In opdracht van: Conferentieoord & Hotel Rolduc Ecologisch onderzoek
april 2008 J.R. Regelink In opdracht van: Conferentieoord & Hotel Rolduc Heuvenseweg 13 NL - 6991 JE Rheden Mob: 06-55738510 Mail: ecologischonderzoek@regelink.net BTW nr: NL 032829607.B01 KVK Centraal Gelderland 14081365 Ecologisch onderzoek Lid van het Netwerk Groene Bureaus www.ecologischonderzoek.regelink.net
Colofon Regelink Ecologisch Onderzoek, Rheden Tekst en samenstelling: J.R.Regelink Foto s: J.R. Regelink In opdracht van: Conferentieoord & Hotel Rolduc Rapportnumer: 2008/03 Status rapportage: Definitief Datum oplevering rapport: 28-04-2008 Wijze van citeren: Regelink, J.R., 2008. Vleermuisonderzoek Rolduc. Regelink Ecologisch onderzoek, Rheden.
SAMENVATTING Conferentieoord & Hotel Rolduc is voornemens in de omgeving van het gebouwencomplex een golfbaan aan te leggen. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van Kerkrade, in Zuid-Limburg. Op dit moment bestaat het plangebied uit agrarisch gebied met houtsingels en bos en is gedurende 5 avonden/nachten op vleermuizen onderzocht. Hiervoor zijn 4 onderzoeksmethoden ingezet, namelijk: de batdetector, mistnetten, zolderinventarisatie en interviews. Tijdens het onderzoek zijn zes soorten vleermuizen aangetroffen, namelijk: Laatvlieger Watervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Van de watervleermuis, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn verblijfplaatsen binnen het plangebied aangetroffen. In het noordelijk deel is een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis aanwezig, in het zuidelijk bos (in de omgeving van het gebouwencomplex) van de watervleermuis. De verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis bevindt zich in het gebouwencomplex zelf. Wanneer planologische ingrepen in het Berenbosch plaats vinden dient hiervoor een ontheffing aangevraagd te worden. In het zuidelijke bos dienen geen grootschalige wijzigingen plaats te vinden, aangezien dit een te grote invloed op de vleermuispopulatie heeft. 7
8 Regelink Ecologisch Onderzoek maart 2008
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING...7 INHOUDSOPGAVE...9 1. INLEIDING EN DOELSTELLING...11 2. REGELGEVING...13 2.1 Flora- en faunawet...13 2.1. Vleermuizen en hun wettelijke bescherming...14 3. PLANGEBIED...15 5. ONDERZOEKSMETHODE EN INSPANNING...17 5.1. Batdetectoronderzoek...17 5.2. Mistnetten...17 5.3. Zolderinventarisatie...19 5.4. Interviews...19 6. RESULTATEN...21 6.1 Resultaten per deelgebied...21 6.1.1. Berenbosch...21 6.1.2. Agrarisch gebied met houtsingels en bos...22 6.2. Resultaten per soort...23 6.2.1. Laatvlieger...23 6.2.2. Watervleermuis...25 6.2.3. Rosse vleermuis...26 6.2.4. Ruige dwergvleermuis...27 6.2.5. Gewone dwergvleermuis...29 6.2.6. Gewone grootoorvleermuis...30 6.2.7. Overige soorten...32 7. EFFECTEN VAN DE INGREEP...35 8. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN...37 BIJLAGE 1: INTENSITEIT ONDERZOCHTE GEBIEDEN...39 BIJLAGE 2: HET BELANG VAN HET TERREIN VOOR VLEERMUIZEN...41 Regelink Ecologisch Onderzoek maart 2008 9
10 Regelink Ecologisch Onderzoek maart 2008
1. INLEIDING EN DOELSTELLING Het Conferentieoord & Hotel Rolduc is voornemens een golfterrein te ontwikkelen in een agrarisch gebied en bos in de omgeving van het gebouwencomplex. Gezien nationale en internationale regelgeving is het noodzakelijk een inschatting te maken van de gevolgen voor flora en fauna. Met de resultaten van onderhavig onderzoek is mogelijk deze inschatting voldoende te maken. De veldbezoeken, uitgevoerd in de periode juli 2007 tot en met april 2008, zijn verricht door J.R. Regelink en L. Thijssen. Gerapporteerd is door J.R. Regelink. Dit onderzoek is uitgevoerd met als doel het beantwoorden van de volgende vragen: Hoe, en door welke vleermuissoorten, wordt het onderzoeksgebied gedurende het seizoen gebruikt? Welke effecten kan de aanleg van een golfterrein op vleermuizen hebben? 11
