1 Jehovah s eigenschappen (Openbaring 4:11) Je - ho - vah God, ge - wel - dig in macht, U hebt uw troon op recht ge - fun - deerd, Uw lief - de zet ons hart echt in gloed. le - ven en licht zijn ont - staan door uw kracht. Uw ons uw recht - vaar - di - ge wet - ten ge - leerd. En Niets kan ver - gel - den wat u voor ons doet. Uw schep - ping roemt u, geeft u al - le eer. in uw Woord o - pen - baart u ons, Heer, ei - gen - schap - pen en hei - li - ge naam Straks doet uw dag dat nog veel meer. uw groot - se wijs - heid, tot uw eer. prij - zen en lo - ven wij te - saam. snsm-o nr. 1 10/11 (Zie ook Ps. 36:9; 145:6-13; Jak. 1:17.)
2 Wij danken u, Jehovah (1 Thessalonicenzen 5:18) Wij dan - ken u, Va - der, bij dag en bij nacht, Wij dan - ken u dat u uw Zoon naar ons zond, Veel dank ook dat u ons laat pre - di - ken, Heer, dat uw hel - der licht op ons schijnt, vol pracht. die ons heeft ver - lost, Sa - tans druk weer - stond. om waar - heid te bren - gen, uw naam tot eer. Veel dank voor het voor - recht dat bid - den ons geeft Veel dank, o Je - ho - vah, dat u ons steeds leidt, Ja, dank u dat u pijn en lij - den ver - drijft, en wij kun - nen zeg - gen wat in ons leeft. zo blij - ven wij u al - tijd toe - ge - wijd. dat uw heer - lijk ko - nink - rijk eeu - wig blijft. snsm-o nr. 2 10/11 (Zie ook Ps. 50:14; 95:2; 147:7; Kol. 3:15.)
3 God is liefde (1 Johannes 4:7, 8) God is lief - de en hij zegt ons: Ga met mij en volg mijn raad. Waar-heids - lief - de leidt tot ac - tie, want Gods lief - de raakt ons hart. Laat nooit wrok je hart be - heer - sen, ie - der spoor daar - van is slecht. Lief - de je - gens God en naas - te spoort ons aan in woord en daad. Als wij strui - k len, zal hij hel - pen. Hij geeft steun bij al - le smart. Laat je lei - den door je Schep -per. Lees zijn Woord, volg hem op - recht. Dat is wat ons le - ven zin geeft, zo te le - ven wen - sen wij. Wa - re lief - de zal nooit fa - len, maar is goed, ver -draag-zaam, rein. Hou van God en van je naas - te, heb hen lief met heel je hart. Laat ons al - tijd lief - de to - nen, zo - als Je - zus ons al zei. Laat ons steeds in lief - de groei - en. Lief - de wint op elk ter - rein. Toon die lief - de in - nig, te - der, bid dat elk daar - in vol - hardt. snsm-o nr. 3 10/11 (Zie ook Mark. 12:30, 31; 1 Kor. 12:31 13:8; 1 Joh. 3:23.)
4 Bouw een goede naam op bij God (Prediker 7:1) Dat God ons goed - keurt, ver - langt ons hart heel sterk; Zoek in de we - reld toch nim - mer roem of faam, Wij wil - len heel graag in Gods ge - denk - boek staan. hem daag - lijks die - nen, is dus ons le - vens-werk. want door haar in - vloed ver - bleekt je goe - de naam. Ja, dit ver - lan - gen be - heerst ons hart voort-aan. Een goe - de naam bij God be - paalt ons le - vens - lot; Al wie haar vriend wil zijn, wordt zwak en blijft niet rein, Dien God dus toe - ge - wijd, want wie zijn naam be - lijdt, wees dus ge - hoor - zaam aan zijn ge - bod. ver - beurt Gods vriend - schap en lijdt slechts pijn. blijft in zijn boek staan, in eeu - wig - heid. snsm-o nr. 4 10/11 (Zie ook Gen. 11:4; Spr. 22:1; Mal. 3:16; Openb. 20:15.)
5 Christus, ons Voorbeeld (Romeinen 5:8) God gaf van lief - de blijk die ze - gen maakt ons rijk Gods Zoon bracht ons Gods wet, gaf het mo - del - ge - bed: Gods waar - heid leer - de hij, ook bracht hij troost daar - bij want in zijn goed - heid zond hij ons zijn Zoon. Ge - hei - ligd, Va - der, zij uw gro - te naam. aan wie hem volg - den, ge - trouw, on - be - vreesd. Die was het he - mels Brood dat God de mens - heid bood, Zend toch uw rijk, o Heer. Laat uw wil, tot uw eer, Zijn voor - beeld spoort ons aan om ook Gods weg te gaan. op - dat wij le - ven ver - krij - gen als loon. ook hier op aar - de steeds wor - den ge - daan. Ons wacht veel vreug - de als vrucht van Gods geest. snsm-o nr. 5 10/11 (Zie ook Matth. 6:9-11; Joh. 3:16; 6:31-51; Ef. 5:2.)
6 Het gebed van Gods dienstknecht (Efeziers 6:18) He - mel - se Va - der, groot Soe - ve - rein, mo - ge uw naam toch Laat wa - re lief - de groei - en, o Heer. Help ons u trouw te Deel ons, o God, uw wijs - heid toch mee; vul zo ons hart met steeds ge - pre - zen zijn. Eeu - wig duurt uw barm - har - tig - heid voort, die - nen, tot uw eer. Wij wil - len le - ven naar uw ge - bod lief - de en met vree. Graag hel - pen wij ook an - de - ren weer want u ver - vult ge - trouw heel uw woord. U ver - vult ge - en al uw schaap - jes voe - den, o God. Al uw schaap - jes u echt te ken - nen, lief - de - vol Heer. Op - dat zij u trouw uw woord. Uw barm - har - tig - heid duurt voort. voe - den, God, doen wij graag naar uw ge - bod. ken - nen, Heer, hel - pen wij ook an - d ren weer. snsm-o nr. 6 10/11 (Zie ook Ps. 143:10; Joh. 21:15-17; Jak. 1:5.)
7 Opdracht en doop (Hebreeen 10:7, 9) Je - ho - vah schiep in zijn al-macht het schit - te - rend heel - al: de Bij Je - zus doop, toen hij ne - d rig recht - vaar - dig - heid vol - bracht, bood Wij ko - men voor u, Je - ho - vah uw naam zij al - le eer en aar - de en de he - me - len, de ster - ren zon - der tal. Hij hij zich aan om trouw Gods wil te doen met heel zijn kracht. Hij ne - d rig dra - gen wij ons op, zijn van ons - zelf niet meer. U schonk de a - dem des le - vens en toon - de won - der - baar dat kwam om-hoog uit het wa - ter als Gods ge - zalf - de Zoon. Aan gaf uw Zoon, die als los - prijs zijn le - vens - bloed ver - goot. Wij hij lof en eer - bied waar - dig is als Schep - per en Ei - ge - naar. God op - ge - dra - gen dien - de hij lo - yaal, on-danks smaad en hoon. le - ven voor u, niet voor ons - zelf, ge - trouw, zelfs tot in de dood. snsm-o nr. 7 10/11 (Zie ook Matth. 16:24; Mark. 8:34; Luk. 9:23.)
