MODULE 5. RISICOANALYSE In de leidraad voor het opstellen van een veiligheidsrapport wordt Module 5 opgesplitst in 4 submodules. Module 5.1. behandelt de interne veiligheid en dient enkel in het Samenwerkingsakkoordveiligheidsrapport opgenomen te worden. Module 5.2. (analyse externe veiligheid) en Module 5.3. (milieurisicoanalyse) dienen zowel in het omgevingsveiligheidsrapport als in het Samenwerkingsakkoordveiligheidsrapport opgenomen te worden. Module 5.4. (zoneafbakening in het kader van de externe noodplanning) dient enkel in het Samenwerkingsakkoord-veiligheidsrapport opgenomen te worden. 5.2 ANALYSE EXTERNE VEILIGHEID 5.2.1 Opbouw van de kwantitatieve mensrisicoanalyse De identificatie en analyse van de risico s voor de mens in de omgeving van de inrichting (externe mensrisico s) vereist in Vlaanderen een kwantitatieve risicoanalyse die leidt tot de bepaling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vereist meerdere opeenvolgende stappen en aannames. Deze worden in dit deel van het rapport beschreven en uitgevoerd. Typisch dienen volgende stappen aan bod te komen: Selecteren van relevante installaties; Ontwikkelen van de scenario s; Berekenen van de effectafstanden; Berekenen van de scenariofrequenties; Berekenen van plaatsgebonden risico en groepsrisico; Evalueren van plaatsgebonden risico en groepsrisico. Bemerking vooraf: deze module dient samen gelezen te worden met het [Richtlijnenboek VR], waarin de meer technische aspecten van elk onderdeel van de kwantitatieve risicoanalyse worden toegelicht. Ingeval bij de risicoberekening wordt afgeweken van de richtlijnen zoals weergegeven in het [Richtlijnenboek VR] (dit kan in specifieke gevallen, en enkel na akkoord van de dienst Veiligheidsrapportering) dient dit in het veiligheidsrapport te worden vermeld en dient de reden van afwijking te worden gemotiveerd. 5.2.2 Selectie van relevante installaties Elke kwantitatieve risicoanalyse vangt aan met het identificeren van die installaties die gevaarlijke stoffen bevatten die bij calamiteiten ongewenst kunnen vrijkomen. Vertrekpunt hiervoor zijn ALLE installaties met 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-3
gevaarlijke stoffen (deze werden geïdentificeerd in Module 4 van het veiligheidsrapport). In de eerste stap van de QRA dienen de relevante installaties geselecteerd te worden. Voor een eerste selectie dient nagegaan te worden in hoeverre de aanwezige gevaarlijke stoffen de oorzaak kunnen zijn van een zwaar ongeval waarbij de mens buiten de inrichting (dodelijk) kan worden getroffen. Een aantal stoffen kunnen immers omwille van hun inherente eigenschappen, omwille van de aard van voorkomen of omwille van een aantal andere randvoorwaarden (vb. slechts beperkte hoeveelheid, specifieke opslagmethode, locatie) zonder meer geen aanleiding geven tot effecten buiten de inrichting en dienen dan ook niet in de verdere analyse betrokken te worden. Voor de (overblijvende) installaties met gevaarlijke stoffen waar niet zonder meer kan gesteld worden dat ze geen (dodelijke) effecten kunnen genereren buiten de terreingrens, kan vervolgens beroep gedaan worden op een selectiemethodiek [zie Richtlijnenboek VR] 1 om een onderscheid te maken tussen installaties waarvan verwacht wordt dat ze significant zullen bijdragen aan het extern mensrisico van de inrichting en installaties waarvan de bijdrage aan het extern mensrisico verwaarloosbaar geacht wordt. Op het einde van dit onderdeel wordt een overzicht gegeven van alle geselecteerde installaties. Dit zijn de onderdelen waarvan verwacht wordt dat ze significant zullen bijdragen tot het extern mensrisico. 5.2.3 Ontwikkelen van de scenario s van zware ongevallen Voor alle (geselecteerde) installaties worden vervolgens alle mogelijke scenario s (bij accidentele vrijzetting van een gevaarlijke stof uit de installatie) van zware ongevallen bepaald. Dergelijke scenario s worden vastgelegd door 1. De faalwijze van de installatie; 2. De gevaarseigenschappen van de stof; 3. De toestand van de stof vlak voor de vrijzetting; 4. De vervolggebeurtenissen die kunnen optreden na vrijzetting. Elk scenario resulteert in (één van) volgende effecten: een toxische belasting, een warmtestraling, een overdrukbelasting en/of een verbranding. Bij de ontwikkeling van de scenario s wordt rekening gehouden met de richtlijnen van de dienst VR dienaangaande [zie ook Richtlijnenboek VR]. 