12
2. REGELGEVING Alle flora en fauna is vanuit Nationale en Internationale wetgeving beschermd. De internationale regelgeving is in Nederland vertaald in de Flora- & faunawet. Daarnaast gelden striktere regels in de buurt van Natura2000 gebieden. Hieronder wordt de Flora- & faunawet kort maar bondig toegelicht. 2.1 Flora- en faunawet In 2002 is in Nederland de Flora- en faunawet van kracht geworden. De Flora- en faunawet is de Nederlandse vertaling van de Europese Habitatrichtlijn. Deze wet werkt volgens het principe dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde planten of dieren, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. In 2005 is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) van kracht geworden. Deze AMvB regelt een vrijstelling voor algemeen voorkomende soorten wanneer de betreffende activiteiten binnen een van de volgende drie categorieën plaats vindt: bestendig beheer en onderhoud, ook in landbouw en bosbouw; bestendig gebruik; ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Er wordt onderscheid gemaakt in soorten. Deze soorten zijn ingedeeld in drie tabellen. (LNV, 2005) Tabel 1: Algemene soorten: algemene vrijstelling of ontheffing/lichte toets In tabel 1 van de AMvB staan alle soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Voor deze soorten hoeft bij ingrepen geen ontheffing voor de Flora- en faunawet aangevraagd te worden. Wanneer er niet aan een van bovenstaande categorieën wordt voldaan, dient een ontheffing aangevraagd te worden. In dat geval wordt de aanvraag aan een lichte toets onderworpen. Tabel 2: Overige soorten: vrijstelling met gedragscode of ontheffing/lichte toets Binnen deze tabel staan soorten die zwaarder beschermt zijn. Iedere ingreep is ontheffings plichtig tenzij wordt gewerkt volgens een door het ministerie goed gekeurde gedragscode. Wanneer niet aan bovenstaande categorieën voldaan wordt of volgens een goed gekeurde gedragscode gewerkt wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze aanvraag wordt aan een lichte toets onderworpen. Tabel 3 : Soorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 van de AMvB: vrijstelling met gedragscode of ontheffing/uitgebreide toets Deze soorten genieten de zwaarste bescherming. Vrijstelling met een goed gekeurde gedragscode kan van toepassing zijn, echter niet in alle gevallen. Wanneer een ingreep valt onder ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, geldt dat er een ontheffing aangevraagd dient te worden. Ook wanneer gewerkt wordt volgens een gedragscode. 13
2.1. Vleermuizen en hun wettelijke bescherming Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermde soorten. Nationaal zijn alle vleermuissoorten opgenomen in tabel 3 van de Flora- en faunawet. Alle europese vleermuissoorten zijn op de Europese Habitatrichtlijn opgenomen. Een groot deel van de in Nederland voorkomende soorten is opgenomen in tabel IV van de habitatrichtlijn. Vier soort opgenomen in tabel II/ In tabel 2.1.1 staan deze soorten vermeld. Dit houdt in dat hiervoor gebieden aangewezen worden waar het beheer primair voor de betreffende soort(en) gevoerd wordt. Tabel 2.1.1. Vleermuissoorten opgenomen in bijlage II van de Habitatrichtlijn. Nederlandse naam