Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid De sanitair installateur LEIDINGEN IN gresbuis
D E S A N I T A I R I N S T A L L A T E U R LEIDINGEN IN GRESBUIS FONDS VOOR VAKOPLEIDING IN DE BOUWNIJVERHEID Koningsstraat 45 1000 Brussel Tel.: (02) 210 03 33 Fax: (02) 210 03 99 www.debouw.be 1 info@fvbffc.be
Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid, Brussel, 2000. Alle rechten van reproductie, vertaling en aanpassing onder eender welke vorm, voorbehouden voor alle landen. D/1698/2000/19 2
VOORWOORD Toen het werkterrein van het Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid werd uitgebreid tot de Voltooiingssector, werden de verantwoordelijkheden per beroep verdeeld over werkgroepen: de FVB-secties. Binnen de FVB-sectie «Sanitaire Installaties, Kunststoffen en Gas» werd reeds van bij de aanvang be slist om een leerboek te ontwikkelen. In de loop van de werkzaamheden kreeg het leerboek eerder het ka rak ter van een naslagwerk voor opleiding. Met dit naslagwerk willen we een zo breed mogelijk publiek bereiken: de leerlingen, de volwassenen in opleiding, de opleiders, en last but not least... de sanitair installateur zelf. Ten behoeve van de lezer werd het naslagwerk opgedeeld in verschillende modules. Per afgeronde eenheid werd er telkens een boekje van een 40-tal pagina s opgemaakt. Voor diegenen die zich meerdere boekjes, of de volledige reeks willen aanschaffen, werd een bijbehorende map ontwikkeld, om de boekdelen in op te bergen. De volledige structuur van het naslagwerk vindt u op de keerzijde van de cover. We hopen met dit werk een bijdrage te leveren tot meer uniformiteit in de opleiding en zijn er van overtuigd dat de leerlingen of cursisten met dit werk op een aangename wijze kunnen kennismaken met het zo veelzijdige beroep van «Sanitair Installateur». We willen hierbij al de leerkrachten danken die hun bijdrage hebben geleverd om dit omvangrijk werk te realiseren, evenals de fi rma s die ons hebben geholpen bij de keuze van de illustraties en het corrigeren van sommige teksten. Speciaal willen we de heren N. De Pue ( ) (past-voorzitter L.B.I.S. - Beroepsfederatie Sanitair, Gas en Dakbedekking) en G. Wouters (honorair voorzitter, Verenigde Lood- en Zink be wer kers, Ant werpen) vermelden, die mee aan de wieg stonden van dit project en de verdere realisatie mogelijk maakten. Veel lees ple zier. Stefaan Vanthourenhout, FVB-Voorzitter. WERKGROEP Opmaak en eindredactie: De heer Michielsen (Keramo - Hasselt) De heer Guisson Coördinatie: De heer P. Becquevort 3
INHOUDSTAFEL MODULE III: LEIDINGEN HOOFDSTUK X: GRESBUIS X.1. TOEPASSINGEN... 6 X.1.1. Materiaal... 6 X.1.2. Dichtingen... 6 X.2. EIGENSCHAPPEN VAN HET MATERIAAL... 7 X.2.1. Fysische kenmerken... 7 X.2.2. Chemische bestendigheid... 7 X.2.3. Waterdichtheid van gres... 9 X.2.4. Hydraulische gladheid... 9 X.2.5. Kenmerken van dichtingen... 9 X.2.6. Temperatuur- en verouderingsbestendigheid... 10 X.2.7. Weerstand tegen wortelingroei... 10 X.2.8. Inschuifkracht... 11 X.2.9. Bodemgelijkheid... 11 X.3. PRODUCTENGAMMA... 12 X.3.1. Buizen met dichting K of KD... 12 X.3.2. Passtukken met dichting K of KD... 13 X.3.3. Booraansluitstukken met dichting KD... 13 X.3.4. Vertakking 45 met dichting K of KD... 14 X.3.5. Vertakking 90 met dichting K of KD... 15 X.3.6. Reukafsnijders met dichting KD... 16 X.3.7. Waterontvangers... 16 X.3.8. Sterfputten... 17 X.3.9. Aansluitings- en overgangsdichtingen... 18 X.3.9.1. Krimpmoffen voor tussenvoegingen of herstellingen... 18 X.3.9.2. Krimpmoffen voor aansluitingen... 18 X.3.9.3. Universele dichtingen... 19 X.3.9.4. P-ring... 19 X.3.9.5. B-ring... 19 X.3.10. Klembeugel... 20 X.3.11. Snijring... 20 X.3.12. Buizenknipper... 20 X.3.13. Inschuiftoestellen... 21 X.3.13.1. Buisinschuiftoestel... 21 X.3.13.2. Bochtinschuiftoestel... 21 X.4. CONTROLE VAN VERBINDINGEN... 22 X.4.1. Signaalrookmethode... 22 X.4.2. Controle op verval en doorstroming... 22 4
X.5. RIOLERINGEN VOOR WONINGEN EN VERBLIJFCENTRA... 23 X.5.1. Eisen... 23 X.5.1.1. Hygiënisch comfort... 23 X.5.1.2. Onderhoudsvriendelijkheid... 23 X.5.1.3. Milieuvriendelijkheid, nieuwe eisen aan huisriolering... 23 X.5.1.4. Bijkomende eisen aan het buismateriaal... 23 X.5.1.5. Aansluiting aan de openbare riolering en zuivering... 24 X.5.1.6. Vlotte, geurloze afvoer... 24 X.5.1.7. Chemische inertie... 24 X.5.2. Ontwerp... 24 X.5.2.1. Aansluiting standleiding op liggende leiding... 26 X.5.2.2. Beluchting van grondleidingen... 27 X.5.2.3. Ligging van grondleiding... 28 X.5.3. Aansluitingen... 29 X.5.3.1. Universele dichtingen... 29 X.5.3.2. Inspectiepunten... 29 X.5.3.2.1. Met gres-hulpstukken... 29 X.5.3.2.2. Met gres-controleput DN 400/150... 30 X.5.3.2.3. Met gres-inspectieput DN 800... 30 X.5.3.2.4. Betonput met doorlopende gresbuis... 30 X.5.3.2.5. Aansluitingen op betonputten... 31 X.5.3.3. Krimpmoffen... 31 X.5.3.4. Muurdoorgang... 32 X.5.3.5. Aansluitingen van enkele apparaten... 32 X.5.3.6. Aansluiting op de hoofdriolering... 34 X.5.4. Ontwerpvoorbeeld... 36 Foto s en illustraties : Keramo - Hasselt 5
