Gods verbond met Abraham
Inhoud GESCHIEDENIS VAN ABRAHAM...3 GODS VERBOND MET ABRAHAM...4 Een belofte over zijn nageslacht...4 Een landsbelofte...4 Een belofte over alle volken der aarde...4 Een overwinningsbelofte...4 Herbevestiging van de beloften...4 ABRAHAM'S AANDEEL IN HET VERBOND...5 TEKEN VAN HET VERBOND...5 HET VERBOND MET ABRAHAM IN HET NIEUWE TESTAMENT...6 De eeuwige werking van de belofte aan Abraham...6 De ware besnijdenis...6 Abraham bij de geloofsgetuigen...6 EN VERDER......7 BIJLAGEN: GODS BELOFTEN AAN ABRAHAM GENEALOGIE VAN ABRAHAM GEOGRAFIE VAN ABRAHAM Gebruikte bijbelvertaling: NBG51 2
Geschiedenis van Abraham Episode Tekstgedeelte Gods beloften De roeping van Abram Ge 12:1-9 Ge 12:1-3 Abram in Egypte Ge 12:10-20 Abram en Lot scheiden van elkander Ge 13:1-18 Ge 13:14-17 Abrams overwinning op de koningen van het Oosten Ge 14:1-17 Abrams ontmoeting met Melchisedek Ge 14:18-24 Belofte en teken Ge 15:1-21 Ge 15:5-6 Ge 15:18 Hagars vlucht voor Sara Ge 16:1-16 Gods verbond met Abram Ge 17:1-27 Ge 17:1-8 God belooft Abraham opnieuw een zoon Ge 18:1-15 Abrahams voorbede voor Sodom Ge 18:16-33 Ge 18: 17-18 De verwoesting van Sodom Ge 19:1-29 Lot en zijn dochters Ge 19:30-38 Abraham en Abimelek van Gerar 20:1-18 Geboorte van Izak Ge 21:1-7 Abraham verdrijft Hagar en Ismaël Ge 21-8-21 Abraham en Abimelek Ge 21:22-34 Abrahams geloof op de proef gesteld Ge 22:1-19 Ge 22:15-18 De zonen van Milka Ge 22:20-24 Sara's dood en begrafenis Ge 23:1-20 Isaaks huwelijk met Rebekka Ge 24:1-67 Abrahams dood Ge 25:1-11 3
Gods verbond met Abraham Een belofte over zijn nageslacht: Ik zal u tot een groot volk maken Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde. Gij zult de vader van een menigte volken worden. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Ik zal u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee. Een landsbelofte: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven. Een belofte over alle volken der aarde: Met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. Met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden. Met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden. Een overwinningsbelofte: Uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen (Ge 22:17) Herbevestiging van de beloften tekst Gods beloften aan Izak Ge 26:1-6 Ge 26:2-5 aan Jakob Ge 28:1-5 Ge 28:10-15 Ge 28:3-4 Ge 28:13-14 Ge 35: 9-15 Ge 35:11,12 4
Abraham's aandeel in het verbond "Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk;" (Ge 17:1) "Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond." (Ge 17:9-13) "En de HERE dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft. (Ge 18:17-19) Teken van het verbond "(...) al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u." (Ge 17:11) 5
Het verbond met Abraham in het Nieuwe Testament De eeuwige werking van de belofte aan Abraham Ro 4:13 Ro 4:16 Ga 3:7-8 Ga 3:9 Ga 3:14 Ga 3:29 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs. Daarom is het [alles] uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham. Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen. De ware besnijdenis Ro 2:29 Flp 3:3 Col 2:11 maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de [ware] besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen. In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden... Abraham bij de geloofsgetuigen Hebreeën 11: 8-19 6
En verder... De aartsvaders waren afkomstig uit Paddan-Aram, dus Arameeers. Van Israelieten of Joden was nog geen sprake. Let op de verklaring die de Israelieten moesten afleggen bij de eerstelingen van het beloofde land: Daarna zult gij voor het aangezicht van de HERE, uw God, betuigen: Een zwervende Arameeer was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk. (De 26:5) De aartsvaders trouwden allen met vrouwen uit Paddan-Aram. Ismael was het kind van een Egyptische slavin en kreeg, behalve een aardse zegen, geen vervolg in het heilsplan van God. De kinderen van Jakob bij de Arameese slavinnen behoorden wel tot dat plan (vier van de twaalf stammen). God noemt Abraham zijn vriend : Maar gij, Israel, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, (Jes 41:8) Ook degenen in het huis vanabraham die met geld waren gekocht, moesten besneden worden (Ge 17:13, Ge 17:23, Ge 17:27). Zo behoren ook wij tot het verbond: Want gij zijt gekocht en betaald. " (1Co 6:20) Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, (Efe 2:19) Nergens in de geschiedenis van Abraham dreigt God met een vloek als hij het verbond niet houdt, wel met een vloek voor wie hem vervloeken: Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. (Ge 12:3) 7
Bijlagen
Gods verbond met Abraham tekstgedeelte nageslacht landsbelofte alle volken der aarde De roeping van Abram Ge 12:1 9 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. (Ge 12:2) De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; (Ge 12:1) Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. (Ge 12:3) Abram en Lot scheiden van elkander Ge 13:14 18 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn.. (Ge 13:16) Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HERE, die hem verschenen was. (Ge 12:7) En de HERE zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. (Ge 13:14 15) Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven (Ge 13:17) 1
tekstgedeelte nageslacht landsbelofte alle volken der aarde Belofte en teken Ge 15:1 21 Gods verbond met Abram Ge 17:1 27 Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. (Ge 15:5 6) Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken. Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn (Ge 17:1 7) Te dien dage sloot de HERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat (Ge 15:18) Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. (Ge 17:8) 2
tekstgedeelte nageslacht landsbelofte alle volken der aarde Abrahams voorbede voor Sodom Ge 18:16 20 En de HERE dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden (Ge 18:17 18a) en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden; (Ge 18:18b) Abrahams geloof op de proef gesteld Ge 22:1 19 Toen riep de Engel des HEREN ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des HEREN: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. (Ge 22:15 17) En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. (Ge 22:18) 3
tekstgedeelte nageslacht & landsbelofte alle volken der aarde Ge 26:1 6 Ge 28:1 5 Herbevestiging aan Izak Toen verscheen hem de HERE en zeide: Trek niet naar Egypte, woon in het land, dat Ik u zeggen zal, vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham gezworen heb. En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven (Ge 26:2 4a) Herbevestiging aan Jakob Ge 28:10 15 Ge 35:9 12 Toen riep Isaak Jakob en zegende hem... (Ge 28:1a) En God, de Almachtige, zegene u, Hij make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, zodat gij tot een menigte van volken wordt. Hij geve u de zegen van Abraham, u en uw nageslacht met u, zodat gij het land uwer vreemdelingschap, dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt. (Ge 28:3 4) En zie, de HERE stond bovenaan en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden,. (Ge 28:13 14a) En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven. (Ge 35:11 12) en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten. (Ge 26:4b 5) en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden (Ge 28:14b) 4