STS 52 BUITENSCHRIJNWERK 52.0 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Vergelijkbare documenten
Belgische norm NBN B

STS 52 - Buitenschrijnwerk 52.0 Algemene voorschriften

STS 03.6 NATUURLEIEN. Eengemaakte technische specificaties

Duurzame innovatie op het vlak van technologie en leefcomfort voor houttoepassingen in de bouw

Brandwerende Deuren. ir. Edwin Van Wesemael (ISIB) Brandwerende deuren EW/1

Kwaliteit van bouwproducten: Reglementaire en vrijwillige aspecten

Belgische en Europese normen Eengemaakte Technische Specificaties (STS) Technische Voorlichtingen (TV)

24 & 30 november Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Impact van de Bouwproductenverordening Jules De Windt FOD Economie

BUtgb Belgische Unie voor de technische goedkeuring in de bouw Lid van de EUtgb en de EOTA

Infosessie brand: Brandwerende deuren

CE Markering. 20 vragen en antwoorden

CE-markering van bouwproducten. Prof. dr. ir. Paul Vandevelde

Leidraad voor de CE-markering van luiken, rolluiken en zonweringen ir.-arch. Christophe Cornu

STS 71-2 Systemen voor de buitenisolatie van gevels STS 71-2 Voorstelling

Brandveiligheid Brandwerende bouwelementen

D R A A G W I J D T E B E S C H R I J V I N G. Asgehalte Vochtgehalte

GELUIDSSCHERMEN VOOR WEGEN: Europese normalisatie en CE-markering

Wijzigingsblad BRL 0703

Een ETA kan worden verleend indien aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:

Schuivende delen; verticaal of horizontaal

1392 S N. Pagina 1 van 7

Wijzigingsblad BRL

ORYX Collar WR PRODUCTBESCHRIJVING

CE Markering. Belang van de CE Markering van Bouwproducten voor fabrikanten, voor aannemers en architecten

Infosessie architecten/voorschrijvers

Normen voor de kunststofsector. Relatie met CE-markering en wetgeving?

ORYX Collar FX 330 Versie 1.1, (Dutch) ORYX, passie voor passieve brandbescherming

Tel. +32 (0) Fax +32 (0) GEPREFABRICEERDE BETONPRODUCTEN LIJNVORMIGE DRAGENDE ELEMENTEN

Een ETA kan worden verleend indien aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:

Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

Lot 6: Aluminium Buitenschrijnwerken en Gevelbekleding,

De FOD Economie informeert U! Uw nieuwe producten: kwaliteit of niet? Technische goedkeuring

attest-met-productcertificaat

STS 53 DEUREN 53.2 INDUSTRIËLE, COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE POORTEN

Basisnormen Europese klassering

FICHE 10 WATERDRUKBESTENDIG SCHRIJNWERK

Dimensionale toleranties op betonconstructies

Alle proeven in dit verslag zijn uitgevoerd in overeenstemming met het ISO 9001 gecertificeerd Kwaliteitsmanagement systeem van het WTCB

Verordening 305/2011 voor het verhandelen van bouwproducten (CPR) Infosessie kabels. Catherine Grimonpont 20 juni 2017 FOD Economie

BUtgb Infoblad Overgang van de Richtlijn 89/106/EEG naar Verordening 305/2011

Bouwproductenverordening

Brandveilig afdichten van doorvoeringen in brandwerende wanden

Lijst producten geharmoniseerde normen Code 22: DAKBEDEKKINGEN, DAKLICHTEN, DAKRAMEN EN TOEBEHOREN KITS VOOR DAKEN

V1702 SYSTEEMBESCHRIJVING JB FIREGLASS (DON T) PLAY WITH FIRE

BIJZONDER REGLEMENT VAN BEOORDELING EN VERIFICATIE VAN DE PRESTATIEBESTENDIGHEID IN HET KADER VAN DE VERORDENING BOUWPRODUCTEN EN VOOR HET GEBRUIK VAN

BIJZONDER REGLEMENT VAN CONFORMITEITSATTESTERING IN HET KADER VAN DE BOUWRICHTLIJN EN VOOR HET GEBRUIK VAN DE CE-MARKERING IN DE SECTOR VAN

Raam- en deursystemen : Serie 2000

Belgische norm NBN B :2017. Borstweringen van gebouwen. Geldig vanaf Vervangt NBN B :2010 en NBN/DTD B :2015

massief kunststof plaat

Lijst producten geharmoniseerde normen Code 22: DAKBEDEKKINGEN, DAKLICHTEN, DAKRAMEN EN TOEBEHOREN KITS VOOR DAKEN

Geconsolideerde TEKST

BDA Verklaring. Opdrachtnr. : 08-G-0026

beheersorganisme voor de controle van de betonproducten Tel. (02) Fax (02) TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN PTV

Geconsolideerde TEKST

Goedkeuringskosten. A. ATG-goedkeuring

CS 38-SL. Reynaers Concept system. Raamsysteem. Bringing Aluminium to Life

THERMOBEL TRI DRIEDUBBELE BEGLAZINGEN G L A S S U N L I M I T E D

Plaisance 50. Ramen en Deuren. Sapa Building System

Overzicht. Brandwerende deuren. Rookwerende deuren. Productnorm CE-markering Samenvatting. Beproeving Klasseringen Bouwvoorschriften (basisnormen)

Wijzigingsblad BRL 2202 (zonwerend)(warmtereflecterend) isolerend dubbelglas voor thermische isolatie 31 december 2014

BUtgb 04/2497. Geldig van tot B E S C H R I J V I N G

Voorstelling COPRO Partijkeuring / Certificatie / Werfondersteuning Controle certificatie m.b.v. COPRO Extranet

Tel. +32 (0) Fax +32 (0) GEPREFABRICEERDE BETONPRODUCTEN FUNDERINGSELEMENTEN

BESTEK. Ten behoeve van: INTALTHERM 77. Datum: 16 oktober 2015

Lijst producten geharmoniseerde normen Code 21: IN- EN UITWENDIGE AFWERKINGEN VOOR WANDEN EN PLAFONDS, KITS VOOR SCHEIDINGSWANDEN

Deze bijlage is geldig van: tot Vervangt bijlage d.d.:

BUtgb. Spouwmuurisolatie (gedeeltelijke spouwvulling) EUROWALL, EUROTHANE AL en EUROTHANE SILVER 03/2481

Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er?

CE-markering: wat houdt dat in en wat is de waarde ervan?

Markering conform CPD

K.12.DRIEPUNTSLOTEN. Deuren. Indeling. Driepuntsloten reeks Driepuntsloten reeks 9400 met SKG-keuring K.12.10

gevelelementen op de bouw; hoe te stellen en in te metselen

CE-markering en Vrijwillige Certificatie

Wijzigingsblad BRL

De CPR en de productnorm voor kabels

EC - Conformiteitverklaring

MATERIAAL VOOR THERMISCHE ISOLATIE

dvwindows Siegenia-Aubi o.a. draai/kip/ afmetingen hmax =1480mm bmax = 1230mm

Aandachtspunten bij de plaatsing Voor meer info en advies kan u steeds terecht bij

40. BUITENSCHRIJNWERK POORTEN & EXTERNE ZONWERING GEVELBEKLEDINGEN BUITENBEPLEISTERING BUITENTRAPPEN & BORSTWERINGEN 6

Het doel van deze instructie is het plaatsen van de afgewerkte producten zo uit te voeren dat ten allen tijde de kwaliteit gegarandeerd kan worden.

Studieavond: Houtskeletbouw 21 november 2014, Nocturne van HOUT & HABITAT, Antwerp Expo

Akoestische deuren. in combinatie met brandweerstand

Wetgeving inzake evaluatie brandgedrag van bouwproducten Ir. Jan De Saedeleer

Prestaties van buitenschrijnwerken

NLF: Accreditatie & Certificatie

CE-markering volgens EN en de gevolgen voor het lassen

VERWERKINGS- VOORSCHRIFTEN

Menuiserite DG windscherm: niet structureel TOEPASSINGSRICHTLIJNEN

Condensatie op dubbele beglazingen

/5041 Makelaar/tussenstijl /3082/ /3082/3084

Belgische norm NBN S

K12.12 ENKELSLOTEN REEKS 8600 K12 DEUREN

Geconsolideerde TEKST

INFOFICHES EPB-BOUWBEROEPEN ZONWERINGEN

Deze bijlage is geldig van: tot Vervangt bijlage d.d.:

Deze bijlage is geldig van: tot Vervangt bijlage d.d.:

ORYX Acrylic FR PRODUCTBESCHRIJVING

Transcriptie:

EENGEMAAKTE TECHNISCHE SPECIFICATIES STS 52 BUITENSCHRIJNWERK 52.0 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Deze voorschriften vervangen en annuleren de STS 52.0 ed. 1985. EDITIE 2005 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 1

FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., Middenstand & Energie Algemene Directie Kwaliteit en Vieligheid Kwaliteit van de bouw Goedkeuringen en Voorschriften WTC III, 6 e verdieping, Simon Bolivarlaan 30 B-1000 Brussel Tel. : 02.2083675 Fax 02/208.37.37 VERKOOP EN RAADPLEGING VAN DE STS Verkoop en raadpleging van de bestekken en andere documenten betreffende openbare aanbestedingen, alle werkdagen behalve zaterdag, van 10 tot 16 uur zonder onderbreking. VERKOOPBUREAU VOOR BESTEKKEN Copernicusgebouw Wetstraat 51 bus 7 B-1040 BRUSSEL Tel: 02/790.51.61 Fax: 02/290.19.64 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 2

- Eengemaakte technische specificaties - STS 52 - BUITENSCHRIJNWERK 52.0 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN SAMENSTELLING VAN DE WERKGROEP Tot de werkgroep "STS 52" behoren vertegenwoordigers van de overheid en van de bouwinstellingen voor studie en controle; ze vertegenwoordigt dus de bouwheren en laat hun eisen en ervaring tot hun recht komen. Na een systematische studie van de Belgische en Europese markten neemt de werkgroep, in overleg met de vertegenwoordigers van de industriële en professionele kringen, de uitwerking van de eengemaakte technische specificaties STS voor zijn rekening die werden voorbereid door het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB). De STS zijn het resultaat van een gemeenschappelijke aanpak, waarbij bouwheren en fabrikanten in overleg de kwalitatieve en dimensionele regels vastleggen die de basis zullen vormen van hun toekomstige overeenkomsten ten bate van elke partij, bedoeld om de kwaliteit van de producten te verhogen en de kostprijs ervan te drukken. De vertegenwoordigers van de volgende instellingen verleenden hun medewerking aan de opstelling van de STS 52.0 BUITENSCHRIJNWERK-ALGEMENE VOORSCHRIFTEN: - Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) - Laboratorium voor Vervoertechniek (RUG) - Belgisch Instituut voor Normalisatie (BIN) - Controlebureau voor de veiligheid van het bouwwezen in België (SECO) - Federatie der Glasnijverheid (FGI) - Febelhout - Agoria - Federatie van de chemische nijverheid van België (Fedichem) en haar beroepssectie, Vereniging van Kunststofverwerkers (Fechiplast) - Aluminium Center Belgium (ACB) - Ministerie van Economische Zaken: Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie: Dienst Goedkeuringen en Voorschriften (DGV): die het secretariaat waarnam. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 3

I N H O U D 0. Algemene voorschriften... 3 0.1. Inleiding... 3 0.2. Toepassingsgebied... 3 1. Europees kader... 3 1.1. CE-conformiteitsmerk - Algemene voorschriften... 3 1.1.1. Basis van de CE-markering en wettelijk kader... 3 1.1.2. Europese technische specificaties... 3 1.1.3. CE-conformiteitsattestering... 3 1.2. Normalisatie van vensters en vliesgevels... 3 1.2.1. Vensters en deuren... 3 1.2.2. Vliesgevels... 3 1.3. Structureel gelijmde glaswerkkits (SGG)... 3 1.4. Technische goedkeuring BUtgb... 3 2. Terminologie... 3 2.1. Algemene terminologie... 3 2.2. Specifieke terminologie (zie afbeelding 1 en 2)... 3 2.2.1. Terminologie betreffende vensters... 3 2.2.2. Terminologie m.b.t. vliesgevels... 3 2.2.3. Terminologie m.b.t. de typologie van de vliesgevels... 3 2.2.4. Terminologie m.b.t. het hang- en sluitwerk... 3 2.2.5. Afspraak voor de openingsrichting van vensters en deuren... 3 2.2.6. Openingswijze van het venster... 3 3. Algemene eisen... 3 3.1. Fundamentele voorschriften betreffende buitenschrijnwerk... 3 3.1.1. Mechanische sterkte en stabiliteit (ER1)... 3 3.1.2. Brandveiligheid (ER2)... 3 3.1.3. Hygiëne, gezondheid en bescherming van het leefmilieu (ER3)... 3 3.1.4. Gebruiksveiligheid (ER4)... 3 3.1.4.1. Gevolgen van de belastingen, uitgeoefend door het eigengewicht, de gebruiksbelastingen, de wind en de temperatuur... 3 3.1.4.2. Gevolgen van de bewegingen van het gebouw... 3 3.1.4.3. Gevolgen van de temperatuur... 3 3.1.4.4. Veiligheid van personen... 3 3.1.4.5. Effecten van het water...3 3.1.5. Bescherming tegen lawaaihinder (ER5)... 3 3.1.6. Energiebesparing en warmte-isolatie (ER6)... 3 3.1.7. Duurzaamheid... 3 3.2. Overige verplichtingen... 3 4. Prestaties... 3 4.1. Prestaties van de elementen... 3 4.1.1. Prestaties in verband met de weerstandsprofielen... 3 4.1.1.1. Houten profielen... 3 4.1.1.2. Metalen profielen met of zonder isolator... 3 4.1.1.3. PVC-profielen... 3 4.1.1.4. Hybride profielen... 3 4.1.1.5. Overige profielen... 3 4.1.2. Prestaties in verband met het hang- en sluitwerk... 3 4.1.3. Prestaties van de beglazing... 3 4.1.4. Prestaties van de afdichtingprofielen... 3 4.1.5. Prestaties van de kit... 3 4.1.6. Prestaties van de toebehoren... 3 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 4

