Ras: Teckel Andere naam: Zwergteckel, Normaalschlag en de Kaninchendashond Oorsprong: Duitsland Gehouden als: Gezelschapshond Grootte: 13-25 cm Gewicht: Het gewicht van een teckel mag niet hoger zijn dan 9 kg. Kleur: Verschillende kleuren Vachtsoort: Gladhaar, ruwhaar en langhaar Gem. Leeftijd: 11-12 Jaar Korte geschiedenis van het ras De Teckel is een van de meest voorkomende honderassen. Het behoort tot de achondroplasten, wat betekent dat de groei in de lengte in een vroeg stadium stopt door een verstoring in de verandering van het kraakbeen in bot, met name de lange pijpbenen. Volgens Duitse kynologen stamt de Teckel waarschijnlijk af van een oude Duitse braksoort, waarmee hij ook bepaalde anatomische overeenkomsten heeft. Dit is ook bevestigd door vondsten uit de Romeinse tijd. Hoe de Teckel zich van de brak heeft ontwikkeld tot de tegenwoordige Teckel is niet duidelijk. Het is echter wel duidelijk dat hij niet verwant is aan de Dasbrak (de voorganger van de huidige Drever) of de Franse bassetrassen. Men weet dat het Engelse ras Dandie Dinmont Terrier is gebruikt om de ruwharige variant van de Teckel te reconstrueren. Dit gebeurde aan het eind van de negentiende eeuw. De Teckel is een allround hond. Hij is een uitstekende, langzaam drijvende jachthond en een lieve gezelschapshond. Zijn eigenwijze en charmante manier van doen heeft het ras over de hele wereld veel vrienden opgeleverd. 1 / 21
Karakter: Teckels hebben de naam zeer schrander en eigenzinnig te zijn. Welnu, dat klopt! Ze zijn slim en vindingrijk en zeer aanhankelijk jegens de baas. Ze zijn buitengewoon waaks en hebben een moedig en nieuwsgierig karakter. In tegenstelling tot veel andere hondenrassen zoeken teckels heel bewust oogcontact. Zij lezen als het ware wat er in hun mensen omgaat, waardoor een bijzondere binding ontstaat. Teckels kunnen om hun zin door te drijven geweldig komedie spelen. Zij hebben een groot gevoel voor humor en stellen het op prijs de lachers op hun hand te hebben. Maar ze kunnen ook snel beledigd zijn en dan kan het lang duren vooraleer de baas weer in genade aangenomen wordt. Van nature laat de teckel zich graag gelden en men moet er dus alert op zijn de baas te blijven. Geef een teckel een vinger en hij neemt de hele hand. Daarom mag u geen slaafse gehoorzaamheid van dit ras verwachten, want de teckel zal tot zijn laatste levensdag blijven proberen het laatste woord te hebben. U kunt hem echter wel degelijk onder appél krijgen, het duurt alleen iets langer en u zult wat meer geduld moeten hebben dan bij andere rassen het geval is. Teckels zijn jachthonden met een dikwijls felle jachtpassie en dat is tevens de oorzaak van het eigenzinnige karaktertrekje dat in iedere teckel huist. Al vele honderden jaren lang werden teckels gebruikt voor de jacht op vossen en dassen (vandaar de ietwat ouderwetse benaming Dashond)! De hond werd daartoe in de vossenburcht gezet en moest op eigen initiatief het karwei klaren. Daar is een flinke portie moed, doorzettingsvermogen en slimheid voor nodig. Deze eigenschappen zijn door de eeuwen heen in het ras doorgefokt, vandaar dat de zelfstandigheid en eigen inbreng van de teckel zo dikwijls voor "eigenwijs" wordt aangezien. Ook heden ten dage wordt er nog steeds met teckels gejaagd, zowel op ondergronds als bovengronds wild. U begrijpt daar wel uit dat u geen troetelig dameshondje in huis haalt, maar een sterke gespierde hond met een enorm uithoudingsvermogen en een markant karakter. Het jachtinstinct wil nog wel eens moeilijkheden opleveren, waardoor men de hond met veel jachtpassie niet of nauwelijks los kan laten lopen in het vrije veld. Doet men dit wel, dan gebeurt het meer dan eens dat de teckel verdwijnt en zich urenlang niet laat zien. U zult in zo'n geval moeten blijven wachten tot het de teckel belieft terug te komen. Straffen heeft weinig zin, want de volgende keer is de jachtpassie weer sterker dan uw straf of boze woorden. Aangelijnd houden is de boodschap! 2 / 21