HOOFDSTUK X: GRESBUIS X.1. TOEPASSINGEN X.1.1. MATERIAAL De gresrioleringen bieden weerstand tegen agressieve afvalwaters in het ganse PH-gebied, van extreem zuur tot extreem basisch (ph 0-14). Dit geldt ook voor sterk oxiderende zuren, zoals chroomzuur en salpeterzuur. Ook afvalwaters van hoge temperatuur (tot 90 o C) kunnen in gresleidingen worden opgevangen op voorwaarde dat men bepaalde inbouwregels respecteert (geen starre inbouw in beton). Het gresmateriaal wordt bij de productie op 1210 o C volledig dichtgesinterd, waardoor de wand ondoorlatend is. Zelfs solventen kunnen het gresmateriaal noch doordringen, noch aantasten. Bijgevolg is gres bij uitstek geschikt voor de afvoer van industriële afvalwaters. Gresbuizen zijn bovendien geëvolueerd naar hoge sterkteklassen, zodat ze tot vrij grote dieptes kunnen worden ingebouwd. Gresbuizen zijn zeer erosiebestendig. X.1.2. DICHTINGEN De standaarddichtingen (types K en KD) van de gresbuizen werden uitvoerig getest overeenkomstig de norm NBN EN 295. Deze dichtingen bestaan tot DN 200 mm uit rubber en voor DN 200 tot 800 mm uit polyurethaanharsen. Deze dichtingen worden aan strenge materiaalkeuringen onderworpen. Recent zijn er geglazuurde mofbuizen op de markt, waarbij ook DN 250 en 300 een rubberen dichting hebben KD-Dichting K-Dichting 6
X.2. EIGENSCHAPPEN VAN HET MATERIAAL X.2.1. FYSISCHE KENMERKEN Volumegewicht kn/m 3 22 Buigweerstand N/mm 2 30-40 Druksterkte N/mm 2 100-200 Lineaire uitzettingscoëffi ciënt K -1 5.10-6 Mohs-hardheid 7 Elasticiteitsmodulus N/mm 2 50.000 Warmtegeleidingscoëffi ciënt W/mK 1,2 X.2.2. CHEMISCHE BESTENDIGHEID Gres weerstaat aan alle chemische producten, die in afvalwater, in de omgevende grond of grondwater kunnen voorkomen of erin gevormd worden door chemische of biochemische processen. Enige aantasting is slechts mogelijk door waterstoffl uoride (HF), een product dat b.v. voor het etsen van glas wordt gebruikt. Deze hoge chemische bestendigheid geldt, bij wijze van voorbeeld, voor: geconcentreerde oxiderende zuren, geconcentreerde basen in de extreme ph-bereiken 0-0,5 en 13,5-14; alle organische zuren, die vaak agressiever zijn dan de courante anorganische zuren; solventen, aromaten, halogene koolwaterstoffen, ook deze die zwaarder zijn dan water en dus langere tijd met het buisoppervlak in contact kunnen blijven; genoemde chemicaliën bij hoge temperaturen; chemicaliën, die in de bodem kunnen aanwezig zijn (b.v. in zure humusgrond); bezoedelde gronden met industrieel verleden. Deze uiterst hoge chemische bestendigheid maakt gres zeer geschikt voor toepassingen in een industriële omgeving, in waterwinningsgebieden of wanneer er gevaar bestaat voor biogene zwavelzuurvorming welke cementgebonden riolen aantast. Ook huishoudelijke afvalwaters zijn agressiever geworden met name: door een hogere vuillast (bleekproducten, huishoudchemicaliën, hogere atmosferische zuurtegraad); door hogere temperaturen (intensiever gebruik van was- en vaatwasmachines); door hoger sulfaatgehalte afkomstig uit wasmiddelen, proteïneafbraak, drinkwater. Omdat men uitgestrekte rioleringsnetten is gaan bouwen, ontstaan langere verblijftijden met als gevolg: rotting, O 2 -gebrek. Dit alles betekent een verhoogd risico op biogene zwavelzuuraantasting. 7
Proef: chemische bestendigheid van gres Proefprocedures voor deze chemische bestendigheid zijn vastgelegd in EN 295-3 10. De te beproeven stalen worden vooraf op 150 C gedroogd tot er geen gewichtsverlies meer optreedt. Ze worden vervolgens gedurende 48 uur in 500 ml proefoplossing ondergedompeld bij 20 C. Giftige stoffen Bijtende stoffen De proefoplossingen zijn: H 2 SO 4 0,5 mol/l NaOH 1,0 mol/l Hierna worden de proefstukken gewassen en gekookt in gedistilleerd water, vervolgens weer gedroogd bij 150 C tot geen gewichtsverlies meer optreedt. Het eventuele gewichtsverlies t.o.v. de weging voor onderdompeling in de proefvloeistof wordt bepaald. De massaverliezen blijven kleiner dan 0,1 % of zijn meestal zelfs niet meer meetbaar. Waar verschillende producten samenkomen in een steeds warmere omgeving ontstaan verhevigde chemische reacties die in het riool tot corrosie leiden. 8
X.2.3. WATERDICHTHEID VAN GRES Gresbuizen en greshulpstukken laten vloeistoffen niet door de wand dringen. De waterabsorptie in de wand blijft zeer beperkt. Deze proef wordt in het fabriekslabo dagelijks uitgevoerd per diameter en per buistype. Routineproeven wijzen uit, dat deze wateropname in de wand, ten opzichte van de norm (0,07 l/m 2 ), een factor 10 lager ligt (0,007 l/m 2 ). X.2.4. HYDRAULISCHE GLADHEID: WANDRUWHEID EN BEDRIJFSRUWHEID Bij besprekingen over hydraulische ruwheden van rioleringen wordt vaak verwezen naar resultaten uit proeven met zuiver water. De praktijk met afvalwater levert echter andere waarden. Tevens dient men zich bewust te zijn van het onderscheid tussen de wandruwheid van het buismateriaal op zich en de bedrijfsruwheid van een rioleringsleiding uit ditzelfde materiaal. Bij een aantal rioleringsmaterialen kan de wandruwheid sterk evolueren in de tijd, namelijk: door verruwing van het buismateriaal, door erosie of chemische aantasting; door afzettingen of aanhechting van een microbiologische matrix bestaande uit een biologische slijmhuid, zandpartikels, biologische restproducten. Omdat gres niet erosiegevoelig is en een hard homogeen materiaal is, blijft de wandruwheid constant in de tijd. Het geglazuurd oppervlak zorgt voor een goede doorstroming. X.2.5. KENMERKEN VAN DICHTINGEN Gresbuizen met rubberdichtingen (KD) zijn waterdicht bij 1,0 bar. De polyurethaandichtingen houden probleemloos 2,4 bar druk. Dit laatste is een eis die b.v. in waterwinningsgebieden in Duitsland wordt gesteld. 9
