ECLI:NL:RBAMS:2017:2714 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 25-04-2017 Datum publicatie 01-05-2017 Zaaknummer RK 16/7321 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Rekestprocedure Klaagschrift 552a Sv ongegrond. Vordering 552f Sv niet ontvankelijk. Scooter met WOK melding. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht RK: 16/7321 en 17/1072 Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de vordering van de officier van justitie ex artikel 552f Sv in de zaak van: [klager], geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1998, wonende op het adres [adres verdachte], woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsman, mr. M.F. Guman, [adres advocaat], klager, tevens beslagene.
Procesgang Het klaagschrift is op 1 november 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De vordering op 15 februari 2017. Het Openbaar Ministerie heeft op 1 februari 2017 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 11 april 2017 de raadsman van klager en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet in raadkamer verschenen, terwijl de behandeling van het klaagschrift in overleg met zijn raadsman is gepland en de raadsman tijdens de behandeling in raadkamer heeft verklaard dat hij had verwacht dat klager in raadkamer zou verschijnen. De raadsman heeft de vordering van de officier van justitie ex artikel 552f Sv ontvangen. Inhoud van het klaagschrift Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten een snorfiets, merk/type Piaggio Vespa Sprint, kenteken [kentekennummer]. De vordering strekt tot onttrekking aan het verkeer van deze snorfiets. Standpunt van klager De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt en de vordering van het Openbaar Ministerie, alsmede ter toelichting op het klaagschrift, aangevoerd dat klager dubbel wordt gestraft als de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard en de vordering van de officier van justitie toewijst. Voor de strafbare feiten waarvoor klager op 15 oktober 2016 is aangehouden heeft het Openbaar Ministerie twee strafbeschikkingen van 250,00 uitgevaardigd. De raadsman gaat er vanuit dat klager deze strafbeschikkingen heeft betaald, zodat klager in de gelegenheid dient te worden gesteld om zijn snorfiets te laten herkeuren. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het klaagschrift gegrond kan worden verklaard, nu de vordering tot onttrekking aan het verkeer dient te worden toegewezen. De strafzaken tegen verdachte zijn afgedaan met twee strafbeschikkingen. Het beslag is toen niet meegenomen. Om die reden is de vordering ex artikel 552f Sv ingediend bij de rechtbank. Klager is voor de eerste keer op 25 mei 2016 door de politie op de hoogte gesteld van de Wacht op Keuring melding (hierna: WOKmelding) van 21 maart 2016. Hij was er van op de hoogte dat de snorfiets moest worden gekeurd, maar heeft de waarschuwing van de politie in de wind geslagen. Daarna is klager nog vier keer staande gehouden vanwege de opstaande WOK-melding, waarna de snorfiets op 15 oktober 2016 is inbeslaggenomen.
De officier van justitie heeft desgevraagd verklaard niet te weten of verdachte de twee strafbeschikkingen heeft betaald. De beoordeling Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 15 oktober 2016 ziet de politie klager rijden op voornoemde snorfiets. Voor deze scooter stond de volgende WOK-melding open: Rijden met WOK 61, signalering in RDW, voertuig op rollenbank gezet, haalt 56 km per uur, gebrek niet verholpen. Deze WOK-melding was van 21 maart 2016. Klager was hiervan op de hoogte. Hij is eerder staande gehouden op 25 mei 2016, 28 juni 2016, 9 september en 11 oktober 2016, omdat hij op deze scooter reed dan wel rondliep. Op 25 mei 2016 verklaarde klager tegen de politie dat hij voor de keuring een afspraak bij de RDW heeft gemaakt. Hij begrijpt dat hij niet meer op de scooter mag rijden. Op 28 juni 2016 wordt klager staande gehouden, nadat hij op zijn snorfiets door rood reed. Klager is toen geconfronteerd met de WOK-melding en aan hem is door de politie uitgelegd dat hij alleen mag rijden met de snorfiets om naar een RDW keuringsstation te rijden. Op 9 september 2016 meldde klager dat hij wist dat hij niet op snorfiets mocht rijden. Hij had een afspraak bij de garage. Op 11 oktober 2016 zag de politie klager opnieuw rijden op deze scooter, waar een WOK-melding op staat. Op 15 oktober 2016 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemd voorwerp in beslag genomen. Ten aanzien van het klaagschrift ex artikel 552a Sv In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal uitspreken of de onttrekking aan het
verkeer van het voorwerp zal opleggen. Uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen snorfiets voorwerp zal verbeurd verklaren/onttrekken aan het verkeer. Immers, het is niet toegestaan met deze snorfiets op de weg te rijden en eerdere mogelijkheden om de snorfiets te laten keuren bij de RDW heeft klager aan zich voorbij laten gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Ten aanzien van het verzoek vergoeding kosten procedure Voor zover dit verzoek al is onderbouwd kan het niet in behandeling worden genomen nu zo n verzoek (na een gegrondverklaring) kan worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. Ten aanzien van de vordering ex artikel 552f Sv Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitie Documentatie van 4 april 2017 is er voor elk van de op 15 oktober 2016 geconstateerde overtredingen ter zake van artikel 48 lid 7 van de Wegenverkeerswet 1194 en artikel 5.6.76 lid 1 van de Regeling voertuigen een strafbeschikking uitgevaardigd van 250,00. In raadkamer heeft de officier van justitie verklaard niet te weten of verdachte de twee strafbeschikkingen heeft betaald, zodat op dit moment niet kan worden vastgesteld of deze zaken onherroepelijk zijn. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 11 maart 1986, NJ 1986, 574) naar aanleiding van vorderingen ex artikel 552f Sv valt op te maken dat, zolang het Openbaar Ministerie nog voornemens is de verdachte te vervolgen, de rechtbank het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te verklaren in de aparte vordering tot onttrekking aan het verkeer: immers een onttrekking aan het verkeer tegelijk met de eindbeslissing in de hoofdzaak verdient de voorkeur. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank komt tot de volgende beslissingen.
De beslissing Ten aanzien van het klaagschrift ex artikel 552a Sv De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.(1) Ten aanzien van de vordering ex artikel 552f Sv De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering. (2) Deze beslissing is gegeven door mr. W.H. van Benthem, rechter, in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017. (1) Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking. (2) Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de belanghebbende beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen (veertien) 14 dagen na betekening van deze beschikking.