Ecoregio s Het landschap dat we zien is het resultaat van de onderliggende bodem- en waterlagen (abiotische factoren) en de ingrepen van de mens. Daarop reageert de natuur met het voorkomen van specifieke soorten van leven (biotische factoren), zoals eencelligen, schimmels, zwammen, planten en dieren. Meestal gaan we hieraan voorbij vanwege te moeilijke materie. Omdat dit een zeer belangrijk basisgegeven is, heb ik ervoor gekozen om hier toch enige informatie over te geven. In een sterk vereenvoudigd overzicht komen de kenmerken van de betreffende streken aan bod. Ecoregio s zijn afgebakend (zonder juridische waarde) door hun specifieke kenmerken op het vlak van reliëf, bodem, geologie, hydrologie en klimatologie. De naamgeving van de Ecoregio s en -districten is gekozen op grond van die specifieke kenmerken en kan wat technisch overkomen. Toch staat zowat elke naam voor die kenmerken die het beschouwde gebied in zich draagt. Onderstaande informatie is grotendeels gebaseerd op de publicatie Ecodistricten, Ruimtelijke eenheden voor gebiedsgericht milieubeleid in Vlaanderen, gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van het Milieubeleidsplan 1997-2001 en onder promotie van de professoren Anthrop, Geypens, Hermy en Geert De Blust. Ze werd aangevuld met eigen gegevens. De Kustduinen De Ecoregio is 7566 hectare groot en bestaat uit een enkel district dat alleen verband houdt met de verschillende types kustduinen die (West-)Vlaanderen rijk is. Het omvat logischerwijs delen van alle kustgemeenten tussen De Panne en Knokke-Heist: Blanken- < Speenkruid, slanke sleutelbloem en bosanemoon, Vorte Bossen, Ruiselede Westhoek, De Panne berge, Bredene, Brugge, De Panne, Knokke-Heist, Koksijde, Middelkerke, Nieuwpoort, Oostende en Zuienkerke. Ongeveer 42% van deze Ecoregio bestaat uit groene gebieden op het gewestplan. Bijna de helft van het gebied is bebouwd, een kwart van de oppervlakte is Vogelrichtlijngebied (hier is de afbakening gebeurd om specifieke, bedreigde vogelsoorten en hun leefgebieden een extra bescherming te geven) en bijna een kwart Habitatrichtlijngebied (daar moeten de afgebakende gebieden zorgen voor een betere bescherming van specifieke habitat- of biotooptypes en/of organismen waarvoor België (Vlaanderen) internationale verantwoordelijkheid draagt). Alle Vogel- en Habitatrichtijngebieden van alle Europese lidstaten samen vormen het Natura 2000-netwerk, dat een instandhouding van de biodiversiteit nastreeft. De kustduinen zijn een relatief smalle duingordel, met een breedte tussen honderd meter en drie kilometer. Ze vormen de overgang van zee naar land. In de meeste badplaatsen is de voorste duinengordel vervangen door een vaste, zeewerende dijk. Het duinareaal, dat in het begin van de twintigste eeuw nog bijna zesduizend hectare groot was, is vandaag nagenoeg gehalveerd en sterk versnipperd. Oorzaken daarvan zijn de verstedelijking en Ecoregio s 23
Legende ecoregio van de kustduinen ecoregio van de polders ecoregio van de pleistocene riviervalleien ecoregio van de cuesta s ecoregio van de westelijke interfluvia ecoregio van de zuidwestelijke heuvelzone stedelijke gebieden W N Z O Groene 62, Gistel > 24 Ecoregio s
het groeiende toerisme. Goed aaneengesloten duincomplexen komen nog slechts op een paar plaatsen voor. Over de gehele lengte van de kust zijn de duinen sterk beïnvloed door de mens. De typische, natuurlijke dynamiek van het duinenlandschap is zo goed als overal verdwenen. Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw levert het beleid grote inspanningen om de natuurlijke dynamiek te herstellen en de resterende duingebieden te behoeden voor verdere degradatie. Deze erg geürbaniseerde Ecoregio toont twee absoluut tegenovergestelde facetten: ongeveer de helft van het grondgebied is verhard, iets minder is beschermd groen. Dit is uniek in Vlaanderen en heeft natuurlijk alles te maken met de hoge graad van bebouwing enerzijds en de bescherming van de open ruimte door het Duinendecreet anderzijds. Vandaag kunnen we stellen dat beide groepen van grondbestemmingsklassen ongeveer zijn vastgelegd. Het is immers in heel grote mate duidelijk waar men nog kan bouwen en waar de open ruimte beschermd blijft. Dit sluit nieuwe, grote projecten in de ene of andere richting in de toekomst zeker niet uit, maar we kunnen stellen dat het evenwicht dat vandaag geldt waarschijnlijk nog een hele tijd (in grote lijnen) zal meegaan. De Polders De Ecoregio is 129.425 hectare groot en bestaat uit twee districten: het Kustpolderdistrict, dat 80.166 hectare groot is, en het Getijdenschelde- en Polderdistrict. Alleen het eerste ligt in West- Vlaanderen, het tweede zien we in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen. Het grondgebied van volgende gemeenten behoort (gedeeltelijk) tot dit district: Alveringem, Blankenberge, Bredene, Brugge, Damme, De Haan, De Panne, Diksmuide, Gistel, Houthulst, Ichtegem, Ieper, Jabbeke, Knokke-Heist, Koekelare, Koksijde, Kortemark, Langemark-Poelkapelle, Lo-Reninge, Middelkerke, Nieuwpoort, Oostende, Oudenburg, Veurne, Vleteren en Zuienkerke. Ongeveer 5,1% van het Kustpolderdistrict bestaat uit groene gebieden op het gewestplan. Ongeveer zestien procent van het district is bebouwd en ongeveer een vijfde is afgebakend als Vogelrichtlijngebied. Een tweetal procent is Habitatrichtlijngebied. De Polders vormen het overgangsgebied tussen enerzijds de kustduinen en anderzijds de Pleistocene Riviervalleien en Westelijke Interfluvia. Deze Ecoregio sluit in het oosten aan op de kustpolders en loopt in een banaanvorm van Ieper tot Maldegem (Oost-Vlaanderen). De bodemsamenstelling is helemaal anders dan die van de kustpolders. Hier is zware kleigrond, die zich uitermate goed leent voor landbouwdoeleinden, dominant aanwezig. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat vier vijfde van de oppervlakte bestaat uit landbouwgebied. De vruchtbare poldergrond is uitstekend geschikt voor zwaardere teelten als graan, maïs, aardappelen en bieten. Het uitzicht van dit district is heel kenmerkend: uitgestrekte vochtige of reliëfrijke weiden met iets drogere en vlakke akkers, doorsneden door talloze sloten, al dan niet afgeboord met kilometerslange rietkragen. Er zijn weinig verhevenheden in het landschap, dat grotendeels onder de hoogtelijn van vijf meter blijft. De kenmerkende grote boerderijen, waarvan de meeste een vrij groot aantal hectare grond beheren, liggen verspreid in het landschap. Veeteelt is een belangrijke activiteit, waarbij zowel melkals vleeskoeien grote oppervlakten weide ter beschikking hebben. De weiden vormen de groene component van het mozaïeklandschap, dat verder bestaat uit de bruine tinten van de akkers. Typisch zijn de zilte graslanden die tot enkele decennia geleden nog een erg grote ecologische waarde hadden, maar die in de loop der jaren veelal zwaar werden bemest, vervlakt of gescheurd. Vandaag de dag tracht men ze met lokale projecten op het terrein in ere te herstellen. Het belangrijkste initiatief in deze context is ongetwijfeld dat van de Uitkerkse Polder in Blankenberge, waar drastische infrastructuurwerken de oude, teloorgegane biologische waarden moeten terugbrengen. Afgaand op de resultaten van de voorbije jaren schijnt dat nog aardig te lukken ook. Westbroek, Lo-Reninge 26 Ecoregio s
De Pleistocene Riviervalleien De Ecoregio is 217.453 hectare groot en bestaat uit drie districten: het Pleistoceen riviervalleiendistrict, het Noord-Vlaamse dekzandruggendistrict en het Zandig Poekebeekdistrict. Het grondgebied van volgende gemeenten behoort (gedeeltelijk) tot deze Ecoregio: Avelgem, Beernem, Brugge, Damme, Deerlijk, Dentergem, Gistel, Harelbeke, Heuvelland, Ieper, Ingelmunster, Izegem, Jabbeke, Kortrijk, Kuurne, Lendelede, Menen, Meulebeke, Oostkamp, Oostrozebeke, Oudenburg, Ruiselede, Spiere-Helkijn, Tielt, Waregem, Wervik, Wevelgem, Wielsbeke, Wingene, Zedelgem, Zonnebeke en Zwevegem. Ongeveer 10,4% van deze Ecoregio bestaat uit groene gebieden op het gewestplan. Slechts 0,1% van de Ecoregio