Titelgegevens / Bibliographic Description Titel Auteur(s) Willem Teellinck in het licht zijner geschriften, (37) / W.J. op 't Hof. Hof, W.J. op 't In Documentatieblad Nadere Reformatie, 15 (1991), no. 2 (Najaar), p. 132-136. Copyright 2006 / W.J. op 't Hof SSNR Claves pietatis. Producent Claves pietatis / 2007.08.08; versie 1.0 Bron / Source Annotatie(s) Website Nummer Onderzoeksarchief / Research Archive Nadere Reformatie Over: Sampson de held Gods. Sleutel tot de Nadere Reformatie B98013562 De digitale tekst is vrij beschikbaar voor persoonlijk gebruik, voor onderzoek en onderwijs. Respecteer de rechten van de rechthebbenden. Commercieel gebruik is niet toegestaan. The digital text is free for personal use, for research and education. Each user has to respect the rights of the copyright holders. Commercial use is prohibited. Het 'Onderzoeksarchief Nadere Reformatie' bevat digitale documenten over het gereformeerd Piëtisme en de Nadere Reformatie in Nederland tot 1800. Het is doorzoekbaar met de 'Bibliografie van het gereformeerd Piëtisme in Nederland (BPN)' op de website 'Sleutel tot de Nadere Reformatie'. The 'Research Archive Nadere Reformatie' contains digital documents about reformed Pietism and the Nadere Reformatie in the Netherlands until 1800. These can be retrieved by searching the 'Bibliography of the reformed Pietism in the Netherlands (BPN)' database at the 'Sleutel tot de Nadere Reformatie' website.
XV-132 WILLEM TEELLINCK IN HET LICHT ZIJNER GESCHRIFTEN (37) W.J. op't Hof Sampson Als zevenendertigste publikatie van W. Teellinck rolde in 1625 van de persen
Bibliografische notities: 4 : +4 A-Z 4 Aa-Nn 4 [VIII], 304, [4] pp. [I] titelpagina [III-IV] dedicatie van Teellinck aan B. de Jonge, Middelburg 28 mei 1625 [V-VIII] voorrede [van Teellinck] 1-304 tekst [1-4] inhoudsregister XV-133 Het is niet bij één uitgave gebleven. In de zeventiende eeuw verscheen een tweede druk: Utrecht 1658. In de twintigste eeuw kwam een fotografische herdruk van de eerste editie uit in het kader van het Willem Teellinck Fonds: Urk 1978. Dedicatie Teellinck draagt dit geschrift op aan zijn neef Bonifacius de Jonge, die raadspensionaris van de Saten van Zeeland is. Hoe ouder men geworden is en hoe zwakker men zich lichamelijk voelt, des te meer moet men zich verkloeken om de raad Gods in zijn werk uit te dienen. Dit geldt ook voor De Jonge, die al zeer veel overheidsfuncties heeft bekleed. De tijdsomstandigheden zijn dusdanig dat het vaderland zijn oude dienaren meer dan ooit nodig heeft. De Heere heeft de Nederlanden immers niet slechts gekastijd met oorlog, dure tijd, pestilentie en overstroming, maar heeft vorige week ook nog prins Maurits door de dood weggenomen. Voorrede De beschrijving van Simsons leven in de heilige Schrift wordt door velen niet als goddelijk van aard beschouwd. Over het algemeen zien eenvoudige en ongeleerde mensen dit Bijbelgedeelte als een serie sterke verhalen. Mensen met meer ontwikkeling menen hierin iets op te merken waardoor zij de hele Schrift wantrouwen. Om beide groepen tot een beter inzicht te brengen behandelt Teellinck in dit boek de geschiedenis van Simson. Voor de auteur was het hierbij een extra stimulans te weten dat deze bijbelse geschiedenis nog nooit eerder in het Nederlands door iemand besproken was. Met het oog op de eenvoudigen zet Teellinck niet alleen de betekenis der woorden uiteen, maar geeft hij ook de vele stichtelijke leringen aan die daaruit getrokken kunnen worden. Dit werk heeft hem zoveel aangenaamheid verschaft, dat hij zich heeft voorgenomen om D.V ook enige andere Bijbelboeken op deze manier te behandelen. De meer ontwikkelden laat de schrijver zien dat er niets ongerijmds in dit Bijbelgedeelte staat. Wat de wonderlijke dingen aangaat die daarin voorkomen, hebben zij te bedenken dat voor God geen ding onmogelijk is. Het wantrouwen van de beter opgeleiden wordt echter het meest gewekt door de treffende overeenkomsten tussen de geschiedenis van Simson en onderdelen van werken van heidense auteurs, die door iedereen voor fabelachtig worden gehouden. Op dit punt geeft Teellinck hun twee dingen in overweging. In de eerste plaats is de Bijbel niet afhankelijk van allerlei heidense verhalen, maar zijn de laatste aan de heilige Schrift ontleend. De duivel heeft er namelijk voor
