Hoofdstuk 8 De appendages

Vergelijkbare documenten
ONDERDRUKBEVEILIGING IN SPRINKLERINSTALLATIES

MEMORANDUM 71A ONDERDRUKBEVEILIGING IN SPRINKLERINSTALLATIES

WATERWERKBLAD. BRANDBLUSINSTALLATIES Automatische sprinklerinstallaties

Hoofdstuk 7 De afsluiters en keerkleppen

MEMORANDUM 71 ONDERDRUKBEVEILIGING IN SPRINKLERINSTALLATIES

BRONPOMPSYSTEMEN TEN BEHOEVE VAN SPRINKLERINSTALLATIES

MEMORANDUM 70 ONDERWATERPOMPEN IN SPRINKLERINSTALLATIES

Hoofdstuk 4 De watervoorziening

Eind- en toetstermen sprinkler 1. Aankomend sprinklertechnicus 2. Sprinklertechnicus

WATERWERKBLAD. DRUKVERHOGINGINSTALLATIES Algemeen

Eind- en toetstermen

CONCEPT WATERWERKBLAD. BRANDBLUSINSTALLATIES Automatische sprinklerinstallaties

Handleiding Zelfaanzuigende e-she pomp

WATERWERKBLAD. BRANDBLUSINSTALLATIES Automatische sprinklerinstallaties

Handleiding aansluiten en in gebruik nemen zelfaanzuigende SHE pompen

ERRATA WIJZIGINGEN JULI 1996 OP DE VOORSCHRIFTEN VOOR AUTOMATISCHE SPRINKLERINSTALLATIES

WATERMISTSYSTEEM MINIFOG ECONAQUA. Minifog EconAqua Watermist-Sprinklersystemen

Handleiding rookgascondensor INHOUDSOPGAVE: WERKING. 1.1 Algemeen 1.2 Werking INSTALLATIE

Hoofdstuk 6 De leidingen.

MEMORANDUM 62. COLLECTIEVE BLUSWATERVOORZIENING ten behoeve van BEDRIJVENTERREINEN met meerdere gebruikers

MEMORANDUM 0/2 AD-HOC VRAGEN EN ANTWOORDEN FEBRUARI 1998

AFFF IN SPRINKLERINSTALLATIES. Dit memorandum is vervallen verklaard met het verschijnen

Hoofdstuk 9 Sprinklermeldinstaliatie

Model Onderhoudsrapport sprinklerinstallatie

Hoofdstuk 3 De sprinklerinstallatie

WATERWERKBLAD. WARMTAPWATERINSTALLATIES Beveiligingen

TESTEN DIESELMOTOR GEDREVEN POMP aangesloten op DWL (Drinkwaterleiding) WERKGROEP DIESELMOTOREN

COLLECTIEVE BLUSWATERVOORZIENING ten behoeve van BEDRIJVENTERREINEN met meerdere gebruikers

WATERWERKBLAD. BRANDBLUSINSTALLATIES Algemeen

BEPROEVING RECORD-SUPER HOOI- EN SCHOVENBLAZER. BULLETIN No. 139

WATERWERKBLAD. DRUKVERHOGINGINSTALLATIES Algemeen

pvc hoofdgroep M = Uitwendige maat (Male) F = Inwendige maat (Female) G = Gasdraad (Gasket) S = Lijmaansluiting (Socket)

Instituut voor Landbouwtechniek en Rationalisatie Instituut voor Bewaring en Verwerking van Landbouwprodukten

Hydraulische kracht- en drukmanometers. Visuele referentie voor systeemdruk en kracht. glycerine, voor demping en een lange levensduur

BFSN DE POMPKAMER. Sjaak Blom Van Wijk & Boerma Firepacks BV

BEPROEVING E.M.I. CONTRAROTERENDESCHROEF- VENTILATOR TYPE D.V.A. 4/64 C. BULLETIN No Instituut voor Landbouwtechniek en Rationalisatie

