Instantie Hof van Beroep te Gent Onderwerp Vennootschappen.Volstorting maatschappelijk kapitaal BVBA. Faillissement. Vordering curator. Overdracht aandelen. Fout. Aansprakelijkheid Datum 23 februari 2009 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen dat de inhoud van dit document onderworpen kan zijn aan rechten van intellectuele eigendom, die toebehoren aan bepaalde betrokkenen, en dat er u geen recht wordt verleend op die desbetreffende rechten. M&D Seminars wil u met dit document de nodige informatie verstrekken, zonder dat de in dit document vervatte informatie bedoeld kan worden als een advies. Bijgevolg geeft M&D Seminars geen garanties dat de informatie die dit document bevat, foutloos is, zodat u dit document en de inhoud ervan op eigen risico gebruikt. M&D Seminars, noch enige van haar directieleden, aandeelhouders of bedienden zijn aansprakelijk voor bijzondere, indirecte, bijkomstige, afgeleide of bestraffende schade, noch voor enig ander nadeel van welke aard ook betreffende het gebruik van dit document en van haar inhoud. M&D Seminars - 2009 M&D CONSULT BVBA Eikelstraat 38-9840 DE PINTE Tel. 09/224.31.46 - Fax 09/225.32.17 info@mdseminars.be - www.mdseminars.be
Hof van beroep te Gent 7e Kamer Terechtzitting van 23 02 2009 Nr. 2007/AR/2783 in de zaak van : P.C., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. Stefaan Beele, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 26a, tegen Mr. D. B., advocaat met kantoor te, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de B.V.B.A. ACMAN, met maatschappelijke zetel te 9070 Destelbergen (Heusden), Nederbroekstraat 19A, met ondernemingsnummer 0467.001.748 en in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 10 juni 2005, geïntimeerde q.q., in persoon verschijnende, en mede in zake : 1. K. J., wonende te aangezegde partij, hebbende als raadsman mr. Eva Hauttekeete, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 731, 2. P.B., wonende te aangezegde partij, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 23 juni 2008, noch iemand voor hem.
velt het Hof volgend arrest : 1. Gegevens van de zaak in beroep: 1.1. P.C. stelde op 19 november 2007 hoger beroep in tegen het vonnis van 4 september 2007 van de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent. Het hoger beroep is gericht tegen de curator van het faillissement ACMAN BVBA en werd aangezegd aan K.J. en P.B.. Bij conclusie van 28 februari 2008 stelde K.J. incidenteel hoger beroep in. De aanwezige partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 23 juni 2008 en de stukken werden ingezien. 1.2. Het voorwerp van het geschil ligt besloten in de oorspronkelijke vordering van de curator tot volstorting van het maatschappelijk kapitaal van de ACMAN BVBA die failliet werd verklaard bij vonnis van 10 juni 2005. Bij de oprichting op 4 oktober 1999 was van de 18.600 EUR (750.000 BEF) slechts 1/3 volstort (250.000 BEF). De curator richtte zich tot P.C., als oprichter van de vennootschap, en tot P.B. en zijn toenmalige echtgenote K.J., als overnemers van de aandelen. P.C. stelde een vordering tegen P.B. en K.J. tot terugbetaling van hetgeen waartoe hij zou worden veroordeeld. Hij stelde ook een tegenvordering tegen de curator voor tergend en roekeloos geding. 1.3. Het bestreden vonnis: verklaarde de vordering van de curator ontvankelijk, maar ongegrond tegenover P.B.; verklaarde de vordering van de curator ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond tegenover P.C. en K.J. en veroordeelde hen tot betaling van 12.402,66 EUR, meer de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 21 06 2005; verklaarde de eis van P.C. tegenover P.B. ontvankelijk doch ongegrond, verklaarde de eis van P.C. tegenover K.J. ontvankelijk en gegrond, en veroordeelde haar tot terugbetaling in hoofdsom, intresten en kosten van huidig vonnis van alle sommen die hij in uitvoering van dit vonnis aan de curator zal vereffend hebben; verklaarde de tegeneis van P.C. tegenover de curator ontvankelijk doch ongegrond; en veroordeelde P.C. en K.J. elk tot de helft der kosten aan de zijde van de curator, met uitzondering van de kosten van betekening van de dagvaarding aan P.B.
