a) SOCIAAL STATUUT Te vervangen: Inhoud 8. Inhoud 8. S. 3/4 S. 3/4 S. 6/1 S. 6/1 In te voegen: S. 6/2

Vergelijkbare documenten
KONINKLIJK BESLUIT NR. 38 VAN 27 JULI houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. (B.S. 29 juli 1967)

KONINKLIJK BESLUIT NR. 38 VAN 27 JULI houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. (B.S. 29 juli 1967)

SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN

a) SOCIAAL STATUUT Te vervangen: FAIL. 21/12 FAIL. 21/12 FAIL. 21/14 FAIL. 21/14 TWEEDE DEEL a) RUST EN OVERLEVINGSPENSIOEN

INHOUDSTAFEL A. WETTELIJKE BEPALINGEN. 1. K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen

Sociale bijdragen zelfstandigen : grondige hervorming vanaf 2015

27 JULI Koninklijk besluit nr 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

INHOUDSTAFEL A. WETTELIJKE BEPALINGEN. 1. K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen

ISLGEMEEN 3EHEERSCOMITE VOOR HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN

WET VAN 29 MAART betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen. (B.S. 6 mei 1976)

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

R.I.Z.I.V. Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering

Hervorming van de bijdragen

FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN OMZENDBRIEF NR. 2010/5

Gelet op het auditoraatsrapport van de Kruispuntbank ontvangen op 12 mei 2005; A. CONTEXT VAN DE AANVRAAG EN ONDERWERP ERVAN

Informatieveiligheidscomité Kamer sociale zekerheid en gezondheid

KONINKLIJK BESLUIT VAN 11 MEI 2007

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

de hervorming sociale bijdragen van zelfstandigen uitgelegd

SCSZ/04/85. Gelet op het auditoraatsrapport van de Kruispuntbank van 24 mei 2004; Gelet op het verslag van de heer Michel Parisse.

Dit document wordt u aangeboden door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Gelet op de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, inzonderheid op artikel 15;

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

HOOFDSTUK I.- Definities. Artikel 1.- Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Gelet op het auditoraatsrapport van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van 25 juni 2007;

Tekst opgesteld door Dirk Torfs, augustus 2000, laatst aangepast in januari 2013.

6 MAART Koninklijk besluit tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren

Art. 3. Elke belastingplichtige, gehouden tot het indienen

Inleiding/voorstelling. Opleiding: Sociale bijdragen 2015

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale zekerheid»

KONINKLIJK BESLUIT VAN 11 MEI 2007

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

PROGRAMMAWET (I) VAN 27 DECEMBER (B.S. 28 december 2006, 3e editie) Uittreksels

De inkomsten uit de deeleconomie

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

[KONINKLIJK BESLUIT VAN 18 NOVEMBER 1996

Sociale bijdragen 2018 (zonder de beheerskosten)

Wie valt onder toepassing van het sociaal statuut?

Informatie over stopzetting, gelijkstelling wegens ziekte, voortgezette verzekering, overbruggingsrecht

Sociale bijdragen 2019 (zonder de beheerskosten)

De nieuwe berekening van de sociale bijdragen 2015

Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen 1. TITEL 8. - Pensioenen. HOOFDSTUK 1. - Pensioenen van de overheidssector

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale zekerheid»

[KONINKLIJK BESLUIT VAN 6 JULI 1997

Administratieve schikking voor de toepassing van de overeenkomst over de sociale zekerheid tussen België en Canada van 10 mei 1984

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Gezondheid»

TITEL I Algemene bepalingen

De nieuwe berekeningswijze van de sociale bijdragen : wat verandert er voor de zelfstandigen? 6/5/2014. Partena HDP

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

Gelet op de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, inzonderheid op artikel 5;

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Informatieveiligheidscomité Kamer sociale zekerheid en gezondheid

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling "Sociale Zekerheid"

LSLGEMEEN E3EHEERSCOMITE VOOR HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling "Sociale Zekerheid"

[KONINKLIJK BESLUIT VAN 18 NOVEMBER houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.]

Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (B.S. 9.III.1978) (gecoördineerd tot 3 juni 2007)

Wet van 12 juli 2013 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen

Statuut van de Zelfstandige in hoofdberoep

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

(Inwerkingtreding , gepubliceerd in BS van )

Informatieveiligheidscomité Kamer sociale zekerheid en gezondheid

KONINKLIJK BESLUIT VAN 22 DECEMBER houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

12 DECEMBER Wet tot vaststelling van de arbeidsduur. van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen,

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

[KONINKLIJK BESLUIT VAN 18 NOVEMBER houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.]

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

BS 11/06/2015 in voege vanaf 21 juni 2015

12 AUGUSTUS Koninklijk besluit houdende de organisatie van de informatieveiligheid bij de instellingen van sociale zekerheid.

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling "Sociale Zekerheid"

Wie valt onder toepassing van het sociaal statuut?

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

BIJLAGEN. Bijlage 1: Bijdragereeks en de impact op het recht op kinderbijslag I II III IV V

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

KONINKLIJK BESLUIT VAN 22 DECEMBER houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

#$%$&'(& %)*+,$-./$& 0.-,& 1&/&23/&- 4567!" 89:;<: C?DAEF?B?B GB F?> H?IJGAEF 4>KK>ALIKM CKB NOPNOPQNOR >S> TNPNUPQNORV.W

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

a) SOCIAAL STATUUT TWEEDE DEEL a) RUST EN OVERLEVINGSUITKERINGEN

Koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten

9 JANUARI Koninklijk besluit betreffende de biobanken

CAO van 30 september 2009 tot vaststelling van de overgangsregeling in het kader van de invoering van de sectorale tweede pensioenpijler

HOOFDSTUK I. Definities. Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling Sociale Zekerheid

HOOFDSTUK I. Definities. Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Gelet op de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, inzonderheid op artikel 5;

Transcriptie:

RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN Officieuze coördinatie van de wetteksten BIJWERKING 2016/2 (teksten verschenen in het Belgisch Staatsblad van 01.08.2017 tot 31.12.2016) EERSTE DEEL a) SOCIAAL STATUUT Te vervangen: Inhoud 8. Inhoud 8. S. 3/4 S. 3/4 S. 6/1 S. 6/1 In te voegen: S. 6/2 Te vervangen: S. 10/1 S. 10/1 S. 11/4 S. 11/4 S. 11/5 S. 11/5 S. 12/6 S. 12/6 S. 12/8 S. 12/8 S. 12/9 S. 12/9 S. 14/3/2 S. 14/3/2 S. 14/3/4 S. 14/3/4 S. 15/1 S. 15/1 S. 18/5 S. 18/5 S. 100/1l S. 100/1l S. 104/1 S. 104/1 S. 133/1 S. 133/1 In te voegen: S. 209/2/7 Te vervangen: S. 210 S. 210 In te voegen: S. 347 t.e.m. S. 357

TWEEDE DEEL a) RUST EN OVERLEVINGSUITKERINGEN Te vervangen: P. 122/2 P. 122/2 P. 151 P. 151 P. 165/2 P. 165/2 P. 165/2/1 P. 165/2/1 P. 400/13 P. 400/13 DERDE DEEL c) ZIEKTE- EN INVALITDITEITSVERZEKERING Te vervangen: I. 112/2 I. 112/2 I. 135 I. 135 I. 136 I. 136 I. 181/8 I. 181/8

45. KB van 29 oktober 2013 tot uitvoering van artikel 337/2, 3, van de programmawet (I) van 27 december 2006 wat betreft de aard van de arbeidsrelaties die bestaan in het kader van de uitoefening van werkzaamheden die vallen onder het toepassingsgebied van het paritair subcomité voor de taxi's en van het paritair comité voor het vervoer en de logistiek, enkel voor de activiteiten van verhuur van voertuigen met chauffeur en van collectieve taxidiensten 46. KB van 26 maart 2014 tot aanvulling van het sociaal statuut der kunstenaars en tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning van het visum kunstenaar en van de kunstenaarskaart 47. MB van 14 mei 2014 tot vaststelling van de modellen van de inlichtingenformulieren A bedoeld in artikel 89, 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen 48. MB van 9 juli 2014 tot vaststelling van het model van aanvraagformulier voor het verkrijgen van de toepassing van artikel 11, 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen 49. KB van 7 december 2016 over de bewijskracht van de gegevens die door de instellingen van sociale zekerheid worden verwerkt S.317 S.320 S.322 S.344 S.347 8.

- de wet van 30 augustus 2015 tot wijziging van koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, teneinde de Impulseo 1-premie niet in aanmerking te nemen bij de berekening van de sociale bijdragen (B.S. 22 september 2015); - de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht (B.S. 30 december 2015, 2e editie); - de wet van 16 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen (B.S. 8 januari 2016); - de wet van 29 februari 2016 tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en houdende diverse bepalingen van sociaal strafrecht (B.S. 21 april 2016); - de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 4 juli 2016, 2e editie); - de wet van 15 juli 2016 houdende diverse bepalingen inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen (B.S. 29 juli 2016); - de wet van 18 december 2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student zelfstandige (B.S. 30 december 2016). S.3/4

[Artikel 5ter. De personen die in België een activiteit uitoefenen die de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1 bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, zijn niet onderworpen aan dit besluit voor de activiteit verbonden met die inkomsten, voor zover die inkomsten het bedrag zoals bedoeld in artikel 37bis, 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet overschrijden. Een aandeel van 25 % van de belasting zoals bedoeld in artikel 171, 3 bis, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt aangewend voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. De Koning bepaalt de modaliteiten van overdracht van dit aandeel voor het globaal financieel beheer.] (286) [Artikel 5quater. 1. Dit besluit verstaat onder student-zelfstandige, de onderworpene die ertoe een aanvraag indient en die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet: 1 hij is minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar; 2 hij is, voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak ingeschreven om regelmatig lessen te volgen in een Belgische of een buitenlandse onderwijsinstelling, met het oog op het behalen van een diploma dat erkend wordt door een bevoegde overheid in België; 3 hij oefent een beroepsbezigheid uit, uit hoofde waarvan hij onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens dit besluit. 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad: 1 de nadere regels voor het indienen van de aanvraag, bedoeld in 1; 2 het begin en het einde van de onderwerping in toepassing van 1; 3 wat er moet worden verstaan onder een in hoofdzaak ingeschreven student, bedoeld in 1, 2 ; 4 wat er moet worden verstaan onder een onderwijsinstelling in België of in het buitenland en onder regelmatig lessen volgen, bedoeld in 1, 2. S.6/1

3. Voor de toepassing van dit artikel kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad: 1 de gevallen waarin de leeftijd van de student-zelfstandige hoger kan zijn dan bepaald in 1, 1 ; 2 de uitgesloten vormen van onderwijs, opleiding of vorming; 3 in welke mate een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, als bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de toepassing van 1 verhindert. 4. De student-zelfstandige die een bijdrage verschuldigd is in toepassing van artikel 12bis, 1, van dit besluit is enkel onderworpen aan de regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, overeenkomstig de regels en voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad. 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing ten gunste van de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis, 1, van dit besluit.] (292) b) De helpers Artikel 6. Dit besluit verstaat onder helper ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden. [...] (84) (107) [Artikel 6bis. S.6/2

UITVOERING VAN ARTIKEL 11, 3 Jaar Breuk Koninklijk besluit Artikel Belgisch Staatsblad 2015 2016 2017 501,14/487,36 506,60/492,78 517,72/494,46 19.12.2014 14.12.2015 07.12.2016 1,1 1,1 1,1 29.12.2014, Ed. 3 23.12.2015 14.12.2016, Ed. 3 (erratum: 16.12.2016, Ed. 1) S.10/1