8 Het Avondmaal des Heren (Mattheus 26:26-30) Je - ho - vah, o he - mel - se Va - der, dit Wij zijn hier bij - een als uw kud - de, daar is een ge - hei - lig - de nacht! Op de u ons in een - heid ver - bond, en wij veer - tien - de Ni - san uw glo - rie ver - scheen, uw lo - ven de lief - de die u hebt ge - toond door - recht, lief - de, wijs - heid en macht. Het dat u uw Zoon naar ons zond. Laat snsm-o nr. 8 10/11
Het Avondmaal des Heren pa - scha - lam werd toen ge - ge - ten; uw ons de Ge - dach - te - nis - vie - ring be - volk hebt u daar - na be - vrijd! Eeu - wen wa - ren in hart en in geest, op - dat la - ter heeft Je - zus zijn bloed uit - ge - stort; pro - fe - wij, net als Je - zus, uw weg blij - ven gaan: eeu - wig tie werd zo wer - ke - lijk - heid. le - ven wacht elk die u vreest. snsm-o nr. 8 10/11 blz. 2 (Zie ook Luk. 22:14-20; 1 Kor. 11:23-26.)
9 Loof Jehovah, onze God! (Psalm 145:12) On - ze God is Je - ho - vah God! Schenk hem On - ze God is Je - ho - vah God! Zing ver - lof en dank, wijd en zijd! Sla a - larm, want zijn heugd zijn lof, prijs zijn naam! Al Gods werk stemt tot dag komt snel. Men - sen, luis - ter! t Is de hoog - ste dank - baar - heid. Moe - dig lo - ven wij zijn gro - te tijd! Naar God heeft be - paald, re - geert nu zijn Zoon. God ver - faam. Hoe - wel on - ze God zo groot is en sterk, is hij snsm-o nr. 9 10/11
Loof Jehovah, onze God! leen - de hem ko - nings - macht. Ver - tel van de pracht van ne - de - rig, mild en zacht. Hij spreidt in zijn lief - de Refrein Gods heer-schap- pij, van de ze - gen die wordt ver - wacht! goed - heid ten-toon, hoort ons aan, geeft ons nieu - we kracht. On - ze God is Je - ho - vah God! Maak zijn groot - heid o - ver - al be - kend! snsm-o nr. 9 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 89:27; 105:1; Jer. 33:11.)
10 Hier ben ik! Zend mij (Jesaja 6:8) In de - ze tijd wordt grof ge - spot, be - las - tert men de Men schimpt op God en vindt hem traag. Er is geen vrees voor Al wie zacht-moe - dig is en treurt om - dat er steeds meer naam van God. Men beeldt hem af als zwak of wreed. Er God van-daag. Men bidt vaak tot een ste - nen beeld. Gods kwaad ge - beurt, zoekt door tot hij de waar-heid heeft, daar is geen God!, klinkt dwaas de kreet. Wie zui - vert nu Gods gro - te troon wordt cae - sar toe - be - deeld. Wie zegt hun wat de we - reld die zijn geest pas vre - de geeft. Wie troost al wie zo zucht en naam? Wie zingt zijn lof, wist uit de blaam? Heer, wacht, ver - telt van Ar - ma - ged - dons nacht? Heer, lijdt? Wie leert hun Gods recht - vaar - dig - heid? Heer, snsm-o nr. 10 10/11
Hier ben ik! Zend mij hier ben ik! Zend mij, zend mij. Ik zing uw lof, sta hier ben ik! Zend mij, zend mij. Ik waar - schuw on - be - hier ben ik! Zend mij, zend mij. Ik breng uw scha - pen Refrein aan uw zij. vreesd en vrij. waar - heid bij. Dit groot - se voor - recht maakt mij blij, Heer. Hier ben ik! Zend mij, zend mij. snsm-o nr. 10 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 10:4; Ezech. 9:4.)
11 Jehovah s hart verheugen (Spreuken 27:11) Wij droe - gen, God, ons op aan u Uw slaaf, die uw be - zit be - heert, Schenk ons, o God, uw heil - ge geest; en le - ven voor de waar - heid nu. zorgt ij - v rig dat u wordt ge - eerd. maak ons vrij - moe - dig, on - be - vreesd. Help ons, dat elk daar - in vol - hardt, Hij voedt ons trouw, te rech - ter tijd, Geef dat uw volk u lof be - reidt, want zo ver - heu - gen wij uw hart. en sterkt ons, wat tot die - nen leidt. op - dat uw hart steeds wordt ver - blijd. snsm-o nr. 11 10/11 (Zie ook Matth. 24:45-47; Luk. 11:13; 22:42.)
12 Ons wacht eeuwig leven (Psalm 37:29) Le - ven, vol-maakt en voor eeu - wig, in een mooi aards pa - ra - dijs God schenkt aan zijn aard - se kin - d ren vrij-heid van zon - de en dood. Straks als de op - stan-ding plaats - vindt, zal er geen leed meer be - staan. dat is geen droom, maar de waar - heid: God be - looft ons die prijs. Dan heerst er vre - de op aar - de, geen ver - driet meer of nood. God toont zijn te - de - re lief - de: hij droogt ie - de - re traan. Refrein Ons wacht eeu - wig le - ven. Blijf daar steeds naar stre - ven. God gaf zijn be - lof - te, hij maakt die ook waar. snsm-o nr. 12 10/11 (Zie ook Jes. 25:8; Luk. 23:43; Joh. 11:25; Openb. 21:4.)
13 Een dankgebed (Psalm 95:2) Va - der Je - ho - vah, zo waar - dig en sterk, Wie in uw voor - hof mag ko - men, vol licht, Nu is uw aan - dacht ge - richt op de aard, groot en ook won - der - baar is al uw werk! is heel ge - luk - kig: hij wordt on - der - richt. waar men met vreugd uw aan - bid - ding be - waart. Hoor - der van be - den, heel ne - de - rig, Heer, Leer ons u ken - nen, uw Woord schenkt ons baat. Uw rijk ver - schijnt, met uw goed - heid ge - kroond. bui - gen wij ons in ge - bed voor u neer. Hier in uw tem - pel ont - van - gen wij raad. Zorg, pijn en kwaal vliedt, de dood wordt ont - troond. snsm-o nr. 13 10/11
Een dankgebed Dwa - lin - gen to - nen hoe zwak wij vaak zijn. Hoe ont - zag - wek - kend is uw gro - te macht! Chris - tus ver - nie - tigt wat slecht is met spoed. Va - der, ver - geef ons en maak ons weer rein. U schenkt uw dienst - knech - ten moed en veel kracht. Heel de ge - ze - gen - de schep - ping vat moed. U gaf uw Zoon, met wiens bloed u ons kocht. God on - zer red - ding, uw ko - nink - rijk daagt. Juich in tri - omf en zing luid, groot en klein: Graag wordt door ons nu uw wijs - heid ge - zocht. Wij zul - len pre - di - ken, zo - als u vraagt. Lof zij Je - ho - vah! Hij is Soe - ve - rein! snsm-o nr. 13 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 65:2, 4, 11; Fil. 4:6.)