5.2.4 Berekenen van de effectafstanden Voor elk scenario wordt vervolgens de effectafstand berekend. De relevantie voor verdere studie van een scenario wordt bepaald op basis van de 1% letaliteit: een scenario is relevant voor het externe mensrisico 1 Richtlijnen met betrekking tot de selectiemethodiek zijn nog in opmaak. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-4
wanneer het scenario buiten het terrein van de inrichting nog effecten teweegbrengt die voor 1% of meer van de eraan blootgestelde bevolking dodelijk zijn. Voor de berekening van de effecten wordt gebruikt gemaakt van een rekenprogramma. De bepaling van de 1%-letaliteitsafstand gebeurt met behulp van de schademodellen voor letaliteit zoals voorgeschreven door de dienst VR (zie [Richtlijnenboek VR]). Alle scenario s worden met hun bijhorende maximale 1%-letaliteitsafstand (incl. aangrijpingspunt en bijbehorend weertype) en minimale afstanden tot de terreingrens weergegeven in het rapport, bij voorkeur samengebracht in een overzichtelijke tabel. In deze tabel wordt het volledige scenario beschreven. Dit houdt in dat zowel de faalwijze van de installatie als de vervolggebeurtenissen expliciet worden vermeld. Specifiek gebruikte aannames en gegevens, representatieve stoffen, gebruikte modellen en software De gebruikte aannames en gegevens, representatieve stoffen, modellen en software worden expliciet in het rapport vermeld, beschreven en gemotiveerd. Voor een aantal gegeven, modellen, aannames worden door de standaardwaarden voorgesteld (zie [Richtlijnenboek VR]). Ingeval van deze standaard wordt afgeweken, dient dit te gebeuren in overleg met de dienst VR en in het rapport te worden geargumenteerd. Bij het vastleggen van de aannames dient ervan uitgegaan te worden dat de resultaten van de effect-en risicoberekeningen realistisch-conservatief zijn. Gevolgbeperkende maatregelen Indien van toepassing kunnen ook gevolgbeperkende maatregelen in rekening gebracht worden. Hierbij dienen steeds twee scenario s beschouwd te worden, met name het scenario waarbij de gevolgbeperkende maatregel werkt en het scenario waarbij deze maatregel faalt. De argumentering waarom een gevolgbeperkende maatregel in rekening mag gebracht worden, wordt weergegeven in de tekst. Zie ook [Richtlijnenboek VR]. 5.2.5 Berekenen van de scenariofrequenties Bij elk scenario van zwaar ongeval hoort een frequentie van optreden, dit is de kans per jaar dat een scenario zich kan voordoen. Om deze scenariofrequentie te bekomen wordt vertrokken van het betreffende installatieonderdeel, waarvoor de generieke faalfrequenties per faalwijze in het [Richtlijnenboek VR] vermeld zijn. Vervolgens worden kansen van de vervolggebeurtenissen en andere kansen of correctiefactoren (gebruiksfracties, aanwezigheidsfracties, faalkansen van veiligheidsmaatregelen, ) in rekening gebracht. Sommige zijn standaard vastgelegd [Richtlijnenboek VR], anderen zijn bedrijfsspecifiek en worden in het rapport beschreven en geargumenteerd. Ingeval van de standaard opgelegde faalfrequenties wordt afgeweken, dient dit te gebeuren in overleg met de dienst VR en in het rapport te worden geargumenteerd. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-5
