Mens en maatschappij leerjaar 2 / vmbo-kgt 2 e editie Thema 10 Europa ANTWOORDMODEL thema schrift

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Mens en maatschappij leerjaar 2 / vmbo-kgt 2 e editie Thema 10 Europa ANTWOORDMODEL thema schrift"

Transcriptie

1 2 e editie Mens en maatschappij leerjaar 2 / vmbo-kgt Thema 10 Europa ANTWOORDMODEL thema schrift 10

2 Inhoud Hoe werk je met Mundo? 4 Start 6 Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis 8 Menukaart 1 16 A Persoonlijke verhalen Eerste Wereldoorlog B Den Haag: stad van de vrede C Afsluitdijk Blok 2 Tweede Wereldoorlog 20 Menukaart 2 28 A Verzet B Herdenken C Wie was Anne Frank? Blok 3 Nooit meer oorlog 32 Menukaart 3 met keuzemenu Economie 40 A De Berlijnse Muur B Actueel in de Europese Unie C Welvaart en welzijn in Europa Blok 4 Jij en Europa 44 Eindsprint 50 Begrippen 52 Illustratieverantwoording 54 ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: of via onze klantenservice (088) ISBN Tweede druk, eerste oplage ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp ( Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www. auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Mundo 2e editie is mede gebaseerd op Mundo 1e editie. Aan Mundo 1e editie werkten mee: Kirsten Bos, Liesbeth Coffeng, Jeanine Cronie, Mariska Jansen, Marieke Kleinhuis, Jeannette Kooistra, Juul Lelieveld, Brigitte van Meurs, Eva Noort, Marieke van Osch, Theo Peenstra, Paul Scholte, Ferry Siemensma, Floris Ternede, Barbara Visschedijk, Jaap-Hein Vruggink. Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

3 Mens en maatschappij 2 e editie Themaschrift 10 Europa ANTWOORDMODEL leerjaar 2 / vmbo-kgt Auteurs: Liesbeth Coffeng, Ilse Ouwens, Theo Peenstra & Paul Scholte Eindredactie: Liesbeth Coffeng & Theo Peenstra

4 4 Hoe werk je met Mundo? Voor je ligt het themaschrift van Mundo. Je hebt dit themaschrift samen met het lesboek elke les nodig voor mens en maatschappij. Op deze pagina s zie je hoe je met het themaschrift gaat werken. Intro Hier lees je een korte beschrijving van waar dit blok over gaat. Het themaschrift is op een vaste manier opgebouwd: De Start: dit is de themaopening. Blokken met opdrachten. Na blok 1, 2 en 3 een menukaart met keuzeopdrachten. Eindsprint met afsluitende opdrachten. Begrippen: uitleg van de belangrijkste begrippen. opdracht 1 De opdrachten die je gaat maken, kunnen door jou of je leraar of lerares worden aangekruist. In het themaschrift staan de opdrachten die je gaat maken. Je doet dat vaak met het lesboek. Bij de opdrachten heb je soms nog andere hulpmiddelen nodig. Dat wordt aangegeven met symbolen. Hieronder kun je lezen wat die betekenen: a b c d Bij deze opdracht heb je de atlas nodig. Bij deze opdracht heb je de computer nodig. Bij deze opdracht ga je samenwerken. Bij deze opdracht heb je extra spullen nodig, bijvoorbeeld een schaar of lijm. 8 Blok 1 opdracht 1 Landen rond de Middellandse Zee Lees de tekst hierboven en bekijk in het lesboek de titels, teksten en bronnen van blok 1. 1a Wat is de deelvraag van dit blok? 1b titel Elk jaar brengen veel Nederlanders hun vakantie door in een land aan de Middellandse Zee. In juli en augustus staan er heel lange files op de Franse snelwegen en daar komen veel Nederlandse gezinnen met hun caravan in terecht. Jongeren pakken massaal de bus of het vliegtuig naar de Spaanse stranden. Waarom is dit deel van Europa zo in trek bij vakantiegangers? DEELvraaG van DIt BLok: Hoe ziet het Middellandse Zeegebied eruit? Welk onderwerp hoort bij welk tekstblokje? Geef in figuur 1 met pijlen aan wat bij elkaar hoort. Warm en zonnig Het land Druk en rustig Het Romeinse rijk Romaanse en andere talen Chinees op school Toerisme Afstand 1c Welke bron in dit blok spreekt jou het meeste aan? Leg uit waarom. Bron opdracht 2, want Lees op bladzijde 8 van het lesboek de tekst Warm en zonnig. a Gebruik de atlas. 2a Maak de tabel van figuur 2 af. Gebruik GB 77B (BB-) en 77C (BB 56B). 2b Zoek de temperatuur in Athene en Amsterdam in januari en juli op. Zet die in de tabel van figuur 3. Gebruik GB 194E2 en E3 (BB 114D). 2c De blauwe staafjes geven de hoeveelheid neerslag aan per maand. Schrijf in figuur 3 op in welke maand de meeste neerslag valt in Athene en in Amsterdam. 2d Welk klimaat hebben de twee steden? Amsterdam: Athene: 2e Het verschil in klimaat komt doordat Zuid- Europa dichter bij / verder van de Atlantische Oceaan ligt. In Zuid-Europa komt de wind in de zomer uit het westen / andere windrichtingen. Daardoor komen er in de zomer weinig / veel wolken van de Atlantische Oceaan naar Zuid- Europa. Verder ligt Zuid-Europa zuidelijker en daardoor staat de zon er in de zomer hoger / lager. Het is er dan warm en droog. Figuur 1 onderwerp geschiedenis van het gebied talen die mensen spreken landschap wat een toerist nodig heeft in een gebied waar mensen wonen afstand in kilometers en tijd gerekend taalonderwijs in Nederland klimaat Deelvragen Ieder blok begint met een deelvraag. Aan het eind van het blok kun je die deelvraag beantwoorden. figuren Figuren zijn plaatjes en tabellen waarin jij iets moet doen: kleuren, tekenen of schrijven.

5 opdracht 1 FiguuR 1 Culturen Oude Grieken niet één groot rijk, maar verschillende... in Athene bijzondere manier van besturen:... landbouw moeilijk, oplossing: 1 h... 2 k... Romeinen groot rijk: het... rijk Romeinse cultuur verspreidt zich in het hele rijk. Dat heet:... nieuw geloof in dit rijk:... taal:... Arabieren groot rijk: het... rijk geloof:... taal:... Landschap vegetatie: planten die tegen w... en d... zomers kunnen, zoals... en : veel hoogteverschillen Turkije taal:... geloof:... klimaat kust: M... Zeeklimaat binnenland: - veel / weinig neerslag - koude / zachte winters Klimaat heet:... Zeeklimaat zomer: d... en w... winter: n... en z... in hogere gebieden is het k... en n... Waar de mensen wonen Verdeling van de mensen in het gebied =... Meeste mensen wonen: aan de kust / in het binnenland Redenen vroeger: 1 l... 2 h... 3 v... nu: 1 l... 2 t... 3 h... opdracht 1 opdracht 2 FiguuR 2 opdracht 3 opdracht 4 Figuur opdracht 2 opdracht 3 FiguuR 3 d I 250 A km c H 21 a B b L J G 8 C D 19 K 11 E F 5 Extra Vraag aan je docent of je deze extra taak mag maken. Verdieping Soms mag je deze opdracht maken van je docent, bijvoorbeeld als je tijd over hebt. Op een rij In deze opdracht oefen je wat je hebt geleerd in dit blok. Menukaart 40 Menukaart 3 Keuzeopdracht Samen of alleen Wat heb je nodig? A Schone kleren Alleen Computer Hoe worden de kleren die je bij jouw favoriete winkelketen koopt, geproduceerd? B Mondialisering: een goede zaak? Met z n vieren Moeten we blij zijn met de mondialisering? Welke gevolgen zijn er voor de economie en het milieu? Voer een debat. C Nederland handelsland Alleen Papier of computer Onderzoek hoe goed Nederlandse bedrijven kunnen concurreren met bedrijven uit andere EU-landen. Schrijf daarover een krantenbericht. A Schone kleren b Ga naar en maak de opdracht Schone kleren. Thema 7 Wereldhandel Menukaart 3 met keuzemenu Economie Schoenen en mobieltjes 41 C Nederland handelsland In deze opdracht vergelijk je de 2b concurrentiekracht van Nederland met die van andere landen in de EU. Je zoekt antwoord op de vraag: Wat is de concurrentiekracht van Nederland? Je antwoord verwerk je in een krantenbericht. Omdat de factoren die de concurrentiekracht bepalen op verschillende manieren worden gemeten, ga je de landen punten geven voor hun concurrentiekracht. 3a Lees op bladzijde 25 van het lesboek de tekst 3b Nederland handelsland. 1a Leg in je eigen woorden uit wat concurrentiekracht is. 1b In de tekst worden een paar factoren genoemd die de concurrentiekracht van een land bepalen. 3c Er zijn natuurlijk nog veel meer factoren, zoals de ligging van een land. Leg uit waarom de ligging belangrijk is voor de handel. In de tabel staan zeven Europese landen. De twee landen met de beste arbeidskosten geef je 3 punten, de twee landen met de slechtste arbeidskosten geef je 1 punt en de landen ertussenin krijgen ieder twee punten. Zet die punten op de juiste plek in figuur 1. Bekijk op bladzijde 25 van het lesboek bron 31. Zoek in blok 3 de betekenis op van arbeidsproductiviteit. Is een hoge arbeidsproductiviteit goed of slecht voor je concurrentiekracht? Leg je antwoord uit. De twee landen met de beste arbeidsproductiviteit geef je 3 punten, de twee landen met de slechtste arbeidsproductiviteit geef je 1 punt en de landen ertussenin krijgen ieder twee punten. Zet die punten op de juiste plek in figuur 1. Thema 3 Toerisme Blok 4 Toerisme en recreatie in je eigen omgeving opdracht 11 verdieping 11a Met welke leus maakt Nijmegen reclame? 11b Veel dorpen en steden in Nederland hebben een slagzin waarmee ze reclame maken. Welke reclamezin heeft jouw woonplaats of streek? Tip: kijk eens op de website van je gemeente. 11c Misschien heb je geen reclamezin gevonden. En als die zin er wel is, kun je vast een betere verzinnen. Bedenk eerst wat er in jouw woonomgeving echt goed, leuk of bijzonder is voor toeristen en recreanten. Bedenk dan je eigen reclamezin voor jouw streek of plaats. opdracht 12 12a Bij jou in de buurt is er vast wel een recreatieterrein of zwemplas te vinden. Hoe heet dat recreatieterrein? 12b Bezoek je dat gebied wel eens? Zo ja, op wat voor soort dagen? Ja / nee, ik bezoek het gebied 12c Welke andere plaatsen, die speciaal zijn ingericht om je vrije tijd door te brengen, bezoek jij? 12d Welke recreatievoorziening zou jij in je buurt of stad graag erbij willen krijgen? Bb opdracht 13 Ga naar en maak de opdracht Drusus en Corbulo. opdracht 14 op een rij De letters van de Romeinse sporen zijn door elkaar geraakt. Zet ze weer in de goede volgorde. smile: schewelaag: hisbaud: ceshaspwerk: geenmijn: opdracht 15 deelvraag 15a Wat is er in jouw woonomgeving echt goed, leuk of bijzonder voor toeristen en recreanten? 15b Zijn er in je eigen omgeving overblijfselen uit de Romeinse tijd te vinden? Zo ja, welke en waar? 15c Wat is er te doen voor toeristen en recreanten in jouw omgeving? ExTrA oefenblad vaardigheden Vraag aan je docent of je het extra oefenblad Bronnen gebruiken moet maken. Kennen en kunnen Als je klaar bent met dit blok kun je: op de kaart aanwijzen waar de grens van het Romeinse rijk in Nederland lag. uitleggen hoe de Romeinen hun grens bewaakten. voorbeelden noemen van voorwerpen die van de Romeinen in Nederland teruggevonden zijn. uitleggen waarom Nijmegen een geschikte plek was voor een Romeins fort. een voorbeeld geven van de manier waarop steden met hun geschiedenis mensen proberen te trekken. uitleggen waarom gemeenten mensen met evenementen en voorzieningen naar hun stad proberen te trekken. voorbeelden noemen van recreatievoorzieningen in je eigen omgeving. Begrippen: limes Tijdwijzer: Tijd van Grieken en Romeinen Ga naar: kennen en kunnen Na ieder blok staat er een overzicht van alles wat je moet kennen en kunnen voor je toets. 47 c B Mondialisering: een goede zaak? Deze opdracht doe je met z n vieren. Lees op bladzijde 24 van het lesboek de tekst Meningen. Bekijk op bladzijde 24 van het lesboek de bronnen 28 en 29. Je gaat met z n vieren een debat voeren over mondialisering. Maak twee tweetallen: één tweetal verdedigt het standpunt van de globalisten; één tweetal verdedigt het standpunt van de anders-globalisten. In het debat discussiëren jullie over de volgende twee stellingen. 1 Mondialisering is goed voor de economie van alle landen. 2 Mondialisering is slecht voor het milieu wereldwijd. Hier mag je kiezen welke van de keuzeopdrachten je wilt doen. Er zit altijd één opdracht bij die je op de computer doet. En in leerjaar 2 is er per themaschrift ook altijd een keuzemenu Economie. Eindsprint 50 Eindsprint Bekijk het schema in figuur 1. Maak het schema in figuur 1 compleet. 1a Vul de woorden waarvan al een letter is gegeven aan. Middellandse Zeegebied Bereid je als tweetal voor op het debat. Bedenk wat jullie mening is over de twee stellingen. Zet de argumenten voor jullie mening op een rij. Bedenk wat het andere tweetal vindt en welke argumenten zij hebben. Bedenk hoe je kunt aantonen dat het andere tweetal geen gelijk heeft. Bedenk voorbeelden waarmee je jullie argumenten duidelijk kunt maken. Voer het debat. Begin met stelling 1. Laat eerst het ene tweetal aan het woord. Daarna krijgt het andere tweetal het woord. Reageer op elkaars argumenten en voorbeelden. Wie was het meest overtuigend? Doe hetzelfde voor stelling 2. 1b Zet de volgende woorden op de goede plek: islam Middellandse Arabisch stadstaten olijfboom christendom cipres reliëf Latijn bevolkingsspreiding Romeinse romanisering christendom islam Arabische democratie. Dit zijn afsluitende opdrachten aan het eind van het thema. Je vult een schema in en herhaalt zo nog een keer de belangrijkste begrippen. Hierdoor ontdek je of je alles goed kent. 1c d 2a Heeft Nederland een goede ligging voor de handel? Gebruik eventueel de atlas. papier Bekijk op bladzijde 25 van het lesboek bron 30. Zijn hoge arbeidskosten goed of slecht voor je concurrentiekracht? Leg je antwoord uit. Land Nederland Duitsland Frankrijk Verenigd Koninkrijk Polen Zweden Portugal Thema 3 Toerisme Eindsprint 2a 2b 2c 2d 3a Score concurrentiekracht 4a Bekijk op bladzijde 25 van het lesboek bron 32. Is een hoog opleidingsniveau goed of slecht voor de concurrentiekracht van een land? Leg je antwoord uit. 4b Geef de twee landen met het beste onderwijsniveau weer 3 punten, de twee landen met het slechtste opleidingsniveau geef je 1 punt en de landen ertussenin krijgen ieder twee punten. Zet die punten op de juiste plek in figuur 1. Arbeidskosten Arbeidsproductiviteit Opleidingsniveau Totaal Bekijk op bladzijde 28 van het lesboek de Tijdwijzer. Bekijk de tijdbalk in figuur 2. Kleur op de tijdbalk: de tijd van jagers en boeren: geel de tijd van Grieken en Romeinen: rood Schrijf de volgende letters bij de tijdbalk: A 500 v.chr.: bloeitijd van Athene B 1: geboorte van Christus C 100 n.chr: Romeinse rijk op zijn grootst D 500 n.chr: val van het Romeinse rijk Wat kom je nu nog tegen van de oude Grieken? Wat kom je nu nog tegen van de Romeinen? Bekijk de kaart in figuur 3. Zet de naam van het land of eiland achter de letters. A D B E C F G J H K I 3b Zet de naam van de stad, zee of rivier achter de cijfers c Zet de naam van het gebergte achter de letters. a c b d 51 Bij ieder blok vind je op ict-opdrachten, films, animaties en oefentoetsen.

