Tweede Kamer der Staten-Generaal

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tweede Kamer der Staten-Generaal"

Transcriptie

1 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001) Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 20 december 2001 De Commissie voor de Rijksuitgaven 1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid. 1. Inleiding De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het geeft deze leden wel aanleiding tot het maken van enkele kanttekeningen en tot het formuleren van een aantal aandachtspunten in het vervolg van dit verslag. 1 Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter, Rosenmöller (GroenLinks), Hillen (CDA), Van Heemst (PvdA), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie), Bakker (D66), Van Walsem (D66), voorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), De Haan (CDA), Wagenaar (PvdA), Van den Akker (CDA), Van Beek (VVD), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Hindriks (PvdA), Remak (VVD), Weekers (VVD), Kuijper (PvdA), Blok (VVD), De Swart (VVD) en Duivesteijn (PvdA). Plv. leden: Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Lambrechts (D66), Kant (SP), Feenstra (PvdA), Slob (ChristenUnie), Van der Vlies (SGP), Schimmel (D66), Stroeken (CDA), Wijn (CDA), Hindriks (PvdA), Rietkerk (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Vacature (CDA), Rabbae (GroenLinks), Udo (VVD), Geluk (VVD), Smits (PvdA), Balemans (VVD), De Vries (VVD), Depla (PvdA). De leden van de VVD-fractie hebben eveneens met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. In deze eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 worden nadere eisen gesteld aan het beheer van publieke middelen door rechtspersonen met een wettelijke taak (verder: RWT). Deze leden hebben hier enerzijds begrip voor, aangezien zij een groot belang hechten aan controle op het omgaan met belastinggeld, anderzijds mag geen sprake zijn van onnodige inperking van autonomie van instellingen. Een niet uitdrukkelijk geformuleerd algeheel uitgangspunt van de wet is dat er niet wordt ingegrepen in de bestaande toezichtsverhoudingen tussen de organisaties en de vakminister, noch waar het het toezicht op het kasbeheer van de organisaties betreft, noch waar het de garantstelling van leningen betreft. Dat wil zeggen dat de mate waarin de wet kan worden gehandhaafd, afhangt van de bestaande toezichtsrelaties. De leden van de VVD-fractie vragen hieromtrent welke bevoegdheden een vakminister nodig heeft om deze regels te kunnen handhaven. Is de regering van mening dat de bestaande toezichtsvormen op de organisaties, waarop deze wet betrekking heeft, voldoende zijn om de nu voorgestelde regels te handhaven? Welke taak heeft de minister van Financiën hier? KST58486 ISSN Sdu Uitgevers s-gravenhage 2001 Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 1

2 Kan worden verwacht dat er bepaalde bij wet geregelde toezichtsverhoudingen tussen vakministers en «hun» organisaties alsnog moeten worden aangepast? Ook de leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Op een aantal onderdelen zullen zij nader ingaan in het vervolg van dit verslag. De leden van de fractie van D66 hebben kennis genomen van de eerste wijziging van de Comptabiliteitswet Deze wijziging stelt nadere eisen aan het beheer van publieke middelen door RWT s. Zij zijn nog niet onverdeeld positief over deze voorgestelde wijzigingen. Op zich zijn de redenen voor de wetswijziging, zijnde doelmatigheid en betere beheersbaarheid van het EMU-saldo, voor hen belangrijk genoeg om de Comptabiliteitswet 2001 aan te passen. Maar deze veranderingen moeten wel duidelijk gedefinieerd zijn en de gevolgen hiervan moeten goed doordacht en overwogen zijn. Dit is nu nog onvoldoende het geval, zo menen de leden van de fractie van D66. Zij onderbouwen dit met het navolgende. In de eerste plaats heeft de wet allerlei praktische gevolgen voor de RWT s, de banken en vakministeries, die nu nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Er is bij voorbeeld sprake van een nieuwe speler in het veld, zijnde het ministerie van Financiën. In hoeverre hebben de RWT s te maken met het ministerie? Ook is de wetswijziging in principe alleen bedoeld voor de publieke middelen van de RWT s. Er zal dus een schot tussen de publieke en private middelen moeten worden aangebracht. In hoeverre is dit mogelijk? Wat als een deel van de private middelen bij het ministerie van Financiën wordt ondergebracht? Werkt dit niet marktverstorend? De wijzigingen kunnen ook een inperking van de autonomie van de RWT s tot gevolg hebben. De voorstellen hebben al geleid tot verzet uit delen van het veld (politie, onderwijsinstellingen). In hoeverre leiden de wijzigingen tot beperkingen in de autonomie? Kan de wet zodanig aangepast worden dat een verlies aan autonomie wordt gecompenseerd? Op dergelijke uitwerkingen van de wet wordt onvoldoende ingegaan, aldus de leden van de fractie van D66. Een tweede aspect van onvoldoende uitwerking, naar het oordeel van deze leden, heeft te maken met de verschillende beheersregimes en de gehanteerde criteria voor de RWT s (lijstensystematiek). Sommige organisaties vallen onder lijst A, het geïntegreerd middelenbeheer. Andere vallen onder lijst B, en kunnen geen liquide middelen aanhouden bij het Rijk, noch geld lenen. Wel geldt het verbod op oneigenlijk kasbeheer. Ook moeten zij zich houden aan regels ter beperking van het risico van het liquide middelenbeheer. Sommige organisaties vallen nergens onder. Omdat de plaatsing op één van de lijsten belangrijke gevolgen heeft voor de organisaties, moet gewaarborgd zijn dat de plaatsing zorgvuldig en terecht gebeurt. De leden van de fractie van D66 hechten veel waarde aan een betrouwbare overheid en op dit moment is de gehanteerde systematiek voor plaatsing nog onvoldoende scherp om arbitraire beslissingen te kunnen voorkomen. De leden van de GroenLinks-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van de onderhavige wetswijziging. Het rapport van de Algemene Rekenkamer «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het Rijk» had ook al de grote belangstelling bij de leden van deze fractie. De leden van de SGP-fractie hebben met enigszins gemengde gevoelens kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Enerzijds erkennen zij dat op zichzelf ten aanzien van het beheer van publieke middelen door RWT s regels dienen te gelden om te voorkomen dat met deze publieke middelen ongewenste financiële risico s worden gelopen. Zij missen Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 2

