Bijlagen
Bijlage Bodemonderzoek
Bijlage Archeologisch onderzoek
Bijlage Ecologische beoordeling
Geactualiseerde ecologische beoordeling van de inrichting van een parkeerplaats aan de Schapendrift te Norg Doel De actualisering van een eerder uitgevoerde beoordeling (natuurtoets) van de inrichting van een parkeerplaats en de herinrichting van de Schapendrift te Norg (gemeente Noordenveld). Opdrachtgever Referentie HKB Groningen Biezenaar, P. 2010. Geactualiseerde ecologische beoordeling van de inrichting van een parkeerplaats aan de Schapendrift te Norg. A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB. Altenburg & Wymenga bv, Feanwâlden. Projectcode NWG/KA2010/3/PB Status Definitief Datum 18 maart 2010 Projectleider P. Biezenaar Autorisatie Goedgekeurd Inhoud 1. Inleiding 2. Situatieschets en plannen 3. Gebiedsbescherming: effecten en beoordeling 4. Soortbescherming: effecten en beoordeling 5. Conclusies Bronnen Bijlagen Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 Postbus 32, 9269 ZR Feanwâlden tel. 0511 474764, fax 0511 472740 email info@altwym.nl
A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB
1. Inleiding In verband met de beoogde herinrichting van een plangebied in Norg is een actualisering nodig van het ecologisch onderzoek dat in 2005 is uitgevoerd (Van der Heijden 2005, A&Wrapport 605). De beoogde herinrichting betreft een graslandperceel aan de Schapendrift te Norg, dat geschikt wordt gemaakt als parkeerplaats. In deze brief geven wij een beknopt en recent overzicht van de natuurwaarden in de omgeving van het plangebied en de beoordeling van het herinrichtingsplan volgens de huidige natuurwetgeving. Sinds 2005 zijn er wijzigingen doorgevoerd in de toepassing van de Flora- en faunawet, onder andere in augustus 2009. Bovendien is de kennis over de verspreiding van beschermde soorten toegenomen. Voor een ecologische beoordeling stelt LNV dat de gegevens waarop de beoordeling is gebaseerd, niet ouder mogen zijn dan drie tot vijf jaar. Om deze redenen is het nodig om de eerder uitgevoerde ecologische beoordeling van het parkeerterrein in Norg te actualiseren. Voor deze actualisering van de beoordeling is een bureaustudie uitgevoerd, waarbij recente informatiebronnen zijn gebruikt. Er is geen veldonderzoek uitgevoerd. Deze aanpak is mogelijk, omdat ons bureau rapporten van ruimtelijke projecten in de omgeving van het plangebied kan gebruiken, onder andere van de ecologische beoordeling in oktober 2009 van een plangebied dat direct ten zuiden van de beoogde parkeerplaats ligt (Biezenaar 2009). 2. Situatieschets en plannen Huidige situatie Het plangebied bestaat grotendeels uit een graslandperceel dat in het noordoostelijke deel van Norg ligt (gemeente Noordenveld). Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom en wordt omgeven door een aantal sportvelden en graslandpercelen. Tussen deze percelen staan houtsingels. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Schapendrift, een relatief smal pad met aan weerszijden bomen. Voor een nadere omschrijving van het plangebied en de omgeving daarvan wordt verwezen naar Van der Heijden (2005). Inrichtingsplan Het plangebied wordt ingericht als parkeerplaats en de rijbaan over de Schapendrift wordt verbeterd. De beoogde werkzaamheden zullen vooral bestaan uit het aanbrengen van terreinverharding. Voor de beoogde herinrichting worden geen bomen gekapt en geen werkzaamheden aan watergangen uitgevoerd. In de bijlagen zijn afbeeldingen opgenomen die een beeld geven van de beoogde herinrichting. 3. Gebiedsbescherming: effecten en beoordeling Gebiedsbescherming Natuurbeschermingswet Het plangebied ligt niet binnen gebieden die zijn beschermd volgens de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Norgerholt. De beoogde herinrichting heeft geen effect op dit natuurgebied, waardoor er geen conflict ontstaat met de Natuurbeschermingswet. Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied ligt niet binnen gebieden die zijn aangewezen als (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde (P)EHS-gebieden zijn de Langeloërduinen en Oosterduinen, die noordelijk van de bebouwde kom van Norg liggen. De beoogde herinrichting zal geen effect hebben op deze gebieden, waardoor er geen conflict ontstaat met de regelgeving omtrent de (P)EHS.