XV-134 gezorgd dat er onder de heidenen veel fabels die aan de Bijbel ontsproten en schitterend door dichters berijmd waren, verspreid werden, met de opzet dat de bijbelse geschiedenissen ook als fabels opgevat zouden worden. Als voorbeelden noemt Teelllinck: de verschijninghe der Goden, uyt de verschijninghe des Enghels aen Manoach ende syn wijf; Hercules verslaen der wilder dieren, uyt Sampsons verslaen des Leeuws; Sphinx Raedselen, uyt Sampsons Raedsel, daerom vele doot geslegen wierden; het Convivum Lapitharum, uyt de verwerringen die in de bruyloft Sampsons ontstonden; Paris ontschakinge van Helena, ende d'oorloge daer uyt ontstaende, uyt de wechgevinge van Sampsons nieu-getroude wijf, aen eene syner gesellen, ende de verwerringen daer uyt volghende; Hercules Knodse, uyt Sampsons Kaeck- been; Hercules Spinrocken met Dianira, uyt Sampsons mallicheyt met Delila, tot den Wevers-boom toe; Nisifatalis Crinis, uyt Sampsons Hayr. Een oplettende lezer zal twee grote verschillen tussen de bijbelse geschiedenis van Simson en de overeenkomstige heidense fabels opmerken. De fabels der heidense dichters brengen de lezer tot geringschatting van hun hooggeprezen goden en prikkelen de vleselijke lusten. De geschiedenis van Simson in de Bijbel daarentegen verwekt in de harten der mensen hoogachting jegens de ware God en is erop gericht om de vleselijke lusten in te tomen. Tenslotte stelt Teellinck dat de bijbelse geschiedenis van Simson ouder is dan de corresponderende fabelen van heidense origine. In de tweede plaats moeten de meer ontwikkelden in aanmerking nemen dat de Heere in die oude tijden onder Zijn volk veel meer wonderen heeft verricht dan toen Zijn volk de heilige Schrift had. Naar mate Israël door de dienst der profeten in het bezit van bijbelse geschriften werd gesteld, nam het aantal wonderen af. Na de Babylonische ballingschap was het gedaan met de wonderen en heeft de Heere ook geen profeet meer in Israël verwekt. De toepassing hiervan op de Joden en op de Rooms-katholieken verwoordt Teellinck als volgt: Waer op soo de blinde loden gelet hadden, sy en souden sulcke ydele fabulen van haer volck, ende natie, in haer eyghen boecken niet hebben gaen stellen, als sy doch ghedaen hebben; welcke hare moeyte doch, slechts alleene dient aen verstandige, om te meer te vermercken, dat de gheest uyt de hooghte, hun nu lange verlaten heeft gehadt, ende noch over hun niet wederom uyt-gestort en is, Esa.32.15. Gelijck oock de Papisten met alle hare beuselachtige Legenden, oockgeen beter bedencken over haer en verwecken. Voor het heden impliceert het voorgaande dat de Heere meer door het heimelijke beleid van Zijn ondoorgrondelijke wijsheid regeert dan door een klaarblijkelijke betoning van Zijn oneindige macht. Inhoud Sampson bevat een stichtelijke verklaring van de hoofdstukken 13-16 van het Bijbelboek Richteren. Stukje voor stukje wordt de tekst uitgelegd en vervolgens toegepast. Vaak worden daarna een of meer leringen gegeven, die eveneens stichtelijk uitgewerkt worden. In de inleiding noemt de schrijver in tegenstelling tot de voorrede alleen de ongeletterden als doelgroep. Onderwerp De geschiedenis van Simson zet Teellinck bij zijn stichtelijke uitleg op het spoor