Ingekorven vleermuis Vale vleermuis Bechsteins vleermuis Meervleermuis Wetenschappelijke naam Myotis emarginatus Myotis myotis Myotis bechsteinii Myotis dascyneme Al deze regelgeving dient er zorg voor te dragen dat de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd is. Hiermee wordt voorkomen dat soorten kunnen verdwijnen of dreigen te verdwijnen. De gevolgen hiervan zijn dat alle ingrepen die grote efecten op vleermuizen hebben ontheffingsplichtig zijn. Per definitie ontheffingsplichtig zijn het ingrijpen bij verblijfplaatsen (van welke aard dan ook) en vliegroutes (waar meer dan 5% van de kolonie gebruik maakt). Maar ook foerageergebieden kunnen ontheffingsplichtig zijn wanneer deze een significant effect op de populatie hebben. 14
3. PLANGEBIED Het plangebied is gelegen ten noord-oosten van Kerkrade. Aan de noordkant wordt het plangebied begrenst door het stadsdeel Haanrade, aan de oost- en zuidkant door de Duitse grens en de westkant door de Roderlandbaan. De globale ligging van het plangebied is weergegeven op figuur 3.1. Figuur 3.1. Globale ligging van het plangebied Topografische dienst, Emmen Figuur 3.2. Het plangebied bestaat uit agrarisch gebied afgewisseld met singels en bosjes Het plangebied bestaat grotendeels uit agrarisch gebied, welk afgewisseld wordt met singels en (bron)bossen. Regionaal gezien is het een uniek gebied dat omgeven is door dicht stedelijk gebied (figuur 3.2.). 15
16
5. ONDERZOEKSMETHODE EN INSPANNING In tabel 5.1 zijn de onderzoeksrondes en het beoogde doel hiervan weergegeven. Al deze bezoeken vonden plaats tijdens nachten waarbij het weer voldoende geschikt was. Hierbij is voornamelijk de temperatuur (tijdens zonsondergang hoger dan 10 C), de windsnelheid en neerslag (niet meer dan miezelregen ) doorslaggevend. Aangezien op voorhand aangegeven werd dat slechts in een deel van het gebied wijzigingen plaats zullen vinden is aan de overige gebieden minder aandacht besteed. De intensiteit van inventarisaties is weergegeven in bijlage 1. Tabel 5.1. datum, duur, aantal personen en doel van onderzoeksrondes Datum Duur Aant. Pers. Doel 12-07-2007 gehele nacht 1 algehele inventarisatie 13-07-2007 gehele nacht 2 vangen met mistnetten en vinden verblijfplaatsen 27-08-2007 avond 2 inventarisatie baltsende vleermuizen 29-08-2007 middag 2 Inventarisatie zolder en interview 04-04-2008 avond 1 inventarisatie baltsende grootoorvleermuizen 25-04-2008 avond 1 inventarisatie baltsende grootoorvleermuizen Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een aantal methoden. Door al deze methoden te combineren is het mogelijk een goed beeld te krijgen van de soorten en functies die het plangebied herbergt. De volgende materialen en/of methodes zijn tijdens onderhavig onderzoek toegepast: Batdetector Mistnetten Zolderinventarisatie Interviews In onderstaande paragrafen worden bovenstaande methodes besproken. 5.1. Batdetectoronderzoek Tijdens 5 avonden is het onderzoeksgebied met een batdetector, type Petterson D240x, geïnventariseerd. Een batdetector is een apparaat dat de ultrasone geluiden die vleermuizen uitzenden omzet in voor mensen hoorbare geluiden (heterodyne geluid). Iedere soort maakt een ander soort geluid en op basis hiervan kunnen soorten gedetermineerd worden. Echter niet alle soorten zijn eenvoudig te determineren. Om determinatie van deze vleermuizen alsnog mogelijk te maken wordt in deze gevallen het geluid vertraagd opgenomen (timeexpansion). Dit wordt in het veld opgenomen met een opnameapparaat, waarna het geluid middels een computerprogramma (Batsound) geanalyseerd wordt. 5.2. Mistnetten Een aantal soorten vleermuizen maakt gebruik van een zogenaamde fluistersonar. 17
