INHOUD. De 21 kloppen De auteur 17

Vergelijkbare documenten
6,3. Begrippenlijst door N woorden 27 april keer beoordeeld

BEZOEK Toneel/ cabaret/ musical

Inhoudsopgave BIJLAGEN

Ons theaterwoordenboek

Theatergeschiedenis Nederlanden

THEATER ANALYSE. Omschrijving vraag antwoord-terminologie. begrip vraag antwoord-terminologie. beweging/houding van de acteur/ actrice

Cultuureducatie met Kwaliteit Nijmegen - Vaardigheidslijn Drama -

Drama: verdeling vakinhoud leerlijn groep 1-8

Feestelijk variété, 'Het podium op'

THEATER. Pavel Boyarinov and elephant

Het uiten van emoties en gedachten door je houding en/of gebaren

FRONT Polyphonie LESBRIEF VOOR LEERKRACHTEN. Deel II: Naverwerking. To see is to know

A Accessoires Spullen die bij het kostuum van een toneelspeler horen bijvoorbeeld. Een hoed, bij voorbeeld, of een glimmend sjaaltje.

Dans & drama o.b.s. De Eiber Dedemsvaart Januari 2015

Stromingen in vogelvlucht

Hoe schrijf ik een Recensie

PROGRAMMA VAN TOETSING EN AFSLUITING Vak: Kunstvakken II drama. Inleiding

Schaduwen Maart 2016

Eerste periode: Hierin wordt middels een praktijktoets en een theorietoets Blok 2: Fysiek theater getoetst.

Kunst en cultuur (PO-havo/vwo)

Inhoudsopgave curriculum drama op de basisschool. 1. Definitie. 2. Visie. 3. Doelen. 4. Werkvormen. 5. Leerlijnen. 6. Materialen. 7.

Het vogelmeisje is een fantasierijk sprookje in het blauw. Een sprookje waarbij het kostuum van de poppenspeler het kasteel is.

INFORMATIE BOEKJE

AUGUSTUS. ergens op de vlakte. naverwerking lesmap voor leraren

Bachelor Theaterwetenschap. uva.nl/ba-theaterwetenschap

REGISSEREN. Voor amateurtoneel

Werken als artiest drama

Het verhaal moet aanspreken, spannend zijn en een mooi einde hebben. Als je uit de bioscoop loopt moet je een goed gevoel hebben over de film.

Rhedelijk Cultureel. Leerplan. September 2015

HOTEL MALARIA LESBRIEF VOOR LEERKRACHTEN DEEL II: NAVERWERKING

verwoording inhoud + vorm + functie 3 CA: verwoording eigen mening 3 Datum: verwerking recensie 1 Paraaf docent Titel voorstelling:

LESBRIEF THEATERBEZOEK

Willemien Cuijpers en Marie-Thérèse van de Kamp, Interfacultaire Lerarenopleiding UvA

H A N D L E I D I N G Verslaghulpen Culturele Activiteiten

kunst (algemeen) schoolexamen ckv2

'Help! Ik zoek een stuk!

Inhoudsopgave. Presentaties 12. hoorspel 13. filmmaker 14. tafelschikker 15. stopmotion 16. stylist

Toneel - Voordracht - Welsprekendheid

Filmische middelen Aspecten Extra aanwijzingen

Het maken van een dramaturgieconcept

1 De Griekse tragedie

Kijkkaarten bij spelpresentaties

KEN JE BIJBEL. Een introductie in bijbel lezen

TULE inhouden & activiteiten 2006 Kunstzinnige oriëntatie - Taal en spel (drama) Kerndoel 54 - Taal en spel (drama) Toelichting en verantwoording

Workshop Handleiding. De Theatervoorstelling. wat is jouw talent?

Achter de schermen. IJsselstein. kunst- en cultuurmenu: Cultuurprogramma en Kunstmenu. domein: Professionele culturele instellingen.