14 God maakt alles nieuw (Openbaring 21:1-5) De te - ke - nen to - nen: God heerst op zijn troon. Met Het Nieu - we Je - ru - za - lem zie toch haar tooi! De Die heer - lij - ke stad wordt met vreug - de ver-wacht. Haar glo - rie re - geert nu Je - ho - vah s Zoon. Hij bruid van het Lam schit - tert won - der - mooi: met poor - ten staan o - pen, bij dag en nacht. Haar streed in de he - mel, kon Sa - tan slaan. Op kost - baar ge - steen - te ge - sierd en rein. Je - glo - rie, zo groots, biedt ons hel - der zicht. O aar - de wordt spoe - dig Gods wil ge - daan. ho - vah al - leen zal haar licht steeds zijn. die - naars van God, kom, weer - kaats haar licht! snsm-o nr. 14 10/11
God maakt alles nieuw Refrein Wees blij, Gods tent is bij de mens. Hij blijft bij hen, ver - vult hun wens. Hij droogt hun tra - nen, stilt hun pij - nen. Ge - schreeuw en rouw en dood ver - dwij - nen, want God maakt al - les nieuw en won - der - baar! Dit woord is ge - trouw en waar. snsm-o nr. 14 10/11 blz. 2 (Zie ook Matth. 16:3; Openb. 12:7-9; 21:23-25.)
15 De schepping openbaart Jehovah s heerlijkheid (Psalm 19) Je - ho - vah God, mijn ziel be - seft ver - U schiep de zon, de maan, de ster - ren - Vol - maakt uw wet, be - trouw - baar uw ge - blijd: de he - mel toont uw pracht. De zee kreeg deu - ren, bod! Dank ook voor uw ver - macht en heer - lijk - heid en schenkt van door uw gro - te kracht. Wie uw werk ma - nin - gen, o God. Ze zijn be - dag tot dag, van nacht tot nacht, ziet, vraagt zich ver - won - derd af: geer - lij - ker dan zui - ver goud. snsm-o nr. 15 10/11
De schepping openbaart Jehovah s heerlijkheid ons zon - der woor - den ken - nis van uw wat is de mens, dat u hem aan - dacht Geef kracht, o God, dat elk zich daar - aan macht, ja, schenkt van dag tot gaf? Wie uw werk ziet, vraagt houdt! Ze zijn be - geer - lij - dag, van nacht tot nacht, ons zon - der zich ver - won - derd af: wat is de ker dan zui - ver goud. Geef kracht, o woor - den ken - nis van uw macht. mens, dat u hem aan - dacht gaf? God, dat elk zich daar - aan houdt! snsm-o nr. 15 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 12:6; 89:7; 144:3; Rom. 1:20.)
16 Vlucht naar Gods koninkrijk! (Zefanja 2:3) Zoek toch Je - ho - vah, zacht - moe - di - ge men - sen, Kom, al wie hon - gert naar recht en naar waar - heid, Kijk om u heen, hef uw hoofd op met vreug - de. zoek zijn recht - vaar - dig - heid, koes - ter zijn wet. zucht toch niet lan - ger door droef - heid en pijn. Te - ke - nen to - nen: Gods ko - nink - rijk heerst! Dan kan het zijn, als de dag van zijn toorn komt, dat Zoek nu Gods weg en ont - vlucht de ver - druk - ker. Laat Zie en ver - wel - kom het licht van Je - ho - vah. Vrees hij u ver - bergt en u redt. Chris - tus uw Ko - ning toch zijn. God en zoek hem steeds het eerst! snsm-o nr. 16 10/11
Vlucht naar Gods koninkrijk! Refrein Vlucht naar Gods ko - nink - rijk, daar slechts is hoop. Kies nu voor zijn heer - schap - pij. Dan geeft God u zijn be - scher - ming en ze - gen. Stel u snel op aan zijn zij. snsm-o nr. 16 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 59:16; Spr. 18:10; 1 Kor. 16:13.)
17 Voorwaarts, Getuigen! (Lukas 16:16) Wees vast - be - ra - den, de eind - tijd is be - reikt! Ge - Strij - ders van Jah zoe - ken niet naar hun ge - mak, be - Vaak wordt Gods bood - schap be - spot en ge - ne - geerd. Zijn tui - gen, sta pal, op - dat waar - heid nim - mer wijkt. Al ha - gen geen men - sen en to - nen zich niet zwak. Wij hei - li - ge naam wordt ge - las - terd en ont - eerd. Kom, tracht Sa - tan ons te ver - lok - ken, in Gods blij - ven lo - yaal en recht - scha - pen. Te - gen zui - ver nu Gods re - pu - ta - tie, prijs Je - Refrein kracht zijn wij sterk en on - ver - schrok - ken. Gods volk be - staat geen en - kel wa - pen. ho - vah in el - ke stam en na - tie! Ge - snsm-o nr. 17 10/11
Voorwaarts, Getuigen! tui - gen, blijf voor-waarts gaan, houd toch goe - de moed! Zorg dat je in Gods werk je vol - le aan - deel doet. Ver - tel blij het nieuws dat de aar - de bin - nen - kort wordt ver - nieuwd en een groots pa - ra - dijs wordt. snsm-o nr. 17 10/11 blz. 2 (Zie ook Fil. 1:7; 2 Tim. 2:3, 4; Jak. 1:27.)
18 Gods loyale liefde (Jesaja 55:1-3) Lief - de Gods is lo - yaal! Dit ver - heugt ons Lief - de Gods is lo - yaal! Goed - heid toont hij Lief - de Gods is lo - yaal! Spreek nu ook zijn al - le - maal. Lief - de - vol zond God zijn Zoon, tel - ken - maal. Lief - de heeft hij ons be -toond, lief - des - taal. Help lo - yaal en toe - ge - wijd on - ze los - prijs voor Gods troon. Hij schenkt ons recht - want hij heeft zijn Zoon ge - kroond en ver - vuld zijn zoe - kers van recht - vaar - dig - heid. Troost hen, geef van vaar - dig - heid, le - ven tot in groots ver - bond. Zie, zijn ko - nink - lief - de blijk, pre - dik trouw Gods snsm-o nr. 18 10/11
Gods loyale liefde Refrein eeu - wig - heid. rijk ont - stond! ko - nink - rijk. H e daar, al - le dor - sti - gen, kom en neem het wa - ter vrij! Kom en drink toch, dor - sti - gen. Gods lief - de maakt je blij. snsm-o nr. 18 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 33:5; 57:10; Ef. 1:7.)
19 Gods paradijsbelofte (Lukas 23:43) Een pa - ra - dijs is Gods be - lof - te, die tijd van Gods Zoon wekt dan de ve - le do - den. Hij gaf zijn Het Pa - ra - dijs zal stel - lig ko - men, want Je - zus vree breekt spoe - dig aan. Dan wor-den leed, ver-driet en bloed als ho - ge prijs. En zo ver - vult hij zijn be - heeft zijn macht aan - vaard. Kom, juich van vreugd en dank Je - zon - de en zelfs de dood te - niet - ge - lof - te: Jij komt met mij in t Pa - ra - ho - vah, ja, on - ze God is lof - zang Refrein daan. dijs. waard. De aar - de wordt een pa - ra - dijs. Ons gees - tes - oog ziet het be - wijs. Gods Zoon houdt woord; het schenkt hem vreugd Gods wil te doen. Kom, wees ver - heugd! snsm-o nr. 19 10/11 (Zie ook Matth. 5:5; 6:10; Joh. 5:28, 29.)
20 Zegen onze samenkomsten (Hebreeen 10:24, 25) Ze - gen ons, nu wij bij - een - zijn, o Je - ho - vah, bid - den wij. Laat toch on - ze dienst voor u, Heer, af - ge - stemd zijn op uw Woord. Laat er ook, ge - lief - de Va - der, vre - de, een - heid bij ons zijn. Sa - men - ko - men stemt ons dank-baar. Schenk uw geest, Heer, sta ons bij. Leer ons be - ter te ge - tui - gen, steeds door lief - de aan - ge -spoord. Mag ons le - ven, heel ons stre - ven, u tot eer zijn, Soe - ve - rein. snsm-o nr. 20 10/11 (Zie ook Ps. 22:22; 34:3; Jes. 50:4.)