GASTEC QA Keuringseis 191 Maximum debiet beveiligingskleppen

Montagehandleiding en gebruiksaanwijzing centrifugaalpomp RC-Pomp

Voorbeeld: Berekening drukverlies in drinkwaterinstallatie

T Lage temp leidingen TH M ITC. 9e t/m 19e verdieping. Testleiding. start/test setjes. Druktrap 2. optionele 2e sprinklerpomp LEGENDA TEKENSYMBOLEN

dimensionering leidingwerk PVC PVC slang capaciteitstabel

4 ^' b 'S-^j? BEPROEVING EMI SCHROEFVENTILATOR TYPE DRA. BULLETIN No Instituut voor Landbouwtechniek en Rationalisatie

Instituut voor Landbouwtechniek en Rationalisatie Instituut voor Bewaring en Verwerking van Landbouwprodukten

PAC rapport. Datum: Extra aansluiten van 9 vakantiewoningen op pompput 207

dimensionering leidingwerk PVC PVC slang capaciteitstabel

1. Onderhoud en garantie

Jabsco Lobben - en impellerpompen. Verdringerpompen

WATERWERKBLAD. WARMTAPWATERINSTALLATIES Beveiligingen

CONCEPT WATERWERKBLAD UITVOERING PERSPROEF DATUM: OKT 2014

WATERVOORZIENING GEDURENDE C-CONTROLE

Sprinklertechniek. door Tim Beumer. Tim Beumer Unica Automatic Sprinkler Projectleider Brandpreventie Academy Docent

2. Onderhoud en garantie

Sprinklertechniek. door Tim Beumer. Tim Beumer Unica Automatic Sprinkler Projectleider Brandpreventie Academy Docent

GEBRUIKERSHANDLEIDING

Brandveiligheid in gesprinklerde parkeergarages. Presentatie: Ing. R van Riet EFPC BV

Montagehandleiding. van drukdompelpomp

WATERWERKBLAD. BEREKENINGSGRONDSLAGEN Berekening en ontwerpcriteria

Globo P. Kogelafsluiters Kogelkraan van brons t.b.v. pomp

Montagehandleiding en gebruiksaanwijzing centrifugaalpomp RC-Pomp

Tuin Woningbouw Regenwater Regenwater Tuin Utiliteitsbouw Regenwater Grijswater Infiltratie Afvalwater

Kalibreren van meetapparatuur

Apparaat voor de wet van Boyle VOS-11002

RICHTLIJN SPRINKLERINSTALLATIES

ZD 600/900 COMPACT SILENT COMBI

Dimensionering leidingwerk PVC. PVC slang capaciteitstabel

SGE. warmtewisselaar SGE - 40/60. Innovation has a name.

WATERWERKBLAD LEIDINGWATER-INSTALLATIE BIJ BOOR- EN WINLOCATIES VOOR GAS EN OLIE

VMBO PIE. Zonneboiler

INHOUDSOPGAVE PVC PE FILTERS

HANDLEIDING SLIMLINE

Bij de toepassing en keuze van de manometers 10 tot 15% overcapaciteit incalculeren, om de manometer zuiver te houden.

Showersave. QB1-21D QB1-21D-HE (High Efficient) (dubbele douchepijp wtw) Installatiehandleiding

DAL 516. Drukverschilregelaars Met instelbaar setpoint en debietregeling

AANSLUITSCHEMA 1 - VOOR CV HOUTKACHELS Aansluitschema voor de aansluiting van een CV houtkachel op een bestaand cv systeem

Luchthoeveelheidsmeetunit

ZD COMPACT SILENT - DIESEL

Ontwerp norm NEN 2077

Showersave. QB1-21D (dubbele douchepijp wtw) Installatiehandleiding

STAD-R. Inregelafsluiters DN met kleine Kv

Sero Zijkanaalpompen. Centrifugaalpompen

SGE HR-Condenserende gas-zonneboiler met geïntegreerde

Buisleidingtechniek staal

Bij de toepassing en keuze van de manometers 10 tot 15% overcapaciteit incalculeren, om de manometer zuiver te houden.

