. Kolenvergasser 2009-02-01 hdefc.doc

Kolenvergasser. Kolenvergasser 2009-02-01 hdefc.doc Kolenvergasser 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 Beantwoord de vragen 1 t/m 3 aan de hand van het in bron 1 beschreven proces. Bron 1 De

Nadere informatie

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden:

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: Nuttige gegevens: universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 vogadroconstante: N = 6,022 x 10 23 mol -1 normomstandigheden: θ = 0 p = 1013 hpa molair volume van een ideaal gas onder normomstandigheden:

Nadere informatie

Oefenopgaven BEREKENINGEN

Oefenopgaven BEREKENINGEN Oefenopgaven BEREKENINGEN havo Inleiding De oefenopgaven over berekeningen zijn onderverdeeld in groepen. Vet gedrukt staat aangegeven om wat voor soort berekeningen het gaat. Kies uit wat het beste past

Nadere informatie

Eindexamen natuurkunde/scheikunde 2 vmbo gl/tl 2007 - II

Eindexamen natuurkunde/scheikunde 2 vmbo gl/tl 2007 - II Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Lampen 1 B 2 B 3 B 4 maximumscore 1 17 5 A 6 maximumscore 1 W 2+ 7 B 8 maximumscore 1 Het antwoord moet de notie

Nadere informatie

Samenvatting Chemie Overal 3 havo

Samenvatting Chemie Overal 3 havo Samenvatting Chemie Overal 3 havo Hoofdstuk 1: Stoffen 1.1 Zwart goud Aardolie Aardgas, aardolie en steenkool heten ook wel fossiele brandstoffen. Bij verbranding komt veel energie vrij, maar er ontstaan

Nadere informatie

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO 3.7.1 Tellen met grote getallen In het dagelijks leven tellen we regelmatig het aantal van bepaalde voorwerpen. Vaak bepalen we dan hoeveel voorwerpen er precies

Nadere informatie

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Examen VMBO-GL en TL 2011 tijdvak 1 dinsdag 17 mei 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 48 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het VWO. versie mei 2013

ZUREN EN BASEN. Samenvatting voor het VWO. versie mei 2013 ZUREN EN BASEN Samenvatting voor het VWO versie mei 2013 INHOUDSOPGAVE 1. Vooraf 2. Algemeen 3. Zuren 4. Basen 5. Het waterevenwicht 6. Definities ph en poh 7. ph BEREKENINGEN 7.1. Algemeen 7.2. Water

Nadere informatie

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE

NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 af te nemen in de periode van woensdag 5 januari 01 tot en met woensdag 1 februari 01 Deze voorronde bestaat uit 4 meerkeuzevragen verdeeld over

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I

Eindexamen scheikunde havo 2011 - I Beoordelingsmodel Uraanerts 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal elektronen: 88 aantal protonen: 92 1 aantal elektronen: aantal protonen verminderd met 4 1 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist

Nadere informatie

31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014

31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014 31 ste Vlaamse Chemie Olympiade 2013-2014 2 de ronde 26 februari 2014 Je naam en voornaam: Je adres: De naam van je school: Het adres van je school: Je leerjaar: Aantal lesuren chemie per week die je dit

Nadere informatie

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn.

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn. Antwoorden 1 Hoeveel protonen, elektronen en neutronen heeft een ion Fe 3+? 26 protonen, 23 elektronen, 30 neutronen 2 Geef de scheikundige namen van Fe 2 S 3 en FeCO 3. ijzer(iii)sulfide en ijzer(ii)carbonaat

Nadere informatie

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3 Toelatingsexamens en Ondersteunend Onderwijs VOORBLAD EXAMENOPGAVEN Toetsdatum: n.v.t. Vak: Scheikunde voorbeeldexamen 2015 Tijdsduur: 2 uur en 30 minuten De volgende hulpmiddelen zijn toegestaan bij het

Nadere informatie

Hoofdstuk 3: Zuren en basen

Hoofdstuk 3: Zuren en basen Hoofdstuk 3: Zuren en basen Scheikunde VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Onderwerpen Scheikunde 2011 2012 Stoffen, structuur en binding Kenmerken van Reacties Zuren en base Redox Chemische technieken Koolstofchemie

Nadere informatie

Naam: WATER. pagina 1 van 8

Naam: WATER. pagina 1 van 8 Naam: WATER Geen leven zonder water Zonder water kun je niet leven. Als je niet genoeg drinkt, krijgt je dorst. Als je dorst hebt, heeft je lichaam water tekort. Je raakt dit water vooral kwijt door te

Nadere informatie

Examen HAVO. Scheikunde (oude stijl)

Examen HAVO. Scheikunde (oude stijl) Scheikunde (oude stijl) Examen HAV Hoger Algemeen Voortgezet nderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 79 punten te behalen; het examen bestaat uit 32 vragen.

Nadere informatie

5 VWO. H8 zuren en basen

5 VWO. H8 zuren en basen 5 VWO H8 zuren en basen Inleiding Opdracht 1, 20 min in tweetallen Nakijken; eventueel vragen stellen 8.2 Zure, neutrale en basische oplossingen 8.2 Zure, neutrale en Indicator (tabel 52A) Zuurgraad 0-14?

