MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE ARREST nr. MHHC/M/1516/0116 van 26 april 2016 in de zaak MHHC/1415/0085/M/0077 In zake: de nv AB-INVEST, met zetel te 3621 Lanaken, Daalbroekstraat 38 vertegenwoordigd door: de heer Mario NAGY in zijn hoedanigheid van zaakvoerder verzoekende partij tegen: het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw bijgestaan en vertegenwoordigd door: advocaat Michel VAN DIEVOET kantoor houdende te 1000 Brussel, Wolstraat 556 waar woonplaats wordt gekozen verwerende partij I. VOORWERP VAN DE VORDERING Het beroep, ingesteld met een aangetekende brief van 10 augustus 2015 en geregulariseerd met een aangetekende brief van 1 september 2015, strekt tot de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 30 juni 2015, gekend onder nummer 13/AMMC/506-M/CDM. De bestreden beslissing legt aan de verzoekende partij een alternatieve geldboete op van 5.046 euro (841 euro verhoogd met de opdeciemen) wegens de schending van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna Milieuvergunningsdecreet), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna VLAREM I), van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna VLAREM II), van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) en van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA). Aan de verzoekende partij wordt verweten dat zij afvalstoffen opslaat in containers zonder de vereiste milieuvergunning, dat er geen aan- en afvoerregister, geen werkplan en geen groenscherm aanwezig is, dat het grensoverschrijdend transport van afvalstoffen niet vergezeld is van de vereiste documenten en dat zij niet geregistreerd is bij OVAM als vervoerder van afvalstoffen. MHHC - 1
II. VERLOOP VAN DE RECHTSPLEGING De verwerende partij heeft een antwoordnota ingediend en heeft een afschrift van het administratief dossier neergelegd. De verzoekende partij heeft geen wederantwoordnota ingediend. De verwerende partij heeft geen laatste nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de zitting van 14 april 2016, waar de vordering tot vernietiging werd behandeld. Kamervoorzitter Marc VAN ASCH heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip VAN DIEVOET die loco advocaat Michel VAN DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. De verzoekende partij, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen. Het Decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet) en het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (Procedurebesluit) zijn toegepast. De debatten worden gesloten. III. FEITEN Op 14 november 2012 en 6 december 2012 voert mevrouw Kaat VANMEEREN samen met de heer Tom NUYTS, beiden toezichthouders bij de afdeling Milieu-inspectie van de Vlaamse Overheid, een controle uit bij de verzoekende partij. De verzoekende partij is een inrichting voor grond- en klinkerwerken en verhuurt sinds 2012 afvalcontainers op haar terrein die daar ook gesorteerd worden vooraleer ze naar een afvalverwerker in Nederland worden gevoerd. De toezichthouders van de afdeling Milieu-inspectie van de Vlaamse Overheid stellen vast dat achter het terrein van het woonhuis diverse lege en volle containers op onverharde bodem staan voor de opslag van hout, asbest, groenafval, ijzer, plastiek, metaal, enz. De container voor de opslag van asbestafval is een open container zonder een zak om vezelverspreiding tegen te gaan. Het perceel is volgens het gewestplan gelegen in woongebied, en de activiteiten worden uitgeoefend zonder de vereiste milieuvergunning. De toezichthouders van de afdeling Milieuinspectie van de Vlaamse Overheid stellen nog het volgende vast: Heden stel ik vast dat de activiteiten van de heer Nagy in strijd zijn met de vigerende milieuwetgeving; namelijk de opslag en sortering van afvalstoffen, al dan niet gevaarlijk afvalstoffen is een vergunningsplichtige activiteit en valt conform Bijlage I Indelingslijst van hinderlijke inrichtingen van Vlarem I onder rubriek 2.2.1 opslag en sortering van afvalstoffen. Deze rubriek is onderhevig aan diverse sectorale voorwaarden o.a.: aan- en afvoerregisters, werkplan, weegbrug, groenscherm, omheining, milieucoördinator waar de producent aan dient te voldoen. Tijdens beide inspecties werd vastgesteld dat er geen aan- en afvoerregister aanwezig zijn; geen milieucoördinator aangesteld werd, geen MHHC - 2