3 echter een duidelijke onderbouwing van dit argument. Liggen er bepaalde incidenten ten grondslag aan de voorgestelde aanscherping van de regels met betrekking tot het beheer van publieke middelen door RWT s, of betreft het hier een aanscherping om andere redenen? Zij vragen de regering alsnog gedegen in te gaan op de onderbouwing van dit wetsvoorstel. Anderzijds hebben de leden van de SGP-fractie enige twijfels rond de integratie van de publieke middelen met s Rijks schatkist. Zij zien graag nader en duidelijker beargumenteerd dat de beschikkingsmacht van RWT s over hun financiële middelen door het geïntegreerd middelenbeheer niet kan worden aangetast. Op welke wijze is gewaarborgd dat deze beschikkingsmacht van RWT s ook echt ongewijzigd blijft? 2. Reikwijdte geïntegreerd middelenbeheer De leden van de PvdA-fractie constateren dat op lijst A rechtspersonen staan vermeld, die door aanwijzing hun liquide middelen dienen aan te houden in de schatkist. Het gaat hier in de eerste plaats om rechtspersonen met een bij of krachtens de wet geregelde taak, (RWT s), die daartoe worden bekostigd uit bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. Daarnaast staan op deze lijst ook rechtspersonen met een niet bij of krachtens de wet geregelde, maar wel publieke taak, die daartoe worden bekostigd uit publieke middelen. Op lijst B staan rechtspersonen die door aanwijzing hun liquide middelen slechts mogen uitzetten in de vorm van produkten die voldoen aan door de minister van Financiën te stellen eisen. Indien organisaties op één van beide lijsten worden vermeld, kan dat gevolgen hebben voor de mate van zelfstandigheid. Daarom is het van belang duidelijk te stellen wat in dit verband onder een publieke taak wordt verstaan. Dit blijft echter in het midden hangen. Kan de minister een nadere begripsaanduiding geven van «publieke taak»? Tevens wijzen deze leden op de opmerking van de Algemene Rekenkamer, in haar advies bij dit wetsvoorstel, dat het goed zou zijn een officieel RWT-register aan te houden, waarin in ieder geval wordt vermeld welke artikelen van de Comptabiliteitswet op de organisaties van toepassing zijn. De minister van Financiën geeft te kennen dat dat idee al langer bestaat en dat men doende is een dergelijke lijst vast te stellen. In de lijst wordt onder meer vermeld of een organisatie onder de Kaderwet ZBO s valt, of de organisatie op lijst A en lijst B staat of op geen van beide. De minister wil dit echter niet een officieel register laten worden, doch een informatief onderdeel in het Handboek Financiële Informatievoorziening Rijksoverheid (HAFIR). Onduidelijk is waarom de minister een minder formele status wil toekennen aan de lijst dan de Algemene Rekenkamer adviseert. Wat is hiervan de reden, zo vragen de leden van de PvdA. Een formele registerstatus is immers in dit verband een sterker instrument ter beheersing dan een informatieve lijst. Kan een indicatief overzicht worden gegeven van (groepen) organisaties die niet op lijst A en B voorkomen maar die wel op de te verwachten integrale lijst komen te staan? Zullen ook stichtingen en andere privaatrechtelijke rechtspersonen, waarop artikel 29 van de huidige Comptabiliteitswet van toepassing is, in de lijst worden opgenomen. Immers deze stichtingen zijn door of namens één van de ministers opgericht, en hebben veelal publieke taken en worden vaak met publieke middelen gefinancierd. De lijsten A en B worden bij ministeriële regeling door de minister vastgesteld. De Raad van State wijst erop dat de ingrijpende gevolgen van het op één van de beide lijsten staan eerder pleit voor het opnemen ervan in de wet zelf. De minister ontkent dat het wetsvoorstel ingrijpend is en stelt vervolgens dat het besluit om organisaties op een lijst te plaatsen een technische uitvoeringskwestie is, met een beperkte politieke keuzevrijheid. Ook geeft hij in een bijlage bij de memorie van toelichting aan om welke organisaties het gaat. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 3

4 Het vaststellen van de lijsten A en B bij wet kan leiden tot inflexibiliteit. Er zijn echter ook andere mogelijkheden om de lijsten een wat sterkere juridische basis te geven. Zo had er voor kunnen worden gekozen de criteria voor de keuze om een RWT op lijst A, lijst B, of op helemaal geen lijst te zetten bij of krachtens wet vast te stellen. Ook zou het mogelijk zijn om in de wet te bepalen dat de lijsten niet bij ministeriële regeling, maar bij AMvB worden vastgesteld. De wat intensievere procedure voor de vaststelling van een AMvB bevat extra afwegingsmomenten die het arbitraire karakter van het besluit om een RWT op lijst A, of lijst of op geen enkele lijst te zetten wat vermindert. Ook kan aan een AMvB een voorhangprocedure in de Kamer worden gekoppeld, die ook de Kamer hier in zeggenschap geeft. Zijn bovendien de organisaties in de gelegenheid om hun zienswijze kenbaar te maken over het gegeven dat zij wel of niet, en zo ja op welke lijst, zij voorkomen? Een centrale vraag is wanneer organisaties op lijst A komen (en dus hun middelen bij het ministerie van Financiën moeten aanhouden), wanneer zij op lijst B worden geplaatst en wanneer zij op geen der beide lijsten staan. Met betrekking tot die laatste situatie merken de leden van de PvdA-fractie het volgende op. Sommige organisaties staan op geen van beide lijsten. Hiervoor zijn uitzonderingsbepalingen opgenomen. Het gaat hier om rechtspersonen met activiteiten die een evident marktkarakter hebben (onder andere zorgverzekeraars); rechtspersonen waaraan de publieke taak is opgelegd om deelnemingen te verwerven of leningen aan derden te verstrekken; rechtspersonen met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke neventaak is toegevoegd (bijvoorbeeld de ANWB) Onduidelijk is waaraan in concreto bij de tweede uitzondering wordt gedacht. Gaat het hier bijvoorbeeld om regionale ontwikkelingsmaatschappijen? Waarom vallen deze organisaties niet onder deze bepalingen? Zou het wel opnemen ervan op één van de beide lijsten niet bij uitstek een manier zijn om financiële risico s te voorkomen? Bij de derde uitzonderingsgrond is het onduidelijk hoe dit concreet wordt gemaakt. De publieke neventaak van de ANWB (het plaatsen van borden) mag dan beperkt lijken in relatie tot zijn andere activiteiten, het gaat hier jaarlijks wel om een substantieel bedrag. Met andere woorden: wanneer is een publieke neventaak relatief beperkt. In bijlage 2 bij de memorie van toelichting wordt in een drietal noten geschetst dat een aantal organisaties voorlopig op de A-lijst is geplaatst. Het gaat hier om: a. Instellingen uit de Beroeps- en volwasseneneducatie, HBO, WO en Onderzoeksinstellingen als KNAW, KB en NWO) Hierover heeft de minister van Financiën op 1 november jl. een brief aan de Kamer gezonden met de stand van zaken (Kamerstuk , nr. 4). De instellingen voor WO, HBO en BVE blijven op lijst A staan, maar hebben daar ook wat voor teruggekregen. In afwijking met de algemene lijn, mogen deze onderwijsinstellingen een bepaald maximaal bedrag rood staan bij de schatkist zonder dat daarvoor een garantstelling door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nodig is. Het gaat om 10% van dat deel van hun jaaromzet die via de rekening-courant bij het ministerie van Financiën loopt. Om dit extra risico te financieren betalen zij op dat rood staan een extra rente van 0,25%. Onduidelijk is voor de leden van de PvdA-fractie of de genoemde instellingen gewoon op lijst A blijven staan of dat de voor hun afgesproken aparte positie ook aanvullende wetgeving nodig zal zijn. Ook is niet duidelijk welke financiële overwegingen aan de rente-opslag van 0.25% ten grondslag liggen. Om hoeveel geld gaat het eigenlijk? Onderschrijft de minister het argument van de instellingen dat concurrerende instellingen niet aangesloten zouden kunnen zijn bij een zelfde «waarborgfonds»? Is de beraadslaging Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 4