6 6 START Thema 10: Europa 1a 1b 1c 1d opdracht 1 Lees op bladzijde 73 van het lesboek de tekst Lemberg, Lwów, Lviv. Bekijk op de bladzijden 72 en 73 de foto. In welke land ligt Lviv nu? Oekraïne. Gebruik figuur 1. Kleur elke periode in de kleur van het land waar Lviv toen bij hoorde. Vergeet de legenda niet! In hoeveel landen heeft Lviv gelegen tijdens het leven van Adam Schaff? 6 In 2012 is het EK voetbal in Polen en Oekraïne. Vind jij het logisch dat Lviv een van de steden is waar gespeeld wordt? c d 2a 2b opdracht 2 Deze opdracht doe je met z n tweeën. vel A3-papier (of groter), kleurpotloden of stiften, tijdschriften, schaar, lijm Jullie maken samen een tekening of collage over het Europa van nu. Laat iets zien van: mensen die er wonen; landschappen; economie. Gebruik plaatjes uit tijdschriften. Hang jullie collage op in de klas. Ziet iedereen meteen dat het om Europa gaat? Ja / Nee, want Eigen antwoord. 1e 1f Eigen antwoord. Zet de volgende gebeurtenissen op de juiste plaats bij de tijdbalk. Adam overlijdt EK voetbal in Lviv Adam werkt in Polen Adam Schaff geboren Adam uit de communistische partij Kijk goed naar de tijdbalk. Had Adam in meer of minder verschillende landen gewoond als hij zijn hele leven in zijn geboortestad was gebleven? Eén meer, hij heeft nu wel in Frankrijk gewoond, maar niet in Duitsland en Oekraïne. Figuur 1 opdracht 3 Wat weet jij al van Europa? 3a Duitsland verloor de Waar / Niet waar Eerste Wereldoorlog. 3b Nederland was neutraal in de Waar / Niet waar Tweede Wereldoorlog. 3c Alle landen van de Europese Waar / Niet waar Unie hebben de euro. 3d De armste landen van de Waar / Niet waar Europese Unie liggen in Oost-Europa. 3e Het bestuur van de Europese Waar / Niet waar Unie zit in Luxemburg. 3f Iedereen in de Europese Unie Waar / Niet waar moet zich houden aan de Europese wetten. Adam Schaff geboren Adam uit de communistische partij EK voetbal in Lviv Adam werkt in Polen Adam Schaff overlijdt Oostenrijk-Hongarije Rusland Polen Sovjet-Unie Duitsland Oekraïne

7 Thema 10 Europa Start 7 opdracht 4 Wat weet je al van de landen en hoofdsteden in Europa? 4a Schrijf in figuur 2 tien Europese landen. 4b Schrijf achter elk land de hoofdstad. Figuur 2 Land in Europa Hoofdstad Eigen antwoorden. opdracht 5 Blader het thema door. 5a Schrijf de titels van de blokken in figuur 3. 5b Zet in figuur 3 de volgende vragen bij het goede blok. Welke gevolgen had de Tweede Wereldoorlog voor Europa? Hoe werken Europese landen samen na de Tweede Wereldoorlog? Wat betekent Europa voor mij? Welke gevolgen had de Eerste Wereldoorlog voor Europa? 5c Zet de volgende onderwerpen bij de goede blokken. open grenzen Belgische vluchtelingen euro identiteit bestuur EU Jodenvervolging Tweede Wereldoorlog economische crisis 1929 Koude Oorlog reizen Figuur 3 Blok Titel Vraag Onderwerpen 1 Eerste Wereldoorlog en crisis Welke gevolgen had de Eerste Wereldoorlog voor Europa? Belgische vluchtelingen, economische crisis Tweede Wereldoorlog Welke gevolgen had de Tweede Wereldoorlog voor Europa? Jodenvervolging, Tweede Wereldoorlog 3 Nooit meer oorlog Hoe werken Europese landen samen na de Tweede Wereldoorlog? Open grenzen, euro, bestuur EU, Koude Oorlog 4 Jij en Europa Wat betekent Europa voor mij? Identiteit, reizen

8 8 Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis Tussen 1914 en 1918 was er een grote oorlog in Europa en ook daarbuiten: de Eerste Wereldoorlog. Het was een vernietigende oorlog waarin moderne wapens werden gebruikt, zoals tanks, vliegtuigen en gifgas. Na de oorlog waren de mensen blij dat het vrede was. Maar de spanningen in Europa liepen vanaf 1930 weer op. Deelvraag van dit blok: Welke gevolgen had de Eerste Wereldoorlog voor Europa? Als wij na de overwinning op Frankrijk in naar de wereldkaart keken, dan zagen wij dat wij als machtigste land van Europa geen koloniën hadden. Zelfs Hollanders, Denen en Noren keken daardoor op ons neer. Als reactie voelden wij onze nationale trots oplaaien. In Engeland zag ik de winstgevende handel tussen het moederland en de koloniën. Ik stelde vast welk groot verlies Duitsland leed omdat het zijn koffie, thee, rijst, tabak en kruiden van vreemde volken moest kopen. Figuur 1 Een Duitse politicus omstreeks opdracht 3 1a 1b opdracht 1 Lees op bladzijde 74 van het lesboek de tekst Trots op je land. Hoe heet het gevoel van trots op je land? Nationalisme. Welke gevolgen had die trots voor: de manier waarop mensen tegen oorlog aan keken? Mensen zagen oorlog als iets goeds, een manier om te laten zien dat hun land het beste was. het leger? Landen gaven veel geld uit aan wapens en het leger. 3a 3b 3c 3d Lees de tekst in figuur 1. Onderstreep het zinsdeel dat het best de kern van de bron weergeeft. Welk land was voor deze Duitse politicus een groot voorbeeld? Engeland. Leg uit waarom. Engeland verdiende veel aan de handel met de koloniën. Tussen 1870 en 1914 probeerden Europese landen zo veel mogelijk koloniën te krijgen. Weet je nog hoe dit streven heet? Als je het niet meer weet, kijk dan in blok 2 van thema 7. Modern imperialisme. opdracht 4 verdieping 2a opdracht 2 Bekijk op bladzijde 74 van het lesboek bron 1. Welke drie grote landen waren er in 1871 in Centraal-Europa? 4a Gebruik de gegevens in figuur 2. Vergelijk de bevolkingsgroei van Duitsland, Engeland en Frankrijk. Welke bevolking is het hardst gegroeid? 2b Welk van die landen was nieuw in 1871? 2c Duitse rijk, Oostenrijk-Hongarije, Turkse rijk. Het Duitse rijk. Leg uit dat er spanningen in Europa kwamen door het ontstaan van dat nieuwe grote land. Duitsland was machtig en had een sterke industrie, maar had geen koloniën. Dat wilde het land wel. 4b Welk gegeven uit een andere kolom heeft te maken met die bevolkingsgroei? 4c De Duitse bevolking. Het aantal soldaten. De Franse regering was bang voor het verschil in bevolkingsgroei. Leg uit dat dit terecht was. Een land met een grote bevolking kan ook meer soldaten op de been brengen.

9 Thema 10 Europa Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis 9 Land Bevolking Bevolking Oppervlakte Industriële Aantal soldaten in 1881 in 1910 van koloniën productie bij algehele x x x km 2 in 1913 mobilisatie in % in 1914 Engeland Frankrijk Duitsland VS Japan Rusland Oostenrijk-Hongarije Figuur 2 4d In de achttiende eeuw was Engeland het machtigste land ter wereld door de snelle industrialisatie. Hoe is de situatie aan het begin van de twintigste eeuw? Bondgenootschap Geallieerden Landen Rusland, Engeland en Frankrijk Engeland is ingehaald door de VS en 4e Duitsland. Vanaf 1917 vochten de Verenigde Staten mee aan de kant van de Geallieerden. Leg met figuur 2 uit dat de VS een machtige bondgenoot was. Centralen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Turkse Rijk De VS had een sterke industrie en een grote Figuur 3 5a 5b 5c 5d bevolking, het land kon veel soldaten leveren. opdracht 5 Lees op bladzijde 74 van het lesboek de tekst Bevriende landen. Bekijk op bladzijde 142 van het lesboek de Tijdwijzer. Wat is een bondgenootschap? Afspraak tussen landen om elkaar te helpen als het oorlog wordt. Schrijf de namen van de bondgenootschappen uit de Eerste Wereldoorlog en de landen die bij die bondgenootschappen hoorden in figuur 3. Leg uit dat het sluiten van bondgenootschappen ertoe kon leiden dat een klein conflict uitliep op een wereldoorlog. Als één land werd aangevallen, dan waren haar bondgenoten ook in oorlog met de aanvaller. Bedenk waarom landen in Afrika en Azië meededen aan een oorlog tussen Europese landen. Het waren koloniën van Europese landen. Als het moederland in oorlog was, was de kolonie dat ook. 6a opdracht 6 Lees op bladzijde 75 van het lesboek de tekst Oorlog. Lees op bladzijde 145 en 146 van het lesboek vaardigheid 3 Verklaren. Wat is een aanleiding? gebeurtenis. 6b Waarom noemen we de moord op de Servische kroonprins de aanleiding van de Eerste Wereldoorlog? 6c De meest directe oorzaak voor een De moord op de Servische kroonprins was niet heel belangrijk, maar omdat er al zoveel spanningen waren tussen Europese landen, leidde de moord direct tot de oorlog. Noem ten minste twee indirecte oorzaken voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog Nationalisme. Duitsland is machtig en wil koloniën. Landen hebben bondgenootschappen.

10 10 7a 7b 7c 8a opdracht 7 Lees nogmaals op bladzijde 75 van het lesboek de tekst Oorlog. Bekijk op bladzijde 75 van het lesboek bron 2. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waren de meeste mensen erg enthousiast over de oorlog. Leg uit waarom. Ze hadden het idee dat de oorlog niet lang zou duren, zij waren immers de beste. Beschrijf wat er waarschijnlijk gebeurde, vlak nadat deze foto is genomen. De soldaten komen uit hun loopgraaf en worden neergeschoten door de tegenstander die zich verderop heeft verschuild in een loopgraaf. Leg uit waarom het enthousiasme over de oorlog verdween. De oorlog was niet snel afgelopen, er vielen veel doden en er werd nauwelijks gebied veroverd. opdracht 8 Lees op bladzijde 75 van het lesboek de tekst Hier en toen: Belgische vluchtelingen in Nederland. Bekijk op bladzijde 75 van het lesboek bron 3. Wat betekent het dat Nederland neutraal was tijdens de Eerste Wereldoorlog? Nederland deed niet mee aan de oorlog en er 9c Wat doe je nu als je geen werk hebt? 9d Leg uit wat deze foto te maken heeft met de economische crisis van e Naar het UWV, in de krant of op internet naar banen zoeken. Er waren veel mensen werkloos door de economische crisis. Op de foto zie je een werkloze die op zoek is naar werk. Waardoor kwam de crisis in Duitsland extra hard aan? Duitsland was gestraft voor de Eerste Wereldoorlog en had enorme herstelbetalingen moeten betalen. Wist je dat? De Nederlandse overheid tijdens de crisis van de jaren 30 werklozen verplichtte te werken aan speciale werkverschaffingsprojecten? Er werden kanalen gegraven, parken, wegen en dijken aangelegd. Voorbeelden zijn: het Amsterdamse Bos, het Kralingse Bos (Rotterdam), het Zuiderpark (Den Haag), de Afsluitdijk, het Gelderse Valleikanaal en het Twentekanaal. werd niet gevochten op Nederlands grondgebied. 8b Met welk gevolg van de oorlog kreeg Nederland te maken? Er kwamen veel Belgische vluchtelingen naar % stemmen op nazi-partij 8c Nederland. Hoe werden de vluchtelingen opgevangen? Eerst bij mensen thuis, later in kampen a opdracht 9 Lees op bladzijde 76 van het lesboek de tekst Crisis en ontevredenheid. Bekijk op bladzijde 76 van het lesboek bron 4. Op wat voor plek staat deze man? Hij staat op straat. 9b Wat staat er op het bord dat hij in zijn hand houdt? Wie helpt mij aan werk, onverschillig wat Figuur 4 Aantal zetels van de nazi-partij in het Duitse parlement. Ik ben bekend met banket bakken en een beschaafd en goed verkoper.

11 Thema 10 Europa Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis 11 opdracht 10 Lees op bladzijde 76 van het lesboek bron 5. 10a Welke twee dingen beloofde Hitler de Duitse kiezers? 1 Einde aan de werkloosheid en honger 2 Einde aan Vrede van Versailles 10b Waren veel mensen het eens met Hitler volgens deze bron? Ja, volgens deze bron waren zelfs alle mensen het met Hitler eens. opdracht 11 11a Maak de staafdiagram van figuur 4 af met de volgende gegevens: 1930: 18% van de stemmen op de nazi-partij 1932: 37% van de stemmen op de nazi-partij 1933: 44% van de stemmen op de nazi-partij 11b Zet in de grafiek van figuur 5 een pijltje bij het punt waarop Duitsland het grootste aantal werklozen had. 11c In welk jaar was dat? Begin d Welk verband zie je tussen de werkloosheid in Duitsland en het percentage stemmen op de nazi-partij? Hoge werkloosheid gaat samen met veel zetels voor de nazi-partij. opdracht 12 Lees op bladzijde 76 van het lesboek de tekst Opkomst van de nazi s. 12a Omcirkel de woorden die horen bij de nazi s. vrijheid racisme veel partijen democratie terreur eenpartijstaat gelijkheid 12b Kies twee woorden uit die je hebt omcirkeld. Leg van die woorden uit waarom ze bij de nazi s horen. Racisme: de nazi s behandelden bijvoorbeeld de joden slecht. Terreur: wie het niet met de nazi s eens was, werd gevangen gezet.eenpartijstaat: alle andere partijen werden door de nazi s verboden. opdracht 13 Bekijk op bladzijde 77 van het lesboek bron 6. 13a Beschrijf hoe de mensen zich op de foto voelen. Ze zien er heel enthousiast en gelukkig uit. 13b Leg uit waarom Hitler dit soort massabijeenkomsten hield. Deze bijeenkomsten maakten grote indruk. Als mensen in een menigte enthousiast gemaakt worden, dan is dat een heel sterk gevoel en voelen zij zich onderling sterk verbonden. opdracht 14 x miljoen Bron: Deutsches Historisches Museum Figuur 5 Aantal werklozen in Duitsland. 14a Wat hield de rassenleer van de nazi s in? De nazi s zeiden dat het Duitse ras beter was dan andere rassen. Het joodse ras vonden zij minderwaardig. 14b Leg uit waarom de rassenleer van de nazi s een gevaarlijke leer is die nu in Nederland verboden is. Je mag geen mensen uitsluiten of vervolgen omdat zij bij een bepaalde groep horen. Kenmerken die aan een groep worden toegeschreven zijn stereotypen en kloppen niet met de werkelijkheid. 14c Antisemitisme in Europa was helaas niet nieuw. Waar ben je eerder tegengekomen dat de Joden de schuld kregen van tegenspoed? De joden werden in de Middeleeuwen beschuldigd van het uitbreken van de pest.