De gehanteerde faalfrequenties worden verzameld in een tabel als bijlage aan het rapport. Hierbij dienen de generieke faalfrequenties, de correctiefactoren en de kansen voor de vervolggebeurtenissen en eventueel genomen veiligheidsmaatregelen afzonderlijk te worden weergegeven. Alle specifieke gegevens om tot de scenariofrequentie te komen (zoals tijdsfractie, L/D-verhouding voor pijpleidingen, afwijkende faalfrequenties), worden tevens in de tabel vermeld. 5.2.6 Berekening en weergave van het plaatsgebonden risico en groepsrisico Wanneer alle scenario s, effecten en de bijhorende frequenties gekend zijn, kan worden overgegaan tot de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico (PR) worden zowel de isorisicocontouren (IRC) van 10-5 /jaar, 10-6 /jaar, 10-7 /jaar als 10-8 /jaar berekend en samen met de terreingrens weergegeven op het gewestplan en de luchtfoto (op aangepaste schaal). Het groepsrisico (GR) wordt weergegeven op de zogenaamde fn-curve. Indien gevolgbeperkende maatregelen in rekening gebracht werden, wordt in het veiligheidsrapport het risicobeeld weergegeven rekening houdend met deze maatregelen. In een aantal gevallen kan het ook interessant zijn om het beeld te kennen zonder rekening te houden met deze maatregelen. Dit beeld wordt dan ook (al dan niet op expliciete vraag van de dienst VR) in het rapport (bij voorkeur in bijlage) opgenomen. Indien afwijkende faalfrequenties werden gebruikt, wordt hier het beeld met deze afwijkende faalfrequenties weergegeven. Het risicobeeld dat bekomen wordt met de generieke faalfrequenties wordt eveneens aan het rapport toegevoegd, bij voorkeur in een aparte bijlage. 5.2.7 Evaluatie van het plaatsgebonden risico en groepsrisico In dit deel worden het plaatsgebonden risico en het groepsrisico getoetst aan de betreffende criteria, zoals beschreven in [Een code van goede praktijken inzake externe mensrisico s van Seveso-inrichtingen]. Voor elk criterium afzonderlijk wordt expliciet aangegeven of er al dan niet een overschrijding is. OPMERKING: Ingeval er sprake is van een huidige en een toekomstige situatie (vb. een OVR in het kader van vergunningsaanvraag voor een gewijzigde exploitatie van een inrichting) wordt het risico weergegeven, zowel voor de huidige situatie als voor de geplande situatie. In een aantal gevallen kan het ook nuttig zijn om het berekende risicobeeld te vergelijken met eerdere berekeningen in andere rapportages en aan te duiden wat de oorzaak is van de verschillen. Dit is geval-pergeval te overwegen. Er dient dan ook een duidelijke referentie opgenomen te worden naar de eerdere berekeningen (vb. via goedkeuringsnummer van betreffende OVR, nummer en versie van SWA-VR, ). Indien er sprake is van een overschrijding van het criterium voor het PR, moeten volgende gegevens opgenomen worden in het rapport (indien van toepassing): Grootte van de overschrijding van de IRC (richting en afstand tot de grens van de inrichting); 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-6
Aard van het gebied waarover de overschrijding plaatsvindt; Aantal personen dat zich binnen de overschrijding kan bevinden; Oorzaak van de overschrijding (installatie en scenario); Specifieke maatregelen genomen om het risico te beperken. Eén van de mogelijke maatregelen is het veiligheidsinformatieplan (VIP) zie ook [Een code van goede praktijken inzake externe mensrisico s van Seveso-inrichtingen]. Ingeval bij de evaluatie van het risico beroep gedaan wordt op een VIP, dient dit VIP aan het rapport 1 te worden toegevoegd. Indien er sprake is van een overschrijding voor het GR, moeten volgende gegevens opgenomen worden in het rapport (indien van toepassing): Duiding van de groep personen betrokken bij de overschrijding; Oorzaak van de overschrijding (installatie en scenario); Specifieke maatregelen genomen om het risico te beperken. Eén van de mogelijke maatregelen is het veiligheidsinformatieplan (VIP) zie ook [Een code van goede praktijken inzake externe mensrisico s van Seveso-inrichtingen]. Ingeval bij de evaluatie van het risico beroep gedaan wordt op een VIP, dient dit VIP aan het rapport 2 te worden toegevoegd, en moet de GR-curve worden getoond, zowel voor de situatie met als de situatie zonder VIP. In voorkomend geval worden, indien er nog onvoldoende maatregelen genomen zijn om het risico te beperken, de maatregelen voorgesteld om de knelpunten weg te werken. Ook de termijn van realisatie wordt vermeld. Ingeval het rapport wordt opgesteld in het kader van een milieuvergunningsaanvraag (OVR) is het raadzaam om een aantal alternatieven te onderzoeken en aan te geven waarom deze beter of slechter zijn dan het voorgestelde alternatief van de vergunningsaanvraag. 