4.2. Prestaties van het buitenschrijnwerk... 3 4.2.0. Voorbeschouwing... 3 4.2.1. Vensters: evaluatiebasis en productbeschrijving... 3 4.2.1.1. Luchtdoorlatendheid, waterdichtheid en sterkte tegen de wind... 3 4.2.1.1.1. Luchtdoorlatendheid... 3 4.2.1.1.2. Weerstand tegen windbelasting... 3 4.2.1.1.3. Waterdichtheid... 3 4.2.1.1.4. Specificatie van de lucht-, water- en windklasse in functie van de ontwerpvoorwaarden... 3 4.2.1.2. Bedieningskrachten en verkeerd gebruik... 3 4.2.1.3. Energiebesparing en thermische eigenschappen... 3 4.2.1.3.1. Thermische isolatie... 3 4.2.1.3.2. Zonnetoetredingsfactor en lichtdoorlaatbaarheid... 3 4.2.1.3.3. Risico op condensatie... 3 4.2.1.4. Akoestische prestaties...3 4.2.1.4.1. Prestaties... 3 4.2.1.4.2. Aanbevelingen in verband met de keuze van de prestaties... 3 4.2.1.5. Inbraakwerendheid...3 4.2.1.5.1. Prestaties... 3 4.2.1.5.2. Aanbevelingen i.v.m. de keuze van de inbraakwerendheidsklasse... 3 4.2.1.6. Bestandheid tegen explosies... 3 4.2.1.7. Kogelwerendheid...3 4.2.1.8. Brandveiligheid... 3 4.2.1.8.1. Brandreactie...3 4.2.1.8.2. Brandweerstand... 3 4.2.1.9. Gereglementeerde stoffen... 3 4.2.1.10. Schokweerstand...3 4.2.1.10.1 Prestaties... 3 4.2.1.10.2. Specificatie van de schokweerstandsklasse... 3 4.2.1.11. Weerstand tegen herhaald gebruik... 3 4.2.1.12. Gedrag tussen 2 klimaten... 3 4.2.2. Vliesgevels: evaluatiebasis en productbeschrijving... 3 4.2.2.1. Luchtdoorlatendheid, waterdichtheid en sterkte tegen de wind... 3 4.2.2.1.1. Luchtdoorlatendheid... 3 4.2.2.1.2. Weerstand tegen windbelasting... 3 4.2.2.1.3. Waterdichtheid... 3 4.2.2.1.4. Specificatie van de lucht-, water- en windklasse in functie van de ontwerpvoorwaarden... 3 4.2.2.2. Bedieningskrachten en verkeerd gebruik... 3 4.2.2.3. Energiebesparing en thermische prestaties... 3 4.2.2.4. Akoestische prestaties...3 4.2.2.5. Inbraakwerendheid...3 4.2.2.6. Bestandheid tegen explosies... 3 4.2.2.7. Kogelwerendheid...3 4.2.2.8. Gedrag bij brand... 3 4.2.2.9. Gereglementeerde stoffen... 3 4.2.2.10. Schokweerstand...3 4.2.2.10.1. Prestaties... 3 4.2.2.10.2. Specificatie van de schokweerstandsklasse... 3 4.2.2.11. Weerstand tegen herhaald gebruik... 3 4.2.2.12. Gedrag tussen 2 soorten klimaten... 3 4.2.3. Structureel gelijmd glaswerkkit (SGG)... 3 4.2.3.1. Prestaties van SGG... 3 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 5

4.2.3.2. Aanvullende voorschriften betreffende de veiligheidstoebehoren... 3 4.2.3.3. Aanvullende voorschriften betreffende de thermische behandeling van glasproducten... 3 4.2.3.4. Verlijming ter plaatse... 3 5. Berekeningsnota's... 3 5.1. Hypotheses betreffende het schrijnwerk en de elementen van het schrijnwerk... 3 5.2. Hypotheses in verband met de belastingen en hun combinaties... 3 5.3. Controle van de grenstoestanden... 3 5.3.1. Het geval van vensters... 3 5.3.2. Het geval van Vliesgevels... 3 5.3.3. Het geval van vulpanelen... 3 5.3.4. Criteria van de grenstoestanden... 3 5.4. Referentiedocumenten... 3 6. Ontwerp van het schrijnwerk... 3 6.1. Algemene voorschriften voor vensters en gevels... 3 6.1.1. Vervanging van de componenten... 3 6.1.2. Verbindingen... 3 6.1.3. Haaksheid van de opengaande vleugels... 3 6.1.4. Toelaatbare afwijkingen... 3 6.1.5. Dichtingen (bijkomende afdichtingsprofielen) (zie ook 4.1.4)... 3 6.1.6. Hang- en sluitwerk (zie ook 4.1.2)... 3 6.1.7. Condensatiewater (zie ook 4.2.1.3.3)... 3 6.2. Vensters... 3 6.2.1. Dimensionering van de beglazing... 3 6.2.2. Plaatsing van de beglazing... 3 6.2.3. Plaatsing van het schrijnwerk...3 6.2.3.1. Bevestiging... 3 6.3. Vliesgevels... 3 6.3.1. Instorting... 3 6.3.2. Hygrothermisch gedrag van de vulpanelen... 3 6.3.2.1. "Sandwichpanelen"... 3 6.3.2.2 Elementen met een spouw die al dan niet wordt geventileerd met buitenlucht... 3 6.3.3. Dimensionering en plaatsing van de beglazing... 3 6.3.4. Ruwbouw... 3 6.3.4.1. Verbinding van de gevel met de ruwbouw... 3 6.3.4.2. Uitzetting en zetting... 3 6.3.5. Uitvoeringsplannen... 3 6.3.6. Vervanging van de onderdelen en elementen... 3 6.3.7. Bevestiging van de gevel aan de constructie van het gebouw... 3 6.3.8. Voegen van de gevel... 3 6.3.9. Dichting tussen de vliesgevel en de ruwbouw... 3 6.3.10. Verbindingselementen tussen de vliesgevel en de overige constructie-elementen... 3 6.3.11. Voegen van de vliesgevel (dichting, uitzetting, zetting, enz.)... 3 7. Vrijwillig kwaliteitsmerk en certificering... 3 7.0. Algemene voorschriften... 3 7.1. Voorwerp van het kwaliteitsmerk... 3 7.2. Vrijwillige ATG-certificering of gelijkwaardig... 3 7.2.1. Inleiding... 3 7.2.2. Vensters en vliesgevels... 3 7.2.2.1. Vrijwillige aanvulling in het geval van een reglementaire AC 1-certificering... 3 7.2.2.2. Vrijwillige aanvulling in het geval van een reglementaire AC 3-certificering... 3 7.2.3. Structureel gelijmde glaswerkkit (SGG)... 3 7.2.3.1. Reglementaire certificering in het regime van de CE-markering... 3 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 6

7.2.3.2. Vrijwillige certificering... 3 7.3. Overgangsfase... 3 8. Meetingscode... 3 8.1. Vensters... 3 8.1.1. Eenheidsprijs... 3 8.1.2. Opmetingscode van het venster... 3 8.2. Vliesgevels en SGG-kits... 3 8.3. Specificaties in verband met de afmetingen, de vorm en het uiterlijk... 3 9. Onderhoud en reiniging... 3 9.1. Onderhoud... 3 9.2. Frequentie van de reiniging... 3 9.3. Bijkomende voorschriften betreffende het onderhoud van de SGG-gevels... 3 9.3.1. Reinigingsproducten voor SGG... 3 9.3.2. Technische controle van de SGG-gevels... 3 10. Monstername en keuring... 3 10.1. Voorafgaande technische goedkeuring van een prototype (type-onderdeel)... 3 10.1.1. Goedkeuringsmodaliteiten van de producten die beantwoorden aan het bestek vóór de bestelling... 3 10.1.2. Vrijstelling van proeven op een prototype (type-onderdeel)... 3 10.2. Aan de plaatsing voorafgaande technische keuring... 3 10.2.1. Keuringsmodaliteiten... 3 10.2.1.1. Voorwaarden van de monstername... 3 10.2.1.2. Bijkomende proeven... 3 10.2.2. Vrijstelling van de technische keuring die aan de plaatsing voorafgaat... 3 10.3. Proeven ter plaatse... 3 10.4. Definitieve technische keuring... 3 10.5. Tegenproeven... 3 Bijlage 1 - Literatuurlijst... 3 Bijlage 2 - STS 52.0 Verloop van de proeven... 3 Bijlage 3 Belastingen en criteria van de grenstoestanden op gevels... 3 A.3.1. Voorafgaande definities... 3 A.3.1.1. Hoofdconstructie... 3 A.3.1.2. Secundaire constructie... 3 A.3.1.3. Vulpanelen... 3 A.3.1.4. De gevolgklassen (NBN EN 1990 Bijlage b - k FI )... 3 A.3.1.5. Coëfficiënt die de combinatiewaarde van een veranderlijke belasting ψ 0 bepaalt... 3 A.3.1.6. Begeleidingscoëfficiënt van de frequente belastingen ψ 1... 3 A.3.1.7. Coëfficiënt die de quasi blijvende waarde van een veranderlijke belasting ψ 2 bepaalt3 A.3.1.8. Partiële factor voor een materiaaleigenschap γ M... 3 A.3.1.9. Partiële factor voor veranderlijke belastingen γ Q... 3 A.3.1.10. Partiële factor voor blijvende belastingen γ G... 3 A.3.1.11. Gevel en hellingshoek... 3 A.3.2. Winddruk op verticale gevels... 3 A.3.2.1. Gebruiksduur van de projecten en terugkeerperiode van de wind (Cprob²)... 3 A.3.2.2. Formule voor de berekeningsdruk van de wind... 3 A.3.2.3. Bepaling van C e (Z). q ref 50jaar... 3 A.3.2.4. Bepaling van de drukcoëfficiënt c p... 3 A.3.3. Belasting van het eigengewicht op verticale gevels... 3 A.3.3.1. Bepaling van de belasting door eigengewicht... 3 A.3.3.2. Formule voor de berekening van de belasting van het eigengewicht.... 3 A.3.3.3. Bepaling van de rekenbelasting onder eigengewicht... 3 A.3.4. Gecombineerde belasting van de wind en het eigengewicht op hellende gevels... 3 A.3.4.1. Belasting van het eigengewicht... 3 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 7

A.3.4.2. Windbelasting... 3 A.3.4.3. Formule voor de berekening van de belasting van het eigengewicht en de wind... 3 A.3.4.4. Bepaling van de rekenwaarde F d (g,w)... 3 A.3.5. Bepaling van de karakteristieke breukspanning, de veiligheidscoëfficiënten van de materialen en de elasticiteitsmodulus... 3 Bijlage 4 Beveiliging tegen blikseminslagen en statische elektriciteit... 3 A.4.1. Beveiliging tegen blikseminslagen... 3 A.4.1.1. Definitie... 3 A.4.1.2. Principes voor de bescherming van gebouwen met metalen vliesgevels... 3 A.4.1.3. Praktische aanbevelingen...3 A.4.2. Bescherming tegen statische elektriciteit... 3 A.4.2.1. Definitie... 3 A.4.2.2. Gevolgen... 3 A.4.2.3. Beveiligingswijzen... 3 A.4.3 Beveiliging van schrijnwerk met profielen met isolator... 3 Bijlage 5 Overzicht van de toe te lichten aspecten in het bijzonder bestek... 3 Bijlage 6 Gelijkwaardigheid van de doorbuigingsklassen en de drukken NBN EN 12210... 3 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 8