12 12 14d Leg uit waarom juist in tijden van tegenspoed racisme een kans krijgt. In tijden van tegenspoed hebben mensen de behoefte om hun angsten af te reageren en de oorzaak buiten henzelf te zoeken. 14e Zie jij in deze tijd ook gevaar voor racisme? Leg je antwoord uit. Eigen antwoord. opdracht 15 Lees op bladzijde 151 van het lesboek vaardigheid 7g Werken met afbeeldingen. Bekijk op bladzijde 77 van het lesboek bron 7. c Deze opdracht doe je met z n tweeën. 15a Volg het stappenplan Werken met afbeeldingen. Schrijf je antwoorden op de vragen uit het stappenplan in de tabel van figuur 6. 15b Wat is de bedoeling van de maker van de afbeelding? De mensen te laten zien dat Hitler een groot leider is en dat hij Duitsland sterk kan maken. 15c Kritiek op Hitler was in nazi-duitsland verboden. De mensen kregen wel veel van dit soort afbeeldingen te zien. Bedenk wat daar het gevolg van was. opdracht 16 Lees op bladzijde 77 van het lesboek de tekst Hitler aan de macht. 16a Leg uit dat de NSDAP een ondemocratische partij was. c Toen de nazi s aan de macht waren, verboden zij andere politieke partijen. Wie het niet met Hitler eens was, werd gevangengenomen. Bespreek de volgende vraag met z n tweeën. 16b De ondemocratische NSDAP kwam via democratische verkiezingen aan de macht. Wat vind jij: mag een ondemocratische partij deelnemen aan democratische verkiezingen? Leg je antwoord uit met argumenten. Eigen antwoord, zie voorbeeld op pagina c Leg in je eigen woorden uit wat een dictatuur is. Een land waar het parlement niets meer te zeggen heeft. Eén persoon heeft alle macht. 16d Ken jij een land waar nu een dictatuur is? Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Syrië, Iran, Wit-Rusland. De mensen gingen geloven dat Hitler geweldig was. FiguuR 6 Ruimte Midden op de afbeelding Licht/donker Groot/klein Karakter personen Stap 1 Beschrijven Buiten. Hitler. Licht valt op Hitler. Hitler en vlag zijn groot afgebeeld. Hitler ziet er streng, vastberaden uit. Stap 2 Verklaren Komt groots over. Hitler is belangrijk. Hitlers als bijzonder weergeven. Hitler is belangrijk, de menigte niet. Hitler is een sterk leider. Handelingen van de personen Hitler (met vlag) gaat de menigte voor. Hitler leidt het volk. Voorwerpen / dieren Tekst Vlag, vogel in de lucht. Es lebe Deutschland Vlag is symbool van de nazi-partij en de grootheid van Duitsland. Vogel is een adelaar, deze staat symbool voor een sterk Duitsland. Hitler maakt een trots Duitsland

13 Thema 10 Europa Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis maart 1933 De nationale wetten die door de Rijksregering worden uitgevaardigd, mogen afwijken van de grondwet. 14 juli 1933 De Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiderspartij (de nazi-partij) is de enige politieke partij in Duitsland. Neurenbergwetten 1935 Huwelijken tussen Joden en burgers van Duits bloed zijn verboden. Het is de Joden niet toegelaten vrouwelijke burgers van Duits bloed in dienst te hebben. d opdracht 19 op een rij Bekijk op bladzijde 74 van het lesboek de tijdbalk. Bekijk op bladzijde 142 van het lesboek de Tijdwijzer. A3-papier Teken op het midden van het papier een tijdbalk die begint in 1900 en eindigt in Zet zo veel mogelijk gebeurtenissen uit de periode op de tijdbalk. Maak over de belangrijkste gebeurtenissen tekstblokjes boven of onder de tijdbalk. Zoek bij die tekstblokjes afbeeldingen. Laat je tijdbalk zien aan de docent. opdracht 20 deelvraag d Bb Figuur 7 opdracht 17 Lees de tekst in figuur 7. kleurpotloden Onderstreep de wet die: over antisemitisme gaat blauw; het eind van de democratie betekende groen; het eind van de rechtsstaat betekende rood. opdracht 18 ga naar en maak de opdracht Loopgravenoorlog. Lees op bladzijde 145 van het lesboek vaardigheid 3 Verklaren. Gebruik figuur 8. d A3-papier De deelvraag van dit blok is: Welke gevolgen had de Eerste Wereldoorlog voor Europa? 20a Kopieer de kaartjes van figuur 8 en knip ze uit. Leg ze zo neer dat ze samen een logisch verhaal vertellen over de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor Europa. 20b Omcirkel een gevolg op de korte termijn van de Eerste Wereldoorlog met rood. 20c Omcirkel een gevolg op de lange termijn van de Eerste Wereldoorlog met blauw. Figuur 8 Hitler belooft van Duitsland een sterk land te maken. Verdrag van Versailles. Veel Duitsers voelen zich vernederd. Hitler komt aan de macht. Duitsland moet alle oorlogsschade betalen. Duitsland mag geen leger hebben. Duitsers willen een sterke leider. Economische crisis 1929 komt extra hard aan in Duitsland. Duitsland verliest de oorlog. Er ontstaan opnieuw spanningen in Europa. Hitler belooft werkloosheid aan te pakken. Hitler houdt zich niet aan het Verdrag van Versailles.

14 14 Figuur 9 opdracht 21 Deze opdracht gaat over het Europa van nu. a Gebruik de atlas. Gebruik figuur 9. 21a Zet achter de letters de naam van het juiste land. a b c d e f g h i j k l IJsland Noorwegen Denemarken Zweden Finland Verenigd Koninkrijk Ierland Nederland België Luxemburg Duitsland Frankrijk m Spanje n Portugal o Zwitserland p Italië q Polen r Tsjechië s Oostenrijk t Slowakije u Hongarije v Slovenië w Kroatië x Bosnië en Herzegovina y Servië z Montenegro A Albanië B Macedonië

15 Thema 10 Europa Blok 1 Eerste Wereldoorlog en crisis 15 C Griekenland D Bulgarije E Roemenië F Moldavië G Oekraïne H Rusland I Wit-Rusland J Litouwen K Letland L Estland 21b Zet achter de nummers de naam van de juiste stad. 1 Oslo 2 Stockholm 3 Kopenhagen 4 Helsinki 5 Riga 6 Minsk 7 Moskou 8 Kiev 9 Istanbul 10 Sofia 11 Boekarest 12 Athene 13 Belgrado 14 Sarajevo 15 Zagreb 16 Boedapest 17 Warschau 18 Wenen 19 Praag 20 Berlijn 21 Bonn 22 Bern 23 Genève 24 Rome 25 Parijs 26 Straatsburg 27 Madrid 28 Lissabon 29 Londen 30 Dublin 31 Brussel Kennen en kunnen Als je klaar bent met dit blok kun je: verklaren waarom nationalisme een oorzaak was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. verklaren waarom koloniën een oorzaak waren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. verklaren waarom bondgenootschappen een oorzaak waren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. beschrijven wat voor soort oorlog de Eerste Wereldoorlog was. beschrijven hoe de Eerste Wereldoorlog eindigde. beschrijven hoe Nederland te maken kreeg met de Eerste Wereldoorlog. verklaren welke gevolgen de economische crisis van 1929 had voor Duitsland. verklaren waardoor Hitler aan de macht kon komen. beschrijven welke ideeën Hitler had. beschrijven wat er in Duitsland veranderde nadat Hitler aan de macht was gekomen. Eigen onderwerp. Eigen onderwerp. Begrippen antisemitisme bondgenootschap dictatuur loopgraven nationalisme nazi rassenleer Vaardigheden 3 Verklaren 7g Werken met afbeeldingen Tijdwijzer Tijd van wereldoorlogen ( ) Ga naar:

16 16 Menukaart 1 Keuzeopdracht Samen of alleen Wat heb je nodig? A Persoonlijke verhalen Eerste Wereldoorlog Maak een boekje met persoonlijke verhalen van mensen die betrokken waren bij de Eerste Wereldoorlog. Met z n vieren Computer, papier B Den Haag: stad van de vrede In Den Haag zijn verschillende internationale organisaties voor vrede. Waarom zijn die in Den Haag? Voer een discussie over manieren om oorlogen te voorkomen. Met z n vieren Papier C Afsluitdijk Het is 1932 en je bent journalist. Je bent aanwezig bij de opening van de Afsluitdijk. Maak een radio-item of schrijf een artikel over deze belangrijke gebeurtenis. Alleen of met z n tweeën Papier A Persoonlijke verhalen Eerste Wereldoorlog c Bb Deze opdracht doe je met z n vieren. ga naar en maak de opdracht Persoonlijke verhalen Eerste Wereldoorlog. B Den Haag: stad van de vrede opdracht 1 opdracht 2 1a 1b Lees op bladzijde 78 van het lesboek de tekst Vredesbeweging. Bekijk op bladzijde 78 van het lesboek bron 8. Leg uit waarom juist in de negentiende eeuw de vredesbeweging veel aanhangers kreeg. Wapens werden steeds vernietigender, gevolgen oorlog steeds groter. Mensen waren beter op de hoogte van het wereldnieuws door kranten. Rond 1900 was het nationalisme in de Europese landen sterk. Waren nationalisten aanhangers van de vredesbeweging, of juist niet? Leg je antwoord uit. c 2a 2b Lees de tekst in figuur 1. Bespreek de volgende vragen met z n tweeën. Het Internationaal Strafhof heeft een arrestatiebevel opgesteld tegen de Libische dictator Kadaffi. Waarom doet het Strafhof in Libië dat niet? In Libië is Kadaffi de baas. Er is geen democratie in Libië, dus het Libische Strafhof zal niet tegen de Kadaffi in kunnen gaan. Waarvan wordt Kadaffi beschuldigd? Misdaden tegen de menselijkheid. 1c Niet, nationalisten wilden laten zien dat hun land het sterkst was. Met een oorlog kun je dit laten zien. Over welke drie zaken maakten landen afspraken op de eerste vredesconferentie? beperken van wapens regels waaraan landen in oorlog zich houden oplossen conflicten door internationaal hof 2c Bedenk welke gevolgen het arrestatiebevel zal hebben voor Kadaffi. Hij kan niet meer naar het buitenland, want dan zal hij opgepakt worden. Er zullen nog maar weinig landen zijn die met hem willen samenwerken.

17 Thema 10 Europa Menukaart 1 Eerste Wereldoorlog en crisis 17 INTERNATIONAAL ARRESTATIEBEVEL TEGEN KADDAFI AMSTERDAM Het Internationaal Strafhof (ICC) vaardigt een arrestatiebevel uit tegen de Libische leider Muammar Kaddafi. Het Strafhof spreekt van systematische en wijdverspreide aanvallen van het Libische regime om betogers en dissidenten* het zwijgen op te leggen en ziet voldoende redenen om aan te nemen dat kolonel Kaddafi (69) zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid**. * mensen met een andere mening dan de regering. ** vervolging van een bevolkingsgroep met als doel die groep uit te moorden. Bron: Figuur 1 3a 3b Schrijf zo veel mogelijk argumenten voor en tegen op. Eigen antwoord, zie uitgebreide voorbeelden op de volgende bladzijde. Beslis daarna of je het eens of oneens bent met de stelling. Eigen antwoord. c opdracht 3 Deze opdracht doe je met z n vieren. Discussieer met elkaar over de volgende stellingen en vragen. 1 Leiders die tijdens een oorlog erge misdaden hebben begaan, kunnen het best berecht worden in hun eigen land. 2 Legers kunnen het best afgeschaft worden. 3c Hoe kun je oorlog voorkomen? Bedenk zo veel mogelijk manieren. Eigen antw. Bijv.: Ruzie tussen landen laten oplossen door een internationale rechtbank. Armoede bestrijden. Ervoor zorgen dat grondstoffen en land eerlijk verdeeld worden tussen bevolkingsgroepen en landen. C Afsluitdijk c Lees op bladzijde 79 van het lesboek de tekst Het Plan. Bekijk op bladzijde 79 van het lesboek de bronnen 9 en 10. In 1920 werd begonnen met de aanleg van de Afsluitdijk. In 1932 was de dijk klaar. Onderzoek waarom de Afsluitdijk werd gebouwd en welke gevolgen de dijk had. Kies welke opdracht je wilt doen: A Radiojournaal B Krantenartikel A Radiojournaal Deze opdracht doe je met z n tweeën. Maak een item voor het radiojournaal op de dag van de opening. Zorg ervoor dat je item antwoord geeft op de volgende vragen: Waarom is de Afsluitdijk aangelegd? Welke gevolgen heeft de aanleg van de Afsluitdijk? Neem in je item ten minste twee interviews op. Bijvoorbeeld met ingenieur Lely, die de Afsluitdijk heeft ontworpen, de minister van Infrastructuur en Milieu, een visser uit een van de dorpen langs het IJsselmeer of een andere bewoner van dat dorp. B Bb Speel het item voor de klas, of neem het op en laat het aan de klas horen. krantenartikel Het is 1932, je bent journalist en schrijft een artikel over de opening van de Afsluitdijk. Zorg ervoor dat je artikel antwoord geeft op de volgende vragen: Waarom is de Afsluitdijk aangelegd? Welke gevolgen heeft de aanleg van de Afsluitdijk? Neem in je artikel uitspraken op van ten minste twee mensen die je hebt geïnterviewd. Bijvoorbeeld ingenieur Lely, die de Afsluitdijk heeft ontworpen, de minister van Infrastructuur en Milieu, een visser uit een van de dorpen langs het IJsselmeer of een andere bewoner van dat dorp. Kies een goede foto bij je artikel. Tip: zoek via Google afbeeldingen. Laat je artikel aan je docent zien. ga naar voor filmpjes over de Afsluitdijk en een bekend lied over de Zuiderzee.

18 18 Antwoord op opdracht 16b, pagina 12 Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Nee, partijen die de democratische beginselen niet onderstrepen mogen niet deelnemen aan verkiezingen. Zij vormen een bedreiging voor de democratie. Als zij aan de macht komen, zullen ze de democratie afschaffen en hebben minderheden geen stem meer. Respect voor minderheden is ook een van de uitgangspunten van de democratie. Ja, je kunt de stem van de meerderheid van het volk niet uitschakelen, dat is ook ondemocratisch. Antwoord op opdracht 3a, Menukaart 1, pagina 17 Stelling 1 Voor: Dan kunnen slachtoffers bij het proces aanwezig zijn: de betrokkenheid in het land is dan groter. Het is goed voor de toekomst van het land als het lukt om de daders een eerlijk proces te geven. Iedereen weet dan dat ook daders hun straf krijgen na een eerlijk proces. Tegen: Het is moeilijk om de daders een eerlijk proces te geven. Het Internationaal Strafhof is onafhankelijk. Stelling 2 Voor: Als er geen legers zijn dan wordt er ook geen oorlog gevoerd. Het scheelt heel veel geld als er geen legers zijn. Dat geld kan voor andere belangrijke dingen gebruikt worden, zoals onderwijs of gezondheidszorg. Tegen: Dan kan het land zich niet verdedigen als het aangevallen wordt. Het kan alleen als alle landen hetzelfde doen en dat zal niet gebeuren. Er zullen altijd mensen de macht proberen te grijpen die slechte bedoelingen hebben, zoals Hitler. Zulke mensen moet je bestrijden.