Nadere informatie

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde

Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde verzicht van reactievergelijkingen Scheikunde Algemeen Verbranding Een verbranding is een reactie met zuurstof. ierbij ontstaan de oxiden van de elementen. Volledige verbranding Bij volledige verbranding

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Scheikunde oude stijl

Examen HAVO en VHBO. Scheikunde oude stijl Scheikunde oude stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 1 VHBO Tijdvak 2 Vrijdag 26 mei 13.30 16.30 uur 20 00 Dit examen bestaat

Nadere informatie

Chemisch rekenen, zo doe je dat!

Chemisch rekenen, zo doe je dat! 1 Chemisch rekenen, zo doe je dat! GOE Opmerkingen vooraf: 1. Belangrijke schrijfwijzen: 100 = 10 2 ; 1000 = 10 3, enz. 0,1 = 1/10 = 10-1 ; 0,001 = 1/1000 = 10-3 ; 0,000.000.1 = 10-7, enz. gram/kg = gram

Nadere informatie

5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren of zwakke basen

5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren of zwakke basen Opmerking: We gaan ervan uit, dat bij het mengen van oplossingen geen volumecontractie optreedt. Bij verdunde oplossingen is die veronderstelling gerechtvaardigd. 5.4 ph van oplossingen van zwakke zuren

Nadere informatie

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2008 tijdvak 2 natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Het correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels 4 Beoordelingsmodel

Nadere informatie

Chemisch rekenen versie 22-03-2016

Chemisch rekenen versie 22-03-2016 Chemisch rekenen versie 22-03-2016 Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek

Nadere informatie

Redoxreacties; een aanvulling op hoofdstuk 13

Redoxreacties; een aanvulling op hoofdstuk 13 Redoxreacties; een aanvulling op hoofdstuk 13 1. Elektronenoverdracht In dit hoofdstuk maken we kennis met zogenaamde redoxreacties. Dit zijn reacties waarbij elektronenoverdracht plaatsvindt. De naam

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen

OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen OEFENOPGAVEN VWO ZUREN EN BASEN + ph-berekeningen OPGAVE 1 01 Bereken hoeveel mmol HCOOH is opgelost in 40 ml HCOOH oplossing met ph = 3,60. 02 Bereken ph van 0,300 M NaF oplossing. 03 Bereken hoeveel

Nadere informatie

Alles om je heen is opgebouwd uit atomen. En elk atoom is weer bestaat uit protonen, elektronen en neutronen.

Alles om je heen is opgebouwd uit atomen. En elk atoom is weer bestaat uit protonen, elektronen en neutronen. 2 ELEKTRICITEITSLEER 2.1. Inleiding Je hebt al geleerd dat elektriciteit kan worden opgewekt door allerlei energievormen om te zetten in elektrische energie. Maar hoe kan elektriciteit ontstaan? En waarom

Nadere informatie

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Examen VMBO-GL en TL 2011 tijdvak 2 dinsdag 21 juni 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 49 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

Onderwerp: Onderzoek doen Kerndoel(en): 28 Leerdoel(en): - Onderzoek doen aan de hand van onderzoeksvragen - Uitkomsten van onderzoek presenteren.

Onderwerp: Onderzoek doen Kerndoel(en): 28 Leerdoel(en): - Onderzoek doen aan de hand van onderzoeksvragen - Uitkomsten van onderzoek presenteren. Vak: Scheikunde Leerjaar: Kerndoel(en): 28 De leerling leert vragen over onderwerpen uit het brede leergebied om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp

Nadere informatie

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Examen VMBO-GL en TL 2007 tijdvak 1 woensdag 23 mei 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 46 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

a. Beschrijf deze reactie met een vergelijking. In het artikel is sprake van terugwinning van zwavel in zuivere vorm.

a. Beschrijf deze reactie met een vergelijking. In het artikel is sprake van terugwinning van zwavel in zuivere vorm. PEARL GTL Oliemaatschappijen zoals Shell willen aan de nog steeds stijgende vraag naar benzine en diesel kunnen blijven voldoen én ze willen de eindige olievoorraad zoveel mogelijk beschikbaar houden als

Nadere informatie

WATER. Krachten tussen deeltjes. Intramoleculaire en intermoleculaire krachten

WATER. Krachten tussen deeltjes. Intramoleculaire en intermoleculaire krachten WATER Krachten tussen deeltjes Intramoleculaire en intermoleculaire krachten Intramoleculaire en intermoleculaire krachten De atomen in een molecuul blijven samen door intramoleculaire krachten (atoombinding)

Nadere informatie

Waterkwaliteit 2: Natuur/chemie

Waterkwaliteit 2: Natuur/chemie Waterkwaliteit 2: Natuur/chemie Prof. ir. Hans van Dijk 1 Afdeling Watermanagement Sectie Gezondheidstechniek Inhoud hydrologische kringloop kwalitatief 1. regenwater 2. afstromend/oppervlaktewater. infiltratie

Nadere informatie

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL

natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Examen VMBO-GL en TL 2010 tijdvak 2 dinsdag 22 juni 13.30-1.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 46 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie

Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11. Opgave 1 [HCO ] [H O ] x x. = 4,5 10 [CO ] 1,00 x 10

Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11. Opgave 1 [HCO ] [H O ] x x. = 4,5 10 [CO ] 1,00 x 10 Oefenvraagstukken 5 VWO Hoofdstuk 11 Zuren en basen Opgave 1 1 Ga na of de volgende zuren en basen met elkaar kunnen reageren. Zo ja, geef de reactievergelijking. Zo nee, leg duidelijk uit waarom niet.