5.2.8 Risicorangschikking In dit deel wordt een risicorangschikking gemaakt voor zowel het PR als het GR en dit, in voorkomend geval, zowel voor de huidige als de geplande situatie. Indien gebruik gemaakt werd van gevolgbeperkende maatregelen of afwijkende faalfrequenties wordt in dit hoofdstuk de risicorangschikking gegeven voor het beeld met deze maatregelen of afwijkende faalfrequenties. 1 In een aantal gevallen (bv. een omgevingsveiligheidsrapport in het kader van een vergunningsaanvraag) kan het zijn dat op het moment van het indienen van het veiligheidsrapport nog geen VIP voorhanden is. Dit wordt dan ook zo genoteerd in het rapport. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-7
Voor het PR worden voldoende weloverwogen punten op de terreingrens en in de omgeving gekozen. Voor elk van deze punten wordt nagegaan welke scenario s bijdragen tot het risico in dat punt. Ook voor het GR wordt nagegaan welke scenario s bijdragen tot het risico. 5.2.9 Domino-effecten De identificatie van domino-effecten in het veiligheidsrapport gebeurt semi-kwantitatief. Bij de identificatie van de domino-effecten wordt enerzijds de relevantie van de mogelijke domino-effecten tengevolge van externe gevarenbronnen in de omgeving (voor een inventarisatie van deze externe gevarenbronnen wordt verwezen naar Module 3 van deze leidraad) nagegaan op basis van de effectafstanden die deze externe gevarenbronnen genereren (domino-effecten van buiten naar binnen). Indien er domino-effecten verwacht worden, dienen vervolgens de maatregelen ter voorkoming van deze domino-effecten of de maatregelen ter beperking van de gevolgen tengevolge van deze domino-effecten minstens kwalitatief besproken te worden. Anderzijds kan de te bestuderen inrichting zelf optreden als externe gevarenbron en mogelijks dominoeffecten genereren buiten zijn grenzen (domino-effecten van binnen naar buiten). Dit wordt bepaald op basis van de effectafstanden afkomstig van deze gevarenbronnen. Deze effectafstanden worden (eventueel d.m.v. overkoepelende contouren) weergegeven op een luchtfoto en de binnen de contour aanwezige (installaties met gevaarlijke stoffen van) naburige Seveso-inrichtingen worden geïdentificeerd. De genomen maatregelen om deze mogelijke domino-effecten uit te sluiten of te bepreken worden genoteerd in het rapport. Voor de identificatie van domino-effecten dient te worden gesteund op de methodiek zoals beschreven in bijlage aan deze module (zie verder, 5.2.12). 5.2.10 Grensoverschrijdende effecten (mensrisicoanalyse) Teneinde een inschatting te kunnen maken met betrekking tot de mogelijkheid tot het genereren van grensoverschrijdende (letale) effecten voor de mens, wordt in het veiligheidsrapport de vergelijking gemaakt tussen de maximaal berekende effectafstand en de afstand tussen de grens van de inrichting en de naburige gewest- of landsgrens. Ingeval de maximale effectafstand de afstand tot het dichtstbijzijnde gewest of buurland overschrijdt, wordt in het rapport een verdere analyse gedaan van het effect, het risico, de grootte van de overschrijding, de grootte van het invloedsgebied en een toelichting over de bepalende scenario s (met inbegrip van de genomen maatregelen, gemaakte afspraken etc). 5.2.11 Kwalitatieve risicoanalyse Voor de scenario s die het meest bijdragen aan het extern mensrisicobeeld dient een oorzakengevolgenanalyse uitgevoerd te worden. Hierbij worden de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en de 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-8
omstandigheden waarin zo n ongeval zich kan voordoen beschreven. Dit wordt vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve en schadebeperkende maatregelen. Indien van toepassing kan hier ook verwezen worden naar de beschrijving uit Module 5.1 (voor die scenario s die zowel voor de interne als de externe veiligheid worden geselecteerd als relevant). 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-9