19 Thema 10 Europa Blok 1 Aantekeningen 19

20 20 Blok 2 Tweede Wereldoorlog Ruim twintig jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog brak er opnieuw een oorlog uit: de Tweede Wereldoorlog. Het werd een verschrikkelijke oorlog met erg veel slachtoffers en schade. Nederland bleef niet neutraal in deze oorlog en leed ook grote verliezen. In 1945 was het eindelijk vrede. Nog elk jaar vieren we op 5 mei dat Nederland bevrijd werd en dat we nu vrij zijn. 2b 2c Later is er veel kritiek op dit verdrag geweest. Leg uit waarom. Hitler was niet van plan te stoppen met zijn veroveringen. Het was voor hem alleen maar gunstig dat Frankrijk en Engeland niet hard tegen hem optraden. In 1940 verklaarden Engeland en Frankrijk wel de oorlog aan Duitsland. Welk van die landen was in 1942 nog vrij? Engeland. Deelvraag van dit blok: Welke gevolgen had de Tweede Wereldoorlog voor Europa? 2d Hitler had een heel sterk leger. Bedenk waarom het hem toch niet lukte dat land te veroveren. Engeland was een eiland. Het was lastig om dat te veroveren met een landleger. opdracht 1 2e Hitler viel ook de Sovjetunie aan. Leg uit waarom hij daar snelle overwinningen boekte. d c 1a 1b groot vel papier (A3) Deze opdracht doe je met z n vieren. Je weet vast al het een en ander van de Tweede Wereldoorlog. Dat ga je nu in kaart brengen. Teken in het midden van het papier een cirkel en zet daarin: Tweede Wereldoorlog. Schrijf nu om de beurt een woord op waaraan jij denkt bij de Tweede Wereldoorlog. Schrijf alle vier nog een keer om de beurt drie woorden op die bij de Tweede Wereldoorlog horen. Maak groepjes van woorden die bij elkaar horen. Trek daar een gekleurde lijn omheen. Over welk onderwerp dat te maken heeft met de Tweede Wereldoorlog zou je meer willen weten? Eigen antwoord. 3a 3b Hitler en Stalin hadden een verdrag gesloten dat zij elkaar niet zouden aanvallen. Het leger van de Sovjetunie was daardoor niet voorbereid op een aanval van Duitsland. opdracht 3 Bekijk op bladzijde 80 van het lesboek bron 11. Hoe gingen de Amerikaanse soldaten aan land op D-Day? Vanaf een schip moesten ze door de zee waden naar de kust. Tijdens D-Day landden er ook parachutisten meer landinwaarts. Bedenk waarom dit nodig was. opdracht 2 De troepen die via de zee landden waren erg 2a Lees op bladzijde 80 van het lesboek de tekst Duitsland wint snel. Toen Hitler delen van Tsjechoslowakije bezette, sloten Engeland en Frankrijk een verdrag met Hitler. Daarin stond dat Hitler die gebieden mocht houden, maar dat hij geen nieuwe gebieden zou veroveren. Waarom denk je dat de Engelsen en Fransen dit verdrag sloten? 3c kwetsbaar. Via de lucht konden soldaten meer landinwaarts landen en de Duitsers aanvallen. Waarom was D-Day belangrijk? D-day zorgde ervoor dat Hitler zijn troepen over het oost- en westfront moest verdelen. Hij kon niet langer standhouden en verloor van de De Fransen en Engelsen wilden na de Eerste geallieerden. Wereldoorlog geen nieuwe oorlog.

21 Thema 10 Europa Blok 2 Tweede Wereldoorlog 21 Stalingrad Normandië Duits gebied en bondgenoten geallieerden neutrale landen Figuur 1 opdracht 6 5a 5b opdracht 4 Bekijk op bladzijde 142 van het lesboek de Tijdwijzer. Gebruik figuur 1. Kleur de situatie in Europa in 1942 in de kaart van figuur 1. Kleur ook de legenda. opdracht 5 Lees op bladzijde 80 van het lesboek de tekst Duitsland verliest. Gebruik opnieuw figuur 1. Teken met pijlen de routes van de geallieerde legers in De geallieerden waren vanuit Groot- Brittannië in Normandië geland en rukten van daaruit naar het noordoosten op. Vanuit Noord-Afrika vielen de geallieerden Italië binnen en trokken naar het noorden. De Russen vielen Duitsland vanuit het oosten aan. Leg uit dat Hitler in 1945 moest opgeven. Duitsland werd van drie kanten aangevallen. Hitler moest zijn troepen verdelen over het westfront en oostfront en kon de geallieerden niet tegenhouden. 6a Lees nog een keer op bladzijde 80 van het lesboek de tekst Duitsland verliest. De slag om Stalingrad wordt wel een keerpunt genoemd in de Tweede Wereldoorlog. Leg dit uit. 6b Japan viel een Amerikaanse marinebasis aan in de Grote Oceaan. Welk gevolg had dat voor de Tweede Wereldoorlog? d c De Duitsers verloren de slag. Na die slag rukte het Russische leger op naar Duitsland. De VS gingen deelnemen aan de oorlog. Duitsland kreeg het hierdoor zwaarder. opdracht 7 Lees op bladzijde 81 van het lesboek de tekst Daar en toen: Tweede Wereldoorlog in Azië. Bekijk op bladzijde 81 van het lesboek bron 12. A3-papier, lijm Deze opdracht doe je met z n tweeën. Kopieer de kaartjes uit figuur 2 op de volgende bladzijde. Leg de kaartjes zo neer op het vel papier dat ze samen het verhaal vertellen van de Tweede Wereldoorlog in Oost-Azië. Geef met pijlen tussen de kaartjes aan wat het verband is tussen de gebeurtenissen. Schrijf eventueel tekst bij de pijlen om het verband duidelijk te maken.

22 22 Japan bezit weinig grondstoffen. Europese landen kunnen hun koloniën niet goed verdedigen. Engeland, Frankrijk en Nederland hebben koloniën in Oost-Azië. Japan valt de VS aan in de Grote Oceaan. Nederlandse burgers worden opgesloten in kampen. Nederlandse en Indische militairen worden opgesloten in kampen. Er wordt zwaar gestreden tussen Japan en de VS in Oost-Azië. Japan industrialiseert in de negentiende eeuw. Indische mannen en krijgsgevangenen moeten dwangarbeid doen. Japan verovert vóór 1940 een aantal buurlanden. Japan is een bondgenoot van Duitsland. De VS verklaren de oorlog aan Japan. Japan geeft zich over. Japan verovert in 1942 een groot deel van Oost-Azië. De VS gooien atoombommen op Japan. Duitsland verovert in 1940 een groot deel van Europa. Nederlands-Indië heeft veel olie. Honderdduizenden Japanners komen om. Herinneringen aan het kamp Cor Snoek zat tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn moeder en zus in een Japans kamp. Hij vertelt: Mijn moeder werd kepala. Dat betekent dat je hoofd bent van de barak (slaapgebouw). In het Japanse systeem ben je als hoofd overal verantwoordelijk voor, ook als je het niet kunt voorkomen. Als er iets gebeurde wat de Japanners tegen de borst stuitte, werd mijn moeder gestraft. Iedereen, ook ik, moest toekijken hoe mijn moeder met een stoel in elkaar werd geslagen. Terwijl ze zelf nooit iemand sloeg. Mijn moeder werkte veertien uur per dag. Mijn zus, die twee jaar ouder was, moest zich over mij ontfermen. De Japanner vond dat je vanaf je zesde jaar al volop kon werken. Ik moest met andere kinderen het onkruid verwijderen op de plek waar we ons elke dag moesten opstellen en mijn zus moest de wegen onderhouden. Overal was tekort aan eten en drinken. In totaal zijn van de Nederlands-Indiërs er overleden, waarvan een groot deel kinderen. Figuur 2 opdracht 8 Lees de tekst in figuur 3. 8a Onderstreep met rood de zinnen die gaan over het werk dat de gevangenen moesten doen. 8b Onderstreep met blauw de zinnen die gaan over de behandeling van de gevangenen. 8c Onderstreep met groen de zinnen die gaan over de leefomstandigheden van de gevangenen. 8d Schrijf in je eigen woorden op hoe het leven van de gevangenen was in de kampen. Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: het leven in de kampen was zwaar. De gevangenen moesten hard werken, werden gestraft en kregen weinig te eten en te drinken. Bron: Figuur 3

23 Thema 10 Europa Blok 2 Tweede Wereldoorlog 23 opdracht 9 Lees op bladzijde 81 van het lesboek de tekst Aanval op Nederland. 9a Geef van de volgende uitspraken aan of ze waar of niet waar zijn. 1 De Duitsers hadden in 1940 totaal geen moeite om Nederland te veroveren. Waar / Niet waar 2 Er werd hevig gevochten bij de Grebbelinie. Waar / Niet waar 3 Het Duitse leger was te sterk voor het Nederlandse leger. Waar / Niet waar 4 De Nederlandse regering had verwacht neutraal te kunnen blijven en was daardoor niet voorbereid op een oorlog. Waar / Niet waar 5 De Nederlandse luchtmacht was sterker dan de Duitsers dachten. Waar / Niet waar 9b Zet de volgende gebeurtenissen in de goede volgorde. 1 Duitse aanval over land. 2 Landing Duitse parachutisten rond Den Haag. 3 Gevechten bij de Grebbelinie. 4 Vlucht Nederlandse regering naar Engeland. 5 Mobilisatie van het Nederlandse leger. 6 Duitsers doorbreken Grebbelinie. 7 Bombardement van Rotterdam. 8 Nederland geeft zich over opdracht 10 Bekijk op bladzijde 82 van het lesboek bron a Wat ligt er op de kar die de mannen trekken? Huisraad. 10b Bedenk waar de mannen en de vrouw heen gaan. Bijvoorbeeld: naar familie, naar een ruimte waar vluchtelingen worden opgevangen. 10c Bommenwerpers zijn voor het eerst in 1914 gebruikt. In de Tweede Wereldoorlog werden ze massaal gebruikt. Leg uit welke gevolgen het gebruik van bommenwerpers had. De verwoestingen door de oorlog werden nog groter. Steden werden door bommen verwoest en burgers kwamen om. opdracht 11 Lees op bladzijde 82 van het lesboek de tekst Jodenvervolging. 11a Bijna iedereen die de Ariërverklaring kreeg, vulde hem in. Waarschijnlijk dachten de meeste mensen niet na over de gevolgen van de verklaring. Wat was een gevolg van de verklaring? 11b Noem drie andere anti-joodse maatregelen die de Duitsers namen. 11c De Duitsers wisten wie Joods was, ze ontsloegen hierna Joden die ambtenaar/onderwijzer waren. Joodse ambtenaren/onderwijzers werden ontslagen. Joden mochten niet met het openbaar vervoer. Bepaalde plekken werden verboden. Het dragen van een Jodenster werd verplicht. Wat was het uiteindelijke doel van al die maatregelen? De Joden oppakken en vermoorden. opdracht 12 Bekijk op bladzijde 82 van het lesboek bron a Wat voor gebeurtenis zie je op bron 14? Joden worden opgepakt door de Duitsers. 12b Bedenk wat er zal gebeuren met de mensen die in de rij staan. Ze worden waarschijnlijk naar Westerbork gestuurd en van daaruit naar een concentratiekamp, waar zij worden gedood. 12c Bedenk wat er zal gebeuren met de man die probeert te ontsnappen. Hij zal waarschijnlijk meteen weer gepakt worden en dan de doodstraf krijgen. Wist je dat? Het zuiden van Nederland in de herfst van 1944 werd bevrijd, maar dat het noorden pas in mei 1945 werd bevrijd? Het noorden eerst nog een verschrikkelijke hongerwinter moest doormaken voordat het in mei 1945 werd bevrijd?

24 24 Op de vlucht 20 juni Ik ben een Joods meisje van zeventien jaar, net wakker geworden door de luidsprekers op de Duitse overvalwagens die op dit vroege uur de onheilspellende boodschap door de stille straten van Amsterdam-Oost uitschallen. Alle Joden moeten zich klaarmaken voor de aftocht en onder bedreiging van strenge straf in hun huizen blijven. Het is verboden zich op straat te begeven. Na enkele weken door de niet-joodse buurten van Amsterdam te hebben rondgezworven, kwam ik uiteindelijk in een dorp dicht bij Amsterdam. Daar vond ik met een valse naam, een baan als dienstmeisje bij de dominee. Niemand heeft me verraden, ook al vanwege de dominee, die een geliefd persoon was in het dorp. Mijn ouders en zus overleefden de oorlog helaas niet. In de loop van 1943 werden zij door verraad opgepakt. Ze zijn vermoord in Auschwitz en Sobibor. Naar: E. Spruit-Duis in: C. Sanders, Ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog (Schelluinen 2008). Figuur 4 opdracht 13 Lees de tekst in figuur 4. 13a Onderstreep de boodschap die de Duitse overvalwagens lieten horen. 13b Wat bedoelden de Duitsers met aftocht? Dat ze de Joden zouden oppakken en naar een concentratiekamp brengen. 13c Denk je dat het meisje heeft geweten wat de Duitsers bedoelden met aftocht? Waarschijnlijk wel, ze liep gevaar door te vluchten en toch doet ze het. Ze moet wel geweten hebben dat haar iets vreselijks te wachten stond. 13d Hoe slaagt het meisje erin om de oorlog te overleven? Ze vlucht en houdt zich verborgen voor de Duitsers, ze neemt een nieuwe naam aan en krijgt een baan bij een dominee in een dorp. 13e Het is een wonder dat het meisje het heeft overleefd. Bedenk wat er mis had kunnen gaan. De Duitsers hadden haar kunnen aanhouden, de mensen in het dorp hadden haar kunnen verraden. 13f Haar ouders en zus zaten ondergedoken. Wat is er met hen gebeurd? Ze zijn opgepakt en vermoord in concentratiekampen. 13g Leg uit dat de oorlog voor dit meisje niet voorbij was in Ze had de oorlog overleefd, maar ze heeft haar hele gezin verloren. Het verdriet om zo n groot verlies gaat nooit over. opdracht 14 Lees op bladzijde 83 van het lesboek de tekst Dagelijks leven. Welke gevolgen had de bezetting voor: 14a het bestuur van Nederland? De Duitsers werden de baas in Nederland. Alle partijen werden verboden, behalve de NSB. 14b de pers? De Duitsers controleerden de pers, er waren alleen berichten die gunstig waren voor henzelf. Dat heet propaganda. 14c werk? Mannen werden verplicht in Duitsland te gaan werken. 14d voedsel? Er was tekort aan voedsel en andere spullen. 14e gebouwen en infrastructuur? Er werd veel schade aangericht aan gebouwen en infrastructuur. opdracht 15 Bekijk op bladzijde 83 van het lesboek bron a Wanneer is deze foto gemaakt? Tijdens de winter van b Waaraan heeft dit gezin gebrek? Goede warme kleding, schoenen, dekens, waarschijnlijk ook eten en brandstof, maar op de foto is wel wat brandhout te zien en wat eten.