Ontwerp en productie van decors. Het ontwerp en de productie zijn uitbesteed Ο ja nee

Fictie samengevat voor vwo+ ~ SKO

Eindexamen kunst extra afname havo I

Muziek in de renaissance en barok. Renaissance ( ) Belangstelling voor het hier en het nu

FICTIE - LEERJAAR 1. Leerlijn Fictie havo en vwo

Een podiumvoorstelling bedenken en uitvoeren

Kunstenaarstoets. Uw gegevens. Beroep en opleiding als kunstenaar

Moet Je Doen Drama - Lessen per groep

De bende van De Korenwolf Musical lesbrief Cultuur Cultuur

Eindexamen kunst (algemeen) vwo I

Moet Je Doen Drama Lessen per spelvorm

Spot 2+ La Baracca (Italië)

ROLLENSPEL: FORUM THEATER

Kunstenaarstoets. Achternaam. Voorletters

Examen HAVO. kunst. tijdvak 1 extra afnamemoment maandag 17 mei. beeldende vormgeving - dans - drama - muziek - algemeen

CKV Festival CKV festival 2012

DANS- ANALYSE. Omschrijving vraag antwoord-terminologie. begrip vraag antwoord-terminologie

Auditieve oefeningen thema: theater

INFORMATIE BOEKJE

LESMAP: VANDENHOND BRAAKLAND/ZHEBILDING

M E N E E R & M E N E E R

Lesbrief voor de voorstelling Cyrano de Bergerac door Joris Lehr

Begrippenlijst Drama. Alfabetisch overzicht van begrippen voor het vak drama. Voortgezet Onderwijs. Kunstvakken VO

Omvang Eén week (projectweek), 5 dagen van 8.30 uur tot uur.

4 Algemene begrippenlijst bij het kunstvak Drama

Ontwerp nieuw logo Cultuurhuis De Klinker

EEN MEISJE UIT DE STAD.

Blok 1: Ideale schoonheid: invloed van klassieke theorieën over schoonheid in de renaissance en de Gouden Eeuw.

Bijlage 3 Functienamen

De Ambitie. Theaterschool voor volwassenen

Checklist Synopsis. t.b.v. AV 1

LESMATERIAAL DE KONING ZONDER SCHOENEN

Examenprogramma kunst (algemeen) (voorheen ckv2)

Leerlijn Spel en beweging

Transcriptie:

INHOUD De 21 kloppen 15 1 De auteur 17 1.1 Historiek 17 1.1.1 De primitieven 17 1.1.1.1 Rite 18 1.1.1.2 De primitieve auteur 18 1.1.2 De Grieken 19 1.1.2.1 Het Griekse theater 19 1.1.2.2 Aeschylus (525-456 v. Chr.) 22 1.1.2.3 Sophocles (494-405 v. Chr.) 24 1.1.2.4 Euripides (480-406 v. Chr.) 24 1.1.2.5 Aristophanes (445-385? v. Chr.) 25 1.1.2.6 Menander (342-291 v. Chr.) 27 1.1.3 De Romeinen 27 1.1.3.1 Algemeen 28 1.1.3.2 Plautus, Terentius, Seneca 28 1.1.4 De Middeleeuwen 29 1.1.4.1 De rol van de Kerk 29 1.1.4.2 Abele spelen en moraliteiten 30 1.1.5 Italie 31 1.1.5.1 De Renaissance 31 1.1.5.2 De Contra-reformatie 32 1.1.5.3 Commedia dell arte 32 1.1.6 Engeland 34 1.1.6.1 Het bewind van de Tudors 34 1.1.6.2 William Shakespeare (1564-1616) 34 1.1.7 Frankrijk 36 1.1.7.1 Begin 17de eeuw 36 1.1.7.2 Jean Racine (1639-1699) 37 1.1.7.3 Molière (1622-1673) 37 1.1.8 Duitsland 38 1.1.8.1 17de eeuw 38 1.1.8.2 18de eeuw 39 1.1.8.3 Opkomst van het naturalisme 40 1.1.8.4 De vrije theaters 41 1.1.9 Bertolt Brecht 41 1.1.10 Hedendaagse auteurs 43