Aan de EN-norm van dichtheid bij 0,5 bar bij in- en uitwendige waterdruk wordt dus ruim voldaan. De dichtheidsproeven worden uitgevoerd op twee in elkaar geschoven buizen. Deze opstelling wordt aan de uiteinden met deksels afgesloten, met water gevuld en volledig ontlucht. Proef: dichtheid bij hoekverdraaiing De hoger besproken dichtheidseis dient ook vervuld te worden, wanneer twee buizen in de verbinding t.o.v. elkaar geheld worden tot volgende hoekverdraaiingen in mm/m. Uit proeven blijkt dat, door de ruim gedimensioneerde moffen en dichtingen, veel grotere hoekverdraaiingen mogelijk zijn dan deze vermeld in onderstaande tabel. DIAMETER HOEKVERDRAAIING DN o mm/m (graden) 100 tot 200 80 4,6 250 tot 500 30 1,7 600 tot 800 20 1,1 > 800 10 0,6 X.2.6. TEMPERATUUR- EN VEROUDERINGSBESTENDIGHEID Tijdens deze tests worden dichtingsmaterialen aan hoge temperaturen onderworpen, hierna moeten ze nog waterdicht zijn. Volgende tests worden uitgevoerd: buizen met dichtingen worden onderworpen aan een reeks temperatuurswisselingen van 10 tot +70 o C; buizen met dichtingen blijven gedurende zeven dagen met water van 45 o C gevuld; naast labo-onderzoek heeft de aanwending in de praktijk in tropische omstandigheden de hoge temperatuurbestendigheid van de standaarddichtingen aangetoond; testen wezen uit dat zelfs watertemperaturen van 90 o C geen probleem stelden. Het intact blijven van de dichting bij de langdurige waterbadtest van 70 o C (in- en uitwendig) is een bijkomende interne routinetest. Wanneer plotselinge temperatuurswisselingen kunnen optreden is het belangrijk dat de gresbuis niet star wordt ingebouwd. X.2.7. WEERSTAND TEGEN WORTELINGROEI De dichtingsprofielen zijn zodanig ontworpen dat zelfs sterk wortelende gewassen niet door de dichting dringen. De test waarbij naast de dichting een puntvormige belasting wordt aangebracht die de 10
dichting eenzijdig vervormt met een belasting van 25 N per mm inwendige buisdiameter geldt als het bewijs voor deze worteldichtheid X.2.8. INSCHUIFKRACHT Teneinde een gemakkelijke montage te verzekeren worden dagelijks maatcontroles uitgevoerd. Regelmatig worden ook de inschuifkrachten opgemeten. Door de elasticiteit van de dichting en de nauwkeurige maatvoering van mof en spie zijn buizen gemakkelijk door middel van een hefboom inschuifbaar. Hierbij steeds neutraal glijmiddel gebruiken. X.2.9. BODEMGELIJKHEID Bij buizen vanaf DN 200 is op elke buis een kruinstip aangebracht De buizen moeten met deze markering naar boven in de sleuf worden gelegd. Dit garandeert dat trapjes in de verbindingen tussen 2 buizen tot een minimum beperkt blijven, zodat een homogene doorstroming ontstaat. De maximaal toegelaten trapjes (Δ a) zijn in de norm beschreven en bedragen: DN Δ a < 300 5 mm 300 < DN < 600 6 mm > 600 1 % van de binnendiameter in mm Vloeilijn asp am Δ a a 11
X.3. PRODUCTENGAMMA X.3.1. BUIZEN MET DICHTING K OF KD KD K dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Spiematen mm mm mm mm mm mm mm mm mm mm s 1 (wanddikte) 15 16 17 20 22 25 27 30 39 44 max. afw. (±) op s 1 1,5 1,5 1,5 2 3 3 3 4 4 5 d 1 (binnendiameter) 100 126 151 202 252 302 352 402 503 603 max. afw. (±) op d 1 4 4 5 5 6 7 7 8 9 12 d 3 (buitendiameter) 131 159 186 242 296 350 404 460 581 687 max. afw. (±) op d 3 3 3,5 4 5 6 7 7 8 9 12 d 7 (buitendiameter) K-dichting (± 0.4) 320,4 374,9 430,4 486,4 608,1 723,1 Mofmaten mm mm mm mm mm mm mm mm mm mm d 8 (buitendiameter) max.) 200 230 260 330 390 460 510 580 730 860 m 1 (mofdiepte max.) 70 70 75 85 70 70 70 70 75 80 Δ L = ± Δ (L 1 L 2 ) 45 47 50 60 62 65 70 80 80 80 Nuttige lengte L 1 (m) en gewicht kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg per buis (kg) 1,00 m 14 19 22 39 1,25 m 17 23 28 1,50 m 32 57 2,00 m 74 103 145 182 225 350 466 Paletinhoud in m per buislengte m m m m m m m m m m 1,00 m 98 (1) 72 (1) 50 (1) 28 1,25 m 113,75 82,5 56,25 1,50 m 67,50 42 1,50 m 75,00 2,00 m 56 36 30 24 16 18 18 (1) 2 deelpakketten in 1 palet. 12
X.3.2. PASSTUKKEN MET DICHTING K OF KD (1) dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Mofstuk (lengte + gewicht) kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg L 1 = 15 cm 4 (5) 5 (5) 7 8 L 1 = 30 cm 6 (5) 7 (5) 10 15 L 1 = 37,5 cm (2) 9 (5) 15 25 (5) 30 (5) 37 (5) 45 (5) 50 (5) 55 (5) L 1 = 50 cm (2) 8 11 15 22 31 (5) 42 (5) AZ L 1 = 75 cm (2) 9 13 (5) 19 30 43 50 72 93 140 192 GE L 2 = 25 cm (3) 16 25 32 44 57 75 110 132 Spiestuk (lengte + gewicht) kg kg kg kg kg kg kg kg kg kg L 1 = 17 cm (4) 3 L 1 = 37,5 cm (2) 25 (5) 30 (5) 37 (5) 45 (5) 50 (5) 55 (5) AA L 1 = 75 cm (2) 25 32 44 57 75 110 132 (1) Voor andere mof- en spiematen, zie buismaten N. Nuttige lengte L 1 = L 2 + Δ L (voor Δ L, zie buismaten N). (2) Om de hechting van mortel of beton op geglazuurde oppervlakken te verbeteren, wordt aanbevolen snel cement (superbond) te gebruiken. (3) GE-stukken zijn aansluitstukken, buitenkant ongeglazuurd, om in te betonneren in putten. (4) Binnen- en buitenkant ongeglazuurd. (5) Leverbaar op aanvraag. X.3.3. BOORAANSLUITSTUKKEN MET DICHTING KD (1) (te combineren met B-ring) dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 B-stuk L 1 (cm) 12 15 Gewicht (kg) 6 10 Booropening (mm) 200 257 Stuks per kist 55 32 (1) Is steeds normaalwandig (N). 13