Teckels kunnen heel oud worden, maar het is algemeen bekend dat de lange rug van deze honden hun kwetsbare punt is. Laat ze niet hoog springen en geen trappen lopen; zorg er vooral voor dat uw hond niet te dik wordt, daar de rug van een slanke hond minder zwaar belast wordt dan van een dikke. Dat kan moeilijkheden opleveren, daar de teckel zoals iedere werkhond een onverzadigbare eetlust heeft. U zult moeten leren daar niet aan toe te geven. Wegens de kwetsbare rug is het beter de pup uit de handen van heel jonge kinderen te houden, daar deze nogal eens de neiging hebben om met het kleine hondje te slepen en te sjouwen, waardoor schade aan de wervelkolom kan ontstaan (maar in wezen geldt dit voor ieder hondenras!). Teckels kunnen uitstekend met hun soortgenoten overweg. Andersoortige huishonden en katten worden wel geaccepteerd, maar dit gaat beter als zij er van jongs af aan mee opgroeien. Knaagdieren en vogels zult u achter tralies moeten houden, daar ze op het jachtinstinct van de teckel werken. Natuurlijk bevestigt de uitzondering de regel, wij spreken hier in het algemeen. Rasstandaard: DASHOND Oorsprong: Duitsland Datum van publicatie van de geldige originele standaard: 13-3 - 2001. Gebruik: Jachthond voor boven en onder de grond. 3 / 21
Klasse indeling FCI: Groep 4, Dashonden met werkproef. Kort geschiedkundig overzicht: De Dashond, ook wel Dackel of Teckel genoemd, is bekend sinds de middeleeuwen. Uit brakken werden lopende honden gefokt die speciaal voor de jacht onder de grond geschikt waren. Uit deze kortbenige honden, werd de Teckel gekristalliseerd, die bekend staat als een der meest veelzijdige jacht- gebruikshonden- rassen. Hij laat uitstekende prestaties zien bovengronds bij het luid op spoor jagen, het opstoten van het wild en het zweetwerk. De oudste rasvereniging voor Teckels is de Duitse Teckel Club, erkend en opgericht in 1888. De Dashond wordt sinds vele decennia gefokt in 3 verschillende groottes ( dashond, dwergdashond en kaninchendashond en in 3 verschillende haar variã«teiten ( korthaar, ruwhaar en langhaar). Algemene verschijningsvorm: Lage, kortbenige, lang gestrekte, maar compacte gestalte, zeer gespierd, met driest uitdagende hoofdhouding en attente gezichtsuitdrukking. Geslachtstypisch totaalbeeld. Ondanks de in verhouding tot het lange lichaam korte ledematen zeer beweeglijk en vlug. Belangrijke proporties: Bij een bodemafstand van ongeveer eenderde van de schofthoogte, moet de lichaamslengte in harmonische verhouding staan tot de schofthoogte van ongeveer 1 op 1,7 tot 1,8. Gedrag en karakter: Vriendelijk van aard, noch angstig, noch agressief, met een evenwichtig temperament. Een gepassioneerde, vasthoudende, flinke jachthond met een fijne neus. Rasstandaard: DASHOND 4 / 21
Oorsprong: Duitsland Datum van publicatie van de geldige originele standaard: 13-3 - 2001. Gebruik: Jachthond voor boven en onder de grond. Klasse indeling FCI: Groep 4, Dashonden met werkproef. Kort geschiedkundig overzicht: De Dashond, ook wel Dackel of Teckel genoemd, is bekend sinds de middeleeuwen. Uit brakken werden lopende honden gefokt die speciaal voor de jacht onder de grond geschikt waren. Uit deze kortbenige honden, werd de Teckel gekristalliseerd, die bekend staat als een der meest veelzijdige jacht- gebruikshonden- rassen. Hij laat uitstekende prestaties zien bovengronds bij het luid op spoor jagen, het opstoten van het wild en het zweetwerk. De oudste rasvereniging voor Teckels is de Duitse Teckel Club, erkend en opgericht in 1888. De Dashond wordt sinds vele decennia gefokt in 3 verschillende groottes ( dashond, dwergdashond en kaninchendashond en in 3 verschillende haar variëteiten ( korthaar, ruwhaar en langhaar). Algemene verschijningsvorm: Lage, kortbenige, lang gestrekte, maar compacte gestalte, zeer gespierd, met driest uitdagende hoofdhouding en attente gezichtsuitdrukking. Geslachtstypisch totaalbeeld. Ondanks de in verhouding tot het lange lichaam korte ledematen zeer beweeglijk en vlug. Belangrijke proporties: Bij een bodemafstand van ongeveer eenderde van de schofthoogte, moet de lichaamslengte in harmonische verhouding staan tot de schofthoogte van ongeveer 1 op 1,7 tot 1,8. Gedrag en karakter: Vriendelijk van aard, noch angstig, noch agressief, met een evenwichtig temperament. Een gepassioneerde, vasthoudende, flinke jachthond met een fijne neus. 5 / 21