INVOEREN VAN EEN CIRCULATIESYSTEEM MET DEELRINGEN

HANDLEIDING SMARTLINE

Ontstoffingstechniek & Productieoptimalisatie. Montage- & Gebruiksinstructies LD Luchtmessen

Buisleidingtechniek staal

...een product van BEKA

Brandveiligheid door Blussystemen TVVL

Datasheet 1/2002 Optigas -gasappendages

Flamco. Automaat voor drukverzorging Ontluchten Bijvullen D1/D2. Installatie- en bedieningsvoorschrift. 2002, Flamco

WATERWERKBLAD. AANLEG VAN LEIDINGWATERINSTALLATIES Bevestiging van leidingen

Nederlandse norm. NEN 2077 (nl) Vaste brandblusinstallaties - Sprinklerinstallaties voor de woonomgeving - Ontwerp, installatie en onderhoud

JALOUZIËN. Bedienings- en montagehandleiding

De olie uit opgave 1 komt terecht in een tank met een inhoud van liter. Hoe lang duurt het voordat de tank volledig met olie is gevuld?

Transcriptie:

Hoofdstuk 8 De appendages Blz. 8.1 Manometers en vacuummanometers 169 8.2 Alarmbellen 169 8.3 Persluchtvoorzieningen 170 8.4 Voorzieningen ter voorkoming van bevriezing 170 8.5 Beproevingsinrichtinoen voor sprinklerinstallaties - VAS uitgave 1987 172 8.6 Beproevingsinrichtingen voor sprinklerinstallaties - VAS 1987 wijzigingen juii 1996 174A

Hoofdstuk 8 De appendages 8.1 Manometers en vacuummanometers 8.1.1 In het algemeen moet op de volgende punten van de sprinklerinstallatie een manometer worden aangesloten : a. op de hoofdleiding, b. op elke hoofdverdeelleiding onmiddellijk achter de alarmklep, c. achter elke droge-eindgroepklep, d. voor elke toevoerafsluiter. Indien voor het controleren van de sprinklerinstalfatie op goede werking emra manometers nodig zijn, moeten die op de daarvoor in aanmerking komende punten worden aangesloten. 8.1.2 Op een druktank moet een manometer worden aangebracht als aangegeven in artikel 31 van het (ontwerp) Drukhouderbesluit. Indien de druktank niet automatisch op druk kan worden gehouden, moet een extra manometer worden aangesloten. 8.1.3 Op de zuigleiding van een pomp als bedoeld in punt 4.5 moet een vacuummanometer worden aarigesloten (zie ook punt 8.6.8.) 8.1.4 De manometers en vacuummanometers mceten zijn uftgevoerd met veerbuis en moeten voldoen aan de eisen voor gebruiksmanometers volgens norm NEN 927. 8.1.5 Elke manometer en vacuummanometer moet een druk kunnen aanwijzen, welke tenminste 50% meer bedraagt dan de druk die in de spdnklerinstallatie ter plaatse van de aansluiting van de meter kan optreden. (zie ook punt 8.6.8). 8.1.6 De manometers en vacuummanometers moeten zodanig worden aangesloten, dat zij losgenomen kunnen worden zonder dat de sprinkierinstallatie hiervoor geheel of gedeeltelijk buiten bedrijf behoeft te worden gesteld. 82 Alarmbellen 82.1 De alarmkiep van elke sprinklersectie moet worden verbonden met een door een waterturbine aangedreven alarmbel indien de sprinklerinstallatie niet wordt voorcien van een automatische doormeldinstallatie. 8.2.1.1 Wanneer een sprinklerinstallatie samen met de automatische doormeidinstallatie is voorzien van een certifcaat, mag de waterturbine aangedreven alarmbel vervalien. 8.2.12 Alleen bij natte sprinklerinstallaties mogen bij eikaar geplaatste alarmkleppen (aantal onbeperkt) worden aangesloten op één en dezelfde alarmbel, mits in elke belleiding een keerklep en een drukschakelaar worden aangebracht. 8.2.1.3 Er dienen voorzieningen te worden getroffen (be- en ontluchting van de belleiding) zodat de goede werking van de drukschakelaar t.b.v. het brandalarm niet nadelig wordt béinvloed. 8.22 De alarmbel moet worden aangebracht op een zodanige plaats, dat hij in alle omstandigheden goed hoorbaar ís. 8.2.3 De alarmbel mag in het algemeen niet hoger dan 6 m boven de alarmklep worden geplaatst. 8.2.4 De leiding tussen de alarmklep en de waterturbine mag in het algemeen niet langer zijn dan 25 m. De nominaie middellijn van die leiding moet tenminste 15 mm zijn als de leiding niet langer is dan 6 m en tenminste 20 mm als de leiding langer is dan 6 m. In de leiding mag een afsluder worden aangebracht om de alarmbel buiten werking te kunnen stellen. 8.2.5 De leiding moet zodanig worden aangelegd, dat hij geheel kan leegiopen door een aftapgaatje. Op het laagste punt van de leiding moet in een non-ferro fitting een aftapgaatje met een middeilijn van 3 mm worden aangebracht. 8.2.6 De leiding moet worden vervaardigd van verzínkt stalen leiding volgens norm NEN 3257. VAS 1987 wijzigingen juli 1996 169 (8.1.3, 8.1.5, 82.1 Um 8.2.1.3 tekst)