c) voor de zelfstandigen die deel uitmaken van de bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, 2, en de zelfstandigen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen: ofwel een bijdrage te betalen zoals bepaald onder letter a), ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een inkomen van 1.920,48 euro verschuldigd is indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar dit laatste bedrag niet zal overschrijden, dan wel om geen bijdrage te betalen indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar geen 405,60 euro zal bereiken; d) voor de zelfstandigen die deel uitmaken van de bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, 1 : ofwel een bijdrage te betalen zoals bepaald onder letter a), ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een inkomen van 1.920,48 euro verschuldigd is, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar dit laatste bedrag niet zal overschrijden, dan wel om geen bijdrage te betalen indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar geen 811,20 euro zal bereiken; [e) voor de zelfstandigen die naast hun zelfstandige activiteit een al dan niet vervroegd rustpensioen of een overlevingspensioen of een gelijkaardig voordeel genieten krachtens de pensioenregeling voor zelfstandigen of een andere pensioenregeling: een bijdrage te betalen gelijk aan de op hen van toepassing zijnde drempel inzake toegelaten activiteit overeenkomstig artikel 107, 2, 3 en 5 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;] (245) [voor wat betreft de betrokkenen die deel uitmaken van de groep onderworpenen bedoeld in artikel 12, 1, doet deze bepaling geen afbreuk aan de bepalingen van genoemde 1.] (261) [f) voor de student-zelfstandigen bedoeld in artikel 5quater van dit besluit : ofwel een bijdrage te betalen zoals bepaald onder a), ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een inkomen van 2 749,61 euro verschuldigd is in toepassing van artikel 12bis, 1, indien zij aannemelijk kunnen maken dat hun inkomen van het bijdragejaar dit laatste bedrag niet zal overschrijden, dan wel om geen bijdrage te betalen indien zij aannemelijk kunnen maken dat hun inkomen van het bijdragejaar geen 1 833,07 euro zal bereiken.] (293) De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen wat onder `objectieve elementen' wordt verstaan, met dien verstande dat het enkel kan gaan om elementen die een rechtstreekse impact hebben op het bedrag van de beroepsinkomsten. S.11/4

De toelating kan niet tot gevolg hebben dat reeds uitgevoerde bijdragebetalingen worden terugbetaald aan de zelfstandige. De Koning kan de termijn waarbinnen, op straffe van verval, de aanvraag bedoeld in het zesde lid wordt ingediend, de wijze waarop deze aanvraag dient te gebeuren, alsook de wijze waarop het sociaal verzekeringsfonds het dossier bijhoudt, de beslissing neemt en deze meedeelt aan de zelfstandige, bepalen. Wanneer het bijdragejaar minder dan vier kalenderkwartalen van onderwerde Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in overleg met en na advies van het Algemeen beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, opgericht krachtens artikel 107 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en onverminderd de toepassing van de artikelen 12, 1, tweede lid en 12, 1ter, eerste lid, de bedragen bedoeld in het zesde lid aanpassen, dan wel bedragen toevoegen of opheffen, dan wel bepalen dat de zelfstandige, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het zesde tot het negende lid, zelf het bedrag van het inkomen op basis waarvan hij voorlopige bijdragen wenst te betalen, kan voorstellen aan zijn sociaal verzekeringsfonds. Met de woorden "in overleg met en na advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen" wordt bedoeld dat de hier beoogde evoluties niet kunnen worden ingevoerd vóór de evaluatie van het systeem door het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen waarin artikel 16 van de wet van 22 november 2013 houdende hervorming van de berekening van de sociale bijdragen voor zelfstandigen voorziet. 4. Het sociaal verzekeringsfonds moet de onderworpene duidelijk en schriftelijk informeren: 1 over het voorlopig en opeisbaar karakter van de bijdrage zoals bedoeld in paragraaf 3 en in artikel 13bis; 2 over de manier waarop deze bijdrage achteraf zal worden geregulariseerd; 3 over de gevolgen die deze regularisatie met zich kan brengen. 5. Zodra de beroepsinkomsten van het bijdragejaar worden meegedeeld door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën, wordt op deze basis overgegaan tot de vaststelling van het definitieve bedrag van de voor het betrokken bijdragejaar verschuldigde bijdragen. Dit wordt de regularisatie genoemd. De Koning bepaalt de wijze waarop deze regularisatie wordt doorgevoerd en de manier waarop de jaarlijkse bijdrageafrekening aan de betrokkene wordt verstuurd. S.11/5

Op deze beroepsinkomsten wordt het bijdragepercentage toegepast dat van toepassing was tijdens de te regulariseren periode. Wanneer het bijdragejaar minder dan vier kalenderkwartalen van onderwerping telt, worden de beroepsinkomsten van dat onvolledige kalenderjaar omgezet in een jaarinkomen. Daartoe worden de beroepsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan vier en de noemer gelijk aan het aantal kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het bijdragejaar. De verschuldigde bijdrage wordt vervolgens vastgesteld a rato van het aantal kalenderkwartalen van onderwerping van de betrokkene aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het bijdragejaar. De zelfstandige kan er evenwel voor kiezen dat de regularisatie, bedoeld in het eerste tot het derde lid, van de hieronder bedoelde bijdragejaren niet wordt doorgevoerd. Hij kan dit aanvragen en verkrijgen indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: - de aanvraag gebeurt uiterlijk op de ingangsdatum van het [eigen rustpensioen] (262); - de ingangsdatum van het [eigen rustpensioen] (262) valt uiterlijk op 1 januari 2019; - de zelfstandige zet elke zelfstandige beroepsactiviteit stop op de ingangsdatum van het [eigen rustpensioen] (262); - het betreft de regularisaties van alle bijdragejaren in de periode gaande van het jaar waarin het [eigen rustpensioen] (262) ingaat tot en met het derde kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het [eigen rustpensioen] (262) ingaat, met uitzondering van de bijdragejaren waarvoor al een regularisatie werd doorgevoerd [op de ingangsdatum van het [eigen rustpensioen] (262)] (246); - in en voor alle in aanmerking te nemen bijdragejaren geniet de zelfstandige geen toepassing van artikel 11, 3, zesde lid. De Koning bepaalt hoe de aanvraag bedoeld in het vierde lid dient te worden ingediend. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hierboven vermelde datum van 1 januari 2019 aanpassen.] (12) (13) (14) (31) (32) (49) (50) (51) (52) (76) (88) (91) (92) (93) (94) (95) (110) (126) (137) (164) (212) (217) S.11/6