Figuur 5.2.1. Plangebied met als rode stip de vangstlocatie Dit is een zeer zachte sonar welke op een batdetector moeilijk of niet waar te nemen is. Om dit waarnemingseffect van een batdetector te verhelpen is gedurende één nacht met mistnetten gewerkt. Hierin worden vaak soorten gevangen die middels een batdetector niet waargenomen worden. Het gebruik van mistnetten is een vrij arbeidsintensieve methode. Het plaatsen kan slechts op één locatie, bovendien dienen de netten om de 10 minuten gecontroleerd te worden. Hierdoor is enkel in het Berenbosch met mistnetten gevangen (zie figuur 5.2.1). Hier was de kans op soorten met een fluistersonar reëel. Daarnaast vindt hier, naar verwachting, de grootste ingreep plaats. 18
5.3. Zolderinventarisatie Conferentieoord & Hotel Rolduc is gelegen in het centrum van het plangebied. Dit voormalige klooster heeft een kerk met een zeer geschikte zolder (afbeelding 5.3.1). Om een zo volledig mogelijk onderzoek uit te voeren is ook de zolder op vleermuizen geïnventariseerd. Afbeelding 5.3.1: De kerk die deel uitmaakt van het gebouwencomplex 5.4. Interviews Aangezien omwonenden en beheerders soms vleermuizen waarnemen kan het nemen van interviews een waardevolle aanvulling op het onderzoek leveren. In dit geval is enkel de beheerder van het gebouwencomplex geïnterviewd. 19
20
6. RESULTATEN In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de resultaten. Deze worden eerst per deelgebied, daarna per soort behandeld. 6.1 Resultaten per deelgebied Het plangebied is vanuit ecologisch oogpunt in drie deelgebieden opgedeeld. Namelijk het (1) Berenbosch, (2) Agrarisch gebied met houtsingels en bos, (3) Gebouwencomplex, visvijvers en bos. Zie figuur 6.1.1. In onderstaande paragrafen wordt ieder deelgebied behandeld. Figuur 6.1.1. Deelgebieden van het onderzoeksgebied 6.1.1. Berenbosch Het Berenbosch bestaat uit een betrekkelijk jong en een ouder gedeelte. Het jonge gedeelte is gelegen aan de westzijde, het oude gedeelte aan de oostzijde. In dit 21
plangebied is gebruikt gemaakt van de volgende inventarisatie methoden: Batdetector Mistnet In tabel 6.1.1.1 zijn alle soorten die in het Berenbosch waargenomen zijn en de (vermoedelijke) functies van het gebied vermeld. Tabel 6.1.1.1. Waargenomen soorten in het Berenbosch en de (vermoedelijke) functie. Soortnaam Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis (vermoedelijke) functie foerageergebied foerageergebied (kraam)verblijfplaats, foerageergebied Gezien de waargenomen soorten en (vermoedelijke) functies kan het oostelijk gedeelte gezien worden als een gebied met een laag belang voor vleermuizen. Dit houdt in dat ingrepen geen significant effect op de aanwezige populaties zullen hebben en derhalve bij planologische ingrepen het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk is. Het westelijke deel heeft echter een matig belang. Aangezien hier een zogend vrouwtje van de gewone grootoorvleermuis is gevangen komt hier zeer waarschijnlijk een kraamverblijfplaats voor. Daarnaast is een (beperkte) vliegroute en foerageergebied van de laatvlieger aanwezig. 6.1.2. Agrarisch gebied met houtsingels en bos Dit deelgebied is een soort mengelmoes met betrekking tot het grondgebruik. Binnen dit deelgebied is slechts een laag aantal soorten, enkel foeragerend waargenomen. Het is dus in mindere mate door vleermuizen in gebruik. In tabel 6.1.2.1 staan deze soorten weergegeven. Tabel 6.1.2.1. Waargenomen soorten in het Agrarisch gebied met houtsingels en bos en de (vermoedelijke) functie. Soortnaam Laatvlieger Rosse vleermuis Gewone dwergvleermuis (vermoedelijke) functie foerageergebied foerageergebied foerageergebied Gezien de aangetroffen soorten en gebruiksfuncties heeft dit deelgebied een laag belang voor vleermuizen. Wanneer hier planologische ingrepen plaats vinden is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk. 22