170 VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (8 4 1 tekst) 8.2.7 Bij een natte sprinklerinstallatie moet om de alarmbel te kunnen beproeven achter de alarmklep een beproevingsafsluiter van 15 mm nominaal worden aangebracht. 8.2.8 Bij een droge of een gecommandeerde sprinklerinstallatie moet om de alarmbei te kunnen beproeven de leiding naar de alarmbel door middel van een driewegkraan ook worden aangesloten op het natte gedeelte van de alarmklep. 8.3 Persluchrioorziening 8.3.1 Bij een droge of gecommandeerde sprinklerinstallatie moet in normale omstandigheden in elke sprinklersectie met behulp van een luchtcompressor automatisch een overdruk van 1,5 tot 2,5 bar worden ondernouden. 8.3.2 De capaciteit van de luchtcompressor mag niet groter zijn dan 100 dm' aangezogen lucht per minuut. 8.3.3 Op elke sprinklersectie van een droge of gecommandeerde sprinklerinstallatie moet bij voorkeur een versneller of ontluchter worden aangebracht. S.4 Voorzieningen ter voorkoming van bevriezing 8.4.1 Het maximum toegestane aantal van 100 sprinklers ( verdeeld in secties van maximaai 20 sprinklers) aangesloten op het leidingstelsel van een natte sprinklerinstallatie, dat gevuld mag worden met een antivries-oplossing als bedoeld in punt 3.1.4, moet door middel van een afsluiter, een keerklep en een verticale of U-vormige leiding worden verbonden met de sprinklersectie zoals aangegeven in Fig. 8.4.1 A en B. 8.4.1.1 De afsluiter moet in open stand geborgd worden. 8.4.12 De verticale leiding c.q. het dalende been van de U-vormige leiding moet tenmínste 1,60 m lang zijn. 8.4.2 Op de leiding moeten worden aangebracht een afsluiter met trechter, een ontlastklep, twee controleafsluiters en een aftapafsluiter zoals aangegeven in Fig. 8.4.1 A en B. 8.4.2.1 De ontlastklep moet worden afgesteld op een druk van 16 bac 8.4.3 De antivries-oplossing moet bestaan uit een 50% oplossing van chemisch zuivere glycerine of propyleenglycol in water.