Hoofd. Langgestrekt, van boven en opzij gezien gelijkmatig tot de neusspiegel smaller wordend, echter niet pun Wenkbrauwbogen duidelijk uitkomend. Neuskraakbeen en neuspunt lang en smal. Bovenschedel: Eerst vlak, geleidelijk met slechts weinig aangeduide stop verlopend naar de licht gewelfde neusrug. Stop: Alleen aangeduid. Aangezicht schedel: Neusspiegel goed ontwikkeld. De vang: Lang, voldoende breed en sterk. Ver te openen, tot ter hoogte van de ogen gespleten. 6 / 21
Lippen: De lippen zijn strak gespannen, de onderkaak goed bedekkend. Kaken/gebit: Sterk ontwikkelde boven en onderkaak. Schaargebit, gelijkmatig en goed sluitend. Ideaal is een compleet gebit met 42 tanden, overeenkomstig d Ogen: Middelgroot, ovaal, goed uit elkaar liggend, met heldere, energieke en toch vriendelijke uitdrukking, niet Behang: Hoog, niet te ver naar voren aangezet, voldoende maar niet overdreven lang, afgerond, niet smal, puntig Hals: Voldoende lang, gespierd, strak aanliggende keelhuid; licht gewelfde nek, vrij en hoog gedragen. 7 / 21
Lichaam. Bovenbelijning: Harmonisch verlopend van de hals naar het licht afvallende kruis. Schoft: Uitgesproken. Rug: Na de hoge schoft is het verloop van de verdere borstwervels recht of met een lichte welving naar achte Lendenen: Krachtig bespierd, voldoende lang. Kruis: 8 / 21
Breed en voldoende lang. Licht afvallend. Borst: Borstbeen goed geprononceerd en zo sterk vooruitspringend, dat aan beide zijden kuiltjes zichtbaar zijn Bij een goede lengte en hoekingen van het schouderblad en de opperarm, bedekt de voorpoot van opzij Onderbelijning en buik: Licht opgetrokken. Staart: Niet te hoog aangezet, in het verlengde van de ruglijn gedragen. In het laatste derde deel van de staart i Ledematen. Voorhand. 9 / 21
Algemeen: Sterk gespierd, goed gehoekt, van voren gezien droge, rechte voorbenen met goed sterk bot en recht na Schouders: Zichtbaar gespierd. Lang, schuin liggend schouderblad, vast tegen de borstkas aanliggend. Opperarm: Van gelijke lengte als het schouderblad, nagenoeg in een rechte hoek hiermee staand, sterk van bot en Ellebogen: Niet naar binnen noch naar buiten draaiend. Onderarm: Kort, echter wel zo lang dat de bodemafstand van de hond zowat eenderde van de schofthoogte bedraa 10 / 21
Voorvoetwortelgewrichten: De voorvoetwortelgewrichten staan wat dichter bij elkaar dan de schoudergewrichten. Voor- middenvoet: De voor middenvoet mag, van opzij gezien niet steil, noch opvallend naar voren gericht zijn. Voorvoeten: Goed tegen elkaar liggende tenen, goed gewelfd, met krachtige eeltkussens en korte, sterke nagels. De vijfde teen heeft geen functie maar hoeft niet te worden verwijderd. Achterhand. Algemeen: Sterk gespierd, in goede verhouding met de voorhand. Knie en sprong gewrichten sterk gehoekt, achter 11 / 21
Bovenbeen: Moet van goede lengte en sterk gespierd zijn. Kniegewricht: Breed en sterk met uitgesproken hoekingen. Onderbeen: Kort, bij benadering een rechte hoek vormend met het bovenbeen, goed gespierd. Spronggewricht: Krachtig bespierd en droog. Achter-middenvoet: Relatief lang, beweeglijk ten opzichte van het onderbeen, licht naar voren gebogen. Achtervoeten: 12 / 21
Vier strak tegen elkaar liggende tenen, goed gewelfd. Vol op de krachtige zolen rustend. Gangwerk. De beweging moet ruim uitgrijpend, vloeiend en energiek zijn, met ruime, dicht bij de bodem liggende pa Huid: Strak aanliggend. Kortharige Dashond. Haar: Kort, dicht en glanzend, glad aanliggend, vast en hard, nergens onbehaarde plekken tonend. Staart: 13 / 21