6.1.3. Gebouwencomplex, visvijvers en bos Dit deelgebied heeft een hoge vleermuiswaarde. Het bestaat uit het gebouwencomplex (met kerk en zolders), drie visvijvers en een stuk oud bos. In tabel 6.1.3.1 zijn de aangetroffen soorten en de vermoedelijke functies van het gebied voor deze soorten weergegeven. Tabel 6.1.3.1. Waargenomen soorten in het deelgebied Gebouwencomplex, visvijvers en bos en de (vermoedelijke) functie. Soortnaam Laatvlieger Watervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis (vermoedelijke) functie foerageergebied verblijfplaats, foerageergebied verblijfplaats?, foerageergebied verblijfplaats?, foerageergebied verblijfplaats, foerageergebied verblijfplaats, foerageergebied Van de watervleermuis, gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis zijn met zekerheid verblijfplaatsen aanwezig. Gezien het grote aantal dieren dat hier aanwezig is, betreft het naar verwachting bij alle soorten een kraamverblijfplaats. Van de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Echter is het mogelijk dat in dit deelgebied verblijfplaatsen met een laag aantal individuen aanwezig is. Met name in de omgeving van de oostelijkste visvijver zijn tot aan zonsopgang foeragerende dieren waargenomen. 6.2. Resultaten per soort In onderstaande paragrafen worden de resultaten per soort besproken. Gezien de onrealistische inspanning die onderzoek in de winter vergt is tijdens dit seizoen geen onderzoek uitgevoerd. Ondanks dat wordt in onderstaande paragrafen ingegaan op de mogelijkheid tot overwinteren van de soort in het onderzoeksgebied. Deze is dan ook ten alle tijden op expert judgement gebaseerd! 6.2.1. Laatvlieger De soort in beeld De laatvlieger is een van de grotere soorten vleermuizen in Nederland. Gedurende het gehele seizoen verblijft de laatvlieger in gebouwen. Veelal worden spouwmuren, maar ook kerkzolders, gebruikt. De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor. Foerageergebied(en) De laatvlieger is in zowel het Berenbosch als ín de omgeving van het 23
congrescenturm, de visvijvers en het bos foeragerend aangetroffen. Het ging hierbij altijd om vrij lage aantallen (< 3 individuen tegelijk). De waargenomen dieren zijn weergegeven in afbeelding 6.2.1.1. Vliegroutes Er zijn tijdens onderhavig onderzoek geen vliegroutes aangetroffen. Afbeelding 6.2.1.1. Waarnemingen van de laatvlieger gedurende de zomer en het najaar Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Het is denkbaar dat de laatvlieger, zij het in zeer lage aantallen, in het gebouwencomplex verblijft. Gezien de vangst van een zogend vrouwtje, direct na zonsondergang, in het oostelijke deel van het Berenbosch, is ten oosten van het Berenbosch vermoedelijk een kraamverblijfplaats aanwezig. 24