Fig. 8.4.1 (A) NATTE SPRINKLERINSTALLATIE 0 M KONTROLEAFSLUITER A VERWARMDE RUIMTE Zó ONVERWARMDE RUIMTE KONTROLEAFSLUITER B MET ANTI~VRIESOPLOSSING TE VULLEN LEIDINGGEDEELTE AFTAPAFSLUITER Fig. 8.4.7 (B).METANTI-VRIESOPLOSSING TEVULLEN LEIDINGGEDEELTE NATTE SPRINKLERINSTALLATIE. L~I---D O O _ l~ KONTROLEAPSLUITER A VERWARMDE RUIMTE l 2 i 0 ONVERWARMDE RUIMTE KONTROLEAFSLUITER B AFTAPAFSLUITER 171

8.5 Beproevingsinrichtingen voor sprinklerinstallaties - VAS uitgave 1987. 8.5.1 Aan de perszijde van een pomp als bedoeld in de paragrafen 4.4, 4.5 en 4.9 moet voor de keerklep een beproevingsinrichting worden aangebracht om de opbrengst van de pomp te kunnen controleren. 8.5.2 Op elke sprinkiersectie moet di2ct achter de alarmklep een beproevingsínrichtíng worden aangebracht om de opbrengst van de watervoorziening ter plaatse van de alarmklep ie kunnen controleren, tenzij op korte afstand voor de alarmklep een beproevingsinrichting als bedoeld in punt 8.5.1 is aangebracht. 8.5.3 De beproevingsinrichting als bedoeld in de punten 8.5.1 en 8.5.2, moeten bestaan uit twee afsluiters en een meeileiding als aangegeven in Rg.8.5.1 en 8.5.2. 8.5.3.1 De meetleiding moet over een bepaalde lengte (A-B) recht zijn en horizontaal of verticaal worden aangebracht. De meetleiding moet zijn voo2ien van een sok of flenzen waarop resp. waartussen een "flowmeter" kan worden aangesloten. 8.5.3.2 Die sok moet volgens fabrieksspecificatie zijn voorzien van binnendraad en in horizontale stand zijn aangebracht op tweederde van de afstand A-B, evenzo dienen de flenzen volgens de specificaties van de fabrikant te worden gemonteerd. 8.5.3.3 De maat van de afsluiter en de afmetingen van de meetleiding moeien worden bepaald met behulp van tabel 36. Tabe136 Nominale Maximaal maat Nominale middellijn te meten van de van de meetleiding Minimum lengte van de meetleiding opbrengst afsluiters tussen de punten A en iussen de punten A en in dm'/min in mm B in mm B in mm. 2000 50 100 2500 3100 80 125 3125 4600 80 150 3750 8000 100 200 5000 12600 100 250 6250 ' 8.5.4 De doorlaat van de beproevingsinrichting mag voor punt A en achter punt B kleiner zijn dan tussen de punten A en B, doch niet kieiner dan de doorlaat van de afsluiters, mits doorstroming van de maximaal te meten opbrengst bij de vereiste druk mogelijk blijft. 172 VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (tekst)

Fig. 8.5.1 beproevingsinrichting aan de perszijde van een pomp Voor de verklaring der symbolen zie bijlage 4. Yx" SOK HORIZONTAAL FLENZEN Fig. 8.52 beprcevingsinrichting van een sprinklersektie 'SOK CONTAAL ENZf 1 173

Fguur 8.6.7.1 UiNOering zuigleiding t.b.v. de vacuum-manometer aansluiting. 4xD, Doorsnede A - A Figuur 8.6.72 UiNOering persleiding t.b.v. de manometer aansluiiing Terugslagklep Q x N G Df Persflens 174. VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (nieuw)