25 Thema 10 Europa Blok 2 Tweede Wereldoorlog 25 Oorlog op het platteland bij Den Haag De eerste oorlogsjaren gingen vrij rustig voorbij. Voor ons, kinderen, veranderde er niet zo veel. Wij gingen gewoon hele dagen naar school, speelden op het erf of in het weiland en waren gelukkig. In de eerste maanden moesten er tijdelijk, zoals bij veel boeren, Duitse soldaten worden ingekwartierd. In die tijd moest alles verduisterd worden, de ramen mochten geen spleetje licht doorlaten. Dit was bedoeld om de Engelse vliegtuigen op een dwaalspoor te brengen. Ook werden er loopgraven naast de weg gemaakt. En toen kwam de Hongerwinter Als boerenmensen hadden wij gelukkig eten genoeg. Maar in de stad was honger en daarmee begon de trek naar het platteland om eten te zoeken. Hele horden kwamen bij ons over de brug. Bron: Mevrouw van de Krogt in: C. Sanders, Ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog (Schelluinen 2008). Figuur 5 opdracht 16 Lees de tekst in figuur 5. 16a Onderstreep wat er voor deze persoon niet veranderde tijdens de oorlog. 16b Onderstreep wat er voor deze persoon wel veranderde tijdens de oorlog. 16c Wat was het ergste gevolg van de oorlog waar deze persoon iets van merkte? De hongerwinter. 16d Vergelijk de belevenissen van het meisje uit figuur 4 en het kind uit figuur 5. Het meisje uit figuur 4 liep zelf gevaar, maar overleefde wonderbaarlijk de oorlog. Het kind uit figuur 5 merkte zelf niet veel van de oorlog. opdracht 17 Lees nogmaals de tekst in figuur 5. Lees op bladzijde 148 van het lesboek vaardigheid 7 Bronnen gebruiken. 17a Stel je doet onderzoek naar het dagelijks leven in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Is deze bron dan bruikbaar? 17b Is deze bron betrouwbaar? Ja, het meisje wil vertellen hoe haar eigen belevenissen waren tijdens de oorlog. Ze zal niet expres dingen zeggen die niet waar zijn. 17c Deze bron alleen is niet voldoende om je onderzoeksvraag te beantwoorden. Bedenk wat voor andere bronnen je nodig hebt. Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: foto s uit die tijd, verslagen van andere mensen (ook van volwassenen) uit andere plaatsen. Verslagen van de Duitsers. opdracht 18 Lees op bladzijde 83 van het lesboek de tekst Meedoen of verzet?. Lees de tekst in figuur 6. 18a Onderstreep welke straf er stond op het hebben van een radio. 18b Welk begrip vind jij het best passen bij deze bron? Kies uit: verzet propaganda onderduikers. Leg je antwoord uit. Eigen antwoord, zie voorbeelden op pagina 30. Figuur 6 Tijdens de Duitse bezetting werden radio s verboden en iedereen moest zijn toestel inleveren. Bij ons thuis werd de oude spoelenradio ingeleverd en de glimmend nieuwe Telefunken verdween naar een geheime bergplaats. De straf op het bezit van een radio was eenvoudig en duidelijk: de eigenaar werd naar een strafkamp in Duitsland afgevoerd. Bron: H.I. de Wolde in: C. Sanders, Ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog (Schelluinen 2008). Ja, want hij gaat over wat een meisje merkte van de oorlog.

26 26 opdracht 19 verdieping opdracht 21 Een Nederlandse ambtenaar had al voor de oorlog een persoonsbewijs bedacht dat heel moeilijk was te vervalsen. De Nederlandse regering had er toen geen belangstelling voor, maar de nazi s later wel. Zij voerden het nieuwe persoonsbewijs in en verplichtten alle Nederlanders van vijftien jaar en ouder om het bij zich te dragen. 19a Leg uit wat het doel was van het verplichte persoonsbewijs. Dan wisten de Duitsers altijd wie je was. 19b Waarom was het voor het verzet een groot probleem dat het persoonsbewijs zo moeilijk was te vervalsen? Bekijk op bladzijde 81 van het lesboek bron 12. a Gebruik de atlas. 21a Welke huidige landen veroverde Japan in 1942? Zuid-Korea, Noord-Korea, gebieden in China, Taiwan, Indonesië, Thailand, Cambodja, Vietnam, Laos, Myanmar (Birma), Maleisië, Filipijnen. Gebruik GB 200 (BB 122). 21b Japan bezit weinig grondstoffen om zelf energie op te wekken voor de industrie. Welke grondstoffen importeert Japan nu? Aardolie, aardgas en steenkool. Om Joden en andere mensen waar de Duitsers jacht op maakten te redden, was het nodig persoonsbewijzen te vervalsen. 19c Wat is jouw mening over wat deze ambtenaar heeft gedaan? Eigen antwoord. Misschien heeft de ambtenaar geen slechte bedoelingen gehad en had hij niet in de gaten wat de Duitsers van plan waren. Maar hij werkte wel mee met de bezetter en als hij goed had nagedacht, had hij kunnen 21c In 2011 werd Japan getroffen door een hevige aardbeving, gevolgd door een tsunami. Daarbij werd een kerncentrale zwaar beschadigd. Er ontstond discussie of Japan wel door moet gaan met kernenergie. Japan wordt namelijk vaak getroffen door aardbevingen. Leg uit welk gevolg het heeft voor Japan als het stopt met kernenergie. Dan wordt het land nog sterker afhankelijk van de import van energie. weten dat het paspoort de Duitsers in staat zou stellen om precies te weten wie wie was en zo hun tegenstanders snel op te sporen. opdracht 20 De meeste Nederlanders kozen niet voor meedoen en ook niet voor verzet. Zij probeerden de oorlogstijd zo goed mogelijk door te komen. Heb je een idee wat jij zou hebben gedaan? Leg je antwoord uit. Eigen antwoord. 21d Wat moet Japan volgens jou doen? Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: zoveel mogelijk besparen op energie, veiligheidseisen aan kerncentrales strenger maken, meer alternatieve energie opwekken, zoals zonneenergie, windenergie en waterkracht.

27 Thema 10 Europa Blok 2 Tweede Wereldoorlog 27 Bb opdracht 22 ga naar en maak de opdracht Slag bij Arnhem. opdracht 23 op een rij 23a Wat was het begin van de Tweede Wereldoorlog? De aanval op Polen in b Hoe verliep de oorlog in het begin? De Duitsers veroverden een groot deel van Europa. 23c Hoe raakten de VS betrokken bij de oorlog? Japan, bondgenoot van Duitsland, viel een Amerikaanse marinebasis op Hawaii aan. 23d Wat was een ommekeer in de oorlog? Kennen en kunnen Als je klaar bent met dit blok kun je: het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Europa beschrijven. verklaren waarom Japan zijn buurlanden wilde veroveren. het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Oost-Azië beschrijven. verklaren waarom de Verenigde Staten gingen deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. beschrijven hoe de Japanse bezetting van Nederlands-Indië was. de Duitse inval in Nederland beschrijven. beschrijven welke gevolgen de Duitse bezetting had voor de Nederlandse bevolking en de Joodse Nederlanders in het bijzonder. Eigen onderwerp. Slag bij Stalingrad. 23e Wanneer begon de grootste geallieerde aanval op Duitsland? Op 6 juni 1944: D-day. opdracht 24 deelvraag De deelvraag was: Welke gevolgen had de Tweede Wereldoorlog voor Europa? Schrijf zo veel mogelijk gevolgen op de korte termijn op. Veel dodelijke slachtoffers, met name veel Joden. Veel Joden werden naar concentratiekampen gebracht waar ze werden vermoord. Veel gebouwen en infrastructuur werd verwoest. Einde aan de vrijheid en Eigen onderwerp. Begrippen D-Day propaganda Vaardigheden 7 Bronnen gebruiken Tijdwijzer Tijd van wereldoorlogen Ga naar: democratie in de bezette gebieden, gebrek aan voedsel, mannen moesten verplicht in Duitsland werken, veel van hen doken onder. Extra oefenblad vaardigheden Vraag aan je docent of je het extra oefenblad Onderzoek doen over de Tweede Wereldoorlog moet maken.

28 28 Menukaart 2 Keuzeopdracht Samen of alleen Wat heb je nodig? A Verzet Maak een presentatie over verzetsdaden. Alleen Computer B Herdenken Discussieer samen over het nut van herdenken en hoe we het beste de Tweede Wereldoorlog kunnen herdenken. Met z n drieën of vieren C Wie was Anne Frank? Maak een Powerpoint-presentatie over het korte leven van Anne Frank. Alleen Computer A Verzet Bb ga naar en maak de opdracht Verzet. B Herdenken opdracht 1 opdracht 2 1a Lees en bekijk op bladzijde 84 van het lesboek bron 16 tot en met bron 19. Ga na met welke activiteiten de Tweede Wereldoorlog in jouw woonplaats wordt herdacht. 2a Doe jij mee aan de Nationale Herdenking? Waarom wel/niet? Eigen antwoord. Eigen antwoord. 2b Doe jij mee aan de Dag van de Vrijheid? Waarom wel/niet? 1b Welke activiteit spreekt jou het meeste aan? Leg uit waarom. Eigen antwoord. Eigen antwoord.

29 Thema 10 Europak Menukaart 2 Tweede Wereldoorlog 29 c 3a opdracht 3 Deze opdracht doe je met z n tweeën. Er leven steeds minder mensen die zelf de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. Bedenk samen zo veel mogelijk redenen om toch de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Bijvoorbeeld: Het is de laatste grootste oorlog in Nederland. Het is goed om je te realiseren 3c Maak jullie eigen plan voor een nationale herdenking die jongeren zoals jullie zal aanspreken. Bedenk: hoe je aan jongeren uitlegt waarom de herdenking belangrijk is? hoe je jongeren betrekt bij de herdenking; welke activiteiten er zijn. Eigen antwoord. dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Uit eerbied voor de slachtoffers. Om te voorkomen dat zoiets weer gebeurt. 3b De laatste jaren worden niet alleen slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht, maar ook Nederlandse slachtoffers in andere oorlogen en vredesoperaties. Wat vinden jullie daarvan? Eigen antwoord. Bijv.: niet goed, want het gaat dan om oorlogen die niet in Nederland hebben plaatsgevonden. Niet de hele Nederlandse bevolking heeft daarmee te maken gehad. Wel een goed idee: het gaat bij het herdenken om slachtoffers van oorlogsgeweld. Het maakt niet uit waar die slachtoffers vallen. Bb ga naar voor handige links. Nederlandse militairen hebben namens het hele Nederlandse volk meegedaan aan vredesoperaties in andere landen. C Wie was Anne Frank? Lees op bladzijde 85 van het lesboek de tekst Anne en de bronnen 22, 23 en 24. Bekijk op bladzijde 85 van het lesboek de bronnen 20 en 21. Stel je bent een niet-joodse vriendin van Anne. Je woont in Amsterdam en het is december er Schrijf Anne een brief: beschrijf hoe jij en je familie de oorlog doormaken; reageer op wat Anne schrijft. Laat je brief aan je docent zien.

30 30 Antwoorden van opdracht 18b, pagina 25 18b Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Verzet: het hebben van een radio was een daad van verzet. Met behulp van de radio kon het verzet op de hoogte blijven van de gebeurtenissen in de oorlog en het kon contact zoeken met andere verzetsgroepen. Propaganda: de Duitsers verboden radio s, omdat ze wilden dat de Nederlandse bevolking alleen berichten van de Duitsers zouden horen. Dat heet propaganda. Het begrip onderduikers past niet goed bij deze bron.

31 Thema 10 Europa Blok 2 Aantekeningen 31

32 32 Blok 3 Nooit meer oorlog 1a In de twintigste eeuw waren er twee afschuwelijke wereldoorlogen in Europa. Die oorlogen kostten miljoenen mensen het leven. Na de Tweede Wereldoorlog gingen West-Europese landen samenwerken om een nieuwe oorlog te voorkomen. Deelvraag van dit blok: Hoe werken Europese landen samen na de Tweede Wereldoorlog? opdracht 1 Lees op bladzijde 86 van het lesboek de tekst Wederopbouw. Bekijk op bladzijde 86 van het lesboek bron 25. Wat was het Marshallplan? Een Amerikaans plan om Europa bij de wederopbouw te helpen met geld. 2a 2b 2c opdracht 2 Lees op bladzijde 86 van het lesboek de tekst Oude tegenstellingen. Horen de zinnen bij het kapitalisme of bij het communisme? 1 Iedereen verdient evenveel. Kapitalisme / Communisme 2 De staat zorgt overal voor. Kapitalisme / Communisme 3 De ondernemers zijn eigenaar van de fabrieken. Kapitalisme / Communisme 4 Sommige mensen verdienen meer dan anderen. Kapitalisme / Communisme 5 De Verenigde Staten. Kapitalisme / Communisme 6 De Sovjetunie. Kapitalisme / Communisme Waar waren de Amerikanen bang voor? Dat de Sovjetunie het communisme zou verspreiden. Waar waren de Russen bang voor? Dat de Amerikaanse bedrijven overal de baas 1b Welk land maakt op bron 25 gebruik van het Marshallplan? zouden worden. Duitsland. opdracht 3 1c Leg uit dat het bijzonder was dat dit land ook hulp kreeg bij de wederopbouw na de oorlog. Duitsland was de vijand geweest van de VS in de Tweede Wereldoorlog en was de oorlog begonnen. Na de oorlog hielpen de VS 3a 3b Lees op bladzijde 87 van het lesboek de tekst Een verdeelde wereld. Welk land verzette zich heftig tegen het Marshallplan? De Sovjetunie. Waarom wilde dat land geen hulp van Amerika? 1d Duitsland met de wederopbouw. Leg uit waarom het Marshallplan het begin betekende van de Europese samenwerking. Omdat het bang was dat de het kapitalistische Amerika de baas in de wereld zou worden. Voorwaarde van het aannemen van geld uit het Marshallplan was dat de Europese landen 3c Wat was het gevolg voor de Europese samenwerking? zouden samenwerken om de hulp goed te De West-Europese landen gingen met elkaar verdelen. samenwerken om de Amerikaanse hulp te verdelen.

33 Thema 10 Europa Blok 3 Nooit meer oorlog 33 d opdracht 4 kleurpotloden 4a Duitsland werd in 1945 opgedeeld in vier zones die door de geallieerden werden bestuurd. Kleur in figuur 1: de zones van Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten in West-Duitsland: groen; de zone van de Sovjetunie in Oost-Duitsland: rood; een zwarte lijn op de plek waar het IJzeren Gordijn was. 4b Waar ligt Berlijn: in Oost- of West-Duitsland? In Oost-Duitsland. 4c De stad Berlijn werd ook in verschillende zones opgedeeld. Kleur in figuur 1: de Franse, Britse en Amerikaanse zones: groen; de Sovjetzone: rood; de grens tussen beide gebieden: zwart. 4d Noem twee belangrijke verschillen tussen de landen in Oost-Europa en West-Europa. 1 De landen in Oost-Europa waren niet democratisch, in West-Europa wel. 6a opdracht 6 Bekijk op bladzijde 87 van het lesboek bron 26. Aan welke kant van de muur op de foto ligt Oost-Berlijn? Leg uit hoe je dat ziet. 6b Wie zijn de mannen in uniform links van de muur? 6c Aan de linkerkant. De muur wordt door de mensen links van de muur gebouwd. Dat is dus Oost-Berlijn. Soldaten. Waarom zijn zij erbij? Zij bewaken de muur en de mensen die aan de muur bouwen. 6d Bedenk: hoe was het voor de mensen in Berlijn dat er een muur dwars door hun stad kwam? Leg je antwoord uit. Eigen antwoord. Het was voor veel inwoners van Berlijn verschrikkelijk. Families werden door de muur van elkaar gescheiden. De Berlijners konden alleen 2 De landen in Oost-Europa waren communistisch, West-Europa was kapitalistisch. nog maar in hun deel van de stad komen. opdracht 7 5a 5b opdracht 5 verdieping Bedenk hoe je ondanks het IJzeren Gordijn van West-Duitsland naar West-Berlijn kon reizen. Vliegtuig. Of via een afgeschermde autoweg. Bedenk: waarom was West-Berlijn een probleem voor de Oost-Duitse regering? Via West-Berlijn konden mensen uit Oost- Europa naar West-Europa vluchten. 7a 7b Lees op bladzijde 87 van het lesboek de tekst Europese samenwerking. Welke zes landen begonnen de Europese samenwerking? Frankrijk, Italië, Duitsland, Luxemburg, België en Nederland. Waarom is het opvallend dat Duitsland vanaf het begin mee mocht doen met de Europese samenwerking? Figuur 1 Duitsland was de Tweede Wereldoorlog begonnen en had verloren. Maar dit keer werd Duitsland daarvoor niet hard gestraft, zoals na 7c de Eerste Wereldoorlog. Waarom kozen de zes landen ervoor om eerst hun kolen- en staalproductie samen te voegen? Om oorlog te voorkomen.