0. Algemene voorschriften 0.1. Inleiding Sluittechnieken voor gebouwen in het algemeen en buitenschrijnwerk in het bijzonder, spelen een belangrijke rol in buitenwanden. Aan deze producten worden tegenwoordig hoge eisen gesteld. Gebouwen moeten beantwoorden aan alsmaar strengere criteria inzake energiebesparing, comfort en milieubescherming. Omdat de Europese normalisatie zo goed als rond is, leek het ons raadzaam de officiële specificaties terzake bij te werken. De Europese normen leggen immers procedures vast waarmee de prestaties van de producten kunnen bepaald worden maar ze beschrijven meestal niet de toepassingsgebieden op basis van de prestaties ervan. Om die reden leggen deze algemene voorschriften zich toe op de specifieke toepassing van de Europese normen Deze specificaties zijn als volgt samengesteld: in hoofdstuk 3 komen de prestatie-eisen aan bod; hoofdstuk 4 beschrijft de proefmethoden, de classificatie op basis van de prestaties en de te gebruiken klassen in functie van de ontwerpvereisten (toepassingsgebied van de prestaties); bijlage 5 vermeldt de in het bestek toe te lichten punten. De huidige technische specificaties maken de specificaties STS 52.0:1985 ongedaan en vervangen ze. In dit document wordt soms verwezen naar normen die nog in de ontwerpfase verkeren. De laatste versie van het ontwerp van norm of van de norm is degene die in aanmerking moet worden genomen. Wanneer de voorschriften zijn opgenomen in de officiële nationale, gewestelijke of andere reglementen, zijn ze bindend (= wet). De voorschrijver maakt zijn bestek op op basis van de ontwerpvoorwaarden en de voorschriften. 0.2. Toepassingsgebied Deze voorschriften zijn bedoeld om de prestaties van het buitenschrijnwerk van het gebouw (gevels en ramen) te bepalen en te kiezen. Voor de gevels of vensters die zijn opgevat volgens de techniek van de structureel gelijmd glaswerk (SGG) gelden de voorschriften voor de gevels of vensters voor alle functionele prestaties, behalve wat de hechting van de lijmkit op het metalen frame en de glasproducten aangaat, die moeten worden getoetst aan de ETAG 002 (European technical approval guideline). De met een kruis (+) aangeduide alinea's zijn diegene waaraan de architect of de voorschrijver speciale aandacht moet besteden in functie van de specifieke eisen van elk project. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 9

1. Europees kader 1.1. CE-conformiteitsmerk - Algemene voorschriften 1.1.1. Basis van de CE-markering en wettelijk kader De producten die in de Europese Unie worden verkocht, mogen noch de gezondheid van de burgers in gevaar brengen, noch het leefmilieu schade toebrengen. Dit principe vertaalt zich in FUNDAMENTELE VOORSCHRIFTEN voor de bouwwerken, beschreven in de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (Bouwproductenrichtlijn 89/106/CEE), d.w.z. - Mechanische sterkte en stabiliteit - Brandveiligheid - Hygiëne, gezondheid en bescherming van het leefmilieu - Gebruiksveiligheid - Geluidhinder De CE-markering, aangebracht door de fabrikant, betekent dat het betrokken product voldoet aan de Europese richtlijn 89/106/CEE en aan alle richtlijnen die op dat product van toepassing zijn. Door deze CE-markering mag het product verkocht en vrij verhandeld worden in de Lidstaten van de Europese Unie. De Bouwproductenrichtlijn wordt omgezet in Belgisch recht door: - Wet van 25 maart 1996 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (Belgisch Staatsblad van 21 mei 1996). - Koninklijk Besluit van 19 augustus 1998 betreffende de voor de bouw bestemde producten (Belgisch Staatsblad van 11 september 1998). - Ministerieel besluit van 20 oktober 2000 aangaande de erkenning van instellingen voor de conformiteitsattestering voor de CE-markering van de voor de bouw bestemde producten (Belgisch staatsblad van 16 januari 2001). De uit de "Fundamentele voorschriften" voortspruitende wettelijke voorschriften zijn uiteengezet in de Europese technische specificaties, d.w.z. de geharmoniseerde Europese EN-normen (met bijlage ZA) en de Europese technische goedkeuringen (ETA). 1.1.2. Europese technische specificaties De Europese technische specificaties zijn opgesteld in opdracht van de Europese Commissie om als basis te dienen voor de CE-markering voor de producten waarop de specificaties in kwestie van toepassing zijn.. De door de Europese Commissie aan CEN of EOTA verleende mandaten beschrijven met name de conformiteitsattesteringsniveaus waaraan de producten moeten worden onderworpen. De conformiteitsattesteringsniveaus (AC) zijn certificeringstructuren die de taken van de fabrikant en de derde partijen vastleggen voor de initiële typeproeven, de controle en de eventuele certificering. Om een beter inzicht te krijgen in de structuur van de conformiteitsattestering in verband met CEmarkeringen verwijzen we naar de "Construction Products Directive" (CPD) alsmede naar de begeleidende documenten, de "Guidance Papers" (GP), opgesteld door het "Standing Comittee on Construction (SCC) en beschikbaar op het volgende elektronische adres: http://europa.eu.int/comm/enterprise/construction/internal/guidpap/guidpap.htm. De verschillende fasen van de certificering en de inhoud ervan worden normaal beschreven in de specifieke geharmoniseerde specificaties ("productnormen" of ETA) van elk producttype dat op de markt wordt gebracht. De Europese geharmoniseerde productnormen (hen) of de Europese STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 10

technische goedkeuringen (ETA) zijn allebei "geharmoniseerde specificaties" overeenkomstig de "richtlijn inzake voor de bouw bestemde producten" (CPD). 1.1.3. CE-conformiteitsattestering De conformiteitsattestering met de Europese technische specificaties is gebaseerd op een controle van de fabricage in de fabriek (Factory Production Control - FPC). Dit is een intern kwaliteitssysteem dat voornamelijk is gericht op de controle van de productkwaliteit door middel van in getallen uitgedrukte procedures van het fabricageproces. Voor sommige productgroepen moet de conformiteitsattestering van de fabrikant worden gecertificeerd door een onafhankelijke instelling, die door de lidstaat is aangemeld bij de Europese Commissie. De aangemelde instellingen zijn instellingen die erkend zijn als derde partij in het conformiteitsattesteringsproces voor CE-markeringen. Ze leggen zich toe op de proeven op producten en op de controle en de certificering van het fabricageproces. De Bouwproductenrichtlijn (CPD) voorziet 6 niveaus van conformiteitsattestering (AC van 4 tot 1+), met voor elk niveau verschillende taken voor de fabrikant en voor de aangemelde instelling. De door de Europese Commissie aan CEN (voor EN's) of EOTA (voor ETA's) verleende mandaten beschrijven de niveaus van conformiteitsattestering (AC) waaraan de producten in kwestie moeten worden onderworpen. Conformiteitsattesteringsniveaus Taken (AC) 4 3 2 2+ 1 1+ Taken van de fabrikant Initiële productproeven (ITT) X - X X - - Controle van de fabricage in de fabriek (FPC) X X X X X X Controles op het afgewerkte product - - - X X X Taken van de aangemelde instellingen Initiële productproeven (ITT) - X - - X X Initiële audit van de FPC - - X X X X Certificering van de FPC - - - X X X Certificering van de afgewerkte producten - - - - - X X: van toepassing / - niet van toepassing 1.2. Normalisatie van vensters en vliesgevels 1.2.1. Vensters en deuren Het mandaat CPD M/101 betreffende vensters, deuren en gelijkwaardige producten omschrijft de kenmerken die vallen onder de geharmoniseerde specificaties en de conformiteitsattesteringsniveaus in functie van hun kenmerken. De productnorm pren 14351-1 beschrijft de procedure voor het bepalen van de prestaties alsmede de verschillende fasen van de certificering voor de venters [] 1 - pren 14351-1 - Vensters en buitendeuren voor voetgangers - Productnorm - Deel 1: Producten zonder brand- of rookwerende kenmerken De deuren, vensters en gelijkwaardige producten, gebruikt voor nooduitgangen of met het oog op de brandcompartimentering, moeten overeenkomstig de voorschriften worden onderworpen aan een conformiteitsattestering van niveau 1 (AC1). Dit houdt in dat een aangemelde derde partij wordt STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 11

betrokken bij de verschillende certificeringfasen (certificeringinstelling voor de monsterneming voor alle kenmerken alsmede de inspectie en het toezicht op de controle van de fabricage, beproevingslaboratorium). Alle andere prestaties, zoals de lucht-, water-, thermische, geluiddichtheid, enz. worden overeenkomstig de voorschriften onderworpen aan het conformiteitsattesteringsniveaus 3 (AC3), wat betekent dat een derde partij wordt betrokken bij de vastlegging van de kenmerken van de producten (initiële typeproeven). 1.2.2. Vliesgevels Het mandaat M/108 betreffende vliesgevels legt de conformiteitsattesteringsniveaus van de producten in kwestie vast in functie van hun prestaties. De productnorm NBN EN 13830 beschrijft de procedure voor het bepalen van de prestaties alsmede de verschillende fasen van de certificering. [] 2 - NBN EN 13830:2003 Productnorm - Vliesgevels De vliesgevels van gebouwen waarin de brandreactieklassen A1* 1, A2*, B*, C* zijn vereist, moeten overeenkomstig de voorschriften worden onderworpen aan een conformiteitsattestering van niveau 1 (AC1). De vliesgevels van gebouwen waarin de brandreactieklassen A1** 2, A2**, B**, C**, D, E, F zijn vereist, moeten overeenkomstig de voorschriften worden onderworpen aan een conformiteitsattestering van niveau 3 (AC3). Niveau 3 is ook vereist voor de overige kenmerken (geluid, warmte, lucht, water, wind, enz.), wat betekent dat een aangemelde derde partij wordt betrokken bij de vastlegging van de kenmerken van de producten (initiële typeproeven) en dat de fabrikant een interne controle van de fabricage moet voorzien. [] 3 - NBN EN 13501-1:2002 -Vuurindeling van bouwwaren en bouwdelen - Deel 1 : Indeling berustend op uitkomsten van de proeven op de tegenwerking tegen vuur van bouwwaren [] 4 - NBN EN 13501-2:2004 -Vuurindeling van bouwwaren en bouwdelen - Deel 2 : Classificatie gebruik makend van gegevens van brandweerstandsproeven, met uitsluiting van producten voor gebruik in ventilatiesystemen 1.3. Structureel gelijmde glaswerkkits (SGG) De structureel gelijmde glaswerkkits moeten het voorwerp van een ETA (European technical approval) en een CE-markering maken overeenkomstig ETAG 002 (European technical approval guideline). De ETAG 002 beschrijft de procedure voor het bepalen van de prestaties alsmede de verschillende fasen van de certificering. De structureel gelijmde glaswerkkits moeten overeenkomstig de voorschriften worden onderworpen aan het conformiteitsattesteringsniveaus 1 of 2+ in functie van veiligheidstoebehoren waarmee ze al dan niet uitgerust zijn. Dit betekent dat een aangemelde derde partij wordt betrokken bij de verschillende certificeringfasen. Voor meer informatie wordt de lezer verwezen naar de ETAG 002. 1 * Producten/materialen waarvoor een duidelijk identificeerbare fase van het productieproces leidt tot een verbetering van de brandreactieklasse (bijvoorbeeld de toevoeging van brandwerende producten of de beperking van het organisch materiaal)». 2 ** Producten/materialen die niet vallen onder (*) Opmerking 1 en 2 : zie NBN EN 13830 bijlage tabel ZA 2.1 STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 12