Tekst van kracht vanaf 1 januari 2017 (a) (a) [ 1. Onverminderd de uitzonderingen [bedoeld in de 1ter, en 2, en in artikel 12bis] (294) zijn de onderworpenen de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd: 1 [21,00 pct.] (250) (253) op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR niet te boven gaat; 2 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR te boven gaat, maar 23.330,06 EUR niet overschrijdt.] (77) (96) (111) (165) Voor de berekening van de onder 1 bedoelde bijdragen worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht [3.666,15 EUR] te bereiken wanneer [deze dit bedrag niet bereiken] (219). De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, 2, bedoelde [bijdragejaar] (220).] (53) (97) (166) [De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel.] (73) [ 1bis. [ ] (167)] (78) [ 1ter. [In afwijking van 1, tweede lid, worden voor de berekening van de onder 1, 1, bedoelde bijdragen, de beroepsinkomsten van de overeenkomstig artikel 7bis aan dit koninklijk besluit onderworpen meewerkende echtgenoot geacht de helft van 3.221,08 euro te bereiken wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, 2, bedoelde bijdragejaar.] (221) De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in 1, tweede lid.] (112) (a) Artikel 13 van de wet van 26.12.2015 (B.S. 30.12.2015, Ed.2) luidt als volgt: De sociale bijdragen die betrekking hebben op kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen die gelegen zijn vóór de respectieve data van inwerkingtreding van de afdelingen van dit hoofdstuk (namelijk 1 januari 2016 voor de vermindering van bijdragen in 2016, 1 januari 2017 voor de vermindering van bijdragen in 2017 en 1 januari 2018 voor de vermindering van bijdragen in 2018), worden berekend en geïnd overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen zoals deze golden op de dag voorafgaand aan deze respectieve data van inwerkingtreding. S.12/6

Tekst van kracht vanaf 1 januari 2018 (a) (a) [ 1. Onverminderd de uitzonderingen [bedoeld in de 1ter, en 2, en in artikel 12bis] (294) zijn de onderworpenen de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd: 1 [20,50 pct.] (250) (253) (257) op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR niet te boven gaat; 2 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR te boven gaat, maar 23.330,06 EUR niet overschrijdt.] (77) (96) (111) (165) Voor de berekening van de onder 1 bedoelde bijdragen worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht [3.666,15 EUR] te bereiken wanneer [deze dit bedrag niet bereiken] (219). De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, 2, bedoelde [bijdragejaar] (220).] (53) (97) (166) [De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel.] (73) [ 1bis. [ ] (167)] (78) [ 1ter. [In afwijking van 1, tweede lid, worden voor de berekening van de onder 1, 1, bedoelde bijdragen, de beroepsinkomsten van de overeenkomstig artikel 7bis aan dit koninklijk besluit onderworpen meewerkende echtgenoot geacht de helft van 3.221,08 euro te bereiken wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, 2, bedoelde bijdragejaar.] (221) De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in 1, tweede lid.] (112) (a) Artikel 13 van de wet van 26.12.2015 (B.S. 30.12.2015, Ed.2) luidt als volgt: De sociale bijdragen die betrekking hebben op kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen die gelegen zijn vóór de respectieve data van inwerkingtreding van de afdelingen van dit hoofdstuk (namelijk 1 januari 2016 voor de vermindering van bijdragen in 2016, 1 januari 2017 voor de vermindering van bijdragen in 2017 en 1 januari 2018 voor de vermindering van bijdragen in 2018), worden berekend en geïnd overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen zoals deze golden op de dag voorafgaand aan deze respectieve data van inwerkingtreding. S.12/8

2. [De onderworpene die, naast de bezigheid die aanleiding geeft tot onderwerping aan dit besluit, gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid uitoefent, is geen bijdrage verschuldigd indien zijn [beroepsinkomsten als zelfstandige, voor het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, 2, minder dan 405,60 euro bedragen.] (222)] (98) [Wanneer genoemde inkomsten minstens 405,60 EUR bedragen, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd: 1 [20,50 pct.] (251) (254) (258) op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR niet te boven gaat; 2 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR te boven gaat, maar 23.330,06 EUR niet overschrijdt.] (99) (168)] (54) [...] (55) (100) De Koning bepaalt wat, voor de toepassing van deze paragraaf, dient verstaan onder gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling en wat daarmee kan gelijkgesteld worden. De Koning kan, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die hij vaststelt, de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf uitbreiden tot bepaalde categorieën onderworpenen die niet voldoen aan de voorwaarden betreffende de uitoefening van een andere beroepsbezigheid. ARS/35, 36 ARS/37, 1 [ 3. [...] (101)] (56) [Artikel 12bis. 1. In afwijking van artikel 12, 1, is de student-zelfstandige bedoeld in artikel 5quater van dit besluit: 1. geen enkele bijdrage verschuldigd op het gedeelte van zijn beroepsinkomsten verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, 2, dat niet de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid, bedraagt; 2. de jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 12, 1, eerste lid, 1, verschuldigd wanneer zijn beroepsinkomsten minstens de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid, bedragen, zonder dat inkomen te evenaren. De bijdrage wordt dan berekend op het gedeelte van zijn beroepsinkomsten vanaf de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid. 2. Wanneer de student-zelfstandige beroepsinkomsten ontvangt die minstens gelijk zijn aan het bedrag van het inkomen bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid, voor het betreffende jaar, is hij bijdragen verschuldigd in toepassing van artikel 12, 1.] (295) S.12/9

3 wanneer de voorwaarden waarin de bezigheid wordt uitgeoefend van die aard zijn dat de betrokkene zou kunnen behoren tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, 2: bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 405,60 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat 4 kwartalen onderwerping omvat; b) 21,00 pct. op een inkomen van 405,60 EUR voor de volgende vier kalenderkwartalen onderwerping; c) [21,00 pct.] (256) op een inkomen van 405,60 EUR voor elk van de volgende kwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel [11, 3, eerste lid] (225); 4 wanneer de onderworpene bedoeld is in artikel 13, 1, eerste en derde lid [of in artikel 13, 1, eerste en vierde lid] (214) de bijdragen opgelegd door de bepaling die op hem van toepassing is, berekend op een inkomen van 811,20 EUR; 5 [wanneer de onderworpene bedoeld is in artikel 13, 1, eerste lid, zonder dat het derde of het vierde lid van datzelfde artikel op hem van toepassing is] (215): bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 811,20 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat 4 kwartalen onderwerping omvat; b) 21,00 pct. op een inkomen van 811,20 EUR voor de volgende vier kalenderkwartalen onderwerping; c) [21,00 pct.] (256) op een inkomen van 811,20 EUR voor elk van de volgende kwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel [11, 3, eerste lid] (225).] (171) [6 wanneer het gaat om een student-zelfstandige bedoeld in artikel 5quater : bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 405,60 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat vier kwartalen onderwerping omvat; b) 21,00 pct. op een inkomen van 405,60 EUR voor de volgende vier kwartalen onderwerping; c) 21,00 pct. op een inkomen van 405,60 EUR voor elk van de volgende kalenderkwartalen onderwerping waarvoor er geen refertejaar is in de zin van artikel 11, 3, eerste lid.] (296) [ 3. De voorlopige bijdragen, geïnd overeenkomstig 2, worden geregulariseerd overeenkomstig artikel 11, 5.] (226) S.14/3/2