34 34 8a opdracht 8 Bekijk op bladzijde 87 van het lesboek bron 27. Lees op bladzijde 151 van het lesboek vaardigheid 7g Werken met afbeeldingen. Leg uit wat een symbool is. Een symbool is een voorwerp of een dier dat 9d Heeft een bedrijf in de Verenigde Staten ook voordeel van het afschaffen van invoerheffingen in Europa? Leg je antwoord uit. Nee, want dat bedrijf moet nog steeds invoerheffing betalen, namelijk het buitentarief. naar een begrip verwijst. 8b Welke symbolen zie je op deze poster? Noem er drie. 8c Welke tekst staat er op de poster? 8d Bedenk wat de symbolen betekenen. Overleg met je buurman of buurvrouw. 8e 9a Duiven, afgebrande boom, nest, vlaggen. Wij bouwen een nieuw Europa. Duiven: vrede, afgebrande boom: verwoest Europa, nest: een nieuw begin voor een verenigd Europa, vlaggen: de verschillende Europese landen. Leg de tekst op de poster uit. De Europese samenwerking leidt tot een nieuw, vredig Europa. opdracht 9 Lees op bladzijde 88 van het lesboek de tekst Economische samenwerking. Wat is invoerheffing? opdracht 10 10a Noem drie verschillen tussen de EEG en de EU Vrij verkeer van kapitaal. 10b De belangrijkste reden voor de samenwerking in de EEG was het economische voordeel voor de deelnemende landen. Bedenk twee redenen waarom Nederlanders iets in het buitenland kopen. 1 2 Vrij verkeer van diensten Vrij verkeer van arbeid. Iets kopen dat in Nederland niet kan worden geproduceerd. Iets kopen dat in het buitenland goedkoper wordt geproduceerd. 10c Leg uit hoe door de samenwerking in de EEG de welvaart in de deelnemende landen kon toenemen. Zie voor het antwoord bladzijde 43. Een belasting op producten die vanuit het buitenland worden ingevoerd. 9b Het afschaffen van de invoerheffingen is voordelig voor de klanten in de winkel. Leg dat uit. Jaartal van toetreding EU-landen 9c Door het wegvallen van de invoerheffingen wordt het goedkoper om producten in de EEG te kopen. Dan kun je meer producten kopen voor dezelfde hoeveelheid geld. Het afschaffen van de invoerheffingen is voordelig voor bedrijven die exporteren. Leg dat uit. Door het wegvallen van de invoerheffingen wordt het product in het buitenland goedkoper. Dan wordt er meer van gekocht. Dan verdient het bedrijf meer geld Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Italië 1973 Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken 1981 Griekenland 1986 Spanje, Portugal 1995 Finland, Oostenrijk, Zweden 2004 Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië 2007 Bulgarije, Roemenië Figuur 2

35 Thema 10 Europa Blok 3 Nooit meer oorlog 35 Jaar van toetreding opdracht 12 Lees op bladzijde 88 van het lesboek bron a Welke twee oorzaken zijn er dat Portugese arbeiders naar Zeeland komen om te werken? 1 Portugal heeft een hoge werkloosheid. 2 Nederlandse arbeiders willen dit niet doen. 12b Portugal en Nederland zijn lid van de EU. Leg uit waarom dit gunstig is voor de Portugese arbeiders opdracht 11 Gebruik figuur 2 en 3. Bekijk op bladzijde 143 van het lesboek de Tijdwijzer. 11a Kleur de kaart en de legenda van figuur 3 in. 11b Noem drie West-Europese landen die geen lid zijn van de EU. 11c km Figuur 3 2 Zwitserland Noorwegen 3 IJsland Waar liggen de landen die in 2004 lid zijn geworden? In Oost-Europa. 11d Waarom konden die landen pas lid worden na 1989? Omdat toen de Koude Oorlog was afgelopen. Tijdens de Koude Oorlog hoorde Oost-Europa bij het machtsblok van de Sovjetunie en West-Europa bij dat van de Verenigde Staten. De twee blokken waren elkaars vijanden en gingen dus niet samenwerken. Zij mogen in alle landen van de EU werken. Als zij in Portugal geen werk kunnen vinden, kunnen ze in een ander land werk zoeken. 12c Portugal en Nederland zijn lid van de EU. Leg uit dat dit gunstig is voor de werkgever in Zeeland. Hij kan ook werknemers in dienst nemen uit andere landen als hij geen Nederlandse werknemers kan vinden of als die duurder zijn. 12d Bedenk voor wie het nadelig kan zijn dat Portugese arbeiders makkelijk in Nederland kunnen werken. Voor Nederlandse arbeiders die bijvoorbeeld voor een hoger loon willen werken dan de Portugese arbeiders. Zij komen niet aan het werk of moeten tevreden zijn met een lager loon. opdracht 13 Lees op bladzijde 88 van het lesboek de tekst Europees geld. 13a Wat betekent de afkorting EMU? Europese Monetaire Unie. 13b Noem twee voordelen van de EMU voor Nederlandse bedrijven c Bedenk twee voordelen van de EMU voor Nederlandse gezinnen. 1 Het is makkelijker om handel te drijven als je geen geld hoeft te wisselen. Het is goedkoper om handel te drijven als je geen geld hoeft te wisselen. Het is makkelijker om prijzen te vergelijken met het buitenland. 2 Het is goedkoper om in het buitenland op vakantie te gaan als je geen geld hoeft te wisselen.

36 36 1 euro ( ) 1,44 dollar VS ($) 1 euro ( ) 0,88 pond Groot-Brittannië ( ) 1 euro ( ) 9,11 kronen Zweden (SEK) Figuur 4 Wisselkoersen op 25 juli opdracht 14 Lees op bladzijde 155 van het lesboek vaardigheid 9f Rekenen met wisselkoersen. Gebruik figuur 4. d kladpapier 14a Als je op vakantie gaat naar een land waar ze geen euro s hebben, moet je geld wisselen. Hoe heet de prijs van buitenlands geld? Dat heet de wisselkoers. 14c Je ziet in de VS je lievelingsspijkerbroek voor $ 100. In Nederland kost diezelfde spijkerbroek 80. Om de broek te betalen, moet je extra geld pinnen en dat kost 3. Is de broek in de VS goedkoper? Maak een berekening. 1 dollar = 1 : 1,44 euro = 0,69 euro. 100 dollar = 69 euro. Daar tel je 3 bij op = 72 euro. De broek is dus goedkoper in de VS. 14d Je vriendin gaat naar Zweden op vakantie en ziet dezelfde broek voor 900 SEK. Is de broek in Zweden duurder of goedkoper dan in Nederland? Om aan Zweedse kronen te komen, betaal je 3 commissie. 900 / 9,11 = 98,79. Daar tel je 3 bij op. De broek kost in Zweden 101,79. Dat is dus duurder dan in Nederland. 14b Stel, je gaat naar de Verenigde Staten op vakantie. Je wilt 100 omwisselen voor dollars. Je betaalt voor het omwisselen 5 commissie aan de bank. Hoeveel dollars krijg je? Je betaalt 5 commissie en wisselt dus 95 om. Dat is 95 1,44 = 136,80 dollar. opdracht 15 Lees op bladzijde 89 van het lesboek de tekst Wie is de baas?. 15a Zet in de eerste rij van figuur 5 welke Europese instellingen Europa besturen. 15b Welke Europese instelling doet wat? Zet kruisjes in figuur 5. Figuur 5 Europese Europees Raad van commissie Parlement de Europese Unie Bedenkt nieuwe wetten X Stemt over wetten Ministers uit de regeringen van de landen X X X Controleert of wetten worden uitgevoerd X Gekozen door Europese burgers X Uit elk land één persoon X X

37 Thema 10 Europa Blok 3 Nooit meer oorlog 37 Stap 1 Een... eurocommissaris bedenkt een nieuwe regel. Stap 2 Het... Europees Parlement stemt over het voorstel.... Voor... Tegen Stap 3 De... Raad vd Europese Unie stemt over het voorstel.... Voor... Tegen... moet voorstel aanpassen 17b Waarom was het niet genoeg om alleen een wet te maken voor Nederland? Vrachtwagens rijden door heel Europa. Als alleen Nederlandse vrachtwagens een dodehoekspiegel hebben, dan kunnen buitenlandse vrachtwagens hier nog steeds voor gevaar zorgen. 17c Het aannemen van de nieuwe wet ging in Nederland sneller dan in Europa. Bedenk hoe dat komt. Eerst moesten alle ministers samen overleggen en er daarna in hun eigen land over praten. In Nederland ging het maar om 1 minister. 17d Hoeveel tijd zit er tussen het moment dat de wet werd aangenomen en het moment dat de wet inging? 4 jaar. 17e Bedenk waarom daar zo veel tijd tussen zat. Om alle vervoersbedrijven de kans te geven om de dodehoekspiegel te plaatsen. Stap 4 De nieuwe regel wordt ingevoerd in alle... EU-landen. Figuur 6 opdracht 16 Bekijk op bladzijde 88 van het lesboek bron 29. Vul in figuur 6 de ontbrekende woorden in. opdracht 17 Bekijk nog eens op bladzijde 88 van het lesboek bron 29. Lees figuur 7. 17a Onderstreep wat de Nederlandse minister zei over het verplichten van de dodehoekspiegel. Dodehoekspiegel In januari 2001 verongelukte in Haarlem de tienjarige Wouter door een vrachtwagen. De chauffeur had niet gezien dat Wouter naast hem reed. Wouter fietste in de dode hoek. Dit is het gedeelte rechts van de vrachtwagen waar de chauffeur geen zicht op heeft. Wouters klasgenootjes waren heel verdrietig. En boos. Ze wilden vrachtwagens veiliger maken. Dus kwamen ze in actie. Eerst gingen ze naar de Nederlandse minister van Verkeer*. Die was het met hen eens: de minister voerde in Nederland nog in 2001 een dodehoekspiegel in. Maar de minister zei erbij: Een verplichting kan alleen in Europees verband. Dus besloten de scholieren naar Brussel te gaan. Ze brachten een bezoek aan eurocommissaris Erkki Liikanen, uit Finland. Hij beloofde zijn best te doen. En de commissaris hield woord. In november 2003 werd een wet aangenomen die bepaalt dat vanaf januari 2007 alle nieuwe vrachtwagens een dodehoekspiegel moeten hebben. En vanaf 2011 ook alle oude vrachtwagens. *Sinds 2010 is dit het ministerie van Infrastructuur en milieu. Figuur 7

38 38 Hoe groter de bevolking van een land, hoe meer stemmen het land heeft in de Raad van de Europese Unie. Duitsland, Frankrijk, Italië 29 en het Verenigd Koninkrijk Spanje en Polen 27 Roemenië 14 Nederland 13 België, Tsjechië, Griekenland, Hongarije 12 en Portugal Oostenrijk, Bulgarije en Zweden 10 Denemarken, Ierland, Litouwen, 7 Slowakije en Finland Cyprus, Estland, Letland, Luxemburg 4 en Slovenië Malta 3 Totaal 345 Figuur 8 opdracht 18 verdieping Gebruik de figuren 2 en 8. Om een wetsvoorstel aan te nemen, moeten er meer dan 255 stemmen en ten minste 14 landen vóór zijn. 18a Hebben de zes grootste landen samen genoeg stemmen om een wetsvoorstel aan te nemen? J a / Nee, want er moeten 14 landen voor zijn. En de zes grootste landen hebben maar 170 stemmen. 18b Kunnen de twaalf landen die het laatst bij de Europese Unie zijn gekomen, samen een wetsvoorstel aannemen? J a / Nee, want er moeten 14 landen voor zijn. Bovendien hebben die landen maar 108 stemmen. 18c Voor sommige belangrijke besluiten is het nodig dat twee derde van de landen voor het besluit is. Hoeveel landen moeten er bij zo n belangrijk besluit ten minste vóór zijn? 2/3x27= 18. Of: 27:3=9 (=1/3). Dus 2/3 is 2x9=18. 18d Bedenk: waarom is dit zo ingewikkeld geregeld? Er moet een machtsevenwicht zijn: geen enkel land kan zomaar de eigen zin doordrijven. Ieder land moet overleggen. opdracht 19 Lees op bladzijde 89 de tekst Daar en nu: Verenigde Naties. 19a Wat is het doel van de Verenigde Naties? 19b Wat kunnen de VN doen om dat doel te bereiken? 19c Het is lastig om in de Veiligheidsraad een beslissing te nemen. Leg dat uit. 19d Brazilië, Duitsland, India en Japan willen ook graag een vaste zetel in de Veiligheidsraad. Waaraan moet een land volgens jou voldoen om vast lid te worden van de Veiligheidsraad? a De vrede en veiligheid in de wereld handhaven. De VN kunnen straffen uitdelen en militair ingrijpen. Als één van de vaste vijf leden tegen een beslissing stemt, dan gaat het niet door. Eigen antwoord. Bijv.: grote bevolking, belangrijke economie, gelegen in een gebied dat nog niet sterk is vertegenwoordigd in de raad. opdracht 20 Gebruik de atlas. Bekijk op bladzijde 89 van het lesboek bron a Welke twee vormen van grensoverschrijdende milieuverontreiniging zie je op de foto? 1 vervuiling van de rivier (fabriek) 2 luchtvervuiling (fabrieken en auto s) 20b Zoek in de atlas op welke rivieren uit het buitenland Nederland binnenstromen. Maas, Rijn, Schelde. De IJssel en de Waal zijn aftakkingen van de Rijn. 20c Hebben de buurlanden van Nederland er ook last van als wij deze rivieren verontreinigen? Leg je antwoord uit. Ja en nee. Nee: rivieren stromen niet door een ander land, maar gaan naar zee. Ja, als wij de rivieren vervuilen, komt die vervuiling in de Noordzee en daar hebben andere landen wel last van. 20d Leg uit dat het milieu een belangrijk onderwerp is voor de EU. Alleen gezamenlijk kunnen milieuproblemen worden opgelost.