6.2.2. Watervleermuis De soort in beeld Zoals de naam al doet vermoeden komt de watervleermuis vaak in gebieden met water voor. De soort vangt dan allerlei soorten diertjes die op het water leven. Echter niet in alle gevallen; de watervleermuis komt ook in gebieden zonder water voor. Naar verwachting zijn spinnen dan het hoofdvoedsel. De watervleermuis verblijft voornamelijk in boomholtes, in enkele gevallen (bij afwezigheid van boomholtes) verblijft de soort op kerkzolders. De watervleermuis komt in Nederland vrij algemeen voor. Foerageergebied(en) De watervleermuis is foeragerend boven de drie visvijvers waargenomen. In het najaar is boven de middelste visvijver een zeer hoog aantal van ongeveer 15 foeragerende watervleermuizen waargenomen (zie afbeelding 6.2.2.2). Vliegroute(s) Aangezien de verblijfplaats en foerageergebieden zeer dicht bij elkaar liggen, met daar tussen enkel bos, zijn er geen vliegroutes aanwezig. Verblijfplaats(en) De aanwezige groep watervleermuizen maakt gebruik van boomholtes in het direct naast de vijvers gelegen bos. Een groot aantal watervleermuizen is inzwermend in een oude beuk en later in een dode Afbeelding 6.2.2.1. De dode beuk waar een groep watervleermuizen in verblijft. beuk een tiental meter verderop waargenomen. Op 9 augustus overdag zijn een aantal piepende vleermuizen uit dezelfde dode beuk gehoord, waarschijnlijk waren ook dit watervleermuizen (afbeelding 6.2.2.1). De kans is groot dat deze groep watervleermuizen ook in de boomholtes overwintert. 25
Afbeelding 6.2.2.2. Waarnemingen van de watervleermuis gedurende de zomer en het najaar 6.2.3. Rosse vleermuis De soort in beeld De rosse vleermuis is een van de grotere soorten vleermuizen in Nederland. De soort verblijft enkel in boomholtes. Van zomer- naar winterverblijfplaats trekt de rosse vleermuis soms enkele honderden kilometers. Vaak wordt de rosse vleermuis aangetroffen in een vochtige omgeving. De rosse vleermuis komt in Nederland vrij algemeen voor. Foerageergebied(en) De rosse vleermuis is voornamelijk bij de visvijvers foeragerend waargenomen. (zie afbeelding 6.2.3.1.). Het betrof hierbij geen hoge aantallen. 26
Vliegroute(s) Vliegroutes van de rosse vleermuis zijn niet aangetroffen. Verblijfplaats(en) Er zijn geen verblijfplaatsen van de rosse vleermuis gevonden. Het is echter goed mogelijk dat er een zomerverblijfplaats met een zeer klein aantal dieren in het bos Afbeelding 6.2.3.1. Waarnemingen van de rosse vleermuis gedurende de zomer en het najaar nabij het gebouwencomplex aanwezig is. Opvallend was namelijk dat een aantal rosse vleermuizen tot zeer laat ( s ochtends) boven de visvijvers foerageerden. 27
6.2.4. Ruige dwergvleermuis De soort in beeld De ruige dwergvleermuis is, zoals de naam al doet vermoeden, een kleine vleermuissoort. De soort verblijft voornamelijk in boomholtes, echter worden er ook paar- en winterverblijven in gebouwen aangetroffen. De ruige dwergvleermuis is de enige soort waarbij met hoge zekerheid geen kraamverblijfplaatsen in Nederland aanwezig zijn. De vrouwtjes trekken wel tot 2000 kilometer naar noordelijke streken waar zij hun kraamverblijfplaatsen hebben. Ieder najaar trekken zij naar het zuiden om daar te paren en te overwinteren. De meeste mannetjes blijven in het zuiden, waaronder Nederland. De ruige dwergvleermuis is in het westen van Nederland vrij algemeen, in het oosten van Nederland echter een stuk zeldzamer. Afbeelding 6.2.4.1. Waarnemingen van de ruige dwergvleermuis gedurende de zomer en het najaar 28
Foerageergebied(en) Zowel in de zomer als in het najaar is de ruige dwergvleermuis foeragerend, voornamelijk nabij de visvijvers, waargenomen (zie afbeedling 6.2.4.1.). Vliegroute(s) Er zijn geen vliegroutes aangetroffen. Verblijfplaats(en) Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Mogelijk zijn deze toch aanwezig, echter in dat geval gaat het om slecht een zeer laag aantal individuen. Afbeelding 6.2.5.1. Waarnemingen van de gewone dwergvleermuis gedurende de zomer en het najaar 29