5 over het alternatieve instrument al afgerond? Hoe is de stand van zaken in de beraadslagingen ten aanzien van NWO, KNAW, en KB? b. De regionale politiekorpsen Wat is ten aanzien van de regionale politiekorpsen de stand van zaken, zo wensen de leden van de PvdA-fractie te vernemen. Volgt de minister hier dezelfde lijn als bij de onderwijsinstellingen? Wanneer kan de Kamer nadere informatie verwachten? c. NS- taakorganisaties Afhankelijk van de uitkomst van de discussie over het dossier uitplaatsing NS-taakorganisaties zal er nader bestuurlijk overleg plaatsvinden, aldus de leden van de PvdA-fractie. In de memorie van toelichting, op bladzijde 21, wordt gesuggereerd dat dit bestuurlijk overleg alleen de Railverkeersleiding BV zou betreffen. Onduidelijk is of het hier om één of om alle drie taakorganisaties gaat. Ook is niet helder voor deze leden waarom de uitkomst van de nadere besluitvorming over de NS-taakorganisaties van invloed is op het al dan niet handhaven van deze organisatie op de A-lijst. Kan worden bericht wanneer over dit onderwerp de Kamer duidelijkheid wordt verschaft? Ten aanzien van het onderscheid tussen lijst A en lijst B hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vraag. Indien organisaties op één van beide lijsten worden vermeld, kan dat dan gevolgen hebben voor hun autonomie. Daarom is het van belang duidelijk weer te geven wat in dit verband onder een publieke taak wordt verstaan. Wat verstaat de minister hieronder? Ook de leden van de CDA-fractie hechten er aan een duidelijke omschrijving te krijgen van «publieke taak», omdat dit uit de stukken niet duidelijk blijkt. Eveneens wensen zij te vernemen waarom de minister het advies van de Algemene Rekenkamer niet heeft gevolgd om een officieel RWT-register aan te houden, waarin in ieder geval wordt vermeld welke artikelen van de Comptabiliteitswet op de organisaties van toepassing zijn. Over het vaststellen van de lijsten A en B bij ministeriële regeling en niet bij of krachtens wet, wensen de leden van de CDA-fractie te vernemen waarom de minister ontkent dat het wetsvoorstel ingrijpend is. Het is immers de bedoeling risico s door oneigenlijk kasbeheer te vermijden, een doelmatigheidswinst te realiseren door gezamenlijk (via het ministerie van Financiën) te opereren op de kapitaalmarkt en het EMU-saldo te monitoren en te beheersen. Deze leden zijn het niet eens met de minister dat plaatsing op de A of B-lijst een grotendeels technische kwestie is. De uitzonderingsbepalingen geven de minister een ruime discretionaire bevoegdheid. Waarom is niet gekozen voor een vaststelling via een algemene maatregel van bestuur. De meer intensieve procedure voor de vaststelling van een maatregel bevat extra afwegingsmomenten die het arbitraire karakter van het besluit wat vermindert. Graag wensen deze leden een reactie van de minister. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer organisaties op lijst A en wanneer op lijst B of op geen van beide lijsten worden geplaatst. Ten aanzien van de laatste categorie: sommige organisaties staan niet op één van beide lijsten, hoewel het wel rechtspersonen zijn. Bijvoorbeeld de ANWB: een rechtspersoon met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke neventaak is toegevoegd, of rechtspersonen met activiteiten die een evident marktkarakter hebben (o.a. zorgverzekeraars). De leden van de CDA-fractie willen graag vernemen wat hiervan de achtergrond is. Bij de ANWB bijvoorbeeld, de publieke neven- Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 5

6 taak mag dan beperkt lijken in relatie tot haar andere activiteiten, het gaat jaarlijks wel om een substantieel bedrag. Met andere woorden: wanneer is een publieke taak beperkt? Hoe worden de uitzonderingsgronden concreet gemaakt? Hiertoe dienen twee criteria. Ten eerste het omvangscriterium. Sommige organisaties zijn zo klein dat er geen doelmatigheidswinst wordt verwacht van het aanhouden van hun middelen bij het ministerie van Financien. Het gaat hier om organisaties waarvan de totale inkomsten in 2000 kleiner zijn dan 14 miljoen of een totaal bedrag aan liquide middelen en beleggingen hebben van minder dan 0,9. In het voorstel wordt echter niet ingegaan op de vraag waarop deze normen zijn gebaseerd. Hoe wordt bijgehouden of een organisatie in de loop der jaren groeit en worden de grensbedragen regelmatig geactualiseerd? Kan de regering aangeven wat de stand van het overleg is met betrekking tot de plaatsing op de lijst van instellingen als (of behorende tot) Beroepsen volwasseneneducatie, HBO en WO; onderzoeksinstellingen als KNAW, KB en NWO; regionale politiecorpsen; Railinfrabeheer, Railverkeersleidingen en Railnet? Heldere definities staan aan de basis van een goede verdelingssystematiek, zo menen de leden van de fractie van D66. De plaatsing op één van de lijsten wordt bepaald door de vraag of de organisaties een publieke taak vervullen. Maar wat wordt nu precies verstaan onder de publieke taak, zo vragen ook deze leden. In de wetswijziging blijft dit onvoldoende belicht. Dit is ook van belang voor de vraag hoe de toewijzing van de organisaties op de lijsten zich verhoudt met het rechtsbeginsel. De leden van de fractie van D66 geven om deze reden in ieder geval de voorkeur aan een sterkere juridische basis, waarbij de toets voor plaatsing niet alleen door de minister, maar ook door de Kamer wordt geakkoordeerd. Deze leden willen niet alleen worden ingelicht over de (veranderende) samenstelling van de lijsten, maar ook hun goedkeuring hierover uitspreken. Dit om het arbitraire karakter van een besluit tot plaatsing te verminderen. Welke procedure kan volgens de minister in dit geval het beste aangehouden worden? In navolging van hetgeen door leden van andere fracties reeds aan de orde is gesteld in dit verslag, wensen de leden van de fractie van D66 een heldere uiteenzetting van de minister waarom is gekozen voor een informele status van de te hanteren lijsten, zulks ondanks het advies van de Raad van State om een formele status te geven aan de lijsten. Er is ook een aantal uitzonderingsbepalingen opgenomen in de wet. Kan meer specifiek worden ingegaan op het waarom van deze uitzonderingsgevallen? Welke organisaties vallen hier precies onder? Kan ook een overzicht worden gegeven van de organisaties die tot nu toe als uitzonderingsgeval zijn geclassificeerd? De lijsten zijn aan veranderingen onderhevig. In hoeverre worden de lijsten periodiek geëvalueerd en getoetst aan de vraag of plaatsing op de lijst nog van toepassing is? Een aantal organisaties zijn voorlopig op de A-lijst geplaatst. Wat is hiervan de stand van zaken? Met betrekking tot de NS taakorganisaties is de memorie van toelichting onduidelijk of het hier gaat om één, of alle drie taakorganisaties. In hoeverre is de komende besluitvorming over de NS taakorganisaties van invloed op de definitieve plaatsing op de A-lijst? In afwijking van de algemene lijn voor de A-lijst mogen onderwijsinstellingen tot een bepaald bedrag rood staan bij het Rijk, zonder dat hiervoor een garantstelling door het ministerie nodig is. In hoeverre zou hiermee een onbedoeld precedent geschapen kunnen voor andere RWT s op de A-lijst? Wat doet de minister om deze mogelijk ongewenste ontwikkeling tegen te gaan? Bij de leden van de fractie van GroenLinks overheerst teleurstelling en onbegrip als gekeken wordt naar de reikwijdte van het geïntegreerd Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 6