3 wanneer de voorwaarden waarin de bezigheid wordt uitgeoefend van die aard zijn dat de betrokkene zou kunnen behoren tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, 2: bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 405,60 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat 4 kwartalen onderwerping omvat; b) [20,50 pct.] (260) op een inkomen van 405,60 EUR voor de volgende vier kalenderkwartalen onderwerping; c) [20,50 pct.] (256) (260) op een inkomen van 405,60 EUR voor elk van de volgende kwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel [11, 3, eerste lid] (225); 4 wanneer de onderworpene bedoeld is in artikel 13, 1, eerste en derde lid [of in artikel 13, 1, eerste en vierde lid] (214) de bijdragen opgelegd door de bepaling die op hem van toepassing is, berekend op een inkomen van 811,20 EUR; 5 [wanneer de onderworpene bedoeld is in artikel 13, 1, eerste lid, zonder dat het derde of het vierde lid van datzelfde artikel op hem van toepassing is] (215): bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 811,20 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat 4 kwartalen onderwerping omvat; b) [20,50 pct.] (260) op een inkomen van 811,20 EUR voor de volgende vier kalenderkwartalen onderwerping; c) [20,50 pct.] (256) (260) op een inkomen van 811,20 EUR voor elk van de volgende kwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel [11, 3, eerste lid] (225).] (171) [6 wanneer het gaat om een student-zelfstandige bedoeld in artikel 5quater : bijdragen, berekend als volgt: a) 20,50 pct. op een inkomen van 405,60 EUR tot en met het laatste kwartaal van het eerste kalenderjaar dat vier kwartalen onderwerping omvat; b) 21,00 pct. op een inkomen van 405,60 EUR voor de volgende vier kwartalen onderwerping; c) 21,00 pct. op een inkomen van 405,60 EUR voor elk van de volgende kalenderkwartalen onderwerping waarvoor er geen refertejaar is in de zin van artikel 11, 3, eerste lid.] (296) [ 3. De voorlopige bijdragen, geïnd overeenkomstig 2, worden geregulariseerd overeenkomstig artikel 11, 5.] (226) S.14/3/4

UITVOERING VAN ARTIKEL 14, 1 Jaar Breuk Koninklijk besluit Artikel Belgisch Staatsblad 2015 2016 2017 501,14/142,75 506,60/142,75 517,72/142,75 19.12.2014 14.12.2015 07.12.2016 1,2 1,2 1,2 29.12.2014, Ed. 3 23.12.2015 14.12.2016, Ed. 3 (erratum: 16.12.2016, Ed. 1) S.15/1

Tekst van kracht vanaf 1 januari 2015 [De zelfstandigen die menen dat zij zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefe benadert, kunnen vrijstelling vragen van de voorlopige bijdragen verschuldigd krachtens dit koninklijk besluit, voor zover deze bijdragen niet verschuldigd zijn [op grond van artikel 12bis, 1, of] (297) in de hoedanigheid van de bij artikel 12, 2, bedoelde onderworpene, door zich te wenden tot de in artikel 22 bedoelde Commissie. De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten hun staat van behoefte of hun toestand die de staat van behoefte benadert, bewijzen. Om hun staat van behoefte te beoordelen, houdt de Commissie inzonderheid rekening met de inkomsten en lasten van de personen die deel uitmaken van hun gezin, tenzij met betrekking tot deze personen wordt bewezen dat ze niets te maken hebben met de zelfstandige activiteit van de betrokken zelfstandigen en dat ze bovendien niet de rechtsplicht hebben om die zelfstandigen te helpen of van levensmiddelen te voorzien. De vrijstelling voor de bijdrage van een bepaald kwartaal wordt geacht nooit te zijn toegekend wanneer later, op het ogenblik van regularisatie van de voorlopige bijdrage met betrekking tot dit kwartaal, blijkt dat de beroepsinkomsten die als basis dienen voor de regularisatie van deze bijdrage hoger zijn dan het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid. In afwijking van het derde lid blijft de vrijstelling van de bijdrage voor een bepaald kalenderkwartaal behouden wanneer de beroepsinkomsten die als basis dienen voor de regularisatie van die bijdrage niet meer bedragen dan 120 % van deze die de zelfstandige voor het betrokken jaar ter informatie opgaf in de loop van de procedure die aanleiding gaf tot de vrijstelling, voor zover eerstgenoemde beroepsinkomsten niet meer bedragen dan 120 % van het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 12, 1, tweede lid. Indien, rekening houdend met de bepalingen van het eerste tot het vierde lid, de vrijstelling voor een bepaald kalenderkwartaal na de regularisatie effectief behouden blijft, dan geldt deze vrijstelling voor het bedrag van de kwartaalbijdrage, zoals vastgesteld naar aanleiding van diezelfde regularisatie. De Koning bepaalt hoe en voor welke jaren de aanvrager opgave doet van zijn beroepsinkomsten in de loop van de aanvraagprocedure en hoe het derde en het vierde lid dienen te worden toegepast in de gevallen waarin de aanvrager geen opgave doet van zijn beroepsinkomsten in de loop van de aanvraagprocedure. S.18/5

INDEX A. 14 (koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967) Ref. Gewijzigd door Artikel Datum van inwerkingtreding Belgisch Staatsblad 289 290 291 292 293 294 295 296 297 W. 15.07.2016 W. 18.12.2016 4, 1 4, 2 5 2 3 4 5 6 7 08.08.2016 01.01.2017 29.07.2016 30.12.2016 S.100/1l