1.4. De partijen voeren nog volgende betwistingen: 1.4.1. P.C. stelt dat hij als oprichter van ACMAN BVBA zijn volledige participatie op 2 november 1999 verkocht aan K.J., maar dat de inschrijving in het aandelensregister geen datum draagt. Deze overdracht is volgens hem tegenwerpelijk aan de vennootschap en aan derden. Hij meent dat de inschrijvingsdatum met alle middelen van recht kan worden bewezen, en hij stelt dat ACMAN BVBA en haar zaakvoerster K.J. verantwoordelijk zijn voor de gebrekkige inschrijving. Hij houdt vol dat hij bevrijd is van zijn volstortingsverplichting en dat de vordering van de curator verjaard is. De curator vordert de afwijzing van zijn hoger beroep als ongegrond en de veroordeling van P.C. tot de kosten van het geding. 1.4.2. K.J. houdt voor dat zij vreemd is aan de aandelenoverdracht die haar niet tegenstelbaar is. Volgens haar is haar toenmalige echtgenoot P.B. de werkelijke overnemer en zaakvoerder, en werd voor de oprichting van ACMAN BVBA een beroep gedaan op P.C. wegens twee eerdere faillissementen van P.B.. Ook zij vordert de ongegrondverklaring van het hoger beroep dat P.C. instelde. Bij incidenteel beroep vordert zij haar ex echtgenoot P.B. te veroordelen tot het volstorten van het kapitaal. Ondergeschikt moeten volgens haar P.C. en P.B. elk minstens 1/3 van de som betalen wegens hun kwade trouw, en kan zij slechts gehouden zijn tot volstorting van 1/3, als zijnde te goeder trouw en absoluut onwetend van wat er werkelijk gebeurde. In meest onderschikte orde vraagt ze te mogen afbetalen aan 50 EUR per maand, wegens lasten door andere schulden die voortvloeien uit het faillissement. 1.4.3. P.C. stelt dat het incidenteel hoger beroep dat K.J. op 28 februari 2008 heeft ingesteld, ontoelaatbaar is aangezien het laattijdig werd ingesteld gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 29 oktober 2007. De vordering tot afkorting acht hij daarenboven ook ongegrond. 1.4.4. Bij conclusie neergelegd op 02 juni 2008 vordert P.B. zijn buiten zaak stelling en de betaling van een vergoeding van 400 EUR.
2. Beoordeling 2.1. Ontvankelijkheid. Het bestreden vonnis van 4 september 2007 werd op verzoek van de curator betekend aan K.J. en aan P.C.. K.J. legt de betekeningsakte voor (ongenummerd stuk): het vonnis werd haar betekend op 29 oktober 2007. De akte van betekening aan P.C. ligt niet voor. 2.1.1. Het verzoekschrift tot hoger beroep van P.C. werd ter griffie van het hof neergelegd op 19 november 2007. Dit hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het voldoet ook aan de bepalingen van artikel 1053 van het gerechtelijk wetboek. Het is ontvankelijk. 2.1.2. K.J. stelde niet tijdig hoger beroep in. Zij is evenmin geïntimeerde partij in de zin van artikel 1054 van het gerechtelijk wetboek. De beroepsakte werd haar alleen aangezegd omdat zij procespartij was in eerste aanleg; het hoger beroep van P.C. houdt geen enkele vordering tegenover haar in. K.J. heeft bijgevolg ook geen proceshoedanigheid om een incidenteel hoger beroep in te stellen. Haar vordering in deze aanleg is niet ontvankelijk. Het eerste vonnis is tegenover haar definitief. 2.1.3. Het eerste vonnis waarbij P.B. buiten zake werd gesteld, werd hem niet betekend. Maar ook hem werd de beroepsakte alleen aangezegd omdat hij procespartij was in eerste aanleg; P.C. stelt voor het hof geen enkele vordering tegen hem. P.B. is dan ook geen geïntimeerde partij. Hij heeft evenmin zelf hoger beroep ingesteld. Bij conclusie neergelegd voor het hof op 2 juni 2008 vordert hij weliswaar een vergoeding van 400 EUR, maar aangezien hij geen partij is in het hoger beroep en deze vordering niet is gericht tegen een aangeduide procespartij is deze vordering niet ontvankelijk. 