39 Thema 10 Europa Blok 3 Nooit meer oorlog 39 opdracht 21 op een rij Zet de volgende gebeurtenissen uit dit blok in de goede volgorde opdracht 22 Marshallplan Europese Economische Gemeenschap Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal begin Koude Oorlog bouw Berlijnse Muur toetreding Oost-Europese landen tot de EU val van de Muur Europese Unie deelvraag De deelvraag van dit blok was: Hoe werken Europese landen samen na de Tweede Wereldoorlog? 22a Leg uit wat vrij verkeer van goederen en diensten betekent. Dat betekent dat de EU-landen goederen zonder invoerheffingen onderling kunnen verkopen. EU-inwoners kunnen in andere EU-landen werken. 22b Leg uit wie voordeel hebben van de euro. Bedrijven: de euro is goed voor de handel. Je hoeft geen geld te wisselen. Particulieren: als je op vakantie gaat, hoef je geen geld te wisselen. 22c Vul de volgende zinnen in. 1 Een eurocommissaris bedenkt een nieuwe regel. 2 Het Europees Parlement stemt over het voorstel. 3 De Raad van de Europese Unie stemt over het voorstel. 4 De nieuwe regel wordt ingevoerd in alle EU-landen.. Kennen en kunnen Als je klaar bent met dit blok kun je: uitleggen hoe de Verenigde Staten bijdroegen aan de wederopbouw van Europa. drie verschillen noemen tussen het kapitalisme en het communisme. uitleggen welk gevolg de Koude Oorlog had voor de Europese samenwerking. uitleggen hoe Europese samenwerking een nieuwe oorlog moest voorkomen. uitleggen hoe de landen van de Europese Unie economisch samenwerken. uitleggen welk economisch voordeel de euro heeft voor bedrijven en gezinnen. beschrijven welke taken de volgende Europese instellingen hebben: de Europese Commissie, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement. de vier stappen beschrijven om een wet te maken in de EU. beschrijven wat de VN kunnen doen aan een buitenlands conflict. Begrippen communisme Europese Commissie Europese Economische Gemeenschap (EEG) Europees Parlement Europese Unie (EU) IJzeren Gordijn kapitalisme Koude Oorlog Marshallplan Raad van de Europese Unie supermacht Verenigde Naties (VN) wisselkoers Vaardigheden 7g Werken met afbeeldingen 9e Rekenen met wisselkoersen Tijdwijzer Tijd van televisie en computer (1950 tot nu) Extra oefenblad ECONOMIE Vraag aan je docent of je het extra oefenblad over Handel in de EU moet maken. Ga naar:

40 40 Menukaart 3 Keuzeopdracht Samen of alleen Wat heb je nodig? A De Berlijnse Muur In 1961 werd dwars door Berlijn een muur gebouwd. Hoe zou het zijn als in jouw woonplaats een muur zou komen? Bedenk een vluchtplan. Alleen Plattegrond van je woonplaats, stift, kleurpotloden, schrijfpapier B Actueel in de Europese Unie Maak een item voor het radiojournaal over een actueel onderwerp in de Europese Unie. Samen Computer C Welvaart en welzijn in Europa Vergelijk je eigen omgeving met Europa. Tweetallen Papier, rekenmachine A De Berlijnse Muur opdracht 1 opdracht 2 1a Lees op bladzijde 90 van het lesboek de tekst Geschiedenis van de muur. Bekijk op bladzijde 90 van het lesboek de bronnen 31 en 32. Lees op bladzijde 90 van het lesboek bron 33. Waarom bouwde de Oost-Duitse regering een muur door Berlijn? d 2a 2b Zie menukaart. Trek met potlood een lijn midden over de plattegrond, van noord naar zuid. Is dit een handige grens? Ja / Nee, want Eigen antwoord. Om burgers die naar het vrije Westen wilden 1b 1c 1d vluchten, tegen te houden. De mensen op de foto van bron 31 praten over de muur met elkaar. Bedenk waarom ze niet via de telefoon of brief met elkaar spraken. Telefoontjes en brieven werden gecontroleerd. Beschrijf de stemming die heerst op de foto van bron 32. De mensen waren blij, want ze waren weer vrij om te gaan en staan waar ze wilden. Ken je nog meer plekken op de wereld waar een zwaarbewaakte muur twee gebieden van elkaar scheidt? De muur tussen Israël en de Palestijnse gebieden. De muur tussen Mexico en de Verenigde Staten. 2c 2d 2e Maak nu met zwarte stift een definitieve grens. Maak gebruik van bestaande grenzen in de gemeente, zoals brede straten of kanalen. Waarschijnlijk loopt je grens nu niet meer mooi recht. Stel de regering wil, net als de Oost-Duitse regering in 1961, dat de inwoners van jouw stadsdeel geen contact meer hebben met de mensen die aan de andere kant van de muur wonen en daar ook niet naartoe kunnen vluchten. Wat zijn dan plekken die de regering speciaal moet laten afsluiten of bewaken? Markeer deze plekken met een rood kruis op de kaart. Markeer met een groen kruis op de kaart: je eigen huis je school je sportclub winkels waar je vaak komt plaatsen waar familie of vrienden van je wonen andere plekken waar je vaak komt, namelijk Eigen antwoord.

41 Thema 10 Europa Menukaart 3 Nooit meer oorlog Met keuzemenu Economie 41 2f Wat zou de grens betekenen voor jouw leven? opdracht 3 2g Eigen antwoord. Op welke manieren zou jij proberen in contact te blijven met je vrienden en familie? Bedenk dat de regering zal proberen het contact te verhinderen. Eigen antwoord. 3a 3b Bedenk een plan om naar de andere kant van jouw woonplaats te vluchten. Let daarbij op de volgende dingen. Vlucht je alleen of met familie en vrienden? Ken je mensen aan de andere kant die je kunnen helpen? Waar zitten de zwakke plekken in de grens? Welke voorbereidingen moet je treffen? De studenten uit West-Berlijn hadden bijvoorbeeld voor verlichting en toevoer van zuurstof in hun tunnel gezorgd. Hoe zorg je ervoor dat de bewakers niet weten wat hun te wachten staat? Wat heb je onderweg nodig? Wat neem je mee? Beschrijf je plan op eigen papier. Teken je vluchtroute op de kaart. Plak de kaart bij je plan. B Actueel in de Europese Unie Bb Ga naar en maak de opdracht Actueel in de Europese Unie. C Welvaart en welzijn in Europa 1a opdracht 1 Lees op bladzijde 91 van het lesboek bron 34. Wat is in 2010 de top vier van de landen met het hoogste inkomen van de Europese Unie? Welke gegevens moet je ook hebben om een uitspraak te kunnen doen over de koopkracht van mensen? Je moet weten wat het prijsniveau van producten is. 1 Luxemburg opdracht 2 1b 2 3 Nederland Ierland 4 Oostenrijk Welke landen hebben in 2010 het laagste inkomen in de Europese Unie? 2a Bekijk op bladzijde 91 van het lesboek bron 35. In de bron kun je per land twee gegevens aflezen: de tevredenheid over het land en de tevredenheid over het eigen leven. Welk land scoort het hoogst op de factor: tevredenheid over eigen leven? 1c Bulgarije en Roemenië. Koopkracht is de hoeveelheid producten die je kunt kopen met je inkomen. In de kop van het artikel staat dat Nederlanders tot de rijkste burgers van de EU horen. Toch kan het zijn dat Nederlanders minder kunnen kopen dan bijvoorbeeld Belgen, met een lager inkomen. 2b 2c Denemarken. Welk land scoort het laagst op de factor: tevredenheid over eigen leven? Bulgarije. Welk land scoort het hoogst op de factor: tevredenheid over het land? Luxemburg. Vervolg keuzemenu op de volgende bladzijde

42 42 2d 2e Welk land scoort het laagst op de factor: tevredenheid over het land? Letland. Bekijk de scores van Luxemburg, het land met het hoogste inkomen. Is er een verband tussen inkomen en tevredenheid? 3b 3c In welk land is godsdienst erg belangrijk? Polen. Trek zelf nog drie conclusies op basis van deze tabel. 1 Eigen antwoorden. Ja, zie het volledige antwoord op pagina 43. 2f Bekijk de scores van Bulgarije, het land met het laagste inkomen. Is er een verband tussen inkomen en tevredenheid? Nee, zie het volledige antwoord op pagina opdracht 3 Gebruik figuur 1. De scores in bron 35 van het lesboek zijn gebaseerd op een marktonderzoek. Het marktonderzoek staat in figuur 1. 3a Welke factor is in bijna alle landen het meest belangrijke onderwerp in het leven? Gezondheid. c opdracht 4 verdieping Gebruik nog eens figuur 1. Deze opdracht maak je alleen of met z n tweeën. De mensen die meededen aan het onderzoek van figuur 1 gaven hun antwoorden in een cijfer van 1 tot en met 5: totaal niet belangrijk heel belangrijk Figuur 1 Aspecten van het dagelijks leven en geluk, bevolking van 15 jaar en ouder, najaar 2007 (in procenten) NL UK SE DE PT PL oude 15 nieuwe 12 zeer belangrijke onderwerpen in het leven gezondheid gezin vrienden en bekenden vrije tijd werk anderen helpen of vrijwilligerswerk godsdienst politiek tevredenheid met aspecten van het leven uw huis of woning uw levensstandaard vervoermiddelen om naar het werk of winkels te gaan de kwaliteit van leven in de buurt waarin u woont de medische voorzieningen in het gebied waarin u woont uw gezondheid de vrijetijdsvoorzieningen in het gebied waarin u woont de tijd die u hebt om de dingen te doen die u wilt doen de winkelmogelijkheden in het gebied waarin u woont de scholen in de buurt waarin u woont de werkgelegenheid in het gebied waarin u woont de mogelijkheden voor kinderopvang in de buurt is heel gelukkig is heel of tamelijk gelukkig

43 Thema 10 Europa Menukaart 3 Nooit meer oorlog Met keuzemenu Economie 43 In deze opdracht ga je het onderzoek uitbreiden met gegevens van mensen in jouw omgeving. 4a Maak een tabel waarin je de vragen uit figuur 1 opneemt en waarin je de antwoorden van tien personen goed kunt opschrijven. De eerste vraag is bijvoorbeeld: Hoe belangrijk vindt u uw gezondheid? 4b Vraag ten minste tien personen in je omgeving om antwoord te geven. Leg ze eerst uit dat ze een score van 1 tot en met 5 kunnen geven, waarbij 1 staat voor totaal niet belangrijk en 5 voor heel belangrijk. Lees op bladzijde 154 van het lesboek vaardigheid 9b Uitdrukken in een percentage van. 4c Verwerk de gegevens. Bereken bij elke vraag hoeveel procent van de mensen een 4 of een 5 hebben gegeven. Schrijf dat percentage in jouw figuur. 4d Denkt jouw omgeving anders dan het gemiddelde van Nederland? 4e Eigen antwoord. Lees op bladzijde 149 van het lesboek vaardigheid 7a Grafieken en diagrammen. Maak een staafdiagram voor drie vragen uit je onderzoek. Laat zien wat de scores zijn voor de mensen in jouw omgeving, Nederland en een ander EU-land. Antwoord van opdracht 10c, bladzijde 34: Door het wegvallen van de invoerheffingen wordt het goedkoper om producten in de EEG te kopen. Dan kun je meer producten kopen voor dezelfde hoeveelheid geld. Dan kun je in meer behoeften voorzien en dus neemt je welvaart toe. Antwoord van opdracht 2, bladzijde 42: 2e Voor Luxemburg kun je de conclusie trekken dat er wel een verband is tussen inkomen en tevredenheid. Het gaat goed met de economie van Luxemburg en ze zijn ook behoorlijk tevreden (43%) met hun eigen leven. 2f In Bulgarije gaat het boven gemiddeld goed met de economie, maar zij scoren heel laag in tevredenheid over hun eigen leven.

44 44 Blok 4 Jij en Europa Veel mensen hebben het idee dat Europa ver van hen af staat. Maar Europa regelt veel voor ons allemaal. Daarom onderzoek je in dit blok wat Europa betekent voor jou. Deelvraag van dit blok: Wat betekent Europa voor jou? opdracht 1 3a 3b opdracht 3 Lees op bladzijde 92 van het lesboek de tekst Leren en werken. Waarom besteedt de Europese Unie veel aandacht aan jongeren? Nieuwsgierigheid stimuleren om in het buitenland te leren of werken. Toekomstige kiezers voor zich winnen. Vind jij dat een goed idee van de Europese Unie? Eigen antwoord. 1a 1b 1c 2a 2b Lees de introtekst. Bekijk in het lesboek de titels, teksten en bronnen van blok 4. Waarover gaat dit blok? Wat betekent Europa voor mij? Kies een van de volgende vragen uit en geef er antwoord op. Europees paspoort: handig op reis? Leren of werken in het buitenland: lijkt jou dat wat? Voel jij je een Europeaan? Hoe verschillend zijn Europeanen? Eigen antwoord. Welke drie onderwerpen staan er in dit blok? opdracht 2 Lees op bladzijde 92 van het lesboek de tekst Reizen. Bekijk op bladzijde 92 van het lesboek bron 36. Hoe laat deze foto zien dat het voor Nederlanders makkelijk is om te reizen in de EU? Noem nog twee voordelen van de EU voor Nederlandse toeristen. 1 2 reizen leren en werken Europese identiteit Er is een speciaal loket voor mensen met een EU-paspoort (dus ook Nederlanders). Met de euro kun je in verschillende Europese landen betalen. Het noodnummer is in alle landen van de EU hetzelfde. 4a opdracht 4 Lees op bladzijde 92 van het lesboek de tekst Europese identiteit. Lees de tekst in figuur 1. Waarom mocht Margit niet zeggen: De Fransen doen vervelend?. 4b Ben je het eens met de leraar van Margit? 4c Omdat het niet belangrijk is dat ze Frans zijn, maar dat ze vervelend doen. Eigen antwoord. Leg uit hoe een Europese school kan bijdragen aan de vorming van een Europese identiteit. Als je met leerlingen uit verschillende landen in de klas zit, leer je die kinderen goed kennen. Je ziet dan dat je meer overeenkomsten hebt dan verschillen. Je gaat je verbonden voelen met andere Europeanen. Figuur 1 Voor de kinderen van Europese ambtenaren is een Europese school opgericht. Daar zitten kinderen uit verschillende Europese landen bij elkaar in de klas. Oud-leerling Margit Kröner vertelt: Als je ruzie had met een paar Franse kinderen, mocht je niet zeggen: De Fransen doen vervelend!. Daar was Voogt (de leraar) streng in. Hij zei dan: Je mag zeggen: Jean-Pierre, en Annemarie, en weet ik veel wie. Maar dé Fransen, daar heb je geen ruzie mee, want zij waren er niet allemaal bij. Dat generaliseren werd je echt afgeleerd.