7 middelenbeheer. Kan worden medegedeeld wat de achtergrond is van de uitzondering van rechtspersonen met activiteiten die een evident marktkarakter hebben (onder andere zorgverzekeraars)? Deze leden vragen of het niet zo is dat opneming van deze organisaties er juist toe zou kunnen bijdragen dat er op wenselijke aspecten wordt geconcurreerd en bijvoorbeeld niet met risicovolle beleggingen. Ook de tweede uitzonderingsgrond is voor hen niet helemaal helder. Aan welke organisaties moet hier worden gedacht. Gaat het bijvoorbeeld om ROM s en zo ja, kan helder uiteengezet worden waarom deze buiten de lijsten moeten vallen? Naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks dragen alle genoemde drie uitzonderingsgronden een hoge mate van subjectiviteit in zich en daarmee is het van groot belang om te weten welke organisaties tot nu toe op basis van deze criteria als uitzonderingsgeval zijn geclassificeerd. De leden van de fractie van GroenLinks willen dan ook graag een overzicht ontvangen van alle uitzonderingsgevallen en op basis van welke uitzonderingsgrond zij zijn uitgesloten. Deze leden willen tevens vernemen waarom de regering niet overeenkomstig de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer gekozen heeft voor het aanhouden van een officieel RWT-register. De leden van de fractie van GroenLinks constateren voorts dat omroepverenigingen en academische ziekenhuizen niet op beide lijsten staan en eveneens niet ondere één van de drie uitzonderingsgronden vallen. Deze leden willen dan ook voor deze twee organisaties een uiteenzetting van hun positie in deze. Uit het voorgaande komt al duidelijk naar voren dat de fractieleden van GroenLinks het wetsvoorstel in beginsel positief beoordelen, maar vooral moeite hebben met de (beperkte) reikwijdte. De vaststelling van de lijsten is dan ook van groot belang voor de beoordeling van het wetsvoorstel. Deze leden menen dan ook dat het vaststellen van de lijsten bij ministeriële regeling voorbij gaat aan het belang van deze vaststelling, die wel degelijk meer behelst dan een technische kwestie. Zij menen dat ofwel in de wet volkomen helder moet zijn welke criteria gehanteerd worden voor de keuze een RWT op lijst A, lijst B, of op helemaal geen lijst te zetten, dan wel de lijsten niet bij ministeriële regeling maar bij algemene maatregel van bestuur (met voorhangprocedure) vast te stellen, waardoor de Kamer in deze vaststelling zeggenschap krijgt. De leden van de SGP-fractie vragen nadrukkelijk aandacht voor de in hun optiek bijzondere positie van de onderwijsstellingen. Deze leden zouden het onwenselijk vinden indien de gedwongen integratie van publieke middelen met s Rijks schatkist op een of andere wijze tot een zekere inperking van de vrijheid van onderwijs zou leiden. Zij vragen de regering nader op hun bezorgdheid in te gaan. Tevens vragen zij aandacht voor de mogelijke extra administratieve lasten voor onderwijsinstellingen tengevolge van voorliggend wetsvoorstel. De leden van de SGP-fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de voortgang van de ambtelijke werkgroep die met financiële experts uit het onderwijsveld samenwerkt bij het ontwikkelen van een alternatief instrumentarium om schatkistleningen voor onderwijsinstellingen toch bereikbaar te maken. 3. Verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk De leden van de fractie van de PvdA menen dat het op zich van eenvoud getuigt dat RWT s hun liquide middelen moeten aanhouden bij het Rijk. Dit gebeurt door het aanbrengen van een koppeling tussen de betaalrekening die de RWT s aanhouden bij een bank en de rekening courant die bestaat bij de Rijkshoofdboekhouding. Indien organisaties een deel van hun middelen op iets langere termijn niet zullen uitgeven kunnen ze het tegen een hogere rente wegzetten in zogeheten deposito s. De bemoeienis Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 7

8 van Financiën met de rekening courant van de organisatie beperkt zich tot normale treasury functie. Er vindt geen inhoudelijke bemoeienis plaats. Voor organisaties die deels door publieke en deels door private middelen worden gefinancierd geldt natuurlijk dat zij alleen hun publieke liquide middelen moeten aanhouden bij het Rijk. Omdat het ondoenlijk is na te gaan welk deel van de reserve voortkomt uit welke bron wordt volstaan met de vuistregel dat naar rato van de verdeling van de inkomsten tussen publieke en private bronnen een verdeling van de liquide middelen zal plaats vinden. Deze leden wensen evenwel te vernemen wat er gebeurt indien een organisatie door onverantwoord kasbeheer met haar private middelen in financiële problemen komt. Bestaat dan het risico dat de middelen die bij het Rijk worden aangehouden, worden gebruikt om gaten in het andere deel te dichten? Welke voorzieningen worden hiervoor getroffen? Onduidelijk is tevens hoe de directe relatie tussen de betaalrekeningen die RWT s hebben bij een commerciële bank en de rekening courant bij het ministerie van Financiën concreet vorm krijgt. Moeten banken voor het uitvoeren van betaalopdrachten fiat van het ministerie krijgen? Ten aanzien van het verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk, door een instelling die ook eigen middelen uit niet-publieke activiteiten heeft, hebben de leden van de VVD-fractie eveneens enkele vragen te stellen. Wat gebeurt er indien een organisatie door onverantwoord kasbeheer met haar private middelen in financiële problemen komt? Bestaat dan het risico dat de middelen die bij het Rijk worden aangehouden worden gebruikt om gaten in het andere deel te dichten? Welke voorzieningen worden hiervoor getroffen? Op bladzijde 5 van de memorie van toelichting schrijft de minister: «Op de tegoeden en kredieten in rekening-courant zal voor het gehele saldo de interbancaire rente zonder op- en afslagen worden vergoed respectievelijk in rekening worden gebracht. Dit is voor de RWT aantrekkelijk omdat het gehele saldo risicoloos tegen een hoge korte rente (zonder afslagen) uitstaat en bovendien voor het roodstaan geen toeslagen berekend worden.» Geldt dit ook voor niet-verplichte middelen? En ontstaat hierdoor geen concurrentievervalsing met commerciële banken? Ook hebben de leden van de VVD-fractie vragen over concurrentievervalsing ten aanzien van instellingen. «In het vierde lid is een bepaling opgenomen die de mogelijkheid biedt om de liquide middelen van een rechtspersoon die zijn verkregen uit private activiteiten buiten het geïntegreerd middelenbeheer te houden.», zo staat op bladzijde 14 van de memorie van toelichting te lezen. De leden van de VVD-fractie vragen waarom men dat nog zou willen, aangezien het ministerie van Financiën de hoogste rente geeft. Is ook hier niet sprake van oneigenlijke concurrentie? Immers, een particuliere opleiding mag bijvoorbeeld niet bij het ministerie van Financiën bankieren, maar een universiteit wel. Wat is de reactie van de minister hierop? De leden van de VVD-fractie vragen of een koppeling van de rekeningcourant bij het Rijk en een betaalrekening bij een particuliere bank bij iedere Nederlandse bank kan plaatsvinden. De leden van de fractie van het CDA wensen evenzo in te gaan op de situatie dat RWT s ook private middelen tot hun beschikking kunnen hebben. Gesteld dat zij daarmede in problemen komen, dan is het zeker niet uitgesloten dat zij tekorten afdekken met publieke middelen. Welke voorzieningen zijn daartoe getroffen? De leden van de fractie van D66 zouden op het punt van de praktische gevolgen ook graag meer helderheid willen over de volgende aspecten. Hoe ziet de directe relatie tussen de betaalrekeningen, die de RWT s hebben bij een commerciële banken en de rekening-courant bij het minis- Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 8