6 Theater 1.2 Drama 43 1.2.1 Bepaling van drama 43 1.2.1.1 Algemeen 44 1.2.1.2 Structuur 44 1.2.1.2.1 Het bedrijf 45 1.2.1.2.2 Het tafereel 45 1.2.1.2.3 De scène 46 1.2.1.2.4 De repliek 46 1.2.2 Het schrijven van een drama 46 1.2.2.1 Het idee 46 1.2.2.2 Dramatische handelingen en acties 48 1.2.2.3 Conflicten 49 1.2.2.3.1 Het conflict 49 1.2.2.3.2 Soorten conflicten 50 a. Statisch conflict 50 b. Springend conflict 50 c. Groeiend conflict 51 d. Zich aankondigend conflict 51 1.2.2.4 Karakters 51 1.2.2.4.1 Verschil tussen karakter en personage 51 1.2.2.4.2 De onderlinge relaties 52 a. Hoe goed kennen ze elkaar? 53 b. Hun gevoel ten opzichte van elkaar 53 c. Hun onderlinge machtsverhoudingen 53 1.2.2.5 De agonisten 53 a. De protagonist 53 b. De antagonist 54 c. De mede-actor 54 1.2.2.6 Het gezichtspunt 55 a. De dame wordt protagonist 56 b. Dader wordt protagonist 56 c. De politie wordt protagonist 56 d. Iemand anders wordt protagonist 57 1.2.2.7 Plot en stuwingslijn 57 1.2.2.7.1 Het begrip plot 57 1.2.2.7.2 De Aristotelische plot 58 a. Het exposé 58 b. Het motorisch moment 58 c. Ontwikkeling, crisis, kleine climax 58 d. Crux 59 e. Climax 59 f. De afwikkeling 59 1.2.2.7.3 Andersoortige plots 61 a. De plot met afwijkende volgorde 61 b. De plot van het exploderend verleden 61 c. De episch verhalende plot 62 1.2.2.7.4 De subplot 62 1.2.2.8 De spanningsboog 62 1.2.2.8.1 Coderen, stapelen, scoren 62

Inhoud 7 1.2.2.8.2 Decoderen 64 1.2.2.8.3 De cruciale scène 64 1.2.2.9 Tijd en ruimte 64 1.2.2.9.1 Stelling van Aristoteles 64 1.2.2.9.2 Tijd 65 a. Historische tijd 65 b. Speeltijd 65 c. De gespeelde tijd 65 1.2.2.9.3 Ruimte 66 a. De verbeelde ruimte 66 b. De speelruimte 66 1.2.3 Soorten drama 67 1.2.3.1 Tragedie 67 1.2.3.2 Komedie 67 1.2.3.3 Tragikomedie 68 1.2.3.4 Klucht 69 1.2.3.5 Blijspel 69 1.2.3.6 Zwarte komedie 70 1.2.3.7 Melodrama 70 1.2.3.8 Opera 71 1.2.3.9 Operette 71 1.2.3.10 Musical 72 1.2.3.11 Cabaret 73 1.2.3.12 Revue 74 1.2.3.13 Vaudeville 75 1.2.3.14 Pantomime 75 1.2.3.15 Wagenspel 75 1.2.3.16 Straattheater 76 1.2.3.17 Eenakter 76 1.2.3.18 Psychodrama 77 1.2.4 Waar een toneelstuk vinden 77 1.3 Zelfimprovisatie 78 1.3.1 Groepscreatie 79 1.3.2 Hoe gaat men te werk? 79 1.3.2.1 Het omschrijven van het onderwerp 79 1.3.2.2 Opbouw van het verhaal 80 1.3.2.2.1 Kleine groepen 80 1.3.2.2.2 Grote groepen 80 1.3.2.3 Vastleggen van de personages 81 1.3.2.4 De scenische synopsis 81 1.3.2.5 Dialogen uitschrijven 83 1.3.2.5.1 Improvisatie 83 1.3.2.5.2 Tekst schrijven 83 1.3.2.6 Rolverdeling 85 1.3.2.7 Tekst repeteren en bijwerken 85 1.3.2.8 De voorstelling 86 1.4 Auteursrechten 86 1.4.1 Algemeen 86