6.2.5. Gewone dwergvleermuis De soort in beeld Nederlands algemeenste en kleinste vleermuis is de gewone dwergvleermuis. Deze soort is erg afhankelijk van de mens. De soort verblijft voornamelijk in gebouwen, met name in de spouwmuur. Foerageergebied(en) De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort binnen het plangebied. De soort komt voornamelijk in het zuidelijk deel van het plangebied voor (figuur 6.2.5.1.). Vliegroute(s) Er zijn geen vliegroutes aangetroffen Afbeelding 6.2.5.2. In-/uitvlieg locatie van een verlbijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Verblijfplaats(en) Door het interviews van de beheerder van het gebouw kwam een verblijfplaats naar boven. Deze bevindt zich aan de achterkant van het gebouwencomplex. Tijdens het onderzoek zijn hier geen in- of uitvliegende dieren waargenomen. Bij de uitvlieglocatie echter was een groot aantal keutels aanwezig. Dat er geen in- of uitvliegende dieren zijn waargenomen is zeer waarschijnlijk een waarnemerseffect. Het onderzoek heeft zich namelijk meer gericht op de omgeving dan op het congerentiecentrum zelf. Op afbeedling 6.2.5.2. is met een rode pijl de in-/ uitvlieglocatie aangegeven. 30
6.2.6. Gewone grootoorvleermuis De soort in beeld Met zijn grote oren kan de gewone grootoorvleermuis erg goed horen. Dit verklaart ook zijn zeer zachte sonar, die ook met een batdetctor nauwelijks waar te nemen is. De gewone grootoorvleermuis verblijft zowel in gebouwen als in boomholtes. De soort komt in Nederland vrij algemeen voor. Afbeelding 6.2.6.1. Waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis gedurende de zomer en het najaar Foerageergebied(en) Aangezien de gewone grootoorvleermuis zeer lastig met een batdetector waar 31
te nemen is, is het beeld van de aanwezige foerageergebieden verre van compleet. Waarschijnlijk wordt zowel het gehele Berenbosch als het bos nabij het gebouwencomplex als foerageergebied gebruikt (afbeelding 6.2.6.1.). Vermeldenswaardig is een waarneming van 29 augustus. Hierbij werd een foeragerende grootoorvleermuis langs een hek waargenomen (afbeelding 6.2.6.2.). Dit hek staat ten oosten van het gebouwencomplex en omheint een aanwezig sportveld. Gewone grootoorvleermuizen foerageren normaal gesproken op en langs vegetatie, het aanwezige hek is blijkbaar ook geschikt als foerageer mogelijkheid! Afbeelding 6.2.6.2. De omheining van het sportveld bleek ook geschikt als foerageergebied van de gewone grootoorvleermuis. Op de achtergrond is het gebouwencomplex te zien. Vliegroute(s) Er zijn geen vliegroutes aangetroffen. Verblijfplaatsen Op 19 juli is in het Berenbosch een vrouwtje gewone grootoorvleermuis gevangen. Hierbij waren de tepels zeer groot en was nog geen terug groei van haren rondom te tepels te zien. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het een zogend dier betrof, en dat in die omgeving een kraamverblijfplaats aanwezig is. Tijdens inventarisatierondes met de batdetector zijn in het zuidelijke bos een aantal keren roepende grootoorvleermuizen gehoord. Gewone grootoorvleermuizen roepen vrijwel alleen in de omgeving van een verblijfplaats. Ook hier is dus een verblijfplaats aanwezig. 32