9 terie van Financiën er uit? Hoe weten banken dat ze te maken hebben met publieke of private middelen? Zijn er momenten waarop banken voor bepaalde handelingen fiat van het ministerie van Financiën moeten vragen? Voor de RWT s die op de A-lijst staan wordt het mogelijk te lenen bij het Rijk, zoals dat nu reeds mogelijk is voor de agentschappen. Vraag is of dezelfde procedure gevolgd gaat worden als bij de agentschappen. Is er onder andere sprake van een intensieve toets, waarbij gekeken wordt of er sprake is van een voldoende beleidsmatige onderbouwing? De leden van de fractie van D66 staan positief tegenover het ingevoerde verbod op oneigenlijk kasbeheer en de regels ten aanzien van de beperking van de risico s. Maar ook hier geldt: hoe zit het met de verdere uitwerking? Op welke wijze wordt het toezicht op de verbodsbepaling en de regels ten aanzien van risico georganiseerd? Geldt het verbod ook voor RWT s die onder de uitzonderingsbepalingen vallen (omroeporganisaties bijvoorbeeld)? Zo neen, waarom niet? De regeling biedt de mogelijkheid voor organisaties op lijst B om vrijwillig op lijst A te staan. In hoeverre werkt dit marktverstorend? Lenen bij het Rijk kan goedkoper zijn dan lenen bij een commerciële bank. Hoe denkt de minister de marktverstorende elementen van de wetswijziging tegen te gaan? 4. Lenen bij de minister van Financiën De leden van de PvdA-fractie constateren dat RWT s gebruik kunnen maken van de leenfaciliteit. Hiervoor rekent het ministerie een min of meer marktconforme rente. Deze mogelijkheid wordt nu ook opengesteld voor RWT s. Dat gebeurt nadat de desbetreffende vakminister het voorstel heeft getoetst en zich garant heeft gesteld. Indien een RWT niet kan voldoen aan zijn aflossings- of renteverplichtingen zal dit ten laste worden gebracht van de begroting van de vakminister. De afgegeven lening telt niet mee voor het uitgavenkader en legt dus geen beslag op de budgettaire ruimte die er op macroniveau is voor uitgaven. Op zich is dit logisch, zo menen deze leden, want het betreft hier verstrekte leningen en geen echte uitgaven. Het is deze leden evenwel niet duidelijk wat er gebeurt indien een RWT failliet gaat. Wordt het dan ontstane financiële probleem namelijk het niet kunnen betalen van aflossingen en rente wel ten laste van het uitgavenkader gebracht? Op welke wijze dient de zich garantstellende minister hiervoor voorzieningen te treffen in de begroting? Hoe verhoudt zich het een en ander tot de zelfstandigheid van de RWT? In april 1999 is een evaluatie van de leenfaciliteit aangekondigd, zo herinneren de leden van de fractie van D66 zich. Is deze evaluatie reeds uitgevoerd? Zo ja, wat zijn uitkomsten? Zo neen, wanneer is de evaluatie te verwachten? De leden van de fractie van GroenLinks wijzen de minister eveneens op het feit dat bij de instelling van de leenfaciliteit (april 1999) een evaluatie is aangekondigd binnen drie jaar. Nu met het onderhavige wetsvoorstel de leenfaciliteit substantieel wordt uitgebreid zou de beschikbare informatie die bij zulk een evaluatie naar voren komt interessant kunnen zijn. Is deze evaluatie al beschikbaar? Het is voor deze leden onduidelijk of de procedures die in de leenfaciliteit voor agentschappen bestaan dezelfde zijn als die door RWT s zullen moeten worden gevolgd. Met name de intensieve toets die bij leningen door agentschappen wordt verwacht van de directie FEZ van de vakdepartementen is in dit verband interessant. Deze gaat onder andere in op de vraag of voor de investering een voldoende beleidsmatige onderbouwing is gegeven. Ook is de vraag interessant wat er gebeurt indien een RWT failliet gaat. Wordt het dan ontstane financiële probleem ten laste van het uitgavenkader gebracht? En op welke wijze Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 9

10 dient de zich garantstellende minister hiervoor voorzieningen te treffen in de begroting? 5. Regels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheer en verbod op oneigenlijk kasbeheer Het aantrekken van financiële middelen om daarmee via het uitzetten van diezelfde geldelijke middelen additionele gelden te verwerven, wordt aangeduid als oneigenlijk kasbeheer, aldus constateren de leden van de PvdA-fractie. Door middel van artikel 46 van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit verboden. Deze verbodsbepaling geldt voor organisaties op beide lijsten. Onduidelijk is op welke wijze het toezicht op deze verbodsbepaling wordt georganiseerd. Daarnaast lijkt zich hier een probleem voor te doen met organisaties die zowel uit publieke als private bron worden gefinancierd. Geldt het verbod ook integraal voor deze organisaties? Organisaties die niet op lijst A staan (en dus niet worden verplicht hun middelen bij het ministerie van Financiën aan te houden) maar wel op lijst B, mogen hun liquide middelen alleen uitzetten tegen een beperkt risico. Hiertoe zal een ministeriële regeling van kracht worden die nauw aansluit bij de Wet FIDO (Financiering Decentrale Overheden) waar dit soort regels al zijn gesteld voor gemeenten en provincies. De handhaving van de regels in de wet FIDO is door middel van een systeem van toezichthouders georganiseerd. In het gefragmenteerde veld van RWT s is geen eenduidige toezichtstructuur geregeld; daarin wordt ook niet voorzien in de Kaderwet ZBO s. Het is dan ook op voorhand niet duidelijk hoe dit toezicht zal worden geregeld. Een niet geëxpliciteerd algeheel uitgangspunt van de wet is dat er niet wordt ingegrepen in de bestaande toezichtverhoudingen tussen de organisaties en de vakminister, noch waar het het toezicht op het kasbeheer van de organisaties betreft, noch waar het de garantstelling van leningen betreft. Dat wil zeggen dat de mate waarin de wet kan worden gehandhaafd, afhangt van de bestaande toezichtsrelaties. Een interessante vraag in algemene zin is welke bevoegdheden een vakminister nodig heeft om deze regels daadwerkelijk te handhaven. Is de regering van mening dat de bestaande toezichtsvormen op de organisaties waar deze wet betrekking op heeft voldoende zijn om de nu voorgestelde regels te handhaven? Welke taak heeft de minister van Financiën hier? Kan worden verwacht dat er bepaalde bij wet geregelde toezichtverhoudingen tussen vakministers en «hun» organisaties alsnog moeten worden aangepast? Wat gebeurt er indien er verschil van opvatting is tussen de minister van Financien en de vakminister over het toezicht? Ten aanzien van het verbod op oneigenlijk kasbeheer hebben de leden van de fractie van de VVD de volgende vragen. Hoe wordt het toezicht op deze verbodsbepaling georganiseerd? Geldt het verbod ook voor organisaties die zowel uit publieke als private bron worden gefinancierd? En geldt het verbod ook voor organisaties die op geen der beide lijsten staan, zoals zorgverzekeraars? De leden van de fractie van GroenLinks willen vernemen hoe het toezicht op de verbodsbepaling van artikel 46 wordt of is georganiseerd? Hoe wordt er omgegaan met organisaties die deels publieke en deels private financieringsbronnen kennen. Geldt hier een integraal verbod of een verbod voor het publieke deel. Geldt het verbod ook voor organisaties die niet op de lijsten voorkomen, maar wel in het Algemene Rekenkamerrapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het Rijk» voorkomen. Hebben zorgverzekeraars en omroeporganisaties met het verbod te maken? Deze leden merken op dat een niet geëxpliciteerd algeheel uitgangspunt van de wet is dat er niet wordt ingegrepen in de bestaande toezichtverhoudingen tussen de organisaties en de vakminister, noch waar het het toezicht op het kasbeheer van de organisaties Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 10