2.2. Ten onrechte houdt P.C. vol dat de vordering van de curator verjaard zou zijn door een verloop van meer dan 5 jaar sedert de bekendmaking van zijn aandelenoverdracht. ACMAN BVBA werd opgericht op 4 oktober 1999 (stuk 1 in zijn bundel). P.C. was de oprichter en K.J. kwam daarbij tussen en werd benoemd als zaakvoerster. Zij verklaarde haar opdracht te aanvaarden. Van het kapitaal werd 6.197,34 EUR (250.000 BEF) volstort. P.C. verkocht zijn aandelen aan K.J. bij overeenkomst die de datum draagt van 2 november 1999 (stuk 2 in het bundel van P.C.). De overdracht van deze aandelen werd evenwel zonder datum ingeschreven in het aandelenregister (stuk 7 appellant en stuk 4 geïntimeerde). De overdrachten en de overgangen gebeuren ten aanzien van de vennootschap en van derden eerst vanaf de datum van inschrijving in het register van aandelen (artikel 250 van de vennootschappenwet van 7 mei 1999). Hier ontbreekt de datum van inschrijving. Deze staat dus niet vast. De eerste rechter oordeelde terecht dat de datum van de verkoopsovereenkomst op
zichzelf niet tegenstelbaar is aan de vennootschap, maar enkel de vermeldingen in het aandeelhoudersregister, en dat de vertrekdatum van de verjaring niet vaststaat (rubriek 3 van het bestreden vonnis). Even terecht stelde hij vast dat er geen betwisting bestaat dat de overdracht op het ogenblik van het faillissement was ingeschreven in het aandeel houdersregister en aanvaardde hij vanaf dat ogenblik de tegenstel baarheid aan de vennootschap en aan derden. Waar P.C. stelt dat K.J. de verantwoordelijkheid draagt of moet dragen voor de gebrekkige inschrijving, stelt het hof vast dat P.C. evenzeer deze verantwoordelijkheid draagt, daar hij de overdracht in het aandelenregister mee ondertekende zonder datumopgave. 2.3. De eerste rechter grondt de volstortingsplicht van P.C. per analogie met de regeling van de naamloze vennootschappen op artikel 507 van de vennootschappenwet. Het Hof vernietigt deze motivering. 2.3.1. In tegenstelling tot de regelgeving op de naamloze vennootschappen waar bij toepassing van artikel 507 van de vennootschappenwet van 7 mei 1999 de inschrijvers zonder meer verplicht blijven tot de volstorting van de aandelen tot beloop van de onbetaald gebleven schulden van vóór de openbaarmaking van de overdracht zijn de inschrijvers op aandelen van een BVBA alleen tot de volstorting van de onderschreven aandelen gehouden, indien de overdracht van de aandelen onder bezwarende begeleidende omstandigheden plaats vindt. De regelgeving op de naamloze vennootschap kan niet bij analogie toegepast worden op de B.V.B.A. De vennootschappenwet van 7 mei 1999 werkte voor de B.V.B.A, zowel als voor de naamloze vennootschap, een eigen regelgeving uit voor de overdracht van aandelen. Zij voorziet nergens dat bepalingen uit de regelgeving op de naamloze vennootschap van overeenkomstige toepassing zouden zijn op de B.V.B.A. Zo voorziet de regelgeving op de B.V.B.A.'s niet in wettelijke beperkingen op de vrije overdraagbaarheid van aandelen in tegenstelling met de regelgeving op de naamloze vennootschappen (zie de artikelen 249 tot 252 voor de overdracht van aandelen in de B.V.B.A. en de artikelen 506 tot 509 voor de overdracht van aandelen in de naamloze vennootschap). En ook artikel 250 van de vennootschappenwet, dat bepaalt dat de overdrachten en de overgangen van aandelen ten aanzien van de B.V.B.A. en van derden geldt vanaf de datum van inschrijving in het aandelenregister zoals die voorzien is in artikel 235, is niet gelijklopend met de regelgeving op de naamloze vennootschap (zie de artikel 506). 2.3.2. Waar in de statuten geen bijzondere goedkeuringsvoorwaarden zijn opgenomen voor de overdracht van nog niet volstorte aandelen, moet worden aangenomen dat de aandeelhouders/oprichters de nieuwe eigenaars van de aandelen anticipatief hebben aanvaard als schuldenaars voor de nog te volstorten bedragen (zie Cass. 21 januari 1892, Pas. 1892, 92 en Cass. 31 januari 1889, Pas. 1889, 101 met conclusie Proc. Gen. Mesdagh de ter Kiele, J.T. 1889, 183).
