Splitsingsverordening PARTIELE HUISVESTINGSVERORDENING/ONDERDEEL WONINGSPLITSING Gemeente Schiedam Gemeente Schiedam Vastgesteld bij raadsbesluit : 26 november 1993 (nr. 251) Gewijzigd bij raadsbesluit : 29 juni 2004 (nr.vr2004/090)
PARTIELE HUISVESTINGSVERORDENING/ONDERDEEL WONINGSPLITSING De raad van de gemeente Schiedam; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op de huisvestingswet; b e s l u i t : vast te stellen de navolgende PARTIELE HUISVESTINGSVERORDENING /ONDERDEEL WONINGSPLITSING HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - wet: de Huisvestingswet; - splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in art. 33 van de Huisvestingswet; - de aanvrager: de eigenaar van de woonruimte of het gebouw, of diens gemachtigde; - woonruimte: besloten ruimte, die al dan niet samen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; - gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet zoals deze van kracht is vanaf 1 januari 2003; - splitsingsplan: een splitsingsplan als bedoeld in art. 109 van boek 5 (titel 9) van het Burgerlijk Wetboek, waarin de indeling en de met de splitsing beoogde eigendomswijzigingen zijn aangegeven op tenminste een schaal 1 : 100; Artikel 1.2 Werkingsgebied Het bepaalde in deze verordening is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte gelegen in de Gemeente Schiedam. HOOFDSTUK 2: SPLITSINGSVERBOD Artikel 2.1 Vergunningvereiste 1. Het is verboden om zonder splitsingsvergunning een recht op een gebouw, aangewezen in artikel 1.2, te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste, en derde lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 3: SPLITSING IN APPARTEMENTSRECHTEN Artikel 3.1 Aanvragen van een splitsingsvergunning 1. De aanvraag van een splitsingsvergunning wordt schriftelijk bij burgemeester en wethouders ingediend. 2. De aanvraag moet inhouden: a. naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager; b. straat en huisnummer van het gebouw waarvan het recht wordt gesplitst; c. kadastrale ligging van het gebouw waarvan het recht wordt gesplitst; d. bouwjaar van het gebouw waarvan het recht wordt gesplitst; e. het aantal appartementsrechten waarin het recht op het gebouw zal worden gesplitst; f. de tegenwoordige en toekomstige bestemming van de te vormen appartementsrechten. 3. De aanvraag dient vergezeld te gaan van: a. de namen en adressen van de gebruikers van het gebouw waarvan het recht wordt gesplitst; b. een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109, 2 e lid van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; c. een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw, opgemaakt door een beëdigd taxateur. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw; 4. De aanvraag moet door de aanvrager zijn ondertekend. De overige bescheiden moeten door de aanvrager zijn ondertekend dan wel gewaarmerkt. 5. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bescheiden nadere regelen te stellen omtrent inhoud, inrichting, uitvoering, vorm, aantal en wijze van indiening. 6. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag van een splitsingsvergunning binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste 6 weken worden verlengd in verband met het uitvoeren van een nadere technische inspectie van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. Zij zenden een afschrift van de beslissing tot verlenging aan de aanvrager en de gebruikers van het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft. Ingeval van de intrekking van een aanvraag van een splitsingsvergunning doen burgemeester en wethouders hiervan schriftelijk mededeling aan de gebruikers van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. 7. Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van hun besluit aan de aanvrager en aan de gebruikers van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 3.2 Aanhouden van de aanvraag splitsingsvergunning Onderhoud 1. Burgemeester en wethouders houden de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een splitsingsvergunning aan, indien: a. de inspecteur van de volkshuisvesting ingevolge artikel 29 van de Woningwet advies is gevraagd omtrent onbewoonbaarverklaring van één of meer woonruimte(n), waarop de aanvraag om splitsingsvergunning betrekking heeft, of b. de inspecteur van de volkshuisvesting een voorstel, als bedoeld in artikel 30 van de Woningwet, strekkende tot onbewoonbaarverklaring van één of meer van de hiervoor bedoelde woonruimte(n) heeft gedaan. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk omtrent de onbewoonbaarverklaring is beslist. Stadsvernieuwing 2. Burgemeester en wethouders houden de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een splitsingsaanvraag aan, indien: a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is met het oog op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van een herziening daarvan, b. het onder a bedoelde voorbereidingsbesluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning werd ingediend,
c. redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen splitsing, en d. redelijkerwijs verwacht mag worden dat het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing. De aanhouding duurt tot het tijdstip waarop het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen. Opheffen gebreken 3. Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij binnen een daarvoor redelijke termijn de gebreken, als bedoeld in artikel 3.3 lid 3 en 4 lid met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen. 4. Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit aangegeven termijn, wordt de vergunning verleend. Artikel 3.3 Weigeren van de aanvraag splitsingsvergunning Onderhoud 1. Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren, indien: a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die verhuurd worden of die laatstelijk verhuurd zijn geweest, dan wel, indien het gebouw of het gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd is met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Stb. 1985, 626) of met enig wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik genomen, b. de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven, of de voormalige woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur ter bewoning, en c. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor de verhuur is bestemd. Hierbij worden mede de ligging en de te verwachten vraag naar de in het betreffende gebouw of een gedeelte van het gebouw opgenomen woonruimten betrokken. Stadsvernieuwing 2. Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren, indien: a. voor het gebied waarin het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft is gelegen, een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing van kracht is, dan wel een ontwerp voor zodanig plan of voor een herziening daarvan in procedure is, b. het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag voor de splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens artikel 3.2 is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd, c. de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor de met het plan nagestreefde of na te streven doeleinden en d. het belang dat de vergunningaanvrager bij de splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing. Opheffen gebreken 3. Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren, indien: a. de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet; b. de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.
4. Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake indien: a. burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 14 tot en met 25 van de Woningwet een aanschrijving hebben gedaan en deze aanschrijving nog niet is uitgevoerd; b. het gebouw, waarop de aanvraag om een splitsingsvergunning betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat, die ingevolge de artikelen 29 tot en met 38 van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.. Artikel 3.4 Intrekking Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning intrekken, indien: a. niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot overschrijving van de akte van splitsing in appartementsrechten in de openbare registers, bedoeld in artikel 109 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze voor het moment van de vergunningverlening wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren. Hoofdstuk 4 Verdere bepalingen Artikel 4.1. Overgangsbepaling Aanvragen van splitsingsvergunningen die zijn ingediend vóór het in werking treden van deze verordening en waarop ten tijde van het in werking treden van deze verordening nog niet is beslist, worden behandeld op grond van de in deze verordening vervatte criteria, tenzij het voordien geldende recht voor de aanvrager gunstiger is. Artikel 4.2. Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als de Partiele Huisvestingsverordening/Onderdeel woningsplitsing Schiedam 2004. Artikel 4.3 In werking treding Deze verordening treedt niet eerder in werking dan zes weken na bekendmaking.