[] 5 - ETAG 002 - Structural sealant glazing systems 1.4. Technische goedkeuring BUtgb De technische goedkeuring BUtgb is een gunstige beoordeling van de geschiktheid voor toepassing in de bouwnijverheid van niet-traditionele systemen, materialen, onderdelen of uitrustingen en bevat een beschrijving waarmee de gebruiker het product kan identificeren. De technische goedkeuring gaat vergezeld van een certificering en kan in aanmerking komen om de prestaties van het schrijnwerk te bepalen. Zie hoofdstuk 7 voor meer details. 2. Terminologie 2.1. Algemene terminologie.1 Koper en verkoper De contractanten of hun behoorlijk gemachtigde vertegenwoordigers. In het geval van een aanneming van werken staan "koper" en "verkoper" voor respectievelijk de "opdrachtgever" en de "aannemer", waarbij de contractanten tussen de eerste koper (opdrachtgever) en de laatste verkoper (onderaannemer, fabrikant of leverancier) elk op hun beurt "koper" en "verkoper" zijn. 2 Opdrachtgever De natuurlijke of rechtspersoon die de werken gelast en betaalt, of zijn behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger (leidend ambtenaar, architect, enz.)..3 Bestelling Totale hoeveelheid die het voorwerp uitmaakt van een aanneming..4 Levering Hoeveelheid materialen of voorwerpen van gelijke aard, vorm, kleur en afmetingen die afzonderlijk op de bouwplaats worden aangevoerd..5 Partij Ter keuring aangeboden levering of deel van een levering.6 Monster Totaal van de ontnomen proefstukken voor elke controle of beproeving.7 Monsterneming Gezamenlijke groep van monsters.8 Proefstuk Voorwerp of deel van een voorwerp dat wordt beproefd..9 Laboratorium Onder "laboratorium" wordt verstaan een laboratorium voor materialenonderzoek dat beschikt over bevoegd personeel en over de aangewezen middelen om de in deze tekst voorgeschreven proeven uit te voeren. 9.1 Erkend proeflaboratorium De erkenning van proeflaboratoria is een procedure, ingesteld door de ministeriële omzendbrief nr. 514-A/1 en volgende, en bedoeld om een netwerk van deskundige laboratoria op te richten STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 13

voor de uitvoering van opleveringsproeven in het kader van openbare gebouwen en om een forfaitaire tarifiëring van de proeven te introduceren. De erkenning wordt op advies van de Erkenningcommissie door het ministerie uitgereikt voor één of meer categorieën of subcategorieën van proeven op basis van een onderzoek van de technische en financiële middelen, het materiaal, de deskundigheid van het personeel, de ervaring en de onpartijdigheid van het laboratorium in kwestie. De erkenning van de laboratoria valt onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Economie, Middenstand en Energie. 9.2 Proeflaboratorium met BELTEST-accreditatie De BELTEST-accreditatie van beproevingslaboratoria is een procedure voor de attestatie van de beproevingslaboratoria, ingesteld door de wet van 20/07/1990 en haar koninklijk besluit van 22/12/1992 betreffende de accreditatie van certicificatie- en controle-instellingen alsmede beproevingslaboratoria teneinde het vertrouwen te versterken van zowel de nationale als internationale economische actoren. De BELTEST-accreditatie wordt uitgereikt door BELAC van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie op basis van de voorschriften van de internationale normen NBN EN ISO 17025 "Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria" en NBN EN 45004 "Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren". 9.3 Aangemeld proeflaboratorium De aanmelding van proeflaboratoria is een procedure voor de attestering van de deskundigheid van beproevingslaboratoria, ingesteld in het kader van de wet van 25/03/1996 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21/12/1998 inzake voor de bouw bestemde producten en haar ministerieel besluit van 20/10/2000 aangaande de erkenning van instellingen voor de conformiteitsattestering voor de CE-markering van de voor de bouw bestemde producten. De aanmelding wordt uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie op basis van de Europese gids voor de aanmelding van instellingen in het kader van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 21/12/1998 voor de CE-markering voor bouwproducten..10 Tint Kleur in het algemeen. Voorbeeld: groene tint..11 Schakering Elke gradatie van een tint, van de lichtste tot de donkerste schakering. 2.2. Specifieke terminologie (zie afbeelding 1 en 2) Het buitenschrijnwerk waarvan sprake in deze STS zijn vensters en vliesgevels. 2.2.1. Terminologie betreffende vensters Opmerkingen: a. De terminologie van de begrippen (*) werd gehaald uit het ontwerp van norm EN 12519 b. De terminologie van de begrippen (**) werd gehaald uit de technische voorlichting TV 221 [] 6 - EN 12519 - Ramen en deuren - Terminologie [] 7 - TV 221 - Plaatsing van glas in sponningen STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 14

1. Venster: element van het gebouw dat een muuropening afsluit, de verlichting en eventueel de verluchting verzekert. (*) 2. Vast venster: venster zonder vleugel. 3. Opengaand venster: venster met een vast kader en een vleugel. 4. Dubbel opengaand venster: vast kader met 2 vleugels zonder vaste tussenstijl. 5. Samengesteld venster: venster met vaste of opengaande delen in een vast kader en gescheiden door stijlen of dwarsregels. 6. Vensterdeur: venster dat tevens de doorgang mogelijk maakt. 7. Schrijnwerkgeheel: geheel, samengesteld uit meerdere enkele of samengestelde, vaste of opengaande, tegen of boven elkaar geplaatste vensters, gescheiden door verbindingsstijlen of dwarsregels. Onderdelen 8. Vleugel of opengaande vleugel: het open- en dichtgaande deel van een venster met aanslagstijl. In sommige gevallen kan dit element voorzien zijn van een schuifmechanisme. (*) Vleugel: eventuele opengaande delen van het venster. (**) 9. Bovenlicht: deel van een venster dat al dan niet kan worden geopend. (*) Bovenlicht: doorgaans smal beglaasd element boven in het venster dat al dan niet kan worden geopend. (**) 10. Vasistas : kleine openvallende vleugel boven de bovendorpel van een venster of een deur. 11. Kast: volume waarin de bedienings-, ophangings-, rol- en schuiforganen van venstervleugels en/of de sluitingen worden ondergebracht. 12. Vast kader: vast deel rond een venster of een vensterdeur. Vast kader: vast gedeelte van het venster. (**) 13. Raam: vast of opengaande kader van het schrijnwerk. 14. Borstwering: muurdeel tussen het vloerniveau en de dorpel van een venster- of deuropening. Weerstandsprofielen 15. Tussenstijl: Verticale stijl die een samengesteld element in de breedte verdeelt. (*) Verticaal profiel dat twee vleugels of twee vensters scheidt. (**) 16. Stijl: onderdeel dat één van de verticale zijden uitmaakt van een samengesteld product, element of onderdeel (*). Verticale componenten van het kader. (**) Verticaal schrijnwerkprofiel. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 15

17. Aanslagstijl: stijl die bij sluiting op het kader of op de stijl van de aanpalende vleugels rust, en die de sluitingsvoorzieningen bevat.(**) 18. Hangstijl (scharnierstijl): stijl van een vleugel met het hangwerk. 19. Hang- of randstijl: stijl die de ophangings- en rotatievoorzieningen bevat. (**) 20. Onderdorpel: dorpel met bijzondere vorm, onderste deel van het vaste kader en vastgezet op de vensterbank. 21. Dwarsregel: horizontaal profiel of profiel dat het element in de hoogte verdeelt. (*) 22. Verbindingsprofiel: profiel waarmee meerdere vensters met elkaar kunnen worden verbonden, zodat een schrijnwerkgeheel wordt verkregen. 23. Sponning: doorlopende inkeping, uitgevoerd langs de rand van een raamprofiel waarin de beglazing wordt geplaatst. Men onderscheidt de open sponning waarbij de beglazing wordt vastgehouden door een kitband en de gesloten sponning waarbij de beglazing door glaslatten wordt vastgezet (**) (afbeelding 1 en 2). I II I II 3 2 1 I - buiten II - binnen 1. sponningbodem 2. aanslag 3. glaslat 4. ontwateringsgroef 5. ontwateringsgat 5 1 2 4 Afbeelding 1 - Open sponning Afbeelding 2 - Gesloten sponning 24. Sponningbodem: deel van de sponning dat haaks op het vlak van de beglazing staat (**) (afbeeldingen 1 en 2). 25. Aanslag: deel van de sponning, dat evenwijdig loopt met de beglazing (**) (afbeeldingen 1 en 2). Toebehoren 26. Dichtingstrip: uit kunststof vervaardigde dichting, aangebracht in de aanslag van een vleugel om de dichtheid te verbeteren. 27. Waterlijst: oversteek op de dorpel, voorzien van een druiplijst. 28. Weerstandprofiel: verstevigingelement tussen of rond vensters die de belastingen overbrengen naar de ruwbouw. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 16

29. Makelaar: deel in een venster met twee vleugels dat de slaglijst en de aanslag van de gekoppelde stijlen vormt; bij uitbreiding: delen die dezelfde rol vervullen en rond de draai-, tuimel- en kipelementen enz. worden aangebracht. 30. Hang- en sluitwerk: alle onderdelen van metaal en/of een synthetisch materiaal, gebruikt als elementen voor het vergaren, bevestigen, ophangen, bewegen of bedienen en sluiten van de vensters. 31. Ventilatieopening: regelbare opening in een schrijnwerkelement. 32. Kleinhout of kruishout: sierprofiel dat de beglazing onderverdeelt. (**) 33. Glaslat: profiel dat de beglazing in de sponning bevestigt via dichtingvoegen. (**) Glaslat: kleine lat die de beglazing op haar plaats houdt in de glassponning van de vensters. 9 9,10 22 16 5, 6 16, 17 18 5,6 12, 20 Afbeelding 3 - Voorbeeld van een venster STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 17

2.2.2. Terminologie m.b.t. vliesgevels Opmerking : De terminologie van de begrippen met een (*) werd gehaald uit het ontwerp van norm pren 13119 "Vliesgevels - Terminologie" [] 8 - pren 13119 - Vliesgevels - Terminologie 1. Vliesgevel (*): een vliesgevel samengesteld uit stijlen (verticale profielen ) en regels (horizontale profielen) met elkaar verbonden en in de dragende constructie van het gebouw verankerde en van vakken voorziene elementen. Deze elementen sluiten op elkaar aan en vormen een licht en ononderbroken omhulsel dat op zich of in combinatie met de constructieve elementen van het gebouw alle normale functies van een buitenwand vervult; ze dragen evenwel niet bij tot de stabiliteit van de constructie van het gebouw. 2. Volle delen: ondoorzichtige delen van de vliesgevel in tegenstelling tot doorkijkdelen die doorzichtig zijn. 3. Doorzichtige of doorschijnende delen: delen van de vliesgevel waarlangs het licht kan binnenvallen. 4. Afwerking (Bekleding): blad, vlies, film of verf, aangebracht op de binnenwand of op de buitenwand van een vliesgevelelement of van een vulpaneel, bedoeld om dit laatste zijn definitief uiterlijk of zijn duurzaamheid te geven. 5. Dampscherm: materiaal of folie voldoende dampwerend om de migratie van waterdamp in zones met een hoge dampdruk naar zones met een lage dampdruk te vertragen. 6. Sandwichpaneel: samengesteld vliesgevelelement of vulpaneel met een voldoende grote stijfheid. Een sandwichpaneel wordt doorgaans vervaardigd door tussen twee gevelmuren een isolatiemiddel aan te brengen (eventueel door verlijming). 7. Sandwich : zie Sandwichpaneel. 8. Vulpaneel (*): Vul- of bekledingspaneel met één of meer enkele of samengestelde elementen die in een raamwerk worden gevat. 9. Slabbe (waterbarrière): enkel of samengesteld blad of membraan, bedoeld om de indringing van regenwater tegen te gaan wanneer de buitenwand niet waterdicht is. Het wordt doorgaans meteen achter deze wand geplaatst. 10. Verstijving: constructie (doorgaans met geringe afmetingen), ingewerkt in een tegengevel. 11. Tegengevelelement: wanneer een vliesgevel in zijn dikte bestaat uit meerdere delen, vormt het deel aan de binnenzijde een tegengevelelement als het vrijstaat van de rest van de gevel, op zichzelf voldoende stabiel is en rechtstreeks aan de ruwbouw is bevestigd. De tegengevelelementen kunnen al dan niet isolerend zijn. 12. Verankering (*): bewerkt metalen element dat de gevel mechanisch verbindt met de constructie. 13. Tussenstijl (*): verticaal element van het schrijnwerkgeheel dat de aanpalende vensters, beglazing, vulpanelen en deuren scheidt en doorgaans schraagt. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 18

14. Dwarsregel (*): horizontaal element van het schrijnwerkgeheel dat de aanpalende vensters, beglazing, vulpanelen en deuren scheidt en doorgaans schraagt. 15. Spouw: doorlopende luchtspleet tussen twee nagenoeg evenwijdige wanden. 16. Een luchtspouw is geventileerd indien ze aan de boven- en onderzijde of aan de zijkant voorzien is van voldoende grote en oordeelkundig geplaatste openingen, waarmee ze in verbinding staat met de buitenlucht. 17. Penant: vol deel van de gevel tussen de openingen en al dan niet onderbroken door vloeren. 18. Geraamte van het gebouw: het geheel van de dragende delen van het gebouw. 19. Vliesgevelelement: wanneer een welomlijnd en identificeerbaar speciaal systeem wordt gebruikt voor slechts enkele specifieke delen van de vliesgevel (b.v. borstweringen en penanten van de gevel), dan worden deze delen "vliesgevelelementen" genoemd op voorwaarde dat ze rechtstreeks aan de structuur van het gebouw worden bevestigd en ze op zich de gevel vormen op die plaats. Een vliesgevel kan dus bestaan uit bijvoorbeeld "vliesgevelelementen" en schrijnwerk. 20. Borstwering: deel van de ondoorschijnende vliesgevel tussen of onder het "doorkijkdeel". Men onderscheidt gordijnborstweringen, die vóór de muren of kolommen van de dragende constructie van het gebouw en vóór de vloeren en de ingevatte borstweringen tussen de muren, kolommen en vloeren lopen. 2.2.3. Terminologie m.b.t. de typologie van de vliesgevels Definitie van de verschillende types vliesgevel (NBN EN 13830): Vliesgevel (*): een vliesgevel is een verticale buitenwand, samengesteld uit een constructie van hoofdzakelijk metaal, hout of PVC. Het principe van de vliesgevel omvat meerdere bouwtypes, zoals een constructie met stijlen en regels, een modulaire constructie en een constructie met borstweringen. Gevel met stijlen en regels: lichte dragende constructie, samengesteld uit op de bouwplaats geassembleerde componenten waarin doorzichtige of ondoorzichtige vulpanelen worden bevestigd. Modulaire gevel: gevel samengesteld uit aan elkaar bevestigde geprefabriceerde modules waarvan de hoogte overeenstemt met een of meer verdiepingen, compleet met vulpanelen. Borstweringsgevel: gevel samengesteld uit aan elkaar bevestigde geprefabriceerde borstweringsmodules waarvan de hoogte overeenstemt met een of meer verdiepingen, compleet met vulpanelen. 2.2.4. Terminologie m.b.t. het hang- en sluitwerk Opmerking : wat de terminologie van het hang- en sluitwerk betreft, is het ontwerp van norm nog niet afgerond (TC 33 -WI 033058). Zodra dit gebeurd is, wordt hieraan aandacht besteed in een volgende editie. 1. Wentelkruk: grendelhefboom bediend met de hand STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 19