bestaat uit Vogelrichtlijngebied en een goede twee procent is voorbehouden aan Habitatrichtlijngebieden. Deze Ecoregio valt grotendeels samen met de geologische Vlaamse Vallei, maar verschilt er toch van om technisch-bodemkundige redenen die ons hier te ver zouden voeren. West-Vlaanderen ligt overwegend ten westen en noordwesten van dit pleistocene vlakke land, dat vooral gekenmerkt wordt door een kouterachtig landschap, doorsneden door talloze valleien en valleitjes. Daardoor bestaat lokaal wel een typisch microreliëf dat, als het intact gebleven is, nog een rol speelt bij natuurontwikkeling. Op veel plaatsen zijn de beken immers rechtgetrokken en is van de oorspronkelijke bodemdiversiteit niets meer terug te vinden door de ingrijpende graafactiviteiten van de mens. De oorspronkelijke Vlaamse Vallei is hier vooral opgevuld met zandig en lemig materiaal. Hoger dan dertig meter steekt het landschap niet boven het zeeniveau uit en op tal van plaatsen, vooral ten westen van de Leie, kent de zandleembodem een intensieve tuinbouwactiviteit. Hier zijn de natuurwaarden dan ook het laagst. De Ecoregio sluit ten westen gedeeltelijk aan op die van de Polders, maar de vorm ervan is erg grillig en valt grotendeels samen met de toenmalige zuidelijke en oostelijke uitlopers van de Vlaamse Vallei, die zich vooral vormden in de Elster-ijstijd (tussen 480.000 en 370.000 jaar geleden de tweede van onze vier ijstijden uit het pleistoceen). In het uiterste zuidoosten van het pleistoceen riviervalleiendistrict vind je nog kleine centra van de eens zo roemrijke tabaksteelt. Die ontstond omstreeks het begin van de zeventiende eeuw in de buurt van het huidige Ieper, Menen, Wervik en Heuvelland. Op het hoogtepunt had de regio een areaal van ongeveer 1200 hectare. In 2005 was dit al gezakt tot ongeveer 350 hectare en na de afschaffing van de Europese subsidies bleef er in 2006 nog amper 68 hectare van over. Het bodemtype (zandleem) speelde een rol in de tabaksteelt, maar ook de ligging in de buurt van de Franse grens had een belangrijk aandeel in de vestigingskeuze, want tabak is altijd geliefde smokkelwaar geweest. Ten zuiden van deze Ecoregio ligt, sterk verbrokkeld, die van de Cuesta s. De Ecoregio van de Pleistocene Riviervalleien wordt gekenmerkt door het weinig uitgesproken reliëf dat nergens hellingen laat zien die steiler zijn dan een procent. Globaal dragen de bodems licht af naar noordelijke richtingen, maar dat is in het landschap nauwelijks waarneembaar. Dat is trouwens zowat overal in Vlaanderen het geval. De Cuesta s De Ecoregio is 114.432 hectare groot en bestaat uit vijf districten: Zandig Houtlandcuesta- (38.249 hectare), Zandig Maldegems Cuesta- (9847 hectare), Westelijk Zandig Booms Cuesta-, Zandlemig Booms Cuesta- en Oostelijk Zandig Booms Cuestadistrict. Enkel de eerste twee vinden we in West-Vlaanderen. Het grondgebied van volgende gemeenten behoort (gedeeltelijk) tot beide vermelde ecodistricten: Beernem, Brugge, Damme, Diksmuide, Gistel, Ichtegem, Jabbeke, Koekelare, Kortemark, Lichtervelde, Oudenburg, Oostkamp, Pittem, Ruiselede, Tielt, Torhout, Wingene en Zedelgem. Ongeveer 13% van beide West-Vlaamse districten bestaat uit groene gebieden op het gewestplan. Ongeveer een derde van de Ecoregio is bebouwd. Minder dan een half procent van het grondgebied werd afgebakend als Vogelrichtlijngebied, terwijl ongeveer zeven procent in Habitatrichtlijngebied ligt. In het Zandig Houtlandcuestadistrict liggen drie hoger gelegen gebieden: het Plateau van Wijnendale heeft een zachthellend reliëf (tussen 20 en 50 meter boven de zeespiegel), het Plateau van Tielt (dat tot de heuvels van Centraal-West-Vlaanderen hoort) en de cuesta van Lotenhulle-Hertsberge, die op zijn vlakke zijde enkele flauwe verhevenheden in het landschap toont. Hier ligt het Bekken Ecoregio s 27