45 Thema 10 Europa Blok 4 Jij en Europa 45 opdracht 5 opdracht 6 5a 5b 5c Lees op bladzijde 92 van het lesboek bron 37. Welke symbolen van de EU ken jij? Eigen antwoord. Teken in figuur 2 de Europese vlag. Bedenk waarom het Europese volkslied geen tekst heeft. Bijv.: er worden heel veel verschillende talen 6a Bekijk op bladzijde 93 van het lesboek bron 38. Er is geen Europees voetbalteam. Stel je eens voor: de sterkste voetballers uit heel Europa verzameld in één elftal! Dat zou een heel sterk team zijn. Denk jij dat de twee Oranjefans op de foto ook supporters van dat Europese elftal zouden worden? Leg je antwoord uit. gesproken. In welke taal moet je de tekst dan Eigen antwoord. schrijven? En waar moet de tekst over gaan? 5d Welke symbolen van Nederland ken jij? 5e feestdagen: Eigen antwoord. vlag: Eigen antwoord. lied: Eigen antwoord. Bedenk: waarom hebben landen hun eigen symbolen? Daarmee bevestigen landen hun identiteit. 6b Zouden Nederlanders de kleur oranje willen inruilen voor een blauw pak met gouden sterren, denk je? 6c Eigen antwoord. Het zou wel wennen zijn, omdat oranje al een lange traditie heeft. Maar het kan best. Tegen welk team zou dat Europese elftal moeten spelen? 5f 5g Wat is er volgens jou nog meer nodig om van een land een land te maken waarmee de inwoners zich verbonden voelen? Eigen antwoord. Bijvoorbeeld: dezelfde taal spreken, een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, nationale helden hebben. Lukt het de EU om op een land te lijken? Nee, Europeanen voelen zich niet erg Europees. De Dag van Europa is heel onbekend. Figuur 2 6d Welk symbool van de Unie (lees bron 37 nog maar eens) past het best bij al die nationale voetbalteams met hun supporters? 7a 7b Eigen antwoord. Bijvoorbeeld tegen het Afrikaanse team, Team Noord-Amerika, team Zuid-Amerika. Eenheid in verscheidenheid. opdracht 7 verdieping Bekijk figuur 3 op de volgende bladzijde. Voor welke twee zaken heeft de Europese Unie de grootste betekenis vinden Europeanen? 1 Vrij reizen, studeren en werken in de EU. 2 De euro. Belangrijke doelen van de EU zijn de vrede en welvaart in Europa bevorderen. Hebben de EU-burgers het idee dat de EU veel betekenis heeft op die gebieden? Nee, vrede staat nog wel redelijk hoog, maar welvaart staat heel laag in het rijtje met de betekenis van de EU.

46 46 Wat betekent de Europese Unie voor u persoonlijk? Vrijheid om te reizen, studeren en werken overal in de Europese Unie Euro Geldverspilling Vrede Democratie Culturele diversiteit Meer macht in de wereld Bureaucratie Onvoldoende grenscontrole Meer criminaliteit Verlies van culturele identiteit Economische voorspoed Sociale bescherming 25% 24% 23% 23% 23% 21% 17% 14% 13% 13% 10% 40% 45% Figuur 3 Bron: Eurobarometer opdracht 8 opdracht 9 8a Voel jij je een Europeaan? Nummer de volgende zeven begrippen. Plaats een 1 bij het begrip dat volgens jou het best bij jou past. Eigen antwoorden Wereldburger Europeaan Nederlander inwoner van de provincie inwoner van de stad inwoner van de wijk anders, namelijk: 8b Vergelijk jouw top 7 met die van andere leerlingen in de klas. Wat valt op? Eigen antwoord. Bekijk de figuren 4 en 5. 9a Maak van de gegevens in figuur 4 een staafdiagram in figuur 5. 9b Het aantal mensen dat heeft gestemd voor de Tweede Kamer is tussen 1981 en 2010 afgenomen / stabiel gebleven / toegenomen. 9c Het gemiddelde ligt rond de 80 %. Het aantal mensen dat heeft gestemd voor het Europese Parlement is tussen 1979 en 2009 afgenomen / stabiel gebleven / toegenomen. Het gemiddelde ligt rond de 45 %. 9d Hoe groot is het verschil in de gemiddelde opkomst bij de Nederlandse en Europese verkiezingen? 9e 35% Wat zegt dit over hoe belangrijk kiezers het Europese Parlement vinden? De kiezers vinden het parlement niet zo belangrijk, want de opkomst bij de verkiezingen 9f is veel lager dan bij de Tweede Kamer. Vind jij dat terecht? Leg je antwoord uit. Eigen antwoord.

47 Thema 10 Europa Blok 4 Jij en Europa 47 Jaar Verkiezingen Verkiezingen Tweede Kamer Europees Parlement ,8% % % ,6% ,8% ,3% 47,2% ,8% 35,6% ,3% % ,1% % ,3% ,4% ,5% ,4% Figuur 4 Gegevens over de opkomst in Nederland bij verkiezingen van de Tweede Kamer en van het Europese Parlement. opdracht 10 Bekijk op bladzijde 93 van het lesboek bron a In welke twee landen zijn de meeste inwoners het eens met de stelling? Finland en Denemarken. 10b In welk land zijn de meeste inwoners het oneens met de stelling? Polen. 10c De bevolking van de landen bij vraag 10a zijn minder godsdienstig dan in het land van vraag 10b. Bedenk hoe godsdienst een rol kan spelen in de opvatting over werkende moeders. Eigen antwoord. Sommige religies geloven in verschillende taken voor man en vrouw. 10d Zal het moeilijk zijn om over het recht om te werken van vrouwen regels op te stellen die voor heel Europa gelden? Ja, dat zal moeilijk zijn. Omdat er in de verschillende Europese landen andere opvattingen heersen over vrouwen die werken. Figuur 5 Staafdiagram over de opkomst in Nederland bij verkiezingen van de Tweede Kamer en van het Europese Parlement. % Tweede Kamer Europees Parlement

48 48 opdracht 11 De Europese identiteit is niet Lees op bladzijde 93 van het lesboek bron a Waarom werd de Britse staat veroordeeld door het Europese Hof? 11b Leg uit dat dit voorbeeld laat zien dat een Europese wet boven een nationale wet gaat. a De Britse staat mag geen lijfstraffen toestaan. De Britse staat werd door het Europese hof veroordeeld, omdat het nog lijfstraffen toestond. opdracht 12 Bekijk GB 86A en GB 86D (BB ). 12a In welke drie Europese landen voelen de inwoners zich het meest Europeaan? Bosnië 12b Noem twee landen waar het vertrouwen in de Europese Unie het grootst is. 1 België Zwitserland Kies uit: Portugal, Italië, Hongarije, 2 Moldavië en Albanië. 12c Noem twee landen waar het vertrouwen in de Europese Unie het laagst is. sterk: mensen voelen zich vooral verbonden met hun land, en de opkomst bij Europese verkiezingen ook grote verschillen is laag. Er zijn in normen en waarden tussen de Europese landen. De EU richt zich steeds meer op jongeren. Als zij meer van elkaar weten, wordt samenwerken binnen Europa makkelijker. opdracht 15 deelvraag De deelvraag is: Wat betekent Europa voor jou? 15a Voel jij je Europeaan? Eigen antwoord. 15b Noem ten minste drie zaken die Europa regelt waar jij mee te maken hebt. 1 2 Bijvoorbeeld: Je kunt reizen, werken en studeren in andere landen van de EU. De EU maakt veel regels die in Nederland gelden. 3 Je betaalt met de euro. Bb 1 2 Kies uit: Groot-Brittannië, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en Servië. opdracht 13 ga naar en maak de opdracht Europese uitwisseling. opdracht 14 op een rij Maak de volgende zinnen af. Door de vorming van de Europese Unie kun je makkelijker reizen in Europa. Met een Europees paspoort kun je zonder controle de grens tussen EU-landen over. En in veel landen Kennen en kunnen Als je klaar bent met dit blok kun je: uitleggen op welke drie manieren de EU reizen in Europa makkelijker maakt. uitleggen wat de EU doet om jongeren te betrekken bij Europa. uitleggen waarom de Europese identiteit niet sterk is ontwikkeld. met een voorbeeld uitleggen dat een Europese wet ook op jouw leven invloed heeft. Eigen onderwerp. van de EU kun je met de euro betalen. Ga naar:

49 Thema 10 Europa Blok 4 Aantekeningen 49

50 50 Eindsprint opdracht 1 Maak het schema in figuur 1 compleet. Figuur 1 1a 1b Vul de woorden waarvan al een letter is gegeven aan. Zet de volgende woorden op de goede plek. loopgravenoorlog 1939 welvaart oorlogsschade Europese Unie 1929 democratie Joden 1942 D-day koloniën Marshallhulp Koude vrede werken 27 eurocommissaris Europees Parlement invoerheffingen euro EUROPA Eerste Wereldoorlog Oorzaken: n ationalisme b ondgenootschappen tussen landen Duitsland had geen koloniën. Soort oorlog: loopgravenoorlog Einde: Duitsland verliest en moet de oorlogsschade betalen. Tweede Wereldoorlog In 1929 : economische crisis, extra zwaar in Duitsland. Hitler aan de macht: einde aan de democratie, begin van vervolging van Joden. In 1939 begint Hitler de Tweede Wereldoorlog. In 1942 begint Japan oorlog in Oost-Azië. 1944: D-day : grote geallieerde invasie. Na de oorlog VS bieden Europa hulp aan voor wederopbouw: Marshallhulp, ook aan D uitsland. Scheiding West- en Oost-Europa: Koude Oorlog Europese samenwerking Doel: vrede en welvaart. Samenwerking heet sinds 1993: Europese Unie. Aantal landen in 2012: 27. Bestuur Europese Commissie: Elk land levert een eurocommissaris. Bedenkt w etten. C ontroleert of landen zich aan de wetten houden. Europees Parlement : Gekozen door de burgers. Stemt over wetsvoorstellen. Raad van de Europese Unie: Bestaat uit m inisters uit de lidstaten. Wat regelt de EU? Eén munt: euro Open grenzen: Personen mogen binnen de EU vrij reizen. Er zijn binnen de EU geen invoerheffingen. Spaargeld mag je in een ander land op een rekening zetten. EU-burgers mogen in alle landen van de EU werken. Stemt over wetsvoorstellen.

51 Thema 10 Europa Eindsprint 51 Eerste Wereldoorlog Tweede Wereldoorlog Koude Oorlog C A D E B F Figuur 2 2a 2b 2c 2d opdracht 2 Bekijk op de bladzijden 142 en 143 van het lesboek de Tijdwijzer. Bekijk de tijdbalk in figuur 2. Kleur de volgende perioden met een eigen kleur op de tijdbalk. Eerste Wereldoorlog: Tweede Wereldoorlog: Koude Oorlog: Zoek de jaartallen van de volgende gebeurtenissen in de Tijdwijzer en in blok 3. A economische crisis: B EEG opgericht: C Russische revolutie: D Hitler aan de macht: E EGKS opgericht: F EU opgericht: 1993 Zet de letters van de gebeurtenissen uit vraag 2b op de juiste plaats in de tijdbalk van figuur 2. Een belangrijk doel van de Europese samenwerking was het voorkomen van oorlog. Hoe lang is er al vrede in Europa? Sinds c a 3a 3b opdracht 3 Deze opdracht doe je met z n tweeën. Gebruik de atlas. Gebruik de kaart in figuur 3. Een van jullie noemt de namen van de landen die bij de letters a t/m z horen. De ander kijkt in de atlas of het antwoord klopt. Draai nu de rollen om en doe hetzelfde voor de nummers 1 t/m 20 van de steden in Europa. Figuur 3

52 52 Begrippen antisemitisme (blok 1 LB blz. 76) Haat tegen Joden. Antisemitisme werd door Hitler enorm aangewakkerd. bondgenootschap (blok 1 LB blz. 74) Afspraken tussen twee landen dat zij elkaar zullen helpen als een van beide aangevallen wordt. Frankrijk, Engeland en Rusland vormden voor de Eerste Wereldoorlog een bondgenootschap. communisme (blok 3 LB blz. 86) Economisch systeem waarin de staat de eigenaar is van de bedrijven en niet de ondernemers. China heeft een communistische economie. D-Day (blok 2 LB blz. 80) Dag (6 juni 1944) waarop de geallieerden een grote invasie in Frankrijk uitvoerden om Duitsland te verslaan. Na D-Day duurde het nog bijna een jaar voor de Geallieerden heel Europa hadden bevrijd. dictatuur (blok 1 LB blz. 77) Politiek systeem waarin één persoon of één partij alle macht heeft. Hitler maakte van Duitsland een dictatuur. Europese Commissie (blok 3 LB blz. 89) Het bestuur van de Europese Unie. In de Commissie zitten eurocommissarissen. De Europese Commissie heeft besloten tot een ophokplicht voor alle tamme vogels. Europese Economische Gemeenschap (EEG) (blok 3 LB blz. 88) Vroegere organisatie waarin een aantal Europese landen samenwerkten op economisch gebied. Het doel was vrede en welvaart voor alle Europeanen. In 1957 waren zes landen lid van de EEG. Europees Parlement (blok 3 LB blz. 89) Groep mensen die is gekozen door de Europese burgers om het bestuur van de Europese Unie te controleren. Het Europees Parlement stemt over alle wetsvoorstellen. Europese Unie (EU) (blok 3 LB blz. 88) Organisatie waarin een groot aantal Europese landen samenwerkt op economisch en politiek gebied. Het doel is vrede en welvaart voor alle Europeanen. In 2007 waren er 27 landen lid van de EU. IJzeren Gordijn (blok 3 LB blz. 87) Grens tussen Oost en West tijdens de Koude Oorlog. Dwars door Europa liep het IJzeren Gordijn. kapitalisme (blok 3 LB blz. 86) Economisch systeem waarin ondernemers eigenaar zijn van de bedrijven en niet de regering. De Verenigde Staten hebben een kapitalistische economie. Koude Oorlog (blok 3 LB blz. 87) Conflict tussen Oost en West ( ) waarbij geen geweld werd gebruikt. Tijdens de Koude Oorlog waren mensen in West- Europa bang voor een aanval met kernwapens vanuit de Sovjetunie. loopgraven (blok 1 LB blz. 75) Greppels waarin soldaten zich verschuilen om van daaruit de vijand te beschieten. De Eerste Wereldoorlog was een loopgravenoorlog. Marshallplan (blok 3 LB blz. 86) Plan van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken om Europa economisch te helpen met de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Met geld van het Marshallplan kon Nederland beginnen aan de wederopbouw.

53 Thema 10 Europa Begrippen 53 nationalisme (blok 1 LB blz. 74) Trots op je eigen land. Het nationalisme in Europa was een van de oorzaken voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. nazi (blok 1 LB blz. 76) Aanhanger van het nationaal-socialisme, de politieke leer van Hitler. Nazi s gaven de Joden de schuld van alle problemen in Duitsland. propaganda (blok 1 LB blz. 83) Reclame voor bepaalde politieke ideeën. Door propaganda gingen veel Duitsers geloven dat Hitler een goede leider was voor Duitsland. Raad van de Europese Unie (blok 3 LB blz. 89) Groep ministers uit alle EU-landen die stemt over alle wetsvoorstellen van de Europese Commissie. De ministers van Landbouw komen bijeen in de Raad van de Europese Unie om over een nieuwe landbouwwet te stemmen. supermacht (blok 3 LB blz. 86) Land dat erg veel politieke macht heeft. Tijdens de Koude Oorlog stonden de supermachten Verenigde Staten en Sovjetunie tegenover elkaar. Verenigde Naties (VN) (blok 3 LB blz. 89) Organisatie van landen uit de hele wereld met als doel de vrede en veiligheid in de wereld te bewaren. De Verenigde Naties hebben besloten een VN-leger naar Kosovo te sturen. wisselkoers (blok 3 LB blz. 88) De prijs die je voor buitenlands geld betaalt. De wisselkoers van de Amerikaanse dollar ten opzichte van de euro is hoog. Ga naar: rassenleer (blok 1 LB blz. 76) Theorie die stelt dat het ene ras beter is dan het andere. De nazi s waren aanhangers van een rassenleer.

54 54 Illustratieverantwoording Vormgeving & opmaak: Cartografie: Technisch tekenwerk: Beeldresearch: Foto omslag: In2vorm, Barchem EMK, Deventer In2Vorm, Barchem Lineair Fotoarchief, Arnhem Verbaal Bureau voor Visuele Communicatie, Velp Ognen Teofilovski / Reuters De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

55 Thema 10 Europa Illustratieverantwoording 55

56