8.6 Beproevingsinrichtingen voor sprinklerinstallaties - VAS wijzigingen juli 1996 8.6.1. INeidíng 8;6.1.1 Elke sprinklerinstallatie moet worden voorzien van een vast opgestelde beproevingsinrichting. Een beproevingsinrichting besiaat uit een samensteliing van apparaten voor het bepalen van de manomeirische opvoerhoogte en de volumestroom. De beproevingsinrichting heeft tot doel een indicatie te geven omtrent het functioneren van de sprinklerpomp(en) en/of door de watervoorziening geleverde druk en opbrengst. 8.6.1.2 In de praktijk is de meetmethode zoals omschreven in punt 8.5, "Beproevingsinrichtingen voor sprinklerinstailaties - VAS uitgave 1987, onvoldoende nauwkeurig gebleken. Dit hoofdstuk omschrijft beproevingsinrichtingen voor nieuwe sprinkierinstallaties die een betrouwbare meetmethode mogelijk maken. 8.62 I/olumestroommeting 8.62.1 De volgende typen volumestroommeters op basis van het verschildrukprincipe mogen worden toegepast : - meetflens; - ventud - of pitotbuis- volumestroommetec 8.6.3 Toepassen meetflens 5.6.3.1 Een meetflens mag worden toegepast bij de volgende sprinklerinstallaties : - klasse L en/of N installaties volgens tabel 1 5 van de VAS ; - klasse L en/of N installaties volledig hydraulisch berekend met een directe aansluiting op de waterleiding. 8.6.4 Toepassen vemuri- of pitotbuis-volumestroommeter 8.6.4.1 Een venturi- of pitotbuis-volumestroommeter moet worden toegepast bij sprinklerinstallaties die niet onder het in punt 8.6.3 gestelde vallen. 8.6.5 Defindies 8.6.5.1 Meetleiding. De meetieiding is het geheel van leidingen, afsluiters, meetbuis en atvoermogelijkheden voor het bepalen van de volumestroom. 8.6.52 Meetbuis. De meetbuis is de leiding waarin de volumestroommeter is opgenomen. 8.6.6 Keuring sprinklerpompen 8.6.6.1 Alvorens een pompset wordt afgeleverd door de pompleverancier moet deze de pompset beproeven. Hiervoor moet een meetopstelling bij de pompleverancier aanwezig zijn die is goedgekeurd door het Bureau voor Sprinklerbeveiliging. Er moet gebruik worden gemaakt van door een NKO-erkend laboratorium geijkte volumestroom- en drukmeters. De onnauwkeungheid van de drukmeters mag maximaal 1 % van de voile schaal en van volumestroommeters maximaal 1 % van de actuele meetwaarde bedragen. Uan de beproeving moet een pompcurve worden gemaakt die, met alle relevante fabrieksgegevens, ter beoordeling aan de inspectie-instelling moet worden voargelegd. 8.6.7 UiNOedng beproevingsinrichting 8.67.1 Zuigleiding. De meting van de zuigdruk moet op een afstand van 2xDz (D~_ nominale diameter van de zuigflens van de pomp) voor de zuigflens van de pomp en aan de zijkant van de zuigleiding plaatsvinden. De zuigleiding moet over een afstand van ten minste 4x D=voor de flens van de pomp volledig horizontaal lopen en van gelijke diameter zijn, als die van de zuigflens van de pomp (zie figuur 8.6.7.1). Opmerking : Dit geldt niet voor horizontaal gedeelde dubbelinstroompompen (split case). Bij dergelijke pompen kan de meting van de zuigdruk plaatsvinden middels de op de pomp aanwezige manometer. 8.6.7.2 Toevoerleiding(persleiding). De meting van de persdruk moet uitsluitend in een recht gedeelte van tenminste 4x Dr (Dr = nominale diameter van de toevoerleiding) van de toevoerleiding plaatsvinden. De meting moet op een afstand van tenminste 2xD* na het concentrisch verloopstuk tussen de persflens van de pomp en de hoofdleiding en op een afstand van tenminste 2xD. vóór de aftakking naar de meetleiding of de terugslagklep plaatsvinden (zie figuur 8.6.7.2.). VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (nieuw) 174A