5.2.12 Bijlage: identificatie van domino-effecten 5.2.12.1 Domino-effecten van buiten naar binnen Onderstaande figuur geeft de werkwijze voor de identificatie van domino-effecten van buiten naar binnen schematisch weer. Stap 1 Lijst met relevante installaties uit de QRA Seveso-inrichting, omliggende externe gevarenbron binnen max. 850 m? Nee Ja Stap 2 Lijst met relevante externe gevarenbronnen Stap 3 Bepaling schadeafstanden Binnen schadeafstand relevante installatie die kan falen bij schadecriterium? Nee Ja Stap 4 Overzicht relevante domino-effecten Stap 5 Domino-effecten zijn mogelijk en dienen kwalitatief besproken Domino-effecten niet relevant voor externe mensveiligheid 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-10
Stap 1 De installaties binnen de inrichting die in aanmerking komen voor de studie van domino-effecten (van buiten naar binnen) zijn dezelfde installaties als deze die in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) voor de bepaling van de externe mensrisico s geselecteerd werden voor de risicoberekeningen. Stap 1 verwijst zodoende naar de relevante installaties uit de QRA van de te bestuderen inrichting. Stap 2 Er dient nagegaan te worden of er externe gevarenbronnen gelegen zijn rond de terreingrens van de te bestuderen inrichting. Een oplijsting van mogelijks relevante externe gevarenbronnen dient in Module 3 (presentatie van de omgeving) van het veiligheidsrapport te zijn opgenomen. Aangezien van Seveso-inrichtingen mag aangenomen worden dat er aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig (kunnen) zijn, wordt conservatief een generieke maximale schadeafstand van 850 m weerhouden, gerekend vanaf de terreingrens van de te bestuderen inrichting tot de terreingrens van naburige Seveso-inrichtingen. Daarnaast dient eveneens gekeken te worden naar de ligging van overige omliggende 1 externe gevarenbronnen. Deze gevarenbronnen worden bestempeld als relevante externe gevarenbronnen. Indien binnen deze maximale afstand van 850 m rond de te bestuderen inrichting geen externe gevarenbronnen gesitueerd zijn, kan besloten worden dat geen domino-effecten (van buiten naar binnen) verwacht worden. Stap 2 levert aldus een lijst met relevante externe gevarenbronnen. Stap 3 Van de relevante externe gevarenbronnen worden (indien mogelijk) de schadeafstanden bepaald. De schadeafstanden van de relevante externe gevarenbronnen worden bepaald op basis van de schadecriteria (zie verder). De volgende stappen worden doorlopen: Er wordt nagegaan welk(e) primair(e) effect(en) de relevante externe gevarenbron kan genereren (warmtestraling en/of overdruk); Indien de relevante externe gevarenbron warmtestraling kan genereren, worden de schadeafstanden 2 horende bij 9,8 kw/m² en 32 kw/m 2 bepaald. Indien de relevante externe gevarenbron overdruk kan genereren, worden de schadeafstanden horende bij 100, 160 en 450 mbar bepaald. 1 Onder omliggende wordt verstaan, dichtstbij gelegen voor bedrijven en hoge constructies; aangrenzend voor transportwegen en pijpleidingen; binnen de 450 m voor windturbines. 2 Voor het schadecriterium van 9,8 kw/m² wordt eveneens een waarde van 8 à 10kW/m² toegestaan. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-11
Deze schadeafstanden kunnen bepaald worden: Ofwel op basis van eigen berekeningen; Ofwel op basis van de gegevens uit het veiligheidsrapport van de naburige Seveso-inrichting, voor zover de schadeafstanden in dit rapport overeenkomen met de hierboven vermelde schadecriteria; Ofwel op basis van de gegevens uit andere literatuurwerken, voor zover de schadeafstanden in dit literatuurwerk overeenkomen met de hierboven vermelde schadecriteria. Bijkomend dient opgemerkt te worden dat er een uitzondering gemaakt wordt voor windturbines en hoge constructies. Voor een windturbine dient men te bepalen welke schadeafstand hoort bij bladbreuk bij overtoeren 1. Voor hoge constructies (zoals hoogspanningslijnen) wordt de schadeafstand bepaald door de hoogte van de constructie. De schadeafstanden (en de daarbij horende schadecriteria) worden overgenomen in het veiligheidsrapport van de te bestuderen inrichting, indien van toepassing met duidelijk de vermelding van de referentie waaruit de informatie werd gehaald. Indien voor eenzelfde relevante externe