2. Spanjolet: toestel waarmee vleugels kunnen worden vergrendeld door het gelijktijdige verschuiven van een of twee (zichtbare of verborgen) schieters 3. Pompspanjolet: spanjolet bediend door een pomp 4. Raamvastzetter met schuif: metalen staaf, bevestigd aan de vleugel, waarmee deze laatste kan worden vastgezet in alle openingsstanden 5. Raamvastzetter met pal: metalen staaf, bevestigd aan de vleugel, waarmee deze laatste kan worden vastgezet in enkele vaste openingsstanden 6. Trekker: metalen onderdeel, bevestigd op een vleugel, waarmee deze laatste kan worden gesloten met behulp van een staaf met haak 7. Verticale taatspot met remtrommel: draaiorgaan voor taatsvensters (met verticale as) voorzien van een regelbare rem die de stabiliteit van de vleugel verzekert in elke openingsstand 8. Knipslot: grendeltje dat de vleugel vergrendelt door middel van een veer. Het beschikt over een trekring 9. Taatspot: draaiorgaan voor taats- (verticale as) en tuimelvensters (horizontale as) zonder rem of remtrommel 10. Bedieningstoestel: mechanisme voor het bedienen van de vleugels met behulp van een stangenstel of een kabel met buitenmantel. De bediening (handvat of kruk) bevindt zich op manshoogte 11. Verborgen spanjolet: spanjolet waarvan niet enkel de schieters maar ook het volledige mechanisme verborgen is. De bedieningskruk of de pomp worden afzonderlijk beschreven 12. Handgreep met klauw: handvat met een klauw die de vleugel automatisch vergrendelt bij het sluiten en ontgrendelt bij het openen 13. Schroefvormige sluiting: met de hand bediende sluiting die door het schroefvormige opspannen in een schootplaat de twee vensters van een dubbel verticaal of horizontaal schuifvenster in hun sluitstand duwt 14. Wentelkruk met haak: wentelkruk waarbij de vleugel bij het sluiten automatisch wordt vergrendeld door de haak 15. Raamuitzetter: toestel dat de opening van sommige taats-, tuimel- en uitzetramen alsmede openvallende vensters begrenst en vastzet in hun uiterste stand 16. Slot met dagschieter en kruk(ken): slot met één of een paar krukken voor de bediening van de dagschieter, maar zonder nachtschieter, te bedienen met een sleutel, die dus het gebruik van de kruk(ken) overbodig kan maken. 17. Handgeep: handbedieningtoestel voor verticale en horizontale schuiframen. Bij de horizontale schuiframen kan het handvat ingewerkt en opklapbaar of wegschuifbaar zijn. 18. Grendel (zichtbaar of verborgen): platte of ronde metalen staaf waarmee een vleugel kan worden afgesloten door middel van een schuifbeweging STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 20

19. Kruk: bedieningstoestel voor een spanjolet met excentrische draaiing 20. Krukspanjolet: binnenspanjolet met excentrische bedieningskruk 21. Horizontale taatspot met remtrommel: draaiorgaan van tuimelramen (horizontale as) voorzien van een regelbaar wrijvingselement dat de stabiliteit van de vleugel verzekert in elke openingsstand 22. Binnensluiting: een in de profielen gemonteerd mechanisme dat wordt bediend met behulp van een kruk die de vergrendeling van de vleugel verzekert in de gesloten stand 23. Sluitkruk: bedieningstoestel voor binnensluiting. Binnensluiting met haar kruk 24. Taats: draaias waarrond een vleugel volledig kan draaien 25. "Balancier" slot: slot met een kruk (aan de ene zijde) die de dagschieter bedient, en een sleutelbediende nachtschieter. Deze sleutel kan echter tegelijkertijd ook de dagschieter bedienen. 2.2.5. Afspraak voor de openingsrichting van vensters en deuren De grafische voorstellingswijzen van de bedieningsrichting (volgens EN 12519) zijn de volgende (afbeelding 4): de beweging van de vleugel naar de gebruiker toe wordt aangeduid met een doorlopende lijn de beweging van de vleugel van de gebruiker weg wordt aangeduid met een stippellijn. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 21

OPMERKING: deze afspraken verschillen van deze die tot nu toe werden gebruik. 2 1 1 2 1 of 2 positie van de waarnemer Linkse vleugel Rechtse vleugel Afbeelding 4 - Overeengekomen openingsrichtingen STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 22

2.2.6. Openingswijze van het venster Men onderscheidt vaste en opengaande vensters. Deze tweede categorie omvat talrijke openingswijzen. De in België courant gebruikte openingstypes worden schematisch voorgesteld in de volgende afbeelding. VAST RAAM DRAAIKIP- RAAM NAAR BINNEN OPENDRAAIEND RAAM NAAR BUITEN OPENDRAAIEND RAAM VERTIKAAL SYMMETRISCH WENTELRAAM VERTIKAAL ASYMME-TRISCH WENTELRAAM GUILLOTINERAAM SCHUIFRAAM OPENVALLEND RAAM (KLAPRAAM) TUIMELRAAM AXIAAL TUIMELRAAM UITZET- ZAKRAAM Afbeelding 5 - Voorbeelden van openingswijzen STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 23

3. Algemene eisen 3.1. Fundamentele voorschriften betreffende buitenschrijnwerk 3.1.1. Mechanische sterkte en stabiliteit (ER1) Deze Essentiële Eis geldt enkel voor de dragende constructie van het gebouw. De mechanische sterkte van het buitenschrijnwerk wordt nagegaan in het kader van de gebruiksveiligheid (ER4). 3.1.2. Brandveiligheid (ER2) De eisen in verband met het brandreactie en de brandweerstand van buitenschrijnwerk moeten overeenstemmen met de wetten, verordeningen (federaal, gewestelijk, regionaal, gemeentelijk) en administratieve bepalingen die van toepassing zijn op het eindgebruik. Opmerking: sommige verordeningen bevatten andere eisen dan degene die betrekking hebben op de brandweerstand of het brandreactie. 3.1.3. Hygiëne, gezondheid en bescherming van het leefmilieu (ER3) De producten moeten van een zodanig aard zijn dat ze, wanneer ze in passende omstandigheden worden geïnstalleerd, beantwoorden aan de essentiële eisen ER3 van de CPD en aan de nationale voorschriften, vooral wat de uitstoot van giftige gassen, gevaarlijke deeltjes en stralingen in het gebouw of in de omgeving betreft (lucht, water, bodem). De bouwwerken dienen op een zodanige manier te worden opgevat en uitgevoerd dat ze geen risico's inhouden voor de hygiëne en de gezondheid van de bewoners en hun buren. Specifiek wat het buitenschrijnwerk betreft, dienen de volgende aspecten in aanmerking te worden genomen: de luchtdoorlatendheid de luchtkwaliteit (emissie van verontreinigende/gevaarlijke stoffen) het vochtgehalte het lawaai de schokken 3.1.4. Gebruiksveiligheid (ER4) Het buitenschrijnwerk dient stabiel te zijn onder de al dan niet gecombineerde belastingen die worden gegenereerd door het eigengewicht, de windbelasting, de temperatuur, de vochtigheid, de gebruiksbelastingen, de schokken en de bewegingen van de constructie. 3.1.4.1. Gevolgen van de belastingen, uitgeoefend door het eigengewicht, de gebruiksbelastingen, de wind en de temperatuur Rekening houdend met de aangewezen veiligheids- en combinatiecoëfficiënt(en) van de belastingen, dient het buitenschrijnwerk mechanisch bestand te zijn tegen de spanningen die worden veroorzaakt door de individuele of gecombineerde inwerking van het eigengewicht, de gebruiksbelasting, de wind, de temperatuur en de door de wind veroorzaakte trillingen. Het onderhavige document beperkt zich tot de ontwerptoestand, waarin de sneeuwbelastingen niet in aanmerking te nemen zijn. (zie hoofdstuk 5 en bijlage 3). 3.1.4.2. Gevolgen van de bewegingen van het gebouw STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 24

De bewegingen van het gebouw kunnen het gevolg zijn van onder andere: - de bedrijfslasten (wind, temperatuur, verkeer, enz.), - de differentiële vervorming tussen de constructieve elementen van het gebouw, - de ongelijke zetting van de funderingen, - de trillingen. Tijdens het ontwerp van de gevel moet rekening worden gehouden met elke beweging van het gebouw die het gevolg is van één van de bovenstaande verschijnselen. Het is absoluut noodzakelijk bewegingsvoegen te voorzien teneinde te verhinderen dat er belastingen, die worden veroorzaakt door de bewegingen van het gebouw, worden overgebracht op het schrijnwerk. 3.1.4.3. Gevolgen van de temperatuur Extreme temperaturen mogen de elementen van het buitenschrijnwerk niet onherstelbaar beschadigen of vervormen. Om praktische redenen worden oppervlaktetemperaturen van - 20 C en 80 C gewoonlijk beschouwd als uiterste temperatuurswaarden. 3.1.4.4. Veiligheid van personen Het buitenschrijnwerk dient de veiligheid van de personen te garanderen wanneer dit bloot staat aan incidentele schokken, veroorzaakt door een menselijk lichaam of wanneer er zich een voorval voordoet dat voortspruit uit de menselijke activiteit waarvan het risico redelijkerwijze voorzienbaar is. De volgende gevaren moeten worden voorkomen: snijwonden door grote scherven, uit het venster vallen of door het schrijnwerk vallen, verwondingen/kneuzingen door toevallig contact met voornamelijk doorzichtige glazen elementen. Voor de belastingen die worden veroorzaakt door bewegende mensenmassa's tijdens manifestaties van welke aard ook, volstaan de proeven in het hoofdstuk 4 niet. Dergelijke belastingen moeten worden onderworpen aan een speciaal onderzoek, gebaseerd op berekeningen overeenkomstig de Eurocodes en/of op proeven, overeen te komen tussen de partijen. 3.1.4.5. Effecten van het water Naast de gebruikelijke waterafvoer en ventilatie van de slaglijsten en sponningen moeten de gevels op een zodanige wijze worden opgevat dat metalen elementen beschermd zijn tegen corrosie. 3.1.5. Bescherming tegen lawaaihinder (ER5) Het buitenschrijnwerk dient op een zodanige wijze te worden opgevat en uitgevoerd dat het voortgeplante buitenlawaai wordt herleid tot een niveau dat geen gevaar inhoudt voor de gezondheid van de bewoners, zodat ze in bevredigende omstandigheden kunnen slapen, rusten en werken. De geluidsprestaties van het buitenschrijnwerk hangen voornamelijk af van de beglazing en de luchtdichtheid; in voorkomend geval zou het buitenschrijnwerk moeten worden afgestemd op de specifieke eisen van het project. In voorkomend geval dient de isolatie tegen onrechtstreeks luchtgeluid te worden vastgelegd voor de constructies waarin het schrijnwerk wordt ingebouwd. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 25

3.1.6. Energiebesparing en warmte-isolatie (ER6) Het buitenschrijnwerk dient op een zodanige wijze te worden opgevat en uitgevoerd dat: de warmtedoorgangscoëfficiënt ervan moet voldoen aan de gewestelijke voorschriften voor het voorziene gebruik. de vulpanelen o mogen geen oververhitting van of een te hoog energieverbruik door de airconditioninginstallatie veroorzaken; o mogen geen visuele overlast of een te hoog energieverbruik door de verlichtingsinstallatie veroorzaken. Het concept van het buitenschrijnwerk moet rekening houden met zowel de oppervlakte- (verhouding tussen de doorschijnende en de ondoorschijnende oppervlakken) als de spectrofotometrische parameters. 3.1.7. Duurzaamheid Alle gebruikte materialen moeten zodanige eigenschappen bezitten of op een zodanige wijze behandeld zijn dat er geen opvallende schade mag worden vastgesteld tijdens de verwachte levensduur in normale plaatsings- en gebruiksomstandigheden. De inwerking van water, koude, hitte, zonnestralen en alle andere aspecten die een invloed hebben op de globale duurzaamheid, worden behandeld in het hoofdstuk 3 "Fundamentele voorschriften". De duurzaamheid hangt tevens af van de kwaliteit van het onderhoud (zie hoofdstuk 9). 3.2. Overige verplichtingen De bescherming van eigendommen tegen inbraak, gewapende overvallen en ontploffingen kunnen worden vermeld in het bijzondere bestek. Ze worden getoetst aan het hoofdstuk 4 van deze specificaties. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 26