8 Theater 1.4.2 Auteur en uitgever 87 1.4.3 Auteur en gezelschap 87 1.4.4 Duur van het auteursrecht 88 1.4.5 Gebruik van andere beschermde werken tijdens een opvoering 89 2 De dramaturg 91 2.1 Historiek 91 2.1.1 Ontstaan 92 2.1.1.1 Ontstaan in Duitsland 92 2.1.1.2 Bijkomende functies 93 2.1.2 Bakermat: Aristoteles (384-322) 93 2.1.2.1 Poètika 94 2.1.2.2 Aristoteles en de tragedie 95 2.1.2.2.1 De uitbeelding van een ernstige handeling in haar totaliteit 95 2.1.2.2.2 Met de bedoeling de catharsis van de passies van de toeschouwer te bewerkstelligen 96 2.1.2.2.3 Niet zozeer door het verhaal 96 2.1.2.2.4 Maar door de wreedheid van de daad 96 2.1.2.2.5 En door het mede-lijden (mede-leven), die deze opwekt 96 2.1.2.3 De 17de-eeuwse classicisten 97 2.1.3 Bertolt Brecht vormt dramaturgencollege 97 2.2 Functies van de dramaturg 98 2.2.1 Relatie tussen dramaturg en auteur 98 2.2.1.1 De auteur is inschakelbaar 99 2.2.1.2 De auteur is niet bereikbaar 99 2.2.1.2.1 Vertalen 100 2.2.1.2.2 Adaptatie 100 2.2.2 Dramaturg maakt repertoire-ontwerp 101 2.2.2.1 Keuze van het toneelstuk 101 2.2.2.1.1 Beroepstheater 101 a. Doelstellingen van de theatermakers 102 b. Mogelijkheden 102 c. Verwachtingen van het publiek 102 2.2.2.1.2 Amateurtheater 102 2.2.2.2 Het leescomité 103 2.2.2.2.1 Doel 103 2.2.2.2.2 De dramaturgische fiche 103 2.2.3 Het dramaturgisch dossier 105 2.2.3.1 Werkmap voor alle betrokkenen 105 a. Biografische en bibliografische gegevens 105 b. Historische en socio-culturele gegevens 105 c. Verwijzing naar documentatie 106 2.2.3.2 Informatie naar buiten 107 2.2.3.2.1 Affiche 107 2.2.3.2.2 Folders 108 2.2.3.2.3 Persbericht 108 2.2.3.2.4 Programmaboekje 109

Inhoud 9 2.2.4 Dramaturg is ook tekstregisseur 109 2.2.5 Dramaturg is ook toevluchtsoord voor het amateurtoneel 110 3 De regisseur 111 3.1 Historiek 111 3.1.1 De Meiningers 113 3.1.2 Invloed van de Meiningers in Europa 113 3.1.3 Konstantin Stanislavski (1863-1938) 114 3.2 Functies van de regisseur 115 3.2.1 Algemeen 115 3.2.2 Regisseur/dramaturg 116 3.2.3 Het drama doorgronden 116 3.2.3.1 Het stuk lezen 116 3.2.3.2 Onderzoek van de onderlaag 118 3.2.3.3 Visie en concept 118 3.2.4 Rolverdeling 120 3.2.4.1 Mogelijkheden 120 3.2.4.2 Bespreking 120 3.2.5 De ontwerpfase 121 3.2.5.1 De acteurs 121 3.2.5.1.1 De eerste lezing 121 3.2.5.1.2 Diepgaand 121 3.2.5.2 De techniek 122 3.2.6 Repetitieschema 122 3.2.7 De ontwikkelingsfase/repetities 125 3.2.7.1 De acteurs/beroepstheater 125 3.2.7.2 De acteurs/amateurstheater 125 3.2.7.2.1 Andere aanpak 125 3.2.7.2.2 De mise-en-scène 126 3.2.7.2.3 Herhaling 129 a. Luisteren 130 b. Kijken 130 c. Doordringen 131 d. Denken en overwegen 131 f. Besluiten 131 3.2.7.2.4 Herhaling blok 132 a. Tekstkennis 132 b. Kennismaking 132 c. Samenhang 132 3.2.7.2.5 Doorlopen 134 3.2.7.2.6 Het groeten 135 a. Het groeten is geen extra bedrijf 136 b. Iedereen heeft meegewerkt 136 3.2.7.2.7 De generales 136 3.2.7.2.8 De avant-première 137 3.2.7.2.9 Een doeltreffend repetitieschema 137 3.2.7.3 De regie-assistent 139