21 Gelukkig de barmhartigen! (Mattheus 5:7) Ge - luk - kig wie barm - har - tig zijn! In Wie net als God barm - har - tig zijn, ont - Veel vreugd wacht wie barm - har - tig zijn als Gods oog zijn zij mooi en rein. Zij van - gen gunst: God maakt hen rein en God straks oor - deelt groot en klein: barm - le - ren elk die recht be - mint dat schenkt hun zijn barm - har - tig - heid, daar har - tig wordt dan elk be - loond die God daar - in veel vreug - de vindt. De Je - zus Chris - tus voor hen pleit. Zij nu barm - har - tig - heid be - toont. Toon snsm-o nr. 21 10/11
Gelukkig de barmhartigen! los - prijs, die God heeft be - reid, toont de - len die barm - har - tig - heid door daar - om steeds barm - har - tig - heid, die dui - d lijk zijn barm - har - tig - heid. Mee - pre - di - king, die God ver - blijdt, de te - de - re hoe - da - nig - heid, en do - gend helpt hij groot en klein, om - mens - heid zeg - gend: Houd toch moed. Gods streef er - naar, zo - lang je leeft, als dat hij weet hoe zwak wij zijn. rijk, dat heerst, maakt al - les goed. God te zijn, die mild ver - geeft. snsm-o nr. 21 10/11 blz. 2 (Zie ook Luk. 6:36; Rom. 12:8; Jak. 2:13.)
22 Jehovah God is mijn Herder (Psalm 23) Je - ho - vah God is mijn Her - der. Geen vrees die mijn rust ver - In t dal vol diep - zwar - te scha-duw, zelfs daar vreest mijn hart geen Hoe wijs en goed is mijn Her - der! Zijn lof zing ik el - ke stoort, want hij die zo voor zijn scha - pen zorgt, ver - kwaad. Mijn Gro - te Her - der is heel na - bij, hij dag, daar ik het nieuws van zijn te - d re zorg aan geet geen die hem be - hoort. Hij voert mij aan stil - le troost mij en geeft mij raad. Mijn hoofd ver - frist hij met an - de - ren bren - gen mag. Ik volg zijn Woord in ge - wa - t ren; mijn ziel wordt ver - kwikt, ver - blijd. Om o - lie, mijn be - ker is wel - ge - vuld. In trouw-heid en wan - del steeds met mijn Heer. Mijn snsm-o nr. 22 10/11
Jehovah God is mijn Herder zijns naams wil leidt mijn Her - der mij in lief - de - rij - ke goed - gun - stig - heid heeft groot - se voor - recht van dienst voor hem be - t spoor van recht - vaar - dig - heid. Om hij el - ke dag ge - huld. In nut ik trouw, daag - lijks weer. Mijn zijns naams wil leidt mijn Her - der mij in lief - de - rij - ke goed - gun - stig - heid heeft groot - se voor - recht van dienst voor hem be - t spoor van recht - vaar - dig - heid. hij el - ke dag ge - huld. nut ik trouw, daag - lijks weer. snsm-o nr. 22 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 28:9; 80:1.)
23 Jehovah, mijn sterkte (Jesaja 12:2) O Heer Je - ho - vah, mijn sterk - te en macht, Wij, die u die - nen, zijn goed on - der - richt: Uw wil, Je - ho - vah, vol - bren - gen wij nauw. u bent mijn Red - der, die ik vast ver - wacht. eens blin - de o - gen zien waar - heid en licht. Las - tert de Dui - vel ons, wij blij - ven trouw. Ik blijf ge - tui - gen, ver - kon - dig uw woord, Wij wil - len le - ven naar heel uw ge - bod, Wil hij ons do - den, o help toch dat wij Refrein hier trots ver - wor - pen, maar daar graag ge - hoord. kie - zen uw zij - de, u bent on - ze God. al - tijd lo - yaal blij - ven staan aan uw zij. Je - snsm-o nr. 23 10/11
Jehovah, mijn sterkte ho - vah, mijn Rots, mijn sterk - te en macht, uw naam komt eer toe, steeds, dag en nacht. Roem - rij - ke Va - der, hoe groot is uw kracht! U bent mijn schuil - plaats, waar vei - lig - heid wacht. snsm-o nr. 23 10/11 blz. 2 (Zie ook 2 Sam. 22:3; Ps. 18:2; Jes. 43:12.)
24 Richt je oog op de prijs! (2 Korinthiers 4:18) Als blin - de o - gen o - pen - gaan en Als straks wie stom was, spreekt vol vreugd, wie Als wolf en lam in zon - ne - schijn met do - ve o - ren weer ver - staan, als oud was t rug - keert tot de jeugd, als leeuw en kalf aan t gra - zen zijn, een straks de wil - der - nis weer bloeit, uit heel de aard haar op - brengst geeft en klei - ne jon - gen ze dan hoedt en dor - re grond weer wa - ter vloeit, als ie - der - een in vre - de leeft, als wat hij zegt, elk dier ook doet, als snsm-o nr. 24 3/12
Richt je oog op de prijs! lam - men lo - pen, nie - mand lijdt, en kin - d ren zin - gen, blij van hart, als tra - nen slechts door vreugd ont - staan, als niets ge - lief - den ooit weer scheidt God vreug - de heerst in plaats van smart, dan angst en pijn zijn weg - ge - daan God schenkt dit aan wie han - delt wijs. O, ho - ren wij de roep: Her - rijs! O, schenkt ons dit in t Pa - ra - dijs. O, richt toch je oog op de prijs! richt toch je oog op de prijs! richt toch je oog op de prijs! snsm-o nr. 24 3/12 blz. 2 (Zie ook Jes. 11:6-9; 35:5-7; Joh. 11:24.)
25 Het bewijs dat je een discipel bent (Johannes 13:34, 35) Er is een wet die slechts wordt ver - vuld Lief - de, op - recht uit het hart be - toond, als lief - de heel ons le - ven vult. zal nim - mer fa - len, wordt be - loond, Dit is de wet die veel in - vloed heeft dringt ons om zwak - ke - ren bij te staan, op elk die als dis - ci - pel leeft. is be - reid al - tijd door te gaan. snsm-o nr. 25 10/11
Het bewijs dat je een discipel bent Je - zus be - wees door zijn of - fer - daad Waar vind je zo n ster - ke lief - des - band, hoe - ver de wa - re lief - de gaat. voel je je aan el - kaar ver - want? Als zijn mo - del ons tot ac - tie aan - zet, Daar waar men aan - dacht en zorg voor elk heeft dan ver - vul - len ook wij die wet! en el - kaar wa - re lief - de geeft. snsm-o nr. 25 10/11 blz. 2 (Zie ook Rom. 13:8; 1 Kor. 13:8; Jak. 2:8; 1 Joh. 4:10, 11.)