4. Prestaties 4.1. Prestaties van de elementen 4.1.1. Prestaties in verband met de weerstandsprofielen De profielen dienen al hun prestaties te behouden wanneer ze worden blootgesteld aan klimatologische, zwaartekracht- en opgelegde belastingen. 4.1.1.1. Houten profielen Zie STS 52 addendum 1 (wordt momenteel herzien) 4.1.1.2. Metalen profielen met of zonder isolator Zie STS 52 addendum 2 (wordt momenteel herzien) 4.1.1.3. PVC-profielen Zie STS 52 addendum 3 (wordt momenteel herzien) 4.1.1.4. Hybride profielen Dit zijn hybride weerstandsprofielen, samengesteld uit meerdere met elkaar verbonden materialen. De duurzaamheid en de geschiktheid van deze speciale profielen worden onderworpen aan een technische evaluatie. 4.1.1.5. Overige profielen De duurzaamheid en de geschiktheid van deze speciale profielen worden onderworpen aan een technische evaluatie. 4.1.2. Prestaties in verband met het hang- en sluitwerk De geschiktheid van het hang- en sluitwerk dient in functie van het type vleugel te worden getoetst aan de volgende normen: STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 27

Tabel 1 - Normen betreffende het hang- en sluitwerk [] 9 - pren 13126-1 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescription et méthodes d essai Partie 1 Prescriptions communes à tous types de ferrures [] 10 - pren 13126-2 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescription et méthodes d essai Partie 2 Poignées à ergot de verrouillage [] 11 - pren 13126-3 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescription et méthodes d essai Partie 3 Organes de manœuvre pour crémones/verrous [] 12 - pren 13126-4 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescription et méthodes d essai Partie 4 Crémones verrous de fenêtre [] 13 - pren 13126-5 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 5 Dispositifs limitateurs d ouverture [] 14 - pren 13126-6 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 6 Compas à friction à géométrie variable [] 15 - pren 13126-7 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 7 Verrous de ferme-imposte [] 16 - pren 13126-8 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 8 Mécanismes d oscillo-battant et de battant-oscillant [] 17 - pren 13126-9 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 9 Pivots [] 18 - pren 13126-10 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 10 Compas à projection [] 19 - pren 13126-11 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 11 Ferrures pour ouvrants à l Italienne réversibles à axe horizontal supérieur [] 20 - pren 13126-12 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 12 Ferrures pour ouvrants à projection de l axe latéral réversibles [] 21 - pren 13126-13 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres Prescriptions et méthodes d essai Partie 13 Contrepoids pour mécanismes à guillotine [] 22 - pren 13126-14 - Quincaillerie pour le bâtiment Ferrures de fenêtres et portes-fenêtres- Prescriptions et méthodes d essai Partie 14 Verrouillages à came [] 23 - NBN EN 1935:2002 - Hang- en sluitwerk - Klepscharnieren met enkelvoudige as - Eisen en beproevingsmethoden [] 24 - NBN EN 1670:1998 - Hang- en sluitwerk - Bestandheid tegen corrosie - Eisen en beproevingsmethoden (+) 1: Hang- en sluitwerk Het bestek beschrijft de beproevingsvoorwaarden van pren 13126, NBN EN 1935, NBN EN 1670: Wanneer pren 13126 van toepassing is: het type venster (van 1 tot 21) en het voor de beproeving gebruikte alternatief (van a tot f in functie van het type venster) vergelijken met bijlage B van pren 13126-1. de gewichtsklasse en het gewicht tussen haakjes (b.v.: 3(60)) in vergelijking met tabel 1 van pren 13126. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 28

het aantal cycli tijdens de beproevingen en de overeenkomstige graad tussen haakjes (b.v.: 25.000 (graad 2) in vergelijking met 5.7 van pren 13126-1. Wanneer NBN EN 1935:2002 van toepassing is de gebruiksklasse in vergelijking met 4.2 van NBN EN 1935 het aantal cycli tijdens de beproevingen en de overeenkomstige graad tussen haakjes (b.v.: 25.000 (graad 4) in vergelijking met 4.3 van NBN EN 1935 de gewichtsklasse en het gewicht tussen haakjes (b.v. 3(60)) in vergelijking met tabel 1 van NBN EN 1935 Wanneer NBN EN 1670:1998 van toepassing is de sterktegraad Wat de mechanische proeven betreft, blijft de controle van de prestaties van het hang- en sluitwerk in de gebruiksomstandigheden, d.w.z. op het afgewerkte venster, onverminderd gelden, ongeacht of het gelijkvormig is met de bovenstaande referentienormen. 4.1.3. Prestaties van de beglazing (+) 2: De beglazing Het bijzonder bestek beschrijft alle prestaties die van de beglazing worden verwacht. De verschillende prestaties van de beglazing worden afgewogen tegen de voorschriften van STS 38 (NBN S23-002). [] 25 - NBN S23-002:2004 (STS 38): Beglazing 4.1.4. Prestaties van de afdichtingprofielen Deze profielen doen dienst als middendichting, aanslagdichting en beglazingsdichting (NBN S23-002 4.8). Deze profielen moeten duurzaam zijn. Het afdichtingprofiel moet chemisch verenigbaar zijn met zijn omgeving, met name met de afdichtingkit van de isolerende beglazing. Gezien de diversiteit van de materialen die ermee in contact kunnen komen en de wisselwerkingen die voortspruiten uit de fysisch-chemische eigenschappen, beperken de huidige specificaties zich tot het vestigen van de aandacht op mogelijke problemen. Profielen die volledig of gedeeltelijk uit capillair materiaal zijn vervaardigd, mogen niet aan vocht blootgesteld worden en mogen enkel dienst doen als lucht- of stofdichting STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 29

Profielen voor de plaatsing van de beglazing: Voor deze profielen gelden de voorschriften van NBN S23-002 (STS 38) 4.8. Profielen tussen kader en vleugel: De contactdruk van het profiel op de aanslag bedraagt maximaal 100 N/m profiel en is van een zodanige aard dat de lucht- en/of waterdichtheid wordt verkregen zonder permanente vervorming van het profiel (druksbereik 4.3 NBN EN 12365-1). Het gebruikstemperatuurbereik is begrepen tussen -20 C en 80 C voor de buitenprofielen (graad 3 volgens NBN EN 12365-1 4.5) en tussen - 20 en 55 C (graad 2 volgens NBN EN 12365-1 4.5) voor de andere. De elastische herstelling van het profiel moet in nieuwe toestand en na thermische veroudering ten minste 60 % bedragen (graad 6 volgens NBN EN 12365-1 4.6 en 4.7) [] 26 - NBN EN 12365-1:2003 - Hang- en sluitwerk - Afdichtingen en afdichtingsprofielen voor ramen, deuren, luiken en vliesgevels - Deel 1: Prestatie-eisen en classificatie. [] 27 - NBN EN 12365-2:2003 - Hang- en sluitwerk - Afdichtingen en afdichtingsprofielen voor ramen, deuren, luiken en vliesgevels - Deel 2: Lineaire drukkrachtbeproevingsmethoden. [] 28 - NBN EN 12365-3:2003 - Hang- en sluitwerk - Afdichtingen en afdichtingsprofielen voor ramen, deuren, luiken en vliesgevels - Deel 3: Beproevingsmethode voor de terugvering. [] 29 - NBN EN 12365-4:2003 - Hang- en sluitwerk - Afdichtingen en afdichtingsprofielen voor ramen, deuren, luiken en vliesgevels - Deel 4: Terugvering na versnelde verouderingsbeproevingsmethode. De afdichtingsprofielen zijn: hetzij gemakkelijk vervangbaar en conform met NBN EN 12365; hetzij gedekt door een technische goedkeuring ATG 4.1.5. Prestaties van de kit De afdichtingkit wordt gebruikt voor het plaatsen van de beglazing (zie NBN S23-002 4.8.1) en voor het dichtstoppen van de voegen tussen de ruwbouw en het schrijnwerk of de voegen in de constructie (uitzettings-, zettings- en/of bewegingsvoegen). De kit moet worden gekozen overeenkomstig STS 56.1 [] 30 - STS 56.1: 1998 Afdichtingkit voor gevels 4.1.6. Prestaties van de toebehoren Voor het buitenschrijnwerk worden doorgaans de volgende toebehoren gebruikt: voegbodem, steunblokje. Deze lijst is niet uitputtend. De geschiktheid van deze toebehoren en bijhorende producten is van groot belang: - voegbodem: de voegbodem moet chemisch verenigbaar zijn met zijn omgeving. Wanneer deze voegbodem van schuim is, moet dit laatste van het type met gesloten cellen zijn; - beglazingsblokje: het steunblokje moet voldoende hard zijn om de beglazing te ondersteunen zonder dat ze schade oploopt (DIDC-hardheid: 70-95); het moet bovendien duurzaam en chemisch verenigbaar met zijn omgeving zijn; STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 30

- Slabbe: dit zijn soepele strips van EPDM; butyl (of gelijkwaardig), bedoeld om de lucht- en waterdichtheid te verzekeren tussen het schrijnwerk of de vliesgevels en de ruwbouw. De slabbe wordt gewoonlijk achter een geventileerde ruimte geplaatst, waar ze het 2e afdichtingscherm vormt (het 1 e scherm is in principe een met kit gevulde voeg of afdichtingstrip). Vermits de slabbe de dampdiffusie afremt en ze zich aan de warme zijde bevindt, dient aan de buitenkant ervan een thermische isolatie te worden voorzien. Als de slabbe niet tot de brandreactie klasse "A1" (*) behoort, moet ze op elk vloer worden onderbroken, zodat het vuur zich ingeval van brand niet via deze slabbe kan door het gebouw verspreiden. Opmerking (*): NBN EN 13501-1 heeft het statuut van een geregistreerde Belgische norm. Officieel zijn er evenwel nog geen gelijkwaardigheidverbanden vastgelegd tussen de brandreactie klassen van het Koninklijk Besluit van 19.12.1997 en die van NBN EN 13501-1. In afwachting daarvan kunnen de "A1"-reacties volgens het Koninklijk Besluit van 19.12.1997 of A1 volgens NBN EN 13501-1 in aanmerking worden genomen. Opmerking in verband met het probleem van de chemische verenigbaarheid van de materialen Gezien de diversiteit van de materialen die ermee in contact kunnen komen en de wisselwerkingen die kunnen voortspruiten uit de fysieke eigenschappen, beperken de huidige specificaties zich tot het vestigen van de aandacht op mogelijke problemen. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 31

4.2. Prestaties van het buitenschrijnwerk 4.2.0. Voorbeschouwing Voor het vaststellen van de prestaties moet gebruik worden gemaakt van producten die overeenstemmen met de onderstaande productbeschrijvingen. Merk op dat de systemen voor het afvoeren van het condensatiewater en de verluchtingsroosters doorgaans een negatieve invloed hebben op de prestatieniveaus van het venster aangezien zij binnen-en buiten klimaat met elkaar verbinden. Voor de aanwending verluchtingsroosters wordt verwezen naar [] 31 - NBN D 50-001:1991 - Ventilatievoorzieningen in woongebouwen 4.2.1. Vensters: evaluatiebasis en productbeschrijving De algemene prestaties van de vensters worden geëvalueerd op basis van de productnorm pren 14351-1. Wat de reeks beproevingen aangaande lucht, water, wind, verkeerd gebruik en bedieningskrachten betreft, schrijven deze STS de volgorde van de beproevingen van de bijlage 2 voor, dit in overeenstemming met tabel E2 van bijlage E van pren 14351-1. De beschrijving van het product "venster" wordt gekenmerkt door en bevat de volgende gegevens: een geheel van weerstandsprofielen die onderling verenigbaar zijn, hun verbindings en afdichtingstechnieken (T-dwarsprofiel en hoeken) het of de vulpane(e)l(en) een lucht- en waterafdichtingstechniek met meerdere aanslagen en/of midden en/of andere technieken met: o de afdichtingsprofielen (materiaal en afmetingen), o ontwaterings- en ventilatietechniek van de sponningen, aanslagen, stijlen, dwarsregels, verbindingsprofielen (doorsnede en hartafstand van de ontwaterings- en ventilatieopeningen), o aanvullende afdichtingsystemen, zoals kitvoegen (lucht- en waterafdichting van de glaslatten), o afdichting van de hoeken van de afdichtingsprofielen, o elk ander afdichtings- of afsluitingssysteem (waterlijst, slabbe, enz.) hang- en sluitwerk van een welbepaald merk en serie de plaatsingstechniek van de vulpanelen o het opspannen van de vulpanelen en de bijhorende toebehoren (steunblokje) o het afdichten van de vulpanelen met kit of voorgevormde strips (materiaal en afmetingen) alle andere toebehoren: ventilatieroosters, enz. 4.2.1.1. Luchtdoorlatendheid, waterdichtheid en sterkte tegen de wind 4.2.1.1.1. Luchtdoorlatendheid De luchtdoorlatendheidsklasse van de vensters wordt bepaald op basis van de normen STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 32