werkplan opgemaakt, geen groenscherm aanwezig en dat de containers gewogen worden op de geijkte weegbrug van het bedrijf Herwey gelegen op het Industrieterrein. De Europese Verordening nr 1013/2006 inzake de overbrenging van afvalstoffen deelt mede dat voor grensoverschrijdende afvaltransporten, het afvaltransport dient vergezeld te worden van een annex VII document (art. 3 van voormelde Verordening) of het kennisgevingsdocument (art. 4 van de Verordening) afhankelijk van de aard van de afvalstof. Bijgevolg dienen de afvaltransporten dewelke naar Weert BV gaan vergezeld te zijn van één van voormelde documenten. Tevens dient de heer Nagy als vervoerder van de afvaltransporten te beschikken over een registratie bij OVAM conform artikel 6.1.2 van het Materialendecreet of deze afvaltransporten te laten uitvoeren door een vervoerder dewelke reeds geregistreerd is bij OVAM. Deze vaststellingen worden opgenomen in het proces-verbaal nr. TG64.H1.0151-12, afgesloten op 10 december 2012 en verzonden op 14 december 2012. De verzoekende partij wordt op 14 december 2012 door de afdeling Milieu-inspectie op grond van artikel 16.3.27 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM) aangemaand om de volgende maatregelen te nemen: A) Tegen uiterlijk 15 januari 2013 - Een schriftelijke verklaring te bezorgen aan de afdeling Milieu-inspectie van de vastgestelde feiten; deze verklaring wordt tevens overgemaakt aan het Parket van de Procureur des Konings. - De nodige maatregelen te treffen inzake de opslag van afvalstoffen om bodemverontreiniging te voorkomen inzake de opslag van asbest. - U dient zich bij OVAM te registreren als vervoerder van afvalstoffen of via een erkende vervoerder uw afvaltransporten te laten geschieden. - De afvaltransporten te vergezellen van de wettelijk vereiste documenten conform vigerende wetgeving. B) Tegen uiterlijk 1 april 2013 - Een stand van zaken over te maken inzake de herlocalisatie alsmede een afschrift van de volledig en ontvankelijkheidsverklaring van het ingediende milieuvergunningsdossier. Op 5 februari 2013 meldt de procureur des Konings dat hij niet zal overgaan tot strafrechtelijke vervolging. Op 26 maart 2013 voerde de afdeling Milieu-inspectie een onderzoek ter plaatse uit voor de stand van zaken in het dossier na de aanmaning. De verzoekende partij deelde het volgende mee: De heer Nagy bekomt voorlopig geen registratie als vervoerder noch als inzamelaar, handelaar en afvalstoffenmakelaar bij OVAM daar hij niet beschikt over een milieuvergunning op die locatie Op het industrieterrein werd een perceel gekocht, de procedure bij de notaris is lopende doch de herlocalisatie laat op zijn minst nog een jaar wachten MHHC - 3
De afvaltransporten voert hij nog steeds illegaal uit onder zijn eigen naam zonder te beschikken over de wettelijk vereiste documenten die hij niet kan opmaken zonder de erkenning bij de OVAM; normaliter dient hij alle afvaltransporten te laten uitvoeren door erkenede vervoerders Het zeil voor in de afvalcontainer voor de opslag van asbest is aanwezig doch bij de eerstvolgende container zal dit zeil gebruikt worden teneinde bodemverontreiniging te voorkomen Met een brief van 2 juli 2013 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen en nodigt zij de verzoekende partij uit om schriftelijk haar verweer mee te delen. De verzoekende partij heeft geen schriftelijk verweer bezorgd aan de gewestelijke entiteit. Uit een email van 17 april 2015 van de afdeling Milieu-inspectie blijkt dat alle afvalcontainers zijn overgebracht naar een locatie op een industrieterrein. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken heeft op 19 februari 2015 een milieuvergunning verleend aan de verzoekende partij. De gewestelijke entiteit legt op 30 juni 2015 de vermelde bestuurlijke geldboete op. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekende brief van 22 juli 2015. De verwerende partij motiveert haar beslissing als volgt: 3. Beoordeling 3.2 De hoogte van de geldboete Overwegende dat bij de bepaling van de hoogte van de geldboete rekening wordt gehouden met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de omstandigheden waarin het milieumisdrijf is gepleegd of beëindigd. 3.2.1 De ernst van de feiten Overwegende dat bovenvermelde regelgeving ertoe strekt om de negatieve milieu- en veiligheidsinvloeden van menselijke bedrijvigheden en handelingen die milieubelastend (kunnen) zijn, of die gevaarrisico's in zich (kunnen) dragen, te voorkomen of te beperken. Overwegende dat milieuvergunningen tot doel hebben om het leefmilieu, de gezondheid en de veiligheid van de bevolking te beschermen; dat dit mede gebeurt door het al dan niet toekennen van een milieuvergunning aan hinderlijke inrichtingen en het opleggen van strikte voorwaarden waaraan bij- de exploitatie van deze inrichtingen moet voldaan worden; dat controle over ingedeelde activiteiten noodzakelijk is om alle milieurisico's en hinder voor de omgeving tot een minimum te beperken; dat door het niet beschikken over een milieuvergunning voor de exploitatie van deze ingedeelde activiteiten deze controle onmogelijk wordt, minstens ernstig bemoeilijkt. Overwegende dat de klasse waarin een activiteit wordt ingedeeld, wordt bepaald door de graad waarin deze activiteit geacht wordt belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu; MHHC - 4