De terugwerking tot op de datum van de statuten die voorzien in een schuld van de aandeelhouders tegenover de vennootschap' impliceert dan ook dat de overdragers niet meer tot de volstorting gehouden zijn van zodra de overdracht aan de vennootschap kan worden tegengeworpen door de inschrijving ervan in het aandelenregister. De regelgeving op de vennootschappen en hier meer in het bijzonder de artikelen 249 e.v. en 506 e.v. die de overdrachten en overgangen ten aanzien van de BVBA/NV en van derden regelen primeert de toepassing van de artikelen 1271 en volgende van het burgerlijk wetboek. 2.3.3. Alleen bezwarende maatregelen die de overdracht van aandelen zouden begeleid hebben, kunnen de curator toelaten om (bijvoorbeeld bij toepassing van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek) een verhaal uit te oefenen tegenover de gewezen aandeelhouders, die hun niet volstorte aandelen overlieten. 2.4. Als bijzonder omstandigheid roept de curator het bedrieglijk karakter in van de oprichting van de vennootschap en van de niet gedateerde inschrijving van de overdracht van de aandelen. 2.4.1. Volgende relevante feiten worden daarbij niet weerlegd: P.B. en K.J. hadden een eerder faillissement achter de rug als zaakvoerder van de DRUBLO BVBA. P.C. is fotograaf en richtte met K.J. als zaakvoerster ACMAN BVBA op voor het verlenen van diensten als handelsagent en tussenpersoon in handel', eenzelfde activiteit als die van DRUBLO BVBA. P.C. verkocht (naar eigen zeggen reeds een maand later) zijn aandelen aan K.J. (terwijl er ook een ontwerp was om ze te verkopen aan P.B. (zie stuk 2 in de bundel van K.J.). K.J. erkent in haar conclusies dat zij onvermogend en niet solvabel was en is. De verkoop werd zonder datum ingeschreven in het vennootschaps register. P.B. was als werknemer sedert 17 augustus 1999 ingeschreven in ACMAN BVBA (de stukken E en F in zijn bundel); ACMAN BVBA voldeed diverse schuldeisers niet en ging failliet; 2.4.2. Deze feiten leiden tot de vaststelling dat P.C. bedrieglijk, minstens onregelmatig en foutief handelde tegenover de schuldeisers, door voor deze oprichting en de verkoop van de aandelen samen te spannen met P.B. en K.J. die insolvabel waren. De schuldeisers werden misleid in hun rechtmatig vertrouwen dat ze mochten hebben betreffende de solvabiliteit van de vennootschap en haar oprichter en aandeelhouder(s). Met de overdracht probeerde P.C. zijn verbintenissen tegenover ACMAN BVBA te ontlopen. Zijn handelen maakt een fout uit in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, waarvoor hij
de boedel moet vergoeden. Zijn foutief optreden benadeelde de schuldeisers in de mate dat hij geen gevolg gaf aan de aanmaning van de curator die strekte tot de volstorting van het kapitaal. Het hof bevestigt derhalve de volstortingsplicht in hoofde van P.C., maar op andere gronden dan de eerste rechter. 2.5. K.J. en P.B. stelden voor het hof geen ontvankelijke vorderingen. Vermits de appellant grotendeels faalt in zijn hoger beroep, draagt hij de gerechtskosten van deze aanleg, die zich beperken tot zijn eigen kosten. BESLUITEN Het Hof verklaart op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken het hoger beroep van P.C. ontvankelijk maar ongegrond. Het verklaart de vorderingen in graad van beroep van K.J. en P.B. niet ontvankelijk; Het veroordeelt P.C. in de kosten van deze aanleg die het aan de zijde van de curator op nul euro begroot. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Henri Debucquoy, eerste voorzitter, voorzitter, Geert De la Ruelle, raadsheer Guy Danneels, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de voorzitter in openbare terechtzitting op drieëntwintig februari tweeduizend en negen.