26 Wandel met Jehovah God! (Micha 6:8) O, wan - del met Je - ho - vah God, O, wan - del met Je - ho - vah God, O, wan - del met Je - ho - vah God, be - schei - den en op - recht, ver - val niet weer tot kwaad. want daar - bij vind je baat. en dien hem in recht - scha - pen - heid; Ga voort tot rijp - heid, win Gods gunst, Ja, gods - vrucht en te - vre - den - heid doe al wat hij je zegt. zorg dat je ste - vig staat. zijn dan het re - sul - taat. snsm-o nr. 26 10/11
Wandel met Jehovah God! Houd krach - tig in Gods waar - heid stand, Be - denk wat lief - lijk is en goed, O, ga met God en loof hem blij dan word je nooit ver - blind, waar - ach - tig, juist en rein. om wat hij heeft ge - daan. maar leidt God zelf je bij de hand Blijf trouw vol - har - den en schep moed: De groot - ste vreug - de krij - gen wij als was je een klein kind. God zal je sterk - te zijn. door in de dienst te staan. snsm-o nr. 26 10/11 blz. 2 (Zie ook Gen. 5:24; 6:9; Fil. 4:8; 1 Tim. 6:6-8.)
27 Kies Jehovah s zijde! (Exodus 32:26) Eens was ons hart in ver - war - ring en nood Nu die - nen wij on - ze God gees - t lijk sterk. Wij vre - zen niet wat de Dui - vel be - raamt, door wat de val - se re - li - gie ons bood. Wij ne - men deel aan het pre - di - kings - werk, want on - ze God heeft ons nim - mer be - schaamd. Groot was de vreugd die ons hart on - der - vond lo - ven Gods deug - den, met broe - ders te - saam, Al zijn wij nie - tig, is groot nog hun macht: toen het Gods bood - schap ver - stond. prij - zen zijn hei - li - ge naam. God schenkt ons sterk - te en kracht. snsm-o nr. 27 10/11
Kies Jehovah s zijde! Refrein Kies Je - ho - vah s zij - de, neem zijn wet in acht. Hij biedt ons be - scher - ming, ga voort in zijn kracht. Breng goed nieuws van vre - de, loof Gods goed - heid luid. Zijn rijk on - der Chris - tus breidt zich steeds meer uit. snsm-o nr. 27 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 94:14; Spr. 3:5, 6; Hebr. 13:5.)
28 Het nieuwe lied (Psalm 98) Zing het nieu - we lied en loof God in het o - pen - Juich nu in tri - omf: God heerst als Ko - ning van t heel - Ju - bel, groot - se zee, en wat daar - in is, loof God baar, want wat hij ge - daan heeft, is al. Ja, speel me - lo - die - en met blij. Al wat leeft op aar - de: be - groots en won - der - baar. Prijs zijn ster - ke harp en hoorn - ge - schal. Zing in t gro - te zing zijn heer - schap - pij. Ju - bel, vrucht - baar arm! Hij is de God die o - ver - wint, koor van de - ze blij - e sym - fo - nie. land, klap in de han - den, wa - ter - stroom. snsm-o nr. 28 10/11
Het nieuwe lied die recht - vaar - dig oor - deelt, om - dat hij recht be - Ook trom - pet en ci - ter doen mee in har - mo - Ber - gen en ook heu - vels, wees blij, zing zon - der Refrein mint. nie. schroom. Zing, zing, zing! Zing luid het nieu - we lied. Zing, zing, zing! God heerst, zijn wil ge - schiedt. snsm-o nr. 28 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 96:1; 149:1; Jes. 42:10.)
29 In rechtschapenheid wandelen (Psalm 26) Door - vors mij, God, zie mijn recht - scha - pen - heid, Ik zit niet neer met wie slechts leu - gens praat. Ik heb uw huis, uw wo - ning, lief - ge - had, zie hoe ik op u bouw, vol - ko - men Ik haat de om - gang met wie waar - heid de plaats die u, o God, naar gro - te toe - ge - wijd. Door - zoek mij toch en te - gen - staat. Neem niet mijn ziel met waar - de schat. Zo wil ik steeds rond - stel mij op de proef, en lou - ter ook mijn zon - daars weg, vol haat, ook niet met hen wier om uw al - taar gaan, als dank voor al uw snsm-o nr. 29 10/11
In rechtschapenheid wandelen Refrein hart, dat ik u niet be - droef. hand vol bloed - schuld is en kwaad. werk, zo won - der - baar ge - daan. Wat mij be - treft, k zal vast - be - slo - ten zijn uw rech - te weg te gaan, recht - scha - pen, trouw en rein. snsm-o nr. 29 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 25:2.)
30 Jehovah s heerschappij begint (Openbaring 11:15) Wat een bij - zon - de - re tijd: God heeft zijn macht uit - ge-breid. Nu Chris - tus op-treedt met macht, wordt Ar - ma - ged - don ver-wacht. Gods Ko - ning hul - di - gen wij. Won - der - baar Red - der is hij. Hij liet in Si - on zijn Hoofd - hoek - steen neer. Heel Sa - tans stel - sel wordt dan weg - ge - vaagd. Wees hem ge - hoor - zaam, hij komt in Gods naam! Ju - bel, wees vro - lijk met mij. Ja, zing Gods lof en wees blij: In on - ze drin - gen - de tijd wordt de - ze bood-schap ver-breid. Ga naar het tem - pel - ter - rein. Dien God ge - trouw en blijf rein. zijn Zoon heerst nu als Ko - ning; hij is on - ze Heer. Help de zacht - moe - di - gen te doen wat God be - haagt. Zijn on - be - twis - te heer - schap - pij breekt eer - daags aan. snsm-o nr. 30 10/11
Jehovah s heerschappij begint Refrein Wat zal Je - ho - vah s rijk ons bren - gen? Dat recht met waar - heid tri - om - feert. Wat brengt Je - ho - vah s rijk ons ver - der? Le - ven, ge - luk, zo lang be - geerd. Loof de Soe - ve - rein Je - ho - vah, die in lief - de nu re - geert. snsm-o nr. 30 10/11 blz. 2 (Zie ook 2 Sam. 7:22; Dan. 2:44; Openb. 7:15.)
31 Wij zijn Jehovah s Getuigen! (Jesaja 43:10-12) Go - den maakt men zich van steen, maar de wa - re Trots ver - ho - gen wij Gods naam. Wij zijn dank - baar Pre - di - king ver - hoogt Gods naam, maakt die vrij van God kent geen. Hij is sterk en mach - tig, om te - saam van zijn rijk te spre - ken, smet en blaam, waar - schuwt hen die sma - len, kijk maar om je heen. Kan een an - d re god mis-schien moe - dig en be - kwaam. Ve - len wor - den zo be - reikt la - chen om zijn faam. Leer de mens dat God ver - geeft wer - k lijk in de toe - komst zien? Wie toch ge - tuigt van met de waar - heid die be - vrijdt. Wor - den zij ster - ker, als men naar zijn wet - ten leeft. Wie zo ge - tuigt, krijgt snsm-o nr. 31 10/11
Wij zijn Jehovah s Getuigen! zo n val - se god die niets kan doen voor dan lo - ven zij sa - men met ons Gods vre - de en kracht, weet dat hem eeu - wig Refrein s men - sen lot? heer - schap - pij. le - ven wacht. Wij, Ge - tui - gen van Gods naam, spre - ken van Je - ho - vah s faam. Hij is de God die doet wat hij zegt. Hij is ge - trouw en op - recht. snsm-o nr. 31 10/11 blz. 2 (Zie ook Jes. 37:19; 55:11; Ezech. 3:19.)