11 betreft, noch waar het de garantstelling van leningen betreft. De mate waarin de wet kan worden gehandhaafd, hangt zodoende af van de bestaande toezichtrelaties, zo menen deze leden. Is de regering van mening dat de bestaande toezichtvormen op de organisaties waar deze wet betrekking op heeft voldoende zijn om de nu voorgestelde regels te handhaven. Welke taak heeft de minister van Financiën hier? Heeft de regering de verwachting dat er bepaalde bij wet geregelde toezichtverhoudingen tussen vakministers en «hun» organisaties alsnog moeten worden aangepast? 6. Bewaken EMU-saldo Aangezien Nederland meedoet aan de derde fase van het EMU is er een maximaal EMU-tekort van 3% van het BBP, zo merken de leden van de fractie van de PvdA op. Als dit benaderd wordt en de RWT s en RPT s hiervan de oorzaak zijn, machtigt artikel 44, tweede lid de minister van Financiën tot nadere regels. Te denken valt aan een lening- of investeringsstop. Dit impliceert wel dat de minister van Financiën kan waarnemen welke bijdrage deze organisaties leveren aan de groei van het EMU-tekort. Voor organisaties op lijst A (die geld aanhouden en lenen bij het ministerie van Financiën) kan dat met een druk op de knop. Welke maatregelen worden getroffen bij lijst B om eenzelfde effect te sorteren? Welke norm stelt de minister hier? Bij welk percentage EMU-tekort is er reden om over inwerkingtreding van dit artikel te gaan nadenken? Hoe wordt voorkomen dat in de acht weken durende termijn voordat de stop daadwerkelijk inwerking treedt, de organisaties alsnog met intensieve investerings- en leenvoorstellen komen? In de memorie van toelichting wordt niet ingegaan op de wijze waarop het totale beroep op de leenfaciliteit wordt begroot. Gezien het feit dat de minister van Financiën slechts één middel heeft om de kraan van de leenfaciliteit dicht te draaien (bij het naderen van het EMU-tekort van 3%) is het onduidelijk of het maximale beroep dat RWT s op de leenfaciliteit kan worden gemaximeerd. Dat is wel het geval bij agentschappen. In de regels budgetdiscipline is vastgelegd dat het beroep dat agentschappen doen op de leenfaciliteit bij het hoofdbesluitvormingsmoment (in het voorjaar voorafgaande aan het begrotingsjaar) wordt besproken. Dan worden ook de kaders vastgesteld. De leden van de CDA-fractie vragen eveneens hoe de situatie is voor instellingen op de B-lijst, ingeval het EMU-tekort de 3% nadert of zelfs overschrijdt. Voorts is het van belang in te gaan op de situatie waarin het overduidelijk is dat de RWT s part noch deel hebben aan de overschrijding van het EMU-tekort. Kan de minister dan ook ingrijpen? 7. Financiële gevolgen In de memorie van toelichting wordt ingegaan op de veronderstelde doelmatigheidsvoordelen van dit wetsvoorstel, zo melden de leden van de fractie van de PvdA, met een totaal voordeel van 68,1 mln. per jaar. Deze berekeningen gaan uit van bepaalde veronderstellingen met betrekking tot de marktrente (voor zowel tegoeden als kort- en langlopende schulden), de rentetarieven die het Rijk kan hanteren en de totale volumina waar sprake van is. De rentetarieven worden echter nergens duidelijk weergegeven. Daarnaast is het opvallend dat het totale doelmatigheidsvoordeel van de operatie wordt verdeeld tussen het Rijk en de RWT s. Het Rijk krijgt 1/3 en de RWT s krijgen 2/3. Onduidelijk is of deze verdeling het resultaat is van een keuze en wordt beïnvloed dor de gekozen rentetarieven. Zouden andere verdelingen mogelijk zijn. Komt het voordeel voor het Rijk ten gunste van de minister van Financiën of kunnen ook de vakministers er van profiteren. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 11

12 De minister verwacht dat er aan rekeningen courant en korte termijn deposito s een bedrag binnenkomt van 2,95 mld. Ook worden langetermijndeposito s verwacht, die eerst leiden tot ontvangsten en bij expiratie tot uitgaven. De minister verwacht hier een ontvangstenbedrag per saldo van 0,9 mld. «tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer» (bladzijde 11 van de memorie van toelichting). Onduidelijk is hoe dat saldo is berekend. Wat betekent een dergelijk saldo? Wat wordt bedoeld met «tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer?» Welke termijn is dit? Tevens wordt een verwachting uitgesproken over het beroep dat op de leenfaciliteit zal worden gedaan. Dit wordt tentatief geschat op 1,4 mld. Waarop is dit bedrag gebaseerd? Is de inschatting van dit bedrag minder precies dan de andere schattingen? Kan een bandbreedte worden vermeld waarbinnen het feitelijk beroep op de leenfaciliteit zal variëren? De leden van de fractie van het CDA menen dat bij de berekening van de doelmatigheidswinst onvoldoende aandacht wordt geschonken aan de uitvoeringskosten bij het ministerie van Financiën. Dit ministerie gaat opereren als bankier. Is daartoe voldoende deskundigheid aanwezig? Valt het ministerie in zijn functie van bankier ook onder de Wet Toezicht Kredietwezen? Aan wie vallen de doelmatigheidswinsten toe? Is overwogen die toe te rekenen aan de instellingen die op de lijsten zijn geplaatst? Waarom is geen berekening gemaakt van de financiële gevolgen voor de instellingen die op de lijsten worden geplaatst? Deze kunnen immers positief en negatief zijn. Is zonder meer verondersteld dat het ministerie van Financiën een betere bankier is dan de som van de bankiers van de individuele instellingen? 8. Artikelgewijs Artikel 45, vierde lid De leden van de VVD-fractie vragen of schoolvouchers en PGB s (persoonsgebonden budgetten) bij de private of publieke middelen thuishoren. Dit is met name relevant omdat vouchers en PGB s vaak ook bij commerciële instellingen besteed kunnen worden. De mogelijkheid en/of plicht om bij de schatkist te bankieren zou dan de concurrentieverhoudingen kunnen verstoren. Artikel 48 De leden van de fractie van D66 stellen de vraag of, indien een organisatie zijn rente- of aflossingsverplichtingen niet kan nakomen, de minister van Financiën dit ten laste kan brengen van het vakministerie. Hoe denkt de minister aan deze bevoegdheid invulling te geven, ook met betrekking tot de uitzonderingsgevallen van de BVE, HBO en WO waarvoor geen garantiestelling door OC&W nodig is? De voorzitter van de commissie, Van Walsem De griffier van de commissie, Van der Windt Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 5 12

Geïntegreerd middelenbeheer

Geïntegreerd middelenbeheer Geïntegreerd middelenbeheer Geïntegreerd middelenbeheer Inhoud 1 Waarom deze brochure? 1 Waarom deze brochure? 3 2 Wat houdt het geïntegreerd middelenbeheer in? 4 3 Welke instellingen vallen onder het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 035 Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 472 Aanpassing van wetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Aanpassingswet euro) Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 8 februari

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 131 Reïntegratie arbeidsongeschikten Nr. 4 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 20 februari 2002 De commissie voor de Rijksuitgaven 1

Nadere informatie

Datum 24 april 2015 Wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het aanbrengen van enkele inhoudelijke wijzigingen van diverse aard (34146)