XV-135 van een groot scala van onderwerpen. Het is ondoenlijk om deze alle hier aan de orde te laten komen. Uiteraard nemen de voorbereidingen op een huwelijk, de bruiloft, de verhouding man - vrouw en de sexuele aspecten van het leven een belangrijke plaats in. Daarbij kent Sampson een vijftal bijzondere thema's, die terloops ter sprake gebracht worden. Het eerste is dat de heilige Geest de Joden verlaten heeft, maar dat Deze wel op hen terug zal keren'. Met dit laatste doelt de schrijver ongetwijfeld op de toekomstige bekering der Joden 2. Het tweede thema is dat der kerkelijke afscheiding. De gebreken die iemand in een christelijke gemeente signaleert, moeten voor hem geen reden tot afscheiding, maar tot reformatie zijn 3. In de derde plaats keert Teellinck zich tegen lang haar bij mannen 4. In de vierde plaats komt tweemaal zijn gerichtheid op Engeland naar voren. Eerst vermeldt hij een gebeurtenis in Londen uit 1624, waarbij de zolder op een samenkomst van Rooms-katholieken neerstortte, zodat zij bijna allen - zo'n honderd personen - omkwamen 5. Op een van de laatste pagina's van het werk verwijst hij eerst naar het buskruitverraad in Engeland en vervolgens naar het al eerder door hem genoemde ongeval in Londen 6. Het laatste bijzondere thema is de Reformatie. Drie keer brengt Teellinck dit ter sprake. De eerste keer is bij de behandeling van Richteren 14:3. Wanneer de Heere Zijn volk extraordinair verlossen wil, bewandelt Hij hiertoe extraordinaire wegen. Toegepast op de helden door middel van wie Hij de Hervorming tot stand heeft gebracht, houdt dit voor Teellinck in dat men hen niet zo nauw mag beoordelen als onder gewone omstandigheden: Hier uyt moeten wy af nemen/ dat wy derhalven die bysondere Heroike geesten/ die Godt gebruyckt heeft tot verlossinghe zijnes volcx/ uyt het gheestelicke Babel/ ende tot Reformatie zijner H. Ghemeynte/ in dese laetste eeuwen/ soo nauwe niet en moeten toetsen aen elcke omstandicheydt der dingen/ diemen anders in een ghemeyne ordre soude te volghen hebben; sy hebben eenen wegh ingegaen/ die hun wel beviel, door de roeringhe des gheestes/ of schoon elck eene het bescheet daer van soo niet en heeft konnen sien/ ofte vaten 7. Dat dit niet impliceert dat Teellinck alles wat er tijdens de Reformatie heeft plaatsgevonden, zonder meer goedkeurt, blijkt uit de tweede plaats: ende oft schoon die het uyt-ghewrocht hebben/ zijn slechts gheweest als Sampsons vossen/ even rouwe ghesellen/ ende als wilde Geusen; so moeten wy evenwel weten/ dat die rouwe Pagien die luyden niet geweest en zijn/ om welckers wille de Heere God ons volck verlost heeft; sy zijn maer als de vossen Sampsons ende instrumenten gheweest; maer het zijn de God-vreesende geweest onder hun (ghelijck daer sulcke oock onder hun gheweest zijn) ende onder de reste des volcx/ daerom de Heere sulcke verlossinghe gegeven heeft 8. Op de derde plaats constateert Teellinck dat het feit dat Gereformeerden allerlei roomse feestdagen inclusief de kermis onderhouden en toneelspelen toestaan, leidt tot verwijtinge onser Reformatie/ als of wy luyden waren/ die slechs het Pausdom hadden af- geworpen om ons vleesch meer ruymte te geven/ om de magere Vasten-dagen der Papisten daer te laten/ ende hare vette Speel-dagen aen de hant te houden 9. Aard Overeenkomstig Teellincks bedoeling met Sampson geeft dit werk een stichtelijke verklaring van het desbetreffende Bijbelgedeelte. De stichting heeft zowel betrek-
XV-136 king op het uiterlijke als het innerlijke leven des geloofs. Conclusie Sampson wettigt de volgende conclusies: 1. De toepassing en stichting overheersen. 2. Teellinck verwacht een toekomstige bekering der Joden. 3. Het voorkomen van zonden en gebreken binnen de christelijke gemeente en kerk mag niet tot afscheiding leiden, maar moet juist tot reformatiestreven brengen. 4. De aandacht gaat meer naar het uiterlijke dan naar het innerlijke geloofsleven uit. Noten 1. Zie het voorgaande citaat. 2. Dit is een passage die ik over het hoofd heb gezien toen ik een artikel daarover schreef: W.J. op't Hof, 'De visie op de Joden bij Willem Teellinck na 1624', in Documentatieblad Nadere Reformatie, IX (1985), 64. 3. 5b. 4. 15b en 18a. 5. 286b. 6. 301. 7. 71b-72a. 8. 141a. 9. 286a.