- het koninklijk besluit van 1 juli 2006 (B.S. 25 juli 2006); - het koninklijk besluit van 20 juli 2006 (B.S. 7 augustus 2006); - het koninklijk besluit van 12 december 2006 (B.S. 17 januari 2007); - het koninklijk besluit van 15 januari 2007 (B.S. 7 februari 2007); - het koninklijk besluit van 21 april 2007 (B.S. 11 mei 2007). - het koninklijk besluit van 19 september 2008 (B.S. 14 oktober 2008); - het koninklijk besluit van 1 juli 2009 (B.S. 10 juli 2009); - het koninklijk besluit van 21 februari 2010 (B.S. 3 maart 2010); - het koninklijk besluit van 6 april 2010 (B.S. 20 april 2010, 2 e editie); - het koninklijk besluit van 6 april 2010 (B.S. 21 april 2010); - het koninklijk besluit van 25 oktober 2011 (B.S. 4 november 2011); - het koninklijk besluit van 24 januari 2014 (B.S. 12 februari 2014); - het koninklijk besluit van 27 mei 2014 (B.S. 16 juni 2014); - het koninklijk besluit van 7 juni 2015 (B.S. 7 juli 2015); - het koninklijk besluit van 29 september 2015 (B.S. 5 oktober 2015, 2 e editie); - het koninklijk besluit van 15 juli 2016 (B.S. 29 juli 2016); - het koninklijk besluit van 1 september 2016 (B.S. 15 september 2016). S.104/1

Er is eveneens geen enkele bijdrage verschuldigd voor het kwartaal in de loop waarvan de activiteit wordt hervat volgend op een periode van nonactiviteit omwille van ziekte of invaliditeit op voorwaarde dat deze hervatting plaatsvindt in de loop van de derde maand van het kwartaal en dat dit kwartaal gelijkgesteld wordt met een periode van activiteit in het raam van de pensioenregeling voor zelfstandigen.] (124) [ 2. De zelfstandigen zijn eveneens geen enkele bijdrage verschuldigd voor het kwartaal of de kwartalen die krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden gelijkgesteld met een periode van bezigheid.] (225) 3. [...] (226)] (143) [ 4. De zelfstandigen zijn geen enkele bijdrage verschuldigd voor de kwartalen waarvoor, in de gevallen bedoeld in artikel 2, 3, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting, op grond van artikel 3, 1, van datzelfde besluit rechten geopend worden inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, sector van de geneeskundige verzorging, en inzake gezinsbijslagen.] (163) [ 5. De vrouwelijke zelfstandigen zijn eveneens geen enkele bijdrage verschuldigd voor het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin zij bevallen zijn op voorwaarde dat zij naar aanleiding van de geboorte van hun kind of kinderen de voorwaarden vervullen om de moederschapsverzekering te genieten, voorzien in het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten.] (231) S.133/1

INDEX B. 12 (koninklijk besluit van 19 december 1967 - ARS) Ref. Gewijzigd door Artikel Datum van inwerkingtreding Belgisch Staatsblad 231 K.B. 01.09.2016 1 (a) 15.09.2016 (a) Artikel 1 van dit koninklijk besluit luidt als volgt: "Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017 en is van toepassing op bevallingen die vanaf 1 oktober 2016 plaatsvinden." S.209/2/7

KONINKLIJK BESLUIT VAN 28 NOVEMBER 1995 betreffende de bewijswaarde, ter zake van de sociale zekerheid der zelfstandigen, van de door de Administratie en meewerkende instellingen gebruikte informatiegegevens inzake de sociale zekerheid der zelfstandigen (B.S. 29 december 1995) Opgeheven met ingang van 29 december 2016, krachtens artikel 21, 2, van het koninklijk besluit van 7 december 2016 over de bewijskracht van de gegevens die door de instellingen van sociale zekerheid worden verwerkt (B.S. 19 december 2016). S.210

KONINKLIJK BESLUIT VAN 7 DECEMBER 2016 over de bewijskracht van de gegevens die door de instellingen van sociale zekerheid worden verwerkt (B.S. 19 december 2016) S.347

Hoofdstuk I. - BEWIJSKRACHT VAN DE GEGEVENS VERWERKT DOOR DE OPENBARE INSTELLINGEN VAN SOCIALE ZEKER- HEID EN DE FEDERALE OVERHEIDSDIENSTEN DIE MET DE TOEPASSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID ZIJN BELAST Artikel 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1 "openbare instellingen van sociale zekerheid": de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2, a), van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 2 "federale overheidsdiensten die met de toepassing van de sociale zekerheid zijn belast": de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de programmatorische overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid; 3 "bevoegde minister": de voogdijminister van de betrokken openbare instelling van sociale zekerheid of de minister bevoegd voor de betrokken federale overheidsdienst die met de toepassing van de sociale zekerheid is belast; 4 "sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid": het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bedoeld in artikel 37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Artikel 2. De openbare instellingen van sociale zekerheid en de federale overheidsdiensten die met de toepassing van de sociale zekerheid zijn belast, kunnen ter erkenning door de bevoegde minister de voorwaarden en de nadere regels voorleggen voor het opslaan, bewaren, uitwisselen, meedelen of weergeven, met fotografische, optische, elektronische of andere technieken of op een leesbare drager, van de gegevens waarover zij beschikken of die aan hen zijn overgemaakt voor de toepassing van de sociale zekerheid. Zij leggen hun voorstel, met een beknopte zelfevaluatie aangaande het voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, tegelijkertijd voor aan de bevoegde minister en, voor advies, aan het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid. S.348

Artikel 3. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid gaat na of de voorgestelde procedure voldoet aan de volgende voorwaarden: 1 het voorstel omschrijft nauwkeurig de procedure; 2 de gebruikte technologie waarborgt een getrouwe, duurzame en volledige weergave van de gegevens; 3 de gegevens worden systematisch en zonder weglatingen geregistreerd; 4 de verwerkte gegevens worden op een zorgvuldige manier bewaard, systematisch gerangschikt en beschermd tegen elke vervalsing; 5 de volgende inlichtingen over de verwerking van de gegevens worden bewaard: a) de identiteit van de verantwoordelijke voor de verwerking en de uitvoerder; b) de aard en het onderwerp van de gegevens waarop de verwerking betrekking heeft; c) de datum en de plaats van de uitvoering; d) de eventuele storingen die zijn vastgesteld tijdens de verwerking. Artikel 4. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid kan de vertegenwoordigers van de aanvrager horen vóór het zijn advies verleent. In overleg met die vertegenwoordigers kunnen wijzigingen aan de voorgestelde procedure worden aangebracht. Artikel 5. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid deelt zijn gemotiveerd advies mee aan de bevoegde minister, uiterlijk binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop het voorstel bedoeld in artikel 2, tweede lid, werd verzonden. Indien het advies niet binnen deze termijn wordt meegedeeld, wordt het geacht gunstig te zijn. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid deelt tegelijkertijd zijn advies mee aan de aanvrager. S.349