8.6.8 Manometers 8.6.8.1 Type. De onnauwkeurigheid van de manometer en de vacuummanometer mag maximaal 1 % van de volle schaal bedragen (klasse 1.0). Er mogen alleen vloeistof gedémpte manometers/vacuummanometers worden toegepast, voorcien van een kraantje, met een kastdiameter van ten minste 100 mm. De schaalverdeling mag niet groter zijn dan 0,2 bar voor manometers en 0,05 bar voor vacuummanometers. 8.6.8.2 Montage. De leidingen waarop de manometers/vacuummanometers worden gemonteerd, moeten een lengte van tenminste 100 mm hebben en een diameter van tenminste 15 mm. In verband met de mogelijke montage van een gekalibreerde manometer/vacuummanometer door de inspectie-instelling (zie fig. 8.6.7.1 /2). 5.6.8.3 Uacuummanometer, zuigcijde. De lassok, waarop de vacuummanometer is aangesloten moet via een gaatje met een diameter van 6 mm in verbinding staan met de zuigleiding. De vacuummanometer moet worden uitgevoerd met een schaalbe2ik van : a: -1,0 bar tot en met + 1,5 bar, voor pompen werkend onder zuigcondities en/of pompen werkend ondertoeloopcondities uit een bovengronds reservoir van maximum 10 m boven het hart van de pomp ; b : 0,0 bar tot en mei + 6,0 bar voor de overige situaties, tenzij de voordruk aan de zuigzijde meer dan 6,0 bar bedraagt. In dat geval moet een hogere waarde worden genomen. 8.6.8.4 Manometer, perszijde. De lassok waarop de manometer is aangesloten, moet via een gaatje met een diameter van 4 mm in verbinding staan met de hoofdleiding. De manometer moet worden uitgevoerd met een schaalbereik van 0 bar tot 6, 10 of 16 bar. Het schaalbereik moet zo laag mogelijk worden gekozen. Het schaalbereik moet echter hoger zijn dan de systeemdruk of de dooddruk van de pomp. 8.6.9 Meetleiding 8.6.9.1 Aftakking en bochten. Bij het toepassen van één, twee of meerdere pompen mag de meetleiding, nà de terugslagklep/afsluiter van de toevoerleiding / hoofdleiding worden afgetakt. Dit in verband met het gunstiger kunnen plaatsen van de meetbuis. In de gehe!e meetleiding, inclusief de aftakking vanaf de toevoerleiding, mogen uitsluitend bochten met een radius van 3S worden toegepast. 8.6.9.2 Diameter. De meetleiding moet worden uitgevoerd in dezelfde diameter als de meetbuis. 8.6.9.3 Groefkoppelingen en groefbochten. Het is toegestaan groeflcoppelingen en/of groefbochten in de meetleidingen toe te passen. 8.6.9.4 Toevoerafsluiter De toevoerafsluiter van de meetleiding moet worden uitgevoerd in dezelfde diameter als de meetbuis. De toevoerafsluiter mag worden uitgevoerd als schuifafsluiter of als vlinderklep met een reductie-besturingskast. 8.6.10 Meetbuis 8.6.10.1 Toepassing. Indien een meetflens wordt toegepast behoeft geen separate meetleiding te worden gerealiseerd, maar mag de meetflens op het gedeelte van de toevoerleiding/hoofdleiding worden aangesloten. In alle andere gevallen moet een separate meetleiding worden toegepast. 8.6.102 Diameter. De diameter van de meetbuis moet voldoende groot zijn om de grootste hydraulisch berekende volumstroom door te kunnen laten met een stromingssnelheid die is toegelaten voor de toegepaste volume-stroommeter. De toegestane snelheid in de meetleiding en over de afsluiters mag niet meer bedragen dan 6 m/sec. In geval van een watervoorziening waarbij de benodigde volumestroom wordt geleverd door twee of meer pompen mag de diameter van de meetbuis worden bepaald op de volumestroom van één van die pompen. 8.6.10.3 Lengte. De lengte van de meetbuis moet overeenstemmen met de fabrieksspecificaties van de toegepaste volumestroommeter. 8.6.10.4 Uitvoering. De meetleiding moet worden uitgevoerd in gelaste stalen vlampijp volgens NEN 2399 (zie tabel 21). Op de meetbuis moet de inwendige diameter van de meetbuis zijn aangegeven. 8.6.10.5 Opstelling. De meetleiding en de toe- en afvoeratsluiters moeten gemakkelijk bereikbaar zijn. Het uitleesapparaat van de voiumestroommeter moet zoveei mogelijk op ooghoogte worden gemonteerd zodat deze goed afleesbaaris. 174B VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (nieuw)