dat de opslag en sortering van afvalstoffen in casu een klasse 1 activiteit betrof; dat dit duidt op de meest hinderlijke inrichtingen. Overwegende dat de naleving van de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne van cruciaal belang is om hinder aan het leefmilieu te voorkomen of minstens tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat een strikte naleving van deze bepalingen opgelegd wordt aan alle exploitanten van ingedeelde inrichtingen. Overwegende dat deze specifieke voorwaarden voor de opslag en verwerking van afvalstoffen tot doel hebben de gezondheid van de mens en het milieu te vrijwaren tegen de schadelijke invloed van afvalstoffen en de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Overwegende dat het werkplan een algemene beschrijving van de exploitatie is; dat dit werkplan onder meer een duidelijke beschrijving van materiaalstromen, specifieke exploitatiemethoden en --voorschriften en actuele inrichtingsplannen bevat; dat het werkplan dient goedgekeurd te worden door de toezichthoudende overheid; dat een goedgekeurd werkplan en de naleving ervan kadert in een degelijk materialenbeleid met de nodige aandacht en beperking van de risico's voor de omgeving. Overwegende dat een groenscherm de inrichting afschermt van de omgeving; dat dit niet enkel de visuele impact voor de omwonenden positief beïnvloedt, maar eveneens een gunstig effect heeft op de emissie van stof, geluid en geur naar de omgeving toe. Overwegende dat wie afval wil in- of uitvoeren of wil overbrengen gebonden is door een aantal regels, zoals opgenomen in het Materialendecreet en de EVOA, die als doelstelling hebben om bij vervoer van afvalstoffen het milieu te beschermen. Overwegende dat in het kader van de Europese afvalstoffenreglementering de traceerbaarheid van de afvalstoffen een cruciaal element is; dat dit betekent dat er duidelijkheid moet bestaan over: - de herkomst van de afvalstoffen (afvalproducent en productieproces); - de aard, samenstelling en hoeveelheid; - de verwerkingswijze (handeling tot nuttige toepassing of verwijdering) - de bestemming (afvalopslag, -overslag of -verwerking en identificatie van de hinderlijke inrichting); - de identificatie van de transporteur en wijze van transport. Overwegende dat voormelde informatie toelaat om eenduidig te bepalen over welke afvalstoffen het gaat, de mogelijke verwerkingswijzen, de verantwoordelijke actoren, etc; dat het ontbreken van deze informatie controle op afvalstromen onmogelijk maakt, minstens ernstig bemoeilijkt; Overwegende dat het afvalstoffenbeleid tot doel heeft de gezondheid van de mens en het milieu te vrijwaren tegen de schadelijke invloed van afvalstoffen en de verspilling van grondstoffen en energie tegen te gaan; dat bijgevolg de nuttige toepassing van afvalstoffen zoveel mogelijk dient bevorderd te worden en de verwijdering ervan georganiseerd dient te worden. Overwegende dat de organisatie met betrekking tot het verwerken en verwijderen van afvalstoffen er op gericht is om eenduidig te bepalen over welke afvalstoffen het gaat, de MHHC - 5
mogelijke verwerkingswijzen, de verantwoordelijke actoren, etc.; dat voor de controle ter zake de registratie als vervoerder door OVAM een noodzakelijke vereiste is en het afvalstoffenregister eveneens bijdraagt tot de traceerbaarheid en de organisatie van het verwerken en verwijderen van afvalstoffen. Overwegende dat de overtreder het misdrijf in professioneel verband heeft gepleegd. Overwegende dat de feiten derhalve voldoende ernstig zijn om te worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete. 3.2.2 De frequentie Overwegende dat het een eenmalige schending betreft; dat er minstens geen indicaties zijn in het proces-verbaal die erop-wijzen dat bij overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld; dat de factor frequentie derhalve geen aanleiding geeft tot een hogere geldboete. 