van de Brugse Polders, dat gekenmerkt wordt door in de zomer droogvallende beekvalleitjes die in de loop der tijden werden vergraven door rechttrekkingen en draineringswerken. In het westen sluit dit district aan bij de Ecoregio van de Polders, in het noorden bij die van de Pleistocene Riviervalleien en in het zuiden is er het grillige areaal van de Westelijke Interfluvia. In het Zandig Maldegems cuestadistrict liggen enkele (kleinere) delen van Damme en Beernem zodat de beschouwing in deze context minder relevant is. De hoogteverschillen in deze Ecoregio bedragen zelden meer dan twee tot drie meter. De bodem is vooral opgebouwd uit types met een belangrijke zandcomponent en steekt nauwelijks twintig meter boven de zeespiegel uit. Het oosten van beide districten heeft de zandige bodems die je perfect kunt waarnemen ter hoogte van onder meer Beernem, Ruiselede en Wingene. De invloed van deze bodems op het landschap moet vroeger, toen hier nog grote heidevlakten voorkwamen, enorm geweest zijn. Vandaag is de invloed ervan op de keper beschouwd niet minder groot, maar ettelijke heidegronden werden beplant met grote boscomplexen. Daarin vind je ook nu nog heel wat heiderelicten of minstens een zandzure vegetatie met onder meer brem en valse salie. De Ecoregio is 139.647 hectare groot en bestaat uit vier districten: Zandig Mandel-, Zandig Leie-Schelde interfluvium-, Lemig IJzer- Leie interfluvium- en Lemig Leie-Schelde interfluviumdistrict. De Westelijke Interfluvia Het grondgebied van volgende gemeenten behoort (gedeeltelijk) tot deze Ecoregio: Alveringem, Anzegem, Ardooie, Deerlijk, Dentergem, Diksmuide, Harelbeke, Heuvelland, Hooglede, Houthulst, Ieper, Ingelmunster, Izegem, Kortemark, Kortrijk, Kuurne, Langemark- Poelkapelle, Ledegem, Lendelede, Lichtervelde, Lo-Reninge, Menen, Meulebeke, Moorslede, Oostkamp, Oostrozebeke, Pittem, Poperinge, Roeselare, Staden, Tielt, Torhout, Veurne, Vleteren, Waregem, Wervik, Wevelgem, Wielsbeke, Wingene, Zonnebeke en Zwevegem. Ongeveer 1,8% van deze Ecoregio bestaat uit groene gebieden op het gewestplan. Ongeveer een vijfde van de totale oppervlakte is bebouwd en ongeveer vier vijfde bestaat uit intensief bewerkt landbouwgebied. Minder dan een procent is Vogelrichtlijngebied, iets meer dan een procent bestaat uit Habitatrichtlijngebied. Deze Ecoregio is verdeeld over het Leiebekken en het IJzer- en Boven-Scheldebekken. Het bevat over het algemeen de droogste bodems van alle hier vermelde Ecoregio s. De bodem bestaat overwegend uit lemig zandige pakketten en vormt een relatief vlakke zone die gelegen is tussen de cuesta van Tielt in het noorden en de uitloper van de Midden-West-Vlaamse Heuvelrug in het zuiden. Deze bodems zijn uitstekend geschikt voor landbouw en dat is op het terrein erg goed zichtbaar. Je ziet meer akkers dan weiden wanneer je hier door het landschap rijdt en zeker met de fiets ondervind je dat er weinig uitgesproken reliëfwijzigingen voorkomen. In het uiterste westen van het Lemig IJzer-Leie interfluvium (Poperinge en Vleteren) floreerde lange tijd de hopteelt, maar die is intussen bijna volledig uit het landschap verdwenen. Onze teeltwijze werd te duur in vergelijking met buitenlandse productie, zodat het goedkoper was om hopbellen in te voeren. Bovendien werden aan bier steeds meer andere producten toegevoegd, waardoor de vraag naar hop drastisch verminderde. Vandaag is het hopareaal beperkt tot hooguit enkele hectare die men absoluut wil blijven beschermen als herinnering aan betere tijden. De Mandel- en Leievallei tonen op sommige plaatsen nog restanten van wat ooit lange groene linten waren met een hoge biologische waarde. Die zone is vandaag beperkt tot enkele relicten, onder meer in de omgeving van de Baliekouter in Wakken. Het toont des te meer dat deze twee rivieren in de toekomst een ecologische opwaardering zouden moeten krijgen. Allereerst een betere waterkwaliteit, maar ook een aangepast oeverbeheer en indien mogelijk enkele projecten van natuurontwikkeling in het achterland. Het zou deze regio een enorme ecologische opwaardering geven die de zachte recreant bovendien bijzonder zou waarderen. Keuneleutebos, Staden Noordzeestrand > 28 Ecoregio s