[] 32 - NBN EN 1026:2000 - Ramen en deuren - Luchtdoorlatendheid - Beproevingsmethode. [] 33 - NBN EN 12207:2000 - Ramen en deuren - Luchtdoorlatendheid - Classificatie. Op het verzoek van de verkoper kunnen de metingen van de luchtdoorlatendheid van de samengestelde vensters afzonderlijk gebeuren op de vaste en de opengaande delen. Luchtdoorlatendheid Debiet [m³/hm²] Debiet [m³/hm] 100.0 80.0 20.0 40.0 20.0 8.0 Klasse 1 Klasse 2 10.0 5.0 2.5 2.0 4.0 Klasse 3 1.0 2.0 1.6 1.2 0.8 Klasse 4 0.5 0.4 0.1 10 50 100 150 200 600 Druk [Pa] Afbeelding 6 Luchtdoorlatendheidsklassen bij overdruk en onderdruk 4.2.1.1.2. Weerstand tegen windbelasting De weerstandsklasse tegen windbelasting van de vensters wordt bepaald op basis van de normen STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 33

[] 34 - NBN EN 12211:2000 - Ramen en deuren - Weerstand tegen windbelasting - Beproevingsmethode. [] 35 - NBN EN 12210:2000 - Ramen en deuren - Weerstand tegen windbelasting - Classificatie. Tabel 2 Weerstandsklasse tegen windbelasting Klasse 0 1 2 3 4 5 Exxx xxx = max. P1-waarde Vervormingsproef P1 Geen proef 400 800 1200 1600 2000 max. P1-waarde Herhaalde druk- en onderdrukproef P2 (50 pulsaties) Geen proef 200 400 600 800 1000 Veiligheidsproef P3 Geen proef 600 1200 1800 2400 3000 Tabel 3 Classificatie van de normale relatieve doorbuiging Klasse A B C Normale relatieve doorbuiging < 1/150 < 1/200 < 1/300 De frontale relatieve doorbuiging wordt buiten de invloedszones van de verbindingen (in de praktijk mogen de meetklokken tot op 100 mm van de buitenste randen van de vensters worden opgesteld) gemeten op de meest ongunstige plaats van de elementen van de constructie (eventueel met tussenstijlen versterkte stijlen en dwarsregels). De proefstukken zijn uitgerust met de vulpanelen die in het gebouw zijn voorzien (isolerende beglazing, ondoorschijnende vulpanelen, enz.) Als de vensters en vensterdeuren met verschillende soorten vulpanelen worden gecombineerd, moeten de proeven uitgevoerd worden met de minst stijve elementen. Opmerking Vermits de inherente stijfheid van sommige types meervoudige isolerende beglazing een belangrijke weerslag kan hebben op de stijfheid van het volledige venster, dient bij afwezigheid van een berekeningsnota de in het gebouw geplaatste beglazing (zowel voor de nieuwe beglazing als bij de vervanging van oude ruiten) ten minste dezelfde stijfheid te vertonen als de beglazing die tijdens de proeven werd gebruikt. 4.2.1.1.3. Waterdichtheid De waterdichtheidsklasse van de vensters wordt bepaald op basis van de normen [] 36 - NBN EN 1027:2000 - Ramen en deuren - Waterdichtheid - Beproevingsmethode. [] 37 - NBN EN 12208:2000 - Ramen en deuren - Waterdichtheid - Classificatie. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 34

Tabel 4 - Klasse van de waterdichtheidsproeven Proefdruk P max in Pa (*) Classificatie Proefmethode A Proefmethode B Specificaties - 0 0 Geen voorschrift 0 1A 1B 5 min lang met water besproeien 50 2A 2B Idem klasse1 + 5 min 100 3A 3B Idem klasse1 + 5 min 150 4A 4B Idem klasse1 + 5 min 200 5A 5B Idem klasse1 + 5 min 250 6A 6B Idem klasse1 + 5 min 300 7A 7B Idem klasse1 + 5 min 450 8A - Idem klasse1 + 5 min 600 9A - Idem klasse1 + 5 min > 600 E xxx - Boven de 600 Pa per trap van 150 Pa moet elke trap 5 min aangehouden worden (*) : Na 15 min nuldruk en 5 minuten bij de opeenvolgende trappen 4.2.1.1.4. Specificatie van de lucht-, water- en windklasse in functie van de ontwerpvoorwaarden (+) 3 : Vensters : prestaties bij blootstelling aan lucht, water en wind Behalve indien anders bepaald in het bijzonder bestek, worden de vereiste prestatieniveaus voor lucht, water en wind bepaald met behulp van tabel 5, die rekening houdt met meerdere invloeds- en gebruiksfactoren (plaatsingshoogte van het venster vanaf het maaiveld in functie van de ligging van het gebouw). Wanneer eenvormigheid of een gelijkvormig uitzicht gewenst is, moet het bijzonder bestek het prestatieniveau dat overeenstemt met de bovenste delen van het gebouw voorschrijven voor het hele gebouw. Toegestane vervormingcriteria onder druk P1.: Meting van de vervorming onder druk P1 Wat de weerstand tegen windbelasting betreft, schrijft tabel 5 hierna klasse C voor, d.w.z. een toegelaten vervorming van 1/300 onder druk P1. Berekening van de vervorming onder druk P1 Het vervormingcriterium 1/225 is niettemin toegestaan als het wordt gerechtvaardigd door een berekeningsnota onder druk P1. De weerstandsklasse tegen windbelasting (tabel 2), die overeenstemt met druk P1 waarvoor de berekende vervorming niet groter is dan 1/225, is geldig in zoverre de herhaalde druk- en onderdrukproeven P2 en de veiligheidsproeven P3 werden uitgevoerd onder drukken die overeenstemmen met die klasse. De berekeningslengte waarop het criterium 1/225 van toepassing voor de berekeningsdruk P1 is, is dezelfde als die waarbij de vervorming werd gemeten (gemeten lengte tussen de meetklokken). STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 35

Tabel 5 Vensters Lucht, water, wind Keuze van de klassen Vereiste klassen Ruwheid v.h. terrein Stad IV Bosrijk geb. III Platteland II Kust (i) I 0-10 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid 3) NBN EN 12207 3 1) 3 1) 3 1) 3 Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 4A 2) 4A 2) 6A 2) 8A Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 C2 C2 C3 C3 10-18 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid 3) NBN EN 12207 3 1) 3 1) 3 1) 3 1) Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 4A 2) 6A 2) 8A 2) 9A Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 C2 C3 C3 C3 18-25 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid 3) NBN EN 12207 3 1) 3 3 3 Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 6A 2) 8A 9A 9A Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 C2 C3 C3 C3 25-50 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid 3) NBN EN 12207 3 3 3 4 Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 6A 2) 8A 9A 9A Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 C3 C3 C4 C4 50-100 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid 3) NBN EN 12207 3 4 4 4 Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 8A Exxx 5) Exxx 5) Exxx 5) Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 C3 C4 C4 C5 > 100 meter vanaf het maaiveld Luchtdoorlatendheid NBN EN 12207 5) Waterdichtheid 4) NBN EN 12208 Exxx 5) Weerstand tegen windbelasting NBN EN 12210 Exxx 5) Belangrijke opmerkingen: 1. Als een lagere thermische en/of geluidsisolatie is toegestaan, mag het bijzonder bestek het luchtdoorlatendheidsniveau klasse 2 voorschrijven. 2. Voor onbeschermde venters (ii) mag het bijzonder bestek een proefdruk van 100 Pa meer dan degene die in de tabel hierboven voorschreven is.. 3. In lokalen met klimaat regeling is steeds het luchtdoorlatendheidsniveau klasse 4 vereist. Dit voorschrift spruit voort uit de aanbeveling om zoveel mogelijk vaste vensters te voorzien in gebouwen met klimaat regeling. 4. Voor vensters en vensterdeuren die beschermd zijn (iii) of zich bevinden in een dichtbebouwd stedelijk gebied (iiii) mag het bijzonder bestek het overeenkomstige waterdichtheidsniveau klasse B voorschrijven. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 36

5. Het bijzonder bestek geeft de maximale druk van de proef op. (i) Kuststreek: zone die reikt tot 2000 m van de dijk of, bij gebrek aan een dijk, van de lijn van het springtij. (ii) Onbeschermd venster: het venster bevindt zich in hetzelfde vlak als de gevel zonder bescherming tegen afvloeiend water of met aan de bovenzijde een waterlijst < 5 cm. (iii) Beschermd venster: het schrijnwerk wordt beschermd door een oversteek zoals L H/4 (afbeelding 7). Opmerking: het schrijnwerk ter hoogte van uitspringende hoeken dient naargelang de architectuur eveneens te worden beschermd. (iiii) Stedelijk gebied met smalle straten (< 2,50 m). H L Afbeelding 7 - Beschermd venster 6. De gelijkwaardigheid van de doorbuigingsklassen (A, B, C tabel 3) en de drukken (tabel 2) is in bijlage 6 vermeld. 4.2.1.2. Bedieningskrachten en verkeerd gebruik De klassen van de bedieningskrachten en van de windverband- en statische torsiebelastingen zijn opgesteld op basis van de volgende normen: [] 38 - NBN EN 14608:2004 - Ramen - Bepaling van de weerstand tegen een verticale belasting (windverband) [] 39 - NBN EN 14609:2004 - Ramen - Bepaling van de weerstand tegen statische torsie [] 40 - NBN EN 12046-1:2003 - Bedieningskrachten - Beproevingsmethode - Deel 1: Ramen [] 41 - NBN EN 13115:2000 - Ramen - Classificatie van mechanische eigenschappen - Verticale belasting, torsie en bedieningskrachten. Omdat de in de Europese normen gehanteerde klassen aanzienlijk verschillen van de klassen die doorgaans in België worden gebruikt, kan in het bijzonder bestek voor alle normale toepassingen de klasse A "STS 52" worden gekozen, waarvan hierna een overzicht volgt van de parameters. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 37

(+) 4: Vensters : bedieningskrachten Het bijzonder bestek vermeldt de bedieningskracht in functie van de onderstaande aanbevelingen: Tabel 6 Keuze van de bedieningskracht en het bedieningskoppel - NBN EN 13115 Maximale belasting Klasse 0 Klasse 1 Klasse 2 Klasse 3 Klasse 4 Sluitkracht of kracht om de beweging in te zetten, maximale waarde (N) - 1) 75 50 25 10 Met de hand bediend hang- en sluitwerk - Maximaal koppel (Nm) - 10 5 2,5 1 - Maximale kracht (N) - 100 50 25 10 Met vinger bediend hang- en sluitwerk - Maximaal koppel (Nm) - 5 2,5 1,5 1 - Maximale kracht (N) - 20 10 6 4 Toepassingen - Alle normale toepassingen waarbij de bediening van het venster de gebruiker niet voor speciale problemen stelt 1) Niet voorgeschreven. Alle toepassingen die niet onder klasse 1 vallen, bijvoorbeeld een gebruiker met een lichamelijke handicap, naargelang de situatie Aanvullende klasse STS 52.0 voor de bedieningskrachten: klasse A Het lasttenboek mag de volgende klasse A voorschrijven. Het zou beperkt worden bij speciale toepassingen zoals vleugels voor onderhoud; beperkte toegang: - Maximale vergrendelings- en ontgrendelingskracht: 150 N - Maximale aanzetkracht voor de vleugel: 150 N - Maximale kracht voor het openen/sluiten van de vleugel: 150 N Opmerking: deze klasse ressorteert niet onder de Europese normen en moet als klasse 0 in dit kader beschouwd worden. Verkeerd gebruik (+) 5: Vensters : verkeerd gebruik Het bijzonder bestek vermeldt de bedieningskracht in functie van de onderstaande specificaties: Tabel 7 Keuze van de verkeerd gebruikklassen volgens NBN EN 13115 Klasse Gebruik Windverband Statische torsie NBN EN 13115 (neusbelasting) 0-1 beperkt gebruik, zeer sporadische bediening 200 N 200 N 2 matig gebruik, enkel toegankelijk voor het 400 N 250 N onderhoud door deskundig personeel 3 normaal gebruik, eengezinswoningen, kantoren 600 N 300 N 4 intensief gebruik, scholen, openbare plaatsen 800 N 350 N STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 38