32 Wees standvastig, onwrikbaar! (1 Korinthiers 15:58) Na - ties zijn diep in pro - ble - men ge - bracht. Mijd Sa - tans we - reld, geef blijk van ver - stand. God vraagt aan - bid - ding, op - recht, uit het hart. Men - sen zijn ang - stig voor al wat hun wacht. Zorg dat je nooit in haar strik - ken be - landt. Zorg dat je trouw als Gods dienst - knecht vol - hardt. Wij moe - ten sterk zijn, on - wrik - baar en puur, Als wij stand - vas - tig zijn, zien wij al - tijd Pre - dik het goe - de nieuws, t is Gods be - vel, die - nend Je - ho - vah vol vuur. hoe God zijn volk vei - lig leidt. de laat - ste da - gen gaan snel! snsm-o nr. 32 10/11
Wees standvastig, onwrikbaar! Refrein Stand - vas - tig moe - ten wij zijn, ver van de we - reld, steeds rein. Voed je trouw met Gods Woord en ga recht - scha - pen voort. snsm-o nr. 32 10/11 blz. 2 (Zie ook Luk. 21:9; 1 Petr. 4:7.)
33 Vrees hen niet! (Mattheus 10:28) Ga, mijn volk, en blijf ge - tui - gen dat mijn rijk is op - ge - richt! Ook al is de vij - and tal - rijk, ook al tracht men je door smaad, Vrees nooit dat je wordt ver - la - ten, weet, ik blijf je schild en kracht, Heb geen vrees, ver - spreid je licht. Breng de waar - heid en be - richt door ge - vlei of bit - t re haat af te bren - gen van mijn raad, ook als doods - ge - vaar je wacht. Zelfs de dood ver - liest zijn macht! dat mijn Zoon, die heerst als Ko - ning, reeds de he - mel heeft ont - daan vrees hen niet, mijn trou - we die -naars, zorg toch dat je nooit be - zwijkt, Vrees niet hen die slechts het li - chaam maar de ziel niet kun - nen slaan. van de Dui - vel, die hij bindt straks, wiens ge - vang -nen hij laat gaan. want ik steun hen die mij die - nen, tot de ze - ge is be - reikt. Wie vol - hardt wordt rijk ge - ze - gend, blijf dus moe - dig voor-waarts gaan. snsm-o nr. 33 10/11
Vrees hen niet! Refrein Heb geen vrees, ge - lief - de strij - ders, richt vol hoop je blik om - hoog: ik be - scherm elk die ge - trouw is als de ap - pel van mijn oog. snsm-o nr. 33 10/11 blz. 2 (Zie ook Deut. 32:10; Neh. 4:14; Ps. 59:1; 83:2, 3.)
34 Onze naam eer aandoen (Jesaja 43:10-12) Va - der Je - ho - vah, al - mach - tig en eeu - wig, Hei - li - ge dienst bindt ons broe - der - lijk sa - men, die in recht - vaar - dig - heid lief - de be - toont, steeds door uw licht en uw waar - heid ge - leid. oor - sprong van waar - heid en peil - lo - ze wijs - heid, Wij zijn heel dank - baar uw licht te weer - kaat - sen. die in de he - mel - se heer - lijk - heid troont: Vreugd vult ons hart dat uw lof wordt ver - breid. snsm-o nr. 34 10/11
Onze naam eer aandoen wij als uw volk zijn heel blij u te die - nen, Dat wij uw naam dra - gen, Va - der Je - ho - vah, uw naam te zui - v ren van on - eer en blaam. geeft ons het voor - recht te lo - ven uw faam. Refrein Groot is de eer uw Ge - tui - gen te he - ten! Help ons te le - ven tot eer van die naam. snsm-o nr. 34 10/11 blz. 2 (Zie ook Deut. 32:4; Ps. 43:3; Dan. 2:20, 21.)
35 Dankbaar voor Gods geduld (2 Petrus 3:15) Va - der Je - ho - vah, zeer groot in macht, Dui - zend jaar zijn voor u kort in tijd, u, die recht - vaar - dig - heid be - tracht, slechts als een dag, die snel ver - glijdt. slecht - heid op aar - de doet u pijn, Nu is na - bij uw gro - te dag want u bent hei - lig, goed en rein. dat u gaat han - d len met ge - zag. snsm-o nr. 35 10/11
Dankbaar voor Gods geduld U bent niet traag, wat vaak wordt be - weerd, Hoe - wel u kwaad - doen nooit hebt be - loond, want al - le kwaad wordt wel - dra ge - keerd. roert het u als be - rouw wordt ge - toond. Wij zijn dan ook van hoop ver - vuld, Wij zien voor - uit met nieu - we moed, dank - baar, Je - ho - vah, voor uw ge - duld. dank - baar dat u ons sterkt en be - hoedt. snsm-o nr. 35 10/11 blz. 2 (Zie ook Luk. 15:7; 2 Petr. 3:8, 9.)
36 WatGodsamengebrachtheeft (Mattheus 19:5, 6) Met lief - de werd ge - werkt aan een drie - vou - dig koord. De Bij - bel was hun gids; Gods wil heeft elk ge - daan. En God en men - sen hoor - den wat plech - tig werd ver - woord. Zij zoe - ken nu zijn ze - gen om sa - men door te gaan. Refrein Hij heeft zijn woord ge - ge - ven, ze zijn voor al - tijd Zij heeft haar woord ge - ge - ven, ze zijn voor al - tijd e en. e en. Wat God zelf saam - ge - bracht heeft, breng dat nooit meer van - een. snsm-o nr. 36 10/11 (Zie ook Gen. 2:24; Pred. 4:12; Ef. 5:22-33.)
37 Gods geınspireerde Woord (2 Timotheus 3:16, 17) Gods Woord, als een hel - der licht, Door de Schrift, ge - in - spi - reerd, Gods Woord maakt ons ook be - kend geeft ons in het duis - ter zicht. wordt Je - ho - vah s wil ge - leerd. hoe - veel lief - de God ons zendt. Volg het trouw, want het schaaft ons bij, Din - gen wor - den dan recht - ge - zet. Wie er daag - lijks in leest, wordt wijs, ook maakt zijn waar - heid ons echt vrij. Wij le - ren le - ven naar Gods wet. ja, eeu - wig le - ven wacht als prijs. snsm-o nr. 37 10/11 (Zie ook Ps. 119:105; Spr. 4:13.)
38 Werp je last op Jehovah (Psalm 55) Hoor mijn be - de toch, Je - ho - vah, Als ik vleu - gels als een duif had, Ik zal roe - pen tot Je - ho - vah, en ver - berg u niet voor mij. zou ik vluch - ten hier van - daan, mij ver - la - ten op zijn macht. Geef mij aan - dacht, geef mij ant - woord, ver van al - len die mij ha - ten On - danks strijd geeft hij mij vre - de. want dan gaat mijn angst voor - bij. en mij met hun woor - den slaan. Steeds geeft hij mij nieu - we kracht. snsm-o nr. 38 10/11
Werp je last op Jehovah Refrein Werp je last toch op Je - ho - vah, die je steunt en je zorg ver - drij - ijft. Hij laat nooit toe dat je wan - kelt, helpt je dat je staan - de blijft. snsm-o nr. 38 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 22:5; 31:1-24.)