Artikel 6. De bevoegde minister deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de aanvrager en aan het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid, uiterlijk binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop het voorstel bedoeld in artikel 2, tweede lid, werd verzonden. Indien de gemotiveerde beslissing niet binnen deze termijn meegedeeld wordt aan de aanvrager, wordt de procedure die hij heeft voorgesteld geacht erkend te zijn door de bevoegde minister, behalve indien het advies dat door het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid volgens artikel 5 wordt verstrekt ongunstig is, in welk geval de erkenning van de voorgestelde procedure steeds afhankelijk is van een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing door de bevoegde minister. Vóór hij zijn beslissing neemt, gaat de bevoegde minister ook na of de in artikel 3 bepaalde voorwaarden vervuld zijn. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid registreert en bewaart de procedures die door de bevoegde minister werden erkend of geacht worden door de bevoegde minister te zijn erkend, onverminderd artikel 9. Artikel 7. Wanneer de procedure die de aanvrager heeft voorgelegd, wordt erkend door de bevoegde minister of wordt geacht erkend te zijn door de bevoegde minister, hebben de gegevens die volgens die procedure worden opgeslagen, bewaard, uitgewisseld, meegedeeld of weergegeven en hun weergave op een leesbare drager bewijskracht voor de toepassing van de sociale zekerheid, tot bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht geldt vanaf de datum waarop de procedure is erkend of is geacht erkend te zijn overeenkomstig artikel 6. Artikel 8. Elke wijziging aan een uitdrukkelijk of stilzwijgend erkende procedure om een reden die verband houdt met één van de voorwaarden bedoeld in artikel 3 is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 2 tot 7. Artikel 9. De bevoegde minister kan de uitdrukkelijke of stilzwijgende erkenning intrekken wanneer hij vaststelt dat de erkenningsvoorwaarden geheel of gedeeltelijk niet meer vervuld zijn. S.350

Vóór hij zijn beslissing neemt, kan de bevoegde minister het advies van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid vragen, in welk geval de bepalingen van artikel 4 naar analogie van toepassing zijn. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid deelt zijn gemotiveerd advies aan de bevoegde minister mee, uiterlijk binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag om advies werd verzonden. Indien dit advies niet binnen deze termijn wordt meegedeeld, wordt het geacht gunstig te zijn. De bevoegde minister deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de aanvrager en aan het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid. De intrekking van de erkenning heeft uitwerking op de datum van mededeling van de beslissing van de bevoegde minister aan de aanvrager. Artikel 7 blijft van toepassing voor de periode die de datum van uitwerking van de intrekking van de erkenning voorafgaat. Hoofdstuk II. - BEWIJSKRACHT VAN DE GEGEVENS VER- WERKT DOOR DE ANDERE INSTELLINGEN VAN SOCIALE ZE- KERHEID EN DE SOCIALE SECRETARIATEN VOOR WERKGE- VERS Artikel 10. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1 "instellingen": de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, de fondsen voor bestaanszekerheid en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2, b), c) en f), van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en de sociale secretariaten voor werkgevers; 2 "de procedure": alle gebruikte procedures, processen en architecturen (hardware en software); 3 "gedigitaliseerde gegevens": gegevens die opgeslagen, verwerkt en meegedeeld worden door middel van een optische en fotografische techniek; 4 "het formaat": de code waaronder gedigitaliseerde gegevens zijn opgeslagen op een gegevensdrager; S.351

5 "compressie": de bewerking waarbij de digitale voorstelling van de afbeeldingen in grootte beperkt wordt om opslagcapaciteit te besparen en datatransmissie te versnellen; 6 "metagegevens": de gegevensset die de context, de inhoud en de structuur van de gedigitaliseerde gegevens beschrijft; 7 "het systeem": het geheel van apparatuur en besturings- en toepassingsprogrammatuur; 8 "het datacenter": de ruimte waarin de informatie- en communicatieapparatuur (IT-apparatuur) zich fysiek bevindt waarop de gedigitaliseerde gegevens verwerkt en/of opgeslagen worden. Artikel 11. De gegevens die door middel van een optische en fotografische techniek opgeslagen, verwerkt of meegedeeld worden, alsook de weergave van deze gegevens op papier of op elke andere leesbare drager, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel, indien de procedure die de instelling overeenkomstig artikel 12 heeft vastgesteld voor de opslag, de verwerking, de mededeling of de weergave van deze gegevens voldoet aan de voorwaarden opgesomd in dit hoofdstuk en de gegevens in overeenstemming met die procedure werden opgeslagen, verwerkt of meegedeeld. De gedigitaliseerde gegevens kan echter geen rechtsgeldigheid worden ontzegd op de enkele grond dat betwist wordt dat de werkelijk gevolgde procedure aan de voorwaarden van dit besluit voldoet, als diegene die zich op deze gegevens beroept kan aantonen, met alle middelen van recht, dat de afwijking van de voorwaarden in dit hoofdstuk de betrouwbaarheid van de gegevens niet in het gedrang heeft gebracht. Artikel 12. De instelling legt de procedure vast volgens welke ze de gegevens waarover ze beschikt of die ze doorgestuurd krijgt, door middel van een optische en fotografische techniek opslaat, verwerkt of meedeelt voor de toepassing ervan in de sociale zekerheid, alsook de procedure volgens welke ze deze gegevens op papier of op elke andere leesbare drager weergeeft, overeenkomstig dit hoofdstuk. S.352

Artikel 13. De instelling gebruikt een procedure voor: 1 de systematische en volledige opslag van gegevens; 2 de getrouwe, duurzame en volledige weergave van de informatie; 3 de zorgvuldige bewaring, de systematische classificatie en de beveiliging van de gegevens tegen elke vorm van vervalsing; 4 de integriteit en de leesbaarheid van de gegevens gedurende de volledige bewaartermijn. Artikel 14. De instelling beschikt over een gedetailleerde, regelmatig bijgewerkte documentatie over de gehanteerde procedure. Deze documentatie bevat minstens de volgende inlichtingen: 1 de identificatiegegevens van de eventuele verwerker op wie de instelling een beroep doet, evenals de naam en het adres van de eigenaar van de gebruikte hardware en software; 2 het merk en het type van de gebruikte hardware en de benaming van de gebruikte software; 3 de nauwkeurige beschrijving van de hardware en software, met vermelding van de voornaamste technische kenmerken van de wijze van opslag, verwerking en mededeling door middel van de gebruikte optische en fotografische techniek; 4 de documentatie van de gebruikte opslaginfrastructuur; 5 de beschrijving van de wijze waarop de integriteit van de gedigitaliseerde gegevens wordt verzekerd en kan worden gecontroleerd; 6 de beschrijving van de uitgevoerde kwaliteitscontroles; 7 de documentatie van de software voor de verbetering van de beeldkwaliteit en de herkenningssoftware; 8 de beschrijving van de wijze waarop de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de gedigitaliseerde gegevens worden verzekerd; 9 een beschrijving van de wijze waarop de gedigitaliseerde gegevens worden beveiligd tegen onbevoegde toegang; 10 een beschrijving van het back-upbeleid. S.353