A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB Overige vormen van gebiedsbescherming Het plangebied is niet beschermd volgens overige vormen van gebiedsbescherming, zoals deze kan zijn opgenomen in een Streekplan en/of Bestemmingsplan. 4. Soortbescherming: effecten en beoordeling Door de huidige inrichting en het gebruik van het plangebied is de ecologische waarde gering. Op grond van het in 2005 uitgevoerde veldbezoek en de geraadpleegde recente informatiebronnen (Van der Heijden 2005, Biezenaar 2009) worden binnen en nabij het plangebied geen beschermde en/of bedreigde soorten verwacht die behoren tot de soortgroepen planten, insecten, vissen en reptielen. Soorten waarmee wel rekening moet worden gehouden, behoren tot de amfibieën, vogels en zoogdieren. Amfibieën Het plangebied kan een deel van het leefgebied vormen van algemeen voorkomende amfibieënsoorten die zijn ingedeeld in de lichte beschermingscategorie van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn bijvoorbeeld Gewone pad en Middelste groene kikker. Er worden geen middelzwaar en zwaar beschermde amfibieën binnen en nabij het plangebied verwacht (Van der Heijden 2005, Biezenaar 2009). De beoogde herinrichting kan een deel van het leefgebied van licht beschermde amfibieënsoorten aantasten, maar in de omgeving is voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten beschikbaar. Bovendien zal het plangebied na voltooiing van de herinrichtingswerkzaamheden voor deze soorten weer gedeeltelijk beschikbaar zijn. Voor de verstoring van licht beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstellingsregeling van enkele verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet. Om deze redenen veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met deze wet ten aanzien van amfibieën. Vogels De Flora- en faunawet onderscheidt de bescherming van vaste verblijfplaatsen van vogels die alleen in gebruik zijn tijdens de voortplantingsperiode (dit geldt voor de meeste vogelsoorten) en de bescherming van nestplaatsen die het gehele jaar worden gebruikt (zoals nestplaatsen van een aantal roofvogel- en uilensoorten). Bescherming tijdens de broedperiode Binnen en nabij het plangebied kunnen tijdens de voortplantingsperiode broedende vogels aanwezig zijn. Verstoring van broedende vogels en hun nesten is niet toegestaan volgens de Flora- en faunawet en in de regel wordt hiervoor geen ontheffing verleend. Wanneer de beoogde werkzaamheden buiten de broedperioden van de betreffende soorten worden uitgevoerd, is er geen sprake van verstoring van broedende vogels en hun nesten. Eventueel kunnen de werkzaamheden vooraf aan de broedperiode worden gestart en doorlopen tot in de broedperiode. In dat geval zullen zich door de verstorende werkzaamheden naar verwachting geen broedvogels vestigen. Er dienen in dat geval maatregelen te worden getroffen waardoor wordt voorkomen dat alsnog broedgevallen optreden, zoals het terstond verwijderen van kap- en snoeihout en het afdekken van materialen. Indien er toch wordt gebroed en deze nestplaatsen worden verstoord, dienen de werkzaamheden te worden gestaakt tot na de broedperiode. De broedperioden van de meeste vogelsoorten liggen binnen de periode van half maart tot half juli. LNV houdt echter geen rekening met deze aangegeven periode, omdat voor de beoordeling alleen van belang is of broedgevallen aanwezig zijn en kunnen verstoord, dus ook van vroegere of late broedgevallen. Wanneer ervoor wordt gezorgd dat er geen verstoring van broedende vogels en hun nesten optreedt, veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van broedende vogels.
