Oorsprong: Nederland Gehouden als: Jacht en gezelschapshond Grootte: Ong. 35-40 cm Gewicht: Ong. 10 kg Kleur: Wit met orangje platen, de oorpunten zijn zwart Vachtsoort: Halflange vacht die licht golvend is Gem. Leeftijd: 12-13 Jaar Korte geschiedenis van het ras: De geschiedenis van het kooikerhondje als werkhondje in de eendenkooi, dateert al van enkele eeuwen geleden. Door de achteruitgang van het aantal eendenkooien aan het begin van de twintigste eeuw dreigde het type kooikerhondje te verdwijnen. Het is de verdienste van mevrouw M.C.S. Baronesse van Hardenbroek van Ammerstol dat zij in de jaren veertig van de vorige eeuw de aanzet heeft gegeven om het type kooikerhondje te behouden en tot ontwikkeling te brengen tot een definitief ras. Met behulp van een marskramer die zij een lokje haar en een afbeelding van een kooikerhondje meegaf, slaagde zij erin enkele bruikbare exemplaren op het platteland op te sporen. Zo kwam zij aan het teefje 'Tommie', uit Friesland, welke algemeen beschouwd wordt als de stammoeder van het huidige kooikerhondje. Het eerste nest dat door de Baronesse werd gefokt onder de naam 'Van Walhalla' dateert van 1942. Nico, een kleinkind van Tommie's kleindochter Carlienke van Walhalla, was het eerste kooikerhondje dat ingeschreven werd in het Voorlopig Register. 1 / 6
Karakter: De Kooikerhondje is een vrolijke maar niet luidruchtig, zeer op zijn vertrouwde omgeving gesteld. Dit ras is goedaardig, attent en vriendelijk. Het Kooikerhondje is erg gevoelig voor harde woorden. De Kooikerhondje is zeker geen allemans vriend en naar vreemde terughouden. Maar als het Kooikerhondje eenmaal iemand heeft geaccepteerd, dan wordt dat een vriendschap voor het leven. Dit ras kan vluchten of grauwen bij onzekerhied, maar dat is afhankelijk van het karakter. In huis is hij rustig en bescheiden, dan weer speels en bruisend van levenslust. Het Kooikerhondje is goed waaks, maar slaat alleen aan als daar reden voor is. Het Kooikerhondje gaat doorgaans goed om met andere honden. met een goede socialisatie zal de omgang met andere huisdieren ook geen probleem geven. Dit ras laat niet alles toe van kinderen, dus voor speelkameraadje voor jonge of drukke kinderen wordt dit ras in de regel dan ook minder geschikt geacht. Rasstandaard: Gebruik Deze kleine spioen, die in de eendenkooien zo voortreffelijk werkte en soms nog werkt, met zijn harmonische bouw, fraaie kleur en schitterende beharing en bevedering is een echt jachthondje met een opgewekt karakter. Indeling F.C.I. Groep 8, sectie 2 Kort historisch overzicht 2 / 6
Dit Nederlandse ras is nu ook erkend. Op 18 juni 1966 keurde de Raad van Beheer de voorlopige officiële raspunten van het Kooikerhondje goed. Met vele andere heeft Baronesse van Hardenbroek weer een parel aan de Nederlandse rassen toegevoegd. Men fokt het ras thans in behoorlijke aantallen van zeer goede kwaliteit; de jaarlijkse Kooikerhondjes dag heeft een grote bijdrage geleverd aan de huidige positie van dit jachthondenras. Raspunten van het Kooikerhondje Algemeen voorkomen en verschijning Kwieke, bonte hond van vrijwel kwadratische lichaamsvorm, waarbij de lengte iets meer bedraagt dan de schofthoogte. Goed bevederde staartâ en opgeheven hoofd. Lengte van schedel en snuit ongeveer gelijk. Karakter Vrolijk maar niet luidruchtig, zeer op zijn omgeving gesteld, vriendelijk, goedaardig en attent Hoofd Schedel: voldoende breed, matig gewelfdâ Stop: duidelijk, maar niet te diep Neusspiegel: zwart 3 / 6
Snuit: niet te diep en profil Lippen: niet overhangend Jukbeenderen: goed gevuld Aftekening: bij voorkeur bles, gekleurde wangen Ogen: amandelvormig, donkerbruin, met vriendelijke, attente uitdrukking Oren: matig groot; aanzetting iets boven de lijn tussen neuspunt en ooghoek, zonder wit, tegen de wangen gedragen, oorharen zijn lang, zwarte haarpunten (oorbellen) zijn gewenst Gebit: normaal scharend, tanggebit is toegestaan Hals Recht en krachtig gespierd Romp Rug: sterk Borst: diep met voldoende gewelfde ribben 4 / 6
Staart: horizontaal tot vrolijk gedragen, niet gekruld. goed ontwikkelde bevedering met witte pluim. lengte van de staartwervels tot aan de hakken reikend Benen en voeten Voor: recht met niet te zware bevedering Achter: vrij lang behaarde broek, beneden de hak geen bevedering, sprong voldoende gehoekt Voeten: klein, goed gesloten en kort behaardâ Gangwerk Moet vlot en elastisch te zijn, niet steppend. Beharing Middelmatig lang, lichtgolvend tot sluik; niet krullend en goed aansluitend. Niet te fijne haren. Goed ontwikkeld onderhaar. Gemakkelijk te onderhouden. Kleur Duidelijke en heldere oranjeroodkleurige platen op witte ondergrond. De kleur moet overwegen. Zwart-bont en driekleur zijn niet toegestaan. 5 / 6
Grootte Schofthoogte van ca. 35 tot en met ca. 40 cm. N.B. Reuen moeten 2 duidelijk normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald. 6 / 6