Datum 24 april 2015 Wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het aanbrengen van enkele inhoudelijke wijzigingen van diverse aard (34146) >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Wetgeving en Juridische Zaken Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 755 Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting-

Nadere informatie

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken

http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_15-01-2015/afdrukken http://wetten.overheid.nl/bwbr0011987/geldigheidsdatum_/afdrukken Page 1 of 5 Wet financiering decentrale overheden (Tekst geldend op: ) Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het

Nadere informatie

No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012

No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012 ... No.W06.12.0456/III 's-gravenhage, 7 december 2012 Bij Kabinetsmissive van 8 november 2012, no.12.002573, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van

Nadere informatie

2016D22881 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

2016D22881 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG 2016D22881 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Financiën heeft op 2 juni 2016 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over zijn brief

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 031 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het regelen van de mogelijkheid een deel van

Nadere informatie

2015D07302 LIJST VAN VRAGEN

2015D07302 LIJST VAN VRAGEN 2015D07302 LIJST VAN VRAGEN De vaste commissie voor Financiën, heeft over de Beleidsdoorlichting schatkistbankieren (Kamerstuk 31 935, nr. 13) de navolgende vragen ter beantwoording aan de Minister van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 404 Wijziging van enkele belastingwetten (Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer) Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 11 oktober 2012 De

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1996 1997 Nr. 9a 24 138 Wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 25 342 Wijziging van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en enige andere wetten in verband met integreren van het middelenbeheer van de

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 34 494 Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 318 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 1998 (wijziging samenhangende

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 237 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met het gebruik van het burgerservicenummer bij de uitvoering van het depositogarantiestelsel

Nadere informatie

Aan de raad AGENDAPUNT 6.9

Aan de raad AGENDAPUNT 6.9 Aan de raad AGENDAPUNT 6.9 Treasurystatuut 2010 Voorstel: het Treasurystatuut 2010 vaststellen. Inleiding In februari 2009 hebben wij u geïnformeerd over de treasury bij onze gemeente. Aanleiding hiervoor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 755 Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting-

Nadere informatie

2015D42193 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

2015D42193 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG 2015D42193 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Financiën heeft op 5 november 2015 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over zijn brief

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2006 2007 28 447 Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 28 753 Publiek-private samenwerking Nr. 39 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 9 mei 2016 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 451 Wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming

Nadere informatie

Schatkistbankieren. Agentschap van de Generale Thesaurie Emile Spijkerman Friso Spinhoven

Schatkistbankieren. Agentschap van de Generale Thesaurie Emile Spijkerman Friso Spinhoven Agentschap van de Generale Thesaurie Emile Spijkerman Friso Spinhoven 1. Achtergrond 2. Wat houdt schatkistbankieren in? 3. Welke instellingen nemen deel? 4. Werking, faciliteiten en spelregels 5. Kosten

Nadere informatie

Bijlage - Omvang Bruto EMU-schuldreductie

Bijlage - Omvang Bruto EMU-schuldreductie Bijlage - Omvang Bruto EMU-schuldreductie 1. Inleiding Het brutoschuldbegrip is een internationale standaard. Financiële marktpartijen en kredietbeoordelaars maken internationale vergelijkingen op basis

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 249 Wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de verstrekking van bijdragen aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 090 IXA Wijziging van de sstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2011 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) Nr. 2 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 33 280 IXA Wijziging van de sstaat van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) Nr. 2 HERDRUK 1 MEMORIE

Nadere informatie

Advies: Kennis te nemen van de treasuryrapportage 2014 inclusief de geactualiseerde liquiditeitsprognose 2014-2015.

Advies: Kennis te nemen van de treasuryrapportage 2014 inclusief de geactualiseerde liquiditeitsprognose 2014-2015. VOORSTEL AAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS Van: B.J. Zondag Tel.nr. : Datum: 25 september 2014 8416 Team: Financiën Tekenstukken: Nee Bijlagen: 2 Afschrift aan: N.a.v. (evt. briefnrs.): B.Duindam, V. Griessler,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 29 507 Regels voor de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening) Nr. 32 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 504 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de modernisering van de wijze van tenaamstelling van kentekenbewijzen en enkele andere

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1996 1997 25 488 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1996 (slotwet) Nr. 2 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 045 Streekvervoer Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 7 december 1998 De commissie voor Rijksuitgaven 1 heeft over het rapport

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 178 Voorstel van wet van het lid M.B.Vos tot wijziging van de Electriciteitswet 1998 ter invoering van etikettering van elektriciteit Nr. 6

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 262 Wijziging van de Handelsregisterwet 2007, het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in verband met deponering

Nadere informatie

Investeren in (frisse) scholen en svz rijksregelgeving

Investeren in (frisse) scholen en svz rijksregelgeving Investeren in (frisse) scholen en svz rijksregelgeving Joop Pennings Directie Woon- en Leefomgeving DG Wonen en Bouwen 20 maart 2013 Inhoud 1. Wet hof 2. Schatkistbankieren 3. BTW-compensatiefonds 4. Ten

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 565 IXA Wijziging van de sstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2010 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) Nr. 2 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 863 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enkele andere wetten in verband met het van toepassing worden

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 34 268 Wijziging van de Wet op de Raad voor het openbaar bestuur en intrekking van de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen in verband

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 002 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015) Nr. 78 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 18 november

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 540 Wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in s Rijks schatkist

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 240 IXA Jaarverslag en slotwet van Nationale Schuld 2011 Nr. 2 RAPPORT BIJ HET JAARVERSLAG 2011 VAN NATIONALE SCHULD (IXA) Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Nadere uitwerking van het treasurystatuut voor het verstrekken van leningen en garantie aan derden, inclusief toelichting (januari 2010).

Nadere uitwerking van het treasurystatuut voor het verstrekken van leningen en garantie aan derden, inclusief toelichting (januari 2010). Nadere uitwerking van het treasurystatuut voor het verstrekken van leningen en garantie aan derden, inclusief toelichting (januari 2010). 1. Algemeen 1.1 De gemeente Eindhoven gaat alleen over tot het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 971 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 064 Invoering van titel 4 van Boek 7 (Huur) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Invoeringswet

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2006 2007 31 094 Wijziging van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de zorgtoeslag houdende vervanging van de no-claimteruggave door een verplicht eigen risico

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 399 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget met ingang van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 636 Wijziging van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ter implementatie van de vierde

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 27 887 Samenvoeging van de gemeenten Heerjansdam en Zwijndrecht Nr. 4 VERSLAG Vastgesteld 13 november 2001 De vaste commissie voor Binnenlandse

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 480 IXA Wijziging van de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2012 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) Nr. 3 VERSLAG

Nadere informatie

1. Inleiding en richtlijnen

1. Inleiding en richtlijnen NOTITIE RENTE 2017 1. Inleiding en richtlijnen 1.1 Inleiding Bij de wijzigingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de invoering van de Vennootschapsbelasting (VPB) voor de lagere overheden

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2002 2003 28 740 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1990-1991 22126 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk IXA (Nationale Schuld) voor het jaar 1991 (wijziging samenhangende

Nadere informatie

1. Algemeen Regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart. Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Algemeen Regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart. Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING 33 011 Regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING 1. Algemeen Dit wetsvoorstel heeft tot doel om met spoed een reparatie aan

Nadere informatie

Schatkistbankieren: Centen wijs, Eurodom

Schatkistbankieren: Centen wijs, Eurodom Schatkistbankieren: Centen wijs, Eurodom Aan : alle wethouders financiën c.c. VNG, IPO, NWB, BNG, UvW Geachte wethouder, Het zal u niet ontgaan zijn dat de laatste weken de nodige commotie in bestuurlijk

Nadere informatie

Lijst van vragen en antwoorden bij Kamerstukken II 2008/09, 31 965 IXA, Nr.