4.2.1.3. Energiebesparing en thermische eigenschappen 4.2.1.3.1. Thermische isolatie (+) 6: Vensters : thermische isolatie Het bijzonder bestek vermeldt de warmtedoorgangscoëfficiënt van het schrijnwerk in functie van de voorschriften van de regionale verordeningen. Het kan betere prestaties voorschrijven. Opmerking: Wanneer de voorschriften opgenomen zijn in de officiële nationale, gewestelijke of andere reglementen, zijn ze bindend (= wet). De voorschrijver maakt zijn bestek op basis van de ontwerpvoorwaarden en de voorschriften. De thermische eigenschappen van de vensters kunnen vastgelegd worden door berekening of door proeven op basis van de volgende normen: [] 42 - NBN EN ISO 10077-1:2000 - Thermische eigenschappen van ramen, deuren en luiken - Berekening van de warmtegeleiding - Deel 1: Vereenvoudigde methode (ISO 10077-1:2000) [] 43 - NBN EN ISO 10077-2:2003 - Thermische eigenschappen van ramen, deuren en luiken - Berekening van de warmtegeleiding - Deel 2: Numerieke methode voor kozijnen (ISO 10077-2:2003) [] 44 - NBN EN ISO 12567-1:2000 - Thermische eigenschappen van ramen en deuren. Bepaling van de warmtekastmethode - Deel 1: Volledige ramen en deuren [] 45 - pren ISO 12567-2 : Thermische eigenschappen van ramen en deuren. Bepaling van de warmtekastmethode Dakramen en andere uitspringende ramen. [] 46 - NBN EN 12412-2:2003 - Ramen, deuren en luiken - Bepaling van de warmteoverdrachtscoëfficiënt met de warmtekastmethode - Deel 2: Kozijnen [] 47 - NBN EN 12412-4:2003 - Thermische eigenschappen van ramen, deuren en luiken - Bepaling van de warmtedoorgangscoëfficiënt met de warmtekastmethode (hot box) - Deel 4: Behuizing van rolluiken Raadpleeg NBN B62-002 voor meer informatie over het bepalen van de thermische eigenschappen die gebaseerd zijn op de Europese normen. [] 48 - NBN B 62-002:1987 - Berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënten van wanden van gebouwen (gedeeltelijk vervangen door NBN EN ISO 6946:1996) [] 49 - NBN B 62-002/A2:2003 - Berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënten van wanden van gebouwen (ontwerp) [] 50 - NBN B 2001-002/A2:2003 - Berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënten van wanden van gebouwen (+ erratum) [] 51 - NBN EN ISO 6946:1996 - Componenten en elementen van gebouwen - Warmteweerstand en warmtegeleidingscoëfficiënt - Berekeningsmethode (ISO 6946:1996) [] 52 - NBN EN ISO 6946/A1:2003 - Componenten en elementen van gebouwen - Warmteweerstand en warmtegeleidingscoëfficiënt - Berekeningsmethode (ISO 6946:1996/amd. 1:2003) 4.2.1.3.2. Zonnetoetredingsfactor en lichtdoorlaatbaarheid 4.2.1.3.2.1. Prestaties (+) 7: Vensters : risico op onbehaaglijkheid tijdens hittegolven en visuele belemmering STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 39

Het bijzonder bestek vermeldt of er een studie wordt gewijd moet aan het thermische en visuele comfort om de optimale zonnetoetredingsfactor en lichtdoorlaatbaarheidsfactor te optimiseren alsook de verantwoordelijke van de studie. De zonnetoetredingsfactor en de lichtdoorlaatbaarheid worden berekend op basis van de volgende normen: [] 53 - NBN EN 13363-1:2003 - Zonwerende voorzieningen gecombineerd met beglazing - Berekening van zon- en lichtdoorlatendheid - Deel 1: Vereenvoudigde methode [] 54 - pren ISO 13363-2 : Zonwerende voorzieningen gecombineerd met beglazing - Berekening van zon- en lichtdoorlatendheid - Deel 2: Referentiemethode - NBN S23-002:2004 Beglazing 4.6.1 [] 55 - NBN EN 410:1998 - Glas voor gebouwen - Bepaling van de licht- en zontoetredingeigenschappen van glas Opmerking: pren 13363-2 heeft momenteel de vorm van een werkdocument. Hij is gebaseerd op de norm: [] 56 - ISO 15099:2003 - Performance thermique des fenêtres, portes et stores - Calculs détaillés. die de voorschrijver als referentie kan gebruiken. 4.2.1.3.2.2. Aanbeveling Het gebruik van grote doorzichtige of doorschijnende oppervlakken zonder speciale voorzorgsmaatregelen kan tijdens hete zomerdagen leiden tot onbehaaglijkheid ten gevolge van de opwarming van het gebouw of tot verblinding. Om een te hoog energieverbruik door de klimaat regeling of onbehaaglijkheid bij de gebruikers te vermijden wanneer de som van deze oppervlakken groter is dan 15% van de vloeroppervlakte, is het aan te bevelen een globale balans op te stellen van het visuele en thermische comfort, rekening houdend met de volgende elementen: het buitenklimaat en het gewenste binnenklimaat, de thermische inertie van het gebouw, de spectrofotometrische eigenschappen van de doorzichtige oppervlakken, de aanwezigheid of afwezigheid van zonwering, de omgeving, de schaduwvorming van het gebouw, de interne energiewinst (verlichting, computerapparatuur, keukentoestellen, bezettingsdichtheid, enz.) de oriëntatie en de hellingshoek van de oppervlakte van het omhulsel, de ventilatie in het gebouw. 4.2.1.3.3. Risico op condensatie 4.2.1.3.3.1. Prestaties (+) 8: Vensters : risico op condensatie: Het bijzonder bestek vermeldt in voorkomend geval of er een studie moet worden gewijd aan de condensatie, wie deze studie voor zijn rekening neemt, welke methode daarvoor moet worden toegepast en op welke gegevens men zich dient te baseren (hetzij de methode I van 4.2.1.3.3.2, hetzij de methode II van 4.2.1.3.3.3). 4.2.1.3.3.2. Methode I De ontwerper schrijft de thermische eigenschappen voor van alle elementen die deel uitmaken van een gebouw (profielen, beglazing, borstweringspanelen, enz.), zodat het hygrothermische gedrag van deze kan worden gesimuleerd. Voor deze simulatie wordt gebruikgemaakt van de geschikte software (met twee- of driedimensionale eindige elementen - NBN EN 13788 bijlage D). Hieruit moet blijken dat de oppervlaktetemperatuur op eender welk punt hoger is dan die van het dauwpunt STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 40

dat overeenstemt met het binnenklimaat (temperatuur en R.V.) dat door de ontwerper werd bepaald, en dit voor buitenklimaatomstandigheden die eveneens zijn opgegeven voor het project. De in de wiskundige modellen in aanmerking te nemen thermische oppervlakteweerstandscoëfficiënten zijn R si = 0,13 m 2 K/W en R se = 0,04 m 2 K/W 4.2.1.3.3.3. Methode II De ontwerper schrijft de minimumtemperatuurfactor voor van de componenten in functie van het binnen- en buitenklimaat zoals hierna wordt bepaald. Temperatuurfactor Opmerking: er wordt momenteel speciaal voor het buitenschrijnwerk een EN-norm opgesteld. De temperatuurfactor wordt als volgt berekend: θsi θe f R si = θi θe waarbij f rsi = temperatuurfactor, θsi = oppervlaktebinnentemperatuur θe =temperatuur van de buitenlucht θi =temperatuur van de binnenlucht Binnenklimaatklasses Bij afwezigheid van precieze informatie over het binnenklimaat kan aan de hand van tabel 8 en de diagrammen van afbeelding 8 hieronder dit klimaat worden gesitueerd in functie van de bestemming van het gebouw. 100 Binnenklimaatklassen - jaargemiddelden: φ[%] - Θi[ C] 90 80 Klasse 5 φ [%] 70 60 50 Klasse 4 Klasse 3 pi=1100 Pa pi=1165 Pa pi=1370 Pa pi=1500 Pa pi=1700 Pa 40 Klasse 2 30 Klasse 1 20 9 101112131415161718192021222324252627282930 Θi [ C] STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 41

100 Binnenklimaatklassen - gemiddelden december en januari : φ [%] - Θi [ C] 90 80 klasse 5 φ [%] 70 60 50 Klasse 4 Klasse 3 pi=955 Pa pi=1020 Pa pi=1225 Pa pi=1355 Pa pi=1700 Pa 40 Klasse 2 30 Klasse 1 20 9 101112131415161718192021222324252627282930 Θi [ C] Afbeelding 8 : Binnenklimaatklassen (jaargemiddelden en gemiddelden voor december en januari). Tabel 8 Richtwaarden voor het binnenklimaat Binnenklimaatklassen 1- Gebouw met weinig tot geen vochtproductie 2 Goed verlucht gebouw met beperkte vochtproductie per m³ 3 Gebouw met matige vochtproductie per m³ en matige tot toereikende ventilatie (RV = 60%) 4 Gebouw met grote vochtproductie (RV > 60%) 5 Gebouw met zeer grote vochtproductie Voorbeelden Magazijn (droge goederen) Kerk, tentoonstellingsruimte, garage, werkplaats Grote woonhuizen, scholen, winkels Kantoren zonder klimaat regeling Sportzalen, polyvalente zalen Kleine woningen, flats Ziekenhuizen, opvangcentra Verbruikzalen, restaurants Feestzalen, theaters Licht geklimatiseerd gebouw Sterk geklimatiseerd gebouw Vochtige industriële gebouwen: drukkerij Zeer vochtige industriële gebouwen: papierfabriek Zwembad Gemiddelde jaarlijkse dampspanning p i [Pa] Gemiddelde dampspanning voor de manden december en januari p i [Pa] Dampspanningsverschil voor 4 weken p i - p e [Pa] 1100 = p i < 1165 955 p i < 1020 < 159-10. Θ e 1165 p i < 1370 1020 p i < 1225 < 436-22. Θ e 1370 p i < 1500 1225 p i < 1355 < 713-22. Θ e 1500 p i < 1700 1355 p i < 1700 < 1028-22. Θ e p i 1700 p i 1700 1028-22. Θ e De dampspanningen in het gebouw die de klimaatklassen beperken, zijn constant; zie tabel 8 hier boven. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 42

Wanneer het om bestaande gebouwen gaat, kan ook door het meten gedurende een korte periode (4 weken) van het gemiddelde dampdrukverschil tussen de binnenlucht en de buitenlucht de klimaatklasse van een gebouw worden bepaald (zie afbeelding 9). Binnenklimaatklassen pi-pe [Pa] 1400 1300 1200 1100 1000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 Klasse 5 Klasse 4 Klasse 3 Klasse 2 Klasse 1-10 -5 0 5 10 15 20 25 30 35 Θe [ C] lim klasse 1-2 lim klasse 2-3 lim klasse 3-4 lim klasse 4-5 Afbeelding 9 : Binnenklimaatklassen in functie van de buitentemperatuur en van het dampspanningsverschil tussen het binnen- en het buitenklimaat. Merk op dat deze tabel is gebaseerd op het Belgische klimaat en niet overeenstemt met de tabel in de (informatieve) bijlage A van de NBN EN ISO 13778. Buitenklimaat Op de kaart van België hierna kan de in aanmerking te nemen buitentemperatuur worden afgeleid. STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 43

- 2 C -4 C - 3 C -4 C - 8 C -5 C -6 C -5 C Afbeelding 10: Buitentemperatuur gebaseerd op de gemiddelden laagste dagtemperatuur voor de maanden december en januari: Θ e Aanbevelingen voor de keuze van de minimumtemperatuurfactor f Rsi Aan de hand van de onderstaande tabel kan men zich voor de keuze van deze factor richten naar de binnenklimaatklasse en naar de buitentemperatuur in de klimaatzones op de kaart van België in afbeelding 10. Voor elke binnenklimaatklasse werd het gemiddelde binnenklimaat als referentie genomen. Tabel 9 Minimumtemperatuurfactoren f Rsi Buiten Binnen - op basis van december en januari Zones Klasse 1 Klasse 2 Klasse 3 Klasse 4 Klasse 5 pi gemid geb. = 987 Pa pi gemid geb. = 1122 Pa pi gemid geb. = 1290 Pa pi gemid geb. = 1527 Pa pi gemid geb. = 2185 Pa Θe C Θi C φ % Θsi C Θi C φ % Θsi C Θi C φ % Θsi C Θi C φ % Θsi C Θi C φ % Θsi C 18 48 7 19 51 8,6 20 55 11 22 58 13,7 26 65 19-2 0,45 0,50 0,59 0,65 0,75-3 0,48 0,53 0,61 0,67 0,76-4 0,50 0,55 0,63 0,68 0,77-5 0,52 0,57 0,64 0,69 0,77-6 0,54 0,58 0,65 0,70 0,78-7 0,56 0,60 0,67 0,71 0,79-8 0,58 0,61 0,68 0,72 0,79 waarbij - Θ i = Gemiddelde temperatuur van de referentiebinnenlucht voor de klimaatklasse [ C] - Θ e = Maandgemiddelde van de minimale dagtemperaturen van de buitenlucht [ C] - Θ si = Minimale binnenoppervlaktetemperatuur of dauwpunt [ C] - φ = Gemiddelde relatieve vochtigheid van de binnenlucht als referentie voor de klimaatklasse [%] - pi gemid geb. = Gemiddelde dampdruk in het gebouw gedurende de manden van december en januari STS 52.0 - Buitenschrijnwerk Algemene voorschriften 44