Nadere informatie

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden 2 Meten is weten 1 Nee, want bijvoorbeeld 0,0010 kg is net zo nauwkeurig als 1,0 gram. 2 De minst betrouwbare meting is de volumemeting. Deze variabele bepaald het aantal significante cijfers. 3 IJs: 1,5

Nadere informatie

1. Geef bij de volgende reactievergelijkingen steeds aan:

1. Geef bij de volgende reactievergelijkingen steeds aan: Antwoorden Bijlage VI Oxidatiegetallen 1. Geef bij de volgende reactievergelijkingen steeds aan: welke stof wordt er geoxideerd +II +I II +I 0 +III +I +III II II +I +I II C 2 H 5 OH + O 2 CH 3 COOH + H

Nadere informatie

Examen VMBO-GL en TL 2014

Examen VMBO-GL en TL 2014 Examen VMBO-GL en TL 2014 tijdvak 2 dinsdag 17 juni 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboekje Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 46 vragen. Voor dit

Nadere informatie

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2005

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2005 Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2005 tijdvak 2 NATUUR- EN SCHEIKUNDE 2 CSE GL EN TL Het correctievoorschrift bestaat uit: 1 Regels voor de beoordeling 2 Algemene regels 3 Vakspecifieke regels 4 Beoordelingsmodel

Nadere informatie

Eindexamen scheikunde havo 1999 - II

Eindexamen scheikunde havo 1999 - II pgave 1 Van het element cadmium (atoomnummer 48) bestaan cadmium(ii)verbindingen. Deze verbindingen bevatten d 2+ ionen. 2p 1 Hoeveel protonen en hoeveel elektronen heeft een d 2+ ion? Noteer je antwoord

Nadere informatie

Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo

Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo Oefenopgaven ZUREN en BASEN vwo OPGAVE 1 Men lost de volgende zouten op in water: (i) ammoniumnitraat (ii) kaliumsulfide (iii) natriumwaterstofsulfaat 01 Geef voor elk van deze zouten de oplosvergelijking.

Nadere informatie

Water kan ook veranderen is waterdamp. Het wordt dan een gas. Maar heter als 100 graden kan water niet worden. Dit is het kookpunt van water.

Water kan ook veranderen is waterdamp. Het wordt dan een gas. Maar heter als 100 graden kan water niet worden. Dit is het kookpunt van water. Water Zonder water kun niet Zonder water kun je niet leven. Als je niet genoeg drinkt, krijgt je dorst. Als je dorst hebt, heeft je lichaam water tekort. Je raakt dit water vooral kwijt door te plassen

Nadere informatie

SE voorbeeldtoets 5HAVO antwoordmodel

SE voorbeeldtoets 5HAVO antwoordmodel SE voorbeeldtoets 5AV antwoordmodel Stikstof Zwaar stikstofgas bestaat uit stikstofmoleculen waarin uitsluitend stikstofatomen voorkomen met massagetal 15. 2p 1 oeveel protonen en hoeveel neutronen bevat

Nadere informatie

Oefenopgaven BEREKENINGEN Inleiding Maak eerst de opgaven over dit onderwerp die bij havo staan. In dit document vind je alleen aanvullende opgaven.

Oefenopgaven BEREKENINGEN Inleiding Maak eerst de opgaven over dit onderwerp die bij havo staan. In dit document vind je alleen aanvullende opgaven. Oefenopgaven BEREKENINGEN vwo Inleiding Maak eerst de opgaven over dit onderwerp die bij havo staan. In dit document vind je alleen aanvullende opgaven. OPGAVE 1 In tabel 7 van BINAS staan twee waarden

Nadere informatie

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen In onderstaande zelftest zijn de vragen gebundeld die als voorbeeldvragen zijn opgenomen in het bijhorend overzicht van de verwachte voorkennis chemie. 1. Elementaire chemie en chemisch rekenen 1.1 Grootheden

Nadere informatie

Examen VMBO-GL en TL. natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL. tijdvak 1 maandag 11 mei 13.30-15.30 uur

Examen VMBO-GL en TL. natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL. tijdvak 1 maandag 11 mei 13.30-15.30 uur Examen VMBO-GL en TL 2015 tijdvak 1 maandag 11 mei 13.30-15.30 uur natuur- en scheikunde 2 CSE GL en TL Gebruik zo nodig het informatieboek Binas vmbo kgt. Dit examen bestaat uit 46 vragen. Voor dit examen

Nadere informatie