10 Theater a. Noteren 139 b. Praktische zaken 139 3.2.7.4 De techniek 139 3.2.8 Eerste toeschouwer 140 3.3 Elementen waarover de regisseur beschikt 141 4 De acteurs 143 4.1 Historiek 143 4.1.1 De Grieken 143 4.1.2 Molière 145 4.1.2.1 Commedia dell arte 145 4.1.2.2 De periode Molière 145 4.1.2.3 De verfransing van het theater 146 4.1.3 Stanislavski 147 4.1.4 Corporeel theater 148 4.2 Het scheppend gegeven 149 4.2.1 Individueel 149 4.2.1.1 Lezen 150 4.2.1.2 Het uitdiepen 150 4.2.1.3 Research 151 4.2.2 Samenspel 152 4.2.2.1 Het spel 152 4.2.2.2 Discipline 154 4.2.2.2.1 De repetities 155 4.2.2.2.2 Tekstkennis 155 4.2.2.2.3 Taal 156 4.2.3 Technieken 156 4.2.3.1 Observatie 156 4.2.3.2 Stem 157 4.2.3.2.1 Algemeen 157 4.2.3.2.2 Ademhaling, stemgeluid en articulatie 158 a. Ademhaling 158 b. Stemgeluid 159 c. Articulatie 162 d. Tips om de verstaanbaarheid te bevorderen 162 4.2.3.3 Het lichaam 163 4.2.3.3.1 Algemeen 163 4.2.3.3.2 Soorten bewegingen 164 a. Beweging als reactie op iets dat buiten ons gebeurt 164 b. Beweging als reactie op een innerlijk gebeuren 165 4.2.3.3.3 Ontspanning en spanning 165 4.2.3.3.4 Lopen, zitten, staan, vallen 166 4.3 Opleidingen 167 4.3.1 Theaterscholen 167 4.3.1.1 Hoger Onderwijs 167 4.3.1.2 Kunsthumaniora 168

Inhoud 11 4.3.2 Academies 168 4.3.3 Cursussen 168 5 De techniek 169 5.1 Historiek 169 5.1.1 Theatervormen 170 5.1.1.1 Théâtre-en-rond 170 5.1.1.2 Grieks arenatheater 171 5.1.1.3 Het Romeins theater 172 5.1.1.4 De Middeleeuwen 174 5.1.1.5 Elisabethaans theater 175 5.1.1.6 Théâtre à l italienne 176 5.1.1.7 Het theater rondom 178 5.1.1.8 Het totaal theater 179 5.2 Scenografie 180 5.3 Het decor 181 5.3.1 Van dispositief tot decor 181 5.3.2 De ontwerpfase 182 5.3.2.1 Hoofdelementen van het podium 182 5.3.2.1.1 Proscenium of voortoneel 182 5.3.2.1.2 Toneelopening 183 a. Breedte 183 b. Hoogte 183 5.3.2.1.3 Achter de prosceniumwand 183 5.3.2.1.4 Zijtoneel 184 5.3.2.2 Bespreking met de regisseur 184 5.3.3 De ontwikkelingsfase 187 5.3.3.1 Het grondplan 187 5.3.3.2 De decorbouw 188 5.4 De rekwisieten 189 5.4.1 Ontwerpfase 189 5.4.1.1 Algemeen 189 5.4.1.2 Soorten rekwisieten 189 5.4.1.2.1 Rekwisieten die een wezenlijk onderdeel vormen van het decor 189 5.4.1.2.2 Rekwisieten voor de aankleding van het decor 190 5.4.1.2.3 Persoonlijke rekwisieten 191 5.4.1.2.4 Hulprekwisieten bij het spel 191 5.4.1.2.5 Speciale effecten 191 5.4.1.2.6 Wapens 192 5.4.1.2.7 Drinken en eten 192 a. Drank 192 b. Eten 192 5.4.2 Ontwikkelingsfase 193 5.4.2.1 Documentatie 193 5.4.2.2 Rekwisieten overzicht 193