X.3.4. VERTAKKING 45 MET DICHTING K OF KD (nr. 7) dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K Hoofdbuis = DN (1) 100 125 (3) 150 200 200 250 300 350 400 500 (4) 600 (4) 700 800 DN (2) 2 = 100, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 400 400 400 500 L 4 (mm) 290 300 300 370 L 5 (mm) 280 300 300 360 a max. (mm) 220 220 220 220 e (mm) 100 100 100 120 Gewicht/stuk (kg) 12 24 16 26 Stuks/kist 28 20 18 10 DN (2) 2 = 125, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 400 400 (3) 500 (3) L 4 (mm) 300 280 (3) 310 (3) L 5 (mm) 300 300 (3) 320 (3) a max. (mm) 270 270 (3) 270 (3) e (mm) 75 100 (3) 1165 (3) Gewicht/stuk (kg) 15 18 27 Stuks/kist 20 16 9 DN (2) 2 = 150, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 500 500 500 500 600 600 750 750 L 4 (mm) 320 350 380 390 480 495 650 650 L 5 (mm) 310 350 350 400 450 475 490 670 a max. (mm) 275 275 275 275 275 275 275 275 e (mm) 130 120 100 115 200 225 200 150 Gewicht/stuk (kg) 21 28 37 48 63 79 144 163 Stuks/kist 12 8 8 8 6 6 4 4 DN (2) 2 = 200, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 600 600 600 600 600 750 750 L 4 (mm) 400 420 480 465 515 690 650 L 5 (mm) 400 420 490 460 545 660 680 a max. (mm) 315 315 315 315 315 315 315 e (mm) 145 130 125 125 135 240 Gewicht/stuk (kg) 41 46 56 68 81 135 170 Stuks/kist 7 8 8 6 6 4 4 (1) DN = hoofdbuis. (2) DN 2 = spruitstuk = inloopstuk. (3) Leverbaar op aanvraag. (4) Geboord en gekleefd, op aanvraag. 14
X.3.5. VERTAKKING 90 MET DICHTING K OF KD (nr. 6) (1) dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K Hoofdbuis = DN (2) 100 125 (4) 150 200 200 250 300 350 400 500 (5) 600 (5) 700 800 DN (3) 2 = 100, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 400 400 400 500 L 4 (mm) 160 160 170 180 L 5 (mm) 120 140 160 190 a max. (mm) 125 135 135 140 e (mm) 165 165 145 250 Gewicht/stuk (kg) 12 14 16 26 Stuks/kist 30 22 20 10 DN (3) 2 = 125, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 400 (4) 400 (4) 500 (4) L 4 (mm) 175 (4) 180 (4) 180 (4) L 5 (mm) 145 (4) 150 (4) 185 (4) a max. (mm) 145 (4) 150 (4) 140 (4) e (mm) 130 (4) 130 (4) 220 (4) Gewicht/stuk (kg) 15 18 27 Stuks/kist 22 16 10 DN (3) 2 = 150, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 400 500 500 600 600 (4) 600 750 750 L 4 (mm) 180 180 200 220 230 (4) 240 260 250 L 5 (mm) 160 195 240 240 300 (4) 350 325 440 a max. (mm) 140 140 145 165 150 (4) 160 165 160 e (mm) 115 190 165 275 275 (4) 270 375 375 Gewicht/stuk (kg) 21 28 39 52 62 66 133 160 Stuks/kist 16 9 6 8 6 6 4 4 DN (3) 2 = 200, = inloopstuk met dichting KD L 1 (mm) 500 600 600 600 750 750 L 4 (mm) 205 240 230 250 310 270 L 5 (mm) 185 235 280 370 410 390 a max. (mm) 150 165 175 175 170 165 e (mm) 140 150 220 210 355 335 Gewicht/stuk (kg) 41 44 55 73 130 170 Stuks/kist 8 6 6 6 4 4 (1) Voor mof- en spiematen en Δ L, zie buismaten N. (2) DN = hoofdbuis. (3) DN 2 = spruitstuk = inloopstuk. (4) Leverbaar op aanvraag. (5) Boren en kleven. Op aanvraag : vertakking 90 250/250, 300/300, 400/400, 500/500, 600/600. 15
X.3.6. REUKAFSNIJDERS MET DICHTING KD dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Nr. 17 (1) (1) (1) L 1 (mm) 575 571 675 835 L 2 (mm) 275 280 310 405 L 3 (mm) 237 238 360 348 L 4 (mm) 279 280 342 470 Nr. 18 (1) (1) L 1 (mm) 525 598 670 857 L 3 (mm) 225 242 250 325 Nr. 29 op aanvraag Nr. 31 op aanvraag (1) Leverbaar op aanvraag. X.3.7. WATERONTVANGERS (1) (WATERSLOKKERS) BI BJ dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K Hoofdbuis DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 BI (DN 2 = 100 of 150) L 1 (mm) 1000 1000 L 2 (mm) 575 575 Gewicht/stuk 110 155 BJ (DN 2 = 100 of 150) L 1 (mm) 700 700 L 2 (mm) 325 325 L 3 (mm) 450 450 Gewicht/stuk 77 109 (1) Leverbaar op aanvraag. 16
X.3.8. STERFPUTTEN (1) dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Nr. 26 : inlaatsectie 15 x 15 A (mm) 185 228 B (mm) 405 420 C (mm) 300 325 D (mm) 340 370 Gewicht/stuk 16 20,5 Stuks/kist 24 16 Nr. 32 : inlaatsectie 15 x 15 A (mm) 221 180 B (mm) 412 410 C (mm) 370 320 D (mm) 412 355 E (mm) 230 205 Gewicht/stuk 19,5 24 Stuks/kist 13 Nr. 39 : inlaatsectie 15 x 15 A (mm) 208 B (mm) 396 C (mm) 320 D (mm) 370 F (mm) 233 Gewicht/stuk 20,5 29,5 Stuks/kist 8 (1) Leverbaar op aanvraag. 17
X.3.9. AANSLUITINGS- EN OVERGANGSDICHTINGEN X.3.9.1. KRIMPMOFFEN VOOR TUSSENVOEGINGEN OF HERSTELLINGEN KR 1 en KR 5 : krimpmoffen in hulsvorm KR 2 : open krimpmoffen voor spie-spie verbinding. KR 3 : open krimpmoffen voor spie-mof verbinding. Bij bestellingen van KR 1, KR 2 en KR 3 moet de nominale buisdiameter vermeld worden. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 KR 1 = huls (s-s) (1), lengte vóór krimp L = 450 mm X X KR 2 = open (s-s) (1), lengte vóór krimp L = 450 mm X X X X X X X X X X X KR 3 = open (s-m) (2), lengte vóór krimp L = 600 mm X X X X X X X X KR 5 = huls (s-s) (2) of (s-m) (2), lengte vóór krimp L = 315 mm X X X (1) (s-s) = spie-spie verbinding. (2) (s-m) = spie-mof verbinding. X.3.9.2. KRIMPMOFFEN VOOR AANSLUITINGEN KR 1 -KR 5 -KR 6 krimpmoffen met extra krimpvermogen voor spie-spie verbindingen tussen buizen van verschillende buisdiameters en buizen al of niet vervaardigd uit verschillende materialen. Door hun groot krimpvermogen kunnen de KR 5 en KR 6 gebruikt worden voor verschillende gresdiameters en wel deze aangeduid met X. Bij de bestelling hoeven deze diameters dan verder niet te worden vermeld. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 KR 0 = huls (s-s) (1) buisbuitendiameter max. - min. : 80-154, lengte vóór krimp L = 315 mm X KR 1 = huls (s-s) (1) buisbuitendiameter max. - min. : 240-175, lengte vóór krimp L = 450 mm X KR 5 = huls (s-s) (1) buisbuitendiameter max. - min. : 190-105, lengte vóór krimp L = 315 mm X X X KR 6 = huls (s-s) (1) buisbuitendiameter max. - min. : 310-173, lengte vóór krimp L = 315 mm X X X (1) (s-s) = spie-spie verbinding. 18