3.2.3 De omstandigheden Overwegende dat overtreder na de vaststellingen maatregelen genomen heeft om zich quasi onmiddellijk in regel te stellen; dat op 26 maart 2013 vastgesteld werd dat er perceel op het 'industrieterrein aangekocht werd; dat de herlocalisatie naar dit terrein recentelijk gebeurde; dat overtreder een milieuvergunning klasse 2 bekwam voor zijn activiteiten op het nieuwe terrein, bij besluit van het college van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Lanaken dd. 19 februari 2015; dat overtreder intussen erkend werd als vervoerder bij OVAM (dd. 21 november 2014); dat overtreder zich bijgevolg met bekwame spoed in regel stelde; dat de door overtreder geleverde inspanningen om zich te regulariseren worden meegenomen als verzachtende omstandigheid, wat aanleiding geeft tot een lagere geldboete. Overwegende dat de overtreder per schrijven van 2 juli 2013 op de hoogte werd gebracht van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen; dat overeenkomstig artikel 16.4.37 DABM AMMC een boetebeslissing neemt binnen een termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving; dat deze 180-dagentermijn een termijn van orde is, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Overwegende dat deze beslissingstermijn inmiddels verstreken is; dat AMMC in casu van oordeel is dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen; dat het boetebedrag derhalve verlaagd wordt met één vijfde rekening houdend met de termijn die verstreken is sedert de start van de bestuurlijke boeteprocedure. OM DEZE REDENEN beslist de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen AB-Invest nv met maatschappelijke zetel te 3621 Lanaken, Dalbroekstraat 38 en KBO-nummer 0458370431, ten bedrage van 5.046 (vijfduizend zesenveertig) euro, zijnde 841 (achthonderdéénenveertig) euro vermeerderd met de opdeciemen die ten tijde van het plegen van de feiten van toepassing waren conform artikel 16.4.25 DABM. Dit is de bestreden beslissing. MHHC - 6
IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TOT VERNIETIGING Standpunt van de partijen 1. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het geregulariseerde verzoekschrift omdat de beslissing om in rechte te treden laattijdig is. Uit artikel 16.4.9 DABM in samenlezing met artikel 16, 2 Procedurebesluit moet het daartoe bevoegde orgaan van een rechtspersoon binnen een termijn van 30 dagen na kennisgeving van de bestreden beslissing, beslissen om in rechte op te treden. Uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij betekend is met een aangetekende brief van woensdag 22 juli 2015. Volgens de verwerende partij was de laatst nuttige dag om een beslissing om in rechte treden te nemen dan ook maandag 24 augustus 2015. Nu uit het geregulariseerde verzoekschrift blijkt dat de beslissing om in rechte te treden genomen is op 31 augustus 2015, is het beroep laattijdig. 2. De verzoekende partij voert terzake geen verweer. Beoordeling door het College 1. Overeenkomstig artikel 16 Procedurebesluit dient de verzoekende partij in voorkomend geval de volgende documenten bij het verzoekschrift: 1 een afschrift van de bestreden beslissing of een verklaring van de verzoeker dat hij niet in het bezit is van een dergelijk afschrift; 2 als de verzoeker een rechtspersoon is en hij geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden; 3 de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als hij geen advocaat is; 4 de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en overeenkomstig die inventaris genummerd zijn. 2. Het oorspronkelijke verzoekschrift dateert van 10 augustus 2015. Het College heeft met een aangetekende brief van 26 augustus 2015 de ontvangst van het verzoekschrift bevestigd maar vastgesteld dat er overeenkomstig artikel 16, 2 Procedurebesluit geen afschrift van de statuten en geen beslissing om in rechte te treden aan het verzoekschrift gevoegd worden. Het verzoekschrift is evenmin ondertekend door de verzoeker of een raadsman, er is geen afschrift van de bestreden beslissing bijgevoegd en er ontbreekt een inventaris van de overtuigingsstukken. Met deze aangetekende brief wordt aan de verzoekende partij een termijn van acht dagen verleend om haar verzoekschrift te regulariseren. 3. Met een aangetekende brief van 1 september 2015 dient de verzoekende partij haar geregulariseerd verzoekschrift in. Zij voegt bij dit verzoekschrift haar beslissing om in rechte treden die echter gedateerd is op 31 augustus 2015. De beslissing om in rechte te treden is genomen na het indienen van het oorspronkelijk annulatieberoep. De beslissing om in rechte te treden is bovendien pas genomen na het verstrijken MHHC - 7
van de decretale vervaltermijn om rechtsgeldig beroep aan te tekenen bij het College, zodat het beroep overeenkomstig artikel 16, 2 Procedurebesluit niet rechtsgeldig ingediend is. Het beroep is onontvankelijk. OM DEZE REDENEN BESLIST HET MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE 1. Het beroep is onontvankelijk. 2. De behandeling van het beroep heeft geen kosten met zich gebracht, zodat een beslissing over de kosten van het geding zonder voorwerp is. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare zitting op 26 april 2016, door het Milieuhandhavingscollege, eerste kamer, samengesteld uit: Marc VAN ASCH, voorzitter van de eerste kamer met bijstand van Bram CARDOEN, toegevoegd griffier De toegevoegd griffier, De voorzitter van de eerste kamer, Bram CARDOEN Marc VAN ASCH MHHC - 8