12 Theater 5.5 De kostumering 194 5.5.1 De ontwerpfase 194 5.5.1.1 Algemeen 194 5.5.2 De ontwikkelingsfase 197 5.5.2.1 Algemeen 197 5.5.2.2 Historische kostuums 198 5.5.2.3 Amateurtoneel 199 5.5.2.3.1 Tijdig informatie van regisseur 199 5.5.2.3.2 Wie heeft wat? 200 5.5.2.3.3 Tijdig inzamelen 201 5.5.2.3.4 Tijdens de opvoeringen 201 5.5.2.3.5 Na de opvoering 202 5.6 De grime 202 5.6.1 De ontwerpfase 202 5.6.1.1 Primaire en secundaire vormgeving 202 5.6.2 Ontwikkelingsfase 203 5.6.2.1 Waarom grime 203 5.6.2.1.1 Alle zichtbare lichaamsdelen 203 5.6.2.1.2 Grime accentueert karaktertrekken 203 5.6.2.1.3 Grime om leeftijdsverschil te overbruggen. 204 5.6.2.1.4 Grime voor het bekomen van effecten 204 5.6.2.1.5 Wegwerken van schadelijke effecten van het licht 204 5.6.2.1.6 Extra hulpstukken 205 5.7 De belichting 206 5.7.1 De ontwerpfase 206 5.7.1.1 Historiek 206 5.7.1.2 Functies van het licht in het theater 206 5.7.1.2.1 Verlichten 206 5.7.1.2.2 Belichten 207 a. Licht brengt reliëf 207 b. Licht accentueert 207 c. Licht als ondersteuning voor effecten 207 5.7.1.3 Basiselementen van theaterbelichting 208 5.7.1.3.1 De intensiteit van het licht 208 5.7.1.3.2 De kleuren 209 5.7.1.3.4 Vorm van het licht 212 5.7.1.3.5 De richting en de invalshoek van het licht 212 5.7.1.3.6 Beweging van het licht 213 5.7.1.3.7 Effect van de lichtrichtingen 213 a. Voorlicht 213 b. Toplicht 213 c. Voetlicht 213 d. Zijlicht 214 e. Tegenlicht 214 f. Lichtbronnen achter het decor 214 g. Extra lichtbronnen 215 5.7.2 Ontwikkelingsfase 215 5.7.2.1 Het lichtplan 215

Inhoud 13 5.7.2.2 Het draaiboek 216 5.7.2.3 De lichtbronnen 218 a. De strijklichten 218 b. De stralers 218 c. De Fresnel-spots 218 d. Pipo s 219 5.7.2.4 Het aanbrengen van de lichtbronnen 219 5.7.2.4.1 Lichtbronnen verzamelen 220 5.7.2.4.2 Het ophangen 220 5.7.2.4.3 Het richten 221 5.7.2.4.4 Lichtstanden worden geprogrammeerd 221 5.7.2.4.5 Doorloop 221 5.8 Geluid en muziek 221 5.8.1 De opname 222 5.8.2 Specifieke geluiden 223 5.8.3 Het draaiboek 223 5.8.4 Het versterken van het geluid 224 5.8.4.1 De luidsprekers 224 5.8.4.2 Het versterken van het geluid 224 a. Acteurs spreken of zingen te stil 225 b. De zaal is met een gewone stem moeilijk te bespelen 225 c. De zaal heeft een slechte akoestiek 225 d. Het geluidsniveau dat door het publiek wordt veroorzaakt is hoog 226 e. Artistieke redenen vragen om versterking van het geluid 226 5.8.4.3 De microfoons 226 5.8.4.3.1 De richtingskarakteristieken van een microfoon 227 a. De omni-directionele microfoon 227 b. De acht-karakteristiek 227 c. De cardioide of semi-omnidirectionele microfoon 228 d. De uni-directionele microfoon 228 e. De zendmicrofoon 228 5.8.4.3.2 Tips voor handmicrofoongebruik 228 5.8.4.3.3 Tips voor bekabeling 228 5.8.4.3.4 Connectoren en aansluitnormen 229 6 De voorstelling 231 6.1 Peter Brook en RRA 231 6.1.1 Répétition 233 6.1.2 Représentation 233 6.1.3 Assistance 234 6.2 De onderdelen van de voorstelling 235 6.2.1 Publiek 235 6.2.2 Acteurs 236 6.2.3 De techniek 237 6.2.3.1 De machinist 237 6.2.3.2 De rekwisiteur 238

14 Theater 6.2.3.3 Kleding en grime 239 6.2.3.3.1 Kleedster 239 6.2.3.3.2 Schminkster/kapster 240 6.2.3.4 De elektricien 240 6.2.3.5 De toneelmeester 241 6.2.3.5.1 Taak 241 6.2.3.5.2 Communicatie 242