gevarenbron verschillende primaire effecten mogelijk zijn, dienen deze primaire effecten apart beschouwd te worden. Indien van een relevante externe gevarenbron geen schadeafstand kan worden bepaald (bv. voor luchtverkeer), dient deze externe gevarenbron minstens als relevant beschouwd te worden in het kader van domino-effecten (van buiten naar binnen) en meegenomen in de volgende stap. Stap 3 levert aldus de schadeafstanden van de relevante externe gevarenbron. Stap 4 Indien er binnen de schadeafstanden (te rekenen vanaf de relevante externe gevarenbron) relevante installaties (bekomen uit stap 1) aanwezig zijn die bij het gehanteerde schadecriteria (zie verder) kunnen falen, worden domino-effecten relevant geacht en meegenomen in de volgende stap. Hierbij dient opgemerkt dat er eveneens een vergelijking kan gemaakt worden tussen het secundaire en het primaire effect. Indien het secundaire effect ondergeschikt is aan het primaire effect, kan de installatie van de te bestuderen inrichting als niet relevant beschouwd worden. Stap 4 levert aldus de relevante domino-effecten op. Deze worden bij voorkeur opgelijst in een tabel (cfr. Tabel 5-1). 1 Zie Studie windturbines en veiligheid, opgesteld door SGS Belgium nv in opdracht van de Vlaamse Overheid, Vlaams Energie Agentschap, januari 2007 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-12
Relevante externe gevarenbron Stap 5 Tabel 5-1: Overzicht relevante domino-effecten van externe gevarenbronnen Primair effect Warmtestraling Overdruk Brokstukken Schadecriteria 9,8 kw/m 2 (*) 32 kw/m 2 100 mbar 160 mbar 450 mbar Bladbreuk windturbine Hoogte van de constructie Schadeafstand [m] Relevante installatie Afstand externe gevarenbron - relevante installatie [m] (*) Voor het schadecriterium van 9,8 kw/m 2 wordt eveneens een waarde van 8 à 10 kw/m 2 toegestaan. Voor elk van de relevante installaties van de te bestuderen inrichting, die betrokken kunnen zijn bij domino-effecten op basis van voorgaande stappen, wordt een kwalitatieve bespreking gegeven. Er kan bijvoorbeeld geopteerd worden om overleg te plegen met de verantwoordelijke of de eigenaar van de externe gevarenbron om zo een brongerichte aanpak voor te stellen (maatregelen ten behoeve van de relevante externe gevarenbron). Hiervoor dienen de nodige afspraken opgenomen te worden in het veiligheidsrapport. Verder dient aangegeven te worden welke veiligheidsmaatregelen reeds voorzien zijn of zullen genomen worden op de externe gevarenbron 1. Anderzijds kan men aangeven welke maatregelen binnen de inrichting reeds getroffen werden of zullen getroffen worden om deze domino-effecten te beperken (maatregelen ten behoeve van de relevante installatie). Hiervoor dient de nodige vlinderdasanalyse te worden toegevoegd aan het veiligheidsrapport of kan (indien van toepassing) verwezen worden naar de vlinderdassen die besproken werden in het kader van de externe mensveiligheid (QRA). Stap 5 levert een kwalitatieve bespreking van de mogelijke domino-effecten. 1 De getroffen of te nemen veiligheidsmaatregelen kunnen eventueel teruggevonden worden in het veiligheidsrapport van de naburige inrichting. In het veiligheidsrapport van de te bestuderen inrichting dient duidelijk verwezen te worden naar het betreffende veiligheidsrapport van de naburige inrichting en dient kort aangegeven te worden om welke maatregelen het gaat. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-13
5.2.12.2 Domino-effecten van binnen naar buiten Onderstaande figuur geeft de werkwijze voor de identificatie van domino-effecten van binnen naar buiten schematisch weer. Stap 1 Lijst met relevante interne gevarenbronnen Stap 2 Bepaling schadeafstanden Ja Overschrijdt de schadeafstand de terreingrens? Nee Stap 3 Overzicht relevante domino-effecten Stap 4 Schadecirkels van de relevante interne gevarenbronnen Installaties naburige inrichting binnen schadecirkel? Nee Ja Stap 5 Lijst brongerichte maatregelen Domino-effecten niet relevant voor externe mensveiligheid 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-14