Fijn en vol, maar niet rijkelijk behaard. Wat langere haren (grannen) aan de onderzijde van de staart is n Kleur: A: Eenkleurige: Rood, roodgeel, geel, alles met of zonder zwarte sticheling. Zuivere kleur gaat voor en rood moet boven B:Tweekleurige: Diepzwart of bruin, ieder met roestbruine of gele aftekening (brand) boven de ogen, aan weerszijde van 14 / 21
C:Gevlekt (getijgerd, gestroomd): De grondkleur is altijd de donkere kleur (zwart, rood of grijs). Gewenst zijn onregelmatige grijze maar oo Ruwharige Dashond. Haar: Met uitzondering van de vang, wenkbrauwen en oren, op het hele lichaam van onderwol voorzien, volko De staart goed en gelijkmatig, strak aanliggend behaard. Kleur: Overwegend licht tot donker wildzwijnkleurig alsook de kleur van droge bladeren. Verder geldt hetzelfde 15 / 21
Langharige Dashond. Haar: Het van onderwol voorziene, sluike, glanzende haar, aan het lichaam aanliggend, verlengd zich onder d Kleur: Hierbij geldt hetzelfde zoals bij de Korthaar beschreven onder a) tot c). Grootte en gewicht. 16 / 21
Standaard dashond: Borstomvang boven de 35 cm. Bovengrens gewicht ongeveer 9,0 kg. Dwergdashond: Heeft een borstomvang van 30 tot 35 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten. Kaninchendashond: Heeft een borstomvang tot 30 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten. 17 / 21
Fouten: Alle afwijkingen van boven genoemde punten moeten als fout aangerekend worden, de kwalificatie moe De M3 (Molaren 3) worden bij het keuren buiten beschouwing gelaten. Het ontbreken van twee PM1 (Premolaren 1) is niet als fout te waarderen. Het ontbreken van een PM2 is als fout te waarderen, als behalve de M3, geen andere tanden ontbreken Zware fouten. *Zwakke, hoogbenige of over de grond slepende gestalte. *Andere gebitsfouten als onder fouten respectievelijk, uitsluitende fouten, beschreven. *Glasogen bij andere dan gevlekte honden. *Puntige, erg gevouwen oren. *In de schouders hangend lichaam. *Zadelrug, karperrug. *Zwakke lendenpartij. *Overbouwd zijn ( het kruis is hoger dan de schoft). *Te zwakke borstkas. *Windhondachtige opgetrokken flanken. *Slecht gehoekte voor- of achterhand. *Smalle, slecht bespierde achterhand. *Koehakkig of 0 benig. *Binnenwaarts of te ver naar buiten gedraaide voeten. *Spreidtenen. *Moeilijke, onbeholpen, schommelende gang. Fouten beharing. 18 / 21
Korthaar- dashond: *Te fijne, dunne beharing, kale plekken op de oren (leder oren), of andere kale plekken. *Te grof en al te rijkelijke beharing. *Borstelige staart. *Gedeeltelijke of geheel onbehaarde staart. Ruwhaar - dashond: *Te zacht haar, te kort of te lang. *Lang haar, naar alle kanten van het lichaam uitstaand. *Krullend of golvend haar. *Zacht haar aan het hoofd. *Staart met vlag. *Het missen van baard. *Het missen van onderwol. *Kortharigheid. Langhaar - dashond. 19 / 21
*Aan heel het lichaam gelijkmatig lange beharing. *Te sterk gegolfd of ruwhaar. *Het missen van vlag aan de staart. *Het missen van overhangend haar aan de oren. *Kortharigheid. *Een sterke scheiding van het haar op de rug. *Te langhaar tussen de tenen. Uitsluitende fouten. *Angstige of agressieve dieren. *Ondervoor en bovenoverbijters, kruisgebit. *Verkeerde stand van de hoektanden in de onderkaak. *Ontbreken van een of meerdere Canini of van een of meerdere Incisivi. *Ontbreken van meer tanden (Premolaar of Molar). Uitzondering: De onder fouten genoemde twee PM1, een PM2 zonder M3 in aanmerking te nemen. *Afgezet borstbeen. *Alle staartfouten. *Zeer losse schouders. *Knikken in front (voorvoetwortel-gewrichten). *Zwarte kleur zonder brand; witte kleur met of zonder brand. *Andere kleuren dan onder kleuren genoemd. N.B.: Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen tonen, die compleet in het scrotum zijn inge 20 / 21
Bron: http://www.teckelclub.nl 21 / 21