Elke aangebrachte wijziging aan de gebruikte procedure wordt onmiddellijk aan de gedetailleerde beschrijving toegevoegd. De instelling kan op elk moment de documentatie voorleggen aan het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bedoeld in artikel 37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Zowel de documentatie van de procedure als de link tussen deze documentatie en de gedigitaliseerde gegevens wordt bijgehouden gedurende de volledige bewaartermijn. Artikel 15. De toegang tot de gedigitaliseerde gegevens verloopt conform de regels en procedures in voege in de instelling. Elke bewerking van de gedigitaliseerde gegevens wordt samen met de identiteit van de bewerker in een logboek bijgehouden. Artikel 16. De gedigitaliseerde gegevens worden bewaard in valideerbare, genormeerde en volledig gedocumenteerde bestandsformaten geschikt voor bewaring op lange termijn. Indien er gebruik gemaakt wordt van een tussenformaat, dan mag er geen relevant kwaliteitsverlies optreden bij de omzetting van het tussenformaat naar het uiteindelijke formaat. Compressie is alleen toegestaan indien aantoonbaar geen relevant informatieverlies optreedt. Artikel 17. De gedigitaliseerde gegevens worden op de dag van hun opmaak opgeslagen in een opslaginfrastructuur die de integriteit en de duurzaamheid van de gegevens verzekert. De gedigitaliseerde gegevens en de niet gedigitaliseerde originele gegevens worden blijvend met elkaar gelinkt via een unieke identifier tot op het moment waarop het origineel vernietigd wordt. S.354

Artikel 18. De verwerking van de gedigitaliseerde gegevens gebeurt in een lidstaat van de Europese Unie of in een derde staat waarnaar het vrij verkeer van diensten is uitgebreid en die zich er in het kader van een internationaal akkoord met de Europese Unie toe heeft verbonden om de regelgeving van de Europese Unie betreffende de verwerking van persoonsgegevens te respecteren. Artikel 19. De integriteit van de inhoud, de duurzaamheid, de toegankelijkheid en de leesbaarheid van de gedigitaliseerde gegevens en de hieraan verbonden metagegevens worden gewaarborgd gedurende de door de toepasselijke reglementering opgelegde bewaartermijn. Metagegevens worden op een consistente en gestructureerde wijze toegekend. De koppeling tussen de gedigitaliseerde gegevens en de bijbehorende metagegevens kan gedurende de volledige bewaartermijn worden gereconstrueerd. Elk van de gedigitaliseerde gegevens kan binnen een redelijke termijn worden teruggevonden aan de hand van de bijbehorende metagegevens en kan waarneembaar of leesbaar gemaakt worden, met inachtneming van de autorisaties. Het gebruikte systeem importeert, converteert, migreert en exporteert de gedigitaliseerde gegevens en de bijbehorende metagegevens met behoud van de betrouwbaarheid, de integriteit en de bruikbaarheid ervan. Artikel 20. De veiligheidsmaatregelen die de gegevensintegriteit waarborgen, zijn opgesteld overeenkomstig het informatieveiligheidsbeleid van de instelling. De instelling voert een systematische risicoanalyse uit, onder meer betreffende de gegevensverwerking, de systemen, het personeel en de veiligheidseisen. De instelling beschikt over een informatieveiligheidsbeleid dat het geheel van strategieën en gekozen maatregelen voor de gegevensbeveiliging bevat. Het in het vorige lid vermelde beleid is gebaseerd op de normen en/of richtlijnen die door nationale en internationale instanties erkend worden. S.355

Aldus doet de instelling minstens het volgende: 1 ze heeft een overzicht van de gehanteerde veiligheidsmaatregelen en toetst periodiek (extern of niet) of de ingevoerde veiligheidsmaatregelen nog passend zijn of niet; 2 ze beschikt over een gedocumenteerd en passend back-upbeleid, calamiteiten- en herstelplan; 3 ze treft alle nodige maatregelen om te voorkomen dat de gedigitaliseerde gegevens gedeeltelijk of geheel verloren zouden gaan gedurende de bewaartermijn. Hiertoe maakt de instelling periodiek back-ups van alle gedigitaliseerde gegevens en bewaart ze deze back-ups op een andere beveiligde locatie; 4 ze test op regelmatige basis de back-up- en herstelplannen en past ze indien nodig aan; 5 ze beschikt over een geactualiseerd toegangscontrolebeleid voor het toekennen, het wijzigen en het verwijderen van toegangsrechten tot het systeem; 6 ze stelt in geval van onderaanneming veiligheidseisen aan deze derde via een contract; 7 na afloop van de door de instelling gehanteerde verjaringstermijn, die ten minste de wettelijke verjaringstermijn moet zijn, vernietigt zij de gedigitaliseerde gegevens aan de hand van een gedocumenteerd proces en indien het gevoelige gegevens betreft, voert zij veilige vernietigingsmethodes uit; 8 ze beschikt over een goed beveiligd datacenter met onder meer klimaatbeheersing, een alarm en een brandmeldvoorziening, een toegangscontrole, een ordelijke bekabeling en een noodstroomvoorziening; 9 ze voorziet in redundantie in de opslaginfrastructuur; 10 ze slaat de informatiedragers en back-ups in een fysiek beveiligde plaats op; 11 ze beschikt over voldoende medewerkers, met voldoende kennis en competenties, om al haar taken en verantwoordelijkheden op het gebied van het beheer van gedigitaliseerde gegevens te kunnen uitvoeren; 12 in geval van migraties naar nieuwe bestandsformaten worden de overdrachten naar gegevensdragers tijdig uitgevoerd om de integriteit en de permanente toegang tot de gedigitaliseerde gegevens gedurende de volledige bewaartermijn te kunnen verzekeren. S.356