Lijst van vragen en antwoorden bij Kamerstukken II 2008/09, 31 965 IXA, Nr. Lijst van vragen en antwoorden bij Kamerstukken II 2008/09, 31 965 IXA, Nr. Eerst suppletoire begroting Ministerie van Financiën IXA Vraag 1 Hoe hebben de spreads van de G20-landen en EU-lidstaten zich

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 376 Wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met het onder de prestatiebeurs brengen van de reisvoorziening Nr. 3 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 29 544 Arbeidsmarktbeleid Nr. 449 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 5 februari 2013 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 27 565 Alcoholbeleid Nr. 125 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 11 februari 2014 In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1990-21 800 IX B Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk IX B (Ministerie van Financiën) voor het jaar Nr. 25 VERSLAG

Nadere informatie

Provincie Zuid-Holland Beleidsnota kostprijsberekening en rentetoerekening 2017

Provincie Zuid-Holland Beleidsnota kostprijsberekening en rentetoerekening 2017 Provincie Zuid-Holland Beleidsnota kostprijsberekening en rentetoerekening 2017 1 1. Inleiding en achtergrond De Financiële verordening van de provincie Zuid-Holland schrijft voor dat Provinciale Staten

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 26 800 IXA Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2000 Nr. 4 VERSLAG HOUDENDE

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie Nr. 1498 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2013 2014 33 540 Wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in s Rijks schatkist

Nadere informatie

Brief van de minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Brief van de minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 33495 Financiële positie van publiek bekostigde Onderwijsinstellingen Nr. 32 Brief van de minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 567 Wijziging van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (uitbreiding tot therapiebaden) Nr. 4 VERSLAG Vastgesteld 7 juli 1999 De vaste

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 209 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2008 2009 30 432 Voorstel van wet van de leden Depla en Blok houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 26 800 IXB Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2000 Nr. 16 VERSLAG

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 000 XVI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 34 022 Wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in verband met het aanbrengen van enkele

Nadere informatie

Treasurystatuut. Treasurystatuut

Treasurystatuut. Treasurystatuut Treasurystatuut Treasurystatuut 2016 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2 2. Doelstellingen 2 3. Uitzettingen en garanties 3 3.a. Uitzettingen en garanties uit hoofde van de publieke taak 4 3.b. Uitzettingen

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2006 2007 30 933 Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met uitbreiding van de mogelijkheid met studiefinanciering in het buitenland

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 696 Opheffing van het Spaarfonds AOW Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 24 mei 2011 1. Inleiding De regering heeft met belangstelling

Nadere informatie

2016D22478 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

2016D22478 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG 2016D22478 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Financiën heeft op 1 juni 2016 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over zijn brief

Nadere informatie

het project "Informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het onderwijs" in 2002

het project Informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het onderwijs in 2002 Accountantsdienst OCenW Servicegroep Cultuur en Apparaatskosten Bredewater 8 Postadres Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer Telefoon (079) 323 31 55 Telefax (079) 323 39 20 Rapport over het project "Informatie-

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 452 Wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 424 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het wijzigen van de tellerstand van motorrijtuigen Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN

Nadere informatie

Paragraaf 4: Financiering

Paragraaf 4: Financiering Paragraaf 4: Financiering Geldstroombeheer van de gemeente Algemeen De treasuryfunctie omvat de financiering van de beleidsvoornemens en het uitzetten van geldmiddelen die niet direct nodig zijn. Het beleid

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 138 Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met het openstellen van de mogelijkheid van het verlenen van bijzondere bijstand aan bepaalde

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2016 2017 34 548 Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II naar aanleiding van de evaluatie van de verhuurderheffing Nr. 31 BRIEF VAN DE MINISTER

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 660 Wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 houdende bepalingen betreffende het toezicht op en de controle van derden die collectieve middelen

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2006 95 Wet van 9 februari 2006, houdende regels inzake de openbaarmaking van beloningen bij rechtspersonen of organisaties die deel uit maken van

Nadere informatie

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Vragen Nieuw-Zeeland

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE. Vragen Nieuw-Zeeland De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon (070) 333 44 44 Fax (070) 333 40 33

Nadere informatie

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ;

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën ; Besluit van houdende wijziging van het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie, het Besluit beheer politie, het Besluit financieel beheer politie en het Besluit verdeling sterkte

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001,

Nadere informatie

Datum 11 september 2014 Betreft antwoorden vragen over brief inzake maatregelen ter versterking van de handhaving van de studiefinanciering

Datum 11 september 2014 Betreft antwoorden vragen over brief inzake maatregelen ter versterking van de handhaving van de studiefinanciering >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA..DEN HAAG Hoger Onderwijs en Studiefinanciering IPC 2250 Rijnstraat 50 Den Haag Postbus

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 832 Wijziging van de Wet privatisering ABP in verband met de wijziging van de aanwijzingsvoorwaarden voor deelneming in het ABP Nr. 3 Het advies

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1999 2000 26 463 Regels omtrent het transport en de levering van gas (Gaswet) Nr. 95 DERDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 4 april 2000 Het voorstel van wet

Nadere informatie

Treasurystatuut. Stichting Proloog

Treasurystatuut. Stichting Proloog Treasurystatuut Stichting Proloog Vastgesteld door het bestuur van de Stichting Proloog d.d. 29 september 2009 INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 1.1 Verantwoording 1.2 Indeling Treasurystatuut 2. DOELSTELLING

Nadere informatie

2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG 2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Financiën heeft op 11 maart 2015 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over zijn brief

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie Nr. 1811 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2003 2004 29 381 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een aftrekverbod voor de aankoopkosten van een deelneming

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 853 Wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met beëindiging van de voorschotregeling en vaststelling van een grondslag voor het stellen

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag > Retouradres Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving Afdeling Wetgeving Staatsinrichting en Bestuur Turfmarkt

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 502 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1999 (wijziging samenhangende met

Nadere informatie

34095 Initiatiefnota van de leden Gesthuizen en Merkies: Het centraal aandeelhoudersregister in de strijd tegen witwassen

34095 Initiatiefnota van de leden Gesthuizen en Merkies: Het centraal aandeelhoudersregister in de strijd tegen witwassen 34095 Initiatiefnota van de leden Gesthuizen en Merkies: Het centraal aandeelhoudersregister in de strijd tegen witwassen Nr. Verslag van een schriftelijk overleg Vastgesteld De vaste commissie voor Veiligheid

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 31 568 Staatkundig proces Nederlandse Antillen Nr. 172 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 4 maart 2016 De vaste commissie voor Onderwijs,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2015 2016 34 260 Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de implementatie van richtlijn 2014/30/EU en richtlijn 2014/53/EU Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld

Nadere informatie

Controle protocol. 1 Doelstelling. 2 Eisen en aanwijzingen. 3 Toleranties en gewenste zekerheid

Controle protocol. 1 Doelstelling. 2 Eisen en aanwijzingen. 3 Toleranties en gewenste zekerheid Controle protocol 1 Doelstelling Het CZ Fonds moet voldoen aan de eisen van het convenant vastgelegd in 1998 tussen Zorgverzekeraars Nederland en de overheid van de Besteding Reserves Voormalige Vrijwillige

Nadere informatie