5.6.10.6 Opsfelling buiten pompkamer. Bij omvangrijke sprinklerinstallaties komt het voor dat er buiten de pompkamer op een veraf gelegen installatieklepopstelling (>_50 m) een extra meetleidingen moet worden aangebracht ( zie punt 8.5.2). Elke meetieiding moet van een volumestroommeter worden voorzien, die is afgestemd op de maximaal te meten hoeveelheid. Dit is de hoeveelheid die aan de hand van de hydraulische berekeningen is vastgesteld. Bíj de meetleiding moet een bordje worden geplaatst dat de hoeveelheid en druk aangeeft die ter plaatse moet worden gemeten. Dergelijke meetleidingen moeten tevens worden voorzien van een manometer en een restrictieplaat als in 8.6.11.3 beschreven. Meetleidingen die in de buitenlucht worden opgesteld, moeten worden voorzien van een automatische leegloopvoorziening. In afwijking van het in punt 8.6.10.2 en 8.6.11.3 gestelde moeten deze meetleidingen altijd op de volledige volumestroom worden gedimensioneerd zoals ter plaatse vereist. Het is toegestaan gebruik te maken van dezelfde volumestroommeter, mits deze v.w.b. het bereik hiervoor toereikend is. 8.6.11 Volumestroommeter 8.6.1 1.1 Meetflens. Meetflenzen moeten zijn goedgekeurd door LPC. 8.6.11.2 Uenturi- en pitotbuis-volumestroommeters. Venturi- en pitotbuis-volumesiroommeters moeten zijn goedgekeurd door FM - VDS of LPC. Het uitleesapparaat mag niet op of aan de meetleiding worden gemonteerd. 8.6.11.3 Restrictieplaat. Direct voor de afvoerafsluiter moei een restrictieplaat in de meetleiding worden opgenomen. De restrictieplaat moet geheel conform het gestelde in punt 6.4.9. worden uitgevoerd. De restrictieplaat moet worden berekend op de grootste hydraulisch berekende volumestroom die door één pomp geleverd moet worden, vermeerderd met 10%. Door middel van de restrictieplaat kan met geheel geopende afvoerafsluiier een referentiedruk worden gemeten, die tesamen met de druk gemeten met gesloien persafsluiter aan kan geven of de manometrische opvoerhoogte voldoet, onafhankelijk van de meetwaarde van de volumestroommeter. s.s.7 7.4 Afvoerafsluiter De afvoerafsluiter van de meetleiding moet worden uitgevoerd met ten minste dezelfde diameter als de restrictieplaat. De afvoerafsluiter moet worden uitgevoerd als vlinderklep met reductiebesturingskast. 8.6.11.5 Kalibratie. Er moet gebruik worden gemaakt van gekalibreerde volumestroom- en drukmeters. De onnauwkeurigheid van de drukmeters mag maximaal 1 /o van de volle schaal bedragen. De volumestroommeiers moeten een nauwkeurigheid bezitten volgens de goedkeuring van FM - VDS - LPC. Het kalibreren van de volumestroommeters mag plaatsvinden in de onder 8.6.6 genoemde meetopstelling. 8.6.12 A&eurcritena 8.6.12.1 De maximum onnauwkeurigheid van de meting van de pompprestaties is in het kader van het accredratieprogramma voor inspectie-instellingen van brandbeveiligingsinstallaties gesteld op ± 10 %. 8.6.12.2 Als aikeurcriterium moet een aíwijking van de gemeten druk van mvcimaal -7 % worden gebruikt, bij de benodigde (berekende) volumestroom. 8.6.12.3 Het is raadzaam een zgn. waarschuwingscriterium te hanteren van ca. - 3 %. Bij een dergelijke afwijking dient de opdrachtgever op de hoogte te worden gebracht van een mogelijk probleem met de sprinklerpomp(en). Een volgende periodieke inspectie dient met extra zorg te worden uitgevoerd. 8.6.13 Bestaande situaties 8.6.13.1 in bestaande sprinklerinstallaties mag de meetmethode zoals omschreven in punt 8.5 worden gehandhaafd. In principe dienen dezelfde afkeurcriteria als voor nieuwe sprinklerinstallaties te worden toegepast. VAS 1987 wijzigingen juli 1996 (nieuw) 174C