Jaarronde bescherming Vanaf 26 augustus 2009 geldt een aanpassing van de Flora- en faunawet, waardoor verblijfplaatsen van vogels die het gehele jaar daarvan gebruik maken (zoals van roofvogels en spechten), ook buiten de broedperiode zijn beschermd. Binnen het plangebied zijn geen nestplaatsen aanwezig met een dergelijke jaarronde bescherming, maar langs de randen van het plangebied kan dat wel het geval zijn. De bomen rond het plangebied blijven behouden. De kans dat in de bomen direct rond het plangebied en de Schapendrift jaarrond beschermde nestplaatsen voorkomen, is relatief klein. Dit hangt samen met het huidige gebruik van de Schapendrift door verkeer en wandelaars. Het toekomstige gebruik van de beoogde parkeerplaats en de toegang via de Schapendrift zal nauwelijks een toename van de huidige verstoring veroorzaken. Om deze redenen kan worden aangenomen dat de beoogde herinrichting geen belangrijke invloed zal hebben op eventueel aanwezige jaarrond beschermde nestplaatsen nabij het plangebied. In de omgeving van het plangebied is in ruime mate vergelijkbaar biotoop aanwezig, waardoor soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen alternatieve nestlocaties kunnen vinden. De beoogde herinrichting veroorzaakt om deze redenen geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels. Samenvattend Wanneer verstoring van broedende vogels en hun nesten wordt voorkomen, veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vogels. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied komen de volgende vleermuissoorten voor: Watervleermuis, Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Gewone grootoorvleermuis en Laatvlieger (Van der Heijden 2005). Alle inheemse vleermuissoorten zijn zwaar beschermd volgens de Flora- en faunawet en zijn extra beschermd, omdat zij tevens zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. De bescherming van vleermuizen is gericht op de dieren en hun leefomgeving (foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes). Er kan worden uitgegaan van een geschikt gebied voor vleermuizen dankzij de kleinschaligheid van het landschap met open en begroeide delen en de aanwezigheid van grote bomen. Foerageergebied Het plangebied en de omgeving daarvan bieden geschikte foerageergebieden van vleermuizen. Het zal hier vooral gaan om soorten die regelmatig in bebouwde omgeving voorkomen, zoals Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Grootoorvleermuis en Laatvlieger. Watervleermuis en Rosse vleermuis worden hier niet foeragerend verwacht, omdat deze soorten vooral jagen boven waterrijke gebieden. Binnen het plangebied zal de beoogde herinrichting naar verwachting niet of nauwelijks de kwaliteit van het foerageergebied voor de betreffende soorten verlagen. Bovendien biedt de omgeving voldoende alternatief foerageergebied voor soorten die geregeld binnen bebouwde omgeving jagen. Langs de randen van het plangebied is sprake van zeer geschikt foerageergebied. Dit hangt samen met de aanwezigheid van bomen en de afwezigheid van sterke lichtbronnen. Deze bomen blijven volgens het inrichtingsplan gehandhaafd. Maar wanneer de beoogde herinrichting gepaard gaat met een toename van de buitenverlichting, kan de kwaliteit van dit foerageergebied (sterk) dalen. Er kan dan sprake zijn van een conflict met de Flora- en faunawet. Wanneer lichtverstoring van vleermuizen langs de randen van het plangebied wordt voorkomen, is er geen sprake van een conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van
A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB foerageergebied van vleermuizen. Hieronder is beschreven hoe lichtverstoring kan worden voorkomen. Verblijfplaatsen Binnen het plangebied komen geen verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen voor, omdat het plangebied geen gebouwen bevat. Het is echter mogelijk dat bomen rond het plangebied holtes en losse schorsdelen bevatten, die ruimte kunnen bieden voor verblijfplaatsen van bijvoorbeeld Watervleermuis en Rosse vleermuis. De bomen blijven behouden, maar lichtverstoring kan de huidige kwaliteit van (potentiële) verblijfplaatsen nadelig beïnvloeden, waardoor een conflict met de Flora- en faunawet kan ontstaan. Wanneer lichtverstoring van vleermuizen langs de randen van het plangebied wordt voorkomen, is er geen sprake van een conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen. Hieronder is beschreven hoe lichtverstoring kan worden voorkomen. Vliegroutes Het is mogelijk dat de randen van het plangebied geleidingsstructuren voor vleermuizen vormen, waardoor daar sprake kan zijn van vliegroutes. Lichtverstoring kan de huidige kwaliteit van deze waarschijnlijk aanwezige vliegroutes (sterk) verlagen, waardoor een conflict kan optreden met de Flora- en faunawet. Wanneer lichtverstoring van vleermuizen langs de randen van het plangebied wordt voorkomen, is er geen sprake van een conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen. Hieronder is beschreven hoe lichtverstoring kan worden voorkomen. Mitigerende maatregelen tegen lichtverstoring Lichtverstoring langs de randen van het plangebied en langs de Schapendrift kan goed worden voorkomen door daar af te zien van straatverlichting of door mitigerende maatregelen op te nemen in het verlichtingsplan en ten aanzien van de aard van verlichting. Zo kan het aantal lampen zo veel mogelijk worden beperkt en kan worden voorkomen dat eventuele lampen licht werpen op bomen en struiken. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door een lage plaatsing van de lampen en een beperking van de uitstraling, waardoor er geen opwaartse en slechts een beperkte zijwaartse uitstraling optreedt. Wanneer door deze mitigerende maatregelen lichtverstoring langs de begrenzingen van het plangebied wordt voorkomen, is er geen sprake van een conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van het leefgebied van vleermuizen (foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes). Het wordt aanbevolen om voor het verlichtingsplan informatie in te winnen bij deskundigen op het gebied van vleermuizen. Wanneer op voorhand lichtverstoring niet wordt voorkomen, is vleermuisonderzoek nodig om te bepalen of de beoogde herinrichting een conflict met de Flora- en faunawet veroorzaakt ten aanzien van vleermuizen. Samenvattend De beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vleermuizen, mits voldoende mitigerende maatregelen worden toegepast om lichtverstoring langs de randen van het plangebied te voorkomen. Wanneer hier niet aan kan worden voldaan, is nader onderzoek nodig om te bepalen of de beoogde herinrichting een conflict met de Flora- en faunawet veroorzaakt ten aanzien van vleermuizen. Overige zoogdiersoorten Licht beschermde soorten Het plangebied kan een deel van het leefgebied vormen van algemeen voorkomende zoogdiersoorten die zijn ingedeeld in de lichte beschermingscategorie van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn bijvoorbeeld Mol, Egel, Konijn, Vos, Bunzing en een aantal muizensoorten.
De beoogde herinrichting kan dit deel van het leefgebied van licht beschermde zoogdiersoorten aantasten, maar in de omgeving is voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten beschikbaar. Bovendien zal het plangebied na voltooiing van de herinrichtingswerkzaamheden voor deze soorten weer beschikbaar zijn. Voor de verstoring van licht beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstellingsregeling van enkele verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet. Om deze redenen veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met deze wet ten aanzien van deze zoogdiersoorten. Middelzwaar beschermde soorten Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het foerageergebied van de middelzwaar beschermde Steenmarter. Er zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van deze soort aangetroffen. De beoogde herinrichting zal (tijdelijk) een deel van het foerageergebied van Steenmarter aantasten, maar er is voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig. Om deze redenen veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van Steenmarter. Langs de randen van het plangebied kan de middelzwaar beschermde Eekhoorn voorkomen. Er kan worden aangenomen dat de beoogde herinrichting geen negatieve gevolgen voor Eekhoorns veroorzaakt, omdat de bomen behouden blijven. Daardoor veroorzaakt de beoogde herinrichting geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van Eekhoorn. Zwaar beschermde soorten Er worden geen overige middelzwaar en zwaar beschermde zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen) binnen en nabij het plangebied verwacht (Van der Heijden 2005, Biezenaar 2009). Samenvattend De beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van zoogdiersoorten (exclusief vleermuizen). 5. Conclusie De beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflicten met de wet- en regelgeving ten aanzien van gebiedsbescherming en soortbescherming, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er wordt voorkomen dat verstoring optreedt van broedende vogels en hun nesten. Er wordt voorkomen dat langs de randen van het plangebied lichtverstoring van het leefgebied van vleermuizen optreedt. Het gaat hier om de waarschijnlijke aanwezigheid van foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes. Wanneer lichtverstoring op voorhand niet wordt uitgesloten, is vleermuisonderzoek nodig om te bepalen of de beoogde herinrichting een conflict met de Flora- en faunawet veroorzaakt ten aanzien van vleermuizen. Tot slot Wij hopen u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ons bureau. Met vriendelijke groet, Pieter Biezenaar
A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB Bronnen Biezenaar, P. 2009. Rapportagebrief ecologische beoordeling herinrichtingsplan Brinkhofweide Norg. NWG/KA2009/28/PB. 21 oktober 2009. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. Heijden, E. van der 2005. Ecologische beoordeling van de aanleg van een parkeerplaats in Norg (gemeente Noordenveld). A&W-rapport 605. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. Recente verspreidingsbronnen van beschermde en/of bedreigde soorten. Bijlagen 1, 2 en 3 Kaarten en tekeningen van de beoogde herinrichting van het beoogde parkeerterrein en de Schapendrift te Norg (bron: HKB Groningen).
Bijlage 1. De ligging van het plangebied (de beoogde parkeerplaats en de Schapendrift),
Bijlage 2. Het herinrichtingsplan van de beoogde parkeerplaats. A&W-notitie NWG/KA2010/3/PB
Bijlage 3. De beoogde herinrichting van de Schapendrift.