39 De vrede die wij bezitten (Johannes 14:27) Prijs Je - ho - vah, God van vree, een - heid, trouw en recht. Wij zijn niet met haat be- kleed, leed was er ge - noeg. Die vrucht van recht - vaar - dig - heid bren - gen wij nu voort, Hij be - ein - digt oor - logs - wee, naar hij heeft voor - zegd. Zwaard en speer zijn om - ge - smeed tot een zeis of ploeg. daar God ons in wijs - heid leidt, ons ge - bed ver - hoort. En zijn Zoon, de Vre - de - vorst, brengt straks, na zijn strijd, Houd dus vre - de on - der - ling en ver - geef el - kaar. Geef dus steeds van kalm - te blijk, zoek de vre - de eerst, wie naar recht en waar - heid dorst, vre - de voor al - tijd! Leef als Chris - tus vol - ge - ling, lief - de maakt dit waar. tot in Chris - tus ko - nink-rijk eeu - wig vre - de heerst. snsm-o nr. 39 10/11 (Zie ook Ps. 46:9; Jes. 2:4; Jak. 3:17, 18.)
40 Blijf eerst het Koninkrijk zoeken (Mattheus 6:33) Iets heel kost - baars voor Je - ho - vah, dat voor hem het mees - te Vraag nooit of de dag van mor - gen ons soms hon - ger brengt of Blijf dus t goe - de nieuws ver - tel - len, maak zacht - moe - di - gen toch telt, is zijn ko - nink - rijk door Chris- tus, dat de din - gen weer her - dorst, want wie eerst Gods rijk blijft zoe - ken, wordt ge - hol - pen door Zijn blij! Leer hun heel hun hoop te stel - len in Je - ho - vah s heer-schap - Refrein stelt. Vorst. pij. Blijf het Ko - nink-rijk eerst zoe - ken en ook Gods recht-vaar - dig - heid. Zing zijn lof in al - le vol - ken, al - tijd trouw tot dienst be - reid. snsm-o nr. 40 10/11 (Zie ook Ps. 27:14; Matth. 6:34; 10:11, 13; 1 Petr. 1:21.)
41 Aanbid Jehovah in je jeugd (Prediker 12:1) Jon - ge - ren vindt God ver - fris - send als dauw. Eer toch je va - der en moe - der, zegt hij. Denk aan je Schep - per, juist nu in je jeugd, Groot is zijn lief - de, hij houdt veel van jou. Wees hun ge - hoor - zaam, want dat maakt hem blij. dan zul je mer - ken: de waar - heid is leuk! In de ge - meen - te geeft God je dus graag Wil je ge - luk - kig zijn, zorg dan al - tijd Als je God trouw bent, ver - heug je zijn hart lief - de - vol hulp om te doen wat hij vraagt. dat je Je - ho - vah en men - sen ver - blijdt. en krijgt je le - ven een heel goe - de start. snsm-o nr. 41 10/11 (Zie ook Ps. 71:17; Klaagl. 3:27; Ef. 6:1-3.)
42 Sta de zwakken bij (Handelingen 20:35) Zwak - he - den heeft ie - der - een, ook wordt elk be - proefd, Pau - lus zei: Wie is er zwak en ben ik het niet? Oor - deel niet maar help el - kaar, zo wordt ons ge - vraagd. maar Je - ho - vah zorgt voor ons, weet wat elk be - hoeft. Wij zijn al - len duur ge - kocht, wat ons le - ven biedt. Sterk de zwak - ken, sta hen bij, daar dit God be - haagt. Hij geeft barm - har - tig kracht, zijn weg is te - der, zacht. God heeft de zwak - ken lief, hij maakt hen graag ac - tief. Moe - dig hen vrien - d lijk aan, help hen weer vast te staan. Volg zijn lief - de, help dus wie zwak is of be - droefd. Voel dus met de zwak - ken mee, deel in hun ver - driet. Als je zo de zwak - ken steunt, wordt hun zorg ver - jaagd. snsm-o nr. 42 10/11 (Zie ook Jes. 35:3, 4; 2 Kor. 11:29; Gal. 6:2.)
43 Waak en bid, sta vast, word machtig (1 Korinthiers 16:13) Waak en bid, sta vast, word mach - tig in de Waak en bid en blijf ver - stan - dig, wees ge - Waak en bid en blijf ver - e - nigd en ver - chris - te - lij - ke strijd en ga hoor - zaam en op - recht. Doe lo - de - dig trouw Gods Woord. Wordt er moe - dig voort, als man - nen, wat be - yaal wat Je - zus Chris - tus door zijn te - gen - stand ge - bo - den, sta dan slist tot ze - ge leidt. On - ze trou - we slaaf ons zegt. Sta ook pal, door niets ver - stoord. Zing Je - snsm-o nr. 43 10/11
Waak en bid, sta vast, word machtig Veld - heer, Je - zus, vol - gen wij, tot het steeds de ou - d re man - nen bij, volg hun ho - vah s lof, ver - kon - dig blij: Zie, Je - Refrein ein - de staat hij al - len bij. lei - ding en dien zij aan zij. ho - vah s dag is heel na - bij! Waak en bid, sta vast en word mach - tig! On - der - steun Gods heer - schap - pij! snsm-o nr. 43 10/11 blz. 2 (Zie ook Matth. 24:13; Hebr. 13:7, 17; 1 Petr. 5:8.)
44 Vreugdevol deelnemen aan de oogst (Mattheus 13:1-23) Wij le - ven van - daag in de oogst - tijd, dat Door lief - de voor God en voor men - sen breidt voor - recht is groot, biedt ons veel. De ie - der zijn dienst steeds meer uit. Het en - ge - len die - nen als oog - sters, wij in - zaam - lings - werk is heel drin - gend: dit doen van dat werk ook ons deel. Gods stel - sel vindt nu zijn be - sluit! De snsm-o nr. 44 10/11
Vreugdevol deelnemen aan de oogst Zoon heeft het voor - beeld ge - ge - ven, hij oogst schenkt on - noem - lijk veel vreug - de. God leidt al het werk op het veld. De ze - gent en steunt wie hem dient. Vol - eer hem te vol - gen is wer - k lijk groot. Kom, har - ding in t oogst - werk wordt rijk be - loond door blij voor het werk ons ge - meld! God, on - ze he - mel - se Vriend. snsm-o nr. 44 10/11 blz. 2 (Zie ook Matth. 24:13; 1 Kor. 3:9; 2 Tim. 4:2.)
45 Ga toch voort! (Hebreeen 6:1) Ga toch voort, ga toch voort tot je rijp - heid bloeit, Ga toch voort, ga toch voort met vrij - moe - dig - heid! Ga toch voort, ga toch voort, steeds je plicht be - tracht! want Je - ho - vah ver - langt dat elk in be- kwaam-heid groeit. Breng het eeu - wig goed nieuws en toon geen par - tij - dig - heid. Word veel - zij - dig be - kwaam, er is zo veel werk dat wacht. Doe je ui - ter - ste best, dien God on - ver - moeid, Prijs Je - ho - vah, je God, en ge - tuig ver - blijd Wees ver - vuld van Gods geest, want die heil - ge kracht want dan ze - gent God je werk. huis aan huis, zo - als wel - eer. schenkt je vreug - de voor al - tijd. snsm-o nr. 45 10/11
Ga toch voort! In de dienst is er plaats, zo je weet, Dreigt de vij - and ons, wees on - be - vreesd. Lief - de spreekt men - sen aan, helpt het meest. voor wie pre - dikt zo - als Je - zus deed. Deins niet t rug, maar ver - tel blij van geest Blijf te - rug - gaan, be - reik hart en geest. Zie naar God op en blijf voor je taak ge - reed. dat Gods rijk spoe - dig komt en de mens ge - neest. Help hen groei - en, zo - dat ie - der on - be - vreesd Bouw op God, hij maakt je sterk! Breng die bood - schap keer op keer. t goe - de nieuws van God ver - spreidt. snsm-o nr. 45 10/11 blz. 2 (Zie ook Fil. 1:27; 3:16; Hebr. 10:39.)