Het is aannemelijk dat zowel in het Berenbosch als in het zuidelijke bos gedurende het gehele jaar gewone grootoorvleermuizen in bomen verblijven. Afbeelding 6.2.7.1 De in het Berenbosch gevangen gewone grootoorvleermuis. 6.2.7. Overige soorten Een aantal vleermuissoorten komt, ondanks dat deze niet aangetroffen zijn, mogelijk wel op het onderzoeksgebied voor. Deze soorten zijn in tabel 6.2.7.1 weergegeven. Mogelijk komen de betreffende soorten wel in het onderzoeksgebied voor, zij het enkel in zeer kleine aantallen. Tabel 6.2.7.1. Mogelijk voorkomende, echter niet aangetroffen vleermuissoorten Nederlandse naam Bechsteinsvleermuis Baardvleermuis Brandts vleermuis Ingekorven vleermuis Vale vleermuis Franjestaart Grijze grootoorvleermuis Latijnse naam Myotis bechsteinii Myotis mystacinus Myotis brandtii Myotis emarginatus Myotis myotis Myotis nattereri Plecotus austriacus 33
De wet schrijft voor dat er onderzoek dient plaats te vinden tot wat reëel mogelijk is. Deze mogelijke onvolledigheid is hiermee te verantwoorden. Het onderzoek heeft plaatsgevonden met een groot aantal onderzoeksmethoden. Bovendien heeft het onderzoek gedurende verscheidene periodes in het seizoen plaatsgevonden. Wanneer de betreffende soorten voorkomen is het waarschijnlijk slechts sporadisch en zullen ingrepen geen significant effect op de populatie hebben. 34
7. EFFECTEN VAN DE INGREEP Onderstaande effecten inschatting is gemaakt op basis van concept ontwerp Masterplan 5a, zoals afgebeeld in figuur 7.1. Afbeelding 7.1. Ontwerp Masterplan 5a golfbaan met het belang voor vleermuis geprojecteerd op een topografische ondergrond. Zoals uit afbeelding 7.1. af te leiden is vinden er geen wijzigingen plaats in de gebieden met een hoog of gemiddeld belang voor vleermuizen. Wanneer dit inderdaad het geval is zal er geen significant negatief effect op de aanwezige vleermuispopulaties ontstaan. Hiermee is de aanleg van het golfterrein dan ook niet Flora- en faunawet ontheffingsplichtig. 35
36
8. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Gezien de resultaten van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: 1. Er komen 6 vleermuissoorten binnen het onderzoeksgebied voor, namelijk: Laatvlieger Watervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis 2. Het onderzoek is van voldoende kwaliteit om planologische ingrepen te kunnen toetsen. Desondanks kunnen een aantal soorten niet uitgesloten worden. Wanneer deze soorten wel aanwezig zijn, zal dit enkel in zeer kleine aantallen zijn. 3. Wanneer er planologische ingrepen in het oostelijk deel van het Berenbosch plaats vinden, dient hiervoor een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aangevraagd te worden. Bij de ingrepen is het namelijk mogelijk dat één of meerdere verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis verwijderd wordt. 4. Het gebouwencomplex, de visvijvers en het bos mogen niet ingrijpend wijzigen. Deze omgeving is namelijk van groot belang voor de aanwezige vleermuispopulaties. 5. Wanneer het golfterrein volgens ontwerp Masterplan 5a aangelegd wordt is het, voor de vleermuizen, niet ontheffingsplichtig wat betreft de Flora- en faunawet. 37
38
BIJLAGE 1: INTENSITEIT ONDERZOCHTE GEBIEDEN 0 250 500 Meters Legenda Matig onderzocht Goed onderzocht 39
40
BIJLAGE 2: HET BELANG VAN HET TERREIN VOOR VLEERMUIZEN 0 250 500 Meters Legenda Groot belang Gemiddeld belang Laag belang 41
Ecologisch onderzoek Regelink Ecologisch onderzoek is een ecologisch adviesbureau dat gespecialiseerd is in zoogdieronderzoek. Zo worden toetsingen voor de Flora- en faunawet uitgevoerd voor vleermuizen, muizen en marterachtigen. Ook wordt het landschapsgebruik van vleermuizen door middel van telemetrie onderzocht. Na afloop van een onderzoek wordt een heldere rapportage geschreven waarvan er een voor u ligt. Tevens wordt Regelink Ecologisch onderzoek ingezet voor het toepasbaar maken van beleidsvisies van de overheid op diverse niveaus.