Stap 1 De installaties binnen de inrichting die in aanmerking komen voor de studie van domino-effecten (van binnen naar buiten) zijn dezelfde installaties als deze die in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) voor de bepaling van de externe mensrisico s geselecteerd werden voor de risicoberekeningen (dit op basis van het 1%-letaliteitsonderzoek of op basis van de subselectiemethodiek en haar beperkingen). Deze interne gevarenbronnen worden verder de relevante interne gevarenbronnen genoemd. Van deze relevante interne gevarenbronnen wordt eveneens de afstand tot de terreingrens vermeld. Opgemerkt dient te worden dat wanneer er op het bedrijfsterrein windturbines en hoge constructies aanwezig zijn, deze eveneens als relevante interne gevarenbronnen dienen aanzien te worden. Stap 1 levert aldus een lijst van relevante interne gevarenbronnen van de te bestuderen inrichting en hun overeenstemmende afstand tot de terreingrens. Stap 2 Van de relevante interne gevarenbronnen wordt nagegaan welk primair effect deze gevarenbron kan genereren (warmtestraling of overdruk). Indien de relevante interne gevarenbron warmtestraling kan genereren, worden de schadeafstanden horende bij 9,8 8 en 32 kw/m 2 bepaald. Indien de relevante interne gevarenbron overdruk kan genereren, worden de schadeafstanden horende bij 100, 160 en 450 mbar bepaald. Deze schadeafstanden dienen berekend te worden op basis van dezelfde aannames, programma s en modellen zoals toegepast in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) voor de bepaling van de externe mensrisico s. Bijkomend dient opgemerkt te worden dat er een uitzondering gemaakt wordt voor windturbines en hoge constructies. Voor een windturbine dient men te bepalen welke schadeafstand hoort bij bladbreuk bij overtoeren 1. Voor hoge constructies wordt de schadeafstand bepaald door de hoogte van de constructie. Al deze informatie wordt overzichtelijk in een tabel neergeschreven (zie Tabel 5-2). Indien voor eenzelfde relevante interne gevarenbron verschillende primaire effecten mogelijk zijn, dienen deze primaire effecten apart beschouwd te worden. Stap 2 levert aldus een overzicht van schadeafstanden (zie tabel). 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-15
Relevante interne gevarenbron Stap 3 Tabel 5-2: Overzicht van schadeafstanden van de relevante interne gevarenbronnen Afstand tot de terreingrens [m] Primair effect Warmtestraling Overdruk Brokstukken Schadecriteria 9,8 kw/m 2 (*) 32 kw/m 2 100 mbar 160 mbar 450 mbar Bladbreuk windturbine Hoogte van de constructie Schadeafstand [m] Overschrijding terreingrens [m] (*) Voor het schadecriterium van 9,8 kw/m 2 wordt eveneens een waarde van 8 à 10 kw/m 2 toegestaan. Op basis van de gegevens uit voorgaande tabel wordt duidelijk welke relevante interne gevarenbronnen mogelijks externe domino-effecten kunnen genereren. Indien de schadeafstand de terreingrens overschrijdt, kunnen externe domino-effecten als relevant beschouwd worden. Stap 3 levert aldus een overzicht van de relevante domino-effecten. Stap 4 De schadecirkels van de relevante interne gevarenbronnen die mogelijks relevante domino-effecten kunnen genereren, worden weergegeven in het veiligheidsrapport door middel van projectie op een orthofoto. Indien het aantal schadecirkels onoverzichtelijk groot is, kan in overleg tussen de erkend deskundige en de dienst VR beslist worden om het aantal weer te geven cirkels te beperken of enkel een omhullende contour weer te geven. Stap 4 levert de schadecirkels van de relevante interne gevarenbronnen. Stap 5 Er dient nagegaan te worden of er installaties van naburige inrichtingen gelegen zijn binnen de schadecirkels. Indien blijkt dat er installaties binnen de schadecirkel aanwezig zijn, dient in het veiligheidsrapport duidelijk aangegeven te worden welke maatregelen er voorzien zijn of voorzien worden om deze mogelijke domino-effecten uit te sluiten of te beperken. Hiervoor kan eventueel verwezen worden naar de kwalitatieve risicoanalyse uit eerdere hoofdstukken. Stap 5 levert de maatregelen om domino-effecten uit te sluiten of te beperken. 01/11/2016 Leidraad SWA-veiligheidsrapport pagina 5-16