46 Jehovah is onze Koning! (Psalm 97:1) Be - zing Gods lof met me - lo - die - en, want de Ver - tel zijn roem aan al - le vol - ken en ge - Gods heer - schap - pij is goed be - ves - tigd, want hij - he - mel ont - hult zijn recht - vaar - dig - heid. Zeer ver - tuig el - ke dag van zijn red - dings-werk. On - ze zelf heeft zijn Zoon op de troon ge- plaatst. Val - se he - ven is hij, zing zijn lof daar - om blij. O - ver - Ko - ning is groot, hij ver - lost van de dood! Kniel dus go - den, kniel neer, want Je - ho - vah is Heer; hij al - Refrein denk de wer - ken die hij deed. dank - baar voor zijn ho - ge troon. leen ver - dient ont - zag en eer. In de snsm-o nr. 46 10/11
Jehovah is onze Koning! he - mel zij vreugd, op de aar - de ge - juich, on - ze God is Ko - ning, wees ver - heugd! In de he - mel zij vreugd, op de aar - de ge - juich, on - ze God is Ko - ning, wees ver - heugd! snsm-o nr. 46 10/11 blz. 2 (Zie ook 1 Kron. 16:9; Ps. 68:20; 97:6, 7.)
47 Maak het goede nieuws bekend (Openbaring 14:6, 7) De waar - heid van t be - loof - de Zaad bleef lang ver - huld. Dit Reeds eeu - wen was dit goe - de nieuws bij God be - kend. Zijn hei - li - ge ge - heim is nu ge - heel ont - huld. Je - wens is dat een - ie - der nu die waar - heid kent. Zijn ho - vah nam zich voor, in zijn barm - har - tig - heid, de en - ge - len zendt hij van - uit het he - mel - rijk als mens - heid te ver - los - sen van haar zon - dig - heid. Zijn steun bij ons ge - tui - ge - nis van t Ko - nink - rijk. Wij snsm-o nr. 47 10/11
Maak het goede nieuws bekend voor - ne - men brengt hij ten uit - voer door zijn Zoon, die hei - li - gen Je - ho - vah s naam in de - ze tijd, zijn hij in - mid - dels plaats liet ne - men op Da - vids troon. Ook dank - baar voor dit voor - recht, al - tijd tot dienst be - reid. Wij geeft hij hem een bruid, die hem is toe - ge - wijd. Die lo - ven God als zijn Ge - tui - gen, wat een eer! Ja, uit - ver - ko - ren klas - se geeft hij heer - lijk - heid. eeu - wig goed nieuws bren - gen wij dus tel - kens weer. snsm-o nr. 47 10/11 blz. 2 (Zie ook Mark. 4:11; Hand. 5:31; 1 Kor. 2:1, 7.)
48 Wandel dagelijks met Jehovah (Micha 6:8) La - ten wij be - schei - den wan - d len aan Je - Bin - nen - kort komt Sa - tans we - reld door Je - God heeft ons veel hulp ge - bo - den door zijn ho - vah s hand, van dag tot dag. On - ver - ho - vah s oor - deel aan haar eind. Hoe graag geest en zijn ge - schre - ven Woord, door de diend is de - ze goed - heid die elk zou - den te - gen - stan - ders zien dat chris - t lij - ke ge - meen - te, door ge - ne - d rig mens be - nut - ten mag. Om Gods ons ge - loof wordt on - der - mijnd. Maar Je - be - den die hij al - le hoort. La - ten snsm-o nr. 48 10/11
Wandel dagelijks met Jehovah hand te kun - nen vat - ten, komt hij - ho - vah biedt be - scher - ming, pak zijn wij recht - vaar - dig han - d len, God geeft zelf ons te - ge - moet. Door ons hand dus ste - vig vast. Wil je ons zijn steun daar - bij. Zorg ook aan hem op te dra - gen, wordt de eeu - wig met hem wan - d len? Blijf lo - goed - heid lief te heb - ben, wan - del band met hem hecht en goed. yaal en dien en - thou - siast. ne - de - rig aan zijn zij. snsm-o nr. 48 10/11 blz. 2 (Zie ook Gen. 5:24; 6:9; 1 Kon. 2:3, 4.)
49 Jehovah is onze toevlucht (Psalm 91) Je - ho - vah is een toe - vlucht voor Al val - len er ook ve - len, tien - Je - ho - vah biedt be - scher - ming en al wie op hem bouwt. Zijn scha - duw biedt een dui - zend of nog meer, je blijft dan, met lo - helpt je vast te staan. Geen val - strik doet je schuil - plaats die ons in le - ven houdt. Hij - ya - len, be - vei - ligd door je Heer. Er strui - k len, je angst wordt weg - ge - daan. Je zelf be - schermt ons in de strijd, zijn is geen grond voor angst - ge - schrei, al bent dan voor een leeuw niet bang, ver - snsm-o nr. 49 10/11
Jehovah is onze toevlucht macht is on - ze ze - ker - heid. Je - komt het kwaad zelfs heel dicht - bij. Nee, trapt dan zelfs een gro - te slang. Je - ho - vah is een ves - ting, hij be - niets kan je nog de - ren, want Gods ho - vah is een toe - vlucht voor wie hoedt wie op hem ver - trouwt. vleu - gels hoe - den je teer. trouw zijn weg blij - ven gaan. snsm-o nr. 49 10/11 blz. 2 (Zie ook Ps. 97:10; 121:3, 5; Jes. 52:12.)
50 Gods voorbeeld van liefde (1 Johannes 4:19) Je - ho - vah geeft ons in zijn gro - te wijs - heid, elk van Als wij die weg gaan, door lief - de ge - dre - ven, staan wij De lief - de voor God maakt dat wij hem die - nen, el - ke ons, ie - der - een, een he - mels mo - klaar voor el - kaar. De lief - de die dag, al - tijd weer. Ge - hoor - zaam en del dat ons op zijn weg leidt; dan valt er wij de broe - der - schap ge - ven, is warm en blij, met die - pe waar - de - ring, geeft elk hem geen, dan valt er geen. De zui - ve - re waar, is warm en waar. Ze helpt ons om eer, geeft elk hem eer. Dus pre - dik zijn snsm-o nr. 50 10/11
Gods voorbeeld van liefde weg die wij nu be - tre - den, die goed is en mild el - kaar te ver - ge - ven en er bo - ven - naam, laat ie - der die e - ren, en help al wie rein, waar kwaad wordt ge - me - den, waar een - heid be - dien be - wust naar te stre - ven Je - ho - vah s mo - wil, de waar - heid te le - ren. Zorg dat je Gods staat en God wordt aan - be - den, is die van del ge - trouw na te le - ven, want zo wordt dienst steeds meer gaat waar - de - ren. Toon zo een lief - de, want dat is Gods weg. lief - de aan broe - ders be - toond. lief - de die waar is en echt. snsm-o nr. 50 10/11 blz. 2 (Zie ook Rom. 12:10; Ef. 4:3; 2 Petr. 1:7.)