X.3.9.3. UNIVERSELE DICHTINGEN Voor de aansluiting van alle buismaterialen, in alle diameters kleiner dan de gresdiameter waarop wordt aangesloten. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 X X X X.3.9.4. P-RING Ter vervanging van de zachte polyurethaandichting op het spie-einde van de buizen. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 (1) 250 (2) 300 (2) 350 (1) 400 (2) 500 (2) 600 (2) 700 800 (1) Enkel voor N-buizen. (2) Te specifi ceren voor N- of V-buizen. X X X X X X X.3.9.5. B-RING Wordt in booropening geplaatst voor aansluiting DN 150 en 200 mm op hoofdbuizen vanaf DN 300 mm. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Boorgatopening 200 à 257 à (mm) 201 258 19
X.3.10. KLEMBEUGEL Voor het stevig verankeren van gresafsluitdeksels bij het uitvoeren van de dichtheidsproef. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 X X X X X.3.11. SNIJRING Voor het op maat knippen van buizen op de werf. Voor elke met een X aangeduide diameter bestaat een ander snijringtype. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 X X X X.3.12. BUIZENKNIPPER Snijketting voor het op maat knippen van buizen op de werf. Eén type kan voor alle met X aangeduide diameters gebruikt worden. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 Type 246 X X X Type 246 L X X X X X X Type 246 L + verlengstuk X X X X X X X X 20
X.3.13. INSCHUIFTOESTELLEN X.3.13.1. BUISINSCHUIFTOESTEL Dit toestel vergemakkelijkt het inschuiven van een gresbuis bij moeilijke sleufomstandigheden. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 X X X X X.3.13.2. BOCHTINSCHUIFTOESTEL Dit toestel vergemakkelijkt het inschuiven van gresbochten bij moeilijke sleufomstandigheden. dichting KD KD KD KD K K K K K K K K K DN 100 125 150 200 200 250 300 350 400 500 600 700 800 X X X X 21
X.4. CONTROLE VAN VERBINDINGEN Door middel van verhoogde druk kunnen verbindingen of vermoede lekken op dichtheid getest worden. Deze methode kan met een camera-onderzoek worden gecombineerd. X.4.1. SIGNAALROOKMETHODE De Signaalrook -methode is nuttig voor het opsporen van niet gekende aansluitingen, geurproblemen en verkeerde aansluitingen van regenafvoerpijpen op een vuilwaterriool. Fout Goed Signaal-Rookgenerator Regenpijp Combinatie van cameraonderzoek met aftesten van dichtingen Signaalrookmethode X.4.2. CONTROLE OP VERVAL EN DOORSTROMING Een controle op helling en doorstroming is b.v. nuttig om slibafzetting na te gaan. Met dit systeem kan men onder grote lengte (400 m) in een gevulde buis verhang en afzetting onderzoeken. Twee sensoren, de ene drijvend en de andere slepend, worden door middel van een vooraf ingebrachte treklijn door de buis ge trokken. Deze sensoren geven hun signalen door, die in de computer met vaste parameters vergeleken worden. Controle op verval en afzetting 22
Besluit Een waaier van onderzoekstechnieken staat momenteel ter beschikking als hulp- en controlemiddel voor een doordacht riool- en leidingsbeheer. Visuele gedetailleerde inspectie met videocamera is erop gericht kwaliteitsgegevens te verzamelen die, in het kader van rioolbeheer, basisparameters vormen voor verdere maatregelen. Hierdoor kunnen beleidslijnen opgesteld worden, die een doelmatig rioolbeheer op lange termijn mogelijk maken. X.5. RIOLERINGEN VOOR WONINGEN EN VERBLIJFSCENTRA X.5.1. EISEN X.5.1.1. HYGIËNISCH COMFORT Snelle afvoer van het afvalwater naar de hoofdriolering. Geen geurhinder, geluidshinder, binnendringen van schuim, vochtproblemen. X.5.1.2. ONDERHOUDSVRIENDELIJKHEID Mag niet falen, hoge sterkte van buis en hulpstukken. Lange levensduur. Goede doorstromingskarakteristiek, zodat de leiding verstoppingsvrij blijft. Geen kalk- of zeepsteenaanlading, en indien dat wel gebeurt, moet die gemakkelijk kunnen verwijderd worden zonder risico op doorboring van de buiswand. X.5.1.3. MILIEUVRIENDELIJKHEID, NIEUWE EISEN AAN HUISRIOLERING Volledig dicht (wand en dichting), ook ten opzichte van drukstoten vanuit de woning of vanuit het openbaar net. Zo komt men in de toekomst niet voor zware kosten te staan voor grondreiniging. Zo wordt ook het droogvallen van leidingen verhinderd, wat immers tot verstoppingen zou kunnen voeren. Zo wordt voorkomen, dat terrassen of opritten gaan verzakken door een afvalwaterleiding, die een drainageleiding is geworden. Buismateriaal uit natuurlijke grondstof. Omdat het watertarief in de toekomst sterk zal stijgen, verdient het aanbeveling zich niet te snel van dakwater te ontdoen (regenput met pomp die toilet, wasmachine... bedient, infiltratievoor zieningen die grondwater aanrijken). X.5.1.4. BIJKOMENDE EISEN AAN HET BUISMATERIAAL Temperaturen van 60 à 70 C kunnen verdragen, ook op lange termijn. Blijvend dicht bij 0,5 bar (5 m waterkolom). Een asverschuiving van 3 cm moet spanningsvrij door het buismateriaal kunnen worden opgevangen. 23
X.5.1.5. AANSLUITING AAN DE OPENBARE RIOLERING EN ZUIVERING Slechts voor zeer afgelegen wooneenheden is het nog toelaatbaar dat niet op een openbare riolering kan worden aangesloten. Afvalwater hoort in een zuiveringsstation te worden gezuiverd. X.5.1.6. VLOTTE, GEURLOZE AFVOER Het ergert ons, wanneer een toilet of bad slechts langzaam het afvalwater afvoert. Belangrijk daarbij zijn: juiste dimensionering van lozingstoestellen, overlopen, leidingdiameters, hellingen. Misselijk wordt men helemaal wanneer periodisch stankhinder optreedt: door middel van een goed ontwerp, vooral ter hoogte van overgangen van verticale naar liggende leidingen, moet dit vermeden worden. Te hoge onder- of overdrukken mogen niet voorkomen (luchtinsluiting). Geluidshinder en het binnendringen van rioolgassen zijn hoogst onaangenaam. Een juiste ontluchting van het afvoer stelsel, gecombineerd met goed gedimensioneerde leidingen, kan u deze ellende besparen. X.5.1.7. CHEMISCHE INERTIE Gresbuizen zijn chemisch inert. Ze worden niet aangetast door agressieve chemicaliën (b.v. chloorhoudende producten, naftol of fenol bevattende WC-blokjes, condensaat van stookketels) of door oplosmiddelen in verven of beitsen. Ze laten deze stoffen niet doorheen de wand filtreren, zodat er geen gevaar bestaat voor grond- of grondwaterverontreiniging. X.5.2. ONTWERP 24
25
X.5.2.1. AANSLUITING STANDLEIDING OP LIGGENDE LEIDING De aansluiting van een standleiding op een grondleiding dient bij voorkeur te gebeuren met twee bochten van 45 en met een tussenstuk. Om grote drukverschillen te vermijden, mag men voor leidinghoogtes < 10 m binnen 1 m van de standleiding en binnen 1 m van de liggende leiding geen verdere aansluitingen voorzien. 1 m 1 m 1 m 1 m Niet toegelaten bereiken voor aansluitingen 26
Voor standleidingen > 10 m bedraagt dit telkens 2 m. Wil men toch in dit bereik aansluiten, dan voorziet men een bypass, zodat luchtstoten worden weggenomen. 2 m 2 m Bypass X.5.2.2. BELUCHTING VAN GRONDLEIDINGEN Een grondleiding wordt via een standleiding met diameter 50 mm verlengd tot boven het dak. Op de verdieping direct boven de grondleiding mogen dan volgende leidingen zonder bijkomende beluchting worden aangesloten: twee of meer afvoerpunten met een leidinglengte van 4 m; in geval van 1 afvoerpunt mag de leiding 10 m lang zijn; wanneer het gaat om een bodemafl oop, mag de leiding 20 m lang zijn. Op een volgende verdieping mag verder één afvoerpunt naar de grondleiding af wateren voor zover de totale lengte van deze afvoerleiding < 10 m is. 20 m 4 m 10 m Maximale afvoerlengtes 27
X.5.2.3. LIGGING VAN GRONDLEIDING Grondleidingen worden, zeker wanneer ze slechts een geringe helling hebben, op een vorstvrije diepte geplaatst, dat wil zeggen, bovenkant buis tot maaiveld ± 70 cm. Voor de belasting ten opzichte van verkeer stelt dit voor de gresaansluitingen DN 150 geen probleem. Lichte buismaterialen, die ondiep gelegd zijn, en, bij een iets ander grondtype boven dan onder de buis, kunnen ongelijkmatig opvriezen. Een niet volledig ontdooide bodem heeft onvoldoende draagkracht; verkeerslasten kunnen, bij ondiepe kunststofl eidingen, tot buisbreuk leiden. Gresleidingen kunnen eveneens in kelders worden opgehangen. Dit gebeurt met geperforeerde staalband, zodat de gewenste helling nauwkeurig kan worden ingesteld. Men voorziet voor de buizen telkens één ophangpunt nabij de mof. Ophanging van gresbuizen Omwille van de hoge betrouwbaarheid van het gresrioleringsmateriaal, wordt gres vaak zelfs onder de funderingsvloer geplaatst in een kleine sleuf. Men vult aan met zand. De opleghoek (90 ) van de buis zal men goed verdichten. Vooraleer over de opgevulde sleuf een betondek wordt aangebracht, gaat men de leiding met waterdruk aftesten. In geval van een gemengd rioleringsstelsel mogen regenwater en vuilwater pas buiten het gebouw worden samengebracht. Dat maakt het mogelijk om later eventueel op een infi ltratiesysteem of een gescheiden stelsel over te schakelen. ND150 15 cm 15 cm 60 cm Gresleidingen zal men 30 à 60 cm verwijderd houden van funderingen, om standleidingen onder de gewenste hoek te kunnen aansluiten. De sleufbreedte maakt men 30 cm breder dan de buis. Ter hoogte van de moffen wordt de sleufbodem iets dieper uitgehaald. Voor de buisdiameters tot diameter 200 en tot ± 3 m diepte kunnen gresbuizen gewoon op een zandbedding met een steunhoek van minimum 90 opgelegd worden. 28
X.5.3. AANSLUITINGEN X.5.3.1. UNIVERSELE DICHTINGEN Sanitaire of regenwaterafvoeren met een diameter kleiner dan 100 kunnen op gresbuizen 100, 125 en 150 water- en geurdicht worden aangesloten bij middel van een universele dichting. In afwachting dat de installateur van het sanitair de binnenriolering aansluit aan de grondriolering, sluit deze rubberen kap de gresbuis af, zodat geen bouwpuin of ander ongewenst materiaal in de leiding valt. In deze rubberen overkapping wordt een ronde opening uitgesneden die twee ringen kleiner is dan de in te brengen buitendiameter. Vervolgens spant men deze dichting terug over het gres spie-eind en schuift men het andere buismateriaal in. Deze universele dichting is makkelijk verwijderbaar en herplaatsbaar, zodat van hieruit inspectie mogelijk is. Buizen uit andere materialen en met afwijkende buitendiameters ten opzichte van gres kunnen met de krimpmof (KR) worden aangesloten. Voor de verschillende KR-types en aansluitbare diameterintervallen verwijzen we naar het leveringsprogramma of de afzonder lijke Keramobrochure. Universele dichting Opening uitsnijden Over gresspie-einde spannen X.5.3.2. INSPECTIEPUNTEN Afvoerbuis induwen X.5.3.2.1. Met gres-hulpstukken Bij rioleringen rondom gebouwen (bv. tot DN 300) met niet zo grote diepteligging kan men controlepunten creëren met gres-hulpstukken bij elke richtingsverandering of, in lange strengen bv. om de 50 m. Dit wordt gerealiseerd door een combinatie van Y-vertakkingen en 45 bochten, eventueel met een T-vertakking. Realiseert men het toezicht met een Y, dan kan men aangepast spoel- en cameramateriaal in de riolering inbrengen voor inspectiedoeleinden. 29
X.5.3.2.2. Met gres-controleput DN400/150 X.5.3.2.3. Met gres-inspectieput DN 800 Voor dieperliggende gresleidingen kan men de inspectieputten uitvoeren als gresput DN 800; Af hankelijk van de hoek tussen de aan te sluiten buizen zijn aansluitingen mogelijk tot DN 500. X.5.3.2.4. Betonput met doorlopende gresbuis Een andere mogelijkheid bestaat erin de gresbuis, (gesloten) door de betoninspectieput te leiden, bij rechtdoorgaande leidingen. Dit is een goedkopere variante, waarbij het stroomprofi el toch maximaal tegen corrosie beschermd is. Als toegang wordt een opening geboord of uitgeslepen en deze opening kan met een deksel worden afgesloten. Om het doorschuiven van de gresbuis mogelijk te maken moet men bij de bepaling van de maten van de uitsparingen rekening houden met de gresmaten inclusief de dichtingen. Uitgezaagde opening in doorschuifbuis 30
X.5.3.2.5. Aansluitingen op betonputten Voor de aansluiting van gres op betonputten bestaan verschillende mogelijkheden. De betonfabrikant kan in de betonwand inbetonneren GE-gresstukken: dit zijn korte gresstukken met insteeklengte van 25 cm, buitenkant ongeglazuurd, aan beide zijden kan men tevens nog eens 2 pendelstukken (AA en AZ), van 75 cm lang voorzien, zodat eventuele zettingen optimaal worden opgevangen; GM-stukken, zeer korte mofstukken (8 cm breed),bestaande uit gres en dichting; BKL- en BKK-ringen, dichtingsringen zonder gres. GA GZ AA AZ X.5.3.3. KRIMPMOFFEN Krimpmoffen kunnen ingezet worden, bijvoorbeeld wanneer nieuwe hoofdleidingen aan bestaande, te behouden leidingen moeten worden aangesloten, wanneer buizen moeten verbonden worden waarvoor geen overgansdichtingen bestaan (b.v. overgang vierkant naar rond), of wanneer in een bestaande leiding een aftakking of buisstuk moeten worden tussengeplaatst. Ook reparaties kunnen ermee uitgevoerd worden. Krimpmoffen worden met een propaanbrander om de te verbinden buisstukken gekrompen en zorgen voor een waterdichte verbinding. Ø 110 P.V.C. STZ Ø 150 Ø 200 BETON STZ Ø 150 Ø 100 A.Z STZ Ø 150 31
X.5.3.4. MUURDOORGANG Doorgangen door muren of vloeren moeten waterdicht uitgevoerd worden en moeten met een kort buisstuk verwezenlijkt worden, zodat onmiddellijk voor en na deze doorgang een scharnierverbinding aanwezig is. Waar hoge grondwaterdrukken te verwachten zijn, wordt uitwendig het glazuur van dit buisstuk verwijderd (slijpschijf) en wordt de ruimte tussen de uitgespaarde muuropening en de gresbuis opgevuld met snelcement. Een ander mogelijkheid bestaat erin de glazuurlaag te bestrijken met een 1 mm dikke hechtlaag bestaande uit twee delen cement en één deel snelcement. De uitgespaarde opening eveneens dichten met een cementspecie in een gewichtsverhouding 5/15/1,5 (cement, rijnzand, snelcement). (Snelcement wordt eerst met een weinig water voorgemengd. Nadien zoveel water toevoegen tot de gewenste plasticiteit bereikt wordt). Muurdoorgang X.5.3.5. AANSLUITINGEN VAN ENKELE APPARATEN Was- en vaatwasmachine De afvoerleiding van een wasautomaat moet omhoog gebracht worden tot de bovenzijde van het apparaat, met een passende reukafsluiter worden verbonden en via een universele dichting op de gresleiding worden aangesloten. Kelderverdieping Bovenkant straat Wasmachine Huisinspectieput Afsluiter Straatriool 32
Klimaatregeling Air-conditioningapparaten of luchtwassers moeten via een trechter worden aangesloten. Klokputje Aansluiting van air-conditioningapparaat Koelapparaten Koelapparaten voor levensmiddelen moeten via een trechter op een afloop worden aangesloten. IJskast Koeltoog Diepvriezer Aansluiting van koelapparaten 33
Olie- en gascondensatieketels Het condensaat, dat ontstaat in schoorstenen, heeft een ph van ± 2. Om vochtproblemen onder in schouwen te vermijden, is het aange wezen, de schoorsteen op de riolering aan te sluiten. Enkel een gresriolering gedijt hier. Af hankelijk van luchttemperatuur en luchtvochtigheid moet men met ongeveer 0,6 l per kw en per dag aan condensaat rekenen voor olie gestookte, en met 1,0 l per kw en per dag voor gasgestookte ketels. Klokputje Condensaataansluiting van centrale verwarming X.5.3.6. AANSLUITING OP DE HOOFDRIOLERING Normalerwijze wordt deze door of onder controle van de gemeente uitgevoerd. Verscheidene situaties kunnen zich voordoen. Wanneer een rooiputje verplicht is, dan wordt aangesloten op een korte gresbuis (50 cm), die in de wand van deze put is ingebetonneerd. Terugstuwhoogte 30 90 90 stroomrichting Bij diepliggende hoofdleiding > 500 mm stroomrichting Bij ondiepliggende leiding > 500 mm Gresdeksel verwijderen en aansluiten via Y of T Aansluiting via gres-y of -T Gresaansluiting op de hoofdriool > 500 De aansluiting op het hoofdriool gebeurt optimaal door een aansluiting onder 45 ten opzichte van de stroomrichting (Y in de hoofdriolering). 34
Bij rioleringen met een diameter groter dan 500 kan ook onder 90 worden aangesloten. Hier kan de aansluiting ook via een B-stuk met B-ring gebeuren. Bij voldoende niveauverschil tot aan de woning legt men de huisaansluiting onder 30 helling. De aansluiting zelf voert men uit op de kruin van de buis of zeker in het bovenste kwartier van de buis. In geval van een gescheiden stelsel moeten vuilwater- en regenwaterleidingen volledig gescheiden blijven en op de juiste twee hoofdleidingen worden aangesloten. Wanneer er zich in de onmiddellijke nabijheid een gracht bevindt, wordt onvervuild water hierin afgeleid. Op verscheidene, in parallel geplaatse afvoeren met een gemeenschappelijke verbindingsleiding, korter dan 4 m, kan eventueel een gemeenschappelijke sifon worden geplaatst in deze verzamelleiding. Men voorziet dan een reinigingsopening aan het hogere punt van de leiding. Dit geldt b.v. voor wassalons, labobekkens, spoelbakken met zeer frequent gebruik. Indien een blijvend waterslot niet gegarandeerd is omwille van uitdroging of leegtrekken door grote debieten, dan gebeurt de aansluiting met tussenplaatsing van een goot. Wanneer minerale oliën of andere lichte vloeistoffen, die brand- of explosie-onveilig zijn, in de riolering kunnen belanden, moet een benzineafscheider of automatisch werkende olie-afsluiter worden ingebouwd. Voor plaatsen met verscheidene urinoirs wordt geurhinder bevorderd door een hoge hardheid van het water. Hoe meer kalk, hoe meer de urine kalkafzetting bevordert, vooral op iets ruwere opper vlakken. Hier dient erop toegezien te worden, dat men op diezelfde afvoerleiding geen warmwater afvoer aansluit. Het spoeldebiet mag per keer niet te overdadig zijn (< 2 l), en afvoer leidingen moeten met voldoende helling gelegd worden. 35
X.5.4. ONTWERPVOORBEELD Gres heeft een zeer uitgebreid gamma aan hulpstukken (bochten, vertakkingen...). Hiermee kunnen alle verbindings- en controlepunten worden gerealiseerd. Dit maakt het mogelijk om ter hoogte van samenvloeiingen of richtingswijzigingen controleputjes te elimineren. Hierdoor verkrijgt men een vlotte doorstroming. Toezichtsysteem op het einde van een leiding Aan het begin van een streng of bij een richtingsverandering kan men bij middel van een bocht of gres-y een inspectieput creëren. Facultatief kan men deze hulpstukken met gresbuizen verlengen tot het maaiveld of tot in de kruipkelder. In de mof van deze controleleiding wordt een gresstop aangebracht, ofwel brengt men een universele dichting aan over een verticaal geplaatst spie-einde. Het geheel wordt eventueel afgedekt met een betonnen of gietijzeren deksel, ofwel wordt er juist op dat punt nog een klokputje voorzien. Grestoezichtsysteem nabij de rooilijn De waterdichte verlenging naar het maaiveld van de stroomopwaartse leidinggedeelten maakt een drukopbouw door het afvalwater mogelijk, zodat eventuele afzettingen op tijd worden doorgespoeld voor ze tot verstoppingen evolueren. Sifons in grondleidingen worden best vermeden, omdat deze aanleiding geven tot verstoppingen. Ieder sanitair toestel is toch met een reukafsnijder uitgerust. Bij de afvoer kan meegevoerde lucht makkelijker in de richting van het hoofdriool ontwijken. Een ontluchting voor geuren vanuit het hoofdriool of vanuit de septische put kan gebeuren door de dichtbijgelegen dakafvoer met deze rioolgedeelten te verbinden. Deze dakafvoer moet over de ganse lengte geurdicht zijn. Er dient echter voor gezorgd te worden, dat het einde van deze ontluchtingsmogelijkheid (gootaansluiting) voldoende ver (minimaal 2 m) is gelegen van ruimten waar personen zich kunnen ophouden (vensters, balkons...), zoniet moet hierop een vorstvrij en toegankelijk reukslot worden aangebracht. Ook kan men een afzonderlijke ontluchtingspijp voorzien b.v. t.h.v. de septische put. Aan de verst van de hoofdaansluiting gelegen leiding wordt bij voorkeur nog een regenwaterafvoer aangesloten, zodat regelmatige spoeling optreedt. In dakafl open worden korfroosters voorzien. 36
handboeken De sanitair installateur Overzicht beschikbare handboeken Tekenen: conventies, normen, symbolen en definities Tekenen: planlezen voor de sanitair installateur Leidingen in lood Leidingen in koper Leidingen in gietijzer Leidingen in staal Kunststoffen: algemeen Leidingen in PVC-U, PVC-C Leidingen in PE, VPE, sandwichbuis Leidingen in PPR, sandwichbuis Leidingen in ABS, PB Leidingen in gresbuis Het bereiden van drinkwater - Waterbehandeling en drukverhoging Aanleg van waterleidingen Sanitair kraanwerk De sanitair warmwaterbereiding Brandweerleidingen en sprinklers Waterafvoer Gas : Van oorsprong tot distributie - De binneninstallatie De verbranding van gas Gas : De huishoudelijke toestellen - Ventilatie en schoorstenen De sanitaire toestellen Aanverwante technologieën Elektriciteit voor de sanitair installateur Scheikunde en fysica voor de sanitair